ALLE DE ONTLEED- GENEES- en HEELKUNDIGE WERKEN VAN fredrik ruysch. T W E E D E DEEL. Met veele Kopere Plaaten. ALLE DE ONTLEED- GENEES- en HEELKUNDIGE VAN FREDRIK RUYSCH, In zyn Ed. Leven vermaard Geneesheer en Hoog- Leer aar in d'Ontleed- en Kruydkunde tot Amfterdam; als mede Lid der Keyferlyke 3 Londenfe en Paryjje Genootfchappen. TWEEDE DEEL. Behelzende 5 Alle d’Anatomifche Cabinetten , benefïens de laatfte en vernieuwde Oeffeningen. Meerendejls in ’t Nederduits vertaalt, DOOR TSBRAND GTSBERT jiRLEBOUT, In Leven -vermaard Geneesheer tot Weefp. Met veele Kopere Plaaten. AMSTERDAM, Bydc JANSSOONS van WAESBERGE. MDCCXLIV. het eerste ANATOMISCH CABI N E T VAN FREDERIK r u y s c h. Med. *£so6l. Hoog-Leeraar in dv Oncieed en Kruidkunde : Kle de Ut in de Keyferlyke Academie in ‘Duytfchland, en van de Koninklyke Maatfc haflpy e der Geleerde in Enge landt en Vrankryk, Met Kopere Platen» TOT DEN L E E Z E R. Et is nu fes-cn-dartigh faar en geleden, dat ik de Boeken der M f| Anatomiften begon te lef en: Edog, nademaal my in defelve jSSgI wa dttyftere faken voorquamen 3 die ookfelfs door hare Figuren '&een genoegfuum ligt quamen te geven: Soorefolveerdeik het fnymes felfs in de hand te nemen, en tot mijn onderwerf te verkiefen, niet alleen de Lyken van Menfchen y maar ook der Beef en-, en of dat my de aller kleenfle deeltjes 3 wat groot er voor myn oogen zoude komen: foo hebbe ik geen Baarden3 noch Koeyen ge ff aard. Nadien my ondertufchen verfcheyde faken voorquamen, dewelke my waar- digfcheenen bewaart te werden} en om hare wee keen vleefghefelfflandig- heyd niet wel bewaard konden werden: foo hebbeik daartoe feerveelemoey- te aangewent3 infonderheyt ontrent dé HerJfene 3 die veele andere deelen in faghtigheydt komen te overtreffen. Nu fcheen het my toe, dat ik een goede en hequame manier uytgevonden had3 maar vond my wel haaf bedrogen 3 daar na foegh ik eengants andere wegh in y die my niet minder verleyde , en foo braqt ik veele J'aaren doory fonder yets goets uyt te werken 3 ontrent de confervaïie der gefeyde faghte deelen3 tot dat ik eyndelyk daar toe quant3 dat door my niet alleen vleefghe deelen3 als mede de Her jf ene, maar ook felfsgeheele menfchen met alle hare ingewanden veele Eeuwen, en mogclyk voor altoos 3 foo ik meen, fonder be- dervmgh ftllen konnen bewaard war den. Ik hebbe kleene Kinder kens, die ik over twintigh jaaren heb geh alfemt, en tot nu toe foo netjes bewaard, daïfe eer fbhyuen te faf en, als ontzielt te zyn. Terwylik my befïgh hield, om loet balfemen grondigh te onderfockcn 3fio quanten my ondertufchen veele curieufe zaken voor 3 tot welkers bewaring foo veel moeyte niet belooefde aangewend te worden3 als daar zyngemeene A- ders 3 Slagaders} Watervaten y Zenuwen, en andere deelen meer, die ik van tydtot tyd qttam te bewaren 5 dewelke ook tot foo groot een getal toe- namen 3 dat eengantfche Kamer de fel ve niet konde onthouden: En alfoo wierd ik gedwongen een tweede daar toe aan te leggen 3 en defe al mede niet ge- noeg faam zyn de 3 ook een derde te ge Ir uyken 3en dat alleen tot de Anato- tnifche zaken. En nadien het my verdrietigh zoude geweef zyn, geduriglyk de ligha- men der menfchen te doorfmjfelen > foo hebbe ik my, van myne jonkheydaan3 TOT DEN LEEZER een Lief hebber van de Kruyden en andere Gewajfen geweeft zynde,onder- tujfchen ook weder begeven tot het onderfoek der felve Gewajfen, en hebbe met een onvermoeyde arbeyd het foo verre gebraght dat ik, joo van inland- frbe als uytheemfche Planten, een klcen Kamertje daar van vervult hebbe, die foo der Ijk zyn ge droogt, als immers mogelyk is geweeft. Hier ijl niet by gebleven, maar hebbe my verders begeven, tot het on- derfok van kleene vreemde Diertjens, Vijfchen en Bloedeloos geftfuys, fio m voghtigheyd, als gedrooght zynde, waar mede ook een klein Kamertje ts vervult geworden. Dit nu alles door Gods goedheyd uytgevoert, en tot mynejaar en gekomen zynde; foo is myn voornemen nu een geheels andere wegin te faan, en een geruft er uur te ftoeken, om Gods dank te feggen voor defe over grote gun- fte aan my bewefien, dólt by my toegevoeght beeft foo veeltyds, om dit alles te konnen uytvoeren. Ondertufjcben om het ver foek van esnighe te voldoen, foo is V voorne- men (fio my God 't leven foo langh believen fal te ff aren) een Ly [ie tema- ken van alles wat in myne kamers gevonden werd. En hoewel het een geringhe zake zoude zyn, een geheels Catalogus van alles tevens uyt te geven: Jóo is echter myn voornemen V fielvighe fluks wyfe te verrighte, beginnende die dingen, dewelke in de on derfte Kamer gevon- den werden. In deze faan twee Kabinetten uyt Indiaan Jch Hout der lykgemaakt. In de twede Kamer vier groot e Kabinetten, als mede ve eie middelmati- ge, waar van het is vervult is met de herten van Menfchen. Het tweede is beft met Longhen van Menfchen, als mede met Herten daar de Longhen nogh aan v aft fitten: En dat alles, fio als Jy in V men- Jch en lighaam gelegen hebbe. het 3 ontbant in fgh de f artyen der Vrouwen tot de Voortteelinghge- def'meert. Het het gedarmte van verfiheyde Kinderen fier net geconfirveert. Het j ■<-’ een hoofe witte en fier kon ft igh gemaakte Geraamtens van Muy~ fn, dewelke rontom, en of t Geraamte van een Bot met fieltfame gejien verbeelden te befif ringen. Het 6de verfien met Moer-koe ken :en foo voorts zyn de refte geftojfieert met verfichtyde zaaken. In defie gefieyde tweede Kamer werden nogh vier Ceder Houten Kaffen gevonden, verfien van vier nette Geraamtens van jonghe Luyden. In de derde Kamer flaat een Tombe verfien van verficheyde Geraamtens van Kinderen, als mede aght groots Kaften, waar in verficheyde Anato- tot den leezer nnfche zaken te zien zynj ook onthoud deze Kamer verfcheyde Lyken van J ongelingen 3 die van over veelej aar en cierlyk zyngeconferveert geworden. Nu is het voornemen eerji te btfchryven3 en in V Ligt te geven3 Vgeen in ’t eer ft e Cabinet van de eerfle en onderfte Kamer gevonden werd 3met intentie van alles wat inyder deel te zien is, vervolglyk te verhalen. &n alles wat my van plaats tot plaats voorkomt3 ’t ge ene ik voor onbe- kent j of voor onbefchreven kome aan te zien 3 of't geen ook by anderen niet voel in Figuur en af ge teelt is 3 ’t zelve zal ik in Figuur en daar tujfchen voegen ; en alzoo zalyder Cabinet zyn eygene Catalogus hebben. He nuttigheyd die my dunkt daar in te ft eken 3 is deze. Niemand heeft tot nu toe alle rnjne Rariteyten gezien 3en dat om de veelheyd der zelve , en kortheyd des tyds: Het is ?ny ook onmogelyk te bedenken 3 waaryder voor- veer pis geplaatft 3 t geen my meermalen moeilykheydgebaart heeft; en hier door zal men zulks konnen voorkomen. Maar zodanig een algerneene Lyfte gemaakt zyn de 3 zalmen aanftonds konnen weten, waar dit of dat geplaatft is : Zoo iemand ook de Catalogus zal gelezen hebben 3 ’t geen hy zien wil 3 kan men hem aanftonds toonen. He eene menfch heeft zin in ’t eene, een ander in ’t andere te zien 3 en alzoo zal men een yder vergenoeging konnen geven 3 en dat met weynig ver- lies van tyd. Haar en boven 3 zoo iemand twyfelt aan ’t ware wezen 3 van' t geen in de Figuur en afgebetlt is 3 zoo zal men hem zulks haaft konnen laten zien. Hit is by andere Hnatomiften nog in geen gebruyk ge weeft, namentlyk dat men de objefl en, waar na haare Figuur en zyn gejheden , hy haar be- waart zyn r, hier van daau komt foev 3 ctav zommige ons veele zaken op de mouw gpftpelt hebben 3 die nooyt in s menfch en Ugh aam getoont konnen worden. 0 Vaart ondertujfchen wel, Beminde Lezer 3 en wilt dezen mynen arbeyd3 niet zonder groot e onkoften volbragt zyn de 3 met uwe gunfte ver eer en. 490 I. ANATOMISCH CABINET HET EERSTE ANATOMISCH CABINET, Van gevlamt Indiaans Hout clerlyk gemaakt, waar in defe vol- gende Zaken gevonden werden. ■Oor eerft ftaater aan de linker zyde van de grond een Pedeftal van Notebomen Hout gemaakt, waar op een artificiële Rots ge- plaatft is, toebereyt uyt fteenen, die in ’s menleken lichaamzyn -gegroeyt, hebbende tot haar fondament een natuurlyke Steen- rots , die met foo veel kleene en groote fteenen, uyt ’s menfchen lichaam gekomen, beley t is, dat alles, waar men ziet, een t’famenftel van fteenen is, dewelke in ’s menfchen lichaam zyn gegroeyt. Alle defe Steenen, uyt verfcheyde partyen van ’s menfchen lichaam ge- komen zynde, diftereren veel van den anderen in couleur, figure, groote cn fubftantie. Onder alle defe Steenen, zyn die met de letteren A. A. A. getekent, de kleenfte, door de waterwegen ge faft, defe Ive dienen alhier tot het bedek- ken van de natuurlyke Steenrots, voornamelyk of die flaatften, daar de groote Steenen, de natuurlyke Steenrots niet en konden dekken. B. Een Steen, van gedaante de knop van een Wandelftok gelykende, en is defelve van ons na de dood uyt de water-blaas gefneden. C. Een ft een van een Steenfky der uyt de Wat er-blaas gefneden, van gedaante een Moerbefïe gelykende. D. D. Steenen, * dewelke uyt een oude Vrouw van tachentigh jaren zyn gefneden, welke verwonderinghs waardige Hiftorie befchreven faat, in tnyne Anatomifche en Chirurgieale Ohfervatien in ’tjaar 1691. in'tlicht gegeven. Ziet aldaar de eerfte Obfervatie. wat ongehoorde wyze de lyderffe haaftig tot geneftnge is gekomen, kan men nazien in de geallegeerde Obfervatie. E. Een Steen uyt de IVat er blaas gefneden, F. —. Op dezelve wyze uytgehaalt, G. Een Jwarte Steen 3 na de dood3 uyt het hekken van de nier gefneden, Van gedaante een klaauw Gember verbeeldende. H. 'Vyt defelveplaats gefneden Deze is omvangen van een glinfte- rende fwartigheyt, V welk men meermalen bevint in de Steenen 3 die tn die plaat zen gevonden worden. L. Een andere Steen 5 door V hoeften op gegeven 3 en dat uyt de keef na dat de lyder een zeer geruymen tyt ge klaagt had 3 over het ongemakkelyk infweigen van fpys en drank. K. K. Twee fteentjens door het hoeften uyt de Long voort ge komen. L. L. Twee groote Steenen 3 verbeeldende 2 Rotsjens, deze zyn na de dood uyt een der borften van een ftokoude Vrouw gefneden. M. Een Jwarte Steen 3 omvangen van een zeer dikke, graauwe 5 en harde fchorjfe, dezelve is door een Steenfnyder uyt de Waterblaas gefneden. N. Kalkachtige Steentjens 3 uyt de kneukels van een podagreufè oude Vrouw gefneden. Deze aan een hairtjen hangende 5 werden gehouden in de rechterhand van een geraamte van een onvoldrage Kindje van ontrent vier maanden dragts, ftaande het zelve benevens de gezeyde Steenrots. Het zelve geraamte heeft in zyn linkerhand een neusdoekjen, gemaakt van een zeer dun v lies ken y waar door duyzende van fyne flagaderkens loop en, °t zelve quanfuys na de pogen brengende, als wilde het de miferien der men- fchen al ftchreyende uyt drukken j en de oograden opwaarts na den Hemel ge- ftrekt zyndey is defjelfs devys: De Mcnfche van een Vrouw geboren, en eenen klcencn tyd Iccvcnde, is vol van gebreeken. O. Een zeer groot e Steen, van gedaante een Steenrotsje ge ly ken de, de ze is in de dootkifte van een verrot menfche gevonden , en dat tujfchen des- zelfs beenen. P. Dyt de Waterblaas gefneden. Q: - Een groot er. R- - Een groote, van gedaante een klaauw Gember gelykende > deze fit noch in een der Waterpefen begin, of bekken. dqq 2 S.Een 49 2 I. anatomisch cabinet S. Een groot e Steen door een Operateur uyt de IVat er blaas gefneden s wiens fchorjfe graauw is. T. Een zeer rouwe fwarte Steen, op dezelve wyze bekomen. V. Verfcheyde fwarte Steenpens 3 na de dood uyt de Nieren gefneden. W. Een Steen, die in een der Waterpeefen is blyven futen, waar door die Wat er peefe is komen te verft oppen, en het Meysken, out ontrent spa- ren y is komen te overlyden. Wat al fmerten dit cDogterken, door dit on- geval uytgeftaan heeft 3 zulks kan ik niet, als met beweginge desgemoets} nadenten. X. X. X. Steenen, na de dood, uyt de Gal-blaas gefneden. Alle de refterende zyn of door de waterwegen geloft , of na de dood , uyt de Water-blaas, of Nieren gehaalt. Tulfchen en rontomdezegezeydeStcenen, werden gevonden takken van flagaderen, reprefenteerende takken van bladerloofe boomen, dewelke door konft opgevult zyn, met een zeer roode en wafchagtige ftofte, waar door de Steenen niet alleen, maar ook zelfs de geheele Steenrots een onderlinge vaftigheyt bekomen. Ook zoo geven deze takken een aangenaam gelichte aan den befchouwer: en zyn dezelve genomen uyt verfcheyde deden des lichaams, zoo van menfehen, als heeften. Ontrent deze Steenrots ftaan 3 Geraamtens van onvoldrage kinderkens van ontrent 4 maanden dragts, van het eerfte is hier boven gelproken, waar tegen over het tweede geplaatft is, hebbende in deszelfs rechterhand een feyften, waar mede het fchynt te willen treffen, met dit devys: "De dood en fpaart ook zelfs de weerlooze Jeugt niet. Het derde Geraamte ontrent van dezelve ouderdom is boven op de Rots geplaatft , hebbende in deszelfs rechterhand een Snoertje van kleene en fijne Peereltjens, waar na het met de voorfte vinger van de linkerhand fchynt te willen wyzcn, en het hooft opwaarts gewent zynde , als wilde het na den Hemel zien, heeft tot devys : Waarom zoude ik die dingen willen beminnen, die in de Werelt zyn ? Tegen over deze gezeyde Steenrots vint men een Noteboome Pedeftal met Longpypen bezet, zoo van Menfehen, als van Kalveren j en op dit Pedeftal werd nog in 5t midden een tweede Pedeftal gevonden, mede van ’t zelve hout gemaakt, verzien van twee kleene geraamtens, van Kinderkens, mede ontrent van 4 maanden dragts; hier van zoois’t, datheteene, door deszelfs verbeelde geiten 'Democritum verbeeldende, 5s menfehen doen fchynt f/TzgS.U ■ ÜA £' J , (j J TVlerT. 'Taf , , ad 2 ’ii '// rn Scitlpscó, Van F RED RIK RU Y S C H. 493 fchynt te belachen. Het andere heeft een neusdoekjen in zyn rechterhand, ’t welk aan ’c rechter oograt gebragt zynde 5 den fchreijende Heraclitum verbeeld. " v * Het devys van het eerfte is 3 Nadien men in dit leven zoo veele wederwaardigheden moet uytftaan: zoo is V 3 dat ik daar van vry gemaakt zynde y femme 100s3 triumpheer. Van het tweede. ÏVy van dit zoete leven berooft 3 en van de borften af gerukt, zyn van de nare dood weggenomen3 en in V duyftere graf ge legt. Aanmerkt ten eerften3 dat dit neusdoekje gemaakt is van een zeer dun vliesken 3 doorwrocht van een ontelbaar getal van zeer rode flagaderkens, dewelke flangs-wys loopende, een waarachtig borduurfel zeer aardig ko- men te verbeelden 3 waar van den Propheet David fpreekt in den 139. Pfalm. Ten 2. Dat de beentjens van de-Bekkeneeltjens in die tydftraalwysuyt- groeyen3 gelyk ’t water 3 dat ’s winters komt te bevriezen, kan men hier bequaamlyk zien. Op de voorfte zyde van ’t gezeyde grootfte Pedeftal werd gevonden: De Longepyp van een Kalf, met een roodwajfige ftojfe opgevalt y en om- ge keert3 verbeeldende alzoo een getakte en blader 100 ze boom y en is deze ge te kent JL. A. Aanmerkt dat ik deze takken zoo gedroogt hebbe, datze byna haarena- tuurlyke geftalte gehouden hebben 3 en wyken zommige voorwaarts 3 an- dere achterwaarts. B- Eon ftuk van de Long van een Kalf 3 opgeblazen , gedroogt 3 en in moten gofheden 3 op dat men des zelfs vooze en blaaswyze fubftantie be~ quaam zoude mogen zien. C. Een fukje van de Long van een Menfch 3 op dezelve wy ze toebereyt 3 op dat met alleen des zelfs blaaswyze fubftantie y maar ook e enigefteentjens kon de gezien worden 3 die in de Long gegroeyt zyn. D. Een omgekeerde Longepyp van een kleen Kint3 waar aan noch vaft zitten des Longs-ader en Slag-ader. E. Een omgekeert Longepypje van een kleen Kintje van ontrent den dragts. F. Een Jluk van een Longepyp, met een witte wafchagtigeftofje vervult, waar langs e enige takjens van de Arteria bronchialis loop en 3 dewelke met een root wafchagtige Jfoffè vervult zyn 3 en is dit uyt een Kalf genomen. Qq q 3 G. Een 494 I. ANATOMISCH CABINET G. Een Long-pyp van een Kalf, of de oude manier , ontrent geleden, van my opgefet en bewaart, N°. 111. Tuflchen deze 2 Steenrotfcn werd een zeer wit geraamte ge- zien, van een Dochterken van 3 of vier jaren, ’t zelve opeen Noteboome Pcdellal zittende, is op een nieuwe en byzondere wyze toebereyt, niet al- leen daar in beflaande, dat het meeft overal met zyne natuurlyke banden vereenigt is, maar ook zoo zyn deze banden verzien met hare llagaderkens, dewelke met een rootwallige ftoffe opgevult zynde, de leden haar alfints bloetroot vertonen. Wanneer men deze banden met vergrootglazen be- fchouwt, zoo komen ons niet alleen de capillare takjens der flag-aderen in’t gezichte, maar ook zelfs die gene, dewelke zeer veel fynder zyn. Ontrent dit Geraamte ftaan verders deze volgende zaken te conlidercrcn. Ten eerde. Het hovende deel van de Hersenpanne is met zyn natuurly- kc panneviies bekleet, waar door zoo veel flag-aderkens loopen, door kon- fle zoodanig mede gevalt, dat het panneviies root van couleur is. Ten 2. Van deszelfs linkerhand na de bord gewent zynde, hangt af een Milts lligader, op dezelve wyze opgevult, en is deze uy t een Kalf genomen. 3. De rechterhand vat een zyde draat, waar van afhangt het herte van een Jonge, zoo hard gemaakt, dat het een deenig herte fchynt te zyn, en zyn deszelfs ooren mede opgevult met dezelve doffe. 4. Aan het gezegde herte is de groote Slag-ader vad, zoo als die uyt de hnker holte van ’t herte voortkomt 3 ook ontbreekt ’er niet aan deszelfs diameter, gedalte noch loop. 5. Hoe uyt het hovende van de groote Slag-ader 3 takken voortkomen, dewelke opwaarts loopen , namelyk twee Slaap flagaders , als mede de linker onderfleutelbeenige flag-ader, kan men hier bequaamlyk zien. Ook is ’t hier fonneklaar te bemerken, dat de rechte onderfleutelbeenige Slag-a- -der uyt de rechter flaap Slag-ader haar begin neemt. 6. Ook is hier te zien, dat beydede wervel-beenige Slag-aders A. A.als mede de inwendige Mamtakken B. B. haar oorfjpronk nemen uyt deonder- fleutel-beenige Slag-aders, C. C. 7. Hier kan men ook befchouweo , dat uyt de vlicdge lak, of grond van de longs-ader4 takken voortkomen, ’t welk van my voorheen afgebeeltis, in myn Antwoord op de tiende briefs-wyfe Voordellinge. 8. ’T en is ook niet duydér alhier aan te merken, hoe dat de Longs Slag-ader, aan de grond van ’t Herte, in een rechter en linkerdeel verdeelt zynde, verders ook gefubdivideeit word. 9. Ook hoe de kroonwyfe Bloetvaten over de oppervlakte van ’t Hert komen te loopen, en alsmen Vergroot-glafen wil gebruyken, fookanmen de alierfynfle takjens in ’t gefichte krygen. Dit Van FREDRIK RUYSCH. 495 Dit herte hangt aan een zyde draad, gelyk ik hier boven gefegt heb, met een opfchrift. *s Menfchen Leven hangt aan een Zyde draad. N°* IV. Aan de rechter zyde van dit Geraamte ftaat een Vies, waar in onthouden wordt ’t Hooft eenes kints, leggende in een Balfamique voch- tigheyt; ’t welk met een levendige couleur foo net bereyt en bewaart is ( fonder eenigh blanketfel) dat het meer gelykt na ’t hooft van een ilapend, als geftorven kind, hoewel het al eenige Jaaren alfoo is bewaart geworden. Hier ontrent ftaat verders te confidereren. Ten eerfte. Het bovenfte gedeelte van de Herilenpanne, ende de Her- innen felfs weg genomen zynde, foo ift, dat haar de tien paar Zenuwen, die de Herflenpan van onderen en van vooren doorbooren, veel klaarder en diftin£ter laten zien, als wel in ’t hooft van een vers ge ft erve menfche, de lydende, en alfoo genoemde bykomende Zenuwen niet uytgefondert zynde. z. Ook kanmen hicrfcer klaar zien, voornamentlyk in de linker zyde, dat de faghte tak van de gehoorzenuw^, van de harde tak onderfchéyden is. 3. De zydelyke groeven van ’t harde of dikke Harffen-vlics van myge- opent zynde, foo komt ons nu hier de vierde groef in ’t gefighte. 4. De Treghter, vaft zittende aan het Fkiym-kliertje, ziet men door de veelvuldigheyd van de Slag-aderkens, die met een root wafchagtige ftoffe vervult zyn, de gantfche Treghter bloetroot te maken. 5. Het fluymkliertjc in de paardenzadel zittende, is in fyn midde, daar het aan de treghter vaft is, eenigftnls verheven. 6. Aan de zydeo van dit Fluymkliertje, als mede aan de zvden van de gefight-zenuwen, kan men de afgefneden ilronken vandeSlaap-flao-aderen bequaarnlyk zien. 1 ° 7. Het aangefigte , nog ook de lippen zyn geenfmts gerimpelt, en levendig van couleur. N°- V. Aan de linker zyde van ’t gefeyde Geraamte wert gevonden een tweede Glas, met defelve vochtigheyt ten deele vervult, waar in onthou- den word, ’t hooft eens kinds, op defelve wyfe toebereyt. Jd/er ontrent ftaat te noteer en* Ten eerften. Binnen in de gront van ’t Hooft, aan de rechter zyde, werd een overtollige Zenuw gevonden, benevens het dwalende paar* 2. Hier kanmen ook klaarlyk zien, dat de uyteynden van de Reuk- zenuwen het Seef-been doorbooren. 3. In dit Hooft befpeurtmen elf of 12 paar Zenuwen $ dewelke de Hers- fen-panne komen te doorbooren. 4. Het 496 I. ANATO M I S C H CABI N E T 4, Het dwalend paar doorboord hier wederzyts, op twee verfcheydc plaatfen de Herflen-pan, en dat fecr digt by den anderen. 5. Ook kanmen Jhier zien, dat de bykomende Zenuw, foo wel in de rechter als linker zyde, met verfcheyde wortelen, of beginfelen, uvt ver- fcheyde plaatieo is voortkomende. ó. Hoe peesachtig het harde Harflenvlies is, kanmen in dit Hooft be- merken. N°. VI. Achter ider defer twee gefeyden Hoofden, werden gevonden de dunne, en gedroogde darmen van een Kind , tuffchen de 3 en 4 Jaren; het darmfcheyi daar noch vaft zittende, kanmen bcquaamlyk zien, de na- tuurlyke om windingen van ’t gedaante: hier toe heb ik defelve met een root wafchagtigc ftofte opgevalt, op dat fy haare rondigheyt wederfoude krygen, waar mede fy begaaft zyn , wamieerfe in ’t leven met fpys, drank, of wint vervult zyn. Aan dit gedaante zitten ook noch vaft een gedeelte van den Colyk darm, als mede den blinden Darm, nevens desfelfs worm- wyfe ■ Aanhangfel, ten eynde men hare geftel in die ouderdom zoude kun- nen zien. Alles wat nu volgt, is geplant ft op de Ttanken van V gefeyde Cabinet, D’E ERSTE PLANK. N°. I. Het dunne gedaante van een jongh gebore Kintje, opgevult en .gedroogC, waar aan noch vaft zitten een gedeelte van den Colykdarm, als mede den blinden darm, en deszelfs wormwyfe aanhangfel, al mede tot het ielve eynde toebereyt op datmen het geftel van den blinden darm, die hier feer na by de natuurlyke geftalteniffe komt, zoude konnen zien, verfcheelende feer veel in defen ouderdom van de voor verhaalde * wantin jong geboore kinderkens, wort den diameter van den blinden darm kleen- der en kleender, en dat zonder merkelyke uytfettinge, en verandert alfoo in het wormwyze uytfteekfel: maar in die gene, dewelke ouder zyn ge- worden , ziet men dat den blinden darm aan eene zyde ruymer en ruymer word, en uyt deze uytzettinge komt het wormwyze uytfteekzel voort: foo dat in die J aren den diameter van den blinden darm, niet fucceftivelyk en vermindert. In dit gedarmte is de natuurlyke ruymte geconferveert • ook zyn de dar- men fènder rimpelen uytgefet. No. IL Een Glas, onthoudende in fich een voght, cn daar in een ge- deelte van de Milts Slagader, en dat uyt een Kalf* Defe is met een roo- de wafciiagtige ftoffe vervult, in plaats van bloed * desfelfs uyteynden Van FREDRIK RUYSC H. 497 verbeelden afgefleete penceeltjens, gelyk ik zulks ook afgebeek heb in de Milts Slag-ader van een Menfch, en dat in myne Antwoord op de.vierde voorgemelde Brief aan d’Hecr Doftor Cam/domerc, ziet aldaar Tal?, 4. Fig. 4. N°. 111. Een kints Armtje , in de zelve vochtigheyt bewaart, cn zoo curieus toebereyt, dat het de levendige geftcltheyc niet en behoeft te wy- ken, zynde blank van couleur , met eenige natuurlyke rodigheyt vermengt. Het hantje onthout in zich een polypeufe ftofte, door kon 11 uyt het bloed van een Varken toebereyt, namentlyk, het bloed uyt een vers gekeelt Var- ken wiert met een hand , zoo lang gints en weder bewogen , tot dat het koud geworden zynde , de gezeyde polypeufe fubftantie ïn groote quanti- teyt zich opdeede, cn daar nevens ook eenige klompjens vet of fmcer ,die haar in ’t bewegen of roeren uyt ’t bloet opdeden , en haar vaft vereenig- den aan de gezeyde ftofte, gelyk zulks in de Figuur van deze tweede Tafel aangewezen word met de letter E. Deze gezeyde klompjes vet zyn zeer wit, ook hardachtig , ront en van verfcheyde groote , en wierden in \ roe- ren ook omvangen van een vlies-gelykend dekfel , ’t welk nog te zien is : want door dit dekfel vereenigde zy haar aan de polypeufe ftofFe, gelykze daar nog aan vaft gchegt zyn. Ondertuffchen ftaat te letten, dat de hand, waar mede het bloed geroert wierd, fuyver, en met geen vreemde vette ftofFe befoetelt was, gelyk ook niet het bloed zelfs. Hier uyt moet men befluyten , dat het bloed week vet in zich heeft, ’t welk in de cellekens overgegaan zynde, aldaar komt te kollen. En ftaat ook te confidcreren ontrent dit Glas, waar in het gezeyde Armtje is geplaatft > als ook mede ontrent alle de volgende glafen, dat defelvedigt toegemaakt zyn met bekleetfels , van verfcheyde partyen afgehaalt zyn- de, als van darmen, herkenen, &c. en dat in plaats van blafcn. Ook zyn zommige Glafen gedekt met het vel van een Menfche. En komen ons alle deze dekfels zeer root en cierlyk voor, nadien'dcrzelver bloetvaatjens on- telbaar zynde , met een root-wafchagtige ftofFe opgcvult zyn : Zulks is niet alleen aangenaam tc zien, maar brengt ook nutdgheyt aan, voor een die de cours dezer Slag-aders naauwkeurig nazien wil. No* IV* half Hooftje van een jong geboore Kintjc, na- de lengte in twee deelcn verdeelt, waar in gezien kunnen werden Ten eerften. De ware inwendige geftelcheyt des Tongs, 200 wel van deszelfs achterfte deel, of grond, als van het voorfte en uy terfte, en dat zoo, als men die van ter zyde ziet. 2. De openinge of het mondeke des Canaals, die van ’t verhemelte na het oor gaat, kan men hier bequaamlyk zien, en werd deze openinge jbe- R r r kleet 498 I. ANATOMISCH CABINET kleet met een vlies, wiens fibertjens of draykens in haren loop zeer aardig verbeelden de vloet van ’t water in een naauw riviertjen of geute, in wiens midden eenig beletfcl gelegt zynde, ’t water gedwongen word zydelyk af te ftroomen. 3. Dat het beklectfcl van het tiiiTchen-fchcytfel van de Neus, met zeer veel, ja een ontelbaar getal van flag-aderkcns verzien is , blykt uyt dit fhiksken, ’t welk na de verdeelinge noch is gebleven. 4. De fponcieufe beenderen van de Neus, zyn van een dekfel bekleet, waar door ook duyzende van kleene Slag-aderkens paiTeeren. 5. Een van de bny-tanden van de onderfte Kaak, na de lengtegeklooft zynde, bevint men uyt drie verfcheyde zelfftandigheden te beftaao 3 waar van de buytenfte witachtig is ,de middelfte graauw, en de derde weder wat lichter graauw van couleur. 6. Dat de Hanekara, in die tyt, geheel en al kraakbeenig is, als mede het tufrchen-fcheytfei van de Neus, blykt hier klaar3 ook datzeonderling met vermenginge van fubflantie vereenigt zyn. 7. Als het zeer helder weer is, zoo kan men door de vliezen die de fpon- cieufe beenderen bekleeden, veeie kleene ronde lighaamtjens zien, dewelke kiierkens geeaamt worden. 8. Ook de overblyfzelen van het feyilen-wyze uytileekzel, daarliet zich vaft maakt aan de Hanekara, en aan de inwendige tafel van ’t voorhoofts been, 9. De alzoo genoemde Klieren van ’t Verhemelte komen ons ook wel in ’t gezigte, al fchoon men geen vergroot-glaien en gebruykt. 10. Men kan de fweergaten van’t vei hier ook zeer klaar zien. N°. V. De rechter Nier van een jonge, in dezelve vochtigheyt gelegt:. Deze is zoodanig gebalfemt, en geconferveert, dat de zelve in couleur, en andere natuurlyke hoedanigheden voor een levendige Nier, (of een, die uyt een fris en fchielyk geftorven raenfche genomen is,) niet en behoeft re vvyken. Aanmerkt ten eerften, dat op dezes Niers opperfte zyde gelegen is de By-nier: Deszelfs onderfle is te zamen gevoegd met een dem Colyk-darm, als mede met den blinden darm, en worm-wyze uytfteek:. En zyn alle deze geconferveert zonder rimpelen. Ten 2. Dat het opperfte van de ware Nier met de By-nier door een by- zondere t’zamenvoeginge te zamen zyn gehegt, en dat door Vliefen: Waar toe de By-nier van onderen iiytgeliolt is, om alzoo het bovenfte deel van, de ware Nier te ontfangen, gelyk men ziet te gefehieden in die foorte van Articulatie, die men Arthrodia noemt. N». Vl* Het Been vaneen klcea kindje, levendig van couleur zynde> hangt Van FREDRIK RUYSCH. 499 hangt in een viesje met heldere vochtigheyt* het vel en vet voor een ge- deelte van onderen weg gefneden zynde, vertoonen haar Eerftelyß. Eenige Spieren , inbaar natuurlyke plaat zen , welkers vlie- zig bekleetfel in ’t geheel niet is weg genomen , ten eynde men deszeifs bioedvaatjens zoude kunnen zien. Ten 2. Kan men hier zien de Pefen der Spieren , dewelke onder des voets buygers en afleyders gerekent werden, en dat alles noch in haare na- tuurlyke plaatfe. Deze gezeyde Feefen , onder de buytenfte Enkel paffee- rende, en hare natuurlyke, en levendige couleur behouden hebbende, zyn ook van veele zigtbare Slag~aderkens verzien. 3. Deze gezeyde Peefen zyn in een zenuwachtige koker beflcoten, ter plaatfe daar zy door des buytenfte Enkels groeve komen te loopen, om niet zoo licht uyt hare plaatfe te kunnen wyken. 4. Op dat de bioedvaatjens onder de nagels loopende , met vergroot- glazen bequaam koude gezien werden, zoo zyn van my de nagels weg- genomen. N°. VII. De Maag van een jong-geboore kindje, geopent, en ’t bin- nen fte buy te waarts gekeert, opdat Ten eerilen, het fluweele vlies van de Maag, door de veelheyt van op- gevulde bioedvaatjens, bloedroot geworden zynde, gezien konde werden: Als mede waar des fpys-leyders, of flok-darms eynde in'de Maag is,’t welk hier zeer klaar in ’t gezigte komt, door de verfcheydentheyt van haare couleuren. 2. De Poertier, of uytgang des Maags , waar aan een flukjen van den twaalf-vingerigen darm vaft zit, kan men in deze omgekeerde maag ook zien. 3. Het Het, .als mede een gedeelte van de Cplyk-darm is hier ook aan vaft. Dit Net is zoo cierlyk toebereyt, geconferveert, ook met veel fyne Slag-aderkens doorweven, dat het de fynfte licht-roode zy.de ftoffe rep re- fenteert, en zyn deze Siag-aderkens, gelyk hier blykt, uytftekend veel in getale. N°. VIII. Een (tuk van den nugteren Darm uyt een Menfche, ’t welk in een vochtigheyt hangende , zyne natuurlyke couleur behouden heeft, en in ’t zelve kan men deze volgende zaken zien. 1. He alzoo genoemde oog-luykende Klapvliefen (liever latwyze onef- fentheden) van den nuchteren Darm , onder dewelke een is, die na de lengte van ’t gedarmte loopt, contrarie alle de andere, ’t geen zeer zel- den gevonden word. 2. De Solitaire of eenzame Klieren van dien Darm (van my niet alleen Solitaire, maar ook Baftaart-klicren geheten zynde) in groote met het Rrr 2 hoofd 500 I. ANATOMISCH CABINET hoofd van een groote fpeld overeenkomende, puylen hier terplaatfe uyr. 3. De Pooi , of rnygheyt van ’c binnenfte, of fluweele Vlies dezes Darms , is hier zeer curieus te zien. N°. IX. Het Herte van een jong kindje, in dezelve vochtigheyt han- gende, en zoodanig geconferveert, dat ’cr niet het minde onnatuurlyk rim- peltje ia te zien is * en hangt zelve als in zyne natuurlyke fituatie. Aanmerkc Ten eerfte. Dat beyde de ooren van ’t herte niets van haare natuurlyke groote veriöoren, en hare natuurlyke geftalte behouden hebben, cn dat de linker Oor een Hanekam gelykr. 2, Dat de nederdalende ftronk van de Hol-ader aan haar begin afgefne- den zynde, een tamelyke 'groote holte nalaat : De opgaande ftronk daar- en-tegen, met een root wafchagtige ffoffe opgevult zynde , werd aan de zyde van ’t rechter Oor gevonden. 3. Ook kan men de ftronken van de Longs Slag-ader, en die van de groote Slag-ader, te gelyk zeer klaar zien, en dat in hare natuurlyke plaatzen. N°. X. De Slag-aderen, die door het dunne Herfien-vlies verfpreyt zyn, of liever, die door toedoen van ft dunne Herflen-vlies in ordereby een ge- houden werden , ten eynde dezelve niet van een zoude komen te wyken, cn onder een verwerren. Aanmerkt onderraffchen, dat op verfcheyde plaat- zen te zien is, dat deze fynfte Siag-aderkens de fchorHige fubftantie van de Herftene komen voort te brengen , gelyk ik breeder vertoont heb in de ftgimren van het 12. Antwoord, op dp XII. voorgeftelde Brief van d’Hcer DoPror Etmuller. Na XL De Nier van een jong kind, na de lengte in twee gefpouwen,. op dat het inwendige gezien koude werden 5 in dat gedeelte , ’r welk ’c naaife is aan de grond van’t Glas, kan men deze volgende zaken zien. 1. Het ware Geitel des Niers, beftaande, myns dunkens, voorname- Jyk uyt twee verfcheyde zclfftandighcden, hamelyk uyt bloedvaten, en pis- vaatjens, door vlochten met weynige Zemiwkens, en Water-aderen. 2. Hoewel dat haar kleene Klierkens fchynen op te doen, in dezedoor- gefnede Nieren; 200 meen ik echter, dat men door de wonderlyke con- ftruclie der bloedvaten bedrogen word 5 gelyk ik zulks in de Lylte van ’t tweede of derde Cabinet, van meeninge ben uyt te drukken door verfchey- de Figuuren, die na herleven zullen gefneden werden. 3. Deze Slag-aderen zyn kondig opgevalt, als mede voor een gedeelte de gemeene Aderen} ik zegge voor een gedeelte , nadienze niet alle ver- vult zyn geworden j en hier door komt het, dat ons deze fubftantie twee- couleurig voorkomt, als root, engraauw: maar alle de bloed vaatjens op- gevalt zynde, zoo komt ons deze fubftantie een-couleurig voor, gelyk wy namaals Van FREDRIK RUYSCH, f Oï namaals in andere, van my tocbereyde en geconferveerde Nierenr zullen aanwyzen, en ook in Figuuren laten afbeelden. Dat de Tepeltjens der Nieren niet anders zyn, als een t’zamenftel van fyne Pis-vaatjens , door d'Heer Beliïnus uytgevonden , kan men hier ge- noegzaam zien* edog niet zoo klaar, als wel in de volgende. 5. Ook dat de gezeyde Tepeltjens eenige mondekens, ofte openingjens hebben, gelyk de tepels der Vrouwen borden , is hier evident te zien, fchoon men geen vergrootglafen tot hulpe neemt, en dezeopeningtjensre- fponderen op de takken van het bekken der Nieren.. 6. Als mede dat het binnenfte en eyge Vlies van de Nieren , ’tgeen hier afhangt, taay en fterk is, na proportie van ’t geen het komt te bekleden, zulks zal niemant tegenfpreken , die het onderzogt heeft. 7. Hier biykt het ook, dat de Nieren in die tyd, zeer ongelykzyn van oppervlakte, even of dezelve van veele deelen te zamen gellelt waren, 8. Al wie wat naauw toeziet, kan hier licht in zyn gezigte krygen het Bekken van de Nier, als mede deszelfs takwyze Pypen, nadien de Nier in twee gefpouwen is. 9. Als mede een gedeelte van de Pisleyder, uyt het Bekken voortko- mende. N°. XII. Het dunne Gedarmte van een jong geboore kind, opgcvuld met een waffehige doffe, waar aan noch vaftgehegt zyn den blinden Darm, als mede een (luk van den Colyk-darm. Aanmerkt ten eerden. N adien dezelve noch aan het darm-fchey 1 vaft zit- ten , zoo hebbenze hare natuurlyke fituatie, en om windingen behouden. 2. Deze Slag-aderen, door het gedarmte ioopende , zyn op de boven- gemelde wyze vervult. . ' DE TWEEDE'FLA N K. N°- E De Gal-blaas van een Mendia , waar aan noch een Hakje van de Lever vaft zit, en zoo m een vogt hangt. AanmerKt ten eerden. Deze Gal-blaas is met een waffehige doffe ge- vult, op dat deszelfs capaciteyt en figuure, bequamelyk zouden kunnen gezien worden. 2. Ook zyn deszelfs Slag-aderen met dezelve doffe vervult. 3. Hier biykt het klaar, dat de Slag-aders van de Gal-blaas niet alleen gedeftineert zyn ten diende van de Gal-blaas , om haar van flag-aderlyk bloed te verzorgen, want dezelve loopen verders af tot de fubftantie van de Lever* dit heeft de Ontleders misleyd , want zy zagen deze takjens5 1 Rrr 3 langs 502 I. ANATOMISCH CABINET langs de grond van de Gal-blaas lopende, aan, voor byzondere wortelen van de Gal-blaas, waar door zy waanden de Gal tot de Gal-blaas te komen. Ziet verders over deze materie in myn Antwoord, op de 5. briefswyze voor- telling, alwaar breder over deze materie werd gefchreven. N°. 11. De Toog van een menfch , leggende in een heldere vcchtig- heyt, om de kleenigheden beter te mogen zien. Aanmerkt ten 1. Deze ons levendig voorkomende, is van boven verzien van onrallyke Tepeltjens, dewelke vcrfcheyden zyn van gedaante, en groote. 2. Hier van zynder fommige plat, met een openingetje in ’t midden, rontom ’c welke een rond groefje loopt; andere daar-en-tegen zyn kegels- wysj andere fchynen een rond hoofdje te hebben , gelyk zommige Cham- pinjons. 3. Door deze Tepeltjens kan men deopgevnlde bloedvaatjens zien, hoe- wel niet zonder toedoen van vergroot-glafen. 4. Het Strotten-hoofd met deszelfs klapje vertoont zich hier zeer leven- dig, en flaat het Strotten-hoofd open, gelyk het gemcenlyk doet, buyten de tyd van ’c fwelgen. 5. Onder het klapje of dekfeltje van ’t Strotten-hoofd , komt ons hier ook voor den ingang, of begin des. keels. 6. Door het klapje ziet men zeer veele kleene ronde kiiertjens loopen : 7.. Als mede langs beyde de zyden van de Tong de Slaap-flagaderen. 8. De Strot-klieren ziet men geplaatft te zyn aan’t achterfte en opperfle van de Lucht-pyp. N°. lil. Een kinds Tong, met een gedeelte van de linker zyde van de Kinne cn Lip. Aanmerkt ten 1. De Tong , door toedoen van een doorntje opgelicht zynde, kan men van onderen zien een gedeelte van dc ondertoßgtge Ze- nuwe en Slag-ader; deze Zenuw lóópt langs de zyden van ’t onderfte des Tongs, en met onder het toomtje, zoo dat zy geabufeert zyn, dewelke voorgeven, dat deze Zenuwen onder het toontje, of tongriemtje gevon- den werden. 2. Aan de linker zyde van deze Tong ziet men de flag-aderkens in zoo groot een menigte loopen, datze zeer aardig een bladerloos boffch'afitje ko- men te verbeelden. 3. Dat de onderfle kaaks-klieren wedcrzyts van een quyl-vat verzien zyn, is wel bekent; dat ook deze quyl-varen aan de zyden van ’t tong- riemtje, haar quyl in de mont uytftorten , daar van kan niemand onkun- dig zyn, die maar de eerfte beginfelen in de ontieet-konft geleyt heeft : maar tc toonen door hoe veel openingen ieder dezer quyl-vaten, ’c quyl Van FREDIUK R U Y S C H. 5°3 in de mönt uytflorten , zulks en is yder mans doen niet. En daarom en heeft men ook nooyt gezien , dat de Anatomiilea in hare publyke verto- ningen zulks hebben aangewezen: zoo nu iemand begerig is zulks in dit voorwerp te zien, en dat opeen helderen dag, zoo zal hy klaarlyk kun- nen bemerken 3 dat de linker canaal of quyl-vat op drie verlcheyde plaatfen ’t fpeekfel in de mont brengt j waar toe aan de linker zyde van ’t toomtje drie opene mondekéns gezien worden * ik hebbe in andere meermaals onder- vonden ieder canaal wederzyds 2en 3 openingen te hebben. In zommige kan ik niet meer als eeoe openinge vinden * of de refte dan in , of na het flerven , zoo digt gefloten zyn geworden , dat men ze niet koude zien , is my onbekent. 4. Dat ’t vel van een menfche driederhande ftveec-gaatjens heeft, heb ik in myne publyke demonilratien meermalen getoont : in dit voorwerp kan men ’er tweederhande klaar zien, maar de derde foorte en komt ons niet helder genoeg te voorfchyn. 5. De tepeltjes van de tong en kan men in dit kleene voorwerp niet zoo wel, als in de voorgaande zien. N°. IV. EenVlesken metvogt, waar in te zien is, een omgekeert ftuk van de Colyk-darm, een weynigsken voor die plaats afgefneden, daar ze de name van de Colyk-darm aflegt , ende de name van regten darm aan- neemt; ’t zelve is uyt een kint genomen, en hangt aan een paartsbayrtje. Aanmerkt ten eerllen. In dit omgekeerde voorwerp , in ’t welke het bin- nenfte buytenwaarrs is gekeert, kan men zonneklaar deszelfs openingtjens zien , aewelke zoo vcele zyn , en ook zoo digt aan den anderen ftaan , dat men ’er geen punt van een zeer fyne naaide tuflen zoude kunnen fteken, zonder dezelve te raken, waar door ’t zeer aardig een Zeef verbeeld, Of men aezelve openingtjens Pori of Sweetgaatjens zal moeten noemen, of mon- dekens van canaaltjens, en of door haar wat uytgeftort word in ’t gedarm- te, en of zy iets tot haar nemen, om elders te brengen, is, met geen ze- kerheyt te zeggen. 2. De aizoo genoemde darm-klierkens komen ons hier voor als kleene hollerjens, en zyn dezelve hoog root, om dat de vaten.van ’t gedarmte, met een rootwaflige ftoffe opgevalt zyn, en na myn meninge , zyn deze klierkens niet anders als bundel-of penceelswyze uyteynden van de bloet- vaatjens van ’t gedarmte. 3. In de grond van ’t glas werd nog daarenboven gevonden een ft uk van den nugteren darm , ’t welk met een infehieting befet is, dat is, by ma- niere van overftropinge is het eene deel van den darm in bet andere volgeer de in geichotea. Dit doodelyk ongeval, is het ware mïferere meir dat isy on o 504 I. ANATOMISCH CABINET ontfermt 11 mynder, geheeten, en werd daar ter plaatfe den darm geheel, verdopt; zoo dat die luyden alles uytbraken , wat men haar komt in te géven, met zeer fware pyne des buyks , en andere ongemakken meer. En is dit ingefchote (luk des darms vanlmy gefneden uyt een jonge, out om- trent agt jaren. N°. V. Een Vies met het agterbrcyn , en het begin van ’t rugmerg, ’t welk het langagtig merg geheten is. Aanmerkt ten eerden. Om het inwendige te zien, zyn dc zyden wat weg gefneden. 2. De alzoo genoemde billen en tcfticulen der herflene , zyn hier wat onder ccn geconfundeert geworden, wegens der zelve zagtigheyt, waar mede zy al aangedaan waren, eer ik het voorwerp in ’t glas dede. 3. Van het pyn-kliertjen voor de billen gelegen, heb ik een kleen moot- je afgefneden, om alzoo het inwendig geftel te zien , cn is het zelve wat poreus, gelyk zulks blykt in dit voorwerp. 4. Het vliesjc, ’t welk het gezeyde klierken omvangt, is na proportie van ’t kliertjen vry dik. 5. Dat dit kliertje gcenfints overeenkomt, met het wezen van het voor- of agter-breyn 3 ook niet overcenkomdig is met de andere klieren onzes lighaams, ben ik door veel onderzoekens gewaar geworden. 6. Onder de gezeyde billen komt ons voor een gedeelte van ’t fpinne- webswyze vlies, en onder het zelve het dunne herffenvlies. 7. Dit glas wat omgezet, komt ons voor een gedeelte van de gezigt- zenuwen,, dewelke hier zeer poreus bevonden worden: als mede de reuk- zenuwen , langs dewelke flag-aderkens Icopen. 8. Eyndeling kan men hier ook befpeuren eenige dikke takjens van de flaap.flagaderen, dewelke onderling vereenigt zynde , langs de onderfte zyde van ’t dunne herffenvlies komen te loopen. No. VI. De Neus met de hovende Lip van een Kint, in een heldere vogtigheyt aan een hayrtje hangende. Aanmerkt ten eerften. I weededey Sweetgaten doen haar hier op, maar de derde foorte kan men niet ter deegen zien, ’t en zy dat men het obje£t in water geweekt zynde, met dc vingers komt te periTen. Dat’er nu on- der deze Sweetgaten eenige zyn, dewelke verordineert zyn, om eenige overtollige of onnutte vogten uyt te laten, geeft ons genoegzaam te ken- nen het fweeten: Ook eenige om iets inwaarts te laten gaan , ’c welk ge- noegfaam blykt, door de Medicamenten, van buyten geappliceert zynde, als Spaanfche vliegen, Quik-filver en diergelyke. i. Inde grootfte en wytfte Iweetgaten ziet men de vel-kliertjens naakt Van FREDRIK RUYSCH. ' 50f cn bloot leggen, voornamelyk in die fweetgaatjens, dewelke hier wat wyt komen te gapen ontrent de Neus. 3. Eenige vei-kliertjens, in de groote fweetgaatjens van de Neus zitten* de, zyn qualyk geftelt, vergroot, en tegens de loop van de natuur, wit van couleur, welkers fweetgaatjens gezien kunnen werden verdopt te zyn. De Luyden , met dit ongeval bezet zynde, duwen met de vingeren dik- wils deze ontaarde kliertjens uyt baar vel, onder de name van puyftjens in ’t aangezigt: en werd in dezelve yeeltyds gevonden een bryagtige doffe, ook wel kleene wormtjens. 4. Hier kan men zeer klaar zien de bepalinge, waar het vel des aange- zigts komt te fcheyden van ’t vliezige bekieetfel van de hovende Lip: want daar men geen fweetgaatjens meer ziet , daar is ’t , dat het vel ook af- gcfcheyden word. 5. Het bekieetfel van ’t onderde deel van de hovende Lip hier wegge- nomen zynde, vertoont zig dat deel des Lips, als de pool van’t fluweel, zeer ruyg, waar van hier breeder daat gehandelt te worden, want zulks conflderabel, en de moeyte’ weerdig is. N°. VIL Een geëxcarneerd of ontvleed Levertje van een jong gehore Kintje, met deszelfs galblaasje, ik zeg geëxcarneerd Levertje, om dat on- ze voorgangeren alzoo gefprooken hebben, maar zulks heeft geen eygen- fchap; beter zoude men zeggen, de bloedvaten, die met haare uyteynden het voornaamde van de Lever uytmaken, zyn hier van haare fappige uyt- eynden gefcheyden. Aanmerkt ten eerften. ’t Is wonderlyk om te zien, hoe groot een onder- fcheyt dat ’er is tuflehen de uyteynden der bloetvaten, niet alleen ten op- zigte van haren cours, maar ook wegens hare tajigheyt, en broosheyt. De bloet- en galvaten des Levers zyn aan hare uyteynden zoo taay en onder- ling vereenigt, dat zy geen curieufe fcheydinge, ’t welk, als boven ver- meit is, excarnatie geheten is, toelaten j ten zy in een zeker gebrek, in dewelke de Levers een tegennatuurlyke zagtigheyt bekomen. De uyteynden dezer vaten zyn bundelwys, of penceelswys van tocflrel s en werden deze bundelkens kliertjens geheten, maar t’onregt, alzoo buy- ten der vaatjens eynden, geen kliertjens aldaar gevonden werden. Deze gezeyde bundelswyze uyteynden zyn ook geen klouentjenswyze geilingerde vaatjens, maar dezelve zyn penceelswyze bundelkens, waar van yder der zelve in geen byzonder viiesken beflooten werd, ’t welk aan een klier, zoo men zeyt, eygen is-, maar deze zyn, gelyk gezegt is, penceels- wyz£ bundelkens, dewelke alle te gelyk van haar gemeen vlies om van gen worden, tls wel waar, dat de gezeyde bundelkens haar zoo aardig kiiert- S s s jens 50 6 I. ANATOMISCH CABINE! jens verbeelden te zyn , dat zulks my, en andere voorheen heeft bedrogen , en dat voornamelyk in de Lever van een Varken, ’t zy men die rau of ge- kookt komt te befchouwen; Edogh, de zaak nauwkeurig ingezienzynde, zoo meen ik, dat men ze geenfmts daar voor houden moet s te meer, al- zoo tot haar geen byzonderc vaatjens loopen, om haar eenige bloedige üoffe toe te brengen, ’t welk ook xn een ware klier gezegt word vereyft te werden, maarzy zelfs der bloet vaatjens uyteyndenzynde, en hebben zulks, tot het uytvoeren van haar werk, niet van noden. Zoo dat ’t gebruyk des Levers, niet baar pretenfe kliertjens, maar haarer bloetvaatjens uyteynden toe te fchryven is. 2. De flagaderen van de galblaas , (die men Arterie cyflïca, of flag- aderen van de galblaas en verzien niet alleen de galblaas vaneen ge- noegzame quantiteyt ilagaderlyk bloet, maar dezelve loopen verder tot in de Lever, welke verdere takjens over de gront van de galblaas loopende, te onregt worteltjens van de galblaas zyn geheeten geworden. Zulks kan men hier zonneklaar zien. N°. VUL De Nier van een Jongen of Meysken in tweedeelen gefpou- wen , om alzoo ’t inwendig gedel te kunnen zien. Aanmerkt ten eerden. De tepeltjes van de Nier kan men hier befchey- delyk zien met veele gaatjens doorboort tc wezen, zynde die openingentjens, waar door de piffe zig komt uyc te Horten in de Nierbuykskens, dewelke niet anders zyn, als holle fcheuten of takjens van ’c bekken der Nieren. 2. Deze gezeyde tepclagtige verheventheden of tepeltjens zyn overal niet eenvoudigm de Nieren, maar op verfcheyde plaatfen gekoppelt, ge- lyk zulks in dit, en,andere voorwerpen blykt. 3. Deze Tepeltjens (zynde een t’zamendel of byeenkomde van de uyt- eynden der pis vaatjens) hebben hare natuurlyge groote, forme, en couleur. 4. Ook zyn zommige dezer pisvaatjens in deze Nier vervult geworden van de roode waffige doffe, waar mede des Niers flagader van my was ver- vult geworden, ’t welk playderig is om te zien, en waardig, zoom y dunkt, aangemerkt re werden. Ik nebbe ook verfcheyde in ieren, welkers pisvaatjens al te zamen ver- vult zyn geworden, met het opvullen van hare Slagaders, waar van hier na breder zal gefproken werden, als ik het ware en wonderlyke gedel der Nieren zal laten afbeelden, en dat zoodanig, als ik nog van geen ander voor my heb zien doen. N°. IX. Een opgefpouwe Nier van een kind, 200 curieus o-£confer- veert, dat het zyne natuurlyke, en levendige couleur nog heeft. In dezelve kan men zoo wel als in de voorgaande, de Tepeltjens zien, No. X. Van FREDRIK RüYSCH. 5®7 N°. X. De elfde, en ook delaatile, of twaalfde Ribbe, metderzelver Spieren, en dat uyt een kindje: waar ontrent aan tc merken (laat, dat men daar ter plaatfe nooyt een openinge maken moet, om etterige ftoffe uyt de borft te ontlaften, nadien men hier klaar ziet, dat deze tuffchenribbige Ze- nuwen , altoos geen cours houden, gelyk de andere, want dezelve loopen dikwils in ’t midden van de tufTcheoribbige Spieren, gelyk hier te zien is. N°. XI. Een iluk van de Colyk-darm, wiens binnenfte en ruyge vlies zeer rood zynde , ten dcele van de andere gefcheyden , nederwaarts af» hangt, onthoudende in zig de baftaart-kliertjens van ’t gedarmte. Aanmerkt ten i. Dat deze kliertjens in hare natuurlyke fituatie zynde, ’t naafte haar vereenigt houden aan het zenuwachtige vlies, geven ons hier genoegzaam te kennen de putjes, die als voetftappen, in ’t zenuwachtige vlies nagebleven zyn. 2. Ais mede zoo blykt het hier klaar, dat deftronkjes der Slagaderkens van’t gedarmte meeft haar laten vinden in het zenuwachtige vlies. 3. Ook dat het tweede en vleefige Vlies van ’t gedarmte, hier mede ge- fcheyden en afhangende, m'ct gantfeh weynige bloedvaatjes verrykt is. 4. De rondloopende en beweging toebrengende fibren of draaykens van ’t vledig vlies, kan men hier ook bequaamlyk zien; alsmede beydede zyden van’t ruyge vlies, nadien het ten deele van ’t zenuwachtige vlies gefchey- den is. Nj. XII. Een ffuk van de Lever van een waterzuchtig menfehe. Aanmerkt ten i. in ’t Jaar 1696, heb ik het doode lighaam van een wa- terzuchtig Man geopent, wiens Lever geheel en al uyt loutere blaaskens was beftaande, onthoudende in haar een heldere en taaye vogtigheyt: van deze Lever ziet men hier een ffuk zoo cierlyk gebalfemt en geconferveert, in een heldeie vogtigheyt, dat het fchynt nu vers uyt het lighaam gefne- den te zyn. ' D 0 2. In deze Lever was niet het minfte takjen van de Poort, ofHol-ader, noch ook van de Levers Slag-ader , veel min van de Galwegen te zien, hoewel den Lyder tot die tyd toe geleefc heeft. Uyt deze Aanmerkinge meen ik klaar te blyken, dat niet alleen de Water- vaten, maar ook de Bloed-vaten , cn andere meer , kunnen ontaarden in water-blaaskens, of geley gelykende blaaskens, gelyk hier gezien kan wer- den. Ln t geen noch meer te verwonderen is, debundelwyzeuyteynden dezer vaten, (die men te onrecht klieren noemt} zyn niet alleen verandert in de gezeyde blaaskens, maar ook zelfs de ftronken. . XIII. Een groot gedeelte van het dunne Hcrffen-vlies, en dat uyt een eerftgeboore kindje. Ss s 2 A,aru 508 I. anatomisch cabinet Aanmerkt ten i. Dit Vlies is zoo dun en teer, cn zoo zeer met arterikens bezet en doorweven, dat men naauwiyks iets vlieflgs zien kan : zoo dat men fchier zoude zeggen, dit yliesken uyt loutere bloedvaatjes te beftaam Hier uyt, meen ik, dat men zoude kunnen befluyten , dat deze Arteriën, of Slag-aderen , niet alken gedeftineert zyn om dit vliesken te voeden, en te verwarmen , want daar toe had zoo dun een vliesken zoo zeer veel Slag' aderen niet van noden* maar deze gezeyde vaten zyn gedeftineert, zoo ik racen, om de fchorflige fubftantie der .herflene te formeeren* en zouden de- ze bloedvaten niet onder een verwerren, en uyt hare plaatfen verzet wer- den , door deze of geene oorzaken, zoo moeften zy iets vlieflgs hebben, om haar in.ordretc houden, en daar toe meen ik dit vlies te dienen, als mede om met de gezeyde bloedvaten , de omwindingen der herftenen van den anderen te fcheyden. Van dc veelheyt en cours der gemcenc Aderen zal ik hier niet fpreken, om datze in dit gedeelte van ’t dunne herflen-vlies niet zyn vervult gewor- den , en by gevolg niet wel zigtbaar zyn. 2. Nadien de uytwendige groeven der Herflene in een jong geboore kindje niet zeer diep gaan* zoo is ’t ook, dat de aanban gfelen van 5t dunne herflen-vlies niet groot zyn, ’twelk ons hier voordeelig is, om de veelheyt der Slag-aderkcns, en ook haren cours te bequamer te kunnen zien. Ziet de fig. van dit voorwerp , Tab. 4. fig. 3. XIV. De Tong van een Jongen, met het klepje van het Strotten- hoofd, begaaft met hare natuuriyke couleur, door dezelve Tong ziet men ontelbare Tepclrjens verfpreyt, van verfcheyde gedaante en groote. Ziet verders de uytlegginge over de 4. Tafel, fig. 6. N°. XV. Het Oog, met alle deszelfs Spieren , waar over heen bloed- vaten en een zenuw loopen, en dat uyt een kleen kinder hooftjen. Aanmerkc ten 1. Deze Zenuw, boven over het Oog loopende, enzyne natuuriyke plaats en couleur behouden hebbende , is meerendeels gedefti- neert om de geefttn te brengen tot de voorhoofts Spier. 2. Als men het Glas omzet, zoo komen ons de Slag-aderen voor, der welke wcderzyds door het bekkcneels vlies loopen, even boven het ooge- rat, en dat flangswys ; ook ziet men aldaar de takken vandc gezeyde Ze- nuw, die haar door de voorhoofts Spier verfpreyden. No. XVI. De Tepel van de borft van een Walvis, hangende in een viesje met heldere vogt. Aanmerkt ten 1. Dat het oppcrvelleken, als mede het netwyze lighaam (van d Heer Malftgbius uytgevonden) van deze Tepel afgefcheyden zyn, ten eynde dat de ontallyketepeltjens, in’t vel zittende, te bequamer gefiea konde: Van FREDRIK RUYSCH. fo9 konde werden, voor zoo veel zy buyten het vel uytfteken * zynde lang- werpig rond van figuure. 2. Deze Vel-tepeitjens zyn van de Plaatfnyder wat grooter gemaakt* als zy in ’t leven zyn. 3. De Tepel van de borft is aan haar uyterfte uytgcholt * ziet de 4. Plaat * Figuur 1. N°. XVII. De Tepel van de borft vaneen Walvishet opper-velleken, als mede het netwyze lighaam niet afgedaan zynde , waar door de Tepel egaal van oppervlakte is * ende des veis tepeltjens gezien kunnen werden * zonder de minfte uytpuylinge. Ziet de 4. Plaat, Figuur 7. Aan de zyde van de Tepel des borfts , vertoone ik een kleen ftukjen van ’c netwyze lighaam van de Tepel van de borft afgefcheyden 3 op dat men deszelfs gaatjens* en ook zyn dikte tc gclyk beter zoude kunnen be- merken* ziet Figuur 8. Letter a. DE DERDE FLANK. N'. I. Een Viesje 3 en daar in een ftuk van de Tepel van de borft van een Walvis, zoodanig toebereyt, dat men de Mclk-canaai zien kan. Aanmerkt ten 1. Deze Melk-canaal is in de Walviffen eenvoudig. z. Het is aanmerkensweerdig, dat dezelve canaal geveurt is. 3. Ook dat de randen der veuren of fleuven wonderlyk zyn gckrult en gefronfelr ~ waar door den uytgang van-de Melk, buyten zuygens tydt, be- quaam verhindert kan werden. Ziet de 4. Plaat, Figuur 5. In ’t zelve viesje is noch een tweede Melk-canaal van de Tepel van een Walvis, zoodanig toebereyt, enuytgelpannen5 dat men de gezeyde veu* ven daar in beter zien kan, edog zyn de kanten der veuren niet zoo zeer gefronfelt: Of dit nu is gekomen , om dat de Melk-canaal wat meer uyt- gefpannen is, en of het een andere oorzake heeft , zulks is my onbekent. Ziet de 4. Plaat, Figuur z. N°. II- Een vlesjc met een ftukje van de Tepel van de Borft van een Walvis. Aanmerkt ten 1. Het opper-velleken en netwyze lighaam zyn hier weg genomen. 2. Des veis Tepeltjens.heb ik in’t water als ontbonden en los van een gèmaakt, waar door dezelve ’t hayr van ’t rel ecncs blonds zeer aardig verbeelden. Ziet hier over de uytlcgginge van de 9. Figuur van de 4, Plaat. N°. IH* De Tepel 3en [areold] omloopende kring yan een Yrouws JBorfb Sss 3 ’ Aan*- 5io I ANATOMISCH CABINET Aanmerkt ten i. Het opper-velleken, als mede het net-wyze lighaam, zyn maar ten deele van het vel afgefcheyden, waar door ook de kleenfte helft zich bruynachtig vertoont 5 maar daar het vel zich witter opdoet , aldaar zyn de gezeyde dekfels weg-genomen, waar door men ook op de ontbloote plaatzc des veis tepeltjens zien kan , dewelke anders onzigtbaar zyn. Ziet de 4 hg. Tab. 4. 2. Hier kan men ook zien, dat de Tepel van de Borft eenes vrouws met veele gaatjens doorboort is, geheel anders is ’t gelegen met die van de Bord: van een Walvis; en zyn defe gaatjens niet anders, als mondekens van de Melk-canaaltjens, waar door de melk fich komt te ontlaften. 3. Het foude feer qnaiyk te doen zyn voor een Ontleder, des veis te- peltjens aan de Tepel van de Bord: te vertoonen, ten zy men defelve van ’t opper-huydeken en netwyfe dekfel ontbloot zynde, in een heldere vog- tigheyt komt te hangen, gelyk ik hier doe. No. IV". Een ftuk van ’t vel van de fledisj bal van de voet, met een byna natuurlyke roode couleur begaaft. Aanmerkt ten x. Het opper-velletje, als mede het net-wyfe lighaam, door d’Fleer Malpighius uytgevonden, hangen te famen ten deele van ’t ware vel af. 2. Het buytenfte en eerfte dekfel, zynde het oppcr-velletje, vertoont fich hier in dit Voorwerp witachtig van couleur; en het tweede, of net- wyfe, in tegendeel geel, en dat alles feer klaar. 3, Ook kan men hier, by helder weer, door toedoen van vergrootgla- fen, op oncallyke plaatzen, bequaamlyk zien, het voornaamfte en gevoe- lykfte deel van de tepeltjens des veis j nadien defelve eenigermaten in dit voorwerp buyten het vel uytftckcn. Nu. V. Een ftuk van de Longepyp, na de langte open gemaakt, en dat van een Jonge, of van een Meysken. Aanmerkt ten eerften. Het inwendige, of zenuwagtige Vlies, ’twelk de inwendige oppervlakte bekleet, is vervult van (alfoo genaamde )kliert- jens, dewelke kleene holletjes komen te verbeelden. 2. Van agteren vint men aan dit voorwerp een [glandula conglobata] eenvoudige klier hangen, waar ter plaatfe men in ons lighaam veele foo- danige, en van vcrfchcyde groote ordinaris vint. N ’♦ VI. Een glas, onthoudende in zich een ftuk van ’t binnenfte cn tuyge Vlies van den Endeldarm van een Menfch, ’t welk hy na veele on- lydelyke fmerten geleden te hebben, met eenigc bloedige ftofteis quytge- worden. N \ VIL Een ftuk van de ftreng van dc Navelftreng. Aan* Van FIEDHIK RÜYSCH, 5i i Aanmerkt ten eerften, Dat de ftreng feer voos is , blykt uyt dit ftuk, en wert defe vofigheyt toegefchreven de name van fappige of fapvoercnde vaten, ook foo wort ’er gemeenlyk, door het perft'en, een üymerige en heldere vogtigheyt uytgeperft. Ten 2» Soo zietmen hier ook klaar de drie bloetvatcn 5 daar de ftreng doorgefneden is > hier van zyn de twee naauftc de üagaderen, cnde de wytfte de ader. N°. VIII. Een groot ftuk van ’t net van een jong gebore Kintje , ’t welk in een vogtigheyt hangende, feer net te voorfchyn brengt alle des felfs flagaderkens, zynde bloetroot van couleur: en dat eenwelgefteltnet, gantfeh geen gaatjens heeft, blykt hier klaar; foo dat, als men ons in ’z net gaatjens komt te vertoornen, lbo moet men fulks de ruwe handelinge van den Ontleder, of voorgaande ongemakken van den Patiënt, toefchry ven. ]SK IX. Een ftukje van ’t onderfte des ruggemergs, waar in klaar te zien zyn. Ten eerften, Dat des felfs fchorftge deel uyt loutere bloetvaatjens is beftaande. 2. Dat de fchorffige fubftantie de binnenfte plaats komt te bellrten. 3. Het is meer als wel bekent, dat het binnenfte Vlies van ’t rugmerg flagaderkens heeft: maar hoe defelve loopen, zulks en heb ik nergens foo afgebeelt gefien, gelyk ons defelve hier voorkomen. 4. Men kan hier ook zien, dat zelfs de zenuwen feer veel flagaderen belitten 3 ook hoe defelve loopen. Dat de Arterikens langs de eene zyde van ’t boytenfte en dikfte Vlies flangwys loopen, cn langs de contrarie zyde een byfondere loop hebben y kan men hier ook zien. 3SK X. Een ftuk van een menfche Milt, hangende in een vogt, wiens flagader met een rootwaflige ftoffe vervult is. Aanmerkt ten eerften. De uyteynden van de aderen zyn niet opgevult * en daarom is haar couleur graauagtig. 2. Hier kan men ook zien, dat dc uyteynden der flagaderen, eer datfe haare vaftigheyt komen te verlaten, en in een fappige enfmeltbarefubftan- tie komen te veranderen, van figure over een komen, met afgefleten pen- cecltjens. 3. Als mede dat de gefeyde fmeltbare en fappige roode fubftantie, op verfcheyde plaatfen aan de uyteynden gelaten zynde, eenigermaten voor kliertjens foudc kunnen aangefien worden, maar de zake beter ingefien zyn- de , foo is de Milt t’eenemaal kliereloos. Ziet hier over verder na myn antwoort op de vierde voorgeftelde Brief, waar in den beminden Jefer ook desfelfs figure zien zal. Nü. XL I. ANATOMISCH CABINET N°. XI. Een ftuk van ’t langwerpig merg uyt een Kind, waar in te zien zyn ten i. Die uytpuylentheden, dewelke olyfs-wyfe ligbamen geheeten wor- den , als mede ten z. Die gene, dewelke pyramidwyfe ligbamen genoemt zyn. Ten 3. Die fteuve, in ’t midden defer gefeyde ligbamen geplaatft zynde. 4. Het ronde of ringwyfe ligbaam van D. Hr. Willis. 5. Een gedeelte der beenen of fchenkels van ’t langagtig merg, ten ó. Soo ftaat aan te merken, dat dc figure na dit felfd'e voorwerpgefne- den, te zien is, in myn antwoord, op de 14 e voorgeftelde Brief, Tab. 14. Fig. 4, Nr'. XII. Een van de Hals wervelbeenderen van een kleen Kint, waar in nog een gedeelte van ’t rugraerg is blyven zitten. ’t Selve toont ons ten i(lcn feer klaar aan, dat het fchorftlge gedeelte, •uyt loutere bloetvaatjens is beftaande. 2. Ook zyn de twee op zy loopende wervel-flagaders bier voor een ge- deelte te zien. N°. XIII. Een ftuk van den bogtigen Darm, wiensnatuurlykegedaan- te en couleur, (als van een levendig menfche), feer wel bewaartizyn,en dat uyt een kleen kint. Aanmerkt ten eerften. Door het Darmfcheyl ziet men niet alleen de aderen en ftag-aderen , maar ook zelfs de zenuwkens verfpreyt te zyn, en dat feer veel in getale, na welkers quetftnge fware toevallen enonlydelyke pynen komen te volgen. 2. Des Daxmfcheyls flagaderen door het gedarmte haar verders verfprey- dende, en een ftuk weegs over des jfelfsdarmsbuytenftegeften zynde,fchy- nen wel febielyk afgebrooken te werden en te vcrdwynen, edog defelve lopen binnewaarts, na het zenuwagtige vlies, aan wie fy hare voornaamfte takken overgeven. XIV. Een ftuk van ’t dunne herftenvlies van een jong Kinrje, waar in klaar te zien is de ’t famenkomfte en ’t vereenigen van de flaap-flagaderen, met die van de wervelflagaderen. N°. XV. De Tong van een Jonge, hangende in een Vies met heldere vogtigheyt, ten eynde verfcheyde zaken klaarder voor ons geiigte komen zouden. Aanmerkt ten eerften. Langs dc bovenfte vlakte dos Tongs kan men cours der flagaderen diftinctclyk zien, nadien defelve met een wit-was- fige ftofte vervult zyn. 2. De grootfte defer uyt de keel voortkomende, loopen door het mid- den Van F R E D R I K RUYSC H. den van de Tong, en haarc takken meeft na beyde de zyden des Tongsi geheel anders gaat dit toe ontrent het onderfte des Tongs, alwaar twee (lag- aderen na de lengte des Tongs loopen, een pink breete van den omtrek van de Tong, en geven deze twee dag-aderen zoo veele takjensuytwaarts na den ommetrek, dat zy een kleene bodchade van bladerlooze boompjens verbeelden. Ziet de derde Plaat, en daar in de 4. Fig. No. XVL Zes (lukken van nbbens, met hare tudchenribbige fpiereu, en dat uyt een kleen Kint. Aanmerkt ten eerden. Het vervullen van hare (lag-aderen met een root- walïigc (toffe, is oorzake, dat ik die dag-aderen , (van my uytwendige tuffehenribbige dag-aderen geheten} uytgevondcn heb, waar van ik nooyt iets befchreven heb gevonden 3 ook heeft men ons die tot nog toe door geen (iguuren afgebcelc. 2. De fpruyten of takken dezer dag-aderen , door het bcene-vlies der ribbens loopende, hebben eenen cours, ganfeh verfchcyde van die geene, dewelke van buyten door de tudchenribbige fpieren loopen. Ziet de 3. Tiaar, Fig-3- ■ 3. ’t Is vermaaklyk om te zien, hoe perfect dat de takjens van de uyt- wendige tudchenribbige dag-aders, de cours van de bewegende draatjens der uytwendige tudchenribbige (pierrjens komen te volgen. 4. De takjens van de gezeyde uytwendige tudchenribbige dag-aderen, ziet men op verfcheyde piaaden verdubbelt te zyn , tiüTeo welke verdub- belinge eene ader komt te loopen, gelyk men altoos befpeurt in de Navel- ftreng van de Nageboorte , alwaar mede cene ader van twee (lag-aderen vergezelfchapt word, 5. Als men ’c glas omzettende, de contrarie zyde beziet , 200 komen ons alleen die dag-adertjens in ’t gezigte, dewelke verfpreyt zyn door die oppervlakte van t borft-vlies . dewelke ’t naad aan de Longe is : Deze haar begin, nog ook haar eynde, zyn niet wel te zien , zoodatzeconfuus door ’t gezeyde vlies fchynen te loopen. NJ. NVII. Een rye, of rifte tanden, uyt de eycr-ilok, of balletje van een jonge \ rouw, na haar dood, gefneden , waar van ik hier een kleen verhaal doen zal. Omtrent 4of 5 jaren geleden, is ons voorgekomen een Vrouw, out omtrent 24 Jaren, van een phlegmaticq temperament, zynde van een fware ziekte bevangen, namentlyk gedurige koortfe, en klaagde over pyn in den onderbuyk, en dat niet zonder benauwtheyt voor ’t herte: Deze geiiorven zynde, wierd ons gelegentheyt gegeven om haar lighaam te laten openen, in prefentie van eenige ervare Heeren Doctoren en Chirurgyns. iViyn Zoon bezyde des Lyfmoeders linker zyde, (zoo ik wel onthou- T c t den I. ANATOMISCH CABINET den heb) eenige hardigheyt gewaar wordende , fnyt die uyt, en vertoon- de ons dezelve; wy bevonden het de Eyerftok te wezen > ik opende de- zelve van eene zyde, en wy bevonden dat’er een tant in zat, ja een kieze of baktant 5 het verdere opende ik niet , maar hielt de refte dezer tanden in haar vlies befloten, met meeninge, wanneer my gelegentheyt voorquam om publyk t’Anatomiferen, de refte ook te ontbiooten. Deze gelegent- heyt my voorgekomen zynde, verhaalde ik het voorval , en bragt de ge- heeie rille met tanden te voorfchyn * ook zo opende ik nog een kleen ge- deelte van de gezeyde rille, en vertoonde alzoo ook een tweede tant, dio een Honts tant gelyk is. Deze twee ontbloote tanden , als mede alle de reile ten deele ontbloot , ten deele nog in haar dikvlies befloten zynde, werden by my in een vogtigheyt bewaart, gelyk de Fig. i. Tab. 3. komt aan te wyzen. Aanmerkt ten ecrflen. In deze rille tanden, dat ik, tot meerder certi- ficatie van dit wonderlyke voorval , de twee ontbloote tanden aan eene zy- de nog vall heb laten zitten aan haar dikke vlies. z. Gelyk men in de kleene kinderkens nooyt komt te befpeuren, dat de tanden volkomen of volmaakt zyn, alzoo mede is?t, dat in deze ontblote tanden het uyterfle van de wortel komt te ontbreken. 3. In kleene kinderkens zyn de tanden hol , deze in tegendeel zyn gantfeh gefloten , en zonder eenige holligheyt. 4. Hoe veel tanden dat ’er nog in ’t dikke vlies verders befloten zyn kan ik niet zeggen, aangezien ik het verder nog niet gcopent hebbe. NvXVlü. Een kleen gedeelte van deonderftc kaak eenesjonggeboore Kints, van zync vliezige deeltjens nog omvangen , waar in twee tanden gezien worden. Aanmerkt ten eerllen. Het gchcele gcftel dezer tanden, eer datze uyt hare kasjens komen te puylen, zyn in die tyc zagt van fubllantie, waar door men hier zeer veel flag-aderkens ziet palferen. 2. Een dezer twee tanden, na de lengte opgefneden zynde, is van door- gefnede llag-adcrkens zeer wel voorzien. Ook zoo ziet men diftindrelyk de flag-aderkens door het vliesken, dat de tweede Tant omvangt, ’t welk nog voor ’t grootlle gedeelte ongequetft is gebleven. 3. Hoewel de Tanden in dien tyt geheel en al zagt zyn, zoo verfchilt nogtans de buytenfte zelfftandigheyt veel van de binnenfte. De buytcnfte bellaar uyt twee zelfilandigheden, die verfcheyden zyn van couleur, ge- lyk hier evident gezien kan werden , maar de binnenfte in tegendeel is cencouleurig en zagter. N ’. XIX. Een ftuk van het dunne herflen-vlies, waaraan een gedeelte Vaa FR E D R I K RU Y S C H. van de fchorfllge zelfftandigheyt van de hcrflenen vaft zit , en kan men zeer klaar zien, dat deze fchorfllge ftoffe uyt loutereuyteyndenvanbk)et- vaatjens haar beftaan heeft. Aanmerkt ten eerden, ik zegge haar geftel geheel uyt loutere bloetvaat- jens te beftaan: maar of deze alleen te houden zyn voor uyteynden der flag-aderkens, dan of dezelve ook vergezelfchapt gaan met aderkens, en heb ik tot nog toe niet konnen uytvinden, hoewel ft waarfchynlyk is. 2. Deze gezeyde uyteynden van bloetvaatjens worden van plaats tot plaats zagter en zagter, zoo datze ten laatfte in een bryagtige ftoffe, in wat waters gedaan zynde, kan gediflblveert werden , ft geene ook plaatfe heeft ontrent de milt, gelyk ik zulks aangewezen heb inmyn Antwoord op dc vierde voorgefteldc Brief, aan den wel geoeftenden Heer J. Campdomerc. 3. Indien men deze fchorfllge ftoffe door konft komt te verharden, zoo verheft ze deze eygenfchap, en vertoont haar klonterig. 4. Hier kan men zien, dat de fchorfllge zelfftandigheyt gcenzints uyt kliertjens haar beftaan heeft. Ziet verders hier over na myn Antwoord op de 12. voorgeftelde Brief, Tab, 14. N°. XX. De Milt eenes Kinds, zoo net geprepareert en bewaart,datze fchynt vers uyt het ligbaam gehaalt te zyn. No. XXI. Het oor van een Kint, ft geen van zyn natuurlyke couleur niet fchynt afgeweken. Aanmerkt ten eerften. De fweetgaatjens open ftaande, zitten zoo digt by een, dat ons dit deel zecfswys voorkomt. 2. Tuflchen deze fweetgaatjens, kan men door toedoen van vergroot- glazen , de bloetvaatjes met een rootwaflige ftoffe opgevult, klaar zien. DE L A A Onder dit Cabinet onthoud in zig Cedere vierkante Doozen, waar van de 1. Vervult is met gedroogde en opgefnede ftukken van den nugteren darm van een Menfch , op dat men de kliertjens en andere zaken zien konde. Aanmerkt ten eerften. Deze klieren zyn van dat flag, die men niet on- der de eenzame, maar tropswyze klieren ftelt. 2. De bloetvaatjens , door deze klecne kliertjens loopende , zyn voor ons gezigt niet t’eenemaal verborgen, nadien ze met een rootwaflige ftoffe O * O zyn vervult. 3. De flag-aderkens, dewelke door het buy tenfte en gemeene vlies dezes darms loopen, hebben een geheel andere cours , als die geene, dewelke haar door de andere vliezen der darmen verfpreyden. 4. Dc latwyze ringen , by andere oogluykende klap-vliezen geheten Ttt z zynde. I ANATOMISCH CABINET zynde, werden in dit ftuk van den bogtigen darm nog gevonden, hoewel het droog gemaakt is. 5. Niet alleen de gezeyde latwyze en halfmanige ringen, maar ook zelfs het geheele ftuk dezes darms, zyn hoog root, en dat wegens het opvullen van hare ftag-aderkens met een rootwaftige ftofte. DE TWEEDE VIERKANTE DOOS Onthoud in zig verfcheyde ftukken van Menfchen darmen. A. Een ftuksken van den migreren darm, na het opblazen gedroogt en opengefneden, op dat men de oogluykende en halfmanige klap-vliezen, of latwyze ronde uytpuylenthcden zoude komen te zien. B. Stukken van den Colyk-en Bogtigen darm, met den geheele blinden darm, en wormwyze aanhangfel, alsmede dat gedeelte van’t darmfcheyl, ’c welk eygen is aan \ gezeyde uytfteekfel. En is dit genomen uyt een jong geboore Kontje. Door 't gezeyde wormwyze uytfteek, ziet men zoo veel ftag-aderkens loopen, dat het in ’t geheel hoog root is geworden, na dat ik dezelve vaatjens met een rootwaftige ftofte vervult hadde. Hier ziet men den blinden darm in jong geboore Kinderkens veel te ver- fchillen van die, dewelke eenigejaren out geworden zyn: want in geene bemerkt men den diameter van plaats tot plaats te verkorten ,ende den blin- den darm nauwer en nauwer, en cyndeling in het wormwyze uytfteek ver- andert te werden. Maar in deze, dewelke eenigen tyt ter werelt zyn ge- weeft, daar gaat het zoo niet toe, gclyk naheen getoont zal werden. C. Een ftuk van den Colyk-darm, met deszelfs \meficolon~] grove darm- fcheyl, waar door ontelbaare opgevulde üag-aderkens komen te loopen. D. Een ftuk van den Bogtigen darm, na het droogen open gefneden , wiens flag-aderen zoo veelvoudig zyn, dat zy een boftchafitje komen te verbeelden. E. Een ftuk van den Colyk-darm, wiens banden, voor het drogen los gemaakt zyn, op dat men klaar zoude kunnen zien, dat den Colyk-darm niet dikker vap zelfftandigheyt is, als de andere darmen ,en dat de differentie alleen voortkomt wegens deszelfs banden, en oogluykende klapvliezen. IN DE DERDE CEDERE DOOS Werden gevonden twee Nieren van een Menfch, grooter als men gewoon- lyk komt te zien: Hier aan zyn de grooteflag-ader, enhol-adernogvaft. Deze Nieren zyn tegens de gemeene loop van de natuure, verzien van twee overtpllige Nicrs flag-aderen. A.A. Der. Van FREDiUK RU Y S CH. A.A. Der Nieren flag-aderen. Bi B. De twee flag-adèren der Nieren, die men hier overtollig ziet. C. De ftronk van°de groote flag-ader even onder het middel-rifc afge- fneden, en met een rootwaAlge doffe vervult. D. De ftronk van de hol-ader even onder het middel-rift afgefoeden ,en met een w kwallige ftoffe opgevult. E. E. De heuptakken van de hol-ader. F. F. Des groote flag-aders heuptakken, G. De onderfte darmfcheyls flag-ader. H. De bovenfte darmfcheyls flag-ader. I. Des inaags flag-ader. K. De linker nier-ader, voortkomende, tegens de gemeene loop der na~ tuure, even boven de verdelinge van de hol-ader in heup-takken. L. De regter nier-ader op haar gewoone plaats uytfpruytende. M. De linker zaad-ader, fpruy rende uyt de nier-ader. N. De regter zaad-ader, voortkomende niet alleen uyt de regter nier- ader , maar ook uyt de hol-ader zelfs. O. O. De Fisleyders flangswys loopende. IN DE VIERDE DOOS Vint men eenige zeer klecne Vliegen, als mede de doppen of fchclleit der Popjens, waar uyt zy voortgekomen zyiij en zyn deze Popjens in wa- teren door de waterwegen ten lyve uyrgedrcven. Een zeker voornaam Perzoon, eenigen tyd van jeukte en ongemak tuf- fchen zyn fondament en flikje klagende, als mede van moeilykheyt in ’t ma- ken van zyn water, verzoekt eerft een bequaam Chirurgyn, en daar na ook My, om ons dit ongemak voor te houden : Wy vonden het water geen- fints qualyk geftek te zyn, als alleen dat ’er in de grond van ’t glas veels langwerpige lighaamtjes lagen, die hy ons zeyde veele dagen daar in ge- zien te hebben. Dit ziende, verzogt ik, eenige met my te mogen nemen in een doosje, om die nauwer te examineren, ’t welk my toegeftaan wierd: M,aar als ik den volgenden dag het doosje open maakte, vond ik’t zelve met zeer veel kleene Vüegskens, endopjens, waar uyt deze Vliegskens gekomen waren , bezet te zyn : Hier over verzet zynde, nam ik een Vergrootglas , en be- vond dc gezeyde rond en lange lighaamtjens niet anders geweeft te zyn als kleene Popjens , dewelke deze Vliegskens voortgebragt hadden. Alle deze Vüegskens ia ’t doosken levendig: zynde, vlogender verfcheyde hier en -.. Ttt 3 - ■ daar L ANATOMISCH CABINET daar weg, onder deze vond ik ’er een, die nog aan het dopje van’tPopje vaft zat, ’t welk my alle twyfel weg nam. Zier de 5. Fig. van de derde Plaat, JLctt. B. door een Vergrootgias, als mede Lett. A. zonder Vergroot- glas afgebeelc. C. en D. verbeelden 2 Dopjens mede zonder eenige ver- grootinge. Zoo hier iemand komt te vragen, hoe, en waar uyt deze popjens zyn voortgekomen in de krop van de blaas, zoo dient tot Antwoord, nadien de watergang een opene weg is, zoo behoeft men na geen andere te zoe- ken, die minder bequaam zyn. En alzoo is ’t waarfchynlyk , dat ’er zeer kleyne Wormkens door de watergang gepafleert zyn, tot aan de krop van de blaas, alwaar zy zyn biyven akten , tot datze de gedaante van Popjens aannamen. Wanneer ik deze Hidorie een voornaam Heer verhaalde , zoo gaf hy my tot Antwoord, dat hy zulks niet alleen aan hem zelve ook eens had geobferveert, maar dat hy ’t zelve nog eens in ’t water van een Vrouws- perfoon ondervonden had. ’t Is niet on waarfchynlyk, zoo my dunkt, te geloven, dat den menfche zulks onderhevig worden op het Secreet zit- tende , voornamelyk als iemand langwylig zyn verblyf aldaar komt te ne- men, en dat op zekere tyden , wanneer zulke Wormkens haar opdoen, ’c welk mogelyk zeiden voorvalt, en daarom ook zulke ongemakken niet veel voorkomen. UYT LEGGING van dc derde PLAAT. De eerde Figuur wyd ons aan een rye Tanden, dewelke in een der Eyerftokken, of Ballekens van een Vrouw zyn gegroeyt. A. Een Honds~tand. B. Ken der Baktanden of Kiezen. C. Een gedeelte van de rye ofrifte, waar in de re ft van de tanden nog zyn befloten, zonder de min ft e ontbloot mg van dezelve. D. Een gedeelte van V dikke vlies , waar in de gezeyde Tanden voor een gedeelte nog zyn gefloten, en voor een gedeelte ontbloot. De tweede Figuur wyd ons aan dezelve Tanden , zoo als ons die aan de contrarie zyde voorkomen , met een gedeelte van ’c gezeyde dikke Vlies, A. T)e Hondstand. B. TDe Bak~tand. C. D. T)ezer Tanden onderfte deel, of wortelen, dewelke nog niet vol- ma fikt, ook niet hof maar met een heen harde ft offh vervult zyn. De derde Figuur toont ons een ftuk van de Bord , namentiyk eenige Kal> f%es:jL. / / (^, y^zü/Aef~£ï, S7tl 2'U7Zm fêu^r. 'Jóf- 7S Van F R E D R 1 K R U Y « C H. 519 Ribbens met haar tuftchen-ribbige Spieren , als mede de uytwendige tuf- fchen-ribbige Slag-aderen, en dat uyt een kleen Kind. A. De ctfgejnedene Ribbens. B. De tujfchen-ribbige Spieren. C. De uytwendige t uffc hen - rlbblge Slag-ader en (aldus van my geheten j) beogende niet alleen langs de onderjie, maar ook bovenjie rand van de rib- bens. JSlu deze komen niet inmiddels voort uyt de groote flag-adcr, nog ook uyt de inwendige mam-takken, maar de inwendige tu[fchen-ribbige Jlag- cider en brengen de uytwendige voort. De vierde Figuur wyft ons aan dc Tong van een Jongeling, zoo als men die van onderen ziet. A. ‘Des Tongs vliefig bekleetzel, yt welk ons hier vry dik voorkomt, wegens deszelfs omjlag. - B. B. De onder-tong)ge Jlag-ader s, welkers veelvoudige taks ken s, eert bladerloos bojfchafïtjen komen te verbeelden. In de vyfde Figuur werden eenige Vliegen, en fchellen van Paapjens verbeelr. A. Een kleen Vliegje met deszelfs dofje , daar het Vliegje uyt geko- men is. B. Het zelve door een vergrootglas gezien en af gel eelt. C. Twee aan den anderen gevoegde Dofjens, waar uyt ce Vliegen zyn voort gekomen. D. jEen afgewon der t dofje. UYTLEGGING van de vierde PLAAT. De ecrfte Figuur wyft ons aan de Tepel van de Borft van een Walvis. A. Een ft uk van ’t vel van de Borjf. B. De Te fel van de Borft. C. Des veis Tefeltjens van de Te fel van de Borft buyten'tvelnytfuy- lende , dezelve konnen heel klaar gezien werden zonder vergrootglazen te gebruyken, en zyn deze in dit objcdt wat groot er afgebeelt. D. De holte aan ’t uyterjte van de Tefel. De tweede Figuur reprefenteert de algemeene Melk-canaal van de Borft van een Walvifch, waar in alle de andere melk-'vaatjens haar komen te ont- laden : en is deze canaal van zeer veele lleuven verzien. In de derde Figuur werd vertoont een gedeelte van ’t dunne herflen-vlies van een jong gebooreKintje, ’twelk dan ter tyd zoo dun en teer is, dat het in dunte en teerheyt een fpinnewebbe nauwlyks behoeft te wyken. On- 520 I. ANATOMISCH CAB I N E-T Ondcrtuflchen (laat te confedereren , dat de bloetvaten haar zoo veel- voudig door dit gezeyde Vlies komen te verfprcyden, dat dezelve tot het wezen van k dunne herflen-vlies meer fchynen te contribueren, als de ove- rige vliefigheyt, dewelke voorhamentlyk Ichynt gedeftineert te zyn, om de bloetvarcn t’zamen te houden , ten eyndc zy met onder een zoude verwetten. De vierde Figuur verbeck ons de Tepel van de Bork van een Vrouw , met deszelfs omnie-fchreef, of kring. A. Een gedeelte des krings van bet opperhuy deken ontbloot, waardoor het vel des krings ons witagtig voorkomt. B. Een gedeelte des krings van ’t opper huy de ken niet ontbloot, weshal- ven het vel zig aldaar bruyn vertoont. C. De gaatjens of monde kéns van de melk-canaal?jens, die hier in de Tepel van de borft zigtbaar zyn. D. T)e Tepeltjens van V vel van de Tepel des borfts, als mede die van de kring, puylen eenigzmts uyt , en worden dezelve meer hier m V vel ge- zien door vergrootglazen, als op andere plaat Jen. liier door komt het te gebeuren, dat de tepel van de borft van haar oppervelleken ontbloot, veel /waar der pyne komt te verwekken , als wel op andere plaat Jen van ons Itghaam vernemen werd, alwaar de tepeltjens van V vel niet zoo ver hup- ten het vel uytfteken. Dit is ook de reden , dat de kloven, ontvellingen, Wc. hier ter plaat ze ook qnalyker te genezen zyn: in tegendeel de Tepels van de borft wel gepelt, en van haar oppervelleken niet ontbloot zyn de , verwekken de zuygfnde kinderen aan de voedfters een aangenaam gevoe- len , door het gedunmg trekken aan de Tepel 3 maar niét alzoo wanneer zy de borft by nagt elders komen te vatten. De vyfde Figuur toont ons een gedeelte van de Tepel des Borfts vaneen Walvifch j wiens melk-canaai geveurt, en als met fronzels gekerft is. De zesde Figuur wyrt ons aan de Tong van een Kind met het ftrots- klapje; in dezes Tongs oppervlakte zitten ontelbare Tepeltjens, die het malle werktuyg van de knaak zyn. A. De Tong. B. T)e Tepeltjens, vangedaante kleene [fungi] padde-ftoelkens gelykende, onder deze zyn' er ontelbaars, dewelke ons boogs-wy ze voor komen: ‘Deze heb ik, door een vergrootglas gezien zyn de, groot er laat en tekenen als V leven, en dat hezyde deze Tong, onder die geene, dewelke hier puntigge- zien werden : Deze puntigs heb ik bier ook laten verheelden, nadien %ny dezelve zeer dikwils puntig vóórgekomen zyn in andere Tongen. C. Een rye van groot e Tepeltjens, dewelke plat en rond zyn, in V midden verzien van kleene gaatjens of mondt hens jon dom dezelve loopt ook een kring. D, Het J'fas:!' ïXas,^, ZVèerd. dof. 7&■• £ ■ d/ta/Af/rts, advu/Am ,> , H/r,/ Van FREDRIK RüYSCH. 521 D. Het firotte-hooft met verfcheyde kliert]ens bezet. E. Groote Tepeltjens aan de grond des Tongs, onder bet Jirotten-hooft, In de zevende Figuur werd een gedeelte van de Tepel van de Borft van een Walvifch vertoont, wiens opperhuydeken sen netwyze lighaam van Malpighius nog niet zyn weg gedaan, weshalven de Veltepeltjens buyten het vel niet uytpuylen. De achtfte Figuur ftelt ons voor oogen een ftukje van ’t gedeelte van de Tepel des Borfts van een Walvifch met deszclfs ontdaane vel-tépeltjens, en hangt hier van af een ftukje van deszelfs net-wyze lighaam. A. Het Net-wyze lighaam. B. "He ontdaane Vel-tepeltjens, De negende Figuur verheelt ons een ftukje van de Tepel des Borfts van een Walvifch, wiens Vel-tepcltjens van myn ontdaan zyn in fchoon wa- ter, dat is, yder Tepeltje is uyt vecle zenuwagtigc draarjens tezamen ge- ftelt, maar zyn deze draatjens op dc wyze van nat gemaakte pencecltjens vaneen geweken, en verbeelden deze draatjens hayrtjens te zyn. Ondcrtuflchen moet men aanmerken, dat van my in dit ontdoen gantfeh geen gewclt aangewent is 5 alleen had ik twee dekfels, waar mede het vel is omvangen, weg genomen. Dit experiment fchynt te confirmeren, dat de Yel-tepeltjens haar beftaan hebben uyt de uyteynden der zenuwen, nadien de zenuwen ook zelfs uyt een ontelbaar getal van zenuw-draatjens te zaaien zyn geftelt} dewelke aan haar uyt-eynde de Yel-tepeltjens uyrmaken. In de menfehe heb ik nooyt deze ontdoening der Vel-tepeltjens konnen te wege brengen, nadien deze hare draatjens al te vaft aan een verbonden zyn. Aan de linker zyde van deze Figuur ftaan eenige Vel-tepeltjens die niet ontdaan zyn, en fcherp toeloopen. ; 5 x V v v HET; <22 11. ANATOMISCH CABINET HETTWEEDE ANATOMISCH CABINET, AAN DEN GOEDGUNSTIGE LEZER. BE Goetgunftige Lefer zal ook eenige faaken in dit twede en an- dere volgende Cabinetten hefchreven vinden 3 van dewelke ook al gewag gemaakt is in *t eerfte. TVeet dat zulks niet Jonder reden gedaan is ; want na dat de bejchryvinge van ’t eerfte Cabinet in V ligt gegeven is , Joo heb ik nog verfcheyde faaken naaukeuriger uytgevonden, dewelke my 3 doenmaals nog onbekent waren. Verfcheyde zaken zyn ook van tyd tut tyd netter en curieufer van my toebereyd} nadien ik gedurig nog befig hen in V openen en onderfoeken van het men ft hen hghaam. Ook zult ge zien , dat de onderwerpen van den anderen verft billen, ten opftgte van Vge ene aan d'eene en dy andere vaftt gehegt is. TVanneer ik de befchryvmge van ’t eerfte Cabinet in ’t ligt gaf, fo was my nog niet bekent de behandelingen 3 waar door de le- vers 3 Jonder ha are pretenje klieren te weren 3 die daar waar lyk niet te vin- den zyn, zo toebereyd worden, dat alle de vaten 5 (de allerkleynfte niet uyt ge Jonder t) die de menfche lever hy na uytmaken 3 gefen kunnen werden. Hoewel ik nu dit en andere dingen meer, ondervonden heb, Joo en kan ik egt er van my niet verkrygen, de voorgaande faken te verwerpen, en andere in plaatJe te zetten. Laat deze, en ook te gelyk gene befchouwt werden 3 dewelke in een tyd van 3y.jaren van my t oebereyt zyn, en zoo zal het bly~ ken, dat niet zonder reden, alle de faken 3 met een zeergroot en arbeydtoe- hereyt zynde, van my in 16. en meer zoo Cabinetten als kaften bewaart wor- den 5 en ft aan alle defi toebereytfelen van V ligbaam door malkander en, op dat Van FREDRIK RU Y S C 11. dat het te aangenaamer voor ’t oog ons foude voorkomen: anders en foude het my ook voel niet mogelyk ge weeft zyn , het eene Cabine t te vervullen, alleen met herten van menfcben, op verfcheyde wyfetochereyd, het andere ?net kleyne Kinder hens , een ander alleen met kinderen hooftjens y£fc,£dog zulks zoude voor ’t ooge foo aangenaam niet zyn geweeft. In dit twede Cabinet werden les Planken gevonden , op welkers eerfte en onderfte deze navolgende zaken geplaaft zyn. N°. I. En viesje onthoudende in fïgh ’t ooge van een Walvis, over dwers üin twee gefneden, en foo toebereyd , dat de dikte van ’t harde vlies Sclerotica als mede de bloetvaten van ’t aderaghtige vlies kunnen wer* den geilen, en dat in een heldere voghe. Aanmerkt ten eerften, dat het Oogh van een Walvis feer kleyn is , als men het komt te vergelyken by de groote van de Vis, want het en is niet grooter als een middelmatige Oranje Appel, gelyk de i, 2, 3, en 6. Fi- gure van de eerfte Plaat, Thef 2: aanwyfen. Ten tweede, foo kan men de bloedvaten van ’t aderachtige vlies klaar en diftinéb zien, alhoewel defelve niet opgevalt zyn. Hier van loopt eeneen- fame en groote tak rontom even boven het druyve vlies, en dat aan desfelfs rand, fyne grootfte takken opwaarts verfpreyende 3 maar in den menfeh lo- pender leer dikwils, ( foo niet altoos ) fes groote takken, en dat op fes ver- fcheyde plaatfen, ia ’t midden van het aderagtige vlies, en niet rontom de gefeyde rand, en dat foo op, als nederwaarts haar verfpreydende. Ziet in de 13. yoorftel brief 8. Fig. van dc 16 Plaat. En dat van een Walvis, Fig. 6. lab. 1, van dit twede Cabinet. N°- H* Een vies met voght, waar in onthouden werden drie voorwer- pen; het eerfte is eenes Jongens Ooge, ’t welk over dwers opgefneden is3 desfelfs buytenfte is het harde vlies des oogs, het binnenftc is het mergag- tige nette vlies. De Figure hier van ttaat afgebeelt in de 13. voorftei brief Fig- 1S• Het tweede voorwerp is een raenfche ooge, wiens harde vlies \Scler6ttcd] ten deele afgenomen zynde, het aderagtige vlies [Choroidea 5 J met desfelfs flagaderkens feer bequaam in ’t gefigte komt 3 want de flagaderkens zyn vervult met een rootwaftige ftofte. benevens men ook de loop der ftagaderen en zenuwen over dc gefigt-zenuw befchouwenkan. Het derde voorwerp is de cryftaline vogtigheit, wiens helderheit beno- men is door de vogt3 waar in datfe gelegen is; foo datfe haar nu wel geheel wit vertoont, egter is desfelfs groote, nog ook de natuurlyke gcftalte niet verandert. " " Vw 2 N°f 111, No. UI. Een doorgefnede menfchen Ooge, om alfoo het inwendige te kunnen zien; in desielfs agterfte gedeelte heb ik het buy rende of harde vlies TSc ler otica ] ten deele afgefcheyde van het naailaanvolgende aderagtige \_Cboroidea \ waar door niet alleen het aderagtige, maar ook felfshetßuy- fchen vhes [ Ruyfchiana] klaar voor komen; zynde nog onderling ver- cenigt. 11. ANATOMISCH CABINET Aanmerkt ten 'eerden , dat men het nettevlies [ Retina 1 met desfelfs flagaderkens na wenfeh hier zien kan, en komen defelve uyt het midden defes oogs voort. Ten twede, in het twedc en voorde deel defes oogs, kan men ook van agteren of van binnen zien, den hayrwyfe band, hm Ciliare'\ met des felfs opgcvulde flagaderkens; als mede het aanbangfel van den ge- feyden band, en ook de plaatfe, alwaar gelegen hebben de crydaline en wateragtige vogten. Wie kan dan verders in twyfel trekken , defe en ontallyke andere zaken, zonder vooroordeel ingefien zynde, dat defe onze manier van bereyden en vertoonen, fcer veel van de gemeene maniere en wyfe verfchillende; te verkiefenis; wantik vertrouwe, dat het onmogelyk is, defe en gene dingen foo accuraat te vertoonen, ten zy men de voorwerpen aldus voor oogen houd, en hier door foo hebben ons onfe voorgangeren indeOntleedkonfte, veele zaken op de mouw gefpelt, die men nu bevind anders te zyn. N°, IV. Een Vlesje, en daar in twee voorwerpen. Het eerfte aaneen hayrtjen hangende, is het agterfte deel van een Menfchen Oog3 io ’tfelve belchout men het harde \_Sckrotica] en aderagtige vlies [Choroidea] en daar nevens ook twee zenuwkens, (hayrwyfe bants zenuwkens [Cthares] van my geheten zynde van ’t voorwerp felfs afhangende, zynde zeer fagt en breckfaam. Het tweede voorwerp is het voorfte deel van ’t felvige Oor, waar in zeerfraay gezien kunnen werden de Ruyfchen en aderige vliefen [Tunica Ruyjchiana & Choroidea,] niet tegenftaande datfe nog onderling vereenigt zyn; het binnenfte is het Ruyfchen vlies, doorweven zynde met flagader- kens, welkers cours veel verfchilt van die van het buytenfte of aderige [Choroidea] want defe en gene lopen kmyswys door malkanderen. Daar- enboven zoo kan men hier zien, dat den hayrwyfe band van veele flagader- kens verzien is. in . V. In dit Glas met vogtigheyt vervult, zyn twee voorwerpen, waar van het eerfte ook aan een hayrtje hangende, ’t agterfte gedeelte is van een Menfchen Oog, over dwers gefneden zynde; in dit voorwerp zyn deze volgende zaken te zien. Ten Vaa FREDRIK RüYSCH. Ten eerften het harde vlies, {Sclerotica'] als mede het aderige [Choroi- dea~\ vereenigt met hecßuyfchenvJi.es [Rnyfchiana,] en loopen der fel ver flagaderken mede kruyswys, gelyk hier vooren is vermeit. Ten tweden, foo kan men hier ook zien eenig overblyffel van de flaga- derkens, van ’t nette vlies, [ Reticularis ] fpruytende uyt de zyden van de inplantinge van de gefigt-zenuw m ’t harde vlies. Het andere voorwerp, gelegen in de gront van ’t Glas, is het voorfte deel van ’t Oog, wiens agterlte zyde ons hier voorkomt, namentlyk den hayrwyfe band met des felfs aanhangfel, en zyn defe befet met een fwarte natuurlyke ftoffe. N°. VI. Het Oog van een Menfch zoodanig omgekecrt, dat men de binnenfte oppervlakte zien kan. Aanmerkt ten eerften, dat het vlies [Sclerotica] weggefneden zynde, alleen het aderige en Ruyfchen vlies, [ Choroidea & Ruyfchiana] gezien werden, waar aan vereenigt zyn den hayrwyfe band met des felfs aanhangfel. Ten tweden, foo is hier een kleen gedeelte van ’t aderige vlies van het Ruyfchen afgefcheyden. Het afbeeltfcl hier van wert gevonden in ’t ant- woord van de 13 Brief Fig. 10. Ten derden, de flagaderkens die door de hayrwyfe band, als mede, de- welke door des hayrigen bands aanhangfel loopen, kan men hier ook by helder weer klaarlyk zien. N°. VII. Een Viesje met vogt, waar in een Menfchen Oog bewaart word, wiens harde vlies f Sclerotica3 ten deele weggefneden zynde, deze Volgende zaken gezien kunnen werden. Ten eerften, foo vertoont zig hier het aderige Vlies [Choroidea 1 zeer root, nadien desfells flagaderkens, zeer veel in getale zynde, met een root- waftige ftoffe opgevult zyn. Ten tweeden, verneemt men hier fes of feven witte zenuwkens regt uyt te loopen, langs des aderige vliefes oppervlakte, en zyn deze zenuwkens hairwyfe bants zenuwkens, van my geheten, dewelke, na dien datze wit van couleur zyn, Ügc onderfcheyden worden van de bloetvaten dewelke zeer konftig opgevult zyn met een root-waflige ftoffe. De reden nu, waar- om deze gezeyde zenuwkens in de gemene Anatomifche behandeiings niet gezien werden, is alleen deze, namentlyk, dat de bloetvaatjensenzenuw- kens een en dezelve couleur hebben, ten zy men de bloetvaten eerft komt °P. te vullen. len derden, deze gezeyde zenuwkens langs het aderige vlies [chorot~ dea~j lopende, en fchynen geen een zig;bange takje mede ce deelen aan het aderige vlies, maar als zy aan den hayrwyfen band, en aan des felfs aan- V v v 3 hang- 11. ANATOMISCH CABI N E T hanglel gekomen zyn, daar door zienwe datfe haar komen te verfpreyden • hier om ook fo ift , dat ikfe de name heb gegeven van Nervi Ciliares , of hayrwyfe bants zenuwen. Ten vierden, defe gefeyde zenuwkens aldus lopende, werden den mee- meeflen tyd vergezelfchapt van flagaderkens, de welke een flangswyfe cours nemen. In dit voorwerp ziet men maar een flagaderken , maar in ande- re meer. Ten vyfden. Het adcrige vlies is in ’t midden open gemaakt, op dat men het nettevlies [ Retina ] zoude zien, ’t welk zoo zeer van flagaderkens is verrykc; dat het fchier fchynt uyt defelve te beflaan. Ziet verder hier op na het fchnftelyk antwoort op de voorgeftelde 13 Brief, met des felfs figuren. alwaar breder over defe zaken gehandelt word. Ten 6. Niet alken dat men hier de gezigt zenuwe klaar zien kan,maar ook felfs die gene, dewelke hem vergezelfchappen. N°. VUL Een Menfchen Oog, in ronte een levendig oog gelykende. Aanmerkt ten eerden,dat uyt den Oog-appel een gelweliekenkomt uyt- puyien, ’t welk men Staphyloma heet, nadien dat het hoornvlies[Cornea] met een kleen gaatjen doorboort is 3 met welk ongemak iemand aangedaan zynde, foo is ’er weynig hope van herftellinge, want het gefigt worden zy gemeenlyk quyt. Ten tweden, door het harde vlies \Sclerotica} lopen veele opgevulde flagaderkens. Ten derden, aan de zyde van ’t Oog hangt een gedeelte van de opper- fte oogfehei, dewelke root voorkomt, wegens haar opgevulde flagaderkens. Ten vierden, foo kan men hier ook beyde de Traanftippen zien. N ■. IX. Een ftuk van ’t oog van een Walvis, na de lengte in twee ver- deelt zynde, ten eynde men het inwendige geftel zoude kunnen zien. Hier omtrent ftaat te letten, dat het adenge vlies [Choroidea] voor een groot gedeelte gefcheyden is van ’t Ruyfchen vlies [,Ruyfchiana,] Ho dat defè twee vliefen voor een gedeelte gefcheyden, en voor een gedeelte nog aan den anderen va ft zittende, klaar gezien en onderfcheyden kunnen wor- den, en kan men fulks op tweederley wyze aanmerken, eerftelyk als men defelve van vooren befchouwt, foo komt het Ruyfchenvlies van binnen in ’t gefigte, en van buyten het aderige. Ten twede, als men defe opgefne- de vliefen van ter zyde op de fnee befchouwt, daar zegequeftzyn, zoo be- yint men defelve in couleur te verfchillen in dit voorwerp, want het bin- nenlle en Ruyfchen vlies is witagtig, en het buytenfte ofaderagtigeis fwart- agtig. N . X. Het Oog van eeu Menfch, met des felfs fpieren, natuurlyker wyfe root van couleur. Aan Van FREDRIK RUYSCH. Aanmerkt ten 1. Dat de bol des Oogs ftyf gemaakt zynde , het Oog zync rondigheyt behouden heeft. Ten tweede, langs de oppervlakte van ’t harde vlies worden zeer veel waarfchynlyke vaatjens of canaalrjens gezien, dezelve hebben eemgegelyke- nifle met de watcrvaatjens [ vafa lymfhatica ] : Ik zegge waarfchynlyke vaat- jens , om dat ik harer wefen niet vaft derf voordellen, voor dat ik ’t zelve nader zal onderzogt hebben. Dezelve komen my voor, gclyk gezegt is, als warent watcrvaatjens, blinkend, en doorzigtig ; cdog, dewyl ik 111 de- zelve geen klapvliezen hebbc gevonden, zoo kan ik my hier in niet vol- doen. Ten derden, over deze zaak heb ik voorheen ook gewag gemaakt, in myne briefswyfe Antwoort aan den welgeoefendcn Heer Wedelius, over de vliefen der Gogen, f. 13. Ten vierden, de peefen der Oogfpieren een weynig van het harde vlies afgefcheyde zynde, geven klaar te kennen dat het harde vlies dikker word ter plaatfe, daer de gezeyde peefen haar met het harde vlies vereen igen: foo dat indien iemand dezer peezen uytfpanzel voor geenbezonder vlies wil er- kennen , foo moet hy egter toeftaan, dat dit haar uytfpanzel of verfpreydinge tot verdikkinge, en verfterkinge van ’t harde vlies veel komt t * contribueren. Ten vyfden, de beweegingmakende draatjens, dewelke de Oogfpieren maken, kan men hier klaarder zien, als wel in een verfch geflorvemenfeh. Ten zesden. De flagaderen dewelke langs de gezigt-zen vwloopen, kan men hier zien flangswys haar cours te neemen; als mede hoe dat de zenu- wen na de bol van ’t Oog loopen, dewelke van my hayrwyze bands zenu- wen [ Ctltares Nervi ] zyn geheten. N°. XL Een Glaasje, waar in een Mcnfchen Oog geconferveert v/ord, word, ’t zelve is dwers doorgefneden, en dat zonder’eenige voorgaande opvullingc der vaten. Ten eerden zoo laat zig hier van agteren, of van binnen zien, in zyne natuurlyke plaatfe, en dant de hayrwyze band \_ligamentum CiliareJ als mede des felfs aanhangfei \_procejfus Qiliart f. ] Ten tweden, foo komt ons hier te vooren, hoe, cn op wat wyze den aanhang van den hayrwyze band af komt te wyken, van dat deel van het hoornagtige vlies [C’ornea~\ ’t welk den Oogappel \LcFuf>illa'] komt te ma- ken, om alzoo plaats te verlenen aan de waterige vogtigbeyr. Ten derden, zoo bly kt het hier, dat de gezigt-zenuwe voos, en met twee vliezen bekleet is. Ten vierden, zoo vint men cp de grond van dit Glas de crydalline, en glasagdge humeuren, dewelke, hoewelze van de vogt, daarze in leggen, haare 11. ANATOMISCH CABIN ET haare helderhcy t verlooreu hebben, nogtans hier van my geconferveert zyn geworden, om al zoo te toonen, hoe de glasagtige vogt de cryftaline, als m haar fchoot, komt te bevatten. Ten vyfden, het overblyfzel van de zwarte vervve of ftofFe, ’t welke van het Ruyfchen vlies afgehaalt is , zit hier nog vaft aan de tedere vlieskens van de glaasagtige, en cryftaline vogten, en dat in de gedaante van fwar- te draden. N°. XII. Het Oog van een Jonge, waar van het harde vlies voor een groot gedeelte weggenomen is, op dat men het Ruyfchen en aderagtigc vlies zoude kunnen zien. En deze beyde in ’t midden doorgefneden zyn- de, kanmen ook het netwyze vlies befchouwen. Aanmerkt ten eerilen. Op dat men de Ilagadcrkens van ’t netwyze vlies Retina'] dewelke zeer fubtyi zyn, zoude kunnen zien} zoo heb ik des fel fs flagaderkens met een roodwaflige ftofFe opgevult. Ten twede. Het vliefige van ’t netwyfe vlies [ Retina ]is zo fyn, dat het in ’t eerfte opflag van ’t oog naulyks gezien kan werden, al zyn fchoon onze oogen door vergrootglafen verfterkt, Ten derden. Soo en verfchynt ons hier niet het mergfge wezen van ’t netwyfe vlies 3 of nu het zelve door deze vogt geconfumeert is, dan of het van den beginne af niet geweeft is, en kan ik niet zeggen. N°. XÏU. Een Menfchen Oog over dwers opgefneden. Aanmerkt dat ik hier de flagaderkens, die door ’t Ruyfchen en Netwyfe vlies lopen, opgevult hebbe, met een rode ftofFe, en alzoo kan men te be- quamer zien, waar de gezeyde vliezen komen te tcrmincren, ’t welk is aan ’t eynde van den hayrwyfe band. N°. XIV. Het voorfte deel van ’t Oog van een klcen Kind, ’t zelve zoodanig omgekeert, dat het binnenftc het buytenftc is geworden, waardoor het geftel van den hayrwyfe band ons naakt cn klaar voorkomt. * Aanmerkt ten eerften, Hoewel de flagaderkens, door den hayrwyfe band verfpreyd, cn opgevuld met een roodc waflige ftofFe, hier wel kunnen ge- zien werden 3 zoo ift nogtans klaarder te zien , als men een vergroot glas voor ’t ooge houd. Ten twede. Den hayrwyfe band is met zyn natuurlykc fwartverwige ftofFe bezet, uytgenomen hier digt aan des oogappels rand. len derden. De glaasagtige en cryftaline vogtigheden vertoonen haar °P de Br°nd van ’t Glas, aan deze ziet men nog een portie van de na- nnrlykc fwarte ftofFe vaft zitten, van het Ruyfchen vlies afgefcheurt jEyndc. 5 iN XV. Het oog van een Kalf, oyer dwers door gefneden, ten cyn- de Van FREDRIK RUYSCH. de men het inwendige geftel zoude kunnen zien: in het zelve dunktmy dat ik wat nieuws ontdekt hebbe, namentlyk, van over veele Eeuwen af heeft men het voor vaft en zeker gehouden, dat den hayrwyfe band , [ hgamen- tum Ciliarej als een fpiertje zoude zyn, ’t welk ik van gelyke ook zelfs heb gemeent , met een vooroordeel ingenomen zynde , gelyk het blykt uyc myne dertiende Bnefswyze Antwoord: Edog in dit Kalfsoog heb ik voorde eerfte reyze bevonden dat den hayrwyfe band geenzints te confidereren of te houden is voor een fpiertje , ’t welk gedeftineert zoude zyn tot het bewe- gen van den Oogappel, cn cryftaline vogt 5 maar dat in tegendeel dat ge- heele werk afhangt envolbragt word van het aanhangzel des gezeyden bants, als mede van die fpierige circul, diemen digt aan den Oogappel vind van agteren geplaatft te zyn. Het aanhangzel van den hayrwyfe band, [proces- Jus cïharis ] heeft zyn beftaan uyt fpierwyze draatjes, die na de lengte lo- pen 3 welkers pecswyze draatjens klaar kunnen gezien worden haar te ver- fpreyden en te eyndigen in de tweede en kleenfte, van my alzoo genoem- de, circul, dewelke gelyk gezegt is, van agteren geplaatft wort, aan de kant of rand van de Oogappel. Daar benevens zoo ift, dat het uyterfte van den hayrwyfe band [ Lig. Ciliare] geenzints de gezeyde peeskens komt te maken, nog ook van haar te geven, gelyk de Autheuren zeggen, maar dit haare gezeyde uyteynde krult zig om , en wykt van het gezeyde aan- hangzel af. ( Ziet de eerfte Plaat van dit i Cab. hg. 7. lett. c.) en alzoo fchynt het dat den hayrwyfe band geen zoodanige gemeenfehap heeft met het aanhangzel , gelyk de Oude Schryvers gewaant hebben. Deze zaken in een Kalfs-oog gezien zynde, heb ik my weder begeven rot de voorwerpen of oogen van Menfchen, in dewelke ik voormaals ook wel meende zoo iets tc zien, maar door een vooroordeel ingenomen zynde, verzuymde ik het naamver te onderzoeken. Maar nu zoo bevindeik, datter in deze zake geen ander onderfchcyt en is, tuftchen de Oogen van Men- leken en Kalveren , als alleen dat alles grooter is in die van dc Kal- veren. In de gezeyde klcene circul, van agteren digt aan de Oogappel geplaatft zynde, en werden niet alleen ingeplant de peeskens van de hayrwyfe band, om den Oogappel tc verwyden als het nodig is, maar het uyterfte van den kleene circul fchynt my te beftaan uyt circulaire en beweegingmakende draat- jens , cue den Oogappel, vernaauwen, wanneer wy fterk verligte zaken nau- keurig willen befchouwen. Ik bekenne wel waar te zyn, dat men deze gezeyde rontomlopcnde draatjens niet zoo klaar zienkan,ofmen is genootzaakt de oogen des verftants te hulp te roepen edog nadien den hayrigen band, nog ook des zelfs aanhang tot het toe nypenen vernauwen van den Oog- Xxx . ap- 11. ANATOMISCH C A B I N E T. appel gedeftineert zyn , zoo vind ik geraatfamer hier toe te verkiezen deze kleene circul, digt aan den Oogappel geplaaft zynde. Sommige houden voor den aanhang van den hayrwyfe band eenigefwarte draatjcnswyze overblyfzels, die men ziet aan te kleven aan het zeer dunne vliesje, dat de cryftaline en glaasagtige vogt komt te ontvangen , nament- lyk als men het ooge opgcfneden en de vogt daar uytgehaalt heeft: edog en zyn deze niet anders als afgefcheurde deeltjens van die fwartc ftoffe* waar mede den hayrwyfe band , en ook des zelfs aanhangzel, en het Ruy- fchenvlies, in een natuurlyke ftant, van bezet zyn; maar het aanhangzel der hayrwyfe band is geplaatft onder den hayrwyfen band zelfs, en komen uyt dezelve voort peeswyze draatjens, welkers eynde is in den klcencn cir- kel , gelyk voorheen van my gezegt is. Aanm. daar en boven 5 dat het tweede deel dezes Kalfsoogs, ’t welk op de grond van het viesje geplaaft zynde, in zyn holte om vangen is met het Ru yfc hen vlies, het welke digt by de gezigt zenuw blaauw van couleur is5 en het aderige in tegendeel is fwart van verwe. Ten tweeden. De gezigtzenuw loopt krom en niet regt uyt na het oog, in een Kalf. Ten derden. Hier kan ook werden gezien het netwyze-vlies, ’t welk met zeer veel flagaderkens verrykt is. M°. XVI. Een gedeelte van ’t harde vlies van een menfcheOoge, waar van eenige hayrwyfebants zenuwkens afhangen, hier van werdender in d’ecne meer, in d’andere minder gevonden. Dit voorwerp is afgebeelt in de XVI. Plaat van myne XIII. Briefswyze Antwoord, fig. 12. N°. XVII. Het Oog van een Walvis, na de lengte opgefneden. Aanmerkt ten eerften. Een gedeelte van ’t Ruyfchenvlies is van ’t ade- rige vlies afgetrokken, op dat niemand van des zelfs wezentlykheyt en zou- de twyfelen, en is het Ruyfchenvlies hier zoo dik als een papier. Ziet van ’t 2. Cab. de eerftc fig. van de eerfte Plaat. Maar in een Menfch heb ikze voorheen af doen beelden in myne Ant- woord op de 13 voorgeftelde Brief, in de 16. plaat. De tweede P LAN K. N°. I. TlEt agterfte deel van ’t harde vlies van een Kinds Ooge, met jLJ_een gedeelte van de gezigtzenuw, wiens bekleetzel in twee vlie- zen gcfcheyden is. Aan merkt dat deze twee vliezen met den andere, over een komen en d’eene niets by zonders en heeft van d’andcre, als alleen dat het buytenfte dik- ker van FREDRIK RüYSCH, kcr is. Ziet het af beeltzel hier van op de aanftonts aangeroerde plaatze. No. 11. Het agterftc van een dwers doorgefnede Oog van een Jonge, in wiens holte men zien kan het Netwyze-vlies, ’t welk hier golfs-wyze zig vertoont, tegens de loop van de natuur aan, ’t welk ik voormaals ook gezien hebbe. Het af beeltzel hier van wert uytgedrukt in debovengezey- de Plaat fig. 19. van het Briefs-wyze Antwoord. Aanmerkt dat de Oogfpieren hare natuurlyke plaats behouden hebben, inzonderheyt de regte. In ’t zelve Glas hangt ook aan een hayrtje de Regenboog van een Mcn- fchen Oogc, dewelke ik voorheen in fig. heb doen verbeelden 5 en ’tgeen ik daar over heb gefchreven, in de uytlegginge van de XVII. Fig. van de bovengemelde Brief, zal ik hier eens verhalen. Regenboog, ’t welk een vlies is, fchynende door ’1 hoornvlies heen, word van voor en in den omtrek vereenigt met het aderagtige, en van ag~ teren aan het Ruyfchenvlies >y en kan het zelve met regt m twee cirkels ver- deelt worden, waar van de grootjie eyndigt daar de Jlagaderkens agter- waarts ombuygen en te rug 'lopen, of daar de vezelen , liever peezige vezelen van het aanhangzel van den hayrwyze band van agteren ko- men te eyndigen , gelyk gezien kan werden in de 17. en 18. fig. van de 16 Rlaat in ’t Antwoord, op de Briefwyze voorftellinge. cDe andere circul, veel klcender eyndigt aan de oogappel. Tden groot ft e cirkel des Regen hoogs is verzien van ontallyke Jlagaderkens, dewelke met een wonderbaar lyke cours verjpreyd zyn door den gezeyde Regenboog, gelyk de gezeyde figuren komeit aan te wyzen; want als dezelve geko- men zyn tot den kleenen circul, zoo ift, dat dezelve weder te rug loe- pen , en haar al zoo boogswys omkeer en, welkers boogwyze omkeringen weder nieuwe en klynder takskens te voorftchyn komen, dewelke ook op dezelfde wyze haar om keren, en te rug lopen , wanneer de ze gekomen zyn aan den rand of eynde van den oogappel, moge ly Hom dat het hloet in al te groot en drift wat ver- hindert zoude werden, en niet zoo ligt buyten zyne vaten zoude lopen, door een uyterlyk gewelt , of andere oorzaak , en dat in bloetryke Menfchen. N°. HF Het Ooge van een Jonge , dwers door gefneden, op dat het Ruyfchcnvlies, als mede het aderige vlies, en andere zaken te voorfchyn zouden komen. In dit voorwerp is het netwyze vlies niet in ’t geheel geconferveert3 maar alleen een portie van ’t zelve, en dat aan ’t önderfte gedeelte, alwaar de flagaderkens vervult zynde, des zelfs wezen ver- toonen. Een gedeelte van ’t gezeyde Oogey ’t welk het naafte aan de grond van de vies geplaaft zynde, is het Druyve en Hoorn-vlies, welkers agterfte Xxx x wezen 11. ANATOMISCH CABINET. wezen hier in ’t gezigte komt , zynde namcntlyk den hayrwyfen band 9 metdeszelfsaanhangzel, en peezigedraaden, of vezelen. N°. IV. Het Hoornvlies, met des zelfs vereenigde Bint, Aderig, en Ruyfchenvlies, als mede den hayrvvyzenband, met des zelfs aanhangzel , &:c. Ziet verders in de uytlegginge van de 4 Fig, van de eerfte Tafel van dir tweede Cabinet. N°. V. Het hooft eenes Kints, leggende ineenvogtigheyt/t welk zon- der eenig blanketzel of verwe, zoo curieus geconferveert word, dat het ’t hooft van een fris en levendig Kind verheelt; en is ’t zelve van overveele jaren van my alzoo bewaart worden. Aanmerkt ten eerden. Het opperde van ’t bekkeneel, als mededehers- fene weggenomen zynde, zoo komen ons hier te vooren de 10 paar zenu- wen, den Tregter rood van couleur, wegens de opvullinge van des zelfs klecne bloetvaatjens met een root wadi ge doffe. Ten tweeden, Het tudchenfcheytzel, waar door het voor-en agter breyn, ter zyde van den anderen gefcheyden word, verbeeldende een overdwerffe feyflën, (indien het geoorlooft is, alzoo te lp reken,) kan men hier ook klaar zien. Ten derden. De Oog-radcn ten deele van ’t harde harflenvlies ont- bloot zynde , komen ons ligt root voor , wegens de opgevulde flaga- ders. Ten vierden. De opperde Lip werd in een Menlch door een eenigen band vaft gehegt aan de opperde kaak, edog zoo vint men hier twee zoo- danige banden. JNU. VI. Een Glas, onthoudende in zig een gedeelte van de blaas van een fwangere Vrouw, dewelke, geduurende haredragtmetonverdraaglyke pyne, cn gedurige begeerte tot het maken van haar water, gequelt zynde, ten laaiden is komen te derven. Het lighaam geopent, en een viermaan- dig Kintjedaar uytgehaalt zynde, heb ik de blaas verrot cn bedurven ge- vonden, Edog ’t geen ik meen aanraerkenswaerdig te zyn, is; dat aan alle de draden of zalëhngen van deze blaas, hingen zeer veelkleenedeent- jes als zantjes. Ziet de 2. dg, van de tweede Plaat van dit tweede Cabinet, en ’t onderwerp zelfs t’mynen huyze, N°. Vil. Een viesje met heldere vogt, waar in drie voorwerpen leggen, waar van ’t eerde aan een hayrtje hangende, een gedeelte is van een Men- fchen Ooge, waar in zeer perfeft te zien is het onderfcheyt tnflehen het Ruyfchen en Netwyze-vlies van buyten bezet met een fwarte dode waar mede men in tegendeel meed ziet de binnende oppervlakte van ’t Ruyfchen vlies begaaft te zyn. Ook werden hier des hayrwyzen bands zenuwen van FREDRIK RUYSCH. gezien, dewelke over de oppervlakte van ’t Netwyze vlies loopen. In de grond van deze Vies ziet men de verdere twee gezeyde voorwer- pen, waar van het eenc een Menfchen Ooge is, op zoodanig een wyzetoe- bereyd , dat het voorfte gedeelte , ’t welk het hoornvlies [Corneaj is geheten, weg gefneden zynde, de cryftaline en glasagtige vogten, gezien kunnen werden, en dat in hare natuurlyke plaat zen: Ondertuffchen moet men noteren, dat deze vogten, tegcns de natuure, haare docrzigtigheyt en helderheyt verloren hebben, ais mede datze harder zyn geworden van deze onze vogtigheyt. Daar en boven kan men hier ook zien , het overige van de fwarte ftoffe , ’t geen van ’t Rufychen vlies , en hayrwyze band afgehaalt zynde, aan de gezeyde vogten in de ronte ftraalwys vafthoud. Deze ftraalwyfe ftoffe , of ftralen zyn breder in de viervoetige die- ren , die de Autheuren niet fchyncn geobferveert te hebben, dewelke de ogen van Kalveren, in plaats van die van de Menfchen in koper afgebeelt hebben. Het derde voorwerp , leggende mede op de grond van deze Vies , is het hoornvlies [ Cornea ] in wiens binnenfte zyde , of wezen gezien worden. # De hayrwyfen band, met des zelfs aanhangzel, als mede den kleenen circul, waar in de peeskens van het gezeyde aanhangzel komen te eyndi- gen, dewelke den Oogappel verwydcn > als mede de rontom lopende ve- zelen of draden, dewelke den Oogappel vernaauwen. Ziet de eerfte Plaat van dit twede Cabinec fig. 4. 5. en 7, N°* VIII. Het netwyfe vlies van een Kinds Oog, dryvende in een hel- dere vogtigheyt. Aanmerkt eerftelyk. De flagaderkens zyn met een rootwafllge ftofl'e ver- vult, waar door het netwyze vlies zig root vertoont , en is ’t zelve zoo dun, dat net een fpinnewebbe in dunte op veele plaatzen komt te over- treffen. Ten zde. In ’t gezeyde netwyze vlies en is niets mergagtigs te zien, maar is het zelve geheel en al uyt bloetvaatjens beftaandej of nu het mergagtige in dit voorwerp afgegaan is, in de behandelinge, of niet, zulks en Ican ik niet voorzeker zeggen. Ondertuffchen is het wonderlyk om te zien, dat dezer bloetvaatjens uyteynden zoo fubtyl zyn, datze ons als donsagtig voorko- men , nogtans is alles hol en met een roodwafllge ftofïè vervult, zonder welke opvullinge deze gezeyde uyteynden ons gezigte ligt zoude komen te ontgaan, alwaar het fchoon, dat we vergrootglazen tot hulp namen. Ziet hier op verders Xxx 3 na 11. ANATOMISCH CABINET na ons Antwoord op de 13 Briefswyze voorftellingc. Tab. 16. lig. 7. en 16. N°. IX. Een Viesje onthoudende in zig ’t Steen-been ,met deszelfshalf circulwyze canalen; als mede het flakkenhuysje, ’t welk van ter zyde open is gemaakt, om aizoo het dunne beenige tuffchenfcheytzel niet alleen, maar ook het zeer dunne vliesken te zien, ’t welk de holte van’tllakkehuysjen, als mede deszelfs tuflchenfcheytzel komt te bekleden, en dat met des zelfs flagaderkens, dewelke kondig opgevult zyn. N°. X. pen overdwers doorgelnede menfehen ooge, waar in den hayr- wyze band Zig root vertoont, wegens de opvullinge der bloetvaatjens, e- dog des zelfs aanhangzel [proeejfus Ciliaris~\ komt ons graauwagtigvoor, nadien deszelfs bloetvaatjens niet en zyn opgevult. In ’t ageerde van dit glas komt ons in gezigte het agterde van ’t harde vlies, als mede het Ruyfchen vlies, ’t welk zeer rood is. N f). XL Een over dwers doorgefnede menfehen ooge, om alzoo het Ruy- fchen vlies te kunnen zien 5 in’t zelve vertoont zig ook den hayr-wyze band, met deffelfs natuurlyke fwarte doffe bezet. Hier daat ook te letten, ’t geen wonderbaarlyk te zien is, datmen hier zelfs, in ’t gezigte krygt die flagaderkens, met een rood wadige doffe ver- vult, dewelke daar loopen langs dat inwendige gedeelte van de oppervlak- tes van ’c hoornvlies, ’t welk oogappel is geheten, welke flagaderkens in de oogappel van een gezont cn welgedelt menfeh noyt gezien worden, eg- ter blykt het nu hier, datze daar zyn, en mogelyk zouden zy noyt haar vertoont hebben , ten ware ik dezelve door deze onze konde ontdekt hadde. Ten tweeden kan men hier ook zien, de flagadcren, dewelke de gezigt zenuwen vergezelfchappen, en loopen dezelve in dit en andere voorwerpen flangswys, als mede kan men hier. Ten derde zien, die zagte oogzenuwen, dewelke haer bezyden aan dc gezigt zenuwen voegen 5 als mede het netwyze vlies, ’t welk uyt de grond van ’t oog voortkomende, met geen mergagtige dode bezet is, of dit zoo van natuure gefchapen is, of niet, zulks is my onbekent. N». XII. Een V lesje met vogc, en daar in een omgekeert duk van ’t harde vlies van een menfehen oog, met deflelfs gezigt zenuwe, om alzoo het Ruyfchen en aderagtige vlies te kunnen befchouwen. Aanmerkt ondertuifchen, datter een fubtile portie van ’t netwyze vlies, uit het midden van ’t hards vlies, komt uitpuylen. N°. XIII. Een over dwers doorgefneden oog van een menfeh om het inwendig gedel te kunnen zien, N°. XIV. van FREDRIK RUY S C H, N°. XIV. Een Kinder hooftje, leggende in een vies met heldere.vogtig- heyt , wiens kouleur ons zeer levendig voorkomt ; zoo dat de Gogen geflooten zynde, ’t hoofje van een flapend Kindje gereprezenteert word. Aanmerkt ten eerften, het bovenfte gedeelte van de herffen-panne, als mede de herflenen weggenomen zynde, zyndeflagaderen, die door de hers- fenen verfpreyd waren , nagebleven. 5 Ten tweeden. Aan bcyde zyden kan men zien de flagaderkens van toe* kleetzel van de gezigt-zentiwen3 als mede de overblyfzelen van de reuk- zenuwen. Ten derden. "De overblyfzels van de zeyfien zyn nog aan dehaanekam valt blyven zitten ,in dit voorwerp. Ten vierden. Dat gedeelte van ’t harde harüenvlies, t welk zeer vaft vereenigt is , aan het bovenfte van de Oograden , is vervult van flagaderkens. Ten vyfden. Op wat wyze de flagaderkens het dunne hardenvlies door- wandelen, omtrent het begin van de gezigt-zenuwen , zulks kan men hier ook zien, N°. XV, Een menfehen Ooge, in een heldere vogtigheyt hangende, ’t welke zoodanig toebereyd is, dat men de Regenboog [ Iris'] bequaam zien kan. Aanmerkt ten eerften. Hoewel de flagaderkens, door den Regenboog verfpreyd zynde, vervult zyn geworden, zoo kan men egter deze niet zoo welzien, als wel daar ze van agteren, door des zelfs wezen,’t welkhayr- wyze band geheten is, komen te lopen. Ten tweeden. Die Zenuwen, en flagaderen, dewelke de gezigt-zenu- wen vergezelfchappen , kan men hier klaar zien; als mede twee zenuw- kens, dewelke hayrwyze bands zenuwkens van my geheten zyn, deze loo- pen langs de oppervlakte van dit voorwerp, en zyn ook des re klaarder te zien, om dat de flagaderkens met een roodwafllge ftofFe opgevalt zyn. N°. XVI. Het agterfte gedeelte van een Kinds Ooge, waar inhetßuy- fchen vlies zig zeer rood komt te vertoonen-, daar en boven komt ’er uyt het midden van ’t Oog een’ gedeelte van het netwyze vlies. N°. XVII. Een gedeelte van de Longe-pyp van een menfeh, leggende in een vogtigheyt, op dat de alzoo genaamde kherfjens ons zouden voor- komen , zynde dezelve zeer veel in getale, en verfpreyd door de inwen- dige oppervlakte van de Longepyp, tot bevogtinge van dezeiye. 536 11.- ANATOMISCH CABINE T De derde PLANK. N°. I. En onvoldrage Kinds levertje, *t welk geexcarneert of ont- Jt*?¥leeft is, foo men gemeenlyk fpreekt, dat is, na myn leggen, een Levertje ontbloot van alle des felfs bloetvaatjens fapryke uytenden, dewelke t’ onreght kliertjens geheten worden, op dat men der varen cours, getal, &cc. naaukeurig konde zien. Hoe groot een onderfcheyd daer is tuflehen de ware gefchapenheyt der gefeyde vaten van de Lever , ende de Figuren , dewelke de Autheuren afgebeelt hebben, kan men hier zien. in her excarneren der Levers zynfe gewoon met hare nagels, hou te kens, &c. het alfoo genoemde vlees van de vaten af tc doen, waar door de vaten langer en langer wierden , eyndeling ftaken fy de uyteynden , niet alle, ’t welk onmogelyk is te doen , met de punten van fpelden , op een plank, en droogdenfe alfo, waar door defelve een onnatuurlyke geftalte kregen : Dit aldus verright zynde, gaven fy ’t felve aan de tekenaars o- ver, en defe wederom aan de plaatfnyders , waar door ons fommige Au- theuren ontallyke verdigtfelen op de mouw hebben gefpelt. Van over veele jaren af, heb ik mymet grooteviyt beneerftightom’tge- ftel van de Lever te önderioeken, waar door my feer dikwils de vingeren door ’c koude water verdooft wierden ; edogh noyt konde ick fulcks na wenfeh verrigten, als nu voor eenige jaren, wanneer ick quam uyt te vin- den een fekere manier van doen , waar door de bloetvaten bevryd worden van al ’t geene, ’t welk ons gezichte eenigzints komt te verhinderen, in ’t befchouwen der vaten, en dat zonder eenig gewelt daar op te doen, waar door ’t getal der takjens gcenfints komt te verminderen, nog ook in lang- te komen toe te nemen , ’t welk van de gemeene behandelinge niet en kan gezegt worden. Aanmerkt ten eerEen, dat de Poort-ader veel meer kleene takjens heeft, als wel de hol-ader, want des Poorts-aders takjens leggen ftik digt op den anderen, en zulks meene ick confiderabel te zyn , ja myn vertrouwen is, dat ons tot nog toe de huyshoudinge, en’t waregebruyk der bloetvaten niet ten volle bekent is. Meent ondertutfehen niet waarde Lezer, dat ick hier eenig onwaarheyt ter nederftelle3 zoo ’t 11 behaagt, en verwaardigen zult, my te bezoeken, als dan zultge zien, dat zulks waar en waaragtig is. ’tSchynt wel een wonderlyk zeggen, dat de Poort-ader meer takjens heeft als de Hol- ader ; egter zoo ift met de waarheyt over een komende. Ziet de z Plaat van dit 2 Cab. Fig. 1, 3, 4. Uyt Van F R E D R I K R U YS C H. Uyt deze Helling konde ick wel veele fpcculatien voortbrengen, dieick hier niet en Tal aanroeren, aengezien ick voorgenomen heb in dit werk kort te zyn, om dat ick voor myn Dood, zoo ’t Crod behaagt , alle myne C ons bloot voorkomen. Boven de gemelde beenderkens komt ook te voorfchyn, uyt de meer ver- haalde vreemde HofFe, een voetje , ’t welke geen gemeenfehap fchynt te hebben, met de aanftonts vermelde beenderkens. Deze Vies een weynig omgedrayt zynde, vertoonen haar de beginzelen van twee hantjens, waar van yder voorzien is van 3 niet wel volmaakte vin- gerkens, hoewelze met nageltjes bezet zyn. Ziet de 3. Plaat, fig. s.Cab. 2. In de vyfde Vies geteekent N *. XI. is mede een gedeelte van dezelve üoife, in dezelve en yint men geen volmaakte zigtbaare ledematen. Hier Haan ook deze volgende zaken aan te merken. Ten eerften , dat alle de bovengemelde ledematen fchynen te zyn van zoodanige fchepfelkens, die ontrent 3 maanden zyn gedragen. Ten tweeden. Datrnen nergens een volmaakt hooftje kan zien, hoewel datter ook ronde onvolmaakte lighaamtjens onder vermengt zyn , dewelke na hoofrjens gelyken. Ten derden de bovengemelde beenderkens waren alle met vlees omvangen, zoo dra alfe ter werelt quamen, edog doorbet onfagt handelen ifier opvee- le plaatzen ’t vlees af gegaan, eer my deze zaken ter hand gefidt wierden. Ten Van FR.EDR.IK R.UYSCH. Ten vierden. Dat ons hier een ruym velt open ftaat, om over deze zaken te raifonneren, maur zulks zoude buyten myn oogwit gaan, nadien ick voor- genomen hebbe, kort te zyn, Dit alleen zal ick zeggen , namentlyk dat ik van gevoelen ben * dat op die punt des tyts als deze Juffrouw fwanger wierd, verfcheyde eyerkens te gelyk aangeraakt , of vrugtbaar geworden zynde , onder een zyn verwart geworden , alsze ’t (amen te gelyk door de eygen wegen in de holte van de Baarmoeder zyn gekomen. Ten vyfden. Soo ftaat ook aen te merken , dat zy ftaande haar eerftc Huwelyk, noyt gekindert heeft, als mede dat dit de eerftereyze was,dat- ze quam te bevallen van haar tweede Huwelyk, waar nadatze ook nog ver- fcheyde kinderen gebaart heeft, die gezontenwelgeftelt waren. N°. XII. Een Viesje met de flagader van een Kalfs milt , dezelve is met een rootwaflige ftoffe opgevalt, wiens takjens in fappige en fmeltbare bundeltj ens termineeren. Aanmerkt dat deze bundelkens dikker zyn in een Kalfs milt, als wel in die van een menfeh 5 en bygevolg zynze ook in defelve zigtbaarder * daar eii boven komen zy ons ook klaarder voor in een milt vaneen Kalf, omdat de ader takloos is: maar in een menfeh kan men alle des aders takjens niet zoo wel opvullen, waar door ons de milt dradig voorkomt, en ’c gezigt meermaalen bedriegt. N°. XIII. De milt van een menfeh, leggende in een helder vogt, ten eynde men alles te klaarder zouden kunnen zien. Aanmerkt ten eerften. Dat zoo dra als ick deze milt met een rood-waf- flge ftoffe vervulde, zoo wierden ook tc gelyk zeer veele aderkens vervult, ?C welk indien het niet altoos en gefchiet, zoo gebeurt het egter zeer dik- wils, waar door ons dan hier zeer veel aderkens root voorkomen, de an- dere in tegendeel zyn graauw van couleur gebleven : indien iemand zulks niet wel obferveert, zoo zoude hy ligt een verkeert oordeel vel- len , en fuftinceren , dat het aderige wezen , fibreuze deelrjens waren, fchoon men in tegendeel befpeurt, dat de milt van een menfeh geenfibren of draatkens heeft , hoewel die der Kalveren daar van vervult is. Ziet het antwoord na op de 4, voorgeftelde brief. Ten tweeden. Staat aan te merken, dat dc milt van een menfehe van binnen gants geen kliertjens heeft, nog ook eenigen cellekens , hoewel eenige Autheuren dezelve befchreven, en ook afgcbeelt hebben. 3- Onder dezer flagaderen uyteynden zynder verfcheyde , aan dewelke de fapryke uytey nden nog vaft zitten. l\j. XIV. Een Viesje met vogt, waar in onthouden word een Jongens }yy3 ’ maag IJ. ANATOMISCH CABINET. maag, met des zelfs flok-darm, als mede het voorfte gedeelte van’t Net, ’c welk van den bodem des maags afhangt. Aanmerkt ten eerden. Dat deze maag niet alleen zyn natuurlyke en le- vendige couleur, maar ook zyn forme en groote behouden heeft. Ten tweeden. Soo komen ons in dezelve voor de flag-aders , dewelke langs de buytenfte oppervlakte loopen , maar die gene , dewelke haar on- trent de grond vertoonen, fchynen haaftig te cyndigen , en als afgefneden te worden, daarze in tegendeel na binnen lopende, haar voornaamftc tak- ken door het zenuwagtige vlies verfpreyden, waar door het zelve veel ry- ker van bloctvaatjens is, als wel het vlefige, of gemeene, of ook wel het fluweele Vlies, ’t geen aanmerkens weerdig is: jaa daaruyt zoude men mo- gen oordeelen , dat de uyt eynden der flagaderen in dit vlies iets uytwer- ken, ’t geen in de andere vliezen van de maag niet en werd volbragt: want üEfoo groot een quantiteyt bloets , als wel hier ter plaatze werd gevonden, en heeft dit zenuwagtige vlies niet van noden tot deflelfs verwarminge, nog tot hare voedinge. Myn vertrouwen is, dat uyt de vogten, die in de flag- aders van dit gezeyde vlies onthouden worden, een fereufe vogtigheyt ge- maakt en gefcheyden word, waar door het gedarmte, bevogtigt word, en alzoo fchryf ick dit toe aen de uyteyndcn der gezeyde flagaders , ’t geen andere toege-eygent hebben aen zekere byzondere ronde lighaaratjens, die zy kliertjens noemen, by my niet anders zyndealsdie gezeyde fappigeuyt- eynden der bloetvaetjens , dewelke als ronde , en ook rond en lange bun- delwyze bollekens haar vertonen, De reden, waarom ick zulks heb begonnen te fuftineren is deze , wan- neer ick de flagaderen van ’t darm-fcheyl quam op te vullen met rood- waf- fige ftoffe, zoo wierd dezelve verders voortgedreven tot in de holte van ’t gedarmte , en dat door deze alzoo genoemde kliertjens , en zulks weder- vaart my zeer dikwils. Daarenboven zoo heb ick den 12 vingeren darm wiens bloetvatjéns opgevult waren , omgekeert en in een vogt gehangen, na dat ikze in ichoon water te weke geftelt had, en alzo o bevond ick, dat de alzoo genoemde geerftwyze kliertjens van den iz vingerigen darm pen- ceels wyze geftelt waren. Edoghier van breder in de befchryvinge der vol- gende Cabinetten. Ten derden. Zoo ftaat hier te confidereren, dat de flokdarm van deze maag alzoo toebereytis, dat de mufculaire draden, die na de lengte loopen5 en waar door de flok-darm wert verkort, wanneer zulks nodig is, hier zeer klaar te zien zyn. Ten vierden. Op wat wyze, dat de zenuwen, die door de maag paftenen, langs Van FREDRIK RUYSCH langs de zyden van den üok-darm lopen, kanmen hier aan eenezyds zien. Ten vyfden. Zoo blykc het hier, dat het Net verzien is met duyzende van üagaderkens, door dien dezelve tot haer uyterfte vervult zyn, nieteetf roodwaffige ftoffe. En nadien ick tot nog toe memand gevonden hebbe, die het zelve dufdanig in figuren heeft doen verbeelden * zoo doge het my de moeyten waardig te zyn , ’t zelve in deze myne Plaaten in te voegen. Ziet de vyfde Plaat, Fig. i. Thef. 2. Ten fesden. Zoo blykt het hier klaar 5 dat het Net in een welgeftek menfche met geen gaten doorboort is , niet tegenftaande dat fommige Au- theuren ’t zelve ter contrarie met gaten befchreven, en in figuren verheelt hebben. Egter zoo dientmen agtinge te geven , dat, ten zy men ’t zelve zeeromfigtig komt te behandelen, ’tzeer ligt gaten inzigkrygt. Nu. XV. Nieren van kinderen in een helder vogt geconferveert zynde; waar van de bovenfte aan een hayrtje hangende , natuurlyker wyze, rood van couleur j dezelve is ten deelegelcheyden, van’t buytenfte en fineer vlies, ten eynde men die ongelyke oppervlakte zoude komen te zien. Deze on- gelykheyt of oneffenheyt is zoo coniiderabel in die ouderdom, dat de Nie- ren van jonge Kinderen haar verbeelden t’ zamengeftelde klieren te zyn, ’t welk nogtans zoo niet en is. Dit gezeyde Smeervlies, is bezet metontallyke platte, ronde, langron- de , ja ook hoekige fmeer-deeltjens * en dit kan men klaarder zien- in pas gehore Kinderkens, als in bejaarde Perzoonen. Deze gezeyde dedtjens zyn cygentlyk de fmeer-cellekens van Malpigius, ontrent dewelke men te confidcreren heetc , dat alhoewelze fmeer-cellekensge- heten worden ,enin de Koeyen en Schapen waarlyk zulks zyn5 egter zoo kan men met waarheyt niet zeggen ,dat een Menfch zoodanige fmeer-cellekens heeft,nadien ganfeh geenjTtó/ j]fmeer of talk in’sMenfchen lighaam gevonden word 5 want ’r geen men ontrent het hert, net, darrpfcheyl en nieren,(meer heet, in de gezeyde Heeften, ’t zelve is waarlyk \l.Jmguedo | Vet in de Menfchen, en by gevolg zoo is die verdeclinge , dewelke de Autheuren maken van Veten Smeer, (anders Talk geheeten) rakende ’t lighaam van een Menfch, gants onnut, aangezien niet alleen in een levendig , maar ook zelfs in een vers geftorve menfche , het vet niet alleen onder ’t vel, maar ook zelfs ontrent het harte, en d andere gezeyde deden , zeer zagt is, fmeltende ligtelyk door ’t handelen onzer warme vingeren. Ja ’t zelve zoude menigmaal inde Somer van al te groote beweginge in een levend Menfche komen te fmelten, ten ware het in decellekens by een gehouden wierd. In de Paerden vint men me- de geen fineer, maar alleen zagt vet ,’t welk meermalen door al te greote bewe- ginge en verhittinge in de holte van haren buyk uytgeftort word, inzonder- heyt als hare ingewanden met veel vets bezet, en de cellekens al te teer zyn. Dier 11. ANATOMISCH CABINET Hier voeren heb ick gezegt, dat’s Menfchen vet zeer week is, cn dat niet alleen in een levendig, maar ook zelfs in VERS afgeftorvemenfchen, dm dat ick door ondervindinge bevonden hebbe, het vet van eenMenfche in 'Smeer of Talk ontaart te worden, en dat in vette Lyken, dewelke twin- tig en meer Jaaren begraven waren. In deze ontaardinge in de graven voort- gebragt, en word het vet niet alleen hart, maar ’t word ook wit van couleur. Staat ook aan te merken, dat zoodanige veranderinge in alle Lyken niet te vinden is; maar alleen in die geene, dewelke zeer diep , en in vogtige plaatzen begraven zyn. In de grond van deze Vies werden nog daar en boven Nieren gezien van Kinderen, dewelke rood van couleur zyn. N°. XVI. Een Vies met vogt inzig onthoudende de waterblaas vaneen Jonge, met het agterde gedeelte der roede, als mede de voordanders. Merkt aan, ten eerden, dat dit gezegde deel der roede , van een Paarde haayrtie afhangende, zyn natuurlyken plaats, figuur, omkromming on- der de fchaambeenderen, als mede zyn dikte behouden heeft. 2. Dat by defpongieufe zenuwagtige lighamen, de grbote, en kleyne1, met een wafchagtige dode vervult zyn. 3. Dat het zenuwagtige fchot, tuflehen de twee groote fpongieufe lig- hamen gelegen, duydelyk in dit voorwerp gezien kan worden, gelykme- de de voorftanders, onder de fchaambeenderen uytpuylende. 4. De piflyder van de eene zyde is verzien van verfcheyde flagaderen, als mede van zenuwen, die volgens de lengte zich verfpryden. N°. XVII. Een Vies, in wiens vogt gezien word de Poort-ader van een Kalfslever, zeer kondig met een geel-wadige doffe opgevult. Onder alle de preparatien, die ick oyt gemaakt hebbe , en is deze geenzints van de minde, aangezien des zelfs alderfynde rakjens vervult en geconferveert zyn , en zyn deze zoo groot in getale, als ick noyt zulks gezien hebbe. N°. XVIII. De fchamelheydt van een Meysje, met de natuurlykecou- leur verzien, en zodanig bewaart, dat het nu verfch uyt het lighaam ge- fcheyden of gefneden fchynt te zyn. • Merkt aan. Ten eerden. Tuflehen de nymphen onder den pisweg,, kan ’t [Hymen] maagde-vlies zeer duydelyk gezien worden. 2. Boven den pisweg vertoont zich het hooftje van de [Clitoris] kitte- laar, met deficits \Tr ’t geen men te vergeefs zoekt in de geraam- tens van zoodanige vrugtjens, dewelke men gedroogt heeft. N°. XII. Het opperveileken van een fwart menfch, ’t welk in een vog- tigheyt bewaart word; uyt desfelfs inwendige oppervlakte befpeurtmcnde afgefcheurde nablyfzelen van de vel-tepelrjens. N°. XIII. Een gedeelte van’tnetwyze lighaem, ’t welk boven op’t vel gcplaatftis, en dat van een walvis. Hier ontrent ftaat te letten, datdegaa- tenzeer ruym zyn, als mede dat hetnetwyze lighaam zeer dik is in die dieren. N . XIV: Een Viesje metvogt, waar in eenige der baktanden met haar zagte inwendige doffe bewaart worden , en dat van een kint van ontrent acht maanden Van FREDRIK R.UYSCH. 1H N . XV. De beenderkens van ’t gehoor vaneen kleynkint, ineenvogt geleyt N°. XVI. Een ontbonde bal van een Menfch . dat is zoodanig toe be- bereyf , dat de zaatmakende vaatjes van malkandcren afgefcheyden zyn , op dat men zo veel teduydelyker zien kan, dat het maakzel der ballen geen- zints uyt klieren , maar uyt vaatjes beftaat. N *. XVII. Eens menfehen oog, in de vogtigheyd bewaart. Aantn. ten eerden. Dat dit oog zyn natuur] yke ronde forrne behouden heeft. Ten tweeden. De fpieren van dit oog hebben haar natuurlyke roode couleur. Ten derden. Hier kan men ook zien, hoe de fiagaderen en zenuwen o- ver de gezigt zenuwe loopen. Ten vierden. Van dit oog wort mende gemaakt in het antwoord, op de 13 voorgeftelde brief, alwaar men dit verhaal vind. fok 13. Onder dit pezig uytfpanzeL laat zig zien de [tunica fclerotica,] dewelke de 3. is, zynde zeer hard,, dik , en geen zint s doorzigtig> het voorjte deel daar van is t hoorenvltss geheten, om dat het zoo helder en doorzigtig is , als be- reyt engepolyft hoorn. In fommige bevint men dezelve meer, in andere •wat minder uytpuylend te wezen. cDoor 't gezeyde vlies , dunkt my dat ick zeer veel nieuwe uyt gevonden vaatjens zie loopen, haren cours na de Aaaa lengte 11. ANATOMISCH CABINET. lengte} of na de gezigt zenuwe, nemende > deze hoewelze de gemeene en bekende watervaten wat gelyken , zoo me ene tk egt er, dat ze van dat flag niet zyn , nadien'ze daar ten volle met mede overeen komen: Ik heb ge zegt, dat het my dunkt zulks te zien, om dat ik in een zake van zoo veel belang niet geerne iets zoude willen invoeren 5 ten zy dat ik daar van geheel ze- ker ben geworden. N . XVIII'. Een gedeelte van ’t harde vlies 5 waar aan vaft zitten de oog- fpieren, en ilagaderen 5 door de gezeyde fpieren verfpreyt. f+6 De Zesde PLANK. N°. I. *TjEn doorgefpouvve Nier van een jonge, om alzoo het inwendi- AAge te kunnen zien. Aanmerkt ten eerften. Eenige van de Nier-tepeltjens zyn van my gc- queft door het opfnyden , andere in tegendeel zyn geheel en gaaf, op dat men alzoo alles zoude kunnen zien, ’t geen in deze tepeltjens te confidereren is. Ten tweeden. Op verfcheyde plaatzen en komen ons niet alleen in ’tge- gezigte de pypjens van ’t bekken 5 maar ook zelfs alle de pifcanaakjens van d’ Heer Bellmus eerft ontdekt, en dat alles zeer klaar. Ontrent welke Fifcanaaltjenshet zeerconilderabel is, datze alle te gelyk met een rootwaf- fige ftoffe vervult zyn geworden. Terwyl ik dezes niers flagaders opvul- de, (en zulks gebeurt my nu altyt) zoo vvierden ook te gelyk op- gevult de pypjens van ’t bekken, en ook het bekken zelfs.. Hier uyt zoo fchynt het my toe, dat de Pifcanaaltjcns coDtinuéel zyn, metdeuyteynden der flagaderkens der nieren, ’t zy dat deze vereeniginge gefchietmeideuyt- cynden, of elders. Myn zeggen en zal ook niemand hart voorkomen, van dat het te bedugten is, dat deze-pifcanaakjens van Bellmus vereenigtzyn, met de flagaderkens van de nieren, indien men maar confidereert, dat tot noch toe niemand eenig kkertjens heeft kunnen toonen tuffehen de zaat flagaderkens, en die der vaatjens,die het zaat maken ,ende des tefticulen we- zen zelfs uytmaken: als mede datter niet een eenig kliertjen gevonden word tuflehen de wormwyze vaatjens, die door het bmnenfte vlies der Baarmoe- der lopen (hier voren korcelyk aangewezen,) en tuflehen des Eyfmoeders ilagaderen. Daar en boven kan. ik by helder weer klaar toonen, dat de fchorillge fobftantie van de herflene met anders is als kieene bloetvaatjens, om niet verder te fpreken , van 9t gcftel des Levers, en van de Milt, ’c welk ook niet anders en is, als een t’zamenftel van vaatjens, en niet van by- zondere kliertjens. Deze zaken dan in conflderatie genomen zynde, heb % Van FREDRIK RüYSCH. 547 ik geoordeelt, dat het niemand hard zoude voorkomen , wanneer ik giflen- der wyze zegge, dat het gezeyde te bedugten ftaat. Ondertuftchen is myn voornemen alle mogclyke middelen in ’t werk te (lellen , om hier van meerzekerheyts te bekomen , op dat alletwyfel mag weggenomen werden* lemand zal myn mogen voorhouden , dat de Heer Malpighius der Nie- ren klieren befchreven heeft, die hy wil tuftchen de gezeyde vaten geftelt te wezen, en zeyt datze ront, en doorzigtig zyn, ook datze in den rug, of bultig deel der Nieren gevonden worden, &c. Hier op tot antwoord, dat my niet onbewuft is, dat ’er eenige weynige ronde, cn doorfigtige lig- haamtjens gevonden worden in de Nieren van een Kalf, in groote met de eyeren der Villen overeen komende, als men dezelve met een vergroor-glas beziet: maar deze zyn zeer weynig, ten opzigte van ’t lighaam van de nier, ook heb ik ze tot nu toe niet in den rug, maar in ’t midden van de nieren gevonden. Of nu.ook deze lighaaratjens kliertjens zyn, of niet, *c zelve is by my tot nog toe twyfelagtig. I'en kaften (laat hier ook nog te confidereren, dat de uyteynden van des niers bloetvaatjens,op een wonderbare en krinkelwyze manier door een gevlog- ten leggen,gelyk te zien is in de 6. Plaat in de 7, Fig. van het 2. Cab. en zulks is niet te vergeefs , maar veel eer te bedugten , dat de klenfingen der humeuren, ja ook de bereydinge der vogten in ons lighaam afhangende is, van de ver- fcheydentheyt van configuratie, als mede van het onderfcheyt der uyteyn- den vandebloctvaten, en andere canalen, en is deze, als boven vermeit is, zeer confiderabel. Hier over zullen wy verders handelen in de befchryvin- ge van de volgende Cabinetten , by dewelke ftaan gevoegt te werden de Figuren van geheele nieren. N". IP Beyde de Oogfchellen van een Menfchen Oog, in dewelke, ne- vens de gaatjens of mondekens, die men in beyde de randen vint, ook ne- vens de traan gaatjens, nog daarenboven zigiets byzonders opdoet, waar m ik my nog niet kan voldoen. N°- 111. Een V lesje met een Menfchen Oog , wiens (lagaderen opge- vult, en het harde vlies weg gefneden zynde , komt ons in ’t gezigte de Choroidea, of het aderige vlies, met een kleen gaatjen doorboort zynde, op dat de glaasachtige vogt te voorfchyn zoude komen, dewelke van na- ture helder en doorzigtig is, maar nu ons hier dof, en witagtig voorkomt, wegens de vogtigneyt, waar in dit oog bewaart word. w Aanmerkt ten eerften. Dc bloetvaatjens van ’t vlies Choroidea met een rootwalllge ftofie opgevalt zynde, geven ons gelegentheyt, om zeer klaar tc kunnen befchouwen de witte zenuwtjens, die over ’t zelve vlies lopen, na de dikte of hayrwyze bant. Aaaa 2 Ten 548 11. ANATOMISCH CABINET Ten tweeden. Het Ruyfchen vlies is hier niet te zien, omdatdeCho- roidea of’taderige vlies niet genoegzaam open gemaakt is. Ten derden. Zoo kan men ook hier zien de flagaderen en zenuwen, die langs het buytenile vlies van de gezigf zenuwen lopen. N.;. IV. Een Viesje met vogt, waar m ons te voren komt, het fteen- agtig been van ’t gehoor , hangende aan een paartshayrrjen, en dat van een onlangs gebore kinrje. Aanmerkt ten eerden. Dit been is in twee deelcn verdeelt, namentlyk in een ileenagtig been, dragende de name van ’t geheel , en in een fchub- wyze been, en al wat in yder ons voorkomt, zal ik aanroeren. Ten tweeden.’ De holte van ’t fteenagtjg been, het doosje of bu /Te gehe- ten, zynde de holte, dewelke ons even agter het trommelvlies voorkomt, is met een zeer dun vhesje bekleet, ’twelke men over ’t hooft zoude zien, ten ware de flagaderkens, door het zelve vliesje loopende , en met roode ftoffe vervult zynde, deszelfs wezen ons quame aan te wyzen. Ten derden. Het ftegelreepje, zynde eender gehoor beenderkens, zit nog in zyne natuurlyke plaatlè, dat is in het ovaals wyze gaatje $ ’t zelve is ook met een zeer teder vliesje bekleet, waar door men ook zien kan flag- aderkens te hopen. Ten vierden. Hier ziet men ook niet alleen het ronde gaatje, ’t welk de weg tot het flakke huysje baant, maar ook ’t vliesje, dat den omtrek van ’t gezeyde gaatje, als mede de holte van ’t flakke huysje , en deszelfs bee- nig tuflchenfcheytfel komt te bekleden. In het tweede gedeelte van ’t gezeyde been , zynde het fchubwyze ge- deelte, ’t welk hier ook aan een paartshayrtje hangt, kan men deze vol- gende zaken befchouwen. Ten eerden. Dat het trommelvliesje van twee op den ander leggende vlieskens te zamen geilek is, buyten hetuytwendige dckfel, ’t geen in jong geboren kinderen gevonden werd, en aan het trommelvliesje vail zit. ’ Ten tweeden. Dat men deze twee vlieskens van den anderen kan fchey- den, even gelyk de CLoroidea van de Ruyjchiana in de oogen, zulks kan men hier ook befchouwen. Ten derden. In dit voorwerp is een klcen gedeelte van’t buytenftc vlies- je gefcheyden van ’f inwendige, maar in andere, die hier na zullen verhan- delt werden, heb ik voor ’c grootile gedeelte deze twee vliezen van den anderen gefcheyden. Ten 4. Zoo kan men hier zien, dat het buytenfte dezer twee vliezen, met ontaüyke flagaderkens begaaft is, daar het inwendige in tegendeel, hier geen flagaderkens heelt, mogelyk om datze niet opgevult zyn geworden. Teii Van FREDïUK RUYSCH. 549 Ten vyfden. Dit trommel-vliesken is nergens met een gaatjen doorboort, maar alzints in den omtrek vereenigc met het ronde beentje. Ten zesden. Zoo kan men hier befchouwen, hoe het aanbeeltje zig komt te vereenigen met het hamertje , ook als mede op wat wyze het hamertje vaft gehegt is aan het trommel-vliesje, en zyn deze gezeyde beenderkens ook van een vliesje bedekt, waar door veele Üagaderkens heen loopen. Ten zevenden. Het vierde beentje van’t gehoor, vaft gehegt zyndeaan het bovenfte van ft ftegelrecpje , kan men hier zeer perfedt zien : En dat meer is, de üagaderkens door ft vliesje van dit vierde beentje loopende, zyn hier voor onze oogen geenzints verborgen. N '. V. Een ftuk van dc bovenfte kaak van een kleen Kint, waar in men klaar zien kan, dat de tanden der kinderkens, eer datlc fteen of been-hard worden, van verfcheyde couleur en felfftandighcyt zyn j want de buytenfte is wit, ds volgende komt in couleur over een met het kraakbeen, de derde en b.nnenfte, de refte m veeiheyt te bovengaende , is faght en met vecle bioct- vaatjens voorzien* JN °. V L Een gedeelte van de navelftreng van een kalf van een Zeekoe, waar aan een ftukje van ft vlies Chorion vaft zit , vervult met ronde lig- haamtjens; cn zyn deze in groote overeenkomende met Spaenfche erten , Linfen, en ook groote fpelde hoofden; Edog van wat gebruik dezelve zyn, en heb ick niet kunnen uitvorffen. N°. Vil. Een ftuk van de neus van een jonge, dewelke na de lengte op- gelneden is , om alzoo deszclfs tufte hen. fcheytzel , met zyn bekleetzel te kunnen zien. Aanmerkt dat het tuflchen-fchcytzel met zyn bekleetzels nog om van gen zynde, ons gelcgcntheyt geeft, om aan beyde zyde een byzondere canaai te zien, waar door het fnot zig ontlaft. Van eene zyde heb ick ’er een verken boifteltje in geftoken, op dat den ziender ’t zelve aanftonts inftge- zigte zoude komen. Hier van in ft toekomende breder. N;\ VIH. Het dunne herflen-viies , van een jong Kint, ft welk in een vogtigheyt dryfe, ft zelve is zoo teder en fubtyl , datmen naaulyks , be- halven de bloetvaten iets vliezigs ia ft zelve befpeuren kan •, ja het fchynt dat dit dunne herffenvlies by na alleen uyt bloetvaten beftaat, dewelke , door toedoen van iets vliezigs in hare plaatzen gehouden worden, op dat- ze niet onder een en zouden komen te verwerren - dit en is niette toonen, ten zy de flagaderen tot hare eynden toe vervult zyn geworden , met een rood-waftige itofte3 want dat gedaan zynde, zoo bevintmen alles watflag- aderlyk of aderlyk is 3 Van een roode couleur, ea ft geen overigh is, ft zel- ve is te houden voor ’t vliezige. Aaaa 3 N . IX. 11. ANATOMISCH CABINET N°. IX. Een Viesje met vogt , waar in twee voorwerpen bewaart wer- den j het ecrfte zyn twee oog-fchellen van een menfch, welkers flagaderkens vervult zyn, en zoo komen ons dezelve root voor. Het andere voorwerp zyn ook twee oogfchellen van een menfch, welkers flagaderkens niet en zyn vervult. In deeze kan men zien de traanftippen, als mede in hare randen de moadckens der zeer wel bekende canaaltjens, met een taye en harde vogt in deze voorwerpen vervult. N°. X. Een Vies onthoudende twee menfehen oogen, over dwersdoor- gefneden, in welkers holte het netwyze vlies klaar gezien kan werden met een mergagtige ftoiFe bezet; dicht by deze ziet men het Ruyfchen vlies , be- zet meteen fwarte ftoffe. No. XI. Een Viesje, waar in twee voorwerpen gevonden werden, waar van ’t eene is een dwers doorgefnede ooge van een Kmr, hangende aan een hayrtje, Aanmerkt ten eerften, dat hier een gedeelte van ’t netwyze vlies , uit de grond van ’t oog voortkomt, waar ontrent te obferveren daar, dat alle de bioetvaatjenstoeden eynde toe opgevult zyn , en dat gedaan zynde , zoo komt ons het netwyze vlies voor, als een geftel van bioetvaatjensdewelke door iets vliezigs in hare plaatzen werden gehouden. Het mergagtig we- zen is in dit voorwerp naaulyks te bemerken , maar in andere klaarblykc- lyk genoeg. Ten tweeden. De flagaderkens van ’t Ruyfchcnvlies zyn hier opgevult, en hoezeer verfcheyden dezelve zyn, van die van’t netwyze vlies, tenop- zigte van haaren cours, zulks kan hier mede gezien werden. Ten derden. In dit voorwerp blykt het ook genoegzaam dat den hayr- wyzen band, geenzints ’t werk van een fpiertje uytvoert, maar wel des- zelfs aanhangzel. Ziet de eerfte Plaat van dit 2. Cab. Fig. 4. 5. en 7. Ten vierden. Zoo is hier ook klaar te zien, dat het Ruyfchen vlies, zig uytftrekt tot het eynde van den hayrwyzcn band. * Het xde voorwerp in de gront van dit zelfde Glas gepLaaft, ishetagterfte van’t Ooge , wiens fiagaderKens zoodanig geheel en al opgevult zyn , dat ten kaften daar door een tegens natuuriyke uytfpatting voorgevallen is, en zulks kan ligt gebeuren in die handeling* wanneer men niet omzigtig ge- noeg is. N \ XII. Een gedeelte van de milts flagader uyt een Kalf, deze opge- vult zynde, bevintmen, des zelfs uyteynden bundelwys geftelt te zyn. N°. Xltl. Een ftukje van de fchorflxge fubftantie der herlfene van esn Menfch, waar in klaarlyk blykt, dat dezelve niet anders en is, als eenza- menftei van bioetvaatjens. Ten dien eynde zoo heb ick de gezeyde nyreyn- de van FREDRIK RüYSCR den met een root waftlge ftoffe vervailt, en daar na in deze heldere vogt ge- hangen, en zonder dat zoo is ’t onmoegelyk, de waarheyt van die zaak na te vorflen. Ziet verders over deze zaake myn Antwoord op de 12 voor- gemelde Brief, alwaar ’t zelve met figuren afgebeelc is. N°. XIV. Beyde de amandelen van een Menfch, met des zelfs tuflehen» {taande lelleken. Hier kan men zien hoe ceiluleus, of hoe ryk vankleene holletjens deze onze amandelen zyn ; als mede hoe veel , en hoe groot der zelve openingen zyn , dewelke na de keel open ftaan, en dat dikmaal in een fris cn gezont Menfch. Ondertuffchen ftaat aan te merken, dat deze ope- ningen klaarder te zien zyn, wanneer de amandelen gefwollen zyn, en zulks heeft de Chirurgyns, die in de konfte van Ontledinge niet al te wel geoef- fent zyn, zeer dik wils bedrogen, dewelke als zy deze openingeinde aman- delen zagen, zoo waanden zy dezelve verfworen te zyn , daar ter contra- rie deze openingen natuuriyk zyn, alleen maar dan ter tyd meer gapende. tsff. XV. Het omgekeerde harde vlies van een menfche Oog, uyt wiens midden een gedeelte van ’t netwyze vlies voortkomt. N°: XVI. Beyde de oogfchellen van een Menfch , waar in de gaatjens of mondekens, dewelke in de randen zitten , als mede de traanftippen ge- zien kunnen werden. De LAA onder dit tweede Qabinet onthoud in zig verfcheyde vierkante Ce* dere Ego zen, waar van de Eerjle geopend zyn de, ons vertoont word. N°. I- Een ft uk van ’c van een Kint , wiens fïagaderkens met een root-wafiige ftoffe vervultzynde, ’t vel root voor komr. Aanmerkt dat de uyteynden van de gezeyde vaten in haren loop een an- dere cours houden, als wel die, dewelke wy aanftondszullenaanwyzen. Daar benevens zoowort’er in de zelve Doos gevonden. ?en van ** buytcnflie vlies des L\fmoeders van een Kalf, wiens ers mer een rootwallige ftoffe opgevalt zyn , en is der zei ver cours en getal verfcheyden van die, dewelke door ’t vel lopen. N°. 111. ten ft uk van ’t vlies Chorion uyt een Kalf, wiens flagadersuyt- eynden zoo curieus opgevult zyn met een geel-waftlge ftoffe, datdeoogen der gene die dit voorwerp komen te zien, daarop verlokt werden. N°. IV- ten ftuk van ’t zelve vlies , met grooter takken van flagaders voorzien. In de tweede Cedere DOOS werden deze volgende zaken gevonden. N”. f* Het boyenfte deel van de herffen-panne, van alle beklectzelen ontbloot, om de vliezige fontanel te zien in een jong gehore Kind. Aan- 11. ANATOMISCH CABINE T. Aanmerkt ten eerften * dat deze fontanclle vervult is van opgevulde flag- aderkens, dewelke geenzinrs kunnen werden gezien, ten zy datter een op- vil 11 in ge voor af gaat. Ten tweeden. Zoo kan men hier ook zien, dat de beenderkens van ’t hooft in een jong gehore Kint niet door naden , maar door toedoen van vliezen te zamen zyn gevoegt. Ten derden. Zoo blykt het hier dat deze gezeyde vliezen niet anders zyn als een gedeelte van ’t harde herften-vlies, en van ’c harftenpans vlies. Ten vierden. In een levendig Kint, werden de beenderkens van de herflenpanne , boven op ’t hooft, niet te zamen geftelt door onderling aan- raken , nog ook door naden, maar dezelve ftaan war van den anderen. Ten vyfden. Zoo ftaat ons te conlidererem dat deze diftantie in d’ eene groo- ter, ind’ andere kleender is, egter worcer altoos eenigc gevonden , ’tgeen by alle autheuren niet werd geobferveert in haare figuren ; te meer na- dien deze diftantie ook niet werd gevonden , a)s men het geraamte van een jong gehore Kintje, op de gerneene manier , komt te maken : Want als men de beenderkens komt te drogen', zoo verheft men de natuurlyke diftantie, ’t en zy dat men ’t gehcelc hoofje met Catoen zoodanig komt op te vullen, dat de beenderkens m c drogen geenzints tot elkander kunnen getrokken werden. Ten zesden. Hier ziet men ook dat het voorhoofsbeen in een joncr ge- hore Kindje uyt twee ftukken is beftaande. N°. 11. Het bovenfte gedeelte van de herflenpanne van een kleyn Kint- je 5 waar in de voorgemelde diftantie vernietigt is5 maar de vliezige fonta- nellc, dewelke altoos na eenigen tyt nog gevonden werd , kan ’er gezien werden. Aanmerkt ten eerften. De gezeyde fontanelle werd niet precys op ’t jaar gefloten ; maar fomtyts vroeger of later na de geftcltemfle van ’tlighaam, als mede na dat de beenmakingc min of meer vigoreus is. Ten tweeden Dit gezeyde gedeelte van ’t bekkeneeli, nog metdeszelfs pannevlies omvangen, wiens flagaderkens opgevult zyn met een rootwaffi- ge ftoffe. Ten derden. De feyzenwy ze groef is met dezelve ftoffe ook opgevult. No. UI. Het bovenfte gedeelte van de herflenpanne van een Kintje van ontrent 7 maanden dragts , ’t zelve is nog bekleet met het vel. Aanmerkt ten eerften. Dit vel kan men van ’t been afnemen, om dat het apart is gedroogt: en alzoo werter gelegentheyt gegeven, om de binnenfte oppervlakte te befchouwen met des zelfs opgevulde bloetvaten. Ten tweeden. Zoo blykt het hier dat het vel zoo vol van bloetvaten is5 dat Van FREDERIK RüYSCH 553 dat dezelve al te zatnen opgevult zynde, het geheele vel zig zeer root ver- toont. Ten derden. *t Gezeyde vel is zeer digt met fwart hayr bezet, hoewel het maar van een zevenmaandig Kantje is. Ntt r v J '*• *V. Het bovenfte gedeelte van ’t vel van een vet Kintshoofje, waar in men kan zien, dat niet alleen ontrent het opper maar ook t voorhooft veel vet gevonden word, in vette Luyden, ’t welk tegen ’t gevoelen van zommige aanloopt, ’t Gezeyde vel is ook byzonderlyck met veel hayr bezet. In de derde DOOS werd gevonden het vlies Chorion, uyt een Kalf. Aanmerkt. Dat ick niet alleen de groote en kleyne takken met een root- wafllge ftoffe opgevult hebbe, maar ook zelfs die gene, dewelke zookken cnfubtyl zyn, dat,alsmenfe van’t ligt afgewent, komt te befchouwen, zy haar als kleyne vlakjens vertonen. Edog met een vergroot glas daar by ko- mende, zoo bevind men middag klaar , dat het de uytemden der flagader- kens zyn, dewelke in cours verfcheydcn zyn van die, dewelke m de vlie- zen van de Lyfmoeder gevonden werden, Het vierde DOOSJE Onthoud in zig de cryftalline vogtigheyt, uyt het Oog van een Schaap, omvangen met het fpinnewebbe vlies, [tunica Araned] door ’t welke zeer veele flagaderkens loopen. Over het wezen van dit vlies zyn ’t de ontle- ers niet eens; eenige verzaken het zelve , andere trekken ’t in twyffel; cc- nige admitteren t zelve, zelfs ben ick daarover in twyffel geweeft, wat ik van die zaak zoude geloven j maar als ick de flagaderen van een fchaaps oogemet een wafllge ftoffe opgevult hadde, zoo opende ick het oog, en de vliezen doorzoekende, zag ick zeer veel rode flagaderkens door het fpinnewebbe vlies verlpreyt te zyn. r Dit ziende, deae ick deze cryftalline vogtigheyt met des zelfs omvan- gendv hesje in een Vlcsje met heldere vogtj als ick mi’s anderendaags de- ze nieuwe uytvindinge wilde bezien , kende ick niets minders als ro- de flagaderkens befchouwen. Hiervan was dit de reden : Ick had, gelyk gezegt is, des oogs flagaderkens vervult met een wafllge ftoffe , dewelke wel voortge ieven was tot aan de cryftalline vogtigheyt, was dezelve aar btyven ftaan, riiet kunnende verder penetreeren tot in de flagaderkens van t fpinnewebs-wyze vlies, ’t welk dc cryftalline vogtigheyt omvangt, aizoo t bloet, te gelyk met de wafllge ftoffe voortgedreven zynde, de ge- zeyde flagaderkens van t fpinnewebs wyze vlies zoodanig had vervult, dar- ter geen occafle overig wierd gelaten voor de wafllge ftoffe om in de bloot- vaatjens tekunnen komen. Bbbb Als 11. ANATOMISCH CABI N E T Als ick nu die alles in een Viesje met vogt gedaan had , is het bloec niet alleen haaftig verdwenen, maar ook by gevolg raakten die zeer fubtile flagaderkens welnaaft uyt myn gezigte 5 Als ’t nu voor de tweede reys kwam te gebeuren, dat my zoodanig eenopvullinge voorkwam, zoo wad, dat ick met meerder voorzigrigheyt hier mede handelende, my aanftontsna den plaadfnyder begaf en het hem dit in aller yl in koper fnyden. Ziet de eerde plaat van dit 2, Cab.Fig. 8. Hier daat aan ce merken, dat ick de gezeyde vogtigheyt met des zelfs vliesken, en met bloet vervulde flagader- kens in ’t gezeyde vierde Doosken nog beware. In ’t droogen van dit voor- werp , is deze cryftailme vogf wel wat rimpelig geworden , edog zulks kan men niet voorkomen, eertycs heb ick de iigure van dit vlies in koper laten fnyden, zonder bloetvaten, om dat ick diedoenmaals nog nietkondc ontdekken , wegens de dikte myner indrumenten. Het vyfde Ceder DOOSJE Onthoud in zig een fchede gemaakt van ’t vel van een Kint, waar in een mesken en vorkjen deken, welkers handvatjens gemaakt zyn van ’t fcheen been van een menfeh, waar in gants geen holte bevonden wierd, ’t welk zoo ongemeen is, dat het mogelyk noyt voor heen voorgevallen , en voor een zeer raare zaak te houden is. Aanmerkt ren eerden, dat deze handvatjens zeer wit zyn , en digt aan daal met een vergult bantjen zyn omvangen. Ten tweeden Het vel van ’t kint vertoont zig root, wegens de menig- te der opgevulde flagaderkens , dewelke in 't bereyden van ’t vel, hare ro- de waflige doffe geenzin ts verloren hebben, ’t geen vermakelyk is om te zien. In het fesde Notebome DOOSJE werd gevonden een gedeelte van dc flagader van de milt van een Kalf, dewelke ontvleed is , zo men gemeen- lyk fpreekt, dat is, van alle des zelfs fappige uyteynden berooft. Aanmerkt ten eerden. Deze flagader is vervult met een geel-waflige doffe, en beeft alle des zelfs kleyne takjens behouden, zynde deze hare uyt- eynden bewaart tot het fappig wezen toe. J Ten tweeden. Hoe moeylyk het is alle deze takjens op hare natuurly- ke plaatzen te behouden , en het eene takje boven het andere te bewaren , cn zoo te drogen, dat te gelyk alle deze takjens behouden blyven , weten die gene, dewelke haar met dezen handel bemoejen. Her zevende DOOSJE van Indiaanfch hout toegcrud , onthoud in zig het gedarmte van een kleyn en onvöldrage Schaapje, dewelke met een witwaf- |ige doffe opgevalt zynde, zeer curieus toebereyd en geconferveert zyn. Staat aan te merken dat deze darmtjes aan haar darmfcheyl nog vad zit- tende , haare natuurlyke plaatzen behouden hebben. Dc flagaderkens door ’t darm- van frederik r u y s c h. ?t darmfcheyl loopende, zyn met een geel-waftlge ftoffe opgevult , en om dit aan t oog aangenamer voor te Hellen , zoo zyn dezelve op fwart Flu- weel geleyt. In het achfte DOOSJE werden fteenen gevonden en bewaart , dewelke een Paert door den afgang geloft heeft, 2iet de 11. Plaat van dit 2. Cab, %• +• 5* en 6♦ Hoewel datter onder de Geneesheeren gevonden werden, de welke niet kunnen geloven 3 dat men Steenen door den ftoelgang kan komen te loffen; zoo iftegter, dat zulks waar ende waaragtig zynde, van my ook is onder- vonden, dat een zeekere Jodinne , onder andere ongemakken , als onma- tige vloet, colykindetnaag &c. gequelt zynde, van den wel-ervaren Heer Do6tor Rocamora, een purgarie is voorfchreeven, waar door zy in den af- gang een zeer groote fteen quyt is geworden, die my van de man des pa- tients, als mede van hare vrienden is getoonc. Den Heer Profeffor Nicolaus Yenette , heeft een Traktaat, gefchreven over de gevallen van de fteen , ’c welk noyt genoeg kan werden geprezen. Hy verhaalt verfcheyde exempelen van ’tlofle van fteenen door de (lofgang. Ook zoo vint menby Coiterus, Scaliger , en andere Autheuren meer zoo- danige voorvallen. Hier ift waardige Lezer, dat ick UE. kom te vertoonen, fteenen, de- welke een Paert door de gezeyde wegen geloft heeft , en zyn dezelve my tnildelyk ter hand gefteld, door den Heer M. G. Blok, Med. Do£t., en zeer curieus onderzoeker van de geheymen der nature , waar by hv dit ver- haal my ook toegezonden heeft. In t Jaar 1698. is een ‘Paart) fi'aande te Weenen op de dal des quyt geworden door de ftoelgang xxxvj. fteenen, en dat binnen detydvanG weken- Het voor zoo veel zy konden ge waai' worden, die het ze l~ *ve op paf e?i, uyt des zelfs werkingen en afetyt, was ge zont en wei ge (lelt* Pdeze twee jteenen heeft den opziender van de ft al gegeven aen den Ed: Heer kft tldebrand, in die tyd Secretaris van zyn Kon: Majefteyt van Swe* den) aan t Hof van zyn Keyf Maf, en nu Secretaris van den zelve by haai' Hoog. Mog. de Heeren Staten Generaal de 7' vereenigde Nederlan- den in s Gra oenhage. He gezeyde Heer IVildebrand 'zegt , dat hv neer ft aan heeft, dat een Hobi. tot Weenen, bevonden heeft, deze fteenen in kragten over een te komen met die van de Bezoar, wanneer men ze in een groot er quantiteyt komt te gebruyken. t Isconftaerabel myns dunkens, dat ick de grootfte fteen gebroken hebben- de, m deszelfs binnenfte en midden, een haver grayntje heb vinden zitten, gelyk als men gewoon is te vinden in’t binnenfte van de Bezoar fteen een ftuk- jen hout, of iets diergelyken. Bbbb 2 Üyt- II anatomisch cabinet Uytlcgging van dc EERSTE PLAAT, He eerde FIGUUR, Betekent het oog van een Walvis, ’t. welk zoodanig is toebereyt en geJht- den-5 dat men niet alleen ’t geft el van het harde vlies, maar ook dat van ’t Ruyfchen en aderige te gelyk zien kan. A. tyyfi aan de dikte van ’t harde vlies} digt hy de gefgt Zenuwe. B. Hes zelfs dunte 5 aan de zyde van den oog-afpel. C. Een ft uk van’t Netwyze vlies. D. D. Twee ft ukken van bet aderige vlies , zoo als het zig van buyten vertoont -y dezelve zyn omgewend, en van ’t Ruyfchen vlies afgefcheurt; en loof en door de buytenjie offervlakte zeer veel by een gevoegde bloetvaten, JE. Twee gedeeltens van ’t aderige vlies , zoodanig van ’t Ruyfchen afge- fcheurt j dat ze van onderen daar nog aan vaft zitten y waar door zynu hier van die zyde gefien werden, dewelke met het Ruyfchen vlies ver- ectügt was, voor des zelfs affeheuringe. Ondertujfchen zoo ftaat hier aan te merken > dat men de bovengemelde bloetvaten van deze niet zoo wel zien kan, als van de andere of buytenjie , getekent met let. D. D, Met * wyft aan het Ruyfchen vlies, ’t welk in ’t ooge van een Walvis de dikte heeft van een dik fafier. cDe. tweede FIGUUR, Wyft ons aan het oog van een Walvis, en dat na ds lengte door gefhedtn. A. Het Netwyze vlies. B. / 'et aderige vlies 5 aan wiens binnen [ie zyde het Ruyfchen no Wyft ons aan ’t meefte gedeeltevan detwee ofper ft e oogfchellen van een menfeh. A. He hayrtjens der oog fchellen. }3. B. Hie mondekens der canaaltjensy waar dooreen zekere te fa* fferen. O. He traanftiffen. D. Het traan klier tjen 3 waar in verfcheydegafende moudekens , of gaat- jens gefien worden, ' ' * Hè Jfrts: -2, . 'JïIJS; J. C: •Stai'&f r'/tr. a//. j’/jy/Mf. Scn/p/rf, J[ 2ei'd 'J~f. van FRBDERIK.R U V S G H.t r !De vierde FIGUUR, 557 Verheelt ons de agterfie zyde van bet hoorn-vlies, uyt een menfche, wam' in ons te voren komt de rand van yt hoorn-vlies , de hayr-wyze band, den kleene circul van den reegenboog, en oog-appét. A. De hayr-wyze band. B. Het fpierige aanhangzel van den hayr-wyfe band. C. De kienen circul van den aanhang des hayr-wyfe bands , waar in de peeskens van V gezeyde uytfteekfel komen te eyndigen. "Deze gefeydc kienen circul van het vytfleekfel van den hayr-wyfe band van voren ge- fien zynde, word van my geheten 3 den kienen circul van den regenboog, want ’/ geen van buyten regenboog word geheten, is vanbinnen de aan- hang van den hayr-wyfe band genoemt. D. De oog-appel. . . E. De rand van yt hoorn-vlies. In de vyfd'e FIGUUR, Word vertoont het aanhangzel van den hayr-wyfe bandy met des felfs pefige fiber kens y aanmerkt on dertujfchen dat deze figuur ge- maakt is door toedoen van een vergroot glas, waar door dat dejelve hier veel groot er vertoont werd, als ze wel natuurlyker wyfe is. A. cDe pefige Jubffantie van den hayr~wy/en band. B. Het fpierig wefen van den hayr-vuyfen band. C. De circulaire fibren, of rontom hopende draden , van den kienen cir» cul, dienende om dy oog-appel te vernauwen 3 dewelke den plaatJnyder hier wat te perfett heeft verbeelty want in 't voorwerp zelfs zynfe Joo wel niet te zien. De zesde FIGUUR, Vertoont een dwers doorgefnede oog van een Walvis. A. He' harde vliesy V welk wonderlyk dik is. B. Het harde vlies y wiens dikte hier ter plaatfe wel fchynt vermindert ter zyn, maar het adenge vlies puylt hier foodanig buyten het harde vlies uyt y datmen desfelfs ware dikte niet wel fien kan. C. Het adenge vlies. D. ‘De blo et vat en y door het aderige vlies verfpreyt, E. Een Jlagader hopende rontom het aderige vlies, uyt defelve loof en on- telbare takjens opwaarts. Bbbb 3' ‘- - * F. Des 11. ANATOMISCH CABI.NET. F. T)e kleene circul van den regenboogh 3 en \werd de groots geteekent met een G. 'Den oogh-appel. De fevende FIGUUR. Vertoont het hoorn-vlies van een kalfs oog , zoo als het van agteren ons 'voorkomt. In het zelve komt ons alles groot er te voor en als wel in een menfch. A. ‘De rand van ’t harde vlies. B. De hayr~wyzen band. G. Het aanhangzel van den bayrwyzen band. D. Den kienen circul van het aanhangzel van den hayr-wyze band\ door dewelke zeer dik en digt komen te Lopen alle de peeskens van ’t ge- zeyde aanhang fel 3 en dat regt uyt E. Den oog-appel. In de achtfle FIGUUR. Werd verheelt de kryflalline vogtigheyt uyt het oog van een kalf 3 met des zelfs omvangend vliesken , ’t welk het fpinnewebbe vlies geheten is, waar door zeer veele opgevulde Jlagaderkens loopen. De negende FIGUUR. Vertoont de cryfldline vogt uyt een Walvis j Vls te verwonderen , dat deze cryftaLline vogt y als mede het geheele oog , zoo byzonder kleen zyn x na proportie van de groote van ’t lighaam van deze vis. Uytleggingc van dc TWEEDE PLAAT De eerfe FIGUUR. VErtoont het grootfe gedeelte van een omgekeerde blaas van een menfch deze hars inwendige oppervlakte 5 vertoont zig hier nu uytwendig, en is dezelve bezet met een ontelbaar getal van vliefige en takkige uyt- waf en-, en dat van wegen hetvryven des fpens, waar mede den l>der heloden was ge weef. A. De ongemeene dikte van de blaas 5 Vge enegemeen is aan die ge ene 3 de- welke met de f een gequelt zyn B. B. 'J&CSi 2,. / ji , C; Jfóy/értJ. a/. 2 -t/w/é SaiJf / 'iY-, Ziï eerd ■ dcc/'. ?8 . van FREDERIK RDYSCH, B. B. Vliefige en takkïge uytgroetzels. C. De grond van de blaas 3 met geen uytgroeifels beft, nadien dezeplaaU ze van de ft een niet en is beledigt. D. De huytenfte oppervlakte van de blaas 5 die hier nu door het omkeren y de binnenfie is geworden, In de tweede E I G ü U R. Werd getoont een ftuk van de blaas van een fwanger gaande Vrouw y waar van de fiber en of draden alzints met feer kleene (teentjes befet zyn. De derde FIGUUR. ÏVyft ons aan een ftuk des levers van een waterzugtig menfche. A. De oppervlaktefiewelke byfterongelyk is, wegens de celluleufegefteltheyt. B. felle kens, of blaaskens y een taye fubtantie in haar onthoudende en zyn deze zoo menigvuldigy dat de gantfche lever y daar uyt is beftaande. In de vierde FIGUUR. JVerd vertoont gen ft een y dewelke een paert ge loft heeft door V fondament* De vyfde FIGUUR II ijfi ons aan een ft uk van een groot eft een 3 die ’t zelve paert door het fondament quyt is ge va orden : en is deze ten deele door een zaag, ten deel'e' door brekmge tn twee de He gefcheyden. In ’t midden van dezelve wierd een kleyn kuyltje gevonden, * t welkeen graantje haver, in V gedarmte vafl gezeten zynde, ge formeert heeft, terwy’t zelve alfmts omvafieen wierd van de fteenige fubftantie. A. Verfcheydeft e enige fc hellen pw aar uyt dit ftukfteens uytwendigis beftaande B. De bmnenjie fubiiant ie des fteens 3 in dewelke deze ft een min fchelag* tig word bevonden. C. Het auyltje y van het graantje haver voortgebragt. De zefde FIGUUR. (Pyft ons aan het andere deel des fteens 3 waar in hst haver graantje nat het breken des fteens is blyven zitten. A. Het gedeelte des fteens y ’t welk door de zaag is gefcheyden, B. Dat gedeelte, t welk door ge welt gebroken is. C. Het haver graantje y zittende in ’t midden van de ft een. Aanmerkt ondertujjchen , dat den Ed: Heer Blok 9 dit gedeelte na zig- heeft 11. ANATOMISCH CABINET heeft genomen -f zoo dat ter maar een ft uk in myn Cabinet gevonden word De DERDE PLAAT VErbeelc een waterhoofdigKint, van zes offeven maanden, wienshoofc byfler groot is. Ik heb een (hik des moerkoeks gelegt tuflchen ’t hooft en handen, ten ©ynde ’t hoofrje, in de vogtigheyt leggende, in ’t midden van ’t glas ge- dwongen wierd te blyven leggen, en is dit (luk moerkoeks rou afgcbeelt, om dat myn voornemen niet en was, des zelfs ware geftekheyr h,ei te ver- tonen , maar zal den beminden leezer ’t zelve vinden in de VI. Plaat. Fig, %. van dit tweede Cabinet. De VIERDE PLAAT, VErtoont vyf figuuren van een byzondere en vreemde fubftantie, ver- vult met vecle Kinderkens, ontrent 3 maanden gedragen zynde ; en zyn deze zaken re voorfchyn gekomen , even na de geboorte van het voorge- melde waterhoofdig kintje van dezelve vrouw. e derde FIGUUR. Een takje van de hol ader des levers uyt een menfeh. *r>e -vierde FIGUUR. Een tak van de Eoort ader uyt een menfeh. T)e vyfde FIGUUR. Een tak van de Jlagader van de Milt, uyt een Kalf *De zefde FIGUUR. Een gedeelte van het hinnenfte vlies der baarmoeder van een hevrugt Schaaft waardoor duyzende van op nieuws uyt gevonden wormwyze vaatjens ver- fpreytzyn deze zyn doorfchyn end 3 enbereyden die zappige Jiojfe toe ,de < welke dienftig is om de vrugt te voeden, zoo lang dezelve in de lyfmoedes haar verblyf heeft. E)e fevende FIGUUR, ÏVerdotis voorgeftelt de worm-wyze cours, van de blo et vat en, dewet- Cccc 2 ke 11. ANATOMISCH CAB 1 N ET. ke, voor V grootjle gedeelte, de fubflantie der nieren iiytmaken. Aanmerkt ondertufïchen , dat hier niets voorgchouden wordj als alleen die gezeyde cours der bloctvaten 3 myn voornemen is in’t toekomende de uyteynden van yder takjen te verbeelden , want yders uyteynde doet zig op als een kleyn kluwentje * die van de lever en milt daar en tegen als kleyne penceeltjens. In de achtfte FIGUUR. Werd verheelt een ft uk van het vlies Chor ion uyt een Kalf, wiens bloetvaatjens tot het eynde toe vervult zyn. De B. Leezer aanfehouwt hier wel zeer kleyne en fyne takjens , edog in ’t voorwerp zyn dezelve veel fynder, ja ’t voorwerp zelfs van ’t ligt af gezien zynde, zoo vertoonen haar deze uyteynden, op verfcheyde plaat- zen als vlakken. Daar en boven is’t confiderabel dat het uyterfte dezer vaaten in op- zigte van cours , gantfeh geen oyereenkomft heeft met die van de nie- ren, lever, milt, of moerkoek. j~aj3 .-yj .* £ ; JüUrfarrte - 'Jfeerl. 'Taf. 8z . c7ll Scu/jP/ïf, Aan den Edelen en zeer beroemden Heer y JOS. iMTTON TOURNEFORT, Trince der Kruydtkundigen dezer Eeuw, Botter der Medicynfihe Faculteit wegens de Koninglyke Academie der weten- fchappen te ’Parys, En Hoogkeraar der Kruydtkunde in ys Kon ings Tuyn 3 word dit derde cabinet Tot een Teken van oude Vriendtfchap Eerbie- diglyk opgedragen van F R E D RIK RÜYSCH. HET DERDE ANATOMISCH CABINET. Gemaakt van gevlamt ïndiaanfch Hout, waar in deze navolgen de zaken onthouden werden. VOor eerft komt ons in 5t midden van de grond een NooteboomePedc- ftal te vooren, waar op een door de konft gemaakte Rotsfteen gezet is, dewelke toegeftelt is uyt allerhande Steenen, die in ’s Menfchen lig- haam gegroeyt zyn ; de gront hier van is een natuurlyke Steenrots, Cccc 3 waar 566 11. ANATOMISCH C A B I N E T waar op alle deze Steenen van Menfchen zyn vaft gemaakt, dewelke zoo veel in getale zyn, dat men de natuurlyke Steenrots geenzints meer zien kan. Deze gezeyde Steenrots, van dit derde Cabinet, overtreft in grootedie geene, dewelke in de befchryvinge van het eerde Cabinet afgebeelt Haat. Ziet de Figure van deze tweede Steenrots van dit 3. Cab. Fig. i. dewel- ke de groote Poëet en Profeflbr Petrus Francius met eenige Vaarzen in ft Latyn verciert heeft, en hier vertaalt zynde, aldus luiden : WAT ZYN WE TOOT' WAT BLYFT ’ER OVER NA ONS DOODT. ACHI ZIET HET, ’T IS MAAR BEEN, GY ZIET HET DOR EN BLOOT; BLAAS STEENEN! ZIET GY HIER, BY ROTSEN EN BY HOOPEN : MEN LEERT HOE ’T LEVEN VVORT DOOR STORM VAN SMERT BELOOPEN : DIT TOONT ONS RUISCH , IN ZYN VERSTANDIG TAFEREEL, ’T JUWEEL DER ARTSEN , DAT DEN AMSTEL VIEL TEN DEEL. In het opperde van deze Steenrots vindmen ’t geraamte van een onvol- drage Kintje van ontrent vier en een halve Maand dragts, wiens knietjens geboogen zynde , het hoofdje opwaarts gewent is, als wilde het den He- mel befchouwen ? hebbende in zyn handje een duksken van ’t dybeen , ft welk door fcherpe humeuren bedorven en uytgegeeten zynde, van de na- tuure uytgedreven is, waar door het den ellendigen daat van de menfchen fchynt uyt te willen drukken, met dit opfchrift AG KOODTLOT. AG BITTER NOODLOT! Onder de Knietjens van dit geraamte vindmen een groot duk van een deen, ’t welk in zig heeft een mcrkelyke holte, waar in onthouden is ge- wet ft een andere deen, als een dicke pit, dit duk is in dikte overeenkomen- de met die van een Schryf pen. Ziet Letter A. Aanmerkt ondertuflehen, dat zommige Steenen der Menfchen te zamen worden geftelt uyt dunne, andere uyt dicke fchillen, offchelfers, gelyk zulks blykt uyt de Steenen, die tot deze Steenrots gebruykt zyn. Hier uyt blykt het klaar, dat de Steea-ioyders zomtyts te onregt be- fchuldigt werden, (al is ft dat zy het behoor! yk behandelt hebbend wanneer de Steenen in ft uythalen komen te breken, ft geen nogtans haar niet altoos is te wyten: want zoo de Steenen uyt dunne fchelfers beftaan , breken zy ligtelyk in het uythalen. Aan de zyde van het bovengemelde geraamte , daat nog een ander ge- raamte van omtrent drie Maanden dragts , ft zelve heeft in zyn een handje een zeer dun tackje van een dag'ader, mét een rood wadigc dode, tot het evnde toe opgevult ; in dedclfs ander handje , heeft het een dokje, de Van F R E D E R I K R U Y S G H gemaakt uyt draden van de water-blaas van een Vrouw , welke draden van de natuur mee zoo veel zandige (beentjes bezet zyn, dat men nauwlyks yets anders dan zandige (beentjes zien kan. Aanmerkt ondereufiehen , dat de Blaas, waar uyt dezegezeyde draaden genomen, en tot een zeer dun doekje zyn gemaakt, geheel en al tezamen, geftelt was uyt zodanige draaden , die alzmts met zandige fteentjens bezet waren 3 zoo dat ons deze geheeie Blaas in de eerde opflag van ’t oog, als deenig, of liever als uyt zandige fleentjens fcheen te zamen gedek te zyn. Van deze Blaas bewaare ick een groot duk in myne Balfamike vogtig- heyd, op dat zy haare natuurelyfce gefteltenis zoude behouden. Ditgezeyde kleen geraamte fchynt met het ftoksken te willen aanwyzen de gedalte van zyn hoofdje: want hier mede de opperhoofds been der ken s aanrakende, fchynt het te willen aanwyzen de dwalinge der Ontleeders , dewelke fudmeeren, dat de opperhoofds, en andere beenderkens van’t hoofd, in die tyd kraakbeenig zyn, daarze in tegendeel vliezig zyn. Daar en boven kan men in dit kleene geraamte ook klaar zien, waar dat de beenagtigheyd zig eerft aan ’r hoofdje komt op te doen; dog hier van bree- der in het toekomende. Voor dit geraamte zyn drie Menfchen Steenen geplaatfb, in opzigte van figurc, couleur en fubibantie van den anderen onderfcheyden. Ziet Let- ter B. C. D. Onder aeze komt ons in ’t gezigt een groote (been uyt een menfeh, met de Letter E. gecekent : zynde dezelve glad en blinekend , ook van cou- leur en gedaante zoo naauw over een komende met den Bezoar-fteen , dat men ze daar van qualyk zoude konnen onderfcheyden. Hier onder vind men nog twee Steenen, dewelke zeer veel van den an- deren verlcrullen , gelyk zulks de Letter F. en G. aanwyzen. Hier van isdecene oor een Steen-fnyder afgchaald, in de oppervlakte als met kor- reltjes bezet, maar dc tweede is elfen en glad, als ware dezelve gepolyft in de- welke men nog ziet de kneepe van t inftrument, waar mede dezelve is uytge- kaalt. Deze bovengemelde Pedeftal, waar op de Steen-rots Haat , is ook ver- cierc met de milt van een Kalf, dewelke zeer cicrlyk en net is toebereyt, en des zelfs flag-ader met een roodwafchagcige ftoffe opgevalt j men kan m deze zeer klaar zien de groeven, die in plaats van racken des Aders,in dezelve gevonden werden. Hoe groot een onderfcheyc datter is tuflehen- de Milt van een Menfeh, en die van een Kalf, heb ik aangewezen in myne vierde Bricfswyze Antwoord, aan den geleerden Heer Campdomerc. Omtrent de grond van de gezeyde Pedefbal zietmen een groote cnfvvar- 11. ANA T O MISCH CABI N E T ie Steen, dewelke in plaats van met de Letter H. mee een flap aangewezen werd j en zyn deze Steenen de dimde , want ik heb ondervonden , dat onder deze fwarte Steenen, zeer veele zyn , (zoo niet alle} die met breckzame fchorflcn van buyten bezet zyn, welke in’c wateren flukswyzé te vooren komen , het binnen de of de pitnably vende 3 en deze Steenen van een Steen-Inyder afgehoalt zynde, komender de Fatienten zelden van op. My gedenkt nog, dat ik eertyds geobferveert heb , dat een Jongman dikwils fwarte fchorflein ’t wateren quyt raakte, dewelke de fchorfle van fwarte boonen geleken : en zo gaanw deze uytgewatert waren, warenze zagt, en by gevolg iofte hyze zonder groot ongemak of pyne , maar een weynig tyds daar na, namen zy een fteenige hardigheyd aan. I. Een groote Steen uyt dunne fchelfers te zamen geftelt. Voor op de grond van’t Pedeftal, vindtnen een zeer groote, enwonder- baare Steen, getekent met de Letter K. dewelke myn Zoon na de dood uyt de Blaas gebieden heeft, en is dezelve te zamen geftelt uyt zes ronde Stee- nen , yder omvangen van een ronde en fwarte fchorfle , waar van yder de groote van een N. Mufchaat komt te over treffen , en boven deze zes te zamen gefleide Steenen, heeft hy doenmaals ook nog een zevende gevon- den van dezelve grootte, leggende los boven op de zes te zamen vaft zit- tende Steenen. L. Een groote Steen , een Moer-befte van gedaante gelykende. Tegen over het laatft gemelde kleene geraamte, vind men nog eender- de geraamte van. eenonvoldraage Kantje, van ontrent vier Maanden dragts, ’t zelve heeft in zyn handje, een party darmtjens van een onvoldrage vrugtje uyt een Schaap, dewelke met een fwart-wafchagtige ftoffe opgevult zyn, reprezenteerende f Meconimn] de fwarte darms vuyligheyd , die men in de Jsinderkens vind, zoo lang zy in’s Moeders lighaam gehuysveft worden: deze darmtjens zyn nog vaft aan haar Darmfcheel, en de Slagaderkens. met een wasagtige ftoffe opgevult; het omhelft ook met zyn ander handje de pnepareerende zaadvaten van een Mansperzoon, dewelke met een rood- waffige ftoffe vervult zyn; Het devys van dit geraamte is. EERSTE EUR, DAT MY ’T LEVEN GAF •T-7ELVE HEEFT MY HET WEDER BENOMEN. o Conftdereert ondertuffehen B. Leezer, dat alle defe kleene Geraamtens, die op defe en andere Steen-rotfen ftaan, geen ftcunfel hebben van dit, of dat yfertje, houtje, of koperdraafje, gelyk de Ontleders gewoon zyn re doen 3 maar defelve ftaan op haar eygen beenen. M. M. Twee te famen gevoegden Steenen, en boven defelve nog een van middelmatige groote, getekent met de Letter N. O. Een JXB' J. tfh.es.- 3 . ad. i 'ivumScu^sit //feertZ, Taf'. 83 van FREDERIK RUYSCH. 569 O. Een groote Steen gelykende een feer grootc Moer-bcfie. P. Een andere rouw van Oppervlakte. Voor op het Pedeftal leyt een kleen geraamte, zynde het vierde inor* dre, en is het felve van ontrent drie en een halve maand dragts, in wiens handje onthouden werd een bloedloos Diertje, het welk men Efhemeris en in onfe tale Haft noemt, waar van getüygt word , dat het ’s morgens ge- confldercert moet worden als een Jong geboore Kindje, ’s middags als een Jongeling, en ’s avonds als een uitgeleeft en dervend Menfch: weshalve om de kortheyd des levens af te beelden, zoo heeft het gefeyde kleen ge- raamte dit bloedeloofe Diertje- in de hand, met dit opfchrift: GELYK EEN BLOEME DES VELDS BEN l\i SCüIELYK OPGEG\AN, EN WEDEROM WÉG-GERUKT. Aanmerkt dat dc Becnderkens van dit geraamte feer wit zyn, en dat het geraamte natuurlyke gefte heeft in ’t leggen en aangfypen. Q. Q. Twee van die hoekige Steenen, waar van gewag gemaakt is in de bcfchryving van ’t I. Cabinet Tab. I. Lett. D. D. R. R. Twee rouwe Steenen, waar van de eene aan de voetjens van ’t laaft gefeyde geraamte is geplaaft, d© tweede tegens het hoofd van het zelve. De reft van de Steenen zyn alle door de Waterwegen geloft, of na dc dood uyt de Blaas of Nieren gehaalf. Daar en boven komt ons hier op defe Pedeftal te vooren, het Schecvlies van een der Tefticulen van een Alans perfoon, ’c welk geftelt is op een kleen rond particulier pedeftalletje, ftaande mede op de groote Pedeftal, en is dit Scheevlies als met wind vervult, en ook met deffelfs optrekkend Spiertje, en opgevulde Bloedvaatjens voorden. Voor t laatfte komt ons hier nog te vooren het vyfde geraamte vaneen onvoldraage Kintje, van ontrent drie en een halve maant, van wienshantje afhangt aan een haartje, een Steentje, ’t welk door ’t hoeften uyt de Long geloft is, met dit opfchrift. ACH, HOE ELENDIS is DE STAAT, DER MENSCHEN IN DIT LEVEN? TufTchen alle defe Steenen ftaan tacken van Slag-adcren, reprefenteeren- de bladerlofe tacken van Boomen, dewelke in plaats van bloed, met een Rood-vvaflige ftoffe konftig opgevult zyn, waar door niet alleen de ftee- nen, maar ook de Rots zelfs, vaftigheyd bekomen. Hoe fubtyl deuyteyn- den van de gefeyde Slag-aderen zyn, blykt uyt defe bygevoegde Figuur. Qp defelve plank, waar op de Steen-rots is geplaaft, komt ons aandes- fclfs regter zyde voor. Dd d d n°. L 111. anatomisch cabine t. N°. I Een v lesje, in zig onthoudende, in een fecr heldere vogt, het armtje en handtje van een jong geboore kindje. Aanmerkt ten eerden: Hoewel dit voorwerp lange Jaarenalzoo bewaart is geworden, zoo fchynt het nogtans nu nog te leven, door dien het met zyn natuurlyke roode couleur begaaft is. Ten tweeden3 de Difpolitie van de Hand en Vingeren, is zoodanig, datfe zoo een natuurlyke adtie verbeeld, gelyk men gewoon is te doen, als men met de voorde Vinger, dit of dat wil aanwyfen. De voorde uytgedoke vinger, wyd ons aan eenige moten van het agter breyn van deherzene van een menfche, in wiens mergagtige fubdantie als verheelt daan eenige tacken vanboomen. Ten derden: Om alle af keer te weeren, en tot cieraad , is dit Armtje omvangen van een gaafe mouwtje met Franje. N \ 11. De Keel, Toog, en een gedeelte van de onderde Kaack, van een kleyn Kind, zoo curieus toebereyt en geconfervcert , dat alles nog fchynt te leven. Aan nier kt ten eerden. Dat men zeer bekwamelyk zien kan in de linker zyde, waar dat de Stronken van de Ondertongige dag-aderen loopen, en wat cours zy komen te houden, nadien zy tot dien eynde met een Rood- wadige doffe vervult zyn. Ten tweeden. Ook kan men hier klaarlyk zien de natuurlyke gedalte van ’t Strotte-hooft, alsmede des zelfs fplete, dewelke de toegang is tot de Long-pyp. _ . Ten derden. Zoo doet zig aan de grond van de Tong niet alleen op een zekere ruyge gedalte, die na de langte des Tongs is alsme- de de rye groote tongs Tepekjens, dewelke rond, plat, en met een gaatje en rond dreukje begaaft zyn, maar ook de andere Tepekjens ? hoewel die in dit voorwerp niet zoo didindt gezien konnen werden, als wel in die Ton- gen , dewelke in ’t tweede Cabinet gevonden werden. N°. HL Een glaasje, en daar in de Poort-ader van de Lever van een Kalf, wiens zappige uyteynden, en niet die gepretendeerde klierkens (de- welke in der daat niet gevonden werden, ) weggenomen zyn; en zoo toe- bereyd zynde, kanmen duyzende van kleene uyteynden der Adertjenszien. Aanmerkt ten eerden. Deze gezeyde Poort-ader is vervult met een Geel- wadige dode. Ten tweeden. Zoo heb ik op verfcheyde plaatzen de gezeyde zappige fubdantie aan de uyteynden laaten zitten, dewelke niet min met de gezeyde Geel-wadige dode doordrongen is, ende zoo doende, ziet men zonneklaar dat het wezen van de Lever geenzints klierig van fubdantie is : Ja ik fu. dineer- Van FREDERIK RUÏSC H. ftineere, dat die fappige uyteynden vandePoort-ader, ft zelve werk dóen, ft geen onze voorzaaten de klieren toegefchreeven hebben. Ziet verders hier over na het 2 Cabinet. N°. IV. Het hooft van een kindje, wiens opperfte gedeelte van de Her- fen-panne afgenome zynde, de Hcrftens te voorfchyn komen; Deze haarc fchorflige fubftantie, uyt bloetzaatjens beftaande, weggenomen zynde , zoo vertoont zig de Merg-agtige zelfilandigheyd. Aanmerkt teneerften, dat het door de natuurlyke couleur, en geflote 00gjens, het hoofdtje van een flapend Kindtje komt te verbeelden. Ten tweeden. Zoo komt het uyterfte van het Tongetje te voorfchyn, door dien het Mootje een weynig open ftaat, en de Lipjens wat van den anderen geweken zyn , en komt ons dit uyterfte te vooren , wegens de puntige Tepeltjens, die haar hier duydelyk vertonen. Ten derden* Het uyterfte vande boven-lip, van zyn bekleetzel of dek- zel ontbloot zynde , komt ons ook ruyg te vooren, voornamentlyk in de linker zyde : En is deze ruygigheyd niet anders, als zeer veel by een- ftaande Tepeltjens ■, edog hier van zullen wy wydloopiger fpreeken in ft toe- komende. Ten vierden. In ft Vel vande Lippen, Wang, en de Neus, zien wy hier twee-derley fweetgaatjens j maar gants geen in ft uyterfte of roodedeel der Lippen, aangezien dezelve met geen Vel overtogen zyn j en alzoo kan men de Lip, en voorlip, van den anderen te lichter onderfcheyden. Ten vy f den. In t agterfte van ft Hoofcje komen ons hier veel opge- vulde ilag-adei kcns te vooren, zynde die geene , dewelke door de lierf- fenen haar hadde verfpreyt. Nü. V. De Hoede van een Jongsken met deflelfs fackje, natuurlyk rood van couleur. Aanmerkt teneerften* De Water-canaal loopt hier niet natuurlyker wy- ze langs de onderfte, maar langs de bovenfte zyde van de Roede, ft welk tegens ae loop van de natuur is: En zoude in zoodaanig een voorwerp het uyt halen van de fteen niet wel te doen zyn. Ten tweeden. Niet alleen dat de twee Spongieus-zenuagtigelighamen, dewelke het grootfte gedeelte van de Roede uytmaken, als mede het klee- ne zenuwagtig lighaam rood van couleur zyn , wegens de Rood-waftlgc ftoffe, daarze mede opgevult zyn, maar ook zelfs de zydelyke fpieren, die de Roede perfien, zyn ook hiejr van zeer rood geworden. Ziet de 1, £ ig. van de 1 Plaat van dit derde Cabinet. N°. VI. Negrinnetie van ontrent 6 maanden dragts, houdende in deilelfs regter handje een takje van de Longe-pyp, dewelke Dddd 2 w van 111, ANATOMISCH CAB 1 N ET. van zyo blaaskens-wyze fubftantie, van de Longe zoo curieus gefcheyden is 3 dac deflelfs uyteynden klaar konnen gezien werden: maar wat een on- dèrfcheyd tuffchcn dit voorwerp, en der Figuuren van anderen afgebedt, en in’t ligt gegeven! Ziet de i. plaat van dit derde Cabinet. N°. VII- Een Moerkoekje , 5c welk na het uytfchietcn, of wel na het fmelten j of verteeren van ’t eerde beginzel van het fchepzelken , eenige weeken in de Lyf-mocder nagebleven is, waar door , wegens het inknm- pen en vernaauwen van de Baarmoeder, (om weder te komen tot deflelfs voorige Hand) zeer verhard is geworden , en ook de forme van de Baar- moeder zelfs eenigzints aangenomen heeft. Aanmerkt ren eerden. Zoodanige Moerkoekjens zyn my menigmaal voor- gekomen, dewelke de Baarmoeder zelfs verbeelden, want zy alsdan rond - fora als befloten zyn , zonder eenige opening gewaar te werden, en waren deze niet alleen hard, maar ook zoo verbeelden zy niets minder te zyn, als Moerkoekjens. Dit nu van my opgefneden zynde, bewaare ik hier, om niet alleen de bu y ten (te maar ook de biiinenftc fuperficie te konnen zien. Ten tweeden Zoodanige Moerkoekjens, op die wyze ontaard zynde, werden gemeenlyk Zuygers genaamt, vandiegeene, dewelke weynig ervarentheyd hebben, daar nogtans in tegendeel dezelve niet anders zyn, als zoodanige gezeyde Moerkoekjens, of ook wel andere vleezige gefwel- len, dewelke aan een dunne hals of deel afhangende, te eeniger tyd uyt de Lyfmoeder uyrgedreven werden. Ziet hier over myne Anat. Chirur- gicale aantekeningen na. Ten derden. Het glaasje waar in dit voorwerp gelegen is, heb ik ,in plaats van ’c zelve met een (luk van een blaas te binden, met een gedeelte van een gekeerde Moerkoek toegedaan, dewelke met een rood-waffige dof- fe is opgevalt, en deken deflelfs takjens boven uyt, verbeeldende takjens van rood Mofch. N°, VIII. Een viesje met vogt , in zig onthoudende een Moerkoekje van een Menfch, ’t welk t’eenemaal in Water-blaaskens is verandert. Aanmerkt dat de Moerkoek uyt loutere bloetvaten haar bedaan heeft, dewelke door toedoen van ’t vlies \Chorion\M& een verbonden zyn. De- ze bloetvaten veranderen zomtyds ten deele, zomtyds geheel en al in Wa- ter^blaaskens, de vrugtjens voor at gedorven zynde. Dit heb ik ook on- dervonden van de Lever van een menfche, dewelke ten enemaal in blaas- keas was verandert, ziet het tweede Cabinet. Tab. 2. Fig. 111. N°. IX. Eenvlesje, waar in te zien is , een gedeelte vande herflenen van een Water-zugthoofdige jonge van ontrent 8 Jaaren oud. Aan,- Van FREDERIK KUYSCH Aanmerkt ten eerden. Dat hy.met deze quale, (zoo ik wel onthouden heb), ter wereld gekomen is. Ten tweeden Dat dit gedeelte van de Heriïene, als in een ander wezen verandert is j aangezien het niets minders komt te verbeelden, als naruurlyke heriïene: want het fchynt eer een vreemde zelfftandigheyd, zeer gelyk zynde, die geene, dewelke befchreven cn afgeteekent ftaat in het tweede Ca- binet. Tab. IV. Fig. 1.2. 3.4. eny. X. Een flesje inzig onthoudende twee gedcelrens van een man nel y- ke roede , waar van’er een fchyQe dwerfch, en een volgens de lengte open- gefnede is. Merkt aan, dat deze gedeeltens zeer net , & zodanig toebereydt zyn, dat het ware fpongieuze maakzel duydelyk te voorfchyn komt, als mede het middelfchot, en de pis weg. M°. XI. Een vlesjs met een HoenderEy, zeer aardig verbeeldende een gedeelte van de Colyk-darm, als mede den Blindedarm, met deflelfs worm- wyze aanhangzel. Ziet in dit derde Cabinet. Tab. 3. Fig. 4* N°. XII. Een gedeelte van een bogtige darm van een onvoldrage vrugt, wiens bloedvaatjens ledig, maar de holte van k gedarmte met wit waiïïge ftoffe vervult is. NB. Ilier nevens een gedeelte van k gedarmte van een kind, k welk met een rocd-wafllge floflè is vervult. XiII. Een vies met vogtigheyd, waar in bewaard werd het Opper- vcileken van de geheele hand van een kleen kind 3 het zelve is zoo kondig van k onder gelegene Netwy ze lighaam, alsmede van k Vel r afgefcheydèn, dat her ongefchonde te voorfchyn komt, en een wit handfeheentje verbeeld. Aanmerkt ten eerften. Alle de Nageltjens zyn hier aan het Opper-velle- ken nog vaft zittende, gelyk als in k leven, hoewelze van ’t Tcpel-a<>tJge lighaam van k Vel, waar uyt zy voortkomen, zeer behendig afgefcheyden Ten tweeden. De O ntleeders zeggen wel eenparig, dat het Opper-vel- kke, ( t welk 200 wel als de Nagels, herkomftig is van de Vel-tepeltjens) in twee en fchelrers kan gefchilt, en verdeeld werden: Edog zulks kon- ncnzy nergensaanwyzenals onder aan de Voeten, en binnen in de palmea der handen. , ernu zietmen op de rug van de hant k zelve in twee gefcheyde te zyn, t geen my noyt heeft mogen gebeuren van andere vertoont gezien te heb- t *V^n' ° °OK ZLI^S n*eï: als mec de grootfte behendigheyd gedaan werden. Ickhebgezegt, dat het Opper-velleke binnen inde hand, en onderaan de voet , door andere Qntleeders in twee kan gefchilt of verdeeld werdea Dddd 3 gelyk 111. ANATOMISCH CABINET (gelyk ik ook zelfs dikmaals in k openbaar getoont hehbe} maar nu ben ik van gedagten dat dit Opper-velleken zig op zyne tyd affcheyd van het Vei j kzy alleen , of te gelyk met het Netwyze lighaam, ais heb- bende uytgedient , terwyi datter een ander van nieuws of daar onder gegroeyt is, wanneer’er dan een nieuwOpper-velleke aangegroeyt is, eer dat het uytgediende en oude niet geheel en al komt te fcheyden , maar zig nog vaft houd aan het nieuwe , zoo ontmoeten wy een, twee, drie, ja vier- voudig Opper-velleke, onder de voeten en binnen inde handen. Yets diergelyks fchynt my voor te komen in defchorfleeenigerHeefters, dewelke ook gewoon zyn haar buytenfte fchorfle te vernieuwen, door dien een ander onder haar aangroeyt, en de buytenfte af ftoot , wanneer dan ook de buytenfte op zyn tyd niet geheel af wykt, dan komt daar ook een verdubbeling, van de uyterfte fchorfle , dewelke als uytgedient heb- bende fplyten fcheurt. Ten derden. Het word by een yder wel voor waarheyd aangenomen , dat het Opper-velleke de wortels der Nagelen dekt: Maar of zulks ook niet wel plaats heeft ontrent de wortels , cn ’t uytfprnyten van k Hayr, dat roeren zy niet eens aan ; nogtans zoobevinde, k zelve zoo wel inkeene, als in k andere, en datt ecnige Mathematifche linienhoog; Edog terwyi dit Opper-huydeken niet om ge keert is, zoo kan men het hier niet zien, maar myn voornemen is, zulks in ’t toekomende aan te wyzen, nevens de Figuuren. Ten vierden. Het is ook aanmerkens waardig , dat in dit voorwerp de Nagelfjens der vingeren ligrer gefcheyden zyn van de Tepel-wyze ligha- men, waar uyt zy voorgekomen zyn, als wel van k Opper-velleke, waar aan zy nog alle vaft zyn zitten blyven : Hier van meene ik de oorzake te zyn, dat de uyteynden van deze Tepelrjens (dewelke tc gelyk de Na- gels, en het Opper-velleke vóórtbrengen} zeer zagt en Week zyn; het Op- per-velleke in tegendeel taayer en harder, en dat wegens de uyterlyke lugt. Ten vyfde. Dat het Opper-velleke zeer vaft gehegr is aan de Nagelen, bevinde wy duydelyk, niet alleen in dit algeftorven en bewaard voorwerp, maar ook in een leevendig lighaam ; maar de Nagelen uyfgrocyende verlaat het Opper-velleken de wortelen der Nagelen aan defleifs uyterfte, nadien het Opper-velleken het verdere uytgroeyenuyt de natuur verhindert werd; Ja, indien het deN agelen in tyds niet verlaat, moet men met de pundt van een mesje het Opper-velleken van de Nagels losmaken , anders zoo komender kleene fcheurkens ink Opper-velleken, kwclkgroote pynever- oorzaakt. Ziet Tab. 2. Fig. 2. van dit derde Cabinet. ■ N . No. Xiv. van F R E D ERIK RU Y8 C H. N°. XIV De Arm van een kindtje , dewelke met natuur]yke roods couleur begaaft is, en dat zonder eenige rimpels Deze Hand onthoud m zig een worm van Guinea, die de menfche al- daar ter plaatze in de beenen zittende , zeer veel ongemack aandoet 5 de- ze lengte, alsmede zyne dunte, zyn zeer confiderabel , hoewel hy zyne natuiirlyke dikte behouden heeft. De Vingeren zyn zoo natuurlykgeboogen, dat niemand in ’t leven, yets bequamer zoude konnen tuffehen de vingeren aangrypen. Dit gezeyde Artntje is verciert en bekleet met een mouwtje, uyt fyn Lyn- Waat toebereyd, waar aan eenig Frange werk gehegt is, om de wonde des Arms te bedecken, en alle af keer weg te nemen. N°. XV. Alle de teeldelen van een Meysje, Aanmerkt ten eerden. Dat niet alleen de lippen, van de fchede, de N vm- phen, en Kittelaar in dit voorwerp gezien worden, maar ook het maagde- vlies j voordeezen heeft men getwyffelt, of dit vlies ’erwelgevonde wierdtj maar nu kan’er voor de geene, die in de ontleetkonft meer geoeffent zyn, niets bekender wezen, gelykerwys ook alhier in dit voorwerp zelfs aange - toont wordt. 1 en tweeden. Alhier komt de aars, met rimpels bezet, ook te voorfchyn. XVI. Een vies in zig onthoudende een heldere vegtigheyd, en daar in liet Eloofd van een kintje, wiens oogjens zyn gefloten, op dat het zoude verbeelden het Hoofd van een flapendkind. Aanmerkt ten eerften. In den Hals , alwaar het Hoofd is afgefneden, ziet men oe afgefnedene Longe-pyp, en agter deze, de afgefnedene Slok- darm, en flaap Slag-aderen , en der Wervel-beenderen Slag-aderen, Ten tweeden. Het lighaam van heteerfte Wervel-been , overdwers door gefnedc n vertoond zig hier zeer rood 5 de oorzaak hier van is, omdat de om- leggende S.ag-aderen met een rood-waflige floffe opgevalt zyn (gelyk ia ’c leven met bloed j) uyt welkers uyteynden de gezeyde roode (toffe uytgevloeyt is, gelyk men ziet in ccn levendig en wei gefield menfeh , zooveel roode doffe uyt der Slag-aderen uyteynden uytgeftort te werden in de dcc - len, als tot der zei ver voeding noodig is, welk rood zap , in de uyteyn- den der Slag-aderen bewerkt werd uyt het Slag-aderlyke bloed. , Ten deraen. Kan men hier ook zien het afgefnedene Rug-merg, als mede dellcliS buytenfte en diklte bekleedzel. Ten vierden. Zoo men het glas wat omdraayü , vertoonen haar het Agter-breyn, het Pyn-kliertje, en de alzoo genaamde Ballekens, Billen en aars, len vylden. Hier doen haar op twee mooten van het agter-breyn, om de waare geftalteniffe daar. van ce konnen zien, zynde deze uyt een an- der Hoofd genomen. m ■,). XVIL 111. ANATOMISCH CABINE! N°. XVII. Boven op het gezeyde glas, vind men het Harte van een Jonge met de Longe daar aan, alles deen hard gemaakt zynde. Aanmerkt ten eerden. Alle de vaten van het Hart, en de Longe zyn met een rood-waszige doffe gevalt. Ten tweeden. Het Hart en quabben van de.Long hebben haarcnatuur- lyke plaatze behouden , ook komt ons der Longe Slag-ader, fpruytendc uyt des Harts regter holte, zeer klaar te voorfchyn, als mede de dronk van de groote Slag-ader, met deszelfs drie na boven lopende tacken. Ten derden. H ier laat zig ook zien de wederkeerende Zenuwe , en daar nevens deze volgende zaaken, namentlyk de opgaande dronk van de Hol-ader, beyde de Ooren van ’t Harte, dc Croon-vaten5 de verdee- ling der quabbens van de Long, en datwcderzyts , deSlok-darm, Long» pyp. &c. N°. XVIII. Een hard gemaakt Herte met de Long van een kind, ge- plaatd op een Pededal. In die voorwerp, kanmen befpsuren boven ’t geen men gezien heeft in ’t aan donds aan geroerde, de nederdalende dronk van de Hol-ader, als mede dis van de nederdalende groote Slag-ader, cn alles in haare nacuur- Jyke plaatze , tuflehen de groote verdccling van de Long. N°. XIX. Een viesje met vogtigheyd waarin te ziea is , het Vel van de Voet, en daar nevens ook het Netwyze Lighaam van Malpighius , met het Opper-velleke; en zyn deze zaaken ten deelen nog aan den an- deren vad, ten deden ook van een gefepareert, en van’t Vel af hangende, op dat men alles te bequamer zoude konnen zien. Aanmerkt ten eerden. In een groot deel van ’t afhangende Opper-vel- leke kanmen aan deszelfs binnende Oppervlakte nog zien de uyteynden van de Vel-tepelrjcns, die van ’t voornaamde deel der Tepelrjens afgewe- ken zyn, en hier eenigzintsuytpuylen. Ten tweeden. Het Vel van ter zyde gezien zynde, komen ons in ge- zigte de gezeyde uyteynden der Tepelrjens. Ten derden. Hoewel het Vel in dit voorwerp zeer rood is , wegens haar opgevulde bloedvaten > zoo is ’t egter , dat het Netwyze lighaam , als mede het Opper-velleke van zigtbaare bloetvaatjens zyn ontblood, zoo dat die Autheuren geabuzeert zyn, dewelke aan deze gezeyde voorwerpen bloedvaten toefchryven. Ten vierden. Dit glas is gedekt (in plaats van een duk van een blaas} met het Vel van een Hoofd van een kind, waar door heen lopen zeer veel bloetvaatjens. N°. XX. Een onvoldrage kindje, van ontrend zes maanden dragts. Aan- van FREDERIK RUYSCH. Aanmerkt ten eerften. Het zelve is zeer curieus bewaard , in een vog- tigheyd zonder eenige de minfte rimpel , blank van couleur, houdende in des zelfs regterhandje een gedeelte van het dunne Herzen vlies van een an- der kindtje, doorbet welke duyzende van Siag-aderkens loopen. Ziet hier op verders na het eerfte Cabinet. Ten tweeden. Op deszelfs fchouder hangt een groot deel van ’t vues uyt een Schaap , ’t welk om de veelheyd der bloedvaten , in- zonderheyd van Slag-aderen, zeer rood is. Het devys ©p dit kindje is. GELYCK EEN SCHIPPER VAN DE WOESTE BA AREN GESLTNGERT; ALSOO MEDE, ZOO DRA ICK JONGSKEN UYT MYN ’S MOEDERS LICHAAM WAS GEBOOREN, WIERD ICK, TER NEDER GELEGT ALLE HULPE VAN NOODEN HEBBENDE. No. XXL De Longe-pyp van een onvoldrageSchaapje, meteen geel- walTige ftoffe vervult, en omgekeerd zynde, ftaat het op een voetje of Pedc- ftallctje. Het zelve verbeeld zeer aardig een bloemtje, nadien alle Blaas» wyze vlieskens zeer konftig daar afgedaan zyn. DE TWEEDE PLANCK. N°. XXII. Een vlcsjemet een heldere vogt, waar in te zien zyn, dc Tecl-deelen van een Jongske , dewelke zoo natuurlyk zyn gebalzemt en geconferveert, datze nu eerft vers uyt het lighaam fchynen gehaald te zyn. Aanmerkt ten eerften. Niet alleen zyn van my de groote Spongieuzc lighaamen met een roodwaszige ftoffe vervult, maar ook zelfs het kleenc Spongicuze lighaam, ’t welk van onderen de Water-canaal omringt. Ten tweeden. De op zy ftaande Spieren, dewelke de Roede , als ’t nodig is, perflen, zyn van dezelve ftoffe gevulten rood geworden. Ten derden. De Water-canaal, die in een wel-geftelt menfeh onder dc Roede tuflehen de twee groote fpongieuze lighaamen loopt , heeft hier in dit lighaam een onnatuurlyke ficuatie, want dezelve loopt langs den rug van de Roede, ’t welk ik noyt voorheen gezien heb. Ziet Tab. 3 Fig. x. van ’t derde Cabinet. N°. XXIIL Een yles meezeer heldere vogt, waar in gezien word een deel van’t aangezigt van een kindje, ’c welk zeer levendig van couleur is; Het voorhoofd weg genomen zynde, werd deffelfs plaats vervult met dc Slag-aderen van de Herffene , dewelke, in plaats van bloed, meteenrood- waszige ftoffe zyn vervult , en deze zyn zoo menigvuldig , dat het een klecn krcpel BofTchafltje komt te verbeelden . E e e e Aan- 111. ANATOMISCH CA BIN ET Aanmerkt ten eerden. Het Opper-velleke van de Neus en Lippen heb ik weg genomen , ten eynde de groote, en ook de kleene fweetgaatjens klaar konden gezien werden. Ten tweeden. De Voorlippen, of het roode en opperde der Lippen, raken malkanderen, aangezien het mondje geflooten is: ontrent deze Voor- lippen daat aan te merken, uyt wat dode dezelve beftaan, aangezien de Autheuren daar ontrent niet luyt roepen, ja tot nog toe, niemand het zelve aan den dag ge bragt heeft. Nadien ik dan voor eenige tyd bezig was in ’t onderzoeken vandedee- len des Aangezigts, en dat door onze op nieuws uytgevonde manier, zoo had ik het bekleedzel van deVoorlippen weg genomen, gants geen Vel onder het zelve vindende, ’t geen my tot een dieper onderzoek aanleyding gaf- Eerdelyk, fehoot my te binnen, hoe; vinde ik hier geen continuatie van *t Vel, zoo kan ik ook dit bekleetzel geen Epidermis of Opper-vel- leke heeten, hoewel het daar mede continueel is, en een over een komfte daar mede heeft: wat was hier nu anders te doen, als het ondergelegenc eerft te onderzoeken, en zoo quam my te binnen, deze Voorlippen van haar bekleetzel ontbiood zynde, in myne heldere vogt te leggen , om daar na naaukcurig de zaak te befchouwen; wat gebeurter ? Als ik een wey- nig tyds daar naa deze Voorlippen bezag, zoo quamen zy my voor als rood Fluweel, en deze zaak nader van my onderzogt zynde, zoo beven- de ik de Voorlippen re beftaan uyt loutere Tepeltjens, niet uyt Vel-te- pslrjens, aangezien bier geen Vel te vinden is, maar uyt Zenuwagtige Tepeltjens; zo dat het bekleetzel der Voorlippen de naame toekomt van Tepel-bekleetzel van de Voorlippen; welk bekleetzel niet anders is, dan een uitfpanzel der Zenuw-tepeltjes, ’c geen ook eygen is aan het Opper- velleke. Hier van komen die groote pynen der Voorlippen, inde zo ge- naamde gekloofde lippen, en ontvelling (jgelyk men gemeenlyk zegt) maar beter zou men zulks heeten, fcheuren enook ontblooting der Voorlippon. Hier vamdaan komt het ook, dat men zoo befwaarlyk tot genezing komt wanneer deze V oorlippen verfweeren , of verdicken. lek hebbe hier vooren gezegt, dat deze Voorlippen my voorquamen als rood Fluweel, door dien ik der zelver Slag-aderkens met een rood-waszi- ge ftoffe vervult hadde, en deze gevulc zynde, zoo nemen ook deze Te- peltjens een rpod-agdgheyd aan, gelyk zy ook doen ineen levendig en fris menfeh door den toevoer van bloed. Ten derden. Dat ons deze Voorlappen als rood Fluweel in myne Cabi- netten voorkomen, ’t geen men in een levendig menfeh , die wel geftelt Van FREDERIK RUYSCH 579 Is , niet en bemerkt , daar van is de reden , het niet wegnemen en affehey- den van *t bekleetzel der Voorlippen: want dit weggenomen,, en ’c voor- werp in een vogt gelegt zynde , wyken de Tepelcjens van een , en zoo is ’t dan, datfe ’t hoofd opfteken, en over eynde ftaan, daarze in tegen- deel in een levendig menfeh door dit bekleetzel als in den band gehou- den, en by malkandere gedrukt werden, gelyk men ziet het gras, en ook het riet, ’t geen van de wind na eene zyde werd geperft, of toehelt. Indien dit imant in een levendig lichaam wilde onderzoeken, dan moet hy den Zomer en een gezont en jeugdig lichaam verkiezen, gebruy kende daar toe een vcrgroot-glas; dog s’ winters laren ze zich zo niet zien 3 en dat dit ook in de huydt-tepeltjes van den duym plaats heeft, zulks is aan yder een bekent. Dog op datter egter ganrs geen twyfel over zoude blyven, wegens dezeuytvinding : Zoo is’t, dat ik zulks niet in een, maar inveele voorwerpen vertoon. Weet ondertuffehen B. Lezer dat deze Voorlippen van dit voorwerp niet zoo rood zyn , als. wel die geene, dewelke in’t vierde en volgende Ca- binetten werden gevonden. No, XXIV. Een viesje met vogt , waar in te zien is een gedeelte van des Longs Slag-ader met een geel-waszige ftoffe opgevalt 3 haare takx- kens zyn zoo zeer veel in getaale, dat het voor die geene, die het gezien hebben byna ongelooflyk fcheen te wezen , want het verbeeld een kleen Boffchafitje. * Aanmerkt ten eerften. Deze Long Slag-aders tak is door zoodanig een konfte, en met zoo een zagte en opgehevene hand toebereyt, en van zyne tegen overftaande Longsaders, en Longs-pyps-takjens afgefcheyden , dat ik, zonder roem, mag zeggen, datter van deze tack, geen tackjens en ook zeer weynige uyteynden zyn afgebroken. Deze veelheyd van takjens hebben ons de Autheuren nergens in haare Fi- guuren aangewezen. Ten tweeden. De tacken zyn niet alleen cngefchonden, en tot een toe behouden gebleven, maar ook derzelver uyterfle.uyteynden*, dewelke an- ders met de Longs-blaaskens zyn vereenigt. Deze en diergelyke dingen be- fchouwendc , kan zig niemand genoeg verwonderen , dat een menfeh lange Jaaren in gezontheyd leven kan, zonder eenige mangel, aangezien het minfte takie of blaasje verftopt of ontftelt zynde, wyken wy van onze volmaakte gezondheyd af : Zoo dat wy met den Jpoftel Taulus gedwon- gen zyn uyt te roepen 5 Q diepte des rykdoms ! XXV. Een ftuk van de Moerkoek, op dezelve wyze met een geel- waszigc ftoffe opgevult, en in een vogt geconferveert. Agnraerirt ten eerften. Niet hetalderminfteKliertje, nog ook yetsklier- 111. ANATOMISCH CABINE T. agtigs werdter gevonden in de Moerkoek, zoo datze alle geabufeert zyn, die zulks in haare Schriften voorgeven. De geheele Moerkoek beftaat uyc bloetvaatjens , waar aan het vlies Chorion , Amnios , en de Navelftreng vaft fitten: voeg hier by, dat vliezig wezen, ’t welk van my nieuwlyks is uytgevonden , ’t welk vaft zit aan de inwendige Opper-viakte van de Moerkoek, die met de Lyf- moeder vereenigt is-: Waarvan in ’t toekomende breder zal gehandelt werden, als ik zal gekomen zyn tot de befchryving van die Moerkoc- ken, waar aan dit vliezige wezen nog vaft zit. Ten tweeden. Hier kanmen ook zien , hoe groot het onderfchcyt is tuftchen de Slag-adcren van de Long, aanftonts. aangewezen, en die geenc, dewelke de Moerkoek maken: dit onderfcheyd isvrygroot, niet alleen ten opzigte van haar cours ontrent deuyteynden, maar ook wegens haar geftalte. Ten derden. Deze haare uyteynden hebben eenige overeenkomfte met die, dewelke de Schorzige fubftantie der Herflene maken. Ziet het twee- de Cabinet, Tab. VI. N°. XXVI. Een vies, waar in bewaard vVert een ftuk van een Vrou- we Borft, dewelkequalyk was geftelt, namelyk: fpongieusin ’c aanraken , en gefwollen, in wiens middenTk zekere ongemeene zagtigheyd vernam, cn na het afzetten, in een vogt gelegt zynde, deeden haar zoo veele vaat- jens a£>, dewelke ontdaan waren van ’t geen haar anders by een houd, dat byna het geheele ftuk uyt vaarjens fcheen te beftaan. Deze, en andere zaaken hebben my aanleyding gegeven om de geftel- tenifte der Borften naukeuriger te onderzoeken, en wat ik daar ontrent al heb geobferveert, is myn voornemen in de befchryvinge der volgende Ca- binetten teopenbaaren. N°. XXVIL De Swezerik van een kind, zeer net toebereyt en be- waart j deze zyne bloetvaatjens zyn meteen rood-wafïïge ftoffe opgevult, Waar door dat dezelve ons rood voorkomt. No. XXVUL Een kleen gedeelte van een menfehe Long, wiens Slag- aderen met een geel-waszige ftoffe opgevult, en ten deele van haar Blaas- wyze ftoffe afgefcheyden zynde, ontdaan, en naakt ons voorkomen* E- dog hoe moeyelyk het is zulks te doen, weten zy beft, die wel eens de handen hier aangeflagen hebben. No. XXIX. Een viesje met vogt, waar in te zien is , het agterbreyn van een menfeh, zoodanig van my verhart, datmen het als een verfle kaas fnyden kan. Aanmerkt ten cerften Dat het zyn natuurlyke couleur, langte , dikte en breete behouden heeft, zonder eenige rimpels. .Ten van FREDERIK RUYSCH. 581 Ten tweeden. Ontallyke Slag-aderen, met een waszige doffe opgevult, ziet men hier door het dunne Berden-vlies lopen ,en zulks is zeer aange- naam voor de oogen des zienders. Ten derden. Het 2de Herffcn-vlies van ’t agterbreyn, namentlyk het fpinne webben gelykende vlies, komt hier klaarte voorfchyn en datgolfs- wys als men het viesje beweegt. Ten vierden. Het begin van ’t rugmerg, is hier nog vaft zittende aan ’t agterbreyn , en van vlieskcns nog omvangen * zoo dat hier gelegentheyt is om te zien bcyde de Wervels-dagaderen, als mede waerze te zaracn ko- mende , de nek blag-ader voortbrengen Ten vyfde. Ziet men hier, zoo zeer veele takxkens der Slag-aderen, dewelke uyt de nek Slag-ader voortkomen , en hoeze door het ronde lig- haam verfpreyden. No. XXX, Een viesje vervult met vogt, onthoudende in zig het bord- je van een kleen kintje. Aanmerkt ten eerden. Het zelve is met een zeer natimrlyke couleur begaeft , en zietmen door- dezelve veele fwcetgaatjens gerangeert. Ten tweeden. De Vcl-tepeltjens komen ons veelvoudig voorin denom- frek van de Tepel, als mede in de Tepel zelfs. N°. XXXI. Een viesje met vogt vervult, waar in te zien is het agter breyn van een menfeh, zeer net geprepareert, en geconferveert *en zyn deflelfs Slag-aderen vervult. N°. XXXII, Een groot duk van een nugteren darra,zoodanig omgekeert, dat deflelfs binnende oppervlakte hier buy re waarts is gewent; en alzoo ko- men ons de badaart kliertjens in ’t gezigte , dewelke hier uytpuylen, in groote van fpeldehoofden, Daar en boven doen haar hier de ronde latwy- ze verheventheeden op, dewelke Oogluykcndeklapvliezen geheten worden. Aanmerkt ondertudchen, dat men deze gezeyde latwyze verheventhe- den beter zien kan ineenverfch ligbaam of in een bequaame vogt, alsinop- geblaze en gedroogde darmen , gelyk wy voorheen met de andere Ontieders plegen te doen 5 want zy verliezen in ’t droogen haar. natuurlyke gedelte- niflfe. N°. XXXIII. Een gedeelte van de Herflene van een menfeh, ’t welk in een vogtigheyd is gelegen , welkers Slag-aderkens opgevult zyn , waar door de Schorflige fubdantie rood geworden is, en alzoo op de wrt- te en mergagtige fubdantie zittende, doet het zig op , als waarc het een rood mofch, ’t welk uyt een witte aarde voorkomt. Aanmerkt ten eerden. Dat de Schorzige zelfdandigheyd geenzints klier- agtig 3 maat uyt Woetvaatjens te zamen geftelt is * en zulks blykt voorna- Eeee 3. ment- 111. ANATOMISCH CABINE T, mcntlyk in dat deeltje, ’t welk in de grond van ’t viesje gevonden werd * alwaar men ziet 5 dat de uyteynden der Slag-aderkens m een mergagtige en weeke of fappige fubftancie veranderen. Dit zappige gedeelte der uyteynden van de Slag-aderkens, verlicft zyn holligheyd niet , want in ’t opvullen werd het alzoo wel rood als boven dit fapagtige gedeelte. Ten tweeden. Die fubtile Slag-aderkens, dewelke hief buyten de Schorf- fige fublfantie uytfteken, zyn voor het grootfte gedeelte tackjens van de Slaap-flag-aderen, dewelke door het dunne Herfien-viies loopen, wel- kers uyteynden nederwaarts zacken, ten laatfte in een weeke en zappige fubftantie veranderen , diemen de Schorffe der Herïlene noemt, gelyk zulks ook plaats heeft in de Mild ,en eenige andere ingewanden» Ziet hier o- ver na het antwoord op de IV. en XII. voorgeftelde brieven. Ten derden. In dit gezeyde deeltje kan men ook verfcheyde zappige uyteynden zien, dewelke door toedoen van de vogt , daarze in leggen , van een geweken zyn, en zulks kan alletwyfel der geenen wegnemen, die tot nog toe, deze onze uytvindingen niet hebben willen avouëren. No. XXXIV. Een ftuk Veis van de Voet, ’t welk zeer rood is , we- gens de opgevulde Bloed.vaten. Aanmerkt ten eerlfcn. Alle de uyteynden der Slag-aderkens zyn zoo kondig opgcvult, dat men naauwiyks een takje bevind misgedeelt te zyn-, maar het Nctwyze lighaam van Malpighius , als mede het Opper-vellekc hebben haare couleur behouden, zonder roodigheyd aan te doen, waaruyt genoegzaam af te nemen is, dat die Autheuren geabufeert zyn , dewelke aan het Nctwyze lighaam of ook aan ’c Opper-velleke Bloed vaatjens heb- ben toegefchreven. Ten tweeden. Het Netwyze lighaam, als mede het Opper-velleken • zyn voor ’t grootfte gedeelte van’t Vel afgefcheyden ,op dat in het ont- bloote Vel de Vel-tepeltjens te voorfchyn zoude komen, en zyn deze buy- ten het Vel een wynigsken uytpuylende, ontelbaar veele. Hier van daan komen ons die onlydelyke pynen over , wanneer het Vel van de ballen der Voeten ontbloot is van deze gezeyde dekzels. Ten derden. Hier zietmen ook , dat het Nctwyze lighaam met het Opper-velleke nog vereenigt, en omgekeert is, opdat het Netwyze lighaam konde gezien werden; hetzelve is geelagtig van couleur, maar het Opper- vqlleke in tegendeel witagtig. N°. XXXV. De Nier van een onvoldrage Schaapje, midden door gefneden, waar in men ziet dat het Tepcl-wyze lighaam na de lengte van de Nier loopt, ’t geen in een Menfch geen plaats heeft. On- Van F REDER! K R U Y S C H. Ondertuflchen is het te verwonderen, dat zommige ,dic niet onderdo geringde der Anatomiften te (lellen zyn , zoodanige Nieten der Schapen ontleedende, dezelve hebben laten in Figuuren verbeelden , als warenze na Menleken Nieren gemaakt, ’t welk my, en anderen eertyds heelt be- drogen. N°. XXXVI. Het Tyd , of Slaapbeen van een kindje, verzien met het ongefchonde Trommel-vliesje waaraan het Hamertje en Aanbeeltje na- tuurlyker wyze nog vad zitten. Aantnerkt ten eerden. Door het vliesje, ’t welk hetgezeyde Hamertje en Aanbeeltje bekleec, kan men de cours der Slag-aderkens bequamelyk zien; en deze Slag-aderkens zyn meteen rood-waszige doffe vervult, zon- der ’t welke zy niet ligt te voorfchyn zoude komen. Ten tweeden. Het Trommel-vliesje is van gelyke voorzien van Slag- aderkens , die op de zeiive wyze zyn ver vult. Ten derden. Dat het Trommel-vliesje van twee op den andere leggen- de vliesjens, of moten is bedaande, kan men hier zien aan ’t hovende, al- waar het eene ten deele is gefcheyden. Ten vierden. Hier zietmen ook beydede Spierkens van t Hamertje, dewelke nog aan het Hamertje vad zitten. Ten vyfden. Een van de Spierkens van ’t Hamertje is rood , wegens het opvullen van zyne Slag-aderkens, en dedelfs pceze witagtig. No. XXXVII. Het deen en Schub-wyze been, aan den andere nog Vall zittende, uyt een kleen Kinds hoofdje. Aan merkt ten eerden. Dat het Trommel-vliesjc uyt twee vlieskens tc zamen is gedelr, zulks blykt ook in dit voorwerp; want het eene is ten deele weggenomen, en het tweede geheel gelaaten, ook ziettnen hier waar het Tydbeen van het Steenbeen afgefcheyden word. Ten tweeden. Hier kanmen ook zien, dat het Trommel-vliesje van Bloed-vaatjens voorzien is , dewelke op een zonderlinge wyzeloo- pen, gelyk ook in’t voorwerp waar van aandonds gehandek is j de cours van deze vaatjens door het gezeyde vlies lopende heb ik afgetekent Tab. 9. Fig* 9* antwoord van de VIII. voorgedelde Brief. No. XXXV HL Een duk van de Moerkoek, waarin niets klierigs te vinden is, hoewel zulks van de ontleeders voor vad gedeld wond; maar de geheele Moerkoek bedaat uyt bloetvaatjens, gelyk zulks hier blykt, Ondertuffchen daat aan te merken , datter eenige overeenkomft is tulfchen deze Blbedvaaten, en die geene, dewelke het fchordige wezen van de Herflene maken, hoewel e°ter de uyteynden dezer bloedvaten, die de Moerkoek tnaken, zoo zagt en zappig niet zyn, als de andere. III. ANATOMISCH CABINET No. XXXIX. Een Maagje van een jong Kindje, ’t welk omgekeert is, op dat men de natuurlyke rimpels 5 en ook de binnende en ruyge rok of vlies zoude konnen zien. N°. XL. Het dunne Herffen- vlies vaneen jong geboore kindje, ’twelk 200 dun is als een Spinne-webbe, de Slag-aders in tegendeel ontelbaar ~y waar uyt met regt geoordeelt mag werden, dat de gezeyde Slag-aders niet alleen gededineert zyn om voedzelaan ditzyn vliesje toe te brengen, maar ook tot een ander gebruyk 5 Ja ik oordele, dat dit vliezige wezen inzonderheyt dient ook om alle de bloed vaat jens by een te houden, op datze niet zou- de van een wyken : De Slag-aders dienen voornamentlyk om met haar uyt- eynden de fchorfllge zélf dandigheyd der Herbenen te maken > deze gezeyde zyn vaten meteen roodwaszige doffe opgevult,en dat tot haeruyterfte toe. N°. XLI. Een doorgefnedene menfche Nier, om het inwendige te kon- nen zien, leggende in een vogt. Aanmerkt ten eerden. Wanneer ik des Niers Slag-ader opvulde meteen rood-waffige doffe, liepen ook te gelyk de Pis-canaaltjens van de Hf. Bellinus vol, en zulks gaf my een oorzake van twyfelen, wegens het we- zen der al zoo genoemde Nier-klierkens, die men in s' menfehen N ieren voor- geeft te zyn, in beeden vind ik meenigmaal ronde lighaamrjens, dewelke een gelykeniffe hebben met de Geerd-klierkens, edog deze zyn gants wcy* nig 3 en ik kan my niet wel inbeelden, dat deze lighaamtjens waare kliert- jens zyn , gededineert tot het fchcyden der piffe , aangezien ik dezelve zoo perfed niet kan zien in de Nieren van de Menfehen, maar in tegen- deel bevind ik de uyteynden der Slag-aderen zeer wonderlyk gekromt en gedingert, gelyk re zien is in dit derde CabinetFig. 3. Tab. IV. Indien ymand deze gezeyde geflingerde uyteynden der Slag-aders voor klieren houden wil, zoo zegge ik zulks onbetamelyk te zyn , nadien de Au- theuren door een klier niet anders verdaan, als een byzonder lighaam of lig- haamtje, ’t welk op zig zelfs bedaat, en’t geen met een particulier vliesje omvangen is, en tot welk lighaam of lighaamrje zeekere bloetvaatjens zyn gededineert, die daar in loopen. Indien egter benevens deze bovengemel- de omgefüngerde bloedvaarjens, nogeenigeandere lichaamtjes ins’ menfehen nieren zoude mogen gevonden werden, die van een ander natuur zyn, ’t welk ik creheel en al niet wil negeeren, hoewel ikze niet duydclyk kan zien, zoo zynze mogelyk tot cenig ander gebruyk gefchapen. Ik heb hier vooren gezegt, dat wanneer ik des Niers Slag-ader opvulde, dat doen ook te gelyk de Pis-canaaltjens van de Heer Bellinus vol liepen; Denkt ondertuflehen niet dat my zulks naderhand noyt meer gebeurt is, waat zoo menigmaal als ik het nu doe , zoo gebeurt het my altoos > en ’t is van FREDERIK RUYSCH. 585 is niet gclooflyk dat zulks altoos zoude gebeuren, indien het bloct eenige pretenze klieren eerft moeft aandoen, om de Pis van ’t bloed te fcheyden, ook dat in deze opvulling de wasagtige ftofFc eerft eenige kliertjens moeften aan- doen , eer datze tot de Pis-canaaltjens quamen. Daarenboven ftelik den waardige Lezer hier voor eenige Nieren, in dewelke men met de oogen zien kan, de continuiteyt van de uyteynden der Slag-aderen met de Pis-canaaltjens van Bellinus, en dit dunkt my een onwederfprekelyk bewys te zyn. Hoe, en op wat wyze nu het aderlyke bloed te rugge keert, waar de a- ders haar wederkerend bloed ontfangen 5 of dit nu gefchied door eenige onzienlyke mondekens, die met die Slag-aderkens vercenigt zyn , al eer de Slag-aderkens haar met de Pis-canaaltjens komen te vereenigen * of alle de uyteynden der Slag-aderen in de Pis-canaaltjens van. Bellinus veranderen of met? kan ik niet zien En dewyl myn gezigt zoo fnel niet is, zoo kan ik die knoop niet ontdoen. Dit alleen geloof ik, .dat de bloedtvaten der Nieren niet te vergeefs zoo vvonderbaarlyk zyn omwonden en geflingert, dat men zulks nergens meer in ’t lighaam vind, gelyk hier te zien is in dit derde Cabinet Tab. IV. Fig. 3. en 3. en’tobjed: by my bewaard werd, om by den heldere dag te ver- toonen: En alzoo meen ik , dat dat geheele werk, ’t geen de pretenze Nier-kliertjens is toegefchreven, alleen afhangt van de cours cn byzonde- re conftitutie der uyteynden van de vaatjens. Confidereert ook, dat in de Zaad-ballekens geen kliertjens gevonden wer- den, cn dat haare werkzaamheyd ook alleen beftaat in de hoedanigheyd der vaatjens, ’t welk ook te zien is in de vaatjens van de Lyfmoeder van my onlangs ontdekt, dewelke een zeeker voedend zap toebercyden voor de vrugt, waar van ik heb begonnen te handelen in de befchryvine van myn tweede Cabinet. J 0 lek laate ftaan die ingebeelde kliertjens van de Mik, , enz. dicook nergens te vinden zyn. ]Slog aan te merken , dathoewelin deze Fig. 2. VI. Tab. van dit derde Cabinet de omwindinge der bloedvaarjens alleen maar afgebeeld ftaan langs de rug dezes N iers, 200 is ’t egter , datze even zoo digc en ontelbaar zyn in t binnenfte der Nieren, ja tot digt aan de Tepel de plaatfnyder heeft zulks niet konnen verbeelden zonder die Canaalt- jens te verduyfteren dewelke in deze figuur vertoont wordenpk zal zulks klaar vertoonen in t volgende vierde Cabinet, in ’t welk bewaart werden op- geipouwen en hard gebalfemde Nieren van Menfchen, in dewelke zulks klaar blykt; En dit is ’t geen ik meermaal gezegt heb, dat men de deden des F fff Lig- 586 III. ANATOMISCH CABINET Lighaams niet alleen in ’tnat, maar ook zommige droog gemaakt zynde, moet befchouwen, en vertonen, na dat de voorwerpen zyn. No. XLII. Een viesje metvogt, en daar in een onvoldrage kindje van ontrent 4, Maanden dragts, leggende zagtjens op het Moerkoekje in plaats van een Oorkuffentje. Het zelve is van de mannelyke fexe, en heeft dcjflelfs natuurlyke couleur behouden 3 het heeft dit devys. O WAT BEN ICK GELUCKIG, TERWYL MYNE BEENDEREN , NU ZOO ZAGT- JENS LEGGEN TE RUSTEN! N°. XLIII. Een menfche Nier, opgefpouwe >om het inwendige te kon- nen zien. Aanmerkt ten eerften. Dat veele zaaken in deze Nier ons klaarder voor- komen, als -wel in de bovengemelde. N°. XLIV. Een groot ftuk van den Nugteren darm van een Menfch, welk zoodanig omgekeert is, dat de binnenfte Opper-vlakte hier nu is ge- worden de buytenfte, en zoo komen ons in’t gezigte de ronde Latwyze ver- hevendheden, die by andere de naam dragen van Oogluykende Klapvliezen. N°. XLV. Het Agterbreyn van een Menfch met haare aanhang, het onderftebovenwaarts gewent, waar door het begin van het rugge merg bo- ven op dit voorwerp gezien word. Aanraerkt ten eerften. Dit Agterbreyn leyt in een vogt, cn heeft op ’t gezigt zyne natuurlykegeilalte behouden, ja van zynelengte,dickte,bree- te, nog couleur yets verloeren. Ten tweeden. Alle de Slag-aderen zyn hier bewaart en opgevult met een rood-waillge ftofFe. Ten derden De TLexus Choroideus of Aderlyke vlegtinge, kan men bier voor een gedeelte zien, zonder eenige de minfte quetfing van ’t Agter- breyn , en zulks kan ik in andere Agrerbreynen aanwyfen: deze vlegting is ligt rood van couleur , van wegen zyn vereening met de uyteynden ceniger Slag-aderkens. Ziet hier over na myn Antwoord op den voorge- lleiden Brief van de Herflene. Ten vierden. Deze gezeyde vlegting (Voor zoo veel zy buyten het ag- terbreyn uytpuylt) is hier alleen bekleet, en omvangen van het vlicsje Arachnoïdea , en niet van V dunne Herffen-vlies 3 zou dit in alle voorwer- pen 200 zyn ? Ten vyfden. Het fpinnewebs-wyfevliesje of QMemhrana Arachnoïdea) is hier zeer klaar te zien, als mede hoe, en op wat wyze, de Slagaderen over de Oppervlakte van V Agterbreyn loopen. Ten Van FREDERIK RUYSCH. Ten zesde. Hier kan men ook zeer wel zien, het voortkomen van de Nek Slag-ader , uyt de twee Wervelbeens Slag-aders. N°. XL VI. Een viesje met vogt, waar in geconferveert werd het Borsje van een jong Kindje, in wiens Tepeltje, de Vektepeltjens klaar konnen gezien werden. DE DERDE PLANK. N°. XLVII. Een droog viesje met een gedeelte van de bogtige darm van een onvoldrage vrugtje, welkers Slag-aderkens vervult zyn met een geel-waffige doffe. N°. XLVIII. Een viesje met vogt, waar in zig onthoud het doorzig- tige Hoorn-vlies van een Menfche Oog. N°. XLIX. Een viesje, waar in een Balletje van een onvoldrage vrugtje bewaard word, langs wiens Oppervlakte, als mede over de bydaanders, men veel Slagaderkens ziet loopen, dewelke met een rood-waffige doffe vervult zyn. N°. L. Een viesje met Liqueur, waar in gevonden werd een Balletje van een onvoldrage Kindje, wiens preparerende vaatjens zeer curieus toe- bereyten opgevult zyn met een wadige doffe, alsmede diegeene, dewel- balletje en over de Bydaander loopen. LI. Het Netwyfe vlegtfel van een Kind, ’t welk zeer rood is, we- Sei^s iet aS‘aderkens met een rood-wafllge doffe. N°. Lil. De Nier van een Menfch door eenXeering als uytgedroogt, en in groote zoo zeer vermindert, datze niets minder als de Nier van een bedaagt menfche komt te verbeelden. Aanmerkt : Dat het doorzigtige, ’t welk aan de zyde werd gezien, het bekken en Pisleydcr is. ö N°. LUI* Een viesje met vogt, waar in het Hoorn-vlies van een Menfch te zien is, a s mede de Glafe en Kridallyne humeuren. Aanmerkt. Dat deze Humeuren haar doorzigtigheyd verlooren hebben, van wegen deze vogt, daarze in gelegen zyn. N°. Ll\ • Een viesje, ’t welk op dezelve wyze in zig onthoud een t’za- mengedelde Tepel van een Nier. Ziet de IV. Tafel. Fig. 6. van dit derde Cabinet. N°. LV. Een dukje van ’t Opper-huydeke van een Vinger, waar aan de Nagel nog vad zit. deffelfs inwendige Opper-vlakte is vervult na de lengte lopende met kamswyze dralen. N Lv I. Een viesje met heldere vogt, waar in te zien is het Opper- Ffff 2, velleke 111. ANATOMISCH CABINE T velleke van een handje van een onvoldrage vrugtje van ontrent 4 Maanden dragts, ’t welk een kleen Handfchoentje komt te verbeelden. Aanmerkt: Dat alle de Nagelrjens daar nog aan vaft zitten. N°. LVII- Een viesje met Liqueur, waar in twee voorwerpen gezien werden , ’t eene is zeer rood , wegens de opgevulde bloetvaarjens , en h«t zelve is het agrerfte van de Sclerotica , Choroidea en Ruyfchtana * ook is hier de opperlte oogfchel nog aan vaft, wiens Oppervlakte ook zeer rood is 3 van wegen de gezeyde opvulling der bloetvaten ; alzoo mede vertoonen haar hier de Oog-fpieren in haare natuurlyke plaats, die niet minder van rodigheyd voorzien zyn. Het tweede voorwerp is het Oog van een kleen kindje, midden door- gefneden, en omgekeert, zoo dat de inwendige Oppervlakte hier nu is de buytenfte. Aanmerkt ten eerften. In het regter gedeelte kan men het Ruyfche vlies zien . uyt wiens midden de overblyfzels van het Netwyze vlies uytpuylen: In het linker deel kan men niet alleen het Ruyfchen-vlies zien , maar ook de hayrwyze band, met deffelfs aanhangfel. I'cn tweeden. Hier kan men zien dat de Slag-aderkens door het Ruyfchen- vlies verfpreyt zynde, hare takskens mede deden aan de hayrwyze band en deszelfs aanhangfel. Ten derden. Deze witte omtrek, dewelke hier buyten het Ruyfchen- vlies uytfteekt, is de Tunica Sclerotica, of het harde vlies. N'. LVIII. Een ftuk van de Nageboorte, waarin niets klicrigs kaa werden getoont, want de fubftantie van de Moerkoek geheel cnaluytvaat- jens is beftaande. Dit gedeelte is met een rood-waftlge ftofFe opgevulr LIX. Een viesje, waar in bewaard werd een drooge Waterblaas van een Rot, waar in twee kleene fteentjens van my gevonden, en daar nog in gelegen zyn: dit quaad is mogelyk familiaar in de Rotten, al- zoo my zulks meermaals is voorgekomen. No. LX. Een viesje met vogt, waar in aan een Hayrtje afhangt, een van de hals Wervel-beenen, in wiens groote eneygen gat of opening een gedeelte van’t Rugge merg zit , wiens inwendige fubftantie zig rood ver- toond , wegens het opvullen der Slag-aderen , dewelke de fchorfige fub- ftantie van ’t Rugge-merg vóórtbrengen* dog de buytenfte of Mergagtige fubftantie is wit gebleven. Daarenboven zietmen hier aan bcydedezydedeafgefneden Wervel Slag- aderen, zittende in de gaten van de dwerffe uytfteken van de wervels. -No. LXL Een ftuk van de Neus, na de; lengte doorgefneden, op dat men des Neus tuftehen-fcheytzel en andere inwendige deelen van ’t zelve van FREDERIK RUYSCH. 589 in ’t zczigte zoude krygen , en is het zelve van een kindjegenomcn. Aanmerkt ten eerften. Dat dit Tuftchen-fcheytzel in de kinderen t’ee- nemaal kraakbeenig is. , _ Ten tweeden, Benevens het buytenfteen dikfte dekzel van t i ullchen- fcheytzel, heeft het even zoo wel als de beenderen, nog daarenboven een vlies- je, waar door hetimmiddels omvangen,en het kraakbeenig vlies geheten werdt. Ten derden. In ’tagterfte en onderftevan’t gezeyde Tuftchen-fcheyt- zel werden 5 ook wel 6 fchuynfe groeven gevonden, van welkers gebruyk de Autheuren gants geen gewag maken , egter moet men niet menen , dat- fe te vergeefs geordoneert zyn. Ziet de IV. Plaat. Fig. 5* Fet, G. van dit derde Cabmef. Ten vierden: in een der tanden, van dit voorwerp na de lengte aoorge- fnede zynde, kanmen driederhande fubftantie zien, namentlyk een, die de buytenfte is, en twee, die daaraan volgen. Ten vyfdcn: In ’t voorde van ’t Tuftchen-fcheytzel ontrent het verhe- melte doet fig wederzyts een gatje of mondje op, van een zeker canaaltje, van wiens wezen en gebruyk ik tot nog toe niets in de Autheuren heb ge- vonden , mogclyk dient deze weg, nevens de bekende om eenige fnotteri- ge vogc in de Neus af te voeren. Ziet de IV. Plaat. Fig. V. Fetr. E. N *. LXIL Een viesje met vogt , waar in bewaart werd een gedeelte van een der darmen van een Schaapje, ’t welk pas gebooren is. Aanmerkt ten eerften, dat dit darmrje curieus toebereyt en opgevulü is, met fwartagtige ftoffe, op dat het verbeelde zoude, hoe de darmen van een jong geboore fchepzelke altoos opgevult zyn, met een zwarte cn raye frofTe, die men Maconium noemt. ; Ten tweeden: dc Slagaderkens, die door de darmen, en Darmfcheyl loopen, zyn curieus opgevult. N°. FXIII. Een hand vol Hayr, ’t welk ik gevonden heb in ’r Net van ’c lyk van een waterzugtige vrouw. Aanmerkt ten eerften. Dit Hayr, ’t welk ik hieraanwys, is het zelve, ’t welk ik voor heen befchreven en afgebeelt heb in myne Anatomifcbe en Chirurgicale aanmerkingen Fol. 23. op de naam van Hayrig gezwel. Nu is’t, dat ik dit Hayr wat ontdaan heb, en ’t zelve heb laren afbeelden, om de lengte van ’t Hayr te bequamer te konnen zien. Ziet de 111. Plaat. de 2. Fig. van ’t derde Cabinet. Ten tweeden: Het Net van ’t gezeyde lyk van deze waterzugtige vrouw, had een vleefige gedaante aangenomen en was een vinger dik. Ten derden : Het gezwel was een vuyft groot en Atheromateus: want F fff 3, ge' 111. ANATOMISCH CABINET geopend zynde , deed fig eerft op een papagtige doffe, cn die weg geno- men zynde, vertoonde lig het Hayr, ’t welk als in een klouwe, digt in een zat. Ten vierden. Dit hayr is een vinger, en ook wel een fpanne en meer lang, t’eenemaal overeenkomende met het Hayr des Hoofds, uytgenomen dat het fchynd met geen wortelkens begaaft te zyn; Ziet in myne obfer- vatien höe het geftelt was eer het was uytgehaali, en in dit derdeCabinet. Tab. 111. Fig. 111. hoe het zig, ontwart zynde, nu opdoet. N°. LXIV. Het been van een jong geboore Kindje, waar aan gants geen vet te vinden is, en zoo verders heb ik alle de Vet-cellekens opge- blafen, en het been gedroogt zynde, zoo ziet men het hier in motendoor- gclneden, waar door het celluleufe wezen, onder het vel geplaatdzynde, zeer curieus aangewefen word. N!,„ LXV. De Herffene van een Schaap, op de manier van de Hr. Willis, zoodanig van de omlittende fiberkensenvlieskensontdaan,datmen leer veel van de innerlyke deeltjens zien kan. Den zeer vermaarde Willis, fpreekt van dit toebereytzel aldus* Om de ontleding van de grote Herffene na behoor en te doen, meen ik, dat- men fulkx niet moet doen na de gemeene wyfe: maar als men de geheele ffamenjiel van de Herjfenen uyt bet Hooft genomen heeft, moetmen voor eerft, het agterfte van de grote Herffene, daar het met het agterbreyn3 en het verlengde merg vereenigt is, al fint s affehey den van de vlieskens 3en zoo veel doenelft k is van de onder gelegene delen afknippen en los maken j als dan zal het ligt te zien Zftn, dat de fubftantie van de grote Herffene met de gefeft de Ughaamengeenfints vereenigt is, maar geheel en al vry en onafhankelyk van dcfelve 3ufttgenomen datfe onderling fuft er fideel v aft gehouden werden door de vlieskens; ja wanneer men dit agterfte deel der Herft'ene, oft de gezegde wyze afgefcheftde zynde, voorwaarts oft ftaat, of na voor en komt te wenden, zalmen de (alzo o genaamde ) fchenkels van V verlengde merg geheel en al bloot zien, ook datfe van ’t Agterbreyn en Voorbreyn dtftinktelyk onderfchey den zyn.Vor- ders. zalmen, door het gefeyde losmaken enoftligtenvan't agterfte der Herffe- ne zien, dat 3 groeven, uyt de vouwen van de Herffene voortkomende, als tot een often of leedige ft laat ze, in een zullen loften &c. Defe Methode van vertoonen, oordeele ik nevens de Heer Willis pryfe- lyk te zyn, want zoo doende vertoonen haar zonder fnyden, gelyk hier in defe Herffene, de Tefticulen, Billen, Pyn-klierke, de voorfte groeven, de Beenen of Schenkels van ’t verlengde merg, het Wormwyfeuytfteekfel, het Agter- breyn, het Netwyfe vlegtzel, de kamers van de gezigc Zenuwen êcc. V) . Aan« Van FRED ERIK RUYSGH Aanmerkt daarenboven; dat defe Herflene fteen hard zyn gemaakt , zon- der gerimpelt te zyn , alleen is de couleur niet wel gereferveert geworden. JSK LXVI. Een viesje met vogt, waar in te zien is, een ftük van de Colyk-darm, wiens bloetvaten vervult zyn, gelyk ook die geene, dewel- ke door het Darm-fcheyl van de Colyk-darm loopen. Aanmerkt ondertuftchen, dat dit gedeelte van de gefeyde Darm, zoo curieus toebereyt en geconferveert is, datmen zoude zeggen, ’tfelvenu vers uyc het lighaam gehaalt te zyn. N°. LX Vil. Een viesje, waar in ons voorkomt het geraamte van een zeer kleen Weft-indifchs Vogeltje ’t welk Colnhr 'ttie is geheten. N°. LXVIII. Een viesje met vogt, waarin geconferveerd werd, een gedeelte van ’t dunne Herffenvlies, wiens bloetvatjens tot de eynde toe opgevult zyn. Aanmerkt ten eerften, dat defe vaaten zoo veelvoudig zyn, dat het ge- heele voorwerp byna alleen uyt bloetvatjens fchynt te beftaan} maar het vliefige is zeer weynig en zeer dun. Ten tweeden, dat ik dit vlieftge wefen door ziekte zomtyts zeer ver- dikt heb gevonden. Ten derden. Zoo dit voorwerp gezien word; zonder voorgaande op- vulling der bloetvaatjens, komt het ons veel dicker te vooren, als het wel. in der daad is5 de reden hier van is , dat ons defe gezeyde kleene bloet- vaatjens altoos bloedeloos voorkomen, en alfoo fchynen zy het vlieske te verdicken. N°. LXIX. Een ftllk van een Moerkoek van een vrouw, meteen was- fige ftoffe vervult, en dat tot alle defer vaatjens uyteynde toe waar door die gcheele weezen ons zeer rood voorkomt. Aanmerkt ten eerften, dat de Moerkoek gants geen kliertjens heeft, ja de geheele Moerkoek uyt bloetvatjens is beftaande , ’t welk hier zeer klaar kan gezien werden. Ten tweeden, zoo kanmen hier ook zeer diftin£t zien, op wat wyfede uyteynden defer vaten loopen, en hoe veelfe verfchillen van die andere bloetvaten. Ten derden. De uyterfte uyteynden defer vaten komen ons zco fubtiel voor, als was het eenig dons. Ten vierden; zoo den Beminde Lezer defe en andere vaten ten myne huyfe belieft te zien, zoo zal hy ligtelyk met my in een gevoelen komen, dat het niet vergeefs is, dat de uyteynden der bloetvaten, d’een van d'an- dere zoo zeer veel komen tc verfchillen, en dat het maar verdigtzelen zyn van de Autheuren, die altoos voorgegeven hebben, dat de kliertjens van dc y . Moer- 111. ANATOMISCH CABINE T. Moerkoek een byfondere werking deeden, daarfe in tegendeel noyt zoo- danige klierrjens hadde gezien of getoont. Defe en geene knopen aldus losgemaakt zynde, zoo mag ik met regt vragen wie nog weygeren zal toe te ftaan, dat het onderfoek van de uyt- eynden der vaten , zeer diendig is geweeft voor de geleerde wcrelt, waar toe ik zoo groot een arbeyt, en zoo groote onkoften hebaangeiegc,endat zoo veel Jaaren: Laat de fpotters, die dog niet anders pryfen als ’t geen uyt haar eygen koker voortkomt, hier mede railleèrcn, ik zal daarom niet nalaten te doen, ’t geen ik vad vertrouw, tot nut van ’c gemeen te zyn. N°. LXX. Een viesje met vogt, in fig onthoudende het Sfeenbeen met de Gehoor-canaal. Aanmerkt ten eerden. De gefeyde canaal heb ik geopent, op datmen de natuurlyke gefteldheyd, en de plaats van ’t Trommel vliesje zoudekon- nen zien* Ten tweeden: Dat het Trommelvliesje feer fchuyns in ’t uyteynde van de gefeyde canaal gelegen, en het Trommel vliesje metveelebloedvaatjens voorden is , kanmen hier zeer klaar zien. N°. LXXI. Het begin van ’t Rug-merg met een gedeelte van ’t Ag- ter-breyn. Aanmerkt ten eerden, dat dit voorwerp uyt een Schaap genomen is, en dat men daarin zien kan de derde en vierde holligheyd, het Pyn-kliertje, de Tedi- culcn en de alfoo genaamde Billen, de Twee fchenkels van ’t Lankwerpig merg alsmede het Wormwyfe uytdeekfel, Ten tweeden, dat dit voorwerp en defe manier van balfemen enprepa- reeren, over de 30 Jaaren oud zynde, veel verfchilt van die geene, de- welke ik nu in het gebruyk heb: want hier door de voorwerpen weldeen hard en onvergankelyk worden ; edog fy veranderen veel van couleur en gedel temde. N°. LXXII. Een vlesje met een gedeelte des Miks-flag-ader met een rood-wadi ge dode opgevult waar in duydelyk geilen werden de Bundel- wyfe uyteynden, die haar als verÜeeten penceeltjens opdoen. Hier eeni- ge kliertjens te foeken, zoude niet anders als moeyte te vergeefs gedaan zyn, alfoo die daar niet te vinden zyn. Aanmerkt; Dat op verfcheyde plaatzen wel eenige kantige, ja ook wel ronde dukskens aan vad zitten, die ik met voorbedagte raad daar aan gela- ten heb, op datfe in eenige verbeelteniffe, van kliertjens, ons zouden voor- komen j maar alsmen die met de punt van een naald aanraakt en van een doet, zoo doet zig het abuys op. N°. LXXIII. Een gedeelte van de Milt-ader uyt een Kalf* met een wit- Van FREDERIK RUYSCH. witwalfige ftoffe opgevult, waar in de Bundel-wyfe uyteynden niet mia klaar gelien werden. N°. LXXIV, Een Huk van de Regte-Darm uyt een menfch, waar in niet alleen de baftaart kliertjens, maar ook duyfendevanfweetgaatjens (foo menze alfoo noemen mag) geilen worden. Aanmerkt: dat defe fweetgaatjens, zoodigtby een liaan, darmen naau- lykx de punt van een naald daar tulleken in zoude konnen zetten. N°. LXXV. Een viesje met vogt, waar in de Long van een kleen Schaapje onthouden werd, waar,in de ontelbaare van delTells quabbetjes niet alleen, maar ook de alderfubtiellle uyteynden der bloet- vaatjens, te zien zyn. N°. LXXVI. Een viesje met heldere vogt, en daar in het Steenbeen van ’C gehoor van een jong geboore kindje, waar in duydelyk te zien is, dat het Trommel-vlieskc in die kindertjes met een particulier bekleetfel bedekt is, ’t welk een vlies gely k is, ik feg, gelyk is, om dat ik ’er geen bloetvaarjens door heen lie loopen, maar het Trommel-vhesje is met feer veel bloetvaat- jens voorlien, gelyk in dit en andere voorwerpen te zien is. Aanmerkt ten eerllen: Dat dit bekleetzel in'zommige obje£lendik is, maar in dit zoo dun, als een dun vliesje. Ten tweeden: Haat te conlldereren, van waar het afkomltig is, hoe het na de geboorte het Trommel-vliesje weder komt te verlaten, en van wat gebruyk het is ? Aangaande het eerllen; Namentlyk van waar het af komltig is Nadien het beenig deel van t gehoorgat ot canaal in de kinderen, in ’s moeders lighaam leggende, gants en gaar nog ontbreekt, zoo is het Trommel-vliesje nader aan de oppervlakte van ’t hooft, en dan zoo meen ik, dat het Op- per-vellekc ook felfs het Trommel-vliesje komt te bedecken . en datbvjre- volg t gefeyde bekleetzel niet anders is, als Opper-vel. j Wat het tweeden belangt: Hoe het na de geb oorte het T rommel vliesje* weder komt te verlaten Ik vertrouw dat in ’t groeyen van ’t beenige en kraakbeenige gehoor canaal, dit bekleetzel komt af te wyken, om dat het Opper-velleke niet mede kan geven, nog fig uytrecken. Wat het derden, Namentlyk het gebruyk van dit gefeyde bekleetzel aan- gaatj t is buyten twyfel, dat het felve dienllig is, om het 1 rommel- vliesje, ’t welk in die tyd zeer dun is, te befchermen van onheyl, ’f geen door t water, waar in het kind, in ’s moeders lyve zynde,gedompeltlegt,zou kunne beledigt worden, welk vogt zomty ts fcharp en Hinkende wordt, waar door het Trommel-vliesje van fyn natuurlykegeftaltenilTe zou hebben konnen afwyken. Voegt hier by, dat dit bekleetzel, zoo lang het nog na de gehoor- Gggg * 111. ANATOMISCH CABINET te by blyft, het Trommel-vliesje ook befchermt van de koude lugt. Imand zoude my hier mogen tegenwerpen, en feggen, indien dit ge- feyde bekleetzel afkomftig is van ’t Opper-velleke, waar komt het dan van daan , dat het ons (gelyk ik gefegt heb) zomtyts zoo dik voorkomt,na- dien het Oppervelleke van fyn natuur zeer dun is, edog dit gefeyde be- kleetzel is ook niet zoo dik in een welgeftelde ftaat, maar quaïyk geftelt zyndc, zoo komt ’t te verdikken, infonderheyd van wegen een nieuw we- der ondergroeying van een ander Opper-velleke, gelyk men ziet te ge- beuren in de palm van de Hand, en bal des Voets. N°. LXXVII. Een gedeelte van de ilokdarm van een menfeh, hangen- de in een heldere vogt, waar in zoo wel de uytwendige en na de lengte lopende, als de inwendige en ronde Fibren gelien konnen werden. N°. LXXYIII. Een viesje fonder vogt, en daar in een gedeelte van de Bogtige-darm ’t welk na de lengte opgefneden is. Aanmerkt: Dat de bloedvaten zoo veelvoudig hier door zynverfpreyd, dat het onderwerp dieswegen geheel en al zeer rood is geworden, en zyn defe vaten tot de cynden toe met een rood waflige ftofFe vervult. N°. LXXIX. Een vlesjc zonder vogt, in zich een moot van de Mannely- ke roede onthoudende. Merk aan. ten ecrften : de bcreyding daar van is zodanig. Ik hadde het cellu- leufe vlies, gelegen onder de huydt (’t welk een vervolg van ’t {JMembrana ‘Dartos'] vlezige vlies is) maar niet de zenuwagtige fpongieufe lichamen, met wint opgeblazen, en aldus hebbe ik de roede gedroogt: de gedroogde roede, verdeelde ik in moten, waar van ik ’er nu alhier een vertonen. 2 Defe moot wort geheel en al celluleus bevonden, fchoon ’er geen ver in de roede is > en deze cellulofiteyt (als ik zo fpreken mag) kan men het de gehecle lichaam door onder de huydt vinden: Dog byna overal, uytgenome de roede, zVn de gemelde celletjes met vet bezet, waar door ze ons onzichtbaar voorko- men ,en worden gezegt [ Membrana Adij>ofa\ het vetvlies, ofte her \*Pingue~ dd\ vet onder de huydt gelegen. 3 . De Ontleders fpreken wel met F Malpighiusjm de openbare ontledinge en vertoningen van vetcelletjes, maar ze vertonen dezelve niet: OndertulTchen hebben de nieuwsgierige leerlinge geen gelegentheydt om die celletjes te zien, maar door deze beryding kunnenze gemakkdyk vertoont worden, ja zelfs alle de celletjes onder de huydt gelegen, zo ze maar ontlaft, en met wint opgevult worden (zyn over ai lichtelyk te vertonen. N°. LXXX. Een viesje met vogt in zich onthoudende een gefwellekc, ’t welk men na zyne gelykeniiïe Polypus heet, het is in mynbyzyn vaneen Chirurgyn uyt de neus van een menfeh uyfgetrocken. Van FREDERIK RUYSCH. Aanmerkt; Dat op de grond van ’t glaasSje gevonden werd een ftukskc kraakbeen, ’t welk in ’t uyttrecken gevrolgt is * beter was t geweeft, indien alleen een gedeelte van ’t binnenfte bekleetzel van ’t kraakbeen ge- volge was. M°. LXXXI. Een viesje met vogt, waar in zeer klaar konnen gezien werden het Opper-velleke van een menfeh, en het Netwyfe lighaam door Malpighius eerft ontdekt. Aanmerkt: Dat het Opper-velleke fig van buyten wit opdoet , maar het Netwyfe lighaam van binnen ligt geel. No. LXXXII. De regter dye en ’c voetje van ’t felve kmd, waar van gewag gemaakt is. De celluleufe preparatie is defelve met de voorgaende. In dit Cabinet werden nog verfcheyde Ceder-houte laaden gevonden , waar in deje navolgende zaaken te zien zyn. DE EERSTE LAADE onthout in fig. N°. I. Des Milts Slagader uyt een Kalf met een rood-waflige ft ofte gevult en gedroogt * deflelfs uyteynden zyn byna ontelbaar en met groo- ts vlyt in de toebereydinge geconferveert. N°. 11. Een ftuk van de Colykdarm uyt een Kind * dezelve is met een rood-waflige ftofFe opgevult. Aanmerkt ten eerften : Dat deflelfs dicke Darm-fcheyl of j MeJdcolon\ met deflelfs opgevuldc Slagaderkcns, behendig geconferveert zyn. Ten tweeden: Op wat wyfe de onderfte Scheyl-flag-adercn tacken ver- kenen aen de Colyk-darm, fulkx kan men hier klaar zien. N°. Een groot ftuk van de Oolyk- darm uyt een Jonge, meteen gedeelte van de Bogtige-darm , de geheele Blinde-darm , en deflelfs Worm- wyfe aanhangzel. Aanmerkt ten eerften: Hoedanig de klap-vliefen van de blinden, of fo men liever wil van den Colyk-darm, geftelt zyn, als mede op wat wyze de bloetvaten door deze gezeyde Klapvliezen haar verfpreyden, fulks kanmen hier klaar zien, in defe opgeblaafe en gedroogden darm. Ten tweeden: Het gebruyk van deze Klapvliezen is veel beter te vat- ten uyt een opgeblafe en gedroogde darm, als wel in een verfle. Ten derden: de Cellekcns van de Colykdarm zyn foo duydelyk niet in kinderen, als wel in een bejaarde. 3Sf°» IV. Een groot ftuk van de Colykdarm met deffelfs geno- 111. ANATOMISCH CABINET men uyt een kind , welkers bloetvaten mee een rood-wadlge doffe opge- valt zyn. Aanmerkt: Dat de blinde darm allengskens, vernauwt en ten laatflein het Wormvvyfe uytfteekzel komt te veranderen, kanmen hier zeer fraay zien. NV- Een mes met een Vork, welkers handvatzels gemaakt zyn uyt het fcheenbeen van een menfeh waar in geen holte wierd gevonden, die men anders altoos daar in vind, wanneer het been gefont en wel gefteltis,fulkx is my maar eenmaal voorgekomen. Uyt dit Elfde fcheenbeen zyn ookroe- bereyc de haridvarfels van dat Mes en Vork, dewelke m ’t tweedeCabinec gevonden worden. Aanmerkc ten eerden, Dat in plaats van Haye vel, derzclver koker ge- maakt is van leer uyt een kinds vel toebereyt, ’t welk wegens de opge- vulde bloctvaatjens zeer roodc is. Ten tweeden; toen ik het vel van ’t kind tot Leerhereyde, zoo heb ik het zelve zeer omzigtig moeten hanteren, op dat de opgevulde bloetvaat- jens de rood-wadlge doffe mogte behouden. IN DE TWEEDE LAADE werden onthouden. N°. I. Het hovende van het Her (Ten-pan netje van een kindt, wiens Fontanel vlies ongcfchonden is. Aanmerkt: Dat in dit voorwerp, de Opper hoofds beenderen niet ver van den andere daan. No. 11. Het hovende van het Herffen-panneke, in ’t welke deOpper- hoofds beenderen de wyte van een fchryfpen van malkanderen daan te ga- pen , ’c welk hier ook plaats heeft in de twee Voorhoofdsbeenderkens, de- welke immers foo ver van der gemelde Opperhoofds-beenderkensafftaan 5 en deze afdand kanmen beter zien in de gedroogde, als wel in verfche Hcrflenpan- nen 3 maar zeer bezwaarlyk is het, deze afdant te bewaren in Hoofrjens van fcer jonge kinderkens. Dat deze afdand voordelig is aan de haring, daar aan is niet te twyfelen. N°. UI Het opperde deel van ’t Herflen-panneke van een jonggeboo* re kindje, waar in de gefeyde beenderkens niet ver van den andere daan. N°. IV. -—-, waar in defe beenderkens van den andere daan, ter breetc van een dunne fchryfpen. Aanmerkt: Dat in dele en andere het Fontanel vliesjefonder rimpelscn uytgcftrekt ftaat, gelyk als in een levendig kind. ■N0* V. . waar in de gefeyde beenderen digt by een ftaan. Aanmerkt ten eerften: Dat in dit voorwerp het Fontanel vliesje byfon- Vam FREDERIK RUYSCH der kleen is, waar door men feer veel blcetvaarjens ziet pafteeren. Ten tweeden: Dat het pannevlies root is , wegens de opgevulde Slag- aderkens. N°. VI. •"——waar in het Panne-vlieske, om die felve oorfaak zig root komt te vertoonen. No. VII. ——in dit voorwerp is het harde Herftenvlies gebleven, aan het voorwerp vaft zittende. Aanmerkt; Dat de Zeyfen-wyfe groef met lugt vervult zynde, heel per- feéb ons hier voorkomt, met deffelfs opgevalde bloet-vaatjens. No. VUL —— dit voorwerp is nog met het natuurlyke vel bedekt, wiens Slag-aderen met een waffige ftoffe opgevult zyn, op dat men de Cours en ’t getal der felve zoude konne zien. No. IX. Het opperfte gedeelte van ’c vel van ’c Hoofdje vaneenklcen Kindje. Aanmerkt: ten eerden dat de Slag-aders met een rood-waffige ftoffe opgevult zyn , dewelke zoo veel in getal zyn, dat ’c geheele vel daar van zeer root is geworden. Ten tweeden ; Het vel heeft zyn natuurlyke verwulfrs wyze forme gehouden. N°. X. in dit voorwerp is het vel met veel vet befet, en zyn de Slag-aderen mede opgevult. N°. XI. Een zeer rood vcrwulfrswys vel van ’t hoofd van een Kind, met hayr befet, welkers voorfte gedeelte ver uytfteekt. N°- XII. Nog een ander ’t welk ook zeer hayr-ryk is. De reft van de laadcn zyn vervult met allerhande zeer witte beenderen 5 infonderheyd van kinderen. Uytlegging der figuren. Dc Uytlegging van de eerfte en twede plaat is hier voren gedaan. Uytlegginge van de DERDE PLAAT, •De eerfte F I G U U R, Ver beeld de Roede en V zakje van een jonghske. A. Het inwendige deel van de Roede. G ggg 3 lIL ANATOMISCH CABINET B. Het water canaaltje lopendey onnatuurlyker wyfe, langs den rug van de Roede. C. C. He 2 groote fponcieufe, of zenuagtige fponcieufe ligchamen. D. D. He "/pieren, dewelke de roede perjjen, van haar begin afgefneden. E. Het kleine fponcieufe, of zenuagtige fponcieufe ligchaamy ’t welk on- nat uurlyk om het bovenfe van de water-canaal loopt. F. Het tuffenfiheytfel van de roede. G Een gedeelte der fagaderen langs de rug van de roede lopende. H. Het fiks ken, I. Het gedeelte van de roede , }t welk buyten het ligch aam,afhangt. K. Het vet 5 waar van bet bovenfe van V fikjen rykelyk voorfien is, He tweede FIGUUR, Verheelt het oppervelleken van de hand, van een jongs ken, fonder quet- fnge geheel en al afgefcheyden van V ondergelege netwyfe lighaam, en Vet , verbeeldende een wit handfchoentjen. A. Hen rug van V Oppervelleken, B. Een klein gedeelte van de verdubbeling van ’t oppervelleke, ’t welk hier afgefcheyden is, op den rug. C. C.C.C. He nageltjens, dewelke hier, ’t Oppervelleken noch vaft zitten > *&/£ zyn in ’t affcheyden van ’t Oppervelleken alleen van V w/, en niet van V Oppervelleken afgeweken. He derde F IGUUR, Vertoont ons een bundel hayr, V welk in eengefwel (Atheroma geheten) gevonden is > en dat in ’t net van een waterfugtige Vrouw. He vierde FIGUUR, Wyfl ons aan een hoender Ey ft welk van een ordinaire harde en wit- te Jchorjfe is omvangen; ’t felve verheelt Zeer aardig de blinden darm , en dejfelfs wormwyfe aanhangfel. In de vyfde FIGUUR Werd afgeheelt een kleyn hoender eytje, 't welk gevonden is in een groot hoender ey. JJcS ;J. JÓB, J. C .ajf. , J~cufyif[ü, ZWèerd. Jsif. 8$ van FREDERIK RUYSCH. zesde FIGUUR, TVyfi ons aan een hoender ey, verbeeldende de roede en fakjen van een jongen, waar aan ook zelfs het voorhuytjen nieten fchynt te ontbreken. Uytleggingc van de VIERDE PLAAT. eerfte FIGUUR, VErtoont het aangejïgt van een kleyn kint, het voorhoo ft wee geuo- men zynde. A. Een hoop van fag-aderen, bedekkende de wonde, die ik te wege bragt in ’t wegnemen van ’t voorhooft, om alfoo alle af keer weg te nemen in ’t beften van dit voorwerp: ‘Deze fag-aderen zyn dezelve, die door de herjfene verfpreyd en van my opgevalt waren, met een roodwajjige ftoffe. B. f 3 e voorlippen , van haar dekzel of bekleetfel ontdaan, om al zoo de Zenuw-tepeltjens, waar uyt de voorlippen haar bef aan hebben, te kun ■ nen zien. r r tweede FIGUUR, Betekent een menfche JSlier, zoo als ons die vati buyten voorkomt. A. T>ejfelfs oppervlakte, waar door ontallyke bloetvaten verfpreyt zyn, in de gedaante van wormtjens. B. T)e afgefnede Nier fa^-ader. C. T>e afgefnede Nier-ader. D. Een gedeelte van des Nters hekken, buyten de Nier uytpuylende, en van veele fag-aderen voorjïen. e vierde FIGUUR, Vertoont een dun draatje van een zenuw e, V welke in ontelbare zeer fyne draatjens verdeelt is, dewelke zoo fyn zyn als rag. 'De vyfde FIGUUR, Een gedeelte van de Neus, na de lengte opgefneden ,en dat van een kint A. Een gedeelte van yt voorhooftsbeen. B. T)e hanekam, die, wegens de jonkte, feenemaal kraakbeenig is. C. Een deel van de Neus. D. D. Borfteltjens, die ge ft o ken zyn in de Canaaltjens van de Neus. E. Een van de gezeyde Neus Canaaltjens. F. Bloetvaatjens door het dikke bekleetfel van des Neus tttjfchenfcheytfel verfpreyd, en zyn deze voornamelyk 3lag-ader ken s. G. Schuynjfe groeven. H. Een der fnytanden. I. Hetimmediate bekleet fel van't kraakbeenig Ve zesde FIGUUR Vertoont een Hiertefel 3 dewelke getakt en uyt 5 Tepeltjens te lawen *s ge fielt. E Y N D E. 7ïC£S : 3 , 'J4-/, £ , 'Mf tj ertrr, Ztyèer’d. Bé> act Jsiuu/nJ 200 ftaat ons tc letten, dat in ’t geitel van de Milt der menfcaen, (net welk t’eenemaal van vaten is toebereyt) der zelver vaten uyteynden veel tayer zyn, als in de viervoetige dieren; zoo dat haare fap- pige uyteynden niet zoo fagt zynde, geenfints in Ampel waterkonnen wer- dcngediiïolveert, gclyk we[ in zommige dieren. 9 ,° zoekt men hier te vergeefs dat dradig geweef, ’t welk ia een Js.alts Milt tc zien is, en ’t zelve moet men ook oordeeleo van de gepreten- deerde en gexmagineerde ccllekens, die niet te vinden zyn in de Mik van een menlek over na het antwoord, ’t welk ik gegeven heb op de vierde roorgefteldeßrief. Hhhh 2 No.VIII. IV. ANATOMISCH CABINET N°. VIII. De bal van een Menfch in tween verdeelt, met de aanklevende opgevulde zaadtvaten, als mede het Scheevlies. Merk aan. ten ecrfte3 hoe talryk de flagadertjes door de bal en de fcheevlies verfpreydt zyn, kan men hier zien. 2. Dc zaadtvaten door de ballen lopende, verfpreyden haar met hare llronk- jes door de tuffchenplaatzen der zaadtvaatjes, en delen haare takjes mede zyde- lings aan de zaadtvaatjes, met de welke zy (na myn gedagten) vereenigt wor- den ,;a ik vermeyne, dat de laafle uytendens der flagadertjes ontaarden, of ver- anderen in de gemelde zaadtvaatjes. 3. In ’t midden van den bal kan men verfcheyde gapende montjes zien,die ik aanmerke als poorten, waar door het zaadt, in de ballen uy tgewerkt zynde tot de byftanders ge voert wort. NIX. De teeldelen van een Mcysje, in een vogt bewaart. Merk aan♦ ten eerfte. De fchede is volgens de lengte geopent, op dat het binnenfle klaar blyke* 2. De bovenfte doorn vertoont, ja vervult den uytgang van den pis weg. 3. Dc kittelaar en Nymphen komen boven den gemelden uytgang te voorfchyn. 3. De onderfle doorn is gedoken in de mondt des baarmoeders uyt wel- kers oppervlakte ontelbare zenuwtepeltjes uytpuylen 3 waar door dit deel zeer gevoelig is. 5-. Dc gemelde tepeltjes zyn niet minder in getal verfpreydt door de rim- pels van de fchede. Van onderen kan men de baarmoeder zelfs, en’t glas omgedraayc zynde, de waterblaas zien. 6. Ter zyde van onderen komen ook de eyerneften, die zeer kleyn zyn, te voorfchyn, als mede de eyerwegen met haar lofwerk. No. X. De Longe-pyp van een Schaap met een Rood-wallage doffe op- gevalt, hangende in een vies met vogt, waar ontrent te confidereeren daat, hoe byzonder curieus de uyteynden gezien konnen werden, als men’t voor* werp in een vogt komt te leggen. No. XI. Een vies met vogt, in zigh onthoudende de Poort-ader des Levers, uyt een Kalf, zoo curieus opgevalt, dat deflelfsuytterdeuyteyn- den niet ydel zyn gebleven, en hier ook nog te zien zyn. Aanmerke ten eeiden. Dat op zommige plaatzen de Sappige uyteynden van deze Poort-ader gefcheyden, en op andere plaatzen gebleven zyn. Ten tweeden, De tackjens van de poortader zyn zoo menigvuldig, en zoo dun aan haare uyteynden, dat niemand zulkx zoude konnen gcloo- yen, indien hy dit niet had gezien, aangezien geen van de zelve weg ge- raakt zyn in de behandeling. Ten derden, Hoe veel de Figuuren, die de Autheuren in haare fchrif- Van FREDERIK RUYSCH. ten afgcbeeld hebben, verfchillcn van de waare gefchapentheyd, fuikxkan men hier nu zien. N°. XII. Een Armtje van een kind, levendig van couleur, hangende in een vogt, in wiens handje gehouden werd een Tefticul, zoodanig ont- wonden , dat het komt te verbeelden een bundel verwart gaare. N°. Xlll. Het Hoofdje van een kleen kind , in een vies met vogt ge- conlcrveert, wiens opperde gedeelte van de HerlTen-panne weggenomen is, ook zyn’erde Herffeneuytgenomen, maar alle de Slag-aderen^dewelke door de herffene, en door het dunne herffen-vlies lopen, zyn hier in de hol- te des hoofds gebleven. Aanmerkt ten eerden. Dat het Aangedchte zeer fchoon , weibefneden, en levendig van couleur is. T. en tweeden. Niemand zal zonder verwondering konnen aanschou- wen, hoe byzonder veel en fyn, de gezeyde Slag-aderen, met een rood- wadlge doffe tot het uyterde toe opgcvult, haar in die deden onthouden. Ten derden, de uyterde uyteynden der gezeyde Slag-aderen, zyn niet alleen zoo fyn als hayr des hoofds, maar zelfs als dons, welkedonfigheyd ook fekerlyk hol en continueel is met dc Slag-aderen, nadienfe hier zelfs rood en opgevulc is. N°. XIV Een vlesjc met vogt,en daar in een duk van den bogrige darm van een menlch, levendig van couleur, waar in zeer duydelyk te zien is, een mlchieting van ’t gedarmte, dat is, bet eene gedeelte van de darm is opgetrocken en gefchoren m’t volgende gedeelte van ’t gedarmte waar door die darm t eenemaal op die plaatfe is verdopt geworden, en werd die t onregt een kringel ot draying van ’t Gedarmtegeheeren , maar beter is ae benaming van ontfermt u mynder; aangezien de menfehen m deze quale vervallende, met een onlydelyke pyne aangeraft werden, ja in gevaar des levens geraaken: egter zoo ifler geen exempel van, dat ’t eelden in haare boeken met handen en voeten , vingers en toonen , leg- gende in zoodanig een poftuur als of ze drie a vier Maanden outwaaren, daar fy in tegendeel in die tyd na de lengte uytgeftrekt zyn , en haar nog niet krommen. O dwaasheyd en ftoutheyd 3 waar door de Studenten qua- lyk onderwefen , ja bedrogen werden ! Menigmaal werd my gevraagt , waarom ik met zoo veel onkoften en moeiten zoo veel kamers met zaaken heb toegefteld , waar op ik haar tot antwoord geeve, zulks gedaan te hebben, op dat niemand zoude denken , veel min zeggen , dat myn uytgegeve figuuren qualyk en niet na de voor- werpen zelis zyn gemaakt, want nu iemand hier over in twyffel zynde , werd hem niet geweygert , te komen zien , of het overeenkomftig is met de zaake zelfs of niet : En indien alle Ontleeders zo gedaan hadden , of gedwongen waren geweeh zo te doen, alsdan zoude fy ons zo veel verkeer- de figuuren niet opgedrongen , nog ook uyt andere autheuren genomen hebben. N°. LV. Een onvoldraage Sc haaps hoofdje zonder oiont, gefneden nyt de Lyfmoeder van een Schaap. Aantnerkt ten eerften, Dat de oogen niet ftaan op haare gewoone plaat- ze 5 en het gantfche Hoofd qualyk geformeert is, zonder het minftebewys vaneen mont, dog depcoten, en’t verdere waren welgefteld : Zo datze geabuzeert zyn , die oordelen dat de vrugt door de Navelftreng niet gevoed werd, ’t welk zeer klaar blykt onwaar re zyn , maar of het ook. maar alleen door de flreng gefchiet, dan of die vogt in’t vlies Amnios be- floeren , zulks ook magtig is te doen dit is nog niet al te wel bekent, dog hier van breeder in’c toekomende. No, LVL Een zydelyk gedeelte van de Bord van een jong gebooren kindje, wiens uytwendighe tuffehen-ribbige Slag-aders, onlangs van tny uyt- gevonden, gezien werden, alsmede de takjens die daar uyt voortkoomen , dewelke regt en ook fchuyns nederwaarts loopen door het beene vlies van de Ribbcns ; maar de takjens, dewelke door de tufichen-ribbige Spieren loopen, nemen een en dezelve loop met de draden der gcièide Spieren. 614 IV. A N A T O M IS C H CABINET N°. LVII. Een droog viesje, waar in ’t Os AEthmoides in zyn geheel bewaart werd. N°. LVIIL Een gedeelte van’t dunne Herffen-vlies, wiens Slag-ader- kens vervult zyn. Hier daat aan te merken dat naulyks iets moeijelyker is te doen, dan dit gefeyde vliesje van de fchorfige fubftantie van de Herffenen gefcheyden zynde, uyt te fpreyden en zoo te drogen, gelyk men ziet hier van myge* daan te zyn. ■ % De VIERDE PLANK. N°. LIX. en viesje met vogt, waar in te zien is, een uytgerafckie of i f ontdane Tedicul. Hier blykt het klaar, dat deffelfs welen niet anders is, als een bundelke van witte vaatjens. No. LX. Een geëxcarneert Levertje , (zo men zulks t’onregt noemt) van een kleen Kalfje. Aanmerkt ten eerden, Dat ik van dit Levertje niets heb weggedaan als alleen het vliesje, dat de Lever omvangt : nogtans komen ons alle de vaten , die de felfs-dandigheyd van de Lever uitmaken hier in ’t gezigte, en zyn dezelve met een Geel-wafilge doffe opgevalt. Ziet hier over na de befchryving van her tweede Cabinet. Ten tweeden, komt ons hier ook in’t gefigte de Du£his Venofus of Aderige Canaal, mede opgevalt zynde. N°. LXL Een vlcsje met vogt, waar in bewaard werd een ftuk van’t vlies Chorion , en dat uyt een bevrugt Varken , ’t zelve vliesje is aan de buytende zyde ruygagtig , gelyk het ruyge of Fluweel vlies van ons ge- darmte. H ier daat te noteeren, dat derzelve holle lighaamtjes of buskens (aceta- hula) weynig door het gefeyde vlies verfpreyt, ook niet grooter zyn als fpeldehooiden. N°. LXII. De teeldelen van een Meysje, waar in de Lippen, Nytxi- phen. Kittelaar, het hoofdje van de kittelaar, het Maagdevlies endepis- weg gezien kunne werden, welke zaken alle haar natuurlyke couleur be- houden hebben. N°. LXIII. Een viesje met vogt, waarin te zien is een gedeelte van de ï^ugge-graat van een jong geboore kindje , ’t welk na de lengte is opge- ipouvven, op dat men het inwendige gedel zien koude. Aanmerkt ten eerden. Dat de hghaamen der Wervel-beenderenrood zyn Van FREDE 11 I K R ü Y S C H. geworden van de aangebragte Rood-waflige dode, waar mede de Slag-ade- ren van de Rugge-graat vervult wierden. Ten tweeden , Kan men hier zien confiderable holligheden (die ik van niemand tot nog toe heb zien vertoonen nog afbeelden) deze zitten tuflchen de tuiTchen-fcheytfclcn der lighaamen van de wervelbeenderen in, en zyn ook in levendige , en vcrfch geftorvcne lichamen met een lynaigc en heldere vogc vervult r gelyk als in de andere jun£hiuren te zien is. Ten derden , De Lighaamen der Wervel-beenderen , zyn niet alleen voorzien van de uytwendige en genoeg bekende banden, maar hebben nog daarenboven zeer korte en inwendige banden, dewelke onderling zeerdigt by een ftaan •> en zeer veele in getal zyn : Defe na de ronte lopende zya geen Srroo-halm lang, en indien mende Wervel-beenderen in haare junctu- ren overdwars doorfnyt en van malkandcren fepareert, zo is ’t dat defe ban- den (die ik de inwendige banden noeme) ons voorkomen , als ajuyn over dwers doorgefneden, en dat fchub-wys. Ten vierden , Kan men in dit vlesje mede zien een wervelbeen van dc Lendenen van’t zelve kindje, aan een hayrtje hangende, waar indegezey- de banden te zien zyn. N°. LX IV. Een onvoldrage meyske van ontrent fes maanden dragts, wit van couleur, en veele Jaaren by my in een vogt zodanig bewaart zyn- de, dat het niet als de ziel fchynt verlooren te hebben. Dit heerc een poftuur van een flapend kindje. Met dit opfchrift : NOCH LEVEN NOCH DOOD /. Y N HIER NA GEBLEVEN, N°. LXV. Een vlcsje met vogt, waar in bewaard werd een Tefticul, .Aanmerkt ten eerden, Dat het witte en eyge Vlies hier niet is afgedaan. 'lentweeaen 3 Dat de Zaad-flag-ader wederzyds in twee takken zig komt re verdeden3 waar van de eene na de Tefticul , d’andere na de by- ftaander gaat. Ten derden 3 Dat deze Slag-aders niet zo ftangs of klauwiertjens*wyfc komen te lopen, of gedraayt te werden y gélyk in de honden. Ten vierden j Dat het uytfchietend vat3 door zyn witte couleur ligt tc onderfcheyden is van de bloctvaten, die met een Roodwaftige ftoffe opge- valt zyn. Ten vyfden, Dat het Scheevlies van ter zyde opgefneden is3 om de ge* feyde vaten te konnen den. N!). LX VI. Een viesje niet vogt, en daar in een gediftblveerde Tefticul. N°. LX VIL De Endeldarm *van een kind met deffelfs fondament 3 ’t IV. ANATOMISCH CABI N E T zelve is zodanig orngekeert, dat het binnenfte hier is geworden het buitenftc. In dit objeft ontmoeten ons ontelbaar veel alzo genoemde kliertjens, die haar opdoen als kleéne kuyltjens, ook ziet men hier aan ’t fondament zeer vcele niet doorgaande hollckens. N°. LXVIIL Het geraamte van een Mol, ’t welk zeer net en fchoon voorkomt met een poft uur , als wilde het op een gevulde Slag-ader op- kon y pen. • N LXIX. Een ftukje van de onderfte kaak van een menfeh, waar is te zien is, dat tuflehen het kneukel-wyfe uytftcek , en de plaats daar het zig inzet, een hart vlies tuflehen beyden komt, mogelyk om geen geluyd te geven, als men in ’c kauwen van dc ipys is, ’t geen het gehoor hinder- lyk zoude geweeft zyn. Aanmerkt, dat dit voorwerp in een vogt aan een hayrtje hangt, ’t welk vaft gehegt is aan’t gefeyde vlieske, ’t weikzodikis, dat het byna Kraak- beenig bevonden werd te zyn. Nu. LXX. Een omgekeerde blaas van een Koe. Aanmerkt ten eerften, Dat het binnenfte vlies zeer verdikt is, en op ver- fcheidc plaatfèn verfteenigt, en met'vcrheventheden bezet geworden, wel- ke verheventheden in fleert verandert zynde, met xr tyd zyn afgevallen in de holte van de Blaas , gclyk deze te zien zyn in ’c bovengemelde viesje, getekent N** LI. Ten tweeden , Hoewel dit voorwerp van my is gevonden in een Koe, zo is ’er egter niet aan tc twyfclen , of zulk een ongeyal komt ook zom- tyds den meafchc over, waar door mogelyk de Stecnfnyders fomtyts geabu- feert fyn geworden , wanneer fy haar conduftor gebragt hebbende in de Blaas, gezegt hebben de iyder een fteen in de blaas tc hebben, en de fnee gemaakt zynde, geen fteen hebben konnen krygen. N°. LX XL Een curieus geraamte van een Kat, in wiens Blaas ik een fteentje ontdekt heb. Aanmerkt , Dat dit object in zyn muyl een ftuk van een menfche darm heeft, verbcelende het zelve op tc cetcn, welk ftuk des darras kon ftigop- gcvult is met een roodwafügcftoffe. Dit heb ik hem in de muyl gegeven, om dat deze Rat zig niet ontzien hadde menfche vlecfch te ceten : Want als ik over eenige Jarcn Anatomifchc in ft ruft ie gaf, hadde ik de Spieren van den arm gcpreparccrc, om den volgende dag tc vertoonen, en als ik het kleed van ’c lighaam dede wegnemen , om de Spieren te vertoonen, zo had deze Rat niet alleen defe geprepareerde Spieren Verfcheurt en opge- geten , maar ook zelfs een groot ftuk van de wang gebeten, pit ziende , gaf ik laft om defe dief, was *t mogelyk, op te vangen, ’t welk Van FREDERIK RUYSCH ’t welk ons ook wel gelukte , en alzo kreeg ik gelegentheyd om hem ook publyk te openen , en dat op het lighaam, ’t welk hy zo ielyk mishandelt haddc, en vond in deflelfs Blaas een kleen (teentje, het welk hier in ’t zelve glas, daar zyn geraamte in bewaart werd, aan een hayrtje ophangt. N°. LXXII. Een van de napjens of buskens , ( Acetabulum feu centula) van de nageboorte van een Koe, met eenßood-waftigedoftever- vult, en dat tot de uyterfte fappige uyteynden toe, waar omtrent te conft- dereeren ftaat. Ten eerden , Dat in defe lighamen gants geen klieren te vinden zyn, nog ook iets , dat na klieren gelykt. Ten tweeden , Dat der zelve befhan alleen is uyt loutere bloedvaten, welkers uyteynden haar by na laten aanzien, als ofze trekpenceeleowaren, met dat onderfcheit nogtans, dat de waare trek-penceelen haar bedaan heb- ben uyt ontelbaare kleene hayrtjens, deze in tegendeel uyt een fingulieren enkelt takje, ’t welk zeer rameus is, of op zy de veele zeer kleene takjens van zig geeft. N°. LXXIIL Een vies met vogt, en daar in een kleen ontvleed Le- vertje , zo men gewoon is te fpreeken, waar nevens gelegen zyn twee (luk- ken van ’t vlies van de Lever van een bedaagt menfeh, dewelke zo dik zyn als een pink; dit vertrouw ik veroorzaakt te zyn door een Voorgaande ont- dek inge. * N - LXXIV. Een viesje , waar in te zien is , een duk van de Endel- darm van een Jongeling: hier in ziet men, dat het vleflgevliesgefcheyden is van't Zenuwagtige vlies. Aanmerkt ten eerden, Dat’er zeer weinige Slag-aderen door het vlefige vlies 'oopen , maar duyzende door het Zenuw-agtige vlies , hier van heb ik voorheen breder gefproken. Ten tweeden, Kan men hier bequaamelyk zien, dat de alzo genoem- de darms-kliertjens niet anders zyn als bundelkens der uyteynden van bloer- vaten, en olykt zulks veel klaarder als het ligt van de kaars tot hulp ge- nomen , en t zelve agter het fubject gehouden word. Ten derden , Komt ons hier het Zenuw-agtig vlies van voren in t gezigt, ’t welk ongefchonden is, en vervult van alzo genoemde kliertjes, welke hol, en in t midden als met een kuiltje uitgeholt zyn. N°* LXX V. Het geraamte van een zeer kleen Papegaytje van Guinea, ’t welk men Peroquitje noemt. N°. LXXVI. Een duk van de nugtere darm van een menfeh, ’t welk in vogt gelegt is. Aanmerkt ten eerften, Dat het vleehge vlies van ’t Zenuw-agtige afge- IV. ANATOMISCH CABINET nomen, nederwaarts hangt, en aan de grond van de vies raakt. Ten tweeden , Zo is ook het ruyge-vlics ten deele afgefcheyden van 5t Zenuw-agtige, en hangt alzo ook nederwaarts: Dit aldusgefcheydenzyn- de, zo zyn alleen maar de voetftappen of bewyzcn van de Jatwyfe verhe- venthedcn, die men Oogiuykende klap-vliefen noemt , gebleven. Ziet hier verders op na myn antwoord op de elfde voorgemelde Brief. De V Y F D E PLAN K. N°. LXXVII* lp en droog glas, waar in te zien is een Steen, dewel- i!ikc uyt de blaas komende, geenzints de hardigheyd van een Steen had , maar fagt, en Bym-Beenig was, maar nu gedroogt zynde, heeft dezelve een Steen-hardigheyd aangenomen. N°. LXXVIII. Een Bakje van de fchorfige zelfflandigheyd van de Herffenen van een menfeh, in wiens onderfie gedeelte klaar re zien is, dat de fchorfige fubfiantie niet anders is, als alleenuyteynden der bleet-vaatjens. Aanmerkt ten eerften. Dat fulks boven aan zo wel niet kan gezien wer- den, om dat daar ter plaatze de bleet-vaarjens , zoo wel uier vervult zyn geworden: Ja het is ray tot nog roe onmogeiyk geweeft dc geheele fchor- fige fabfiaatie der herflenen zo te vervullen, dat ’er niet hier of daar cenig: P' J O deel onaangeraakt zoude blyven. In ’t midden van dit voorwerp is ook een gedeelte van de Merg-agtige fubfiantie aan blyven zitten, en is het zelve wit van couleur, de fchorfige fubftantie in tegendeel ligt rood. N°. LX XIX. Een omgekeerde Endel-darm van een Jongen, waar door de binnen Be oppervlakte nu is gewordende buytenße. Hier in kan men zien een i- ge latwyfe uytfieekfels, dewelke zelden in de regten darm gevonden werden in kinderen, c?n ioopen deze niet alleen over dwcrfch, maar ook na de lengte van die darm., ’t welk zeer gemeen is, in ’t dunne gedarmte van kalveren. Ook kan men hier zien, de alzo genoemde Darms-klieren, als mede duy- zende van kleene Sweet-gaatjens , zo digt by een Baande , dat men geen naaide tußchen dezelve zoude konnen Beeken. N°. LXXX. Een droog vlesje, waar in te zien is een oprechte {Hernia gutturis) of Strots-breuke, co dat uyt een End vogel. ISK LXXXi. Een droog vlesje , waar in bewaard werd een gedeelte van\ harde Helften-vlies-, wiens Slag-aderen tot het uytcrße toe opgevalt zyn , ’t welk men bcß zien kan , als men het voorwerp tegens de kaars komt aan te zien. s o ■ Deze manier van vullen was my eertyds zoo moeijelyk , dat ik naulyks eenigc manier of wyze heb weten uyt te vinden, waar door men zulks moeß doen} ran FREDERIK RÜYSCH. 6is doen, want de uyterfte uyteyndcn zyn als dons en nogtans vervult. LXXXII. De Voet van een kleen kind , leggende in een vogt, vcele va’n deflelfs peezen zyn gcfepareert, en ontbloot , en wel voor eerft die van de ipander of uytfteker des groote toons, dewelke tot de 3 leeden des toons loopen ,om alzoo de groote toon regt uyt te fteken ,ofop te halen. len tweeden , Ziet men hier ook de peefe van de Afleyder des voecs, dewelke onder de buytenfte Enkel door een flcuf loopt, die tot dien eynde aldaar gevonden werd, en verders van de dwerfle band omvangen zyoae 9 looptze fchuyns onder de bal des voets , en plant hem in dat centje yan de voorvoet, ’t welk aan de groote toon vaft zit. len derden , Ontmoeten ons hier ook de vier witte peezen des uit- teiiie dei toonen, t zamengevoegt zynde door een vlies, ’t welk hier zeer bequaam gezien kan werden , waar door ook zeer veele ongevulde Slag- aderkens paffeeren. Op dat dit alles op zyn plaats zoude Elyven, wer- den deze zaaken niet alleen door de dwerfle band by een gehouden / maar ook nog door een byzondere band , gelyk zulks te zien is even voor de rand van ’t afgefnede vel. ontbkot^CrC*Cn 3 eCS CS bP*crs -j de voet aanleyd ,is hier ook ?an mcn bier 00h zien de t’famenkomftc of vereeninge der 1 'Ten fCr!/ Nelbeen, alwaar zy mede ontbloot zyn. werden de oeefrJH?ncmen bier. °°k zien de kooker , waar in verborgen N° LXXXIII CUC V°et huy%en> cn °°k uycwaarts trekken. JNO LAAAIü. Een vies met vogt, waar in-te zien zyn drie Fallopi- aanfe Spier uyt een lighaam, ’t welk ik voorheen noic geobferveert heb zomtyds gebeurt het wel, dat men’er maar een vind, ook is’t 20 heel raar niÊ!lfTxXXi\rdv ombreken>maardrieheb^’crmaareensgevonden. dWvaneenDaard^en vle^met twf Nieren van een Jongen, waarvan Aonmerkr s- kaayrtje afhangende, de by-nier nog op zich heeft zitten. j ti’ ade °y-nier °P Nier zit, even afeens als het fchaaltie op Q ■")' * e tweede Nier is doorgefneden ,en legt op de grond van &e vies , waar ln men zien kan de Nier-tepeltjens, die haar natuurlyke couleur weder gekregen hebben, een derfelve werd door een doorntje aan- gewezen. len ftuk van een Lind ofbreede worm , dewelke na rlte voi Icdekens is, cn dat uyt een menfeh. - Een Ai* vaneen Lind- of breede-worm uyt een menfeh, houden “ d Bed««c heeft • 200 dat het v°°r een andere foort “ IV* anatomisch cabinet No* LXXXVII. Een Levertje van een Jong geboore kindje, ’t welk in vogt bewaart werd, ’t zelve is zo vah van vange fubhantie, dat men het niet heeft konnen ontdoen, of excarneeren, zoo men gewoon is te zeg- gen. In ’t zelve kan men aanmerken, dat de Slag-ader van de Gal-blaas zeer veel takxkens aan de Lever mededeelt > en deze uyt de grond van de Gal-blaas komende wierden eertyds aangezien voor worteltjes van deGalblaas, waar door men waande de Gal te konnen afvloejen tot in de grond van de Gal- blaas:datter egter fomtyds zodanige wortckjens in de hals enGal-canaal zyn ge- vonden , is my genoeg bekent, maar niet uyt de grond herkomende. N°. LXXXVIIL Een vies met vogt, waar in te zien is de Tepel van een vrouwe Borh, uyt wiens oppervlakte verfcheyde Veltepeltjens tiythe- ken, dewelke van haar uytwendig bekleetzel ontbloot zynde fwaarepynen veroorfaaken. Ziet verders hier op na de befchryving van ’t I. Cabinet, waar ook de hguuren afgebeelt haan. N°. LXXXIX. De inwendige mond van de Baarmoeder van een vrouw in een vogt geconferveert, en van de eene zyde geopent, ten eynde men het gehel van den inwendige hals zoude konnen zien, en is dezelve met veele veuren en holletjens begaaft. No. XC. Een glaasje waar in te zien is een huk van de Pens-fak van een Man, die door waterzugt is komen te derven, ’t zelve is gants en gaar vervult met waterblaaskens. N°. XCI. Een vies met vogt, waar in bewaard werd een huk van de nageboorte van een vrouw, dewelke met een waffige hohè opgevalt is,en dat tot het uyterhe toe, waar door het blykt, dateer geen kliertjens in de moerkoek te vinden zyn, gelyk de Autheuren gemeent hebben. Ik had voorgenomen in dit vierde Cabinet in te voegen de hguur van een geheele Moer koek met dehelfs vliefen, waar onder een vlies of bc- kleeczcl is, ’t welk die zyde des Moerkoekx bekleet, die tegens de Lyf- moeder aanzit, maar de plaatfnyder heeft my drie maanden opgehouden, zoo dat ik gedwongen ben geworden, om dit in ’t vyfdc Cabinet in te voegen. N’. XCII. Een omgekeerde Maag van een menfch 5 zo dat hier alleen de binnenfte oppervlakte voorkomt. Aanmerkt ten eerden. Dat dit gedeelte van de Maag zeer rood is, we- gens de opvulling der flagaderen, waar door het ruyge vlies hoog rood is geworden j Hier uyt kan men giffen, dat de Slag-aders in een levendig menfche, met haar ingeflote vogt, dit ruyge vlies fterk bevogtigen, ge" lyk hier gezien wort in de opvullinge met root wafch. Ten tweeden , Hier vertoonen haar vcele, alzoo genaamde klicrt- Van FREDERIK RUYSCH. 621 jens, en dat gelyk als klcene kluytjens: in een ander voorwerp k welk ik beware, komen zy ons voor als ronde uytpuylende lighaamtjens, voortko- mende uyt de inwendige oppervlakte van den endeldarm, dewelke fchynen een zamenftel van uyteynden der bloetvatcn te zyn5 Dat dit ook plaats heeft in de andere darmen, heb ik meermaals ondervonden: namentlyk dat deze kliertjens zomtyds haar vertonen uytpuylenderwyze, en zomtyds ook als kleene kuyltjens uytgeholt. Ten derden, Komt ons ook hier voor de waare gefchapenheit van de poortjer, om dat de maag omgekeert is. No. XCIII. Een ftronkje met deflelfs takjes van een Polypus,k welk hoe- ftende uyt de Longepyp gekomen is, wiens figuur te vinden is in myn ant- woord op den zesde voorgeftelde brief in de 7. Plaat. Ondertuflchen ftaat hier aan te merken, dat dit voorwerp zoo groot een gelykenifle heeft met een tak van een ader of Slag ader van de Long, dat het niet te verwonderen is, dat zommige autheuren diergelyke zaaken ge- houden , befchreven, en afgebeeld hebben voor bloetvaten, die zy voorga- ven, de lyders al hoeftendc, uyt haar Longe, uytgeworpen te hebben. JSK XCIV. Het Maagekuflen van een kind, waar aan de Milt ook vaft zit. Aanmerkt ten eerften, Dat de bloetvaten zodanig zyn opgevult, ende het Maage-kulfen daar door zoo root is geworden , datter geen twy- fel is aan te flaan , of het Maage-kulfen, zoo wel als de Mik, beftaan uyt loutere vaten. X en tweeden, kan men hier ook zien, op wat wyze de bloetvatende Milt en Maagkuilen aandoen. N". XCV. Een vies met vogt, waar in het voorde gedeelte der manne- lyke roede wert onthouden. Aanmerkt ten eerften. Het blykt hier dat ’er door de oppervlakte van k hooft- je onteloaie zenuwtepeltjes verfpreyt worden,voornamentlyktuflchen devoor- huyt en k hooftjeideze tepeltjes brengen die geneuglykheydt aan ink byftapen, maar in hoerejagers, een onverdraaglyke pyn, wanneer de gezegde tepeltjes met zweren bezet zyn: Want deze tepeltjes nemen dikwils, in deze hoereja- gers , wanneerze door een onzuy veren byflaap met een vuyle hoer in een druy- pert vervallen, eerft de natuur van vergift aan, cn dan delende zulks aan k ze- nuwachtig mede. Hier van daan worden de gemelde tepeltjes ook zeer dikmaals met een ver- zwering aangedaan, dien wy Chankers noemen. Zekerlyk ontkenne ik niet dat de gemelde quaadtaardigheydt in ’t byflapen ook door de zweet of togtgaten der roede uyt de fchcoe van de hoer kan door- IV. ANATOMISCH CABINE T. dringen in de roede, en zo verder tot andere delen3maar ’t blykt by de ondervin- ding , dat de gemelde tepeltjes zeer dikmaals aangedaan worden* Xen i. Om dat deze tepel tjens niet te voorfchyn komen,ten zy in die genen, welke in ’t minnefpel bezig zyn ,of wiens roede ftyf is ,is’t te geloven, dat ze hier om niet aangemerkt zyn : want ik hebbe geen fchry ver gelezen, die dezelve befchreven.j ofte afgebeelt heeft, daarom zal ik ze binnen kort gefchiktelyk la- ten afbeelden 3en wat ik daar en boven omtrent deze delen hebbe aangemerkt , ben ik van voornemen daarna bekent te maken. Ny. XCVI. Een gcbalfemt Herte van een menfche, ’c welk gedroogc zynde , op Fluweel , in een kisje van Indiaans hout bewaart word , alle deftelfs bloetvaten zyn zoodanig met een Root-wafllge ftoffe vervult, dat ons niet alleen de hayrwyze of capillaretakjens, maar ook zelfs deze haare uyterfte uytcynden, als dons in ’t gezigte komen, en egter met dezelve roode ftoffe opgevult: en indien iemand by helder weer, een vergroot glas komt te gebruyken , zal hy deze roodwaflige ftoffe uyt deze donfig- heyt als een wolkjen bemerken uytgevloeyt te zyn van ’t Herte; Op dezel- ve wyze vertrouw ik, dat het geeae in ’t Slagaderlyke bloet tot voetzel van ’t Herte dient, door het Herte verfpreyd werd3 want het in zync vaten bdloten blyvxnde, kan ’t geen voetzel toebrengen aan eenige deden. Aanmerkt ten eerften, Dat beide de ooren, als mede beyde de hollighe- ken ran’t Herte vervult zyn, en al zoo kan men haarer beyder geftaltenifle bequaamlyk zien, dewelke niet weynig verfchilt van die , dewelke de autheurec met figuuren afgebeelt hebben 3 door deze oorkens loopen ontel- baar veel bloetvaatjens, gelyk te zien is in dc. Plaat. 111. Fig, I. enII. van dit IV* Cabinet. Ten tweeden. Aan de nederdalende ftronk van de holadcr zit nog een kleen ftukje van ’t middelrift vafc, op dat men zoude kunnen zien, hoe zeer kort de partye van de nederdalende ftronk is, tuften het Herte ende het middelrift in een menfehe, maar in dc viervoetige dieren als Schapen, Kalveren is deze partye veel langer, om dat het Herte verder van ’t mid- delrift af ftaat: Hier van daan komt het ook , dat het Herte van de gezey- de dieren zig als een ronde pyramide vertoont, maar in een menfche niet alzoo: want die zyde van ’t Herte, dewelke op ’t middelrift leydt, is in een menfche plat, en de andere zyde bultig. Aanmerkt ondertuflehen, dat ons de Herte van geftorve Mcnfchen niet al- toos zoo voorkomen, inzonderheit, als zy door ziekte uytgemergelt zyn, waar door zy üap en flenterig zyn geworden, maar in vigoreufe lighamen, zullen zy ons altoos zoo voorkomen, ’t Herte met bloet vervult zynde • en dat deze zyde plat is, komt van het leggen van ’t Herte op het middelrift. Ik Van FR E D E R I K R U Y'S C H. Ik heb hier vooren gezegt, dat het Herte zoo een forme heeft in eenvi- goreus lighaam, nu zo komt ons hier een Hert voor, wiens beyde hollig- heden, als mede beyde ooren vervult zyn, ’t welk in een levendig menfehe door bloec gefchiet, egter met dat onderfcheyt, dat in levendigs de oor- kens en holligheden nooyt te gelyk met bloec vervult worden, maar als de ooren vol loopen , zyn de holligheden leedig. Ten derden , Komen in dit Herte voor de dronk van de groote Slag- ader. uyc wiens opgaande dronk, of liever bogtige omkromminge, boven het Herte 3 takken voortkomen, dewelke opwaarts na ’t hooft loopeode, ondertuiïen ook de armen, hals, en aangezigte van hare takken mededee- l£n* Ook zyn hier nog aan ’t Herte vaft gebleven de dronken van de Longe-ader en Slag-ader. Ten vierden. Het uiterde van ’t Herte verdeelt zig hier in 2 punten, welkers tuflchenfcheytzel gemeenlyk met vet vervult werd. Ten vyfden, De Harten op myn manier gebalfemt zynde, konnen don- derde van Jaaren bewaart worden, en dat levendig van couleur en zeer aan- genaam van reuk, zonder de minde bedervings weshalven ik niet noodig heb het Herte, Herdene, nog ook andere ingewanden uyt de lighaamen te nemen, wanneer ik dezelve kom te balfemen, en is deze methode by gevolg veel beter, als die van anderen, dewelke genoodzaakt zyn de inge- wanden uyt tc nemen, en apart te doen begraven. De gioote lieden in Engeland zyn gewoon tot een gedagtenide van haar overleed ene \ rouwen , uyt een vlok des hayrs een ring te laten maken , wel- ke hayren zeer kondig door een gevlogten zyn ; maar veel conflderabelder zoude het zyn, indienze de Harten zelfs van haar beminde aldus gebalfemt zynde, in een goude of zilvere bus bewaarde, tot een eeuwige gedagtcnis- fe, waar door onze koude zoude komen tc fioreeren. N ’. XC VII. Een gedeelte van een mannelyke roede,opgeblazen,gedroogt, en in moten gemeden, op dat men de grote zenu wagtige fpongieufe lichamen, en het kleyne, als mede de pis weg zoude konnen zien. N°. XCVIII. De Maag van een kleen en onvoldragc fchaapje j ’t zelve is opgeblazen en gedroogt, op dat men de 4 deelen des Maags, die van tnalkanderen veel verlchillen, bequaam zoude kunnen zien. Aanmerkt, Om dat men de Maag van een fchaap in 4 deelen kan ver- deden, en dat de fpys van de eerde in het 2. en zoo verders voorrgedoo- ten werd, daarom zegt d’Hr. Prof; Bartholinus en andere, dat de Oden en Schapen 4 magen hebben. In dit Cabinet zyn ook veelc laatjens, waar in veele Indiaanfcbe diert- je3 gevonden werden , waar van ik nu niets zeggen zal, nadien myn me- 624 IV. ANATOMISCH CABINET mening is, een aparte catalogus te maken van alle de diertjens, die ik bezicte. Onder alle deze Laaden iffer nog een zeer grootelaade, waar in geplaaft zyn verfcheyde Anatomifche zaken, meeft alle in Ceder ofNoteboome kasjens. A. A. Een paar Muylcn uyt menfche leer toebereyt. B. Een Coidertje van Menfche leer gemaakt, op wiens rugge de voet- ftappen of reliquien der brand-merken ftaan. in ’c Ecrfte kisje werden verfcheyde Lyf-moeders gevonden van Vrou- wen, dewelke fteen hard gebalfemt zyn en der zeiveholligheden met eenige vafte doffe vervult, op datze haare natuurlyke figuurc zoude behouden, en dat zonder eenige rimpels. Dc Eerde dezer is met Lett. C getekent, en is die zelfde Lyfmoeder, dis ik in myne Anatom; en Chimrgicaaleobfervatienbefchrevenheb,obferv. LXXXV. met dit opfchrift. Waarfchynelyke uytberfting der Maand-Jion~ den in 't hekken door de Eyer-wegen of Trompetten, Aanmerkt ten eerden. Dat dit de lyfmoeder is van een vrouw, die haar verandering op die tydt hadde, in welkers holte eenig geklontert bloed gevon- den wierdc, waar mede ook zelfs de Eyer-wegs holte vervult was, daar bene- vens vond men op de Eyer dok van de zelve zyde een deel geronne bloed. Wanneer nu deze Lyf-mocder met haar aanhangzeis my ter handgedeld wier- den, zoo dogt het my, dat het de moeyte waardig was, dezelve te balfc- men, en zoo dan verders te bewaaren, ’t geen is ook gedaan hebbe. Ten tweeden, Dat ik het geklonterde bloed, dat in de holte des Lyf- moeders zat, alsmede het geen op de Eyer-ftokken was komen te druppen, cn daar eenigzints aan vaft zat, te gelyk met de reft, zoo heb toebereyt, dat men het op deze tyd hier nog zien kan. Ten derden. Ook kan men hier de bewyzen van de Eyeren in de Eyer- ftokken nog zien, als mede de breede, en ook de rond-en lange banden, ende de inwendige mond des Lyf-moeders &c. Aan de tweede Lyf-moeder getekent Lett. D. werd een derde rond-en lange band gevonden , ’t welk ik niet weet meer als eens gezien te hebben. Aan deze Lyf-moeder zyn de Eyer-ftokken, Eyer-wegen, met haar zaa- zelinge of lofwerk nog vaft. Het derde voorwerp in dit kisje, getekent Lett. E. is de Eyer-ftok van de Lyf-aioeder van een Vrouw, met deffelfs breede band, waar door on- tallyke vervulde Slag-aderen loopen. Het tweede Kisje, NM. van FREDERIK RÜYSC.E N*. I. Een Nier van een menfeh dewelke zeer rood is, wegens her op* vullen der Slag-adcren meteen Rood-wafllge ftofte * dezelve is doorgefneden, op dat men het binnenfte geftel zoude konne zien. Aanmerkt ten cerften, Dat deze Nier zo hard als een (leen geworden is, na deszelfs opdroging. Deze opdroging is zoo nootzakelyk, na het opvullen der vaten, dat niemand het waare geftel der zclver aanwyzenkan, tenzy men zulks doet. Deze Nier heb ik befchreven in ’c derde Cabinct, en heb dc Fig: daar ook by gedaan, met die beloften, dat ik in deze vierde Ca- binets bcfchryving> nog yets byzonders daar by zoude doen, maar de fchaars- heyd der voorwerpenx van menfehen Nieren hebben mya voornemen ge* ftremt. Aanmerkt ondertuflèn, Zoo ymand in dit voorwerp die wonderlykc worms-wyze cours der bloet-vaten zien wil, dat het noodig is, het voor- werp of met Campher of Spyk-oly eerft te beftryken j de Campher-oJy agte ik om reden , beft te zyn j daarenboven moet men een heldere dag ver- kiezen , ja een Sonne-fchyri. N*. 11. De helft van een menfche Nier, op dezelve wyze tcebereyt. Het derde Kasje is van Nooteboome hout toebereyd, waar in onthou- den werd een tak van des Müts-flag-ader, met een waftlgeftofièopgevult, en zoo konftig uytgcfpanncn en gedroogt, dat ik zonder roem derf zeggen, dat ik niemand gevonden heb die heeft derven zeggen, zulkx ooyt meer gozien te hebben: want de uyterfte uyteyndea zyn zoo fyn als hayr, en nogtans geyult, uytgefpannen cn gedroogt, hoewel die fyne tackjens aan haare ftronk zyn gelaten, en boven malkandercn ftaan; op dat men het nu met een goede diftinctie zoude konnenzien, zoo legt het op een ftuk zwart fluweel. Aanmerkt ten laatfte, Dat deze op een curieus voetje ftaat, van note- boome hout gemaakt. In c vierde Kasje, uyt Indiaanfch hout toebereyd, werd bewaard het cp- per-velleke van de groote linker, en de volgende toon. Aanmerkt hier, dat deze voorwerpen zoodanig toebereyt en gedroogt zyn, datze gehecle toonen van een levendig menfeh komen te verbeelden, want zy zyn wit men ziet ’er geen rimpels ia, ook zittender de Nagels nog aan vaft, gelyk in een levendig menfche. Het vyfde Kasje van Cederhout gemaakt, onthoud in zig eenige Kalfs Milten, waar van de eerfte Lctt. A. ontvleeft, (zoo men gemeendyk {preekt, hoewel oneygcntlyk) opgeblafen, en opgedroogt is, nu al over de 40 Jaa- ren geleden, en t vlies weg gefneeden zynde, zoo kan men zeerdiftméfe- lyk zien alle die doorboringen van de Milt-adcr, egter zoude men zulkx te vergeefs zoeken in de Milt van een menfeh. .LUI Ain> ïV. ANATOMISCH CABINET Aanmerkt ten eerden, Hoewel de ader vol gaatjens is, egter is dezelve rond cn lang gebleven , ’t welk aardig is te zien. Wilt egter , waarde Lcezcr, niet gelooven, datdefe Ader, door de gantfche Milt zig zo ver- fpreyt, en aldus gedelt is, het contrarie heeft ons voorheen den welgeoef- fende Hr. Higmorus al bekent gemaakt: Zy loopt nauwlyks een vinger lang alzo doorboort, en na heen zo verdwyntze ge héél yk 5 geen rakken altoos van haar gevende, maar in plaats van takken dezes Milts , zo wor- den ’er groeven gemaakt, die haar takwys komen te verdeden, cn dat door de geheele Milt. Ten tweeden , Hier komen ons ook te vooren de dwcrÏÏe draaden , en dat in haare natuurlyke plaatze. • Over de tweede Milt Lett. B. getekent, loopen ontallyke opgeblaafen watcr-vaten. Want als ik de Milt met wind vervulde zo wierden te ge- lyk de water-vaten vervult. De derde en vierde Milt, zyn met de Lett. C. C. getekent , en haar Slag-aders met een Rood-wafllge doffe vervult. üytlegging van de eerfte PLAAT. De EERSTE FIGUUR. Vertoond de helft van een menfche Nier , zódanig door gefne den , dat men de cours der vaten, en inzonderheid die der Slag-aderen, veel klaarder zien kan als wel in de IV. Hiaat, in de derde Fig. van ’t 111. Cabinet, waar in ik voornamentlyk voorgenomen hadde de vereeniginge der Slag-aderen wet de His-canaaltjens van de Heer Bellinus, tevertoonen: Maar in deze Figuur heb ik getragt zeer diftinUy die worm-wyfe cours der bloet - vaat en aan te wyzen , zo als die door het b innenfe wezen der Nieren loopen. A. Het buytenfte wezen des Niers , alwaar men de bloet-vat en worms- wys ziet kopen, ge Ijk ik zulks ook klaar aangewefen heb in V voorgaan- de Cabinet. B. Het binnenjle wefen des Niers, alwaar de bloed-vaten * al immers ze wel die worms-wyze cours houden, als langs de buytenfte oppervlakte. Aanmerkt ten eerden, Dat dele gezeyde cours der bloet-vatcn in deze Figuur, zo fubtiel uytgevoert is, dat men dezelve zondervcrgroot-gla- fen qualyk kan opvolgen. l 1 cn .TTiJi . X. •TVèe.vd.'Haf. Sy. TJcss. ir. X&B JT .y..K- Mis tij’u■ ZTi/èer'd. da/'. 88. van FREDERIK ROYSCH. Ten tweeden , dat men hier geen gaatjens vint , waar van in ’tlIR Cabinet gefprooken is, om datfe in ’t opdroogen dezes Niers verdwee- nen zyn. Q, T>e Miers 'Tefeltjens. D. Het Bekken des Miers. E. Eie holte van 't Bekken} waar in deze Tefeltjens de pijfe uytferjfen. De Tweede FIGUUR. Een Tefticul van een menfeh , dewelke feenemaal als uytgerafelt is* zynde niet anders als een bundelke van zeer fyne vaatjens. De Derde FIGUUR Wyft ons aan een waare Meerevlegt. De Vierde FIGUUR V°rtoond het Hoofd van een onvoldrage Schaaf je, V welk monftrens is} en geen mond heeft bekomen in de formatie. De TWEEDE PLAAT Vertoont ons de Blaas -van een Koe, alzo omgekeert, dat ons hier de binnenjie oppervlakte te voorfchyn komt, vol van knobbels. De Eerfte FIGUUR A. Vertoont T>e gezeide knobbels die tot Jleen geworden zm B. Zagte Knobbels. J De Tweede F IGU U R Vertoont vier fioenen, die in de holte van de gemelde blaas gevallen waren. De Derde FIGUUR. flüfi ons aan e enige ft e enen dewelke ten deele door myn vingers 5 ten deele van felfs gefcheyden zyn van de inwendige oppervlakte des blafes. x a 11 Tlll \ 628 IV. ANATOMISCH CABINE! De DERDE PLAAT Verheelt het Hart van een menfih , V welk met Rood-wafflge ftoffe geheel en al opgevalt is, ten eynde men de cours der vaten, als mede de waar e figuur van ’t Hart ,en der Oor en zoude komen zien. De Ecrfte FIGUUR A. Het Hart, zo als het zig vertoont aan dejfelfs f latte zyde } dewelke tegen het Middel-rift aan gelegen heeft. B. De ft ronk van de Kroon-ader met dejfelfs takken.. C. C. C, C. ‘De takken des Kroons-Jlag - ader, wiens uyterfte uyteynden, zo fyn zyn als dons , en egt er met een Rood-waffge ftoffe vervult♦ D. Een gedeelte van ’t Regter Oor,waar door ontallyke Slag-ader loopen-ft gc- heele Oor kan men niet fien, wanneer V Hart aldus wort voorgeftelt. E. Een Huk van ’t nagebleeve Middel-rift. F. De nederdalende ftronk des Hol-aders , dewelke het Middel rift komt te doorbooren. G. De vliefige Sak , die als de grond is van V linker Oortje, en met ’t zelve een gemeene holte uytmaakt. H. De ftronk van de groot e Slag-ader, uyt wiens rugge drie takken voort- komen , dewelke opwaarts gaan. Aanmerkt oridertuflchen,dat deze gezeyde takken ons op zodanig een wyze voorkomen, dat men hier de platte zyde, (bet Hart alzo gelegt zy nde} ziet. lil, I. De drie takken van de groot e Slag-ader opwaarts hopende. K. De opgaande ftronk van de Hohader. 3L Een gedeelte van ’t Linker Oor. M. M. De takken van des Longs-ader. N. Een van de takken van des Longs-ftag-ader; maar het Hart aldus ge- plaaft zynde3 komen de overige takken met te voorfchyn. A. Het zelfde menfehen Hart, zo als het ons voorkomt met zyn bultige zyde, gelyk het natuurlyker-wyfe in }t lighaam is gelegen. B. De takken des Kroons-ader. C. De takken des Kroons-Jlag-ader. D. Het regter Oor. E. Aderige takken voortkomende üyt het regter Oor. F. Het linker Oor. ' > G. De ftronk van de groot e ftag-ader. H. De ftronk van de Longs ftag-ader. 3; ‘f)e opgaande ftronk van de Ho ha der. HET Dc Tweede- FIGUUR, ■XkcS: jrr. . 2dzf~. 6g . X4J3.- XJX . Tsiptïm J'adpjif Van FR E D E R 1 K RÜYSCH. 629 HET VYFDE ANATOMIS GH C A B I N E T, In zig onthoudende vyf ‘Planken, waar op defe navolgende zaken geplaatft zyn. Op de EERSTE PLANK. Nó. I. T 7 en Vies met vogt, waar in te zien is, ’t Hoofd van een Kind, t; waar van het bovenfte des Fans afgcnomen is> om alfo een ge- deelte van de herflenen tc konnen zien. Aanmerkt ten eerden , Dat het gczeydc deel der herflenen nog bedekt is met het dunne hcrffenvlies, waar door heen feer veele opgevulde flag-adcr- kens pafleeren ; ook ziet men in ’t felve vlies ontelbaar veel ronde witte lighaamtjcs, die ik oordeel niet anders te zyn als vet , hoewel andere de- zelve voor klierkens hebben gehouden. Ten tweeden. Boven het gezeyde ftuk van de Herflenen, doet ZigWe- derzyts op de Aderwyfe vlegtmg , en is defeive wit van couleur , om dat de bloetvaten niet opgevalt zyn. Ten derden. Zo ziet men, even onder het in ’t ront afgefnede vel het vet, in defelfde couleur en gedaante, gclyk in’t bovengemelde dunne Her- fen-vlics. . n v\es met voêt 5 waar in tc zien is het Armtje van cencerft- geboore Kindje, t welk levendig van couleur is ,in wiens Handje onthou- den werd, een ftuk van’t Opper-vcllekc van een Menfth • in dat gedeel- te, ’t aan de pink is, kan men bcquatnelyk zien alle deuyrfteek- ièlkens van’t Oppervelleke, waar van de Hayrtjen som vangen werden, ter plaatfe, daar zy uyt ’t vel voortkomen, en dat eenige linien hoog, endefe uytfteekfelkcns van ’t Opper-velleke komen ons hier omgekeert voor, dat is, fy werden hier gezien aan de inwendige Opper-vlakre, en dat wegens haare overftroopmge, anders komen zy uyt de Opper-vlakte voert. Het zelve ziet men in ’t uyttrekken van de Handfchoencn, wanneerjmen defeive uyttrekkendc van boven aangrypt, als dan zoo is’t, dat ook haare Llli 3 uyt- v. ANATOMISCH CABINE! fteekfels, die de vingeren dekken, als overftroopt en omgekeerÉ werden, N°. 111. Een Armtjcvan een Kind , op dezelfde wyze geconferveert, deflelfs hand onthoud in zig het netwyfe lighaam van een Schikpad. Aanmerkt* Dat de gaarjcns van’t Net-wyfe lighaam in dit dier zeer ruym zyn, en die gezien zynde , kan men ze in een menfch ook veel eerder in ’t gezigt krygen. N°. IV. Een Amatje van een Kindje , levendig van couleur , in wiens Handje onthouden wert een ftuk van de Tong van een Kalf, ’t welk zo- danig is bereyd, dat men deze navolgende zaaken klaar zien kan. Aanmerkt ten cerften, Op wat wyze de Zenuw-tepcltjens, door het Net- wyze lighaam des tongs paffeerende , in *t vlakke des tongs komen teeyn- digen. Ten tweeden, fo vertoonen haar defe Zenuw-tepeltjens naakt , en van haar dekfel t’eenemaal ontbloot, langs de Oppervlakte dezes voorwerps. Ten derden, kan men hier zien, dat defegezeyde Zenuw-tcpdtjcnsaan ’t cynde komen te verdikken, cn’t is ook waarfchynelyk, dat de bcklced- fels van de tong, uytfpanfels zyn van de gezeyde tepcltjens. N°. V. Een Handje van een jong gebooren Kindje, mede hangende in een vogt, cn vattende tuflbhcn de vingertjens een ftuk van’c Opper-velleke cn ook het Net-wyfe lighaam van den menfch, door de Heer Malpighius cerfl; uytgevondcn, - * • •* a 11 1 « _ Aanmerkt ten eerften, dat het Opper-velleke asgrauw, en hec Net-wyfe lighaam geelagrig van couleur is. • Ten tweeden, dat de Tepeltjcns, door toedoen van een vergrootglas, zigtbaar zyn; namentlyk dat gedeelte der zelve, ’c welk in ’t Net-wyfelig- haam is bly ven zitten, als men het van ’t vel quam te fcheyden. Ten derden , dat defe Tcpeltjens hier ook wat komen uyt te puylen buyten de Opper-vlakte van dit Opper-velleke /-en dat wegens het lang weeken in het vogt. N°. VI. Een Armtje van een jong Kindje, mede levendig van couleur, in wiens handje gevonden werd het harde of dikke Herlfen-vlies van een menfch, waar door men de opgevulde Slag-aderea menigvuldig ziet 100 pen: ook Haat hier aan te merken, de ongemeenedikte, tayhcyd, hardig- heyd en pcesagtigheyd van ’t gezeyde vlies. No. VIL Een Armtje van een Kindje levendig rood van couleur, waar aan niet de minfte oflnatuurlyke rimpel gevonden werd : tuflehen deszelfs vingertjens houd het een tak van de paffie-blom met deszelfs vrugtvaft, ia welke vrugc mede niet een rimpel te zien is , hoewelze fagt in ’t aantallen is : ook vind men aan deszelfs uy terftc dg nageltjens des blocms nog vaft zitten, ' No. van F RE DE RIK RUYSGH. 631 N°V VIII* Een ftuk van de Maag van een jong geboorc Kind , aan wiens onderfte een groot gedeelte van’t Net Vaft is, 5t welk in de toebe* reidinge gants en gaaf is gebleeven , zo dat ’er niet een eenig gaatje in te vinden is, en fy by gevolg geabufeert zyn , dewelke fuftincren , dat het Net natuurlykerwyze vol met gaarjens zoude zyn. Het is wel waar, dat het ons vol gaatjens voorkomt, als men het oniagt handelt. Aanmerkt daarenboven, Dat dit gedeelte des Maags zeer rood is, inzon- derheyd het Fluwecle en Zenuw-agtig vlies , wegens het opvullen der Slag- aderen. ö ö 0 r ö IX. Een geheele Moerkoek van een menfeh , welke zeer rood is, wegens het opvullen van alle de Bloet-vaten, welkers zamenftel de Moer- koek maakt. Aanmerkt, Dat op verfcheyde plaatzen dit bekleetzel kan gezien werden, ’t welk de binnenfte oppervlakte van dc Moerkoek (die aan de Baarmoeder gehegt is) komt te bekleden ,cn op dat zulks bequamer zoude gezien wer- den , hangt deze Moerkoek in een groote vies met vogtigheyd * van defe zaak zal wyders gefproken worden, als ik tot de derde Flank van dit Vyf- dc Cabinet zal gekomen zyn. ea v*es mec vo£c* waar bewaard werden de Bloetvatender Hemens van ccn menfeh, opgevuld met een Geclwafllgc fubftantie. I°. XI. Een vies in zig onthoudende het dunne HerfTen-vlies , wiens B oet-vaten tot het alderuyterfte toe opgevult zyn. anmer t. Dat derzelvci- uyteynden zo dun zyn , datze haar als dons vertoooeo, egter is ueze donfige fynheyt met een waflige ftofre vervult. N°. XII. Des Milts flag ader uyt een Kalf in een vogt geconferveert, cn met een Rood waflige ftoffe opgevuld, wiens uyterftc tïkskcns haar als half verfleeten penceelen vertoonen. en £^as met: vogc conferveerende daar in het geheele dunne Hcruen-v xes van een menfeh , ’t welk byna ongefchonden van de Herfïc- nen afgenomen is, deze haarc Slag-adcren zyn wondcrbaarlyk vervult, zo dat haar uyterite uyteynde ccnig dons vertoonen. Aanmerkt ten eerften, Dat in dit dunne HerfTen vlies , hier en daar vet gevonden werd, t welk meermalen komt te gebeuren. Ten tweeden. Dat men' de uytfteekfels van hec dunne HerfTen vlies, die laar tuffehen de omwindingen der HerfTenen invoegen , hier zeer bequa- melyk zien kan* D t> r N°. XIV. Een gedeelte van de Nugtere darm uyt een menfeh , zoda- nig omgekeert, dat de binnenfte Opper-vlakte nu hier de buytenfte gewor- den is, en alzo is t dat men de latwyfe verheventheden ("dewelke de Heer Kerk- V. ANATOMISCH CABINE T# Kerkring oogluykende klaovliefen heeft geheven te noemen,) als mede de zogenaamde klierkens klaar konnen gezien werden. Deze eenzaame en geerft - gelykende kliertjens puylen uyt , als klecnc geerftkens, daar men in tegendeel die geene, dewelke veel by een ftaande, en als by een gekoppelt zyn, meeft holwys, en ingedooken vind, ’twelk ook plaatzc heeft in die van de Endeldarm. N°. XV. Een Kindje van omtrent vyf maanden dragts, leggende in een vogt, ’t welk als van een zeer raar en mooy Africaanfch Slangetje aangetaft werd, waar door het deszdfs hoofdje , als agterwaarts door vreezefchync te buygen, om dien vyand quantfuys te willen wyken, metditdevys. DE WERELD IS EEN TRANENDAL. N\ XVI* Een Armtje van een kleen Kindje levendig van couleur, in wiens handje te zien is een gedeelte van de Hcrflenen cenes Kinds , waar van de fchorzige ftoffe afgenomenzynde, de groeven, en deomwindingen van ’t medullaare wezen byzonder curieus gezien kunnen werden, als mede op dc grond van de vies de Slag-aderen , die door het. dunne Herflen-vlics loopen, zynde met een Roodwafïïge ftoffe opgevulü. N°. XVII. Een vies met vogt waar in te zien zyn eenige takken van de Hol-ader des Levers, die opgevalt zyn, welkers takjens niet alleen veel minder in getal zyn , als wel die van de Poort-ader , maar ook zelfs heel anders van conftitutie, ’t welk klaar te zien is in de voorgaande en navol- gende Levers, daar de Hol cn Poort-ader nog aan den anderen vaft zitten. N°. XVIII. Het gedarmte van een Jongeling, ’t welk opgevult is met een Rood-waflige ftoffe, deze haar Bloet-vaten zyn ook opgevult. N°. XIX. Een opgefneede Galblaas van een menfeh , waar in te zien zyn twee fteenen, zo groot als Noote-mufchaaten. Aanmerkt ten eerden, Dat deze fteenen van fatzoen niet overeenkomen met die geene, dewelke dikwils in dc Gal-blaas ziccen , want deze zyn ront, fwart, en als een Noote-Mofchaar groot; de andere in tegendeel hoe- kig f wat uytgeholt, of met kuyltjens begaafc, kleen, effen, glat, geel- agtig en als gepolyft. Ten tweeden, In de binnenfte Opper-vlakte vint men zeer veele kleene kuyltjens, reprefenteerende ingetrokke kliertjens, gelyk men in de Endel- darm vceltyds vind. N°. XX. Het Hoofdje van een Kindje van ontrent negen Maanden, wiens opperfte van dc panne , als mede de Herflens weggenomen zynde, befcheydentlyk konnen gezien worden de reuk-zenuwen met haar fcheuten Van FR.EDER.IK RUYSCH. en doorgangen door het Seef-been , die haar dan verders gewoon zyn te verfpreyden door het vlies van de Neus, en deflelfs tepeltjens. Aanmerkt ook dat het agter-breyn , nog in zyn natuurlykc plaatze is blyven zitten. De TWEEDE PLANK. N°. XXI. T 7 en Viesje, waar in droog bewaard werd een ftuk van’t Pi Vlies Chorion uyt een Koe, waar door haar zeer veel kleene beginzelen van Moer-koekjensverfpreydcn: in deze is befcheydentlyk te zien, dat de Moer-koekjcns niet anders zyn , als een t’zamenftel van bloetvaatjcns zonder eenige tuflenkomende kliertjens. Hier ftaat nog te confidereeren , dat deze gezeyde Mocr-koekjens by zommige Autheuren geheeten zyn Maatjens, Acetabula ; maar dewyl an- dere hier mede alleen betekenen zekere kleene holletjens , die men in de uytgefette en verheevene. deelen van de Baarmoeder der Eoeyenvind, ter- wyl ze bevrugt zyn: zoo dunkt het my beter te zyn , de benaminge van Moer koekjens te behouden, aangezien zulks een yder kennelyker is. N‘>. XXII. Een Vlesjc met Vogt, waar in gevonden werd een ftuk van de Herflene van een Kind, wiens fchorfïige zelfftandigheyt weggenomen zynde, d’omwindxngen, en haar byftaande groeven veel beter konnen ge- zien worden. N°. XXIII. Het Oor van een bedaagt menfeh, ’t welk van een leven- dig Oor niet kan onderlclieyden werden, in ’t zelve ziet men ontallykc gapende Swectgaatjens. N°. XXIV. Een Viesje met Vogt, en daar in een ftuk van’t dunne Herflen-Vlies van ’t agter-breyn, uyt een jong geboore Kindje. Aanmerkt teneerften, dat men hier duydelyk zien kan de uytfteekfels of aanhangzels van ’t gezeyde Vlies, dewelke haar zetten tuftchen de moo- ten van t agter breyn. Een tweeden. Dat dit Vlies byftcr dun is, en zeer ryk van bloetvaat- jens, dewelke, op datze niet uyt haare plaatze door deze of geene oorza- ken zoude komen te wyken, zoois’t, datze door deze yliefigeiubftantic , die in die tyd niet dikker is als een fpinnewebbe, gehouden werden. Dat dit alzoo is,-zal klaar blyken, wanneer men de bloedvaten of alleen de Slag-adcren van dit Vlies met een geverfde wafllge ftoffe komt te ver- vullen , tot de uyterfte uyteynden , dan komt het vliefigc ons wit voor. Maar zoo iemand zoude willen oordeelen van de dikte van ’t dunne Mmram Herften- V. ANATOMISCH CA BIN ET Herflen-vlics, zoo als het ons voorkomt, zonder dat dc bloetraten opge- vult zyn, zoo zoude men ligt bedrogen werden, aangezien het ons dikker voorkomt, wegens de bloetvaten, dewelke na de dood meeft altoos voor het grootfte gedeelte ledig zyn , waar door ze het gezeyde Vlies Fchynea te verdikken. N°. XXV. Dc Panne van het Naam-loofc-been van een onvoldrage Schepfekje, onder wiens midden men zien kan de zenuw-kraakbenige band voort te komen, leggende dit in een glaasje met vogt. Aanmerkt ten eerften, dat deze band vry breed en uytgeftrckt is aan des- zefs voortkomen of grond, en dat tot verfterking van het junctuur. Ook is dezelve zoo ver met de panne vereenigt, tot onder aan de rand van de panne, alwaar ’t de panne verlatende, zig komt te planten in’t hooft van het Dyebecn. Ten tweeden, dat deze band ons hier rood van couleur voorkomt, we- gens het opvullen der Slag-aderkens. N°. XXVI. Het gedarmte van een onvoldrage Vrugtje, meteenfwart- waflige ftofFe opgevult, op dat het ons zoude voorkomen , gelyk het op- ge vult is in levendige voorwerpen met een fwarte ftofFe , die men Me co- nïum heet. Aanmerkt dat deze haare Slag-aderkens zeer curieus opgevult zyn. N°. XXVII. Een Viesje met vogt, onthoudende een van de Moer- koekjens uyt een Schaap, ’t welk met een geel-waftlge ftofFe is opgevult. Dit voorwerp komt ons zo curieus voor, dat niemand ’t zelve als met verwondering kan aanfehouwen 5 want het vervullen der Slag-aderkens, de verdeeling der Takjens, en de fappigheyd der uyteynden, moeten ons gezigt aanlokken, ja vervoeren. Nj. XXVIIL De Nier vaneen onvoldrage Vrugtje van een Schaapje, wiens Slag-aderkens niet opgevult zyn, zoo dat ons alles als verwart voor- komt } maar als deze haare Slag-aderkens vervult zyn, 200 kan men des- zelfs waare wezen befchouwen, gelyk zulks blykt in de voorgaande voor- werpen. N°. XXIX. Een Viesje met vogt, waar in te zien is de Long vaneen Slang. N°. XXX. Eén ftuk van de Hol-ader des Levers , of liever die des Levers bultige gedeelte maakt : hoe veel, en waarin deHoh-ader der Le- vers verfchillende is van de Poort-ader, is in ’t 11. Cabinct met Fig: verheelt. Nq. XXXI. Een droog Viesje, waarin bewaard werden eenigc Stecncn, die in de Gal-blaas van een menlch gevonden zyn, en hoewel dceze geel- Van FREDERIK RUYSC H. agtig hoekig en blinkend zyn, zoo heb ik ze nogtans zomtyds fwart, rond , en ongelyk van oppervlakte , ja rou in ’t aantallen gevonden, in groote een Noote-mufchaat gclyk zynde, hoedanig te zien zyn in dit zelfde Cabinet. N°. XXXII. Een droog vlesje, waarin gevonden werden eemgeStee- nen, die uyt die zelfde plaatfe tot in de holte van ’t gcdarmte zyn gedre- ven, en zoo verders door de ftoelgang geloft. Omtrent deze fteenen bemerkt men zoo groote ligtigheyd , datze in 't water geworpen zynde, komen te dry ven. N°. XXXIII. Een glaasje met vogt, waar in te zien is’tOog van een Hoen, ’t welk zoodanig toebereyt is, dat men de Oogblikkende Spier met deflelfs peefen bequamelyk zien kan 5 deze zync peezen loopt onder een andere Spier door, gelyk als door een catrol. NJ. XXXIV. Een waare infchiecinge van’t gedarmte, dewelke na zeer heevige pynen, de oorzaak des doods in een Jonge ge weeft is. Aanmerkt, Dat dit glaasje in plaats van een ftuk van een blaas, gedekt is met een ftukje van een menfche vel, wiens bloetvaatjens zookonftigzyn opgevalt, dat het vel gants rood is geworden. N°. XXXV. Een droog glas, waar in gevonden werd een ftuk van de Hals-ader van een Paard. Aanmerkt, Dat aan het bovenfte van dit voorwerp , alwaar een takje komt uyt te fpruyten, twee klapvliezen gevonden werden , die de ver- keerde loop des bloets tegenftaan. N°- XXXVI. De Sweferik van een Kind , die ons rood voorkomt, wegens het opvullen der Slag-aderen. N°. XXXVII. Een vlesje met vogt, waar in bewaart werd het Steen- been van een kleen Kind, in wiens bufte oftrommeltje, ’t welk hier geo- pent is, te zien is het Stegel-reepjc in zyn natuurlyke plaatfe, omvangen zynde van een zeer dun vliesje, waar door heen veele bloetvaatjens loopen. Aanmerkt daarenboven. Dat het vliesje, ’t welk de Bufle of Trommel bekleed, zeer rood is, wegens het opvullen der Slag-adertjens. N°. XXXVIII. Een vlesje met vogt, in zig onthoudende de derde Band des Levers, die wel zeer dun, maar egter fterk is, door wiens toe- doen de rand des levers in de linker zyde ontrent de punt van ’c borft- been gehegt is aan het Middel-rift , hier door is ’t, dat de Lever ia zyn plaats gehouden werd, en niet te veel na de regter zyde kan toe- fch eten. Aanmerkt ook, dat aan deze derde Band nog vaft zit een (tukje van ’t Middel-rift, en van de Lever : ook is deze Band met veel opgevulde Slag-adertjens voorzien. V. ANATOMISCH CABINEt No. XXXIX* Een droog glaasje , waar in gevonden werd de roede van een Kind, wiens celluleufe vlies met wind vervult is. Over deze ma- terie kan men nazien myn antwoord op de XV. voorgeftelde Brief, alwaar ik dit vlies afgebeelt heb. No. XL. Een glaasje met vogt, op wiens grond gezien werd de Long van een zeer kleen en onvoldraage Kindje, dewelke fris en vers was. Aanmerkt dat ik zeg, dat dit Longerje op de grond van ’t glaasje gele- gen is, aangezien de Longe fris en welgeftelt zynde, nooytdryftin eeni- ge vogt, ik fpreeke van Kindertjens , die in ’s Moeders lyve fterven, en nog niet geademt hebben: zoo dat zy, die my voorheen contrarieerden en ftoutelyk tegenfpraken, zulks of door onwetentheyd, of door quaadaar- dtgheyd hebben gedaan, ’t geen ik haar van harte vergeve. N°. XLI. Een vies met vogt, waar in een ftuk van ’t vlies Chorion, van een Jong geboore Kindje te zien is, ’t welk ik in twee vliezen, van den andere zeer verfchillende, heb gefcheyden} hier van is’t een, ’twelk kindwaarts geplaall is, zeer dun, en als doorzigtig zynde, van my voor- taan geheeten Tfeudo-alantois, waar mede ik te kennen geven wil, dat’er een alzoo genoemde Alantois in den menfch niet te vinden is; maar het ander dat niet doorzigtig, dikker , zeer broos, en bsydede oppervlaktens van de Moer-koek bekleet, kan men de naam van Chorion wel laatcn be- houden, want de bloedvaten worden daar door by een gehouden en on- dcrftcuntj alleen zoude ik goetvinden , dat men dan dat gedeelte, ’twelk van de Moer-koeks oppervlakte afwykt, en waar door men zelden eenigc bloedvaatjens ziet paiïeeren ,de naam van \Membrana villafa\ Noppig vltes des Moerkoeks noemden, aangezien ik oordeele,dat het een byzonder gebruyk heeft: namentlyk, ’t voedende fap uyt de uyteynden van de Slag-aderen der baarmoeder te ontfangen, en door zyn noppen ’t zelve in te trekken en te be- houden, tot dat de uyteynden der aderen’t zelve van de moerkock na haar ne- men , en door de Navel-ader tot de vrugt voeren, even gelyk men ziet te gebeuren in ’c Fluweele vlies der dunne darmen, waarin zig deGhylzer, tot datze van de wortekjens van de Melk-aderen opgenomen en ver- iluurt werd. Ik zegge, dat het voedende fap, waar door de Vrugt gevoet werd, in de uyteynden der Slag-aderen des Lyfmoeders toebereyt werd , welk ge- bruik de Autheuren eertyds coefchreven aan eenige alzoo genoemde ,en nooyt getoonde klierfjens van de Lyfmoeder. Daar is nu niet meer aan te twyfelen , of de uyteynden der Slag-aderen van de Lyfmoeder nemen eenige verandering aan, waar door zy beqüaam werden tot het bereyden van’t voetfel uyt het Slag-aderlykebloed. Inde Scha- •Van FREDERIK RUYSCH. Schapen veranderen haar deze uyteynden der Slag-aderen van de Lyfmoe- der in vvormwyze vaatjens, zonder eenige tufTchenkomende kfiertjens,, gc- lyk ik deze afgebeelt hebbe inde befchryvinge van’tll. Cabinet; of zulks ook plaatfc heeft in de Lyfmoeder van een Vrouw, dat heb ik tot nog toe niet genoegzaam onderzogt. Om dan weder te komen tot de weg y waar van ik wel zoude afdwalen 5 zoo zeg ik, dat dat gedeelte van ’t C horion, *t welk ik het Sappige of N oppige Vlies noeme, niet alleen dat deel van de holte des Lyfmoeders komt te beklee- den, dat buyten de koek, en genoegzaam bekent is, maar ook zelfs de op- pervlakte des Moer-koeks, die na de Lyfmoeder ziet of tegens de Lyfmoe- der aanzit. Dit zal wel beuzelagtig en voor ongelooflyk van zommige opgenomen werden, egter zullen zy het alzoo inderdaad en waarheyt bevinden , de- welke op een bequame wyze de Moerkoek door de navel Slag-ader tot de uyt- eynden toe met een rood-wailige (toffe zullen komen te vervullen y want zoo doende, zal de geheele Moer-koek ,(dic anders niet is, als alleen bloctvaten en vliezen,) een roode couleur aannemen, en dit gezeyde Vlies blyft zyn as- ver wi ge couleur behouden. Dat ook dit Vlies continueel is met het an- dere fappige gedeelte, zal men dan ook klaarlyk konnen zien. Ziet de 1. Plaat. Fig. 1. van dit V. Cabinet. lemand zal mogelyk vragen , indien dat gedeelte van het Vlies Cho- rion, t welk ik vlokkig of fappig heb geheeten , continueel is met dat deel, waar door alle die Bloedvaten lopen, en Chorion heet 5 wat reden is ’er om deze twee dcelen met verfcheyde benamingen te noemen ? Ik ant- woorde, zulks niet zonder reden te zyn , om dat, zoo ik meen, zy ver- fcheyde zyn in haar gebruyk > want dat gedeelte , waar door 200 groot een menigte van Bloedvaten loopen 3 dat houd deze Bloedvaten by een op datze niet zouden van een komen te wyken * maar door het ander deel" van my het Sappige of Noppige Vlies geheeten, ziet men zeer raar eenige’ Bloetvaatjens pafleeren, ook is het zelvige ruwer, en niet zoo ftevig. Den nugteren Darm is ook wel continueel met den twaalfvingerige en bogtige Darm, maar zy komen niet overeen in alles, en daarom"zoo heeft men zc ook byzondere namen gegeven. Het Darm-fcheyl is een Vlies , ’c welk continueel is met het Meficolon, maar nogtans heeft het verfcheyde namen, om dat aan het cerfte gedeelte het dunne gedarmte vaft is, aan ’t andere in tegendeel het grove. N°. XLII. Hen Viesje met vogt, waar in bewraart werd een uytgera- felde' Tefticul van een Menfch. Mm mm 3 No. XLIIL V. ANATOMISCH CABINET No. XLIII. Een droog Glas , en daar in het Gcdarmte van een onvol- dragc Vrugtje, ’t zelve is met een rood-waffige ftoffe opgevult. De DERDE PLANK. N°. XLIV. T 7 en Viesje met vogt, waar in te zien is een kleen ftuk/e Fi van de fchorffige fubftantie van de Herflene van een menfeh, ’t welk ontdaan zynde en aan een hayrtje hangende , klaar doet zien, dat de gezeyde fchorffige ftoffe niet anders is, als een t’zamenftcl van Bloetvaatjcns, en wel inzonderheyt van Slag-aderkens: en zyn deze Bloet- vaatjens, de fchorffige fubftantie makende, zoo fubtiel, dat dezelve met het eerfte opflag der oogen gezien zynde , een roffe dons verbeelden , wegens der zelver opvulling met een rood-waffige ftoffe. N°. XLV. Een Vies met vogt, in zig onthoudende een ftuk van de herflene uyt een menfeh, wiens fchorffige fubftantie niet ontdaan zynde, zig rood opdoet wegens het opvullen der Bloetvaten , de mergagtige of medullaire fubftantie is in tegendeel witagtig. Aanmerkt ten eerften. Dat ’er in de mergagtige zelfftandigheyt veele roode ftippen gezien werden, die niet anders zyn , als vervulde en door- gefnedc Bloetvaatiens. Ten tweede, hoewel de mergagtige zelfftandigheyt de fchorffige in veel- hcyd overtreft, zoo is *t egter, dat op verfcheyde plaatzen , in den om- trek der Herflene, de fchorffige dikker is, als de mergagtige, gelyk men zulks hier ook zien kan. N°. XLVL Een Vies met vogt, conferverende ccnftukje vandcHerf- fene, wiens fchorffige of uytwendige zelfftandigheyt in ’t geheel niet is vervult met een rood-waffige ftoffe, weshalvcn men niet te regt zien kan, wat van deffelfs hoedanigheyc is. N°. XLVII. Een ftuk van een Moerkock van een Vrouw, ’t welk met een geel-waffige ftoffe is vervult, en is deffelfs oppervlakte, die zig met de Lyfmoeder vereenigt (gelyk hier voren is gezegt) met een Sappig of Vlokkig dekzel nog bekleet. N°. XLVIII. Het Agter-breyn van een jong geboore Kindje, metdes- zelfs ronde verheventheyt, dezelve is in twee gefpouwen, en werd hier in een vogt geconferveert. Aanmerkt ten eerften. Dat dit voorwerp aan een hayrtje in een witte cn heldere vogt hangt, ten eyndc het inwendige geftel tc beter zoude te voorfchyn komen. Ten Van FREDERIK RUYSCH. Ten tweeden. De geheele fchorftigc ftofte is rood, wegens het opvul- den , gelyk hier vooren gemek is , het mergagtige wezen is in tegen- deel wit. Ten derden. Dat de fchorffige fubftantie uyt Bloedvaten beftaat,wyft dit voorwerp ons zoo evident aan , dat niemand het zelve gezien hebben- de, aan de waarheyt zal konnen twyfelen. N°. XLIX. Een ftuk van de Herftene uyt een menfeh , waar in de vcreenigmge der gezigtzenuwen, als mede haar voortkomen uyt der zelver binne-kamers, bequaam gezien konnen werden. Aanmerkt daarenboven, dat het wormwyze uytfteekfel van 't Agter- breyn , in wezen niet is verfcheyden van de reft van ’t Agter-breyn, maar is met het zelvige over een komende. N°. L. Een ontvleesde Lever van een Kalf, gelyk men gemeenlyk, edog te onregt fpreekt. Aanmerkt, dat het zelve in een vogt hangt, op dat men de verdelinge der takken en takjens te beter zoude konnen zien. No. LI. Een Vies met vogt, waar in te zien is een Kind van ontrent vyf en een halve maand dragts , ’t zelve houd in zyn regter handje een ftuk van ’t dunne Herflen-vlies, ’t welk vervult is met roode opgcvulde Slag-aderkens, met dit devys: WAT IS ’T LEVEN? EEN VOORBYGAANDE ROOK, EN VERDWYNENDE BOBBEL. Aanmerkt, dat dit Kind zoo is gelegen in deze Vies, gelyk bet ge- meenlyk in s Moeders lyve ligt. Na LIL Een ftuk van de Herftene, met het geheele Agter-breyn. Aanmerkt ten eerften , dat de cours of loop der Slag-aderen , langs de oppervlakte van ’t Agter-breyn, hier zeer bequaam kan gezien worden , om dat de blag-aders opgevult zyn. len tweeden , kan men hier ook in ’t gezigte krygen de vereeni- ginge der iNe- lag-aders met de twee Wervel-flag-aders , als mede der zelver verdee.mge in takjens, en voornamentlyk ook een gedeelte van ’c derde Herflen-vlies , het Spinneweb-wyze vliesje , Tunica Arachnoidea geheten zynde, t welk leyt en drilt of fluctueert in ’t glas, als men het zelve wat beweegt. Ten derden, Worm-vvyze uytfteekfel, met dc twee opzy ftaande uytlteeken van t Achter-breyn , konnen hier ook veel klaarder gezien werden, als wel in een vers afgeftorven lighaam. Ten vierden, Watcerzy van de fmaldeelinge of fubdivifie van de fchorf* V. ANATOMISCH C AB I NÉ T figc zelfftatïdigheyd des Agter-breyns , in duyzende van vierkante deelt- jens, waar van ik niet alleen gehandelt heb , maar die ook heb laten af- beelden in ’t antwoord op de XII. voorgedelde Brief aan de Heer Etmul- ler, zulks kan men hier ook zien. Ten vyfden, Dit glas is gedekt, in plaats van een blaas, met een ftuk van een vlies, waar door heen duyzende van bloctvaatjens komen te paf- feren, en zulks heb ik ook gedaan ontrent meed alle de glazen, waar van voorheen is gefprooken, en die nog ftaan befchrevcn te werden 5 de ree- den die ik hier toe had, was niet alleen tot cieraad van ’t oog, maar ook om de verfcheydentheyd van de cours der bloetvaten te konnen zien. N°. LUI. Een Viesje met vogt, en daarin een gedeelte van de beent* jens des voor-voets van een Vrouw, wiens voet met een wind-doorn Sj>ina y'entofa was bezet, en zyn deflelfs beenderen van de voor-voet als in een gefmolten, en in een ander wezen verandert, verbeeldende niets minder, als beentjes van die plaatze. N°. LIV. De dunne darmen van een onvoldrage Vrugtje , dewelke zeer curieus vervult en bewaart zyn , en derzelver bloet-vaatjens met een gcel-waflige doffe opgevult. N°. LV. Een glas, en daar in een Kindje van drie en een halve Maand dragts, wiens Hoofdje gelegen is op een Moer-koekje in plaatze van een oorkuflentje, met dit devys; VAN ALLE ONHEYLEN BEVRYD, RUST IK HIER IN VREEDE. N°. LVI. In ’t midden van deze plank ftaat een groote Pededal, en daar op een natuurlyke Steenrots , voorzien niet alleen van fteenen, die uyt ’s menfehen lighaam zyn gekomen, maar vind men op de zelve ook menfche Nieren, warer-pezen en vliezen, waardoor heen vervulde bloet- vaten pafleereiij zoo dat deze natuurlyke Rots onmiddelyk niet kan gezien werden. Daarenboven is deze Rots overal bezet met bloetvaten, dewelke opge- vult zyn met een rood-waÜige ftoiFe , reprelenreerende roode Coraal- takken. In ’t opperde van deze Rots doet zig op 5 het geraamte van een Kindje van ontrent zes maanden dragts, en dat met zulk een poduur , buyginge des Lighaams, en na vooren wendinge van ’t Hoofdje, als of het gefprek wilde houden met het geraamte van een ander van dezelve ouderdom, (want het zyn geraamtjens van tweelingen} daande op de grond van de gezeyde Pededal, en aan de voet van de Rots, met dit opfchrift: WENSCH Van FR.EDERIK RUYSCH* 641 wensch en tyd bedriegen ons, de dood belacht onse SORGE; EN ALSOO IS ’T LEEVEN NIETS, Het tweede geraamte, ftaat aan de voet van de Rots, deszelfs Hoofdje is na boven gewent, als wilde het ’t eerfte aanfchouwen en toeluyfteren, en heeft dit tot devys: ’T leven is van my gevloden, zoo dra het my was TOEGEBRAGHT. Het onderfte geraamte heeft in zyn linker Handje een preparatie, die ik over 40 Jaarea prxparecrde, op de wyze als men doe gewoon was, &c. Nog ftaat ’er op de voet des Rots het geraamte van een Kindje van on- trent drie en een halve maand dragts, in wiens regter handje onthouden wer- den eenige takken van flag-aderkens, dewelke konftig opgevuk en gedroogt zyn ; deze haare uyteynden zyn zeer iyn, en curieus uyt de Longgehaalt. Deszelfs devys is: NIETS ISSER SWAAR VOOR HEM DIE WIL, N \ LVÏI. Een vies met vogt, waar in te zien is eenonvoldrageMoer- kock van een Vrouw, waar van de Figuur te zien is in de 1. Figuur van de I. Plaat. Aanmerkt ten eerften. Dat die oppervlakte, welke zig met de Lyfmoe- der vereenigt, gantfeh ongefchonden is , weshalven deze oppervlakte niet in vecle knobbelagrige verdeelthedcn is gefcheydcn, gelykze ons meeft voor- komt, wegens het ruwe aantallen: maar dezelve is gaaf en geheel geble- ven, zoo dat men het donzige, of zapagtige vlies, waar van hier vooren is gefprooken, byna gants en gaar hier zien kan : door deze oppervlakte loopt in een welgeftelde Moer*koek , altoos wel yets groevigs, edog het zelve werd door hec gezeyde vliezig wezen bedekt, ten zy dat door 9t rouw handelen de Moer-koek, als in veele deden, verdeelt wordt. Ten tweeden. Zoo kan men nu hier klaar zien, dat het donfige vlies continueel en vereenigt blyft, met dat dikke deel van ’t vlies Chorton, ’t welk die Moer-koeks vlakte bekleet, dewelke na het kind ziet, en waar door heen alle de bloetvaten loopen, en by een gehouden werden: Zoo dat, gelyk hier te vooren is gezegt, het dikfte deel van ’t vlies Chorton 7 beyde de oppervlak* ens van de Moer-koek bekleedt. Hoe verre ift dan van de waarheit, ’t geen de ontleeders eertyds waan- den , namentlyk dat de bloetvaten van de Moer-koek haar immiddels met die van de Lyfmocder vereenigden. Hnnn Wat Y. ANATOMISCH CABINET. Wat verders hier ontrent te confidereren valt, heb ik hier vooren ver- handde 'y nu, tot voldoening van die genen, welke my voormaals hebben voorge- worpen , wat ik van ’t alzo genaamde vlies Alantois en deszelfs vogt in de hee- ften oordeelde, zo bekenne ik gaarne, dat ik my daar ontrent nog niet kan vol- doen , veel min weet ik te /preken van ’t vlies Alantois en deszelfs vogt in een menfeh; nadien ik dit noyt gevonden hebbe, en door de fchaarsheyd der voorwerpen, kortheyd des tyds, en byltre on kollen, die in veertig J aar van my gedaan zyn, ben ik te rug gehouden: ’t geen ik egter daar ontrent geobferveert heb* zal ik hier in’t kort verhaalen. Noyt is my een eenig pis-vat, ‘Vrachus, ineen menfeh voorgekomen, ’t welk ik bevond toegang te hebben tot een alzoo genaamde Alantois of pis-vlies, ’t zy door blaafen of infpuyting van vogten. Het pisvat word wel aan de grond van de blaas gevonden eenige opening te hebben , ontrent een vinger breed hoog, maar dan komt de wind te ftuyten: cn verders is die niet te brengen. Het vlies ' Chor ion, gelyk hier boven gezegt hebbe, kan men in twee deelen fcheyden, tuflehen dewelke zomtyds eenige vogtigheyd gevonden werd, maar dat is,zoo ik meen , tegens de loop van de natuur j daarenbo- ven zoo zier men ’t geheele lighaam door, dat meelt alle de vliezen ver- dubbelt zynde, wel eenige vogtigheyd plaatze geven, om daar voor ee- nige tyd re huysvcllen, maar zulks is al mede onnatuurlyk, en deze ver- dubbeling van de Chor ion en verzameling van vogtigheyd tuflehen des- zelfs verdubbeling, geloof ik oorzaak geweelt te zyn van haare dwaling ontrent dat alzoo genoemde vlies Alantois in de menfehen. Ten derden, In dit glas werd ook een Huk van een Moer-koek gevon- den , wiens donzig of zappig vlies afgefcheyden is, op dat men het geitel der bloetvaten bequameiyk koude zien. Ten vierden, Des ftrengs bloetvaten opgevult zynde, kunnen hier be- quaani gezien werden. No LVIII. Het been van een kleen Kind, ’t welk natuurlyker wyzc rood van couleur voorkomt, leggende in een vogt. Aanmerkt ten ecrlten. Alle de fpieren, die het fcheen-been buygen, en op ’c agterlte van ’t dyc-beeq geplaalt zyn, kan men hier zeer bequaame- lyk zien, namentlyk de fnyders-fpier, de fchraale-fpier, de half zenu w- agtige, de half*vliezige en twee hoofde-fpieren. Tullen deze fpieren kan men de zenuwen zien, dewelke door het Heylig-been lopende haar door de dye verfpreyden, als mede der zei ver twee takken of Icheuten onder de vouwen van de knie, waar van de buytenitc en fchraallte door die fpieren loopt, dewelke op ’c kuyt-been leggen 3 de tweede en dikkere tak, I°°- pende Van FREDERIK RUYSCH. pende tuflchen het fcheen-en kuyt-been , geeft een tak van zig , dewelke tuflchen de twee hoofden van de buytenfte kuytfpier nederwaarts afloopt na de hiel. Ten tweeden, van voeren doen zig op een gedeelte van de fpieren die het fcheen-been uytdeken, namcntlyk de breed-peefige, de regte, de on- gemene grote uytwendige, de ongemene grote inwendige, en zyn alle defe Ipicren natuurlykerwyzc rood van couleur. 7 .. f • 'ff ® w • LIX. Een vies in zig onthoudende het Hart en Long van een Jong geboore Kindje. Aanmerkt ten eerden s Dat alle de blaaskens van dc Long met een waflige dode opgevult zyn, waar door de geheele Long rood en natuur- lykcrwyzc uytgefpanne voorkomt. Ten tweeden , l uflfchcn de twee groote lobbens van de Long, ziet men het Hart, natuuriyk van couleur, en van plaatze geenzints verandertzynde. 1 en derden, Des Longs flagadcr, de groote flag-ader met deflelfs drie groote afgefnede en opwaarts lopende takken j als mede de llag -aderlyke weg, en oorkens des Herte kan men alle hier zoo perfect zien, als of men het m een levendig mecfch zag. N -. LX. Een vies met vogt, in ’t welk te zien is, een naying van de peeze van de kuyr-fpieren. Cn vles-ie met waar in te zien is het deen-been van ef/r,ifn chl imct <*efieifs drie beenige Canfaalen, het flakke-huysie, met dun vlies^ F)iaarie (Lam'ma fpzrahs') beklcet met een uytne- N°. LXK. Des Miks flag-ader üyt een Kalf met een geel-wadlcrc dode opgevult, leggende in een vogt, op dat men de fappigeuyteyndcn konde , dewelke hait-vcrileete penceeltjens komen te verbeelden. t No. Een droog glaasje, waar in aan een hayrtre hangen drie Ligiaamtjwns, aewelue van Andere voor deentjens zyn aangezien, edog ik boude de zelve voor beentjens , de welke den wel-geoeffcnde Hr. Dr. Qinna gevonuen heeft in \ Pyn-appels kliertje Glaudula Tinealis van een V rouw. J . N°- LXIV. Een Kindje van ontrent drie maanden dragts , ’t welk m een vogt zeer curieus bewaard werd, met dit devys: Gelyk een Schipper word in Zee Ge Jolt, gejiingert door de haar en: lag zk fiaafa onmagtig mee ler aarde, omringt van veel gevaar en. N n n n o* Terwyl V. ANATOMISCH CABINE T Terwyl ik geene hulpe vond Toen ’s levens licht my eerfi bejïr aaide , En ik, na myn geboorte ftond *Oit *s Moeders lyfy hier adem haalde. N°. LXV. Een vlesje met vogt, waar in ons voorkomt eeo gedeelte van ’t agrerbreyn, als mede het verlengde rug-merg. Aanmerkt ten eerden, Dat het worm-wyze uytfteekzel hier klaar ge- zien kan werden, als mede de twee uytfteekzels van ’t agrerbreyn, de- welke byzyde het wormwyze üytfteekzel geplaaft zynde , een groote overeenkomft hebben met het gezeyde worm-wyze üytfteekzel. Ten tweeden. In ’t verlengde Rug-merg kan men hier de olyf-wyze, ook de pyramied-wyze lighaamen bequamelyk zien, en dat niet alleen van onderen, die befchreven zyn van den deftige Ontleeder Vieuflcns, maar ook zelfs van boven ; deze zyn uytgevonden , befchreven en afgcbeeld van my, in myn antwoord op de XII. voorgeftelde Brief, Tab. XIVL Fig. V. N°. LXVI. Een ftuk van ’t agrerbreyn, als mede van ’t verlengde merg nyt een menfeh. Aanmerkt ten eerften, Dat de merg-agtige draaden van ’t verlengde rug-merg tweederhandc zyn 3 flaraenclyk, eerft komen ons voor zoodani- ge, dewelke na de ronte loopende van my uytgevonden zyn, en onder deze, de langwerpige, dewelke ik heb doen afbeelden in ’t bovengemel- de antwoord. Ten tweeden, Zoo kan men hier ook zeer diftindl zien de twee fplee- ten, die daar gevonden werden in ’t begin van ’t rug-merg, waar van dc eene aan de voorfte, de andere aan de agterfte zyde gepïaaft zyn. Ook ziet men hier de twee uytftekert, dewelke van ’c agrerbreyn na dc ronde verheventheyd lopen. N . LXV 11. Een ontvlceft Levertje, gelyk men gemeenlyk (hoewel abufivelyk) fpreekt. De VIERDE PLANK. N®. LXVIII. aderige vlcgting van een Kind, waar inganffch geen klieren , zoo roemrugtig van de Autheuren voor ge Helt, te zien zyn, aan ’t zelve is noch vaft gehegt het JPyn-appeb kliertje, leggende op dc grond van ’t Vlesje. Aan- Van FREDERIK R U Y S C H. Aanmerkt , Dat deze gezeyde vlegting niet anders is als Slag-ader- kens, op ’t gezigt fapagtig, en wat van de Slag-aderlyke geftalceniftc afwy kende. Ten tweede , Dezelve zyn wonderlyk geflingert, en zoo Slangswyze kruypende, datze eeniger maate in ’t eerfte opftag deroogenkleenckliert- jens repraefenteeren. Ziet hier over na het antwoord op de XII. voorge- melde Brief, Tafel XV. Fig. 3. N°. LXIX. Een viesje met vogt , waar in re zien is een na de lengte doorgefnede ftuk van ’t Groote of Heylig-been> aan deffeifs bovenfte is ook nog vaft gebleven een doorgefnede ftuk van de laafte Wervel- beendere van de Lcndene: als mede aan ’t onderfte het gehele, na de leng- te doorgefnede, Staart-beenrje. Aanmerkt, Dat dit voorwerp zoodanig na de lengte doorgefneden is, op dat men het onderlcheyd zoude konnen zien, dat daar is tuftchen de tuftchen- fcheydzels der lichaatnen der Wervel-beenderen van de ruggegraar, en die van ’t Groote of alzoo genoemde Eleylig-been. Tuftchen de tuflchen-fcheydzels der Wervel-beenderen van de fugge- graat werd een kieene holligheid gevonden , en daar in een vogt, gelyk als in de andere jun&uuren des lichaams: Deze holiigheyd is hier nog te zien tuftchen het lichaam van het laafte Wervelbeen van de lendene 1, cn tuftchen dat van het eerfte Wervel been van ’t Hcylig-been. In tegendeel zoo ziet men tuftchen het lichaam van de eerfte cn tweede "Wervel-beenderen van ’t Heylig-been naulyks eenige holte, Cn tuftchen de reft gantfeh geene, en zulks is ook nier nodig, nadien de Wervel- beenderen van ’t Heylig-been onderling door Kraak-been aan den andere gehegt zynde, gantfeh onbewecgelyk zyn. Integendeel, dewyl datrer evidente bew'ecginge in de Rugge-graat is, zoo waffer die holteen vog- tigheyd immers zoo dienftig, als in de andere jun&uuren. Op de grond van deze vies is ook te zien een ten deeleontdaane Tefti- cul van een Man sper foon. Ziet ’t V. Cab. Taf. 111. Fig. 2. N°* LXX. Een viesje met vogt, de vrouwelykheydc van een kindt bevattende, welkers lippen haar natuurlyk wezen, zonder rimpels, be- houden hebben. Merkt, dat een van deze lippen, wegens de opvulling der bloedt- vaten, roodt van couleur is, en dat daarenboven, de opperhuydr af- genoroe \ zynde, twee zoorten van zweetgaten te voorlchyn komen. Maar de nymphen worden met geen huydc bedekt, cn daarom heb- benze zodanige zweetgaten niet. Nnnn 3 N°. LXXI. Y. ANATOMISCH CABINE! N°. LXXI. De Hom van een jong Walvisje, wiens halve zyde roed- agtig is, wegens hec opvullen der bloetvaren. N°. LXXII. De Siag-ader uyt een Kalfs Milt, met een waflige ftoffe opgevalt, wiens fappigc uyteyndcc op verfcheyde plaarzen overgebleven zyn, andere daarentegen weggenomen zynde verbeelden de uyteynden van verfleeten Penceeltjens. N°. LXXIII. Een viesje met vogt, waar in onthouden werd het dun- ne Herflen-vlies, met deflelfs aanhangzels, dewelke haar komen te zetten tuflehen de omwindigen der HerfFenen. Aanmerkt ten eerften, Dat deflelfs Slag-aderen ten uyterfte eynden toe opgevalt zyn, waar door het geheelc voorwerp rood is geworden. Ten tweeden, Dat dit dunneHerflcn-vlies op vcrfcheide plaarzen met vet is voorzien. N°. LXXIV. Een vies met vogt , waar in te zien is een Kindje van een Americaanfche Negerinne van omtrent Fcven Maanden dragts, wiens opperhoofdje niet alleen vervult is met Fwarte hayrrjens, maar ook zelfs het voorhoofdje tot op de Wyn-brauwen , ’t zelve is gelegen in zoo een poftuur , gelyk de Kinderen menigmaal in ’s Moeders lyve zyn ge- legen. N°. LXXV. Voor het gezeyde Kindje vind men een Indiaanfchkorf- je, waar in gelegen is het Hart van een Jonge, met defTclfs Longe. Aanmerkt, Dat de bloetvaren, als mede be)de de Ooien van ’t Hart met een Rood-waf] ge ftoiTe vervult zyn, en heeft het Hart zyn natuur- lyke plaatze behouden: ook zyn de blaas keus van de Long met een Wit- wailige fioffe vervult, en dus doende komen ons deze zaaken voor, als in een levendig menfeh. N°. LXXVJ. Een vies met vogt , en daar in een Moer-koek van een Vrouw met deflelfs Navel-kreng , waar van alle de bloet-vaten vervult zyn met een Rood-waflige ftofie., en is deflelfs iappige of ruyge vlies weg- genomen, op dat men klaar konde zien, dat de gehcele Moer-kock niet anders is als een t’zaraenilel van bloetvaren, waar tufichen gantfeh geen klierfjens te vinden zyn. JSK LXXVIL Een vlesje met vogt, onthoudende een groot ftuk vau ’t dunne Hcriïen-vlies, wiens bloct-vaten byzonder mooy opgevuit zyn. N°. LXXVIII.Een gedeelte varf t onderfte der HerfFenen van eeameufch, met het gehecle agtcr-brcyn, zoo als het ons van onderen voorkomt. -Aanmerkt ten eerften, Dat tuflehen de twee deelea van’t Agter-breyn, ook twee byfondere uytfteekzels gevonden werden, en tuüchen deze we- derom het worm-wyze uytfteekzel. Ten Van FREDERIK R U YS C H. len tweeden, ae twee Olyfs-en Piramiedswyze lichaamtjens, dewelke van de Heer Vieuftcns befchreven en afgebeelt zyn, kan men hier bequa- naelyk zien, als mede de Reuk-cn Gezigt-zenuwen &c. Ten derden, De bloervaten van deze Herftene zyn niet vervult, en daarom komt ons dit voorwerp voor, wit van couleur. BK LXXIX. Een glaasje met vogt, en daar in een ft uk van de Herft lenen, namentlyk het verwelfzel met deflelfs twee alzoo genoemde armen. De twee op Zy ftaande holligheden of groeven zyn het opperfte der twee voorlte Herflen-groeven: In ft agterfte van dit glas komt ons nog voor een anoer deel van de Herflenen, en ook van ft dunne Herflenvlies uyteen Rmd, wiens bloetvaatjens vervult zyn met een roodwaftlge ftoffe. N°. LXXX. Een viesje met vogt, in zig onthoudende een over langs doorgefnede i epel van de borft van een Walvis. c , Als men dit voorwerp van vooren ziet, zoo ziet men een doorntje daar in fteken, ft welk ons aanwyft den Melk-canaal , dewelke met alleen geveurt, maar ook zelfs gefazelt is. Als men het zelve glas omkeert, zoo doen zig op, voor eerft een in- geftoke doorn, en dat aan de linker zyde van ft voorwerp, aanwyzende het nytei-lyke bekleetzel des Tepels, het doorntje aan de rechter zyde W)'L^Saan zenuw-agtige Tepeltjens, dewelke ontdaan zynde, re- Pr TikTv6 ia^r;^e bundeikens. Ziet hier over verders na het I. Cabi- net, lab. IV. Fig. 1. - XXL Een droog viesje waar in bewaart werd een zeer wit ge- raamte van een Muys dewelke op een van de agterfte booten ftaande fchynt te danzen ; tuflehen dcffelfs agterfte poor?n werd gevonden een vrugt van een grote ftckelige Indiaanfchc Vyge, die byfter vol van doornt- jens bezet is. v..y. “■ ”B'—»q*. **»*» fSI en vlcsie met vogt waar in te zien is de Foort-adcr vult VrUgtJe> en dc(fdfs uyleynden wonderlyk ver- frwr - !^eni der Hcrffenen uyt een Menfch , wiens der h-tpn * le} d rood van couleur is , wegens het opvullen °etwate , dewelke de fchorlfige fubftantie zelfs zyn. Deze ET Tab. in ’tantwoord °P de XII. voorgcftclde Brief, 648 V. ANATOMISCH CABINET De VYFDE PLANK. No. LXXXV. TT Et regrer Oor van een menfche Hart, wiens binnen- 1. i.fte oppervlakte buytenwaarts van my is gewent, op dat men de vléefige Ilutzels beter konde zien. t Aanmerkt ondertuflchen , Dat deze Ilutzels niet alleen op ver- fcheyde plaatzen aan ’t Oor valt zitten, maar ook in haar midden daar van zyn gefcheyden , ’c welk deze doorgeftooke borileitjens aan- wy zen. N°. LXXXVI. Een viesje met vogt, waar in te zien is een (luk of moote van de Herflene van een Mcnfch, wiens fcborflige zelfftandigheid wegens het opvullen der bloct-vaatjens rosd vorkomt. Aamuerkt, Dat men in ’t mergagtige wezen hier ook een fchorfig we- zen vind. N°. LXXXVII. Een droog viesje in zig onthoudende Slag-aderlyke takken, die met een rood-waflige ftoffe zyn opgevult; op den grond van dit viesje vind men een wit geraamte van een Muys, in een zeltzaame po- fcuur geilek zynde. Nt#. LXXXVIIL Een viesje in wiens vogt bewaart werd een (luk van de Colyk-darm van een menfeh, met deflelfs bhnde-darm en worm-wyze «ytfteekzcl: dit voorwerp verheelt nog levendig te zyn. N°._ LXXXIX. De Neus van een mênfch in een vogt bewaart, waar in tc zien zyn deflelfs kraak* beemge verdeelt beden, die met vyf in getal zyn, gelyk de Autheuren fchryven, maar agt. Ziet het antwoord op de VUL voorgelielde brief. Tab. IX. Fig. V. No. XG. Een Zaad-bal vaneen Menfeh, wiens fchee-Vlies geopend zynde, de bereydende Vaten gezien konnen werden. Aanmerkt ook, dat door het buytenlle van ’t gezeyde Vlies zeer veel opgevulde Bloet-vaten loopen , ook ziet men hier het opfchortfndt Spiertje, ’t welk witagtig hier nu voorkomt, om dat deflelfs vaatjens niet opgevult zyn. - N°- XCI. Een vies met vogt, cn daar in twee Miltjens van Jong ge- boore Eindertjcns, welkers bloct-vaten , die de Milt maken, opgevult zyn met een rood-waflige ftoffe. Aan deze Milten zitten de Maag-kuf- fekens nog vaft, die om dezelve reede zeer rood couleurig zyn. N°. XCIi. De helft van een menfche Neus, zeer levendig van cou- leiu , in wiens vleugel het teken van een kinder pok je is gebleven > het welk een Sterretje komt te verbeelden. Aaa- van FREDERIK RUÏBCH. Aanmerkt ten eerften, Dat men in ’t vel, ontbloot zynde van ’t opper- velleke, tweederhande zweet-gaatjcns zien kan, namentlyk groote cn kleene Des Voorlips ruygc geftcltheyd vertoont zich hier ook, om datdeflelfs be- kleetzel niet weg-gcnomcn is. Ziet hier over na het IV, Cabinet. Ten tweeden, dat in de traan-canaal een pennetje is geftooke, om het uytcynde defes canaals tekonnen zien in de holte van de Neus. N XCIIL Een vlesjc met voght, in zig onthoudende het gedarmte van een jong geboorc Kindje, cn zyn dezehaare bloctvatjens opgevult. No. XCIV. Een ftuk van ’t vel van ’t Voorhoofd van een jongh gc- boore Kindje, met deszelfs opperfte Oog-fchel, levendig van couleur. Aanmerkt, dat aan de uyterftc omtrek hier gezien werden alle diemon- dekens, waar door een vogc pasfèert, ’t welk het uyterfte der Oog-fchel- Icn tebeftryken. No. XCV. Het acngezigt van een jong geboorc Kindje, zeer levendig van couleur, rondt om ’t zelve zyn gelegen de opgevulde Slag-aderen van ’t dunne Hersfenvlies. N°. XCVI. Een droog viesje, cn daar in een ftuk van \ vel tot leer bereid, en in draden uytgerafelt. No. XCVII. Een viesje met vogt, waar in gezien werd een ftuk van des Longs Slag-ader zeer konftig opgevult met een wafchagtige ftofte. No. XCVIII. Het Agterbreyn van een kleen Kindje, op dezelvewy- ze geconfervcert. J N . XCIX. Een menfehen Oog met deszelfs Oog-fchellen; op dat het Oog zyn rondigheyd zoude behouden, is ’t zelve opgevult. N°. O. Een droog glaasje, en daar in het Kloot-zakxke vaneen menfeb, ’t zelve is opgeblafen, en opgefnede, opdat men bequamelyk zoudekon- nen zien deszelfs tusfehen - fcheydzel, als mede de celluleuze geftelt- heyd van ’c vlies part os. Ziet deszelfs Figuur in ’t antwoord op de I. voorgeftelde Brief. Fig. I. Tab. I. No CL Een ftuk van een omgekeerde Kronkel darm uyt een Kind, om de rimpels, cLalzoogenoemde klieren, het Fiuweele vlies, en zweetgaat- jes, die een zeef verbeelden, bequamelyk te konnen zien. No CU- Een droog glas met een ftuk van de Colyk-darm, met des. zeifs Blinue-aarm, vvorm-wyze uytfteekzel, en een gedeelte van de Bog- tige darm. Aanmerkt, Dat het Klap-vlies of Klap-vliezen van de Colykdarm hier bequaam konnen gezien werden; het zelve is genomen uyt een Jonge. K*. CIIL De helft van een Nier, na de lengte doorgefnede, op dat O o o o men V. ANATOMISCH CABINET _ f . men dcszelfs inwendige geftcltheyd zoude konnen zien; hier van isgehan- dclt in de voorgaande Cabinets bcfchryvingh. No. Cl V. Ecn geopende Blaas uy t een menfeh, waar in te zien is des zelfs ongelykc binnenfte oppervlakte een vinger dik te zyn, veroorzaakt door een ft een, die men in de Blaas gevonden heeft. N °. CV. Een droog viesje, waar in gezien werden de geraamtens van twec'Muyzen, die zeer curieus toebereyt zyn, een van de zelve hout in zyn linker poot de ftaart van een Aal, dewelke zoo toebereyt is, dat men niet alleen de graaten , maar ook de onderlinge vcrccninge der vinnen zeer cu- rieus zien kan. N°. CVI. Het Maagje van een jong-geboorc Kindje, met dcszelfs twaalf vingerigc darm, in een vogt; dcszelfs Slagadcrkens zyn tot de uyterfte uyteyndcn vervult. N°. CVIL Het vlies Qhorion met deszelfs Moer-kockjcns, een fpcldc hoofd in grootc niet overtreffende, uyt een Zogh of Varken; des zelfs bloetvatjens zyn zeer volmaakt opgevalt. DE GROTE LAADE onder dit vyfdc CABINET Onthout in zig verfiheyde cederen vierkante kiftjens of doozen. Ia de I. dezer werd gevonden een Doods-hoofdje van een jong Kind, 't welk ons zeer fraay voorkomt, enis’t zelve in twee deelen verdeelt. In de holte van ’t bovenfte deel, ziet men het harde Herszen-vlies, met dcs- zelfs bloct-vaten die zeer kondig opgcvult zyn. Aanmerkt ten eerden, Dat de Zeyzen-wyzc groeve opcngeblcvcn is, zoo dat deszelfs wezen zeer diftin£b gezien kan werden. Ten tweeden, Dat het vliesjc, ’t welk Fontanella heet, natuurlyker wyfe gefpannen ftaat, zonder cenige rimpels. In het ander, of onderftc deel van dit Doods-hoofdje, kan men defe na- volgende zaakenzien. Ten eerften, dat Het bekleetzel van’t verhemelte rood is, wegens haar opgevulde bloetvaatjens. Ten tweede, dat beyde de Trommel-vlieskens zeer rood zyn, wegens haar opgevulde Slag-aderkens. Ten van FREDERIK RUYSQH. Tc« derde, Dat het Agterhoofds-been ,in die tyd beflaat uy t vier bcender- kens. Ten vierden, ziet men hier,dat ’t onderfte Kaakcbcen ,’t welk uyt 3 ftukken beftaat, door een vlieftgh en Kraak-bccnig toedoen gemeenelyk vereenigt zynde, hier nog een overtollig beentje bezit, ’t welk tuflehen de gezeyde vereeniging werd gevonden» In het 11. Cederc KASJE werden gevonden de Zaad-blaaskens uyt £en "engft, dewelke zeer aardig twee Gal-blaaskens uyt een menfeh ver- beelden , dewylzc gants geen cellekens hebben. In het 111. werden gevonden voor eerft het binnenfte vlies van de Lyf- moeder van een Koe, getekent met Lett. A. In dele ziet men die uyt- puylenthcden, dewelke altoos gevonden werden in zwanger-gaande Koe- yen, deze werden van zommige Coty ledones geheeten, van andere ook hoewel t’onregt, het tweede deel van de Moer-koekjens. De Moer-koek als Moer-koek kan in geen twee deelen verdeelt werden, om dat zy eygentlyk een deel is van de vrugt, en niet des Lyf-moeders; maar dat uytpuylend deel van de Lyf-moeder is niet anders als een uytbotting of uytzetting des Lyf-moeders, geduurende het zwanger-gaan, die haar op die plaatze laat vinden , daar de Moer-koekjens met haar ver- eenigt werden : en defe Coty ledones of uytbottinge des Lyf-moeders heb- ben veele zeer diepe holletjens, waar in haar komen te zetten de penceel- wyze oet-vaten die de Moer-koekjens eygentlyk conftitueeren; en hoe- we men m e rouwen die veelheyd van zoodanige uytpuylentheden des Lyf-moeders met vind, geduurende het fwanger gaan, zoo is ’t evenwel dat ik bevonden heb , dat ter plaatze daar de Moer-koek zigh vaft maakt aan de Lyf-moedcr, ook een uytpuylentheyd gevonden werd in de Lvf- moeder. J . Aanmerkt ook, dat dit binnenfte vlies des Lyf-moeders zeer ryk is van bloetvaten, mzonderheyd ontrent die plaatze daar de Moer-koekjens haar laten vinden. Het buy tenfte vlies des Lyf-moeders van een Koe, getekent *iv t^°TQ W°et"vptjens,maar defe verfchillen veel van dc gezeyde. Het IV KISTJE of vierkante Doos ontholid in zig het Net van al et vet ontbloot, verbeeldende een ftuk zyde Floers. In het V. werden gevonden twee hart gebalzemde menfehen Nieren , ewelke monftreus groot zyn, en zyn der zelve bloet-vaten met een Rood- waszige ftofte vervult. J Aanmerkt ten eerften. Dat de Nier-aderen zeer ongewoon hier voortko- men uyt de Hol-ader een wcynig hooger als ter plaatze, daar de Hol- ler haar in twee Heup.takken komt te verdeden. 0000 2 Ten V. ANATOMISCH CABINE T . Ten tweeden, zyn de twee Pis-leyders ongewoonelyk ruym , ei* met een Wit-waszige ftofte opgevalt, en hebben in ’topvullenhaarc gints en weder lopende cours hier behouden. Ten derden, Yder Nier heeft twee Niers flag-aderen, waarvan de eene uyt ’t bovenfte, d’andere uyt het onderfte der Nieren voortkomen. Ten vierden, ziet men hier , dat de nederdalende ftronk van de groote Slag-ader van zig geeft de Maagsflag-ader , en onder deze de opperfte darm-fcheyls flag-ader , ook de nier-flagadercn, de onderfte darm- fcheyls flagader,der Lendenen flag-aderen , enz. beyde de Zaat-aderen ko- men hier uyt die der Nieren voort. In het VI. vierkante KISJE vind men het Middel-rift , en deszelfs me- nigvuldige pezen uyt een Jonge, waar aan nog valt zitten een deel van de groote Slag-ader ,’en Harte zakxke: ’t zelve is zoo toebereyt, dar men zeer be- quaam de vereeniging van ’t Harte zakxke met het Middel-rift zien kan. In het VIL werd bewaard de Borft van een kleen Kind, geopent zyn- de, om te bequamer de lighamen der Wcrvel-beenderen te konnen zien, als mede het beloop der Ribben. Aanmerkt ten eerften, Dat de tuflchen-ribbigc Slag-aderen niet alleen uyt de nederdaalende ftronk van de groote Slag ader voortkomen, maar ook zelfs uyt de Mam-takken, en zulkx kan men hier te bequamer zien, ofn dat defe vaten zyn opgevult met een Rood-wafchagtige ftofte. Ten tweeden , Dat de opperfte Ribben na boven, en de onderfte na beneden loopen. Ten derden, Hoe de Slag-aderen van ’t groote of Heylig-been weder- zyts loopen.. In de VUL Doos of KISJ E vind men nog twee Nieren uyt een menfcb, de welke vervult en hare geblalfemt zyn met een ftuk van de Hol-ader, cn beyde de Nieren-aderen daar aan , daarbenevens zyn ’er nog aan vaftde lin- ieer Zaad-ader, voortkomende uyt de ftronk des hol-aders* ook zyndcr de twee pis-leyders met haar bekkens, en de twee by-nieren noch aan vereenigr, dit alles kan hier gevoegelyk gezien werden. Boven de gezeyde groote Laade werdender nog vyf wat klcender ge- vonden, dezelve zyn voorzien van Hoorntjens, Schulpen, en anderezaa- ken,, die ons zoo uyt Ooft'-als Weft-Indien zyn toegezonden, waar van ik hier na mdlchien zal handelen». VER, ran FREDERIK R U Y S CH. VERKLARING Der Figuuren van ’t VYFDE CABINE T. De EERSTE PLAAT. De EERSTE FIGUUR 653 Wyfl ons aan de na-geboorte van een Menfch. A. De oppervlakte des Moer koe ks, dewelke tegen de Lyf-moeder aan- zit, en met eenruyg bekleetzel bezet is, B. Het ruyg-agtige gedeelte van ’t Vlies Chorion, 3t welk van de Moer- koek af-hangt, C. Het dunfte gedeelte van ’t gezegde vlies Chorion, afgefchyde van 9t dikke en ruyge gedeelte, ’t welk te onregt voor het vlies Alantois werd gehouden. D. Een gedeelte van de Moer-koek, ’t welk ontdaan is van ’t gezeyde ruyg-agtig bekleetzel, klaar lyk aanwyz en de, dat des zelfs wezen niet an- ders is, als een ffamenftel van b loet-vat en, zonder het tuffenkomen van t enige de min [ie zoo zeer beroemde kliertjens. £. *2) O Navel-ftreng.. F. 2) at gedeelte van ’t ruyge-vlies, ’t welk de oppervlakte bekleet % die na de Lyf-moeder ziet, en daar mede vereenigt is, Q. Een gedeelte van het vlies Amnios. De Tweede FIGUUR ffyji ons aan het afheelt zei van de nageboorte van een onvoldrage, en ontrent twee maandig Schep feitje, ’t welk na ’t vergaan offmelten van’t Schepfitij6) nog in de Lyf-moeder meer en meer is geperft en verhard geworden j en hierdoor is ’t, dat het niet minder als een nageboorte komt te verbeelden. A* Des Moer~ koekjes uyterlyk wezen. B. Een opening van my door de fchaar gemaakt, om in de holligheyd te konne zien. C. Een gedeelte van ’t geronne bloed, ’t welk in de inwendigen hals van de Lyfmocder heft gezeten, en zig hier als eenfeeitje op doet. Oo o o 3 Aan - V. ANATOMISCH CA BIN ET Aanmerkt onder tuffen, dat bet Schepfeitje van die ouderdom vernietigt of gefmolten zyn de, het Moer-koekje en vliezen met veel bloed getneenlyk bezet zyn y waar door de nageboorte veel groot er en dikker fchynt te wee* zen, als zy in der daad is. De TWEEDE PLAAT. De Eerfle FIGUUR Stelt ons voor oogen het af ge zaagt Hooft van een 'Hye-been. A. Het gladde 3en uyterlyke deel y’t welk met kraakbeen bekorft is, B. Het inwendige Sponcieusbeenige gedeelte. C. Het buytenfte en groevige deel, met geen kraakbeen omvangen. D. IDe uyterlyke vaftbeenige fchille des beens y dewelke zeer gering zyn* de y aan de eene zyde naulyks te zien is. De Tweede FIGUUR Wyft ons aan het boven fte gedeelte van V *Dyebeen vaneen Jongy dog volwajfen Ter zoon y’t welk van de twee Trochant eres, of alzoogenaamde uytwajfen, ( die ik Baftaart-uytwaffen noeme ) ontbloot is. A. Het afgezaagde gedeelte van ’t gezeyde been. B. Het kleenfte uytfteekzely waar van door ’t koken de kleene Tro- ehanter afgeweken is. C. *De hals van H T)yebeen, waar van het Hooft is af ge zaagt y omal~ zoo het inwendige Sponcieus-beenig wezen, als mede de dunheyd van de vafibeenige en uytwendige fchille te konnen zien. D. *De gezeyde be enige fchille, die /tan de eene zyde byfter dun is, en oor zake geeft tot het ligt breken des beens op die plaatfe. E. f)e Sponcieufe beenigheyd van den hals van dit beeny De Derde FIGUUR Verheelt de kleene Trochant er y die door het koken van ’t waare deel des TOyebeens is afgeweken. De Vierde FIGUUR TVyft aan het bovenfte gedeelte van do Herffen-panne vaneenkleyn Kind, in wiens holte nog vaft zit hst harde Herffen~v lies, met des zelfs Jlag*m deren, die met een rootwajjlge ftojfe op ge vult zyn. B. ttCtS.r: SO?-B r. ' L iJï'uy^e/'/s. aJu&üm . tiïeerd. Tóf. go. van FREDERIK RUYSCH. 655 A. Een gedeelte van de buytenfte oppervlakte van de Herjfenpanne. B. De Cours dezer Slagaderen door het harde Herffenv lies. C. Der zelver cours langs de zyde van ’t Zeyfen-wyze uytfleekzel on- der de Fontanella. D. De Groeve van den Ztyfen-wyze uytfieek. E. De Zeyfe. J In De DERDE PLAAT Werden vier Figuur en gevonden, waar van de De Eerfte FIGUUR Ons vertoont een gedeelte van de Staart, en Heylig been van een kindt 3 als mede een deel van het lighaam van het laat ft e Wervelbeen van de Lendenen* dit alles werd in twee deelen na de lengte verdeelt zynde y op zyde ge- zien. A. Een gedeelte van ’t lighaam van het laaft e wervelbeen van de Len- denen. B. Het uytwendig en Sponcieus-beenige gedeelte. • e holtetufte hen het lighaam van het laaft e Wervel-beenderLen- denen ,en V eerfte van 't Heilig been, i / 6 tnJften de Lighamen der Wirvel-beenderen van ’t Heylig- been, dewelke ook wel eenigzints holligheden verbeelden, egt er geen hol- ligheden zyn, ziet men ook dat ze van boven affuccejjivelyk minder en minder daar na gelyken. Dc Tweede FIGUUR , Vertoont een gedeelte van de Rugge-graat van eenjong Kinty werden *** ee^en na de lengte gefcheyden ts 3en zydelings kan gezien B. B. -- In de Vierde F I G UUR JVerd verbeeld een gedeelte van een ontaarde Voorvoetj wiens fubftan- yie veel .zagter als been is ge worden d wegens een voorgaande fVint~doorn QSpina Vent o fa'). Ade deze Koot en zyn tot een Lighaamgeworden, en als tn een gefmolten. , ö De Vyfde FIGUUR V?r toont ons drie beentjes of ft eentjes in het Pynappels-kliertje QGlan* du la 'P mealis') van een Menfchgevonden 3 deze hangen aan een hayrtje. E Y N D E. HET 3k£S.: V‘: Tjls, nr, % r*fs , 'lóf.yz. ad z'tT'um , Jeu fa HET SES D E ANATOMISCH CABINET VAN frederik ruysch, Med. ‘Doft. Hoog-Leeraar in de Ontleed en Kruidkunde: Medelït in de Eeyferlyke Academie in'Duytfchland5 en van dc Ktninklyke Maatfc happy e der Geleerde in Engs landt en Frankryk, BEMINDE LEESER. DEwyl nu het Sefde C'ah in et in V hght is gekomen, waar in, als mede in voorgaande, en volgende zaken werden gevonden , de- welke waarlyk als nieuwigheden te houden , en aanmerkens waar- dig zyn : Zo is myn voornemen private Collegien ten mynen lluyfe daar over te houden, en dat Vgehele Jaar door , Jonder ophouden, van twaalf tot een of half twee uur en. In dit Collegie fal ik alle party en, ja ook alle de kleenjie deeltjens van ’s menfchen Lighaam aanwyfen , die voor yt grootfe gedeelte, in een feer heldere voght gehangen zyn, waar door veele zaken klaarder kunnen werden gezien, als buyten de Voght, gedrooght en bard gemaakt zynde. Dewyl eghter eenige zaken bequamer gefen kun- nen werden, na datfe ver hart en droogh gemaakt zyn , zal ik die, in Doofen en Kasjens bewaart wordende , ook aanwyfen, over alles een kleen difcours voerende. Nadien nu onder alle defe toebereytfelen veele buyten haar plaatfe zyn genomen-, zal ik daar toe een Lighaam nemen, om defelve in haar natuurlyke plaatfe aan te wyfen; ook is myn meeninge een reys of twee wat te Anatomiferen in ’t lighaam zelfs, voor die geene, dewelke begeerigh zyn, de bandelingh daar van te zien. Dit alles verrigt zynde, foo is de meninghe over te gaan, (voor die gene die nog tyt overigh hebben, en haar verblyf nogh wat kunnen verlengen,) tot het vertoenen van de viervoetige Dieren, Ziften, Hoorens, Schelpen, Capellen, Vogels, en veele Zee-zaken, die al te famen voor V meerendeel, uyt Ooft en IVefi-Indien overgebragbt zyn, en zyn defe foo groot in getale, dat ik van die zaken, ontrent de 1500 VLejfen vergadert hebbe, uyt geno- men die gedrooght zynde in Doofen en Kasjens werden bewaart: foo dat 3er al vry veel tyds vereyft werd voor die geene, dewelke alles met een naukeurig oogh willen beften, en zal ik daar Ue nemen alle dag een uur, en dat van 12 tot een of half twee uuren. Die zaken nu, die het ’j* menfehen lighaam betreft en, en m 16 Cabinetten op ge floot en zyn, defe me e- neik in vier of vyf weken af te zullen doen. VOOR* $59 VOORLOPER Van het Sefde ANATOMISCH CABINET. Vm den ‘Profijfor frederik ruysc.h, WAar in aangewefen word, dat geenfints den Trofejfor Vieuf- fins , maar ik, de eerfie uitvinder van verfcheyde nieuwig- heden ben, die hy in fyn tralfaat, 't welk den naam draaght van een N icuwe helling der bloet vaten in s’ menfchen lighaam , oeeff aten inyloeyen. JSfa dat ik van nu ontrent over 14 Jdaren uytgevonden heb 6 een nteuwe manier van ontleden , prepareren, en vertoonen, waar door eparty en,ja de aller kleenfte deeltjens van V menfchen lighaam zeer aar veer ons gejigt gebragt worden, en zonder welke ik meene, dat zulks te doen, onmogelyk is. In 't Jaar 1696 heb ik begonnen met het uytgeven van eenige brieven, die my vraags-wyfe wier den voorgejielt met hare antwoorden, en daar toe dienende Figuur en-, in defelve werden zeer vee le nieuwe, en van my uyt- gevonde zaken verhandelt, nadien ik doenmaals een methode uyt gevonden had, waar door de lighaamen der menfchen na haar dood, als weder le- ven tg ois uoor 00gen komen, gelyk van een yder werd getuygt, die tny dies , a&ehks komen befoeken, en V zelve komen te zien: onder dewelke ook is geweeft den Eerwaardige Heer Tap in, doenmaals uyt Ooft-In dien gekomen zynde, dewelke op defe myne lighaamen verfcheyde Latynfe vaar Jen maakte, onder dewelke dit in 't Neerduyts overgefet, ook gevonden werd. Hooglecraar Ruyfch, uw konft, doet \ doode Kind Herleven, en ons nutte Leering geven. Ook zonder tong. Het ipook dat all’ verflind. Bcgind dus voor hg felven ook ts boeven. Pppp 2 Tiaar VOORLOOPER ‘Daar en hoven was het doenmaals ge enfmts gebruykelyk , dat de \Pro- feftftoren , in de Anatomie eenige geprepareerde zaaken in een vogh- tigheyd hangende , medebragten , om die dan daar nevens te vertoo- nenj gelyk ik doenmaals begon te doen: want ik meende, dat de Anato- mifche vertooningen, dewelke gefcbie den in vers af ge ft orvene menftchen, niet zoo bequaam waren , alsmen die niet doet ver feilen met geprepareerde za- ken , in een vogt op gehangen zynde: en al zoo heb ik eenige rep Jen , ont- leedkundige vertooningen gedaan in de lighaamen van ftongelmgen lange ft aar en na haar dood, gelyk zulks bly kt uyt de gedrukte bekentmakmgen, waar onder ook defte volgende is geweeft. BEKENTMAKING H. Beminde Lcfer. Sec, NAdien myn gewoonte is, alle Jaareneen of tweepublykc ontledingen te doen, en een geheel Jaar geen gelegentheyd heb konnen krygen, om ’t zelve in een versafgeftorve menfeh teverrigten5 zoo is myn voorne- men , den cerfte Dingsdag van de Maand Auguftus, een aanvangh te nee- men, met een publyke ontleding 5 op het Theatmm Anatomicum, endatin defelfde lyken der drie Jongelingen, dewelke nu ontrent 10 Jaaren gele- den, geftorven, en in het Jaar 1695. in July, en 1696. in O&ober, publyk vertoont zyn. Defe gefeyde Lighaamen hebben haarc natuurlykc geftalteniffe, door onfe konft weder gekregen, die fy hadden , wanneer fy nogh leefden , cn wat meer is, dezelve zyn van tyd tot tyd nogh meer en meer opgeheldcrt, gelyk zulkx dan zal konnen gcficn werden. De eerfte defer verheelt een flapende Jongeling, fchoon cn welgemaakt van tronie, met rode wangen en lippen, effen van vel, zonder rimpels, cn dat alles zonder eenigh > blanketzel of verwe befmeet te zyn, gelyk zulks gebleeken is in ’t Jaar 1696, wanneer ik op ’t verfoek van zeker Heer, defe zyn tronie met Zand, Zout, Zeep 5 water en een doek, by- na tot ontvellmgh toe, fterkvreef, in’t byzyn van alle die geene, dewel- ke de gefeyde Anatomie met haare pralende vereerden. Deflelfs Herffene, Maagh, Darmen, Lever, Milt, Nieren, Har*> Longh en andere ingewanden zyn nogh zoo fris en welgeftelt, datzeia 5c aanfien die van veele levendige menfehen overtreffen. Dit van het Scfde C A B I N E T, 661 Dit Lighaam is myn voornemen na gewoonte aangeklect te vertoonen 3 zonder ’t zelve tc ontleden , en zoo ongefchonden te bewaren. Het tweede in tegendeel, is van my inde gefeyde Jaaren publyk ontleer, deflelfs Spieren gefcheyden, en zoo vertoont. Het derde heb ik zoodanig ontleed, dat ik yder deel apart konde ver- toonen, ten eynde die geene, dewelke wat verre al ftonden, yder deel wat nader toegerykt koft worden. Omtrent dele gezeyde lighaamen ftaat te conftdereeren, dat alles in haar veel klaarder, diftin£ter, en netter zal werden vertoont en geilen, als wel mogelyk is te doen in een vers afgeftorve menfche: nadien het meer als kenneiyk is, dat alles wat in een menfeh uyterlyk aangenaam is voor ft oog, door ’t fterven weg genomen werd, en van wefen verandert en al- foo mede is ’t, dat de inwendige partyen van haar natuurlyke geftalte ook veel verliefen, ja de allerfubtielfte deeltjcns haar voor onfe oogen verber- gen. Nu door defe van ons uytgevonde konft, werdaandeafgeftorvene Lig- haamen haar natuurlyk wezen zoodanig wedergegeven, dat menie van een levendig en flapend menfeh niet kan onderfcheyden, zynde alle de Leede- maten , die m afgeftorvene ftyf en onbeweeglyk zyn, in defe zoo bewecg- lyk, als in een levendig menfche. Daarenboven geven de dooden wel haaft een onaangename reuk van haar; defe in tegendeel zyn aangenaam van reuk. In defe Anatomifche verhandeling is myn voornemen niet alles in die ordre te verrigten, gelyk men gewoon is te doen, maar zal defelve hou- den als een naleling van mync voorgaande Anatomifche demon ft raden, en in defel ve veele zaakendie van andere gcnegligeert fyn , als mede eem- ge nieuwigheden, aanwyfen. Ten Eerfte, is mynvoornemen van de algemeene dekfels of bekleetzels van ’t lighaam te beginnen, en by die gelegentheyd ook te vertoonen het beklect- zcl van de Voorlippen, ’c welk nog voor een Oppcrvelleke, nog voor Vel, gehouden kan werden, nadien daar ter plaatze geen vel te vinden is. Dit aangewefen zynde , zal ik de waare felfftandigheyd der Voor- lippen felfs vertoonen , dewelke ik voor drie Jaaren uytgevonden, en in de befchryving van myn derde Cabinet met Fig: afgebeeir hebbe, ft welk ons zal ontdecken, wat de oorzaakcis, dat qualyk gefteldt, of van haar bekleetzel beroofde Voorlippen, zoo veel pyns verwecken. Ten tweede. Meen ik dc borften te vertoonen , en nadien die van defe Jongelingen te kleen zyn, om alles ft geen in de Borften te zien is, aan te W-yftn, zoo is ft voorneemen tot meerder vaklaaringe, verfcheyde Pppp 3 Bor~ 662 VOORLOPER Borften van afgcftorve Mannen, Vrouwen, zoo van fwanger gaande,als van foogs zynde, ook van Jong geboore kinderen, en een ftuk van een Walvis Borft, als mede een van een Koeje uyer mede te brengen. Ten derde, Zal van my aangewefen werden het ondcrfcheyd van defer en gcener bloetvatcn uyteyndcn, niet alleen ten opfigte van haarenloop, maar ook wegens haare felfftandigheyd ,waar aan de Ondcders niet gedagt hebben. Ten vierde, De Vereenigingc der uyteyndcn der Slag-adercn van de Nieren met der fel ver Pis-canaaltjens, mede in’t derde Cabinet afgcbeelt. Ten vyfde, Dat men te vergeefs eenige gaten in een wclgeftelt Net van een menfeh foekc. Ten zesde i is myn voornemen te vertoonen die feldfaame en Worm- vvyfe cours der bloctvaten, die het grootfte gedeelte van de Nieren uyt- maken , gclyk in ’t derde Cabinet ook afgebeelr is, als mede Ten zevende, Dat des Levers en Milts felfsftandigheyt uyt loutere bloetvaten, en geen klieren haar beftaan heeft. Ten agfte, Datter geen van dc Vliefcn der Darmen meer voorden is van Bloet-vaten als wel het Zenuagtige vlies, ’t welk daar van alsdoor- zaeyt is, en dat van wegen de alzoo genoemde Darm-kliertjens, dewel- ke haar beftaan in dit vlies, uit der bloetvaatjens uytcynden, krygen. Ten negende, De Manieren wyfe, hoe men alle de vier vliefen der Darmen op’t bequaamft voor oogcnftellen kan ,om yders wefen diftin&e- lyke te zien. Ten tiende, Dat dc Poort-adcr veel meer tackcn en tackjensheeft, als de Hol-ader, voor zoo veel als de Hol-ader zig door de Lever verfpreyc of liever voor zoo vcelfe de Lever helpt maken, en dat zulx aanmerkens waardig is, zal niemand meene ik , tegen fpreken. Ten elfde. Op watwyzemende gemeenfehap van de holte van het der- de paar Beenderen van de opperfte kaak, met dat van de Neus weder- zyts beft kan aanwyfen, alsmede de gemeenfehap van die Canalen , de- welke van ’t verhemelte des Monds, na het werktuyg van’t gehoor loo- pen ; ook de communicatie van de holte, die men onder de Paarde-zaal vind , met de hollighcyt van de Neus. Ten twaalfde , Zoo is myn voornemen defe demonftratien te vermen- gen met eenige Chirurgicaale operatien 5 onder andere zullen wy een gc- brooke been herftellen, verbinden, en by dieoccaftc eenige feltzaamhe- den ontrent het fcheen-been vertonen, als daar zyn, Pen Scheenbeen, wiens binnenfte tafel in de gedaante van ccn holle pyp5 na een voorgaande caries geheel en al van de natuur uyt geworpen is, dc groote van anderhalve vinger lang, waar van, zoo my berigt is, dc van het Sefde C A B I N E T. de Hr. ProfF: du Vcrne ook een exempel vóórgekomen is. Een fcheenbcen daar ganrs geen holte in te zien is. Een dat men buygen kan als een ryske enz. enz. Hoe men beyde de tafels van ’t fchcenbeen op ’t klaarfte vertoonen kan. ’ en wyfe om de bloetvatjens die door het vlies loopen, C M Innenin Scheen en dyebeen gevonden werd, beft kan aanwy zen. Met defe demonftratien ben ik van meening een aanvang te nemen, ge yk hier voore gefegt is, de Eerfte Dingsdag van de maand Auguftus *7°3 tcn 3 uuren, op ’t Thcatrum Anatomicum , en zulks tweemaal des weeks vervolgen, namelyk Dingsdags en Viydags , en dat inde Ne- derlandlche en ook Latynlchc Talc, na vcreyfch van zaken. Waar tcc alle Liefhebbers van de gefcydc Konft worden genodigc van. Fredericus Ruyjch, Profejjor y en van de Ovcrluyden van ’t Chirurgyns Gild. Hier na zoo heb ik myne geprepareerde en geconferveerde Jlukken o- pen aat beginnen te maken, by manier van bejehryvinge der Ana- tomijc je abinetten, waar in de felve bewaard worden, en hebbe daar 00 zeer vee le Figuur en ingevoegt, dewelke na V leven zyn gemaakt; m. defi Cahinetten of kaJJen zy„ XVI i„ ’t getal. wai -dan ’er al Vyfuyt gegeven zyn en naden 'er veel tyds v.reyji werd, cm d,t werk tot f erf te brengen enondcrtujjchen dagelyks vele menfihen deze zaken komen zien, waar door haargelegentheït gegeven , cwf teeu ’t ander ziende t e vragen, aan te tekenen, en anderen daar over te Vgene zy zien en horen, J J 5 Hier door is t- ook niet te verwonderen, dat zommigc myne uytvmdinpen voor e aare omen te debiteer en , en zulks is my niet alleen velen? t wegens faken* die ik noch niet had bejehr even, maar ook zelfs 'van die ge ene >de we eal voor eenige J aar en van my zyn befchreven, met Fi- guur en dfgeveelt, en met den druk bekent gemaakt, velyk ik nu weder zie gedaan te zyn van de Heer en Reymond Vitufjens, Medicyn Mr. te Alom- pelhers, Hr. Bovms te Enkhuyfen. e Eerfte defer heeft onlangs een traßaatje in V ligt gebragt, wiens titul is een Nieuwe ftelling der bloetvaten van’s menfehen lighaam; tn t zelve zie ik , dat hy zich toefchryft y de uytvmding van verfcheyde zaken , die van my eerft uytgevonden, ook voor eenige Jaar en befc bre- VOORLOPER ven3 en met Figuur en afgebeelt zynde } werelt kundig zyn gemaakt. Onder alle nieuwigheden die ik in 40 J aar en uyt gevonden 3 en in ’t ligt gebragt heb 3 is 'er geen van meerder belang3 als dat van de fchorjjlge Jüb- Jiantis der herjfene 3 dewelke te onregt gehouden werd voor een waare f zamenftel van kliertjens , gelyk zy die daar voor niet alleen hielden, •maar hebbenze ook als kliertjens ajgeheeld3 daar dezelve vanmy gevon- den is te beft aan uyt loutere bloedvaat]ens, IVam eer ik in *t Jaar 1698. de manier uyt gevonden had 3 waar door zulks klaar bleek, is de Heer Michiel Erneftus Etmullerus 5 die niet minder ge leert 3 als curieus is, in 9t onderzoeken van Anatomifche zaa- ken 3 my dïkmaals komen bezoeken 3 om myne toebereytzelen te zien , on- der dewelke geen een was 3 waar over hy meer zig verwonderde 3 als wel over deze dons Slagaderen van de JchorJfe der herjfene, met regt alzo ge- naamt 3 nadien zy zo fyn zyn als dons 3 waar uyt de gezeyde fchorjfe is beft aan de: ja de gezeyde Heer , dit (als ver haaf) ziende, raade my dit wereldkundig te maken, als zynde een zaak van groot belang, weshalven hy my een voorftellender-wyze brief Jchreef, in 't jaar 1699, die men nevens het antwoord nog te koop vind 3 en met Figuur en verrykt 3 by de Janf foons van Waes berge, Boekverkoopers op 91 hVater. Na dat den gezeyde Heer Etmullerus 3in den brief verhaalt had3 wat9er gezeyt was van andere wegens het alzoo gewaande klier ig wee zen van de fchorjjlge fubjt ant ie der Herjfene 3 en getoont had 3 dat ze gezamentlyk daar in overeen quamen 3 zelfs de Heer Vieujfens niet uyt ge zondert 3 die van9t zelve gevoelen was, vermaande hy my 3 met deze woorden % Weshal- ven verzoeke ik 3 dat gy deze waare geftelremffe van de fchorffe der Herffene wilt bekent maken 3 deffclfs wezen afbeelden , en zyn gebruyk aan wy zen. Ik ben niet alleen verwondert 3 dat de Heer Vieujfens deze myne ge~ fchriften 3 zoo hy zeyt, niet gelezen, ook nooyt van iemand zulks ver~ faan heeft 3 dat ik in die tyd zulks al wereldkundig gemaakt had, maar ik verwonder my veel meer, dat hy na myne uyt ge geve ontdekking 3 zyne eer fte flelling vaneen klier ig wezen verwerpende, myne voetftappen van agter na gaat, gelyk zulks blykt uyt zyn befchry ving van de Zenuwen in 9t X. Capittel3 alwaar hy dusdanig fchryft De Herffene beflaat uyt twee verfcheyde zelfstandigheden 3 namentlyk grauwe en witte. De grauwe fubftantie, ’t zy men dezelve iu zyn natuur- lyke ftaat befchouwt, of na dat men ze in water of in Olie gekookt heeft, zoo is die egter zagter als wel de witte , en als men ze accuraat met ver- groot-glazen ziet, zoo bevint men dezelve uyt ontallyke aaneengevoegd© ' ■ bolle- van het Sefde C A B 1 N E T. bollekens te beftaan , dewelke eenigfints ovaal van Figuur zyn ; 200 dat dezelve zeer wel komt te verbeelden een lighaam dat van geconglomcerdc kliertjens zyn beftaan heeft. Nu deze kliertjens perflen den een den ander, waar door zy ftpmpe hoeken krygen, gelyk van de wel-geoeffende Heer Malpighius aangemerkt is, waar van d’ccne van d’anderen onderfcheyden is, door byna gelyke tuflchen fchcydingen , en werd dit door defe erva- rentheid bcveftigt, namentlyk , wanneer men fwarc gemaakte Brandewyn komt te gieten op de fchorlige fubftantie der herflenen , die men gekookt en van’t dunne herflenvlies heeft ontbloot, welke fwart gemaakte Brande- wyn zig dan zodanig komt te voegen in die tuflchenfcheytzclen der kliert- jens, dat na een fagte afvaging met wat Boom-wol, ontallyke deeltjens, de gefeyde ruflchenfcheytzelen bezittende, en de gezeyde kliertjens ver- tonende, zonder vergrootglazen ligtelyk konnen ontdekten gezien wer- den , ’t welk ons zoo niet zoude voorkomen, indien de fchorftige fubftan- tie van zodanige deeltjcns beftond, dewelke niet over eenquamen meteen ovale of lang en ronde Figutiren. Ziet beminde Lefer, 51geen eertyds ACCURAAT gefien wierd, zoo hy zelfs zeyt, na het kooken der herjfenen in Oly , V geen eertyts SE ER. WEL een klier tg wezen 'vertoonde, en V geen LIGTELY K door vergrootglafen wierd ontdekt, namentlyk, de fchorjjige fubftantie der herjfenen een klier ig wefen te zyn , dat word nu , na myne uytvinding, van de Hr. Vieuftens gehouden voor vaatjens: en alzoo is’t, dat de AC- CURATE befchouwing en de LIGTE ontdekking dezer zaaken , zoo ligt een keer komen te neemen by de gezeyde Heer Hieujfetis , na dat hy nu al weer op dezelve wyze de Her(jenen vyfuuren in de Oly komt lek - ken -y maar het zal ons veel LIGTER zyn9 deze zaaken wel overwoo- gen zynde, te osrdeelen, dat de hereydingen die door het koken in Olygc- fchieden 3 gants en gaar onnut, ja f eenemaal verwerpelyk zyn : en dat is, V geen ik aan de Hr, Pieuflens zelfs ook heb gefchreven, namentlyk dat zodanig prepare er en, als onnut te verwerpen is, en dat ik de Herjfenen als in ftaat van leven behoude, alleen maar de flag-aderen van de fchorjfi- ge fubftantie konftig opvallende , met een roodwajftge jiojfe in plaats van bloed, tot dat ik vertrouw de uyterfte uyteyndsn vervult te zyn , na dit doen, zoo fny ik een ftuk van de HerJfene ,en hang het zelve aan een hayrtje des hoofds in een zeer heldere vogt, en zoo vertoon ik de gezeyde fchorsfe of fchorsjige fubftantie alleen te beftaan uyt loutere bloedvaat- jens, en wel in zonder heyt uyt donfige Jlag-aderkens y en geenfmts uyt in- gebeelde kliertjens, JJu dit zegge ik niet alleen > maar ik doe zulks zien, en dat niet alleen Qq q q door 666 VOORLOOPER door vergrootglazen y maar ook zonder dezelve : tot meerder verzeeke- ring zoo bewaare , en vertoon ik ontallyke veel van zoodanige ftukken fmynen huyze. Zoo dra my dejfelfs Tradtaat ter hand gefield wierd, zoo heb ik hem, gelyk ge zegt is, een brief laten toe komen $ in de welke ik hem toonde, dat niet hy, maar ik de uy tv in der ben, van die zaaken, die hy voor de zyne uytgeeft, en dat zulks ook blykt uyt myn fchriften , ais mede uyt de Leyp- figer verhandelingen (A£ta Lipllenfia.) In des zelfs antwoord verontfc huldigt hy hem , zeggende , dat hy niet heeft geweeten, dat ik die zaken al over veele Jdar en heb uyt gevonden , ook dat hy de Leyffiger verhandelingen niet heeft gelezen: derhalven zoo heb ik hem wederom voor de tweedemaal een brief laten toekomen, en ver- zogt, niet te willen weygeren my te houden voor de eerfte uytvinder, en dat niet alleen wegens de gezeyde Schorsfe der hersfene , maar ook zelfs rakende de immediate vereeniging van de jlag-aders der Nieren , met die van de Bis-canaaltjens, gelyk zulks blykt uyt de befchryving van myn Cabinet , in ’t Jaar 1701. gedrukt , alwaar dtt volgende gevonden werd; Ik heb ook Nieren , welkers Pis-canaaltjens allegader gcvult zyn geworden na het vervullen van de Niers-llag-aderen : waar van hier na verders zal werden gehandelt , wanneer ik (zoo God wil) het waare en wonderlyk geftei der Nieren zal komen af te beelden. In de befchryving van myn 111. Cabinet , uyt gegeven in't Jaar 1703. vint men deze woorden: Hier en boven zoo vertoon ik ulieden de Nie- ren, in dewelke te zien is de continuatie der Slag-aderen met de Pis-canaalt- jens van de Heer Bcllinus befchrevcn en afgebeelt, en zulks meene ik een onwederleggelyk argument te zyn, &c. *Haar en boven zoo heb ik dit uyt gevondene fublyk vertoond in V Jaar 1703. gelyk het blykt uyt de bovengemelde Bekentmaking. Hier by komt nog diegroot e, van my uyt gevondene ontdekking , we- gens het bekleet zei des Moer-koe ks fugerficie, die na de Lyf-moeder ziet, of met de Lyf-moeder vereenigt is : Als mede myne uy tv inding van de worm-wyze vaatjens van de Baarmoeder, van alle welke zaaken zig de Heer Vieufiens ook als de eerfie uytvinder wil maaken , in zyn gezeyde Traßaat. IVaar over kan fich ymand meerder verwonderen , waardige Lezer, als dat hy my tot antwoord geeft, dat hy myne Schriften y die over veele jaar en zyn uy tge geven y en met Figuur en ver feit, niet alleen my thee ft ge~ fien, maar ook van niemand heeft verfiaany dat ik die zaake vertoont of uyt ge geve hebbe, zoo hy dan die niet ge fien heeft, nog ook de Leyffiger ' ver» van het Sefde C A B I N E T. verhandelingen (A6ta Lipfienfia) zoo hy zeyt, niet gelezen heeft, in de- welke deze en anderen van myne uytgevondene zaaken overvloedig aan- getekent ft aan, zoo zal de Hr. Vteufens de nooyt genoeg geprefen rhyfi- ologia Medica van de Hr. Frefefibr J. Goth. Bergerus in 7t jaar 1701. uyt gegeven, apparent wel gefen, en doorlefen hebben , dewelke onder an- der van myne uytvindingen deze woorden ter nederfielt op ’t 118. blad. Indien \vy de gefteltheyd der andere werktuygcn , die verordineert zyn tot eenige affcheyding wat nauwer komen te bezien, zoo zullen wy die geheel anders bevinden te zyn, als men wel meenden ; Onder deze is te conlidereren de Schorfige fubftantie der herbenen, die men waant te wefen, gelyk Malpighius voorgehouden heeft, een t’famenftel vanklierigekernt- jes of befikens , maar een naukeuriger onderzoeking leert ons dezelve ge- heel en al uyt ontelbaare bloetvaatjens te beftaan, dewelke door het dunne herflen-vlies, die dezelve tot een fteunfel komt te verftrekken , zoodanig verfpreyt werden, dat de uyteynden der (Tag-aderkens eyndelykvoorbyde uyteynden der Aderen gekomen zynde, fappig werden, en de afgcfchey- de vogt aan de mergagtigc draden {Ftbrte medullares') overbrengen , en deze bloedvaatjens, waar uyt de Schorfige fubftantie beftaat, zyn zo fyn als dons, en konnen ook zonder merkelyke quetfiog van de mergagtige fubftantie gefcheyden werden. Nu dat die grummeltjens , dewelke haar opdoen door het kooken der herflenen in oly , of andere vogt, envanßid- loo voorgeftelt werden, niet anders als uytwerkzels van de konft , en te onregt voor kiiertjens gedebiteert werden, fpreekt van *t felfs , ook zoo word ZIUKS naarftig van Ruyfch aangewezen. cß)it zyn de woorden van den Frofejfor Bergerus, dewelke zulks niet zoo volkomentlyk zoude heb- ben voor gefield, indien hy zulks van over veele jaaren f mynen huyfe niet hadde gepen. JVy zullen de Figuuren van de gezeyde fchorsfe zien, na vyf uuren kokens in oly, indien de Hr. FieuJJens dezelve ons zal konnen voorfiellen , gelyk ik gedaan hebbe, zonder de minfie koking defirubiïe of ver- edogh zulks zal hem fwaar vallen te doen, ten zy hy tot hulpe komt te gebruyken myne uytgegevene Figuuren. Een y der kan de hersfene van een S chaap, of van een ander voorwerp in oly koken j edogh niemand zal bevinden, door dat toedoen, deze fchors- fe uyt dons fyne vaatjens te beftaan y aangezien ik oor deel deze manier van doen daar toe gants en gaar onnut te zyn: ja ik heb zelfs de hersjene vyf uuren lang in, oly laten koken , en dat gedaan zynde, bevond ik dezelve zoo verhard te zyn, dat ik die tot pulver tusfehen de vingeren kon vry- ven: ZOO dat ik met regt durf zeggen, nooyt ymand het waare dons-fyn- Qjqqq 2. vatig VOORLOPER vatig geflel van de fihorsfe der hersfene gezien te hebben, na een vyfuurig gekook in oly, gelyk zulks ook blykt uit deze bygevoegde Figuur en 5 die tk heb laten afbeelden, om de dijferentien te zien tujfchen deze beide frefara- tien. Nadien nu het fes de Cabinet onder de Fer s is, waar in vee le aantner- kens waardige zaken ter neder werden ge feit, die ik menigmaal eeny der heb laten zien: zoo ben ik te raadegeworden eenige der zelver hier te verhalen. Of de eerfte F laat werd gevonden een Geraamte van een Kindje, V welk zoo groot is als een kleene vinger, van wiens r egt er handje aan bayrfjcns drie onbevrugte eyerkens van F rouwen afhangen. F) aar en boven werd of de zei ze F laat gevonden een Geraamte , een weynig groot er als het voorgaande y het zelve heeft in 9t linker handje een hayrtje, waar aan vajigehegt is een bevrugt menfche Eytje, V welk van my niet is ofgefneden. Nog een derde Geraamte van een fchefzelke, 91 welk een weinig groot er />, als het aanftonds gezeide, 91 zelve draagt ook aan een hayrtje een bevrugt Eytje y 9t welkofgefheden is y waarin ik niets lighamelyks heb gevonden. Oj de 11, F laat werden vyfFiguuren gevonden, waar van de eerfte aan- wyfty91 Geraamte van een fcheffelke van ontrent drie maanden dragtSy wiens linker handje aan een hayrtje heeft hangen het begin zei van een menfche fcheffelke, de groote van een luys of latuw zaadje, van des zelfs r egt er hand- je hangt afaan een hayrtje V begin zei van een menfche fchefzelke, zoo groot als een anys-zaadje. F>e 11. Figuur verbeeld een menfche fcheffelke y zoo groot als een ge feit garfte hoorntje. Fe 111. Figuur verbeeld een menfche fchefzelke, een weinig groot er als V laaft gezey de. F)c IV. al weder wat groot er. Fe V weder wat groot er, en zoo werd9 er in dezelve vervolgens groot er en groot er aangewezen: en zyn deze alle afgebet ld na de voorwerfen, zoo als tot mynent bewaart worden. Ook werden in de befchryving van V VI. Cabinet verbeeld de Lyfmoe- ders van vrouwen s waar in verft:heide notable zaken aangewezen werden: Onder deze is9 er een jiit een vrouw yna haar dood van my uitgefneden} de- welke in oVèrffel van haar man betraft} doorftoken is geworden} in wiens baarmoeders holt e, als mede in haar eyerwegen 3de natuur des overffeelderr nog zit, en voornamelyk in de eyerwegen , die daar van nog ofgevult zyn. In de Eyerftok van de baarmoeder van een andere vrouw} kan men nog eeu bevrugt Ey zien zitten} &c. F) aar en bovenis91 aanmerkenswaardig, dat in dit VL Cabinet gezien kan van het Sefde C A B I N E T. kan werden, dat de uiterfte uiteinden der opgevulde ftag-aderen van V har- te , haare reotwajjïge ftojfe op veele plaat zen uitgang hebben gekregen * bui~ vaatjens 3en dat in de gedaante van een wolkje, zender eenige de min ft e tegennat uur lyke uytfpatting, ik zulks eenige reyzen heb ge- ge toont 3en van meening ook bennaheen in Fig: af te beelden, zoo als die t'mynen huyfe gezien kannen werden j en in deze gezeide opvullinge is 'er geen te gennat uur lyke uitfpattinge gejehiet , at\ders zoude het niet wolks- wys j maar als kleene ronde bollekens voorkomen. Hier uit vertrouw iky dat het in een levendig menfche byna alzoo toe- gaat 5 nament lyky dat' er zoo veel vogtigheid door de uiterfte uiteinden der jlag-aderen, in de gedaante van een damp ofrook uit gevoerd wer nodig is tot voedinge van 't herte^ Noch wer dender in dit fes de Cabinet, onder de Fers zynde, veele zaken verhandelt en befchrcven, dewelke fmynen huyfe met groot e onkoften werden bewaart> niet alleen, ten einde alle twyfelïngen weggenomen zouden werden, maar ook om over dezelve dagelykfs collegien te kunnen houden, en dat niet alleen des Winters, maar ook des Somers, ja zelfs in de Honds dagen: want alles is zoodanig toebereid, dat de kleenfte deeltjens van ’s menfchen Ughaams by helder weer gezien kunnen werden. Op dat ondertusfehen den Eerw. Lezer zien mogte wat dat ’er zy van de ware ftruttuur der Nieren, zoo ben ik te rade geworden in deze Voorlof er van t fes de Cabinet eenige Figuur en daar van alhier te verbeelden j want als ik zag de Figuur en van een Schaf e Nier, afgebeelt door d' Heer Vieus- fens, inzyn traöfaat, wegenszyne nieuweftellinge der bloedvaten inden menfeh, zoo vond ik daar eenige ongewoone zaken; derhalven heeft het my mede goet gedagt, een Schape Nier te verbeelden, zoo als ons die voorkomt, op myne manier geprep ar eert zynde y om alzoo het onderfcheyt dezer twee toebereydjelen te vertoonen. De eer ft e en 11. Figuur wyzen ons eerft aan dezelfde Figuuren van menfche Nieren, van dewelke ik gewag gemaakt helbe in het eerjle Cabi- net van 't Jaar 1701 ,>en derzelver Figuuren heb laten verbeelden in V HL en IV, Cabinet 1703. en 1704. De overige verbeelden ons de Nieren van Schapen sen dat zonder de minfte deftruilie of vernietinge van de zelve 5 door te weyken in water 5 tot dat ze beginnen te bederven, ook zonder de- zelve te kooken 3 maar alleen door het opvullen der bloedvaten, toebereyt zynde. 670 VOORLOPER VERKLAARING DER FIGUUREN. De I. Fig. wyft ons aan een Nier , zoo als die ons van buyten voor- komt, voorheen op de IV. Plaat van ’t 111. Cabinet 1703. afgebeelt, en uytgegeven. A. Des Niers oppervlakte, door dewelke ontallyke bloetvaten wormswys loopen, zoo als ons die met vergrootglafen voorkomen. B. De afgefnede N ier-flagader. C. De afgefnede Nier-ader. D. Een gedeelte van ’t bekken des Niers, ’t welk buytcn de Nier uytpuy- lende, voorfien is van veele flag-aderkens. De. 11. Fig. verbeeld een doorgefneede menfche Nier, op dat men’t in- wendige geftel zoude kunnen zien, en komt defclve overeen met de 111. Fig. van de IV. Plaat van ’t 111. Cabinet, uytgegeven in’t Jaar 1703* A. De uyteynden der Slag-aderen van de Nier, dewelke flangs-wys loo- pen , eerle haar in de piscanaaltjens van Bellinus inenten. B. Een kleen gedeelte van de oppervlakte des Niers. C. De Nier-tepeltjens, op veele plaatzen met kleene gaatjens als door- boort , tot doorgang van dc pis. D. De Pisleyder. E. Het geopende Bekken. De 111. Fig. verheelt een Schape Nier, dewelke ook langs den Rug of bultig gedeelte doorgefneden is, om het inwendige te kunnen zien. A. De flagaderen, die de piscanaaltjens voortbrengen, of in de zelve ver- anderen. B. Het tepelagtige lighaam, waar ontrent te conlidereeren (laat, dat inde Nieren der Schapen, maar een eenig tepelagtig lighaam gevonden werd, ’t welk % halfmaanig opdoet, gelyk hier aangewefen werd* indemen- fchen in tegendeel vind men veele tepelwyfe lighaamtjens. G. De afgefnede flagaderkens. D. De rand van ’t bekken met veel vets befet. E. De holte van ’t bekken, waar in van my een (hikje van een penneke is gedoken. F. De rand van ’t tepelagtige lighaam, waar in veel gaatjens of monde- kens der piscanaaltjens zitten. G. De Nier-ader. H. De N ier-flagader. ï. Een gedeelte van de Pisleyder. J Da van het Sefde C A B I N E T. De IV- Fig. vertoont ons een Schape Nier langs den rug doorgefne- den, wiens rand van ’t tepelachtig en halfmanig lighaam van myomgeffa- gcn is, op dat de bloetvaten eenigermaten te vcorfchyn zouden komen , ik zegge eenigerrnaten, om dat ik hier niet voorgenomen hebbe de gant- fche cours der felver te verbeelden, nadien zulks in de volgende Cabinet- ten aangewefen zal werden. A. De flagaderkens, in piscanaaltjens veranderende, alwaar aan te merken ftaat, dat de gezeyde arterikens eer zy in piscanaaltjens komen te ver- anderen , zelfs ook nog eenigc verandcringe aannemen, en zulks moet ik nahcen nog wat naukeurigcr onderzoeken, eer ik zeggen kan , waar in het beftaat: dit is altoos zeker , als ik de llagaderen van de gieren kome tc vervullen, dat dan ook te gelyk de piscanaaltjens vol loopen, zo dat dit twee continuele lighamen zyn. B. De pis-canaaltjens. C. Den doorgefnede rand van ’t bekken. D. D. De rand van ’t tcpelagtige enhalfmanige lighaam,’t welk met veele gaatjens als doorboort is, tot paflagie van de piflc. E. De buytenfte oppervlakte van ’t bekken, alhnts met ongel of reet befet. F. De afgefnede Pislcyder. G. De afgefnede Nier-ader. H. De afgefnede Nier-flagader. I. De inwendige fubdantie van de Nier, dewelke ons hier wel voorkomt in de gedaante van Nier-tepeltjens, maar defelve moeten daar voor niet gehouden werden, aangefien de Nieren van een Schaap niet meer als een eenig halfmanig tepelagtig lighaam hebben, gelyk hier voeren ge- zegt is 3 maar de bloedtvaten door het lighaam der Nieren loopcnde, fchynen aldaar tepels te formeren , en zyn ook deze vaten met veel roets befet, waar door fy in de eerde opligt van ’t oog ons veel dikker voorkomen , als fy wel in der daad zyn , ’t welk in defe Figuur ook uytgedrukt word. De V. Fig. verheelt de copie vandeFig., dewelke den Heer Vieuflens in zyn traktaat van de nieuwe Jiellinge der bloetvaten in ’j menfehen haam heeft laten invoegen. A. A. A. A. De uytwendige of klierige fubdantie des Niers uyt een Schaap. B. De kleenfte flagaderlyke boogen, gcplaaft: een weynig boven de groote boogen. C. De llagaderen ver feit met hare aderen, dewelke uyt de hovende, en agterfte zyden van de groote flagaderlyke boogen voortkomende , het bultige gedeelte des Niers komen te maken. D. De VOORLOPER van het Sefdc CABINET. D. De groote flagaderlyke boogcn. E. Dat gedeelte van de vatige vlegtingcdcs Niers, dewelke van de groote en kleene flag-aderlyke boogen omfchreven werd. F. De kleene flagaderlyke boogen. G. Dat gedeelte van de vatige vlcgting der Nieren, ’twelk van den rand van ’c bekke uytgeftrekt is, tot de kleene flagaderlyke boogen. H. De holte van ’t bekken. I. De vlieflge buyskcns, voortkomende uyt de verlengde rand van’t bek- ken ,of de vliefige ftutzels van de flagaderlyke boogen, welkers wan- den of zyden fecr fyn uytgeftrekt worden, daarfe haar tot flagaderlyke en aderlyke boogen fetten. K. Het mondeke van de Pisleyder. X. X. Slagaderlyke fcheuten of rakken, voortkomende uyt de groote flag- aderlyke boogen. In de VI. Fig. wort ons aangewefen een ftuk van de fchorfïïge fub- ftantie der herflene van een Menlch, dewelke t’eenemaal uyt bloedtvaat- jens, en infonderheyt uyt flagaderkens is beftaande, dewelke foo fyn zyn, als dons. Defc coebereydinge is alleen gemaakt door het konftig opvullen van de flagaders der herflene, en dat met een roodwaflige ftofte. In de VIL Fig. werd ons verheelt een ftuk van de herflene van een Schaap, vyf uuren lang in oly gekookt zynde: in’t felve kan men niet het rainfte bloetvaatjc flen, aangeflen door zulk koken de herflene als in een ander welen komen tc veranderen: ja door het kooken is het lelvc foo ver- hard geworden, dat men het met de vingeren tot een poeder kan vryven * bygevolg is foo een toebereydinge gants en gaar onnut, om het ware ge- itel deflelfs na te vorflen. De VUL Fig. verbeelt ons een ftuk van de herflene van een menfche, ’t welk op defelvc wyie gekookt zynde, even foo onbequaem is geworden tot het onderzoek van ’t boven verhaalde. het Tftlerd .Taf. gj , 673 HET SESDE ANATOMIS CH C A B I N E T, Op wiens eerfte PL AN K, defte navolgende zaaken ge plaatjl zyn. N°. I. TXE partyen tot dc voortteling gedeftineert, uyt een klein Doch- -1 J terke, die zoo fraay zyn geconfervcert, datze nog fchynen televen, want alles heeft zyn natuurlyke couleur niet alleen, maar ook vintmen daar gants geen onnatuurlyke rimpels in ; dezelve worden in een zeer heldere vogt bewaart. Merk aan-, ten eerfte, dat de lippen van de fchede, den Venusberg, Nymphen, en andere omleggende delen, geenzints van haer natuurlykcn ftaat zyn afgeweken. Maar de kittelaar komt hier niet tc voorfchyn we- gens de bedekking der Nymphen. 2. Dat het maagdcvlies voor *t grootfte gedeelte alleenlyk te zien is, wegens zeker tegennatuurlyk uytwafch, voortkomende uyt het beginzcl van de fchede. 3» Dat den aars, die van natuur rimpelagtig is, zich als in een gezonde en levendigen ftaat onder de fchamelheydt vertoont. 4- Dev]cs omgekeert zynde, laten zich zien de Waterblaas, en daar on- der, de baarmoeder met de aangehegte eyerneften, trompetten, ronde en brede banden daar en boven kan men hier ook zien de kittelaar, voor zo veel dezelve zig onder dehuyt verfchuylt. 5- Schoon de bccnenoffchenkels van den kittelaar afgefneden zyn, ech- ter oordeel ik dit aanmerkens waardig, naraentlyk dat het lichaam van den kittelaar door de opvulling der flag-aderen ook tegelyk vervult is, gelyk- we ziente gefchiedenin de opvulling van de fchaamelflagader, alwaar de zenuwagtige fpongieuze lichamen altydt ook vervult worden met de zelf- de ftof, waar mede de ilag-aderen gevult worden. 6. De baarmoeder, als mede de andere delen aan de baarmoeder vaft- gegroeyt, zyn wegens het opvullen der flagaderen roodt van couleur. Rrrr No. II» VI. anatomisch cabinet No. 11. Een beentje van een Kind, wiens couleur ons zeer levendig voorkomt. Aanmerkt ten eerftcn, Dat het Vel aan ’t buytenfte des Scheens na de lengte geopent is , ten cynde de Spieren, die daar onder het Vel leggen, gezien konden werden, namentlyk dc uytwendigen buyger, denaficydcr des Voets, als mede de loop der pefèn dezer gezeyde Spieren onder den uytvvendige enkel. Ten tweeden. Die Slag-ader, dewelke langs den rug of opperfte des Vocrs loopt, is van my met een roodwaftlge ftofte vervult, op dat men deflelfs cours bequamelyk zoude konnen zien 5 deze haare voornaamfte Takjens lopen langs de zyde der Toontn , en niet langs het bovenfte der zelvey de Fefen der uytftckcrs daar en tegen nemen haare cours over de rug der Toonen, en niet langs haar zyden. Dit alles werd in een helde- re vogt bewaart, op dat het zyne natuurlyke geftalte zoude conferveeren. N°. 111. Een glas met vogt, waarin onthouden werden, het verhe- melte van een Jonge, een gedeelte van de Neus, endeflelfsbovenfte Lip, al het welke zoo natuurlyk van Couleur en zoo wel bewaart is , dat men verfcheyde zaken beter zien kan, als in een levendig menfeh. Aanmerkt ten cerfte. Dat men hier zien kan, twee openingen van zeet korte canaaltjens, die men even agter de fny-tanden vint, waar door dc fnot uyt de Neus tot in de mond komt; door dezelve heb ik een draat garen doen pafleeren, op dat men die aanftonds in ’t gezigt zoude krygen* maar ftaat te letten dat men hier in alle menichen geen twee openingen vint, want in zommige is dezelve eenzaam, ook kan men deze niet ont- decken in veele doode Lighamen door haare byzondere engte. Ten tweeden. Dc klieren van de Neus , kanmen hier duydelyk zien, door dienze ons rood voor komen, wegens het vervullen der flag-ader- kens; en zyn deze kliertjens niet anders, als fyne bundelkens deruyteyn- den van de flag-aderkens, dewelke de Neus bevogtigeii; deze alzo ge- naamde kliertjens zyn hier duydelyk te zien, ’tweik men in een levendig, als mede in eca pas geftorve menfeh zonder deze onze konft te vergeefs zou zoeken. Ten derden. Ook kan men deze gezeyde kliertjens verfpreydzien door het bcklcetzcl van 't verhemelte, even voor de lelie des Keels, als mede door de bovenfte Lip. . No. IV. Een vies met vogt, en daar in een ftuk vaneen mcnfcheMilt* wiens vlies of bekleetzel, in een wel gcftelt menfche byfter dun zynde, hier de dikte van den rug van een mes halen kan, en dat mogelyk door een voorgaande ontfteeking. * ' ' ‘ No. V. Van FREDER.IK RÜYSCE N°. V. De Lyfmoeder van een Vrouw, dewelke weinig dagen of uil- ren (’t geen niet z©o perfe£b te zeggen is} voor haar dood bevrugt was ge- worden * en is deze Lyfmoeder even zoo gekelt* gelyk ik die gewoon ben te zien, kort na de bevrugting $ namentlyk wat vergroot, deficits fiibkan- tie veel verdikt, de binnenftc oppervlakte fluwelig of donzig en zagt* k welk in de eerde dagen ordinaris zoo bevonden werd, gelyk ik gezegt hebbe : daarenboven heeft ’er een van de Eyertjcns, des Eyerfloks, k welk ik vak kei bevrugt te zyn, een groote verandering aangenomen , als zynde niet alleen veel grootcr geworden* ais een van de andere bykaande Eyertjens , maar ook vinde ik* na het openen van dit bevrugte Eytje het bmnenke als gecoaguleeit en gekremt te zyn * k welk men hier nog zien kan, hét tegendeel zietmen in de andere byleggende Eyertjens, die mede over dwers geopent zynde* gants ledig zyn , wegens het uytvloeyen van haar vogt, door het openen. Dit bevrugte en opgefnede Eytje komt ons hier van binnen as-grauw voor* het buytcnke in tegendeel wit van couleur* en zulks kan men zeer perfect zien* alzoo het alles in een zeer heldere vogt gelegen is. Indien alle Ontloders zoo gedaan hadden* en dc onkoken, mosyte, en andere zaken haar niet hadden te rug gehouden * zoo zouden wy veel ver- der gekomen zyn in de kennifle van ’s menfehen Lichaam: ook zoude men de Jeugt niet opgehouden hebben* met het difpureeren over het zyn en niet zyn dezer en geener kleine deeltjens* die zy nbytdog konde verroonen. Wanneer ik voor dezen de Ontleders quam vragen, ofte zy dit of dat my geliefde te vertonen, k geen zy door Figuren hadden afgedeeld• zoo kreeg ik,wel haak een kort antwoord, namentlyk* zodanig is kmydocn- maals voorgekomen * en nu kan ik u zulks niet vertoonen* en daar mede mok ik hcenen gaan; Nu, op dat ik my van zo een onnozel antwoord niet zoude conferveer ik alles* wat van my door Figuuren werd afgebee.u, en zuiks met zonder groote koken * cdog kan het zelve veele Eeuwen zo gehouden werden, en dat in de zelve kaat, waar in het nu is, zonder de mmke verandering. Al wie voorheen geflen heeft defe myne manier van prepareren * zoo in* als buyten de vogt, gelyk ik nu 40 Jaaren lang gedaan heb, die zal wel haak konnen begrypen dat deze toebercytzels onbederfelyk zyn > indien men die bewaart* gelyk als ik gewoon ben te doen. Om dan weder te komen op den weg, waar van ik wat ben afgeweken * zoo uaat verders te obferveeren, dat ik digt aan ’t bevrugte Eytje een doorntje gekooken heb* op dat men met de eerke opflag van ’t oog* het bevrugte Eytje zoude zien * daarenboven zoo werd de holte des Rrrr z Lyf- VI. ANATOMISCH CABINET Lyfmoedcrs ook opengehouden door een doorntje, op dat men deffelts binnenftc ruygagdge oppervlakte zoude konnen zien: dit voorwerp is roodagtig, wegens het opvullen der Slag-aderkcns. N°. VI. Twee Pap-gefwellen \_Atheromata] dewelke tuflehen de Spie- ren van den hals van een Os gevonden zyn, waar van ’c eerfte overdwers gcopent zynde* zeer aardig komt te verbeelden een nesje van een Indiaans Vogeltje, ’t welk van d’Hr. Pifo Pegafroe en gemeenlyk Colubrietje al- hier geheten werd* het buytenfte van dit Pap-gefwel is een t’zamenftel van oprecht hair , ’t welk in de rondte zoodanig is gelegen, zonder toe- doen van menfehen handen, dat niemand het zelve tot nog toe zonder ver- wondering heeft gezien; het binnenfte wezen was een pap-agtige ftoffe * dewelke nu door de vogt, waar in het is gelegen, is rerhart, en van couleur fwartagtig geworden. Ziet de IV. Plaat Fig. V. van dit Cabinet. Uyt het tweede Pap-gezwcl, ’t welk mede geopent is, komt een bun- del regt opftaande hayren, zeerdigt by een, tevoorfchyn , en is dit hayr ander half duym lang. Ziet de IV. Plaat. Fig. VI. van dit VI. Cabinet, N°. VII. Een viesje met vogt waar in bewaard werd een gefingeert Vlies, ’t welk door de konft gemaakt is, uytdewey of het huyagtige ge- deelte myns bloeds, en dat alleen door ’t roeren en bewegen van ’t bloet met een takje met bladeren van ’t gewas Portulaca affinis plant# afr kanos frutkoja, tot dat het bloet quam re hollen, en op dat het te beter na een vlies zoude gelyken , zoo is ’t dat ik een takje, met kleine bladerkens voorfien zynde, uytgekozen heb, door welkers toedoen deze ftoffe zig te beter konde uytzetten tot een vliesugtig wezen. Ondertuffchen ftaac ons hier aan te merken, dat door dit onwaare vlies of vliesagtig wezen zeer veel draaden of zazelinge loopen, die geene ge- lykcnde, dewelke in ’s menfehen lighaam van de natuur werden voortge- bragt. Als men dan ziet, dat deze en geene zaken uyt bloet, datbuyten zyn vaten is geraakt, voortgebragt werden, zo is ’t niet te verwonderen, dat veele bedrogen zyn geworden, door de vloed der Vrouwen, welkers bloed nu deze, dan geene forme komt aan te nemen, wanneer het in de fcheedc, of ook wel in de inwendige hals des Lyfsmoeders, na eenige uit- ren is komen te ftollen, en voornamentlyk in die geene, welkers huy des bloeds te dik en te taayis geworden. Ja hier door zyn zommige zoo verre bedrogen geworden, datze ons voor monfters wildeopdringen, zoodanige gecoaguleerde ftoffe. Nu, op dat ons ’t gezeyde te beter vliefig zoude voorkomen, zoo moet men ’t zelve na de ftolling een dag of twee in ’t wa- ter leggen, op dat de rodigheid daar uyt mogt getrokken werden. N°. VIII. Een ftuk van de Borftvan een Vrouw, met des zelfs Tepel, waar Van FREDERIK RUYSCH. 677 waar van het oppervelleke is afgchaalt, op dat de Vel-Tepeltjes tebequa- mer konde gezien werden. Aanmerkt ondertuflchen, dat ik wel in ’t eerfte Cabinet een Tepel van de Borft heb doen afbeelden, maar in dele komen ons de Vel-Tepelrjens veel klaarder in ’t gezigte, zo dat ik te rade ben geworden, dezelve voor de twede maal in dit VI, Cabinet af te laten beelden. Zie de 1. Plaat Fig. 11. Wat ik verders van de Tepels heb gcfchreven kan men zien in ’t I. Cabi- net. in de IV. F tg. van de IV.'Plaat. No. IX. Een droog viesje, en daar in een ftukje van denbogtige Darm van een Menfch, waar in te zien is een zeker Vlies, ’t welk van my liet celluleufe Vlies der Darmen is geheten. Aanmerkt cerftelyk : tot nu toe heb ik vier Vliefcn in ’t Gedarmte ge- ilek , waar van namentlykhet 1 fte en buy ten fte het gemene Vlies geheten is, het 2. ’t Vlefige, het 3. ’tZenuagtige, het 4.’t FluceleVlies j edogdewyl tuflehen het eerfte en tweede veeltyts vet gevonden werd, inzonderheyd in Vette Pcrfoonen, cn datter nergens vet gevonden werd, als alleen in een byzondcr Vlies, zoo heeft het my goed gedagt het vyfde hier by te voegen, als mede bequaamelyk door een Figuur af te beelden , nadien ik zulks noyt in Figuurcn verheelt heb gezien, ziet de 2. Fig. van de 6 Plaat. Ten tweeden. Dit celluleufe Vlies, is zoo conftderabcl, gelyk men hier zien kan, datter in ’t celluleufe Vlies, ’t welk onder het Vel geplaaft is, naauwlyks meer cellekens gevonden werden. Onder het Vel draagt het in vette Perfoonen, dc name van vet, als wanneer alle de cellekens met vet vervult zyn; in de Waterzugtige, welkers dcelen onder’t vel met water bezet zyn , zitten deze cellekens dikwils vol water, en in zeer vermagerde Perfoonen , komt het ons als een zeer dun Vliesje te vooren, zonder dat men deze cellekens dan zien kan, ten zy dezelve met wint opgeblazen werden. N°. V. Een geheele Moer-koek van een Vrouw, dewelke van my zoo- danig is toebereyt, dat men het geheel geftcl der Bloet-vaten, waaruytde geheele Moer-koek beftaat, zeer klaar zien kan, ’t welk niet zoude ken- nen gefchiedcn, ten waren men het ruyge gedeelte van ’t Vlies Chorion (waar van gehandelt is in de Befchryving van ’t V. Cabinet) eerft wegna- me, de Bloet-vaten tot haar uyterfte toe vervulde, en dan demoerkoekin een heldere vogt gelegt wierd. N°. XI. Een Vies met vogt, waar in te zien is, een ft uk des Le- vers van een Waterzugtige, dewelke geheel cn al niet anders als een ’c zamenftcl van ronde Blaaskens of cellekens was geworden, met een ge- latineiifc of lymige ftoffe vervult zynde. Rrrr 3 Aan- VI. ANATOMISCH CABINE! Aanmerkt : Nadien de Lever een t’zamendei is alleen van Va- ten , zonder tuffchenkoming van eenige kliertjens , of andere t’zamen geronne doffe (gelyk men zulks zeer bcquaam’t mynonhuy- ze zien kan) zoo kan men naulyks bezeffen, hoe alle die groote en kkene vaten, ja ook zelfs alle de allerkleende Takskens zoude kennen in Blaas- kens veranderen, ten zy men ook een celluleus Vlies in de Bloetvaten komt te dellen, gelyk ik zulks ooktoonen kan : Nu deze cellekens van dit celluleufe Vlies in een [hydrops vafiulofd] Ader-water-zugt (op dat ik deze nieuwe benaming gebruyke) vervult zynde met een water-agtigc of gelaci- neuzs vogt, zoo moet de gantfche holligheyd der Aderen door den aanpers dezer vogten toegedrukt en gefloten werden. N°. XII. Een droog vlcfllc, waar in tc zien is, ccn gedeelte van dc Kuggc-graat van een zeker vicr-voetig dier, ’t welk my onbekent, uyt Africa gezonden is. Aanmerkt ten eerde. Dat byna alle deze wcrvcl-bccndcren onderling zoodanig zyn gekoppelt en aan ccn gchegt, zonder eenig hulpmiddel van banden of peezen, dat men haar alzints kan bewccgen , zonder los te gaan. Ten tweeden. Zoo is het aanmerkens waardigdatter eenige wervelbeen- deren dooreen Beemge verceniage, Ancylofis, tegens de loop van dc na- tuur aan een gegrocyt zyn, ’t welk men in oude Menfchen ook dik wils ziet gebeuren. N°. XIII. Een droog vleilie, waar in bewaard werd het geraamte van een Kindje van ontrent tien weken dragts, in wiens regterhandje vad werd gehouden een ribbccie van een jong geboore Kindje, ’t welk geboogen is op de wyze van een wyngaares klauwierrjc j en zulks is door kond te we- gen gebragt, door dien de vogt, waar m het voorwerp was bewaart, tc zuur geworde zynde, de Ribbens zoo week had gemaakt, dat men de- zelve als een ryske of touwtje konde buygcn. Ageer dit geraamte werd een tak van een op gevulde Slag-Ader gevonden, dewelke een Joomtjc verbeeldende het geraamte tot cm dcimzcl verdrekc. N°. XIV. De Long, Hart* en een gedeelte van de Bord van een Kind, zoo als ons dat van agtsren voorkomt. Aanmerkt ten eerde. Dat alle deze partyen haar natuurlyke plaatze be- houden hebben, zoo als die in ’t lighaam zyn gelegen. Ten tweeden. In ’t zelve voorwerp kan men de Arttria Bronchialis, uyt de groote Slag-Ader gemeenlyk, maar hier uit een tufTen-ribbige fl: Voortkomende, zien, als mede de ongepaarde Ader {Azygos)metdeszclfs tufTchen-ribbigc takxkens en dat geheel rood, wegens het opvullen der zelve met een rood-wafïige No. XV. van FREDEFvIK RUYSCH. 679 N°. XV. Een glas met vogt waar in ycts vlieligs cc zien is, nament- lyk een zeker Vrou wsperzoon, na datze bevrugt was geworden, en het fchcpzelke by haar was vergaan , of buyten weten had geloft , raakte na heen ook het bcginzel of onvolmaakte Moer-koekje quyt, wiens opper- vlakte alzints bezet was met gcronne bloct, waar van ik een gedeelte af nemende, in fchoon water leyde, op dat alle roodigheyd daar uyc zoude trekken : Dit gedaan zyndc vertoonde zig dac gcronne bloet zoo aardig een natuurlyk Vlies, dat my dagt de moeyte waardig te zyn, ’c zelve te bewaaren : want het fchynt niet mogelyk te wezen, dac het Bloed uyt zyne vaaten geloopen zyndc, in zoo een ftoffe kan veranderen. Hier door is ’c dat veele voorheen zyn bedroogen geworden in haare meeninge, wanneer de Kraamvrouwen zoodanige ftoffe quamen te lollen, datze zulks voor nagcbleve Vliefcn van de nageboorte hebben aangezien. N°. XVI. Een doorgefnede Nier van eerVMenfch, waar in veel duy- delyker dc yeranderinge der Slag-Aderkens der Nieren in dc Pis-canaait- jens van Bcllinus afgebcelt, ais wel in de voorgaande, en van my bc- fchrevene Nieren te zien zyft. Wanneer dat ik dezes Niers Slag-Ader opvulde j zoo is ’t, dat te gc- lyk ook deszclfs Pis-canaaltjcns vervult wierden : daarenboven , zoo ziet men in dit voorwerp niet alleen zeer diftinft des Niers Tepelrjens , die niet anders zyn als een t’zamenftel en by een komftc van alle Pis-canaalc- jens, maar ook de cours der uytcyndcn van de Slag-Aderkens, dewelke eer zy in dc Pis-canaaltjens komen tc veranderen, haar ronde cours ver- WÜTelen in die der Slangen. N°. XVII. Een ftuk van de Maag van een groote gefchobde Haagdis, die men de Ncgundofchc Duyvel heet, dezelve heb ik omgekeert, en ’c binnenfte buytewaarts gewent, en al zoo komen ons hier voor ontrent den uytgang van de Maag groote uyfpuylcnde Tepeltjens, waar van zommige Piramiedwys, andere langwerpig rond zyn. N°. XV 111. Een vies met vogt, in zig onthoudende het Hoofd van een Jong geboore Kindje, ’c welk zeer levendig van couleur is, de Herf- fene hier uytgenome zynde komen ons de Zenuwen in ’t gezigt. N°. XIX. Het Beentje van een jong geboore Kindje, wiens Voetje een kleen Crocodilietje fchynt te trappen, welk Crocodillerje wederom door zyne geilen het Voetje fchynt te byten, en dit alles zeer levendig yan couleur. N°. XX. Een Armtje met deszelfs Schouder-blad, en Borftbeentjc van een jong geboore Kindje. - Aanmerkt ten eerfte. Dat het Vel voor ’t meefte gedeelte weggenomen is, VI. ANATOMISCH CABINET is, op dat mem niet alleen de Bloet-vaten, maar ook dc Zenuwen, en haar natuuriyke plaatze tuflchcn de Bloed-vaten zoude komen te zien. Ten tweeden. Dat het Vlees alzints zigals levendig komt te vertoonen, als ook mede de vingertjens. Ten derde. De Vingertjens hebben haar Vel behouden , om haarc na- tuuriyke geftelcenifte en a&ie, dieze verbeelden, te aangenamer voor ’t oog te maken 3 want UüTchen de Vingertjens werden gehouden hetgroote gedaante van een onvoidraage Kalfje, ’t welk maar weinig wecken was ge- dragen 3 door dit gedaante, ’t welk nog vervult is van fwarte Darms-vuy- ligheyd, die men (moeconïum) noemt, loopendeopgevuldeSlag-Aderkens zoo curieus door, dat het oog hier door zeer voldaan werd. N''. XXI. De Lyf-moeder van een Vrouw, dewelke van haar Man in overïpel gevonden zynde, dood geftoken wierd. Als ik geroepen wierd, om het Lighaam te openen, zoo bevond ik de Lyf-moedcr wat meer als ordmaris verheven, waar uyt ik vermoeden kreeg, dat zy bevrugt was ge- worden, weshalven ik de Lyf-moeder mede nam, om dezelve naukeurig te onderzoeken; dezelve geopent zynde, zoo heb ik bevonden, dat des- zelfs wezen of zelfftandigheyd wat dikker was, en dat de holte des Lyf- moéders niet alleen, maar ook beyde de Eyer-wegen of Trompetten, ver- vult waren met wel gekookte Manlyke natuur, of ten minften met die dof- fe, in ’t aaozicn en met de couleur overeenkomende. Dit ziende, zoo heb ik wel met alle omzigtigheid dit alles in tnyne o-e- --woone vogtigheid gelegc, maar de Lyf-moeder geopent zynde, en konde liet gezeyde daar in niet geheel en al bewaart werden 3 egter zoo ifler een gedeelte van in blyven zitten, ’t welk door toedoen van myne vogt in de holte is komen te llremmen, als mede in de mond van de Baar-moeder. De Eyer-wegen of Trompetten ongefchonde zynde, zyn nog t’eene- maal daar van opgcyult, waar aan als ik maar fagtjens quam te drukken , ’t zelve daar uyt liep. Als men nu conftdereert, dat de Vrouwen ons zeggen, dat zy (indien niet altoos 3 ten minften den meeftentyd ) befwangert werdende, gevoelen de natuur des Mans meerendeels by haar te blyven* en ter contrarie, dat het haar anders weder afgaat 3 wat zal men hier van anders ge boven, als dat de ftoffe van de natuur, en niet alleen deszelfs dampen ot geeftcn, tot dit werk vereyft: werden 3 men zal mymogelyk hier tegenwerpen dateer Vrouwen zyn gevonden, dewelke, zeggen bevrugt ge- worden tc zyn, noewelfe de natuur des Mans niet by haar & zoo zy meenden, eghter zoois ’t gelooflyk, en zeer apparent, dat die temin- Iten zoo veel by haar hebben gehouden, als vcrcyft wierd tot de rrugt- baarheyd. J Of- van FREDERIK RUYS C H. Ofe nu ook zoodanighc diertjens in der Mannen natuur huysveften, dewelke dit of dat toebrengen tot de bevrughtingh, dat zal ik hier niet aanroeren, aangeften zulks buytcn myn oogmerk zoude zyn, nadien ik in dit werk niets voorgenomen heb te befchry ven, als ’t geen in myn XVI. Anatovnifchc Cabinettcn gevonden en getoond werd. Alleen beftuyt ik uythet gezeyde, en ’t geen na heen volgen zal, dat de dampen of geeften des zaads niet genoegzaam zyn tot de bevrug- tingh, maar dat de fubftan tie felfs daar toe vercyft werd , en tot de Lyf- moeder moet ingaan. De Eyerkens der Vrouwen , die door de' natuur des Mans bevrugt worden, en na heen door de Eyer-wegen of Trompetten afgevoert na des Lyf-moeders holte, zyn in dit voorwerp zoo wel niet te zien, als wel in de volgende, om dat ik die daer toe niet heb bereyt. Of nu m die a£tie, het bevrugte Ey geheel en al uyt de Eyer-ftok werd ge- perft, dan of alleen het bmnenfteof’t ingeflotene uytgangh neemt ,-daar over heb ik lang in bedenken geweeft, egter zoo geloof ik nu het laatfte, om dat in de Eyeren der Hoenders het buytenftc bekleetzel, zeer vaft zittende aan de Eyerftok, het doirniet volgt, maar aan de Eyer-ftok kelkjens-wys vaft blyft zitten: Daar en boven zoo is alles in de beginne in de Baar-moe- der zoo teer, datter niets gevonden werd, ’t geen na ’t buytenfte en dik- fte fchelle van ’t Ey gelykt, maar ’t geen in de Eyer-ftok na blyft, con- j ’ a^s et kelJc-ie van ?tEy, waar ontrent ik bevonden heb, dat deiielfs holte, na het afgaan van het binnenfte des Eys, bvzonder rouw, zagt, rood en bloedigh is, gelyk men ook zoodanigh dat "deel des Lyf- moeders vind, waaraan de Moer-koek heeft gezeten, even na het baaren: zoo dat den uytgang van ’t Ey uyt de Eyer-ftok geconftdereert kan wer- den , als de eerfte en Eytjes baring, Daar en boven is ’t befwaarelyk te gelooven , dat in ’t uytperften van het binnenfte des Eys, de buytenfte fchorfle ook zoude komen re volgen, en tot de Eyerwegcn ingaan, nadien de zelve byfter vaft ver- eenigt is met de gehecle Eyer-ftok. Ondertuflchen zoo ftaat te letten, dat ik met het inwendige des Eys niet alleen verftaadie vogt, waar van het Ey vervult is, maar met defe vogt ook te gdyk die zeer tedere Vlieskcns, die defe vogt imme- diatelyk komen te omvangen. Nu beken ik hier wel, een ruym Velt te openen, waar in diepte weyden , myn mening niet is, nadien ik confidereere, defe mync be- fchryvingen alleen te moeten gehouden werden voor Catalogen myner Ca- S s s s binetten, VI. ANATOMISCH CABINET binetten, wcshalven het genoeg is in dezelve ’t een en ’t ander in te voe- gen, ’t geen ik geobièrveert hebben, en’t geen ik vertoonen kan. N°. XXIL Een Been van een jong geboore Kindje , zeer levendig van couleur. Aanmerkt ten eerfte. Dat het Vel afgchaalt zynde, de Spieren ge- zien werden, als mede de Zenuw van ’tDye-been, dewelke in ’t vou- wen van de knie ontbloot zynde, in tween verdeelt werd, cn uyt defe verdeeling komt een tak voort, dewelke langs de rug van de buytenftc Kuyc-fpicr na de voet loopt, en dat op de zydevan ’t hielke, defe ver- ders in takken verdeelt zynde , verfpreyt zig door het buytenftc des voets. En op dat dit alles zyne natuurlyke geftalte zoude behouden, zoo heb ik het in myne vogt gehangen. N°, XXIII. Een Vies met vogt, waar in gevonden werd het Armt- jc vaneen jong geboore Kindje, ’t welk van geftel en couleur nog fchynt te leven, en op dat het niet zoude fchynen ledig , en buiten werk- zaamheyd te zyn, zoo vertoont het een gedeelte van ’t dunne Hcrllen- vlies, ’t welk van deflelfs voorfte vingertje afhangt, wiens Slag Ader- kensmeteen rood-wafllge ftofte opgev uit zynde, ’t geheele vliesje byfter rood maken *cn ’t gene hier nog aan te merken ftaat: door dit Vliesje zyn by- ftcr veel witte Lighaamtjens, zoo klcen als fpelde hoofdjens, verfpreyt, de- welke van zommigc te onregt kliertjens genaamt worden, dog ik houde haar voor vet. N®. XXIV. Een vies met vogt, waar in te zien is, een geheele Moer-i koek van een Vrouw met deficits Navel-ftreng. Aanmerkt ten eerfte. Dat het ruwe deel van ’t Vlies Chorion, op verfcheyde plaatzen gefchonden cn ook weggedaan is, om dat de uyt- cynden der Bloet-vaten van de Moer-kock zoude konnen gelien werden. Ten tweden. De Bloed-vaten, des Moer-koeks geftel makende, zyn tot het uyterfte toe alfints vervult. N°. XXV. Een heel groot onnatuurlyk lighaam, alzints met korte witte, en ook fwarte haayrcn befet, ’t welk een Koe door de Tecldee- len geloft heeft, waar aan een lange band, als een ftcel hangt, gelyk de Plaatfnydcr het zelve hier heeft afgebcelt, in dc VI. Plaat van ’t VI. Cab. Aanmerkt ten eerfte. Dat dit Lighaam gants geen ingewanden heeft» maar was van binnen met water bezet. - Ten tweden. Dat het met de eerfte opflag van’t Oog, een Hopend hondje verheelt, ’t welk het hoofdje en pootjens cemgzints verbergt, ge- lyk van FREDERIK RUYSCH. lyk de honden wel meermaals doen , als fy haar tot het flaapen gaan ng- dcrleggcn. Ten derde. Deze ftcel of band verheelt de Navel-ftreng te zyn; of nu dit voorwerp daar aan vaft gehangen heeft in de holte des Lyf-mocrs, zulks kan ik niet zeggen, egter zoo is ’t waarfchynclyk. Dit ziende heb ik beginnen te denken, of diergelyke voorwerpen niet wel voorheen ook andere voorgekomen mogten zyn, en zulks oorzakc gegeven hebben, van dat men heeft begonnen te fpreken van Suygers, en ziuks van de Koeyen, tot de Menfchen overgebragt te zyn, nadien de Vrouwen ookwcl zomtyds onnatuurlykc zaaken loflen , waar van hier voren gefprooken is } maar ware Suygers met hayr bezet, en die een byzonder leven zouden hebben, geloof ik noyt gezien te zyn, te meer alzo men my dikwils voorwerpen t’mynen huyzc gebragt heeft, die van Vrouwen waren afgegaan, en die fy my voor Suygers wilde opdringen. Indien’er oprechte Suygers waaren, zoo zoudenze buyten twyfFel my in zeven-en-dartig Jaarcn wel eens zyn voorgekomen, aangezien ik daar toe een zeer groote gelegenthcyd gehad heb, wegens de geftadige om- megang met Vroet-Vrouwen, welkers examen ik nevens dc Hecren Inr fpeïïores Collegii Medici nu zeven-en-dartig Jarcn bygewoont hebbe, waar door fy gewoon zyn my alle vreemde zaaken ter hand te ftellcn, om net zelve te onderzoeken, en alzoo bragten zy my dikmaals geron- nen bloet, t welk na dc gedaante van een dier ecnigünts geleek, zom- tyts vertoonden zy my vleczige gezwellen, die uyt de binnenfte opper- vlakte des Lyf-mocder waaren uytgcwaflcn , en afgevallen, en niet zel- den klecne nageboortens, dewelke als ontaarden verhard zyn geworden, en in groote menigte t’mynen huyfe bewaart worden ; zoo dat ik ver- trouw, «Jatter geen waaragtige Suygers gevonden werden, daar zooveel mee onwaarheyd van gefegt word, datze leven, veel min datze zoude konnen vliegen, en haar onder de rokken deralllfterende Vrouwen, ko- men te verbergen. 9 XXVI; Het Armtje cn Hand van een kleen Kindje, tulleken wiens yingertiens gehouden werd een ftukje van de Long, over dwers doorgeineden , waar in de Blaaskcns, die de fubftantie des Longs uyt- maakt, gapen en openftaan, gclykfe doen in het inademen, en dat zon- der van my opgeblazen te zyn, zoo dat men hier haar natuurlyke groo- te en ruymte zien kan. N . XXVII. Lcn Vies met vogt, waar in te zien is het Armtje cn Hantje van een jong Kindje, ’t welk zoo rood cn levendig van couleur is, dat niemand dit voorwerp voor een dood Armtje zoude aanzien, ten Ss s s z waa- VI. ANATOMISCH CABINE! waarc hy bemerktcdat ’t zelve van ’t Lighaamtje afgcfchcydcn was, Aanmerktdat het tulleken dc Vingertjenseenftukie van de borft van een verfch gehore Kindje houd, ’c welk mede levendig van couleur, en zoo toe- bereid is, dat detuftchen-ribbige Zenu wenen ook haare cours, perfeét konnen gezien werden, waar omtrent te letten ftaat, dat de Zenuwen niet altoos haar zoo juyft verbergen in de groeven der Ribbens, dat zy daar niet wel eens buyten en bezyden dezelve zoude loopen, gelyk hier gezien kan werden, zoodatfc in ’t maken van een openingh in dc Borft, QTaracenteJïs') wel eens konnen gelieft werden, gelyk ik voor heen wel gezien heb ia ’t doorboren, waar door de lyder in ftuypen quam te vervallen, ende den Chirurgyn genootzaakt wierd op te houden om vorders voor te gaan. N°. XXVIII. Het Beentje van een kleen Kindje, zoodanig toebe- reyt, dat de uytwendige bekleetzcls als Vel, vet Scc. weggenomen zyn- de, de Spieren van ’t Been , en van de voet gezien konnen werden , met een roode en levendige couleur begaaft. N°. XXIX. Een Armtje van een Kindje zeer levendig van couleur, tuffehen wiens Vingertjens aan een hayrtje afhangt, een ftukvan de Blaas van een Menfch, dewelke in zyn leven met de fteen gequelt was. Aanmerkt hier , dat door het geduurig vryven van de Steen , dc bin- nenfte oppervlakte ons hier ongclyk en als getakt (om zoo te fpreken} voorkomt, ziet hier over verders na het 11. Cabinet. N°. XXX. De Lyfmoeder van een Vrouw, dewelke van buyten bc- fetis, met zeer groote, middelmatige, en ook klyne gcfwellcn. Dcfc gefwcllcn zyn Scirrheus, ja Scirrhi felfs, waar van datter zom- mige met, andere zonder fteeltjens aan de Lyfmoeder vaftfitten; dit al- les werd in een vogt bewaart, op dat het zyne natuurlykegcftalte zou- de behouden. N°. XXXI. Een Vies met vogt, en daar in een groot gedeelte van ’t Rugge-merg, met deffelfs alzoo genaamde Paardeftaart, en dat uyt een Menfch. Dit alles is zeer wit, en wel geconfcrveert. N°. XXXII. De Lyfmoeder uyt een Vrouw, dewelke, weynig da- gen voor haar dood, bevrugt was geworden, gelyk zulks is blykendc uyt het geftel des Lyfmoeders, als mede uyt dat een der Eycrcn. Aanmerkt ten ccrftc ;de Lyfmoeder is grootcr uytgcfet, als wel in die gcene, die niet bevrugt zyn. Ten tweden, dc hollighcyt van de Baarmoeder bevond ik ongclyk cn rouw van fuperficie, gelyk ik zulks in andere meer geobfcrvecrt heb na de bevrugting. Ten derde. De mond des Lyfmoeders is wyt uytgerekt cn rouw. Ten van FREDERIK RUYSCH. 685 Ten vierde. In een van de Eyerftokken is nog te zien de voetftap of ’t teken daar het Eytje uit geparft is geworden 3 want het kelkje of dopje, ’c welk van my gehouden werd voor het buytenfte bekleetzel van’t Ey tje, ziet men nog zitten in de Eyer-ftok , en is het zelve ook nog bol en als befet met een roodc ftoffe, die nu wel wat maflief is geworden door de liqueur, daar het Jaren lang in gelegen heeft, maar van my voorheen eer ft rood en rouw bevonden wierd. In ’t midden van ’t gezeyde Kelkje is ook nog te zien een openingje, ’t welk van my gehouden werd voor het mondeke van de holte , waar uyt het Eytje gekomen is, welk nu zo- danig weder ingekrompen is , dat het nu als een kleen gaatje ons voor- komt. Ten vyfdc. Voor ’t inwendige des Eys boude ik, gelyk te vooren ge- zegt is , het Vogt des Eys , te gelyk met dc dunne Vlieskens Cho- rion en Amnios, en voor het Kelkje , dat dikke velleken of Vliesken, ’t welk na blyft, als het gezeyde uytgeperft is; ’t welk klaarder te zien is in de Eycrftokken der Vogelen. Ten zesde. In de holte van dc Baarmoeder heb ik alleen maar wat vogt gevondc. N°. XXXIII. Het grootfte gedeelte van de Maag van een Jonge, wiens binnenfte oppervlakte van my buytenwaarts is gewent of gekeert, en is deze zeer rood wegens het opvullen der Slag-adcren. Aanmerkt ten eerfte. Hier komen ons niet alleen in’tgezigtcdenatuur- lyke rimpels van de Maag, maar ook zelfs duyzende van kleene Graant- jens van ’t roodc wafch , dewelke in ’t opvullen, door de uyteynden van de Slag-aderkens als uytgeparft zynde, aan de inwendige oppervlakte zyn blyven hangen: de Maag was ook zelfs hier van voor een groot ge- deelte vervult geworden, ’t welk ik ook dikwils bevonden hebbe in het Gedarmte. Hier uyt vermoede ik , dat by ons leven , zoo lang wy gezont zyn , onze Maag en Darmen geduurig bevogtigt werden, door een vogtigheydj die Uyt de uyteynden van de Slag-aderkens als uyt zypelt, welke uyteynden der Slag-aderkens als bundels - wys geconfti- tueert zynde, Klicrtjens geheten worden, die van my klaarder in de Dar- men als wel in de Maag getoont konnen werden 3 ziet hier over in ’t breedc de voorfchrevenc Cabinettcn. Tentweden. Ziet men hier, dat het grootfte gedeelte van t aan de grond van dc Maag vaft zittende, zoo dun is als een Spinneweobe, cn met geen gaatjens doorboort 3 ondertuflehen is het zelve met duyzen- de roode Slag-aderkens als doorweven, ’t welk zeer aangenaam is om te zien. VI. ANATOMISCH CABINET Ten derde. De Milt aan de Maag nog vaft zittende, is gants niet ver- andert van zyne gcftaltenifle: want dezelve heeft haare grootte, figuur en couleur , gelyk in ’t leven. Ten vierde. Een ft uk van de Twaalf-vingerige Darm, met de Maag vereenigt zynde, is mede rood van couleur , wegens het opvullen der Slag-aderkens. Ten vyfde. Het gezeyde ftuk van de Maag hangt aan een Paards- hayrtje, vaft gehegt zynde aan het vleefige Vlies des Maags, ’t welk zoo- danig is gefcheyden, dat men de draden van het vleefige Vlies duydelyk zien kan. N°. XXXIV. De Dye, Been en Voet van een Jong Kindje, alles zoo curieus geconferveert, dat men zoude zeggen , het leven daar nog in te zyn. Het Voetje fchynt te trappen op een Slangetje, ’t welk de name draagt van Rotte-vangertje, of Schiet-flangetje , en getreden zynde, fchynt het zelve re gapen: dit alles is levendig van couleur. N \ XXXV. De Arm en Hand van een kleen Kind , wiens Vingert- jens het Oor van een Menfch vafthouden : dit alles is zoo levendig van couleur en gedaante, datter niets fchynt aan te ontbreken , hoewel deze zaaken veele Jaaren zoo bewaart zyn geworden, N XXX VI. Den Arm van een Kindje, wiens Handje het Hart van een bedaagt Perzoon fchynt vaft te houden, en dat in een VOgtighéyd. Aanmerkt ten eerfte. Dat dit Hart van buyten rouw, en als getakt is, (zoo het geoorlooft is aldus te fpreeken) door welke rouwigheyd het ver- cenigt is met het Hartefakskc, en dat wegens voorgaande ontfteking dezer partyen, waar door den lyder met onverdraagelyke pyn wierd aangedaan, en dat niet zonder geduurige Koortze. Ten tweden. Terwyl het Armtje, Handje, en Vingertjcns nog fchy- nen te leven, zoo is ’t dat hier door alle af keer weggenomen werd. Op de Tweede PLANK JV'erden veel zaaken gevonden tot de voortteeling gedeftïueeTt. N°. XXXVII. FJ En droog Vlesje , waar in drie Eyertjes van eea Vrouw, dewelke aan drie hayrtjens hangen met een rood wafllge ftoffe vervult. Ziet de I. Fig. in de I. Plaat, van ’t VI. Cabine NO. XXXVIII. Een Vlesje met vogt, waar in onthouden en bewaart werd een bevrugt Eytje van een Vrouw ’t wdkuyt de Baarmoeder voort- geko- vafi F KID ERIK RÜYSCH, gekomen, en van my ongefchonden bewaart ,en geheel is gebleven, om te konnen tooncn hoe een bévrugt en afgedrceve Eytje van gedaante zig op- doet, als het zelve eenige dagen in de Baarmoeder opgehouden is. En nadien het geheel en ongefchonden is gebleven , zoo kan men niet zien, hoe het van binnen geftelt is, maar van buyten kan men het begin- zel van de Na-geboorte befchouwen. Ziet de 1L Fig. van de I. Tafel van ’c VI. Cabinet. N°- XXXIX. Een bevrugt Eytje van een Vrouw , ’t welk uyt de Baarmoeder is te voorfchyn gekomen * het zelve is ook als het voorgaande in een vogt bewaart , maar voorheen van my open gebieden , in wiens holte nog gants geen begmzel van een Schepzelke is te zien, Ichcon het vers en wel geftelt is , en daar roe ook zelfs vergroot-glazen gebruykt werden * of nu het beginzel van’t Schepzelke daar in gcfmolten en vergaan is, zulks kan ik niet zeggen. N°. XL. Het Na-geboortentje en Vlieskens van het allcrecrfte begin- zel van een Schepzelke, dewelke in een bequaame vogt bewaard, en van my aan een zyde geopent zyn, en heb in der zelve holte niet met alle ge- vonden, gelyk my zulks meermalen voorgekomen is, wanneer my zoo- danige voorwerpen niet aanftonds ter hand wierden geftelt, zoo dat ik ge- loof dat het beginzel van ’t Schepzelke gefmolten of vernietigt was, - voor dat het my ter hand geftelt is geworden: ziet hier van de V. Fig. in*de I. Plaat van die VI. Cabinet. Aanmerkt ondertuflehen , dat het onderfte gedeelte van dit voorwerp niet behoort tot het beginzel van ’t Mocr-koekje: want het is niet anders als geronne bloed, ’t welk ik zonder het voorwerp te quetzen niet zoude hebben konnen removeren. N°. XLI. Een Vies met vogt in zig onthoudende een bevruc-t Eytje van een Vrouw, ’t welk vanmy opgefneden is, waar in ook van my niets gevonden is. N°. XLII. Een Na-geboorte, dewelke na het vernietigen van’t Schep- zelke, eenige tyd in de Baarmoeder vaneen Vrouw isblyven zitten, waar door het niet alleen een ander gedaante aangenomen heeft, maar ook zelfs harder geworden zynde, niets minder als na een Na-geboorte gelykt. Ziet de IV. Fig. van de eerde Plaat van’t VI. Cabinet. N°* XLIII. Een Vies met bequaame Vogt, waar in te zien is het eerde beginzel van de Menfchwerding of Schepzelke, met het beginzel van de Na-geboorte, en is het Schepzelke niet grootcr als een Luys, of Latuw aaadje, V .... .•... -•-: ro •; , Aantnefkt ten ccrfte, dat het Schepzelke nog vaft hangt door toedoen * V van ’t VI. anatomisch cabinet van ’t Navel-ftrengje aan het beginzel van de Na-geboorte, welk Navel- ftrengje niet dikker is als een fyn of dun draadje. Ten tweeden, dat ons in die tyd de Schepzelkens voorkomen als een rouw en ongeformeert wit Klompje , hoewel men ze befchouwt met vergroot- glazen van de Meer Leeuwenhoek, dewelke wy ook in ons gebruyk hebben. J n die tyd kan men nog geen Hoofd, veel min oogen of ledematen zien; iaat andere zeggen, fchry ven en in Figuuren verbeelden Schepzelkens van wey- nig dagen met Handjens, Yoetjens, Hoofdjens 6cc. men kan uyt deze myne voorwerpen wel haaftzien , wat van haar zeggen, fchry ven en afbeeltzcls aan te nemen of te verwerpen ftaat > ik laat ftaan, ’t geen zommige voorgeven, van datze in de Eyeren van de Vrouwen Schepzelkens met Armen, Beenen, en Hoofdjens konnen zien. Laat ons zoodanige Schry vers, ’t geen zy zeggen te konnen toonen, ons eens voorhouden, gelyk ik hier en elders doe, dan zoo zullen wy haartoe- ftemmenj maar veel zekerder, en met meerder waarheyd fpreekt den vroo- men job hier van Gap. io. alwaar hy tot den Almogende zegt. Hebt gy my 7iiet 'als Melk gegoten, en als Kaas doen runnen ?En voorwaar in die tyd zy nwy als Kaas geronnen, en als een kleen ftukske zagte witte Kaas komt het my voor, gelyk hier tot mynen Huife te zien is. Ten derde, Meermaals zyn my zoodanige voorwerpen en’t begin zei van Schepzelkens voorgekomen, dewelke onder myn handen quamen te fmelten, en alzoo vernietigt wierden maar nu zoo heb ik een liqueur, waar in zodani- ge zaaken gelegt zynde, aanftonds verharden, en zoo kan ik ze nu voor altoos bewaaren zonder eenige verandering, ja ook de bederving. Ziet de I. Fig. van de 11. Plaat van ’t VI. Cabinet. N°. XLIV. Het beginzel van een Schepzelkc van een Menfch, in grootte met een Anys-zaad over een komende, ’t welk ons hier voorkomt zonder het beginzel van het Moer-koekje, waar van ik het heb moeten affnydenom dc Ouders wille. Dit beginzel van het Schepzelke hangt aan een hayrtje des Hoofds, vaft gemaakt aan deflelfs Navel-ftrengtje, en is het bovenfte van dit voorwerp, waar aan het hayrtje vaft gemaakt is, het begin van ’t Navel- ftrengtje , ’t welk na proportie van ’t beginzel van ’t Schepzelke zeer dik is, en het onderfte het begin van ’t Schepzelke. Men moet hier aanmerken, dat ik dit voorwerp, als mede het voorgaan- de zoo dra zy ter Wereld quamen met eygen handen zeer voor2xgtig heb gehandelt en geopend, zoo dat buyten alle bedenken, dezelve zoo wa- ren geftelt, gelyk ons hier in de Figuuren , en t’mynen Huyfc in we- zen voorkomen * en zoo ik deze voorwerpen zelfs niet had gehandelt, zoude ik nauwlyks hebben konnen gelöovcn, dat de Schepfellcens in die yan FREDERIK RUYSCH. tyd zoodanig van forme of gedaante waaren, gelyk dezelve zyn, en hier afgebeelt hebbe , gecnzints de gedaante van een Menfch hebbende. Op dat ik nu dit alles in zyn natuurlyke gehalte zoude conferveeren , heb ik de- ze voorwerpen aanftonds in een bequame vogt ge legt, waar in zy zyn gebleven zonder de minfte verandering. Ziet de Fig. I. van dc 11. Tafel van dit VI. Cabinet. N°. XLV. Een viesje met vogt, waar in te zien is een Schepzelke van een Menfch, in groote met een gepelt Garde Koorn overeenkomende. Aanmerkt ten eerfte. Het begin van de Navel-ftreng is in dit voorwerp wel zeer dun , maar heeft egter een Water-gez welletje 111 zig , zoo groot als een fpelde-hoofd, ’t welk ik voorheen meermaals heb gezien. Ten tweeden. Hoewel het beginzel van ’t Moer-koekje byfter groot fchynt te zyn, ten opzigte van ’t Schepzelke, zoo haat hier te conftdere- ren, dat alles tot het Moer-koekje niet behoort , ’t geen ons hier als een Moer-koekje voorkomt > want voor het grootfte gedeelteis’tnietandersals geronne bloed, ’t welk zig-zoo vaft vereenigt heeft met het Moer-koekje, dat men in de eerfte opflag van ’t oog , hier in ligt zoude konnen bedro- gen werden. Ten derde. In dit voorwerp kan men nog Hoofd, Oogen, nog Lede- maten zien. Ziet de 111. Fig. van dcli. Tafel van dit VI. Cabinet. N°. XLVI. Een vksje met vogt, waar in te zien. is het beginzel van een Menfche Schepzelke , een weynig grooter en dikker als een onge- pelde Garfte Koorn, waar aan het JSI a-geboortentje nog vaft zit. Ziet de IV. Fig. van de 1L Taf. van ’c VI. Cabinet. Aanmerkt ten eerfte. Dat men in dit voorwerp, wat grooter en dikker zynde als een ongepeld Garftje, de beginzelen der Ledematen, nu al be- gint te zien in de gedaante van groote Santiens of kleene ronde Spelde- Hoofdjens. r Ten tweeden. Dat men in die tyd , gelyk hier blykt, het Hoofdje van ’t Lighaamtje nu al kan onderfcheyden. Ten derde. Ook kan men de Oogjens nu al beginnen te zien, als klee- nc fwarte ftipjens. Ten vierde.» Bevint men het Navel-ft ren ge tje omtrent een duymbreed lang te zyn. Ten vyfde. de beginzels van de onderfteLedematen,begin- nen haar de iciiaamte te ontdekken, en wat uyt te puylen , cdog zonder het onderfeneytT un Sexe te konnen zien, ’t welk gecnzints te verwonderen is, nademaa. het in Schepzeltjens zelfs van drie Maanden bezwaarlyk te onderfcheyden is, ten zy men met groote opmerking daarop let. Hiervan Tttt daan Daan komt ook ’t abuys, dat men nooyt of zeer zelden in de aantekening der Ouders (hoewelze in de onderzockinge opmerkende zyn ge weeft) vin- den zal, dat haare Huysvrouwen ontydig van Schepzelkens van drie of vier Maanden verloft zynde, als Knegrjens teßoekftaan, aangezien dat- tcr zoo groot een overeenkomft is in die tyd tuflehen de Knegrjens en Meyskens, darmen het bezwaarlyk kan zien, ten zy men daarvangewaar- fchouwt was. Hierom heb ik dat hier willen vermanen. VI. ANATOMISCH CABINET W°. XL VIL Een viesje met vogt, waar in een Schepzelke van een halve duym groot, ’t welk aan een haayrtje hangtvaft gemaakt aan ’t Navel- ftrengetje, ’t welk zoo dik is, dat het ’t Schepzelke in dikte niet behoeft te weykcaj of dit nu is door etnigc ziekte of natuurlyker wyze , kan ik niet zeggen. De beginzels der opperfte en onderfte Ledematen zyn een gemeene fpelde-hoofd in groote en gedaante byna gelyk. Het hoofdje is na proportie van ’t Lighaamtje zeer groot, nu kan men de Oogjens di- ftindf zien, en is ook het begin van ’t Moer-koekje gaaf en wel geilek* Ziet de V. Fig. van de 11. Taf. van dit VI. Cabiner. N°. XLVIII. Een Menfche Schepzelke, van omtrent een duymbreed groot, ’t welk aan een haayrtje in een vogtigheyd hangt, vaft gemaakt zynde aan ’t Navel-ftrengerje, ontrent wiens Ledematen te conlideree- ren ftaat, dat de opperfte veel volmaakter geworden zyn als wel de onderfte 3 dewyl men de Vingertjens nu al klaar kan zien, en dat aan beyde de Handen, maar aan de Voerjeos word men nog geen Toont- jens gewaar. Ook zelfs vertoont zig nog geen Scheenrje nog Voetje aan de lin- ker zyde , alwaar zig maar alleen een heuveltje laat zien, ’t welk voor het dytje is te houden. Het is in de Kikvorflchen zeer gemeen , dat de voorfte Pooten ccr te voorfchyn komen, als wel de agterfte 3 en in plaats van de agterfte Pooten, zoo komen zy als met een ftaartje te voorfchyn. Ook moet men hier aanmerken, dat dit Schepzelke ons verheelt van de Vrouwlyke fexe te zyn 3 hoewel veele het contrarie zullen fufti- neeren, ten zy dat dezelve beter onderrigt zyn, door het zien van zoo- danige, die nog wat ouder zyn geworden. Ziet de 11. Fig. van de 111. Taf. van dit VI. Cabinet. N°. XLIX. Een Menfche Schepzelke , ?t welk van gelyke op de- zelve wyze aan een haayrtje is hangende in een vogr, eenigzins ouder cn grooter zynde als het voorgaande, waar van alle de Ledematen tot de Vingers en Toonen incluys, ja ook zelfs de Oogappeltjens haar vertonen. Ziet de UI. Fig. van de 111. Plaat van ’t VI. Cabiner. Ik van FRED E R I K R U SC H. Ik zoude vertrouwen, dat dit Schep zelke ontrent van twee Maanden is, ik zegge ontrent, aangezien ’t niet wel mogelyk is zulks zo perfect te de- terminceren gelyk van deze zaak wat meer zal gezegt werden in de expli- catie van de Figuuren, alwaarze in Figuuren na den anderen volgende, by der hand zyn. Staat ook aan te merken, dat niet alleen dit voorwerp, maar ook alle de andere haar natuurlyke geftalte geconfervcert hebben, ja ook zelfs van cou- leur niet verandert zyn, ’t welk zeer aangenaam voor ’t gezigt is, en dat ook zodanige kleene Schepzelkens van een duymbreed groot al voorzien zyn van een Oppervelleke, kan men alhier aanfchouwen. No. L. Een Menfche Schepzelke van ontrent twee duymbreed groot, op dezelve wyze geconfervcert. Als men my dit Schepzelke bragt , vond ik het Buykje geborften te zyn, zoo dat de Darmtjens, ’t Levertje , en het Netje bloot gezien konnen werden. N°. LI. Een Menfche Schepzelke ontrent zoo groot, als een onzer grootfte Vingeren, ’t welk van ’t Vliesje Anwios als van een zeer dun en doorzigtig Lywaatje is omvangen. Niemand zou dit Schepzelke houden van Vrouwlyke Sexe , ten zy dat hy andere en grootere nauwkeurig be- zien had, en dat wegens de byzonderelengte van de [Clytoris~\ Kittelaar, dewelke in die tyd zeer lang uythangt. No. LIL Een Menfche Schepzelke, ’t welk gelyk ook’t voorgaande in een vogt bewaart werd , en is het zelve ook ten naaften by van dezelfde groote, over wiens fchielyk overlyden , de Ouders niet behoefde eenige droef hcyd tc ftellen, aangezien het zelve ter Wereld zoude gekomen zyn, niet alleen met een gefpouwen boven Lip, maar ook met een van een ge- weeke verhemelte en Haafe-mond. Staat ondertuffehen aan te merken, dat ik dit en diérgelyke voorwer- pen , dewelke onnatuurlyk van gedaante zyn , niemand vertone , ten zy men my zulks vergt, op dat niemand met eenige fchrik of afkeer myne zaaken zoude befchouwen , dewelke buycen dat by zonder aangenaam zyn voor ’t Oog, en geheel en al verfchillen van die toebereydzelen, dewelke tentoon gefteld werden , in verfcheyde ilnatomifche Schouw-Plaatzen , welkers voorwerpen men liever ten grave mogte brengen , als datze ten toon werden geftelt. Nadien men hier nu ziet, dat zoo kleene en teedere Schepzelkens be- vonden werden, al bereyts met zoo groote ongemakken bevangen te zyn, zoo ft&at hier aan te merken en te overwegen, of het apparent is, dat de Kinderen, die van meerder groote zynde, haare Ledematen, die cerfl W.,.1 ,< Tttt i wel VI. ANATOMISCH CABINET wel geftelt waren, in ’s Moeders lichaam konnen komen te verminken , en vernietigt te werden door fchrik, of aanzien van dit of dat fpektakel ? my aangaande , ik wil dit oordeel gaarn aan andere overgeven , nadien ik in dit myn doen niet anders voorgenomen heb, als dat te befchry ven, ’t welk in myne Cabinetten gezien kan werden j en oordeele ik zulks profytelyker en meer dienftig te zullen zyn. , N°. Llll. Een Menfche Schepzelke ontrent van de zelve groote, wiens overlyden niet minder gelukkig is geweeft , als het voorgaande, aangezien defl'elfs Armen , Handen en Voeten zeer krom in een getrokken zyn, cnby gevolg een zeer elendig leven zoude hebben moeten leyden. N°. LIV. Een vlesjc met vogt, waarin onthouden werd een Meyske van ontrent drie en een halve Maand dragts, ’t welk als omvangen is van ’t Vliesje slmntos; in dit voorwerp kan men al weder zien dat de Schepzel- kens in die tyd Knegtjens komen te verbeelden , om de voorverhaalde reden. No. LV. Een Menfche Schepzelke, mede van de Vrouwlyke Sexe , byna van dezelfde groote en ouderdom, ’t welk van gelyke geftaltezynde, in een vogt zeer cierlyk bewaard werd. N°. LVI. Een viesje met heldere vogt, waar in geconferveert werd een Meyske wat grooter als het voorgaande. N°. L VII. Een Knegtje van ontrent vier Maanden dragts, wiens Hoofdje gedekt is met het Vlicske jdmniosuyt een Kalfje, waardoor heen zeer veel opgevulde bloedvaatjens loopen, ’t welk zeer aangenaam is om te zien. N°. LVIIL Een Knegtje vaa ontrent zes Maanden dragts, ’t welk met het Hoofdje om laag, en met de Voetjens om hoog gelegen is, N°. LIX. Een Meyske van ontrent zes Maanden dragts, wiens fchaam- deelrjens nu al zoodanig zyn verwallen en verandert, dat men deszelfs fexe ligt onderfcheyden kan. Aanmerkt dat aan de zyde van ’t Hoofdje, deszelfs Moer-koekje word gevonden, waar tegens het met het Hoofdje legt, als tegen een Oor- kuffentje. In deflelfs linker Handje houdt het ’t gedarmte van een on- voldraage vrugtje van een Menfch , ’t welk opgevult zyndc, ons zeer cierlyk voorkomt. Daarenboven kan men de Slag-Aderkens , die door dit gedarmte loo- pen, klaar en diftin£t zien* voornamentlyk die geene, dewelke door het buytenfte vliesje, na de lengte loopen. No. LX. Een Meyske van ontrent zes Maanden dragts, ’t welk een flapend Kindje zeer aardig verbeeldt * het Hoofdje is met een Kroontje van Kruyden en Bloemen verdert, en dit alles in een heldere vogt. * N°. LXI. van FREDERIK RüYSC H. N«. LXL Een Kindje van ontrent tufTchen deugt en negen Maanden dragts, wiens Hcofdje niet alleen voorzien is met een Kroontje van Kruy- den en Bloemen 3 maar als een kleen licfhebbertje der gewaffen , is ’t zel- ve alzints als met Kruyden , Bloemen en Vrugten bezet , en inzonder- heyd met Africa „nfche ? Americaanfche, en ook Aliatifche gewaffen : Als daar zyn takjens van de Thee-boom, alsmede Noremufchaat- boom, Kruyt- nagels takjens , ook van de Kaneel-boom , de eer Pc opkomende Bladeren van de kleene Americaanfche Bekende Vygen, ook takjens van de fwartc en ronde Peper , dewelke de Edele Heer Picter de Wit, Bewindhebber van de Ooft-Indifche Maatfchappye my mildelyk mede gedenk heeft. Na- dien veele diertjens haar gewoon zyn te onthouden onder de gewaffen 5 al- Zoo mede is ’t, dat onder alle deze ook verfcheide gevonden werden , die uyt die zelve Landffreken tor ons over gcfhiurt zyn, als Scorpioenen en Slangetjens, zoo uyt Africa als ook uyt America, Haagdiffen a waar van datter een den hals van ’t Kind fchynt aan te grypen , waar door het Kind 3 als hier door verfchnkt, het Hoofd agterwaarts fchynt te wenden of te Baan. N°. LXIL Een kleen Viesje met vogt, waar in te zien zyn verfchey- dc ftukskens van een zeer fwarte fteen, en dat uyt een Menlch , dezelve zyn zeer broos , en om ze in haar zagtigheyd te bewaren , heb ik de- zelve in een heldere vogt geleyt , om altoos te konnen toonen, dat ons zoodanige {Kenen zomtyds voorkomen ; en zyn deze loorte van een zeer quade natuur. N°. LXIH. Een Lyf-moeder, dewelke waarlyk «ytgezonken is 3 of uyt het Lighaam gehangen heeft, en om te toonen hoe het gcftelt is met zoo- danig een quaal, heb ik dezelve in een vogt bewaart. Ziet de 11. Fig. van de 11. Plaat, Aanmerkt ten ccrftc, dat dit deel ons zeer levendig voorkomt. Ten tweeden, dat de oppervlakte van dituyrgezonke voorwerpeygcntr lyk is het inwendige Vlies van de fchee des Lyf-moeders > ’t welk tc ge- lyk met het wezen van de Lyf-moeder uytzinkt: Maar de geheele Lyf-moeder werd zoodanig van ’t gezeyde Vlies verborgen , dat me* niets inmiddels van de Baar moeder zien kan, als alleen des zelfs inwendige mond . en in dit ongeval werd de Baar-moeder niet omgekeert , maar de zelve zakt alleen neder ten lyve uyt. Maar in ’c uytzinkcn van de Baar-moeder na de verloffing , 200 is ’t dat de Baar-moeder zom- tyds geheel en al omkeert, en zoo ten lyve uythangt , zoo dat des- zelfs inwendige oppervlakte als, dan uytwcndig ons voorkomt. Indien men ia dit ongeval de Baar-moeder niet aanftonts inbrengt , ftaat de Tttt 3 dood VI; ANATOMISCH CABINEÏ dood voor de deur. Ziet hier verders over na myn Anatomifche Chirur- gicale obfervatien. Ten derde. De inwendige mond des Lyf-mocders is zeer ongelyk we- gens eenige kkene groefjens van de inwendige hals , dewelke door de iwaarte cn drukking van de Lyf-moedcr eeniglinrs te voorfchyn komen. N°. LXIV. Een viesje met vogt, waar in te zien zyn de tandjens van een jong geboorc Kindje met haarzagte inwendige fubftantie; ook ziet men hier het PJocg-yzer been van een kleen Kindje, ’t welke zeer wit is. N°. LXV. Een ftuk van de Moer-kock van een jong geboore Kindje, zoodanig opgevalt met een wafllge ftofte, dat ons het uyterfte dezer vaten als dons, zonder iets klicrigs, voorkomt. No. LX VI. Een droog vlcsje, waar in bewaart word een ftukje vaneen Vliesjc, waar door opgevulde Slag-Adertjens heen loopen , welkers uyt- eynden ons in de eerfte opflag van de oogen voorkomen , als klcene vlak- ken, wegens haar fubtielheyd. N°. LXVII. Een V lesje met vogt, cn daar in het N a-geboortentje van een kleen Schepzclke, ’t welk dik , hard , en Pcers-wys zig ver- toont. Aanmerkt, dat zoodanige voorwerpen haar Peers-wyze gedaante niet krygen van ’t Moer-koekje zelfs , maar van ’t geronne bloed , waar van datze alzints bezet werden, en aldus behouden zy niets minder als de ge- daante van een Moer-koekje, en werden deze zaken t’onrcgt ons als Zuy- gers voorgehouden van die, die hier in onkundig zyn. N°. LXVIII. Een Vies met vogt, in dewelke de Vrouwclykhcyd van een menfchelyke vrugt, omtrent van vier Maanden dragts , is begrepen $ maar als ik ’t zelve in den eeriten opflag aanfehouwde, verbeeldde het zo naauwkeurig dc roede met balletjes van een Jongetje , dat het zeer vcelc zou bedrogen hebben , en zulks heb ik in die ouderdom nooyt anders gezien. N°. LXIX. Een kleen Cabinetje van Indiaanfch Hout, waar in vyf Geraamtjens , van zeer kleene Kjnderkens, gevonden werden, dewelke in dit Vl* Cabmet afgebeelt ftaan , en is het kleenfte zoo kleen , dat men nauwlyks een klccnder zoude konnen maken. N°. LXX. Een viesje met vogt, waar in bewaard werd een ftuk van de Colyk en bogtige Darm, uyt een kleen Kind. Aanmerkt ten eerfte. Dat in deze preparatie dc Klap-vliezen van den Colyk-darm ons voorkomen in dc gedaante van een ronde Circul, cn zoo komen zy ons altoos te vooren, wanneer de Colyk-darm niet is opge^a~ zen met wind, of opgevulc met darms maar opgcvuK^yndc, zoo van FRED E R I K RUYSCH. Zoo doet z.'g dezeCirciil op in dc gedaante van twee regens de andere (taan- de Klap-vliezen (gclyk ik de Heer Kerkringh toonde , wanneer hy een Figuur daar van zoude laten maken,} om de wederkeering van dc vuylig- heyd uyt het groote gedarmte te beletten, dat die niet weder quamen tot het dunne gedarmte. Ten tweeden. Zoo ziet men hier een worm even boven de Klap-vliezen of Circul uyt te fteken. len derde. Het glas omgekeert zynde , zoo doet zig hier ook op het Worm-wyze uytfteekzel, en zyn deze zaaken zoo vers, fris en natuur- lyk van couleur, dat men zoude zeggen, dezelve vers uyt het lichaam gefneden re zyn. JSE». LXXI. Een viesje met vogt, waar in van gclyke bewaard werd de helft van een der uytpuylentheden des Lyf-moeders van een bevrugte Koe, waar aan op veele plaat zen nog vaft zit een van de Mocr-kocks- kens 5 op andere plaatzen in tegendeel is ’c Moer-koekjc daar van afge- trokken , ten eyndc men die byzondere diepe holletjens konde zien, die daar zitten in de gezeyde uytpuylentheden van de Lyf-moeder , wan- neer het heelt befwangeit is. Staat hier aan te merken, dat de takjens der bloedt- vaatjens , die de gantfche Mcer-koekjcns maken, haar komen re zetten in die diepe hollet- jens, op dat de Aderige takjens ’t voedzel daar uyt zoude haaien , welk voed zei men m gropte menigte ziet uytvloeyen , als men de Moer- koekjens daar van affeheyt , geheel anders als in de bevrugte Vrou- wen , waar m men zulks niet ziet , maar deze hebben een geheel andere huyshouding. Ziet hier op na het V. Cabincr. N°. LXXIL Een Glaasje met vogt, waar in te zien is een van de ge- zeyde uytpuylentheden van de Lyf-mceder van een bevrugte Koe , waar in de gezeyde nuiiojens veel klaarder konnen werden gezien, tot welker eyndc het Moer-kotkje geheel en al daar van afgehaalt is. N LA XIII. Een ftukje van de ie hor hl ge fubftanrie van de HerfFenc van een Menfeh, dewelke t’eenemaal uyt bloet- vaatjens is beftaande, ’t welk zo wel in d\t ft uk te zien is, als in die van de voorgaande Cabinetten. Niemand heeft my rot nog toe bezogt, die ik het zelve heb laten zien, wanneer het helder weer was., dewelke aan de waarheyd van myn zeggen en toonen gttwyfelt heeft, maar zy hebben alle, niemand oyrgczondert, t zeive voor waarheyd. aangenomen 5 en veele hebben gezegt, ik zoude zulks nooyt hebben gelooft, indien ik het nier hadde gezien. Wil egter iemand nog daar aan twyfelen , om dat hy het niet heeft gezien, wei !°het geloof kan ik hem niet geven , maar wel het gezigt daar van , laat een ieder VI. ANATOMISCH CABINE T ieder tot my komen , als het een helderen dag is, niemand word het be- fchouwen daar van geweygert. Men behoeft juylt geen vergroot-glazen te gebruyken , die een goet gezigt heeft kan het wel zien, zonder behulp van dezelve , ais zynde een klaare zaak. Maar zoo iemand ter loops myne Cabinetten komt te zien, en dat by duyfter en regenagtig weer (gelyk veele dagelyks doen, en hier en daar wat, zonder opmerking, befchouwen) zoo is ’t onmoog- lyk, zoodanige fubtiele zaaken grondig te zien ; onder zoodanige is hy ook mogelykgeweell, dewelke een onvoorzigtig en verkeert raport gedaan heeft aan den Heer Proteflbr G. Chr. Schelhamer, hem zeggende, dat hy myne zaaken ziende, zoodanig een t’zamenftel van vaten niet heeft kon- nen zien, als ik hem de fchorfllge fubftantie der Herflene (zoo hyzeyt) vertoonde. Ondertuflchen zyn in myne handen gekomen de Difpuiten van den met regt zeer beroemde Heer ProfeiTor G. Chr. Schelhamer , waar in ik deze volgende zaken zie ter neder geftelt. Maar of de JchorJfge fub- fantie der Herjfene , waar in de animale geef en werden gefcheyden of bereyt, uyt loutere mondekens (ik heb gezegt uyt de takjens , welkers uyteynden zagt, week en donzig zyn) bef aan, gelyk de Trofesför Ruyfch zeyt gezien te hebben , daar over fchort ik myn oordeel of , want ik kan niet vatten , hoe een grauwe couleur uyt een dzamenfel van bloet- vaten zoude konnen voortkomen, dewyl in de Aderige vlegt'mg, daar uyt befaandei zulks niet gezien word, ook zoo heb ik geen volkome vertrou- wen in de vergroot-glazen , om zagte en glibberige deelen des lighaams daar mede te befchouwen ; weshalven ik van meeninge ben, dat met meer- der reden overeenkomt te geloven , dat ter e ent ge lighaamtjens iusfehen beyde komen > waar door , &c. Eer dat ik kome rot het antwoord op de (telling van den Heer ProfeiTor Schelhamer, zoo heeft het my goet gedagt voor af te zeggen, dat ik van geen meeninge ben om met iemand over deze of geene zaken in difpuit te treden , op dat ik van myn voornemen in ’t verder onderzoeken van ’t ware geftel onzes lighaams niet zoude werden afgetrokken, aangezien ik vertrouw meer dienft aan ’t gemeen te zullen toebrengen, met onderzoe- ken , als met difputeeren. Ondertuflchen werd een ieder verzogü qm te komen zien, ’t geen & ter neder ftclle sen zoo dan egter nog iemand zoude mogen gevonden werden, dewelke meer geloof geven wil aan zyn oogen des verilands , als wel aan zyn lighaamelyke öogen , ik geef een ieder zyn oordeel vry 5 dit voor af gegaan zynde , zal ik kortelyk toe- treden tot het gezeyde. Aan- van FREDERIK RUYSCH. ' 697 Aangaande het eerfte, namentlyk dat de gezcyde Heer Pr. Schelhamer gelieft te zeggen, dat hy zyn oordeel fufpendeert ontrent mync Helling, van dat de fchorilige fubftantie der herffene uy t vaatjens zoude zyn beftaan- de, daar op dient tot antwoord; dat ik my daar over mede heb verwon- dert ,en ook zulks nooyt zoude hebben gelooft, ten waar ik het gezien had; want het zoude my ook als een onmogelyke zaakevoorgekomen zyn, als men my zulks hadde gezeyt, zonder ’t zelve te toonen. Ondertuffchen moet de gezeyde Heer weeten, dat ik nooyt zoude zyn gekomen tot deze uytvinding , ten waare ik in ’t onderzoeken een ander middel in ’t werk geftelt hadde, welke voor my niemand by der hand ge- nomen heeft; want het is niet doenlyk , het waare geftcl dezes deels te onderzoeken f zonder myne voorgegaane prxparatien } in lighaamen die vers geftorven zyn door ’t mes, gelyk de Ontleders gewoon zyn te doen, of door een onnutte koking der Herllene in T erpenty n,Qlyf of ook wel Lyn-olie, &c. Het mes is onbequaam, om de zagtigheyt: door het kooken in de ge- zeyde Olyen, werden de Herffenen als in een ander wezen verandert j en hier door is ’t, dat zommige haar verheelt hebben te konnen zien , dat deze fchorilige ftoffe klieragtig was ~ en zulks hebben zy niet alleen met woorden en fchnften ter neder geftelt, maar hebbender ook Figuren van laaten maken, dewelke t’eenemaal voor beuzelingen te houden zyn, en ver- worpen zynde, moeten wy een geheel andere weg inflaan , dewelke vry zekerder zal werden bevonden namentlyk door het kondig vervullen der Slag-aderen met een roodwafllge ftoffe, ’t welk gedaan zynde, zoo moet men een ftukje van de fchorilige fubftantie der Herffenen afnemen, en aan een haayrtje des hoofds laaten hangen, in een bequame vogtigheyd; daar na het haayrtje tuften de vingeren genomen zynde, maakt men eenige be- weginge van ’c afhangend voorwerp, ’t zelve opwaarts trekkende, en dan weder latende zakken, het welk door deze beweging zig ontdoet, en in byfter fyne takskens vertoont , dewelke donzig , zagt en zeer te- der zyn. Deze methode heb ik niet alleen ondernomen om de gezeyde fchorffe na te fpeuren, maar is by my ook gebruykelyk ontrent zeer veel andere deelcn, zonder dewelke, myns bedunkens , het niet mogelyk is, het waare geftel der zelve te onderzoeken. Wie zoude ooyt gelooft hebben, dat ’er zoo groot een ondcrfcheyt is tuffehen de uyteynden der bloedvaten, gelyk ik albereyts aangewezen heb in de voorgaande Cabinetten, ten waare men zulks ten myneu huyze had gezien ? De fchorilige fubftantie der Herffene komt ons in de afgeftorvene lighamen graauw voor, en ’t fchynt wel dat de Heer Profeffor Schelhamer zig daar aan komt te ftooten , edog ik niet alzoo : of nu dezelve in een V v v v leven- VI. ANAT OMISCH CABINET levendig en gezond menfch rood, of asverwig is ? zulks laate ik daar, het zy zoo of anders, dit zeg ik alleen demonftrabel of toonbaar te zyn, dar de uyteynden der Slag-aderkens zonder eenig middel op verfcheyde plaat- zen komen te ontaarden , en als in andere vaatjens te veranderen; en alzoo kan men zien de uyterfte uyteynden der Slag-aderen van de Nieren in de pis-vaatjens te veranderen ,of datze in een loopen, de Zaad Slag-aders in de Zaad-vaatjens, daar het Zaad zyn cerfte bereydzel in krygt , de Slag- Slag-aderkens die in de Ventricukn van deHerflene gevonden werden, in de aderige ylegting: alzo mede de Melk-aderen van de eerfte zoorte in die Van de tweede , ’t welk ik mecnigmaal ondervonden heb door het opvullen der zelver met wind , zoo datze mede onderling , zonder eenig tuflehen- koraen, vereenigt zyn. Ja ook mede de Slag-aders, die haar door de Moer-koek komen te ver- fpreyden, of liever die te gelyk met de aderen de Moer-koek maken, deze komen ook wel voort uyt de heuptakken des kinds; edog in ’t maken des Moer-koeks, zoo is ’t, datze ook van een andere natuur worden } want men kan ze wegens hare dunte, in de Moer-koek nauwlyksonderfcheyden van de aderen des Moer-koeks : zoo dat men alhier mede eenige verande- ring der Vaten te confiderceren heeft} ja ik vertrouwe, dat dc geheeletoe- bereyding en fcheyding der humeuren en vogten, als fpeekzel, melk, het zaad, &c. alleen afhangt van de hoedanigheyt, verandering en verfcheide cours der uyteynden van de Vaten,maar niet van anderedeeltjens, nogge- fteltenifle der(Tori'j of togtgaten,die men ons op die plaatzen niet kan toonen. Hoedanig dan op verfcheyde plaatzen de couleuren der vogten ons voor- komen in haar vaten, alzoo mede vertoonen haarvaten zelfs gecouleurt te zyn. De Gal geel van couleur zynde, deeld dezelve mede aan de Gal-blaas cn aan de Gal-canaalj het Zaad, zoo lang het in de Tefticulen zyn ver- blyf neemt, is graauwagtig , en zoo werden ook deszelfs vaatjens bevon- den te zyn, egter zoo zyn zy continuccl met de uyteynden der Zaad Slag- aderkens, zonder tufTchén-koming van Klicrtjens of andere zigtbare ftoffe: cm kort te zyn, ik vertrouw, dat de uyt-eynden der Slag-adcren in dc fchorflige fubftantie der Hcrflene te confidereeren zyn, en vergeleken kon- nen werden met de bloemen van de Bloem-kool * deszelfs fteel, als mede dc bladeren zyn hoger groen digt aan de aarde, als aan ’t bovenfte van de plant, wegens haar zap; de fteel verandert ten laatfte aan haar opperftc in witte bloemen, de bloemen zyn continuccl met de fteel, egter zyn ze niet alleen teerder en zagter als de fteel, maar werden ook van een andere na- tuur* alzoo mede is ’t, dat men de fchorflige fubftantie der Hcrflene, die niet anders is als tedere uyteynden der flag-aderen, hier moet aanmerken als van FREDERIK RUYSCH. als de bloemen dezer Vaten ; deswegen ziet men ook zoo groot eên on- der fcheyd tuffchen de uyteynden dezer en geener vaten , gelyk ik in de voorgaande Cabinctten aangewezen heb, ’t welk niet te vergeefs is, want indien der flag-aderen gebruyk alleen was bloed te brengen tot de partyen van ons lighaam, en dat der Aderen, om het overtollig bloed weder te rug te brengen, gelyk men heden ten dage vaft ftelt, waar toe dan zoo groot een onderfcheyt, en niet van een en ’t zelve maakzel en cours tot haar uyteynden toe? Indien deze fchorffige fubftantie in een levendig en wel geftelt menfeh graauw van couleur is, ’t welk ik niet wil tegenfpreeken, zoo zal ze haar couleur dan hebben van die vogt, die in haar onthouden werd; in de ont- fteking der Herffene, razerny en overgroote gramfehap, is ’t zeer apparent, dat deze fchorffe rood van couleur is, om dat het Slag-aderlykcbloed door een byfter fterke drift buyten zyne paaien verder werd gedreven , als het behoort, zoo dat deze uyteynden der Slag-aderkens in plaats van een graau- we vogt , fchoon rood bloed in haar dan onthouden, op dezelfde wyze , als wanneer ik de Slaap-ilag-aderen met een roodwaillge ffoffe opvulle, waar door de fchorffe gants rood wordt, en dat zon- der de allerminfte uytftorting ('extravajatione} ’t welk een zeker be- wys is, dat deze fchorffe haar beftaan heeft uyc loutere Slag-aderkens, die men niet alleen met vergroot-glazen, maar zelfs ook zonder die zien kan : En zyn deze om haar fynheyd en zagtigheyd, veel verfchillende van die Slag-aderkens, die door de Spieren, en veele andere partyen loopcn. Als ik nu hier zegge , de fchorffige fubftantie der'Herffene te beffaan uyt der Slag-adcren uyteynden, zoo zal my mogelyk iemand vragen, of daar dan ook geen uyteynden van Aderen gevonden werden, om het over- tollige weder te rug te brengen ? deze zoude tot antwoord van my kry- gen, dat het my tot nog roe onmogelyk is geweeft eenige Aderkens aldaar te ontdekicen: in myne manier van opvullen, zoo werd dit zeer langzaam, en zonder eenige force gedaan, en daar roe neem ik de Slag-aderen, en niet eenige Aderen * en dewyl in dit doen de fchorffe gants rood word , zoo kan men geen feparatie en opgevulde Aderen zien; het fchynt mytoe, dat het overtollig bloed, ’t welk te rug gaat, zulks al doet, eer dat het de fchorffe komt te maken. Ik zegge, dat het my niet mogelyk is eenige Aderen in de fchorffige fubftantie te ontdekken , en dat het waarfchynelyk is , het wederkeerend bloed al te rug te keeren, eer dat het de fchorile genaamt werd. ISlu het woord 'waarfchynelyk geeft genoeg tc kennen, dat ik daar op zoo vaft niet wil itaaft s want men kan zoo precies met zeggen, waar ter plaatfe de weder- Vv v v 2 keer VI. ANATOMISCH CABINET keer gefchiet 5 want in ’t opvullen der Slag-aderen, werden meeften tyd ook te gelyk de Aderen opgevult, als mede in ’t vervullen der Aderen, loopen ook de Slag-aderen vol: Zoo dat men niet perfedt zeggen kan , hoe het met deze zaak toegaat. Om nu niet al te wytloopig te zyn, zal ik hier van affeheyden, op dat ik niet afgetrokken werde van myn voornemen 5 want ik voornamentlyk voorgenomen heb allemyne curieufe Anatomifche zaken in 4,0 Jaarco verza- melt zynde, te hefchryven , en dat op de wyze van een Cataloge, en zulks gedaan zynd e, zoo is ’t voornemen, zoo de Heere my belieft m ’t leven te laten, over te gaan tot het hefchryven der Cabinetten, welke met de Water cn Land-dieren, bioedelooze diertjens cn andere zaken bezet zyn, welke Kaden en Cabinetten ook veel in getale zyn. N° LXXIV. Een Viesje met vogt, waar in te zien is een vandeuyt- "vientheden van ’t binnen fte vlies des Baar-moeders van een Koe, dewel- v -,n de Mocr-koekjcns omvangen is geweeft. rki ten eerften. Dat in de gezeyde uytpuylentheyd altoos zeer VvO icpe groeven gevonden werden, waar in zig zetten de takjens van de bloct-vaatjens, die de Moer-koek maken. Ten tweden. Dat in de gezeyde groeven verzamelt werd het voedende zap des vrugts, ’t welk van de tippen of uyterfte eynden der Aderen opge- nomen en na de vrugt gevoerd werd, ’t welk geen plaats heeft in de Men- fchen: Want de Lyf-moeder van een Vrouw is verfteken van zoodanige groeven. Ziet verders hier over na dc befchryving van’t V. Cabinet, al- waar hier van breder is gehandelt. No. LXXV. Een ftukje van de fchorftige fubftantie der Hcrfiene, hangende in een heldere vogt, waar in niet minder klaar te zien is , dat dezelve uyt loutere bloet-vaatjens is beftaande. N°. LXXVI. Een droog viesje met het dunne gedarmte van een jong geboore Schepzeltje, ’t welk zeer curieus gevult en toebereyt is. N°. LXXVII. Een ftuk van dc Aderige , liever Slag-aderlyke vleg- tinge, ’t welk in een vogt bewaart werd , en is het zelve zeer rood we- gens het opvullen van de Slag-aderen der Herftcne. N°. LXXVIII. Het Oortje van een jong geboore Kindje , ’t welk een levendig Oortje verbeeldt. N°. LXXIX. Het geneele dunne Herften-vlies van een Menfch, wiens bloet-vaten, en ook dcrzelver uyterfte takjens met een rood-waflige {toffe opgevult zyn. Aanmerkt ten eerften. Dat men hier zien kan, dat alle de Slag-adcrcn, waar mede het dunne Herften-vlies voorzien is, haar cours na beneden zetten, van FREDERIK RUYSCH. zetten, ten eynde zy de fchorfllge fubdantie zoude maken ; derzelver uyterfte takjens zyn zoo veelvuldig, dat niemand dit voorwerp, nog ook de voorgaande, zonder verwondering kan befchouwen. Ten tweden. Komt ons dit dunne Herflen-vlies op verfcheyde plaat- zen hier dikker voor, als men gewoon is tc zien, en zulks heeft ook meer- malen plaats in andere vliezen. N°. LXXX. Een Viesje met vogt, en daar in de fchede van een Baar- moeder van een Schaap, waarin drie of vier verfcheyde, en na den andere daande, engtens, als monden, gevonden werden. N°. LXXXI. Een geopend Mocr-koekje, aan wiens Navel-drengetje afhangt een Menfche Schepzcltje van een halve duym groot. Aanmerkt ten eerden. Dat deszelfs Hoofdje ontbreekt, alzoo het zelve in ’t openen van de vliezen van ’t Moer-koekje door een fchaartje by onge- luk afgefneden is. Ten tweden. Is ’t confiderabel 3 dat deszelfs opperde en enderde le- dematen eenige gelykeniffe hebben met de hoofdjens van klecne fpelde- kens, zonder*” dat men de Dycn , Beenen, Handen of Voeten ordente- lyk zien kan. Ten derde. Is de Navel-dreng na proportie van’f Schepzelke zeer dik. Ten vierde. Hoewel ons hier de JN aa-geboorte, of liever het beginzei van de Naa-geboortc vry groot en dik voorkomt , daat hier wederom re letten, dat, gclyk hier vooren gezegt is, zoodanige Moer-koekjens meed altoos met zeer veel geronne bloet alzins bezet zyn , en zulks heeft ook plaatze in dit voorwerp. Ten vyfdc. Moet ik hier die geene, dewelke haar tot de dudie der Mcdicynen begeven, vermanen, dat ’er veele geweed zyn, die geroepen waren by Vrouwen, die na datze twee Maanden fwanger geweed waren, quamen te vallen in een Mis-kraam, en ziende dat ’er een groot na-werkje tc voorfchyn quam, beelden zy haar in , dat ’er noodzakelyk nog een Kindje tc verwagten dond, in groote na proportie met het Moer-kockjc overeen komende ; zoo dat zy tot dien eynde afdryvende Medicamenten ingaven, tot groot nadeel der Kraam-vrouwen: Als men ondertufleben het na-werkje ter degen examineerde, bevont men het Moer-koekje zeer kiccn, en meed geronnen bloet te zyn, waar van het beginzei van ’c Schepzelkc vernietigt, gcfmolten, of afgezet was. N°. LX XII. Een groot gedeelte van de Poort-ader gelegen in een hel- dere vogt, nadat dezelve zoo kondig was toebereyt, dat onzeoogen haar daar in vcrludigcn 5 want de uytcynden zyn zeer fubticl, en egter 200 kon- dig vervult dat ik durf zeggen, diergelyke nooy t gezien tc hebben, Vv v v 3 Aan- VI. ANATOMISCH CABINET Aanmerkt ten eerde». Dat my in dezes deels toebereyding of preparatie niets klicrigs ofeenigc byzondcre geronne dode, (^Parenchymagenaamt ontmoet is, maar zynde uyterfte bundelwyzc en fappigc uyteynden zeer fynen als in een ander wezen verandert, egter continueei met de takjens van de Poort* ader, en met waiïïge dode vervult, zonder eenigc de minde uytdorting, [extr avdfatio’] Op dezelfde wyze draagt hetzig toe met de takjens van de Hol-ader, door de Lever verfpreyt zynde, ’t weikik in de voorgaande Ca- bincttcn, als mede in de uytgegeveneßrievengetoont heb, cnnamaalsnog verder meene tc vertoonen. Alle de takjens van de Poort-en Hol-ader zyn ontrent haar uyteynden zoodanig gedifponecrt en geftelt, dat, ’t geen de Ouden een byzonderc geronne doffe, of ’t geen dc Ontleeders van deze Eeuw kliertjens van de Lever geheeten hebben, wy niet anders noemen dan bundelwyze en fap- pigc uyteynden der bloed-vaatjens. Ik beken, dat ik voor deeze, met een vooroordeel ingenomen zynde , ook lange jaaren in die zelfde dwaling geweed ben. Het is over dc 40 Jaaren geleden , dat wy ten diende van de Heer Johan van Home, Profedbr in de Anatomie tot Lcyden , myn waar- dige Promotor, zomtyds Levers quamen te excarneercn, (zoo was men gewoon te fpreekenj en wat wierd ’er gedaan ? alle de uyterfte uytcyn- den der vaten wierden met de nagelen, met een ftomp mesje en andere indrumenten weg-genomen, gclyk zulks nog blykt uyt dc uytgegevene Figiniren van zommige Autheuren , als mede met die 40 Jaarige prepa- ratien , dewelke ik van die tyd af ter gedagtenifle tot nog be- waare 3 maar nu, door deze myne nieuwe methode, word’er niets weg genomen, en zoo toone ik die bundel-wyze en fappige uyteynden, diezy voor byzondere Lichaamtjens en Kliertjens hebben gehouden. Den Heer Profedbr Schelhamer fchynr onze dclling, wegens de uyter- de uyteynden der bloét-vaten , regens te gaan , gelyk zulks blykt Se ff, XIII. Thef. Seleff. alwaar hy zegt , geen volkomen geloof te geven, aan de ver groot-glazen, ontrent de zagte deelen, dewelke wegens haare vogtigheyd glibberig zyn, &c. Ik zal zyn Edelheyr kortelyk hier op antwoorden, namentlyk, dat ik zelfs in’t onderzoeken geen volkome geloof geeven kan aan de deden, zoo, lang zy nog zagt, Bibberig, en niet bequaam gemaakt zyn door onze Papara tien. Zoo iemand de Hcrfleaen, dewelke van een zeerzagte zelf- dandigheyd zyn , onderzoekt, zonder voorgaande preparatie en nia- tige verharding, als mede zonder de artificieele vervulling der bloedt- vaten, zal ’c hem zeer moeijelyk, ja onmogelyk zyn , om ’t vvaare gedel der van F REDE R I K RUYSCH. der Herffene te onderzoeken. Alle wie tot nu toe, zonder het gebruyk der vergroot-glazen , deze mync preparatien gezien hebben , van haar heb ik gezamentlyk hooren zeggen, daeze klaar en diftinft konnen zien , ’t geen ik haar deswegen voorhiel, voornamentlyk die gcene, dewelke by helder weer my zyn komen bezoeken. Tot nader verklaring , zal ook dit aan zyn Edelheyt dienen , dat zoo meenigmaal als ik in myne fchriftea zegge , dit en dat door toe- doen van vergroot-glazen te konnen zien en toonen, dat zulks alleen aan myn ouderdom toe te fchryven is, als die nu in myn fevenen-feftigfte Jaar getreden zynde , myne oogen gants niet gefpaart hebbej maar an- dere , welkers oogen vry wat fnelder konnen zien , die zien de dingen klaar zonder het gebruyk van vergroot-glazen , immers getuygen zy het alle te zamen, niemand uytgczondert. No. LXXXIII. EenPis-blaaske van een jong geboore Kindje, ’twelk van my digt aan de roede geopend zynde , zagtjens met Gatteen opge- vult is. Aanmerkt ten cerfte. Dat ik beyde des Navels-flag-aders, loopende langs de zyde van de Blaas, met een rood-waffige ftoffe opgevulc heb- bej en dat Tentweden , het Pis-vat, \Vrachus] , tuffehen degezeyde Slag-aders te zien is, zonder de minfee opening, die zemmige, nogtans te onregt, fuftinceren in dezelve te zyn. Ten derde. Kan men hier ook zien het beginzel van de Navel, een gedeelte van de Navel-ftreng , als mede de cours der Slag-aderen door de Blaas. N°. LXXXIY. Beyde de Nieren van een jong geboore Kindje. Aanmerkt ten eerde. Dat het vette of buytcnfte vlies, daar de Nie- ren in beflooten leggen, zig meeften tyd opdoet, als waare het een t’za- menftel van een klierig vliesje , ’t welk een onervaarc Ontkeder zou konnen misleyden. Ten tweden. Komen ons de Slag-aders hier zeer aangenaam voor, gevult zynde met een geel-waffige doffe , en zeer aardig door het ge- zeyde vliesje loopende. No. LXXXV. Een glaasje met vogt, waar in te zien is de Lyf-moe- der van een Vrouw, wiens inwendige mond ons zoovernaauwt voorkomt, dat men daar nauwlyks het hoofd van een fpeld in zoude kennen iteeken j cn is deze onnatuurlyke verenging ook onder de oorzaken van onvrugt- baarheyd te flellen. Verders ziet men hier aan eene zyde, dat het alzoo genoemde Lof- werk VI. ANATOMISCH CABINET werk van de Eyer-wegen of van de Trompetten van Fallopius, aan eene zyde veel duydelyker te zien is als wel aan de andere zyde. N°. LXXXVL Een Vlesje met vogt, waar in bewaard word de Lyf- moeder van een Vrouw, wiens inwendige mond desßaar-moeders natuur- Jyker wyze is geftelt. N°. JLXXXVII. De Lyf moeder van een Vrouw na de lengte opge- fneden, en m een heldere vogt gehegc, ten eynde men des Lyf-moeders holte, als mede de holligheyd van de inwendige hals kondc zien. Aanmerkt ten eerfte. Dat, hoewel de Heer Rcgnerus de Graaf (die een zeer goed Ontleeder is geweeft , en in ’t bcfchryveo der Teel-dcclen vaneen Vrouw, alle andere Schry vers overtroffen heeft} voldoet my geen- zints in het uyrgeven van zyne Figuur, rakende de holligheyd van de in- wendige hals j weshalven ik raadzaam heb gevonden zulks te veranderen. Ziet de 111. Fig. van de IV. Plaat van ’t VI. Cabinet. Ten tvveden. Hoe dik de mond van de Lyf-moeder is, zulks kan men hier zien, nadien dezelve na de lengte opgefneden is : Ook komen ons hier in de holte van de inwendige hals des Eyt-moeders voor die lat-wyze ver- heventheden van de zelve. N°. LXXXVIII. Het grootfle gedeelte van de Foort-ader des Levers, opgevult met waflige koke, wiens uyterke fappige uyteyndcn zelfs hier nog geconferveert zyn geworden, in deze preparatie is ’er niets wegge- nomen , ook gants geen byzondere klierfjens zyn ons in dezelve voor- gekomen. N°. LXXXIX. Een Vlesje met vogt, en daar in een groot kuk van de Navel-kreng van een pas geboore Kind, wiens Ader en twee Arteriën opgevalt zyn, cm alzoo te bequamer te konnen zien derzelver plaatze en voortgang. Aanmerkt ondertuffehen, dat dit voorwerp een levendig ft uk des Navcl- krengs komt te verbeeldt. No. XC. De Naa-geboorte van een zeer kleen Schepzelke, wiens op- pervlakte, dewelke naak aan ’t Kind kaat, of na het Kind ziet, vervult is van ronde knobbels. Ziet de VIL Figuur van delll. Plaat van’c VI. Cabinet. Ik kan my niet genoeg verwonderen, dat niet alleen de Naa-geboorte, maar ook deszelfs kreng zoo veel verandering onderworpen zyn meenon- natuurlyke kaar, waar van ik in myne Cabinetten gewag gemaakt hebbe, en naheen nog doen zal, van welke zaken ik byna niets gelezen hebbe by andere Autheuren. N°. XCI. Een opgefnede Mond en inwendige Hals van dc Baar-moeder, van FREDERIK RÜÏSCH. te bequamer te konnen zien der (elver inwendige geftalte, t’eenemaaf overeenkomende met het voorwerp van Nc. LXXXVIi, en by gevolg aan de waarheyd aldaar voorgeftelt, niet is te twyfelen. N°. XCII. £en viesje met vogt en daar in de Long van een jong ge- boore Kindje, tuflehen wiens Long, het Hart, in 51 Fiarte-iakxke nog beuooren zynde, zyn natuurlykc plaats en geftalte heeft behouden. • Aanmerkt ten eerfte, dat men hier bequamelyk zien kan, voor eerft dc verdeeling des Longs in een rechter en linker gedeelte of quabbe, als mede de volgende fmaldeling, voor eerft van die van de regter quabbe in drie deden, en die van de linker, in twee deelen, en hoe alle deeze tegclyk wederom gelmaldeelt werden in duyfende van zeer kleene quabbetics. Ten tweden, zo zyn hier de Slag-aderen van ’t Harte-fackxke vervult. Zoo dat men haar cours bequaam zien kan. Ja het Harten Long vertoonen haar levendig van couleur. N°. XCftL Een glas met vogt, waar in geconferveert werd het be- ginsel van de Naa-geboorte van esn zeer kleen Schepzelke, waar aan het begin van een Navelftrengtje nog vaft zit, en aan deflelfs uyterfte het beginzel van de Menfch-werding nog kan geilen werden, maar het zelve is meerendcel gelmolten, om dat zy het my te laat ter hand hadden ge- ile ld. J J v . en groot ftuk van de HerfTene van een Menfch, door my voor dartig jaaren fteen hard gemaakt zynde. Aanmerkt ten eerfte. Dat het de menfehen vreemt voortkomt, dat hout en andere zaaken in deze en geene rievicr gefmeeten zynde, in fteen ko- men te vei anderen, maar zulks moet ons tot grooter verwondering (trek- ken, dat de HerfTene, die van een zeer zagce ftoiFe zynde, fteen hard konnen gemaakt werden, en dat door onze vogtigheyt: Ook heeft ze niet alleen de gezeyde hardigheyd, maar glinftert als een glinfterende fteen. Ten tweeden. Dat dit voorwerp zes-en-dartig Jaaren geleden van my toeberyt zynde, onbederfelyk is, en dat zy, die na my komen zullen, het, zoo ik vertrouw , duyfent en meer Jaaren zullen konnen houden zonder bederving, aangezien alles, wat zoo toebercyt is, geenbederfte- lykheyd onderworpen is. N«. XCV. Een viesje met vogt, waar in te zien is een ontdaane, °zoo°V een byzondere wyze uytgerafelde Tefticul van een mansper- • XCVL Een droog glas waar in gezien word een gedeelte van dc Kugge-graat uyt een onbekend Indiaanfch dier, wiens Wervel-beenderen onderling aan een houden, zonder eenige banden; egter zoo kan men dit X x X x voor- 706 VI. AN A TOMISCH CABINET voorwerp alzints buygen en bewegen gelyk als in een leven- dig dier. N°. XCVII. Een vies met vogt, waar in vertoont werd het Aan- gezicht van een Jonge, zeer levendig van couleur, wiens koo- nen niet alleen levendig roodzyn, maar ook dc Voor-lippen: Ookzyn dc Voor-lippen van haar beklectzel ontbloot, waar door ons die nu als Fluweel voor komen. No. XCVIII. Een kleen ontaard Moerkoekje, hard, en als in een ander wezen verandert, ’t geen eertyds voor een zuyger aangezien cn gehouden wierd. No. XCIX. Een droog viesje, waar in bewaard werd, een Kindje, niet grooter als een gepeld Gerfte-koorntje, met deftelfs Navcl-ftrengtje, ’t welk van my hard gemaakt is, en (laat hier te confidereeren, dat my het zelve over 40 Jaaren gegeven is van den Wytberocmde Geneesh: Hel- vetius, woonagtig in s’Gravcnhage. N°. C. De Naa-geboorte van eea Kindje van ontrent drie Maanden dragts, werdendc in een vogt bewaart 5 het zelve is veel grooter ge- worden , door dien het met gcronne bloet bezet is, gelyk ik meermaals aangewezen heb, in andere Moer-koeken, en dewyl zulks meermaalen komt voor te vallen, zoo moet men omzigtig zyn, om geen abufief oor- deel te vellen, wegens de tyd, hoe lang zoodanig een Vrouw zwanger is ge wee ft. Daarenboven ftaat hier aan te merken , dat de uyteynden der bloet-vaten dezes voorwerps fchynen een begin aan te nemen van een verandering in blaaskens, ’t welk in ’t volgende voorwerp veel klaarder kan gezien wer- den. N°. Cl. Een Naa-geboorte van een Kindje van ontrent vier Maan- den dragts, leggende in een vogt, ’t zelve is een tyd lang in ’sMoe- ders lichaam gebleven, na dat het Schepzelke ter wereld is gekomen , of in ’s Moeders lyve vergaan is geworden, waar door het in een rond wezen is verandert, zonder de minfte holiigheyt, 20 dat het niets minder als de geftalte van een Moerkoekje heeft behouden. No. CII. Een Naa-geboorte van een Schepzelke van een Menfch van ontrent drie Maanden dragts, ’c welk in een vogt is gelecgcn, ’t zelve is een tyd lang in ’s Moeders lyve gebleven, na dat het vrugtje was afge- gaan. Aanmerkt ten eerfte, datter deze Naa-geboorte veel geronne bloet aan zich gehegt heeft. Ten tweden, dat de uyteynden der bloet-yaatjens eeniger-maten cenige ver- van F RED E R I IC R UYSC H. 707 verandering aangenomen hebben, en haar ook totbeginzelsvan waterblaas- kens hebben gezet: en alzo ziet men, dat aan haar uyferfie eynden, zeer kleene ronde knobbeltjes zitten, als zandjes. Ziet de lII* en VI. Fig. van de V. plaat. , N°. CIII. Eenvlcsrnet vogt, waar in te zien is, dcNaa-gcboortcvan fcen Kindje van omtrent 4, maanden dragts, waar aan ook veel gerqnnc bloct vaft zitj deze Naa-gcboorte heelt ook aangenomen de gezeyde verandering in water-blaaskcns, dog wat groorcr cn zigtbaarder als wel in de voorgaande. Ziet de V. Fig. vandc V. Plaat. N°. CIV. Een vies met vogt, in lig onthoudende c«n (luk van dcNaa- geboorte, die tenencmaal in warer-blaaskens is verandert. Aanmerkt. Dat hoewel het bezwaarlyk is te gclooven , dat de Na- geboorte, die geheel en al niet als een t’zamenllel van de bloet-vatcn is, kan veranderen in waterblaaskens , namclyk zoo wel de grooté als de kleene vaten, ja ook de allerkleenfte, egter heb ik ondervonden, dat zulks niet buyten de waarheyd is, ook heb ik zulks al over veelc Jaa- ren bekent gemaakt, en door Figuuren doen verbeelden, ziet hier op na myne Anatom: en Ghirurgicale aanmerkingen in de Fig. 34, en 35* Tot die tyd toe had ik in geen Auteur van zodanige zaaken yetsgelezen, veel min eenige figuuren daar van afgebcek gezien: Maar na heen heb ik ge- zien , dat een ander van deze zaake ook figuuren heeft uytgegeven, die men zien kan na de myne gemaakt te zyn, dog met eenige verandering, om niet t enemaal met dc myne over een te komen, dit is gedaan , zonder eenige mcntic van my tc maken, maar zulks moet men laaten pafleeren met de andere abuyfen van hem begaan zynde. Op wat wyze de bloed-vaten in water-blaaskens konnen veranderen, zulks heb ik hier vooren aangewezen, en gezegt, datter tufichen de vlie- zen of rocken der bloet-vaten ook een gevonden werd, die men bequamc- lyk kan noemen het celluleufe vlies, wiens cellekens door zekere quade gcfteltenifie, met een waterige ftoffe vervult werdende, de holte der bloed- vaten zoodanig werd geperft, datter gants geen holte meer te vinden of te zien is, en zoo werden deze bloed-vaten t’enemaal vernietigt, zo wel de kleene als de grote. No. CV. Een vies met vogt, waar in te zien is, het Steen-bcen uyt een Menfch, ’t £elve is zoodanig toebercyt, dat men niet alleen de drie beenige Canaalen, maar ook die holte zien kan, die men het Portaal noemt, als men het voorwerp maar komt te houden voor een brandende kaars, of voor het ligt van de Soniie, en dit alles is toebereyt zonder ee- nige quetfing der canaalen. Qok doet hier zigop hetflacke huyske. Xxxx ï No. GVI. £3°, CVI. Dc Maag van een Jonge, wiens Slag-aderen vervult zyti tnet een wit wafllge ftoffc , in deszelfs midden komt ons voor een zeer konftig opgcvult takje, het welk het alzo genaamde wonderbaarlyk Nfct zeer wel verbeeldt. OndertufTchen zoo ifler niet aan te twyfelen of alle de tackjens door dc gantfche Maag zyn zodanig geftelt, hoewel zy haar hier zoodanig niet vertoonen, wegens de onvolmaaktheyd dezer opvulling. Aanmerkt ook, dat de loop dezer bloet-vaten byfter veel verfchilt van die der Nieren, des Milts, Moer-koeks en andere deelen meer, ’t welk myns dunkens, aanmerkens waardig is, N°. CVII. Een Tefticul op een zonderlinge wyze ontrafelt of ontdaan. N°. CVIII. Het Levertje van een onvoldrage Schepzelke, ’t welk ontvleeft is, zoo men gemcenelyk, dog t’onregt, fpreekt, want in dit deel niets vleeftgs, nogyets klierigs of diergelyke ftofte, te vinden is, ver- fchcyde zynde van dc uyteynden der bloed-vaten. Aanmerkt ondertuflchen, dat de uyteynden des Poorf-aders tackjens byzonder fraay hier konnen werden gezien, alzoo zy zeer wel bewaart zyn, maar die der hol-ader niet alzoo. M°. CIX. Een ftuk van de fchorffige fubftantie der HerfTene van een Menfch, hangende aan een hayrtje, waarin haar vatig geftel gezien kan werden. No. CX. Het Armtje van een jong Kindje zeer levendig van couleur, in wiens handje gehouden werd een huk van deszelfs Borftje , of wel van een ander Kindje; De Sp.icrrjcns van ’t Borftje zyn zoo rood van couleur, datze in een levendig Kindje niet rcoderzynte zien. N°. CXI. Een droog glas , en daar in het geraamte van een rnuys zeer net, en zoo fubtiel toebereyt, dat men de beeatjens van ’t gehoor in het Steen-bcen zien kan. VI. ANATOMISCH CABINET Dit geraamte op een der agterfte pooten ftaande, zonder eenig fteun- zel van hout, of koperdraad, fchynt te danzen. No. CXU. Een vies met vogt, in fig onthoudende , het binnenfte vlies van de Lyf-moeder uyt een Koe, dewelke in ronde en harde bol- lekens is komen verandert , en dat, zoo ik meen , door verftopping der uyterfte uyteynden van de bloed-vaten, gelyk ik zulks voorheen in zommigc voorwerpen getoont heb, en na heen ook in andere meen te ver- toonen. . , No. CXIII. De Nier van een hond, wiens inwendige fclftandigheyd (die niet anders is als vaten} t’eneraaal geconfumecrt zynde, een worm in zig onthoud , die vry groot is. N°. CXIV. Een vies met vogt, waar in te zien is een gedeelte van ccn ontdaane Tefticul van een Schaap, die een groote ovcreenkomft heeft met die van een Menfch. N°. CXY. De Mond of beyde de Lippen met een gedeelte van de Wang van een Menfch. Aanmerkt ten eerfte. Het buytenfte gedeelte van de onderfte Lip is nog met zyn bekleetzel omvangen, maar het binnenfteis’er van gedaan, zo dat men alleen in’t binnenftevan dit voorwerp zien kan alle de Zenuw- agtige tepeltjens, verbeeldende eenig Fluweel. Ten tweden. Zoo ftaat te confidereeren, dat het inwendige bekleetzel van de Wange geen waaragtig en gemeen vlies is, gelyk zommige gewaant hebben maar het heeft dat met de Voorlippen gemeen, dat het niet anders is, als een uytfpanzel van de Zenuw-tepcltjcns, ’t geen ik bemerkt heb ook plaats te hebben in het oppervelleke van ons vel , hier van daan komt het ook , dat het gezeyde uytfpanzel gcqiteft zynde , ons geen pyn aan doet , gelyk zulks ook plaats heeft in’t oppervelleke van ons vel. No. CXVI. Een vies met vogt, en daar in een ftuk van de Tong van een Kalf, wiens Tongs-tcpeltjens zeer rood van couleur zyn, en dat wegens het opvullen der Slag-aderkens, nadien deze Tepeikens van bloed- vaatjens zeer wel voorzien zyn. No. CXVII, Een ftuk van een Mcnfchc Long, in een vogt bewaart zynde, wiens roode couleur zeer wel geconfcrvccrt is. Hier omtrent ftaat verders aan re merken, dat ik het buytenfte vlies hier cn daar van afgefcheyden heb, ten deele om de gefteltheyd van ’t gezey- de vlies, als mede om de vcelheyd der bloed-vaten , en ook haar na- tuurlyke cours voor oogen te ftdlen: Hierom is ’t dat ik des Longs blaaskens ongefchonden heb gelaatcn om haare natuurlyke gefteltheyt te konnen toonen, zoo als die is in ’t uytademen. N°. CXY 111. Een ftuk van ’t Darm fcheyl, ’t welk ons hier als blaas- kens-wyze voorkoomt, wegens het opvullen van ’t zclvcmet wind, en dat wegens cenige qualyk gefteltheyt, waar mede dit voorwerp is aangedaan ge- weeftm ’t leven. van FREDERIK RUYSCH. Aanmerkt ten eerfte Dat het Darm-fcheyl uyt twee vliezen beftaaf, zulks is kenbaar, maar hier heb ik een derde vlies by gevonden, ’t welk ik meede het celluleufe vlies van ’t Darm-fcheyl noeme, ’t welk tulfchen dc verdubbeling van ’t fcheyl zit 3 het zelve beftaat uyt duyzcndc van klcene cellekcns, dewelke wy niet komen te zien, ten zy dezelve met wind ot water vervult zyn geworden. In een wel geftelt menfch zyn zy voor ’t oog anfigtbaar, hoewclze in vette perzoonen met vet bezet zyn, erf dit vlies als dan volkomen overeen koomt met ons ondcrvellig vlies, of tnemhrand adipofa, Xx x x 3 Ten VI. ANATOMISCH CABINET Ten twedcn is ’t conilderabel , dat dc gczcyde blaaskens ons hier niet alleen zeer duydelyk voorkomen, maar dat zy door een onnatuurlykc ongefteltheyt voort gebragt, en uyt het lighaam gefneden', zoodanig be- waart zyn geworden, dat zy haare natuurlyke bol-ronde Figuur volko- mentlyk behouden hebben, en dat alleen, om dat zy in een bequaame vogt bewaart zyn geworden, zonder het welk zulks onmogelyk zoude zyn ge- weeft. Ten Derden. Door deze en dicrgelyke wyze van doen, kan men genoeg- zaam zien, hoe dienftig het is, de toebereydzels in een vogt te bewaren , omze zo te konnen toonen, als men publyk komt te Anatomizeren ; zoo dat zommige te onregc dit doen in my voorheen veragt hebben, toen ik dit cerll in ’t gebruyk bragt. N°. CXIX. Een vies met vogt, waar in tc zien is een Wervelbeen of twee van een jong geboore Kindje * waar aan nog een Huk van ’t Mid- del-rift, als mede beyde de nieren vaft zitten: deze zaken zyn zoo na- tuurlyk geconferveerc, dat men zotide zeggen, dezelve verfch uythetlig- haamtje genomen te zyn. Aanmerkt ten eerfte, dat dc opper-vlakte der twee Nieren ongelyk is, waar ddor dezelve als in veel deelen fchynen verdeelt tc zyn, en zulks ziet men altoos in de kleine kinderen. Ten tweden, op de linker Nier is de by-nier nog gelegen , even al eens als een aker of Ekel op zyn fchaalrje. Ten derde, hier ziet men duydelyk , dat de By-nicren vereenigt zyn met het Middel-rifc, diaphragma, door het tuilen komen van haar vetre vlies. Ten vierde, dat de inwendige fubftantie van ’t Rugge-merg fchoriïïg is, en uyt bloed-varjens is beilaande, byzonderlyk uyt Slag-aderkens, zulks blykc in dit en meer andere, van my geconserveerde, voorwerpen. N°. CXX. Een droog glas, waar in bewaart word de Naa-geboorte, welke na proportie van ’t Schepzelke byzonder groot fchynt te zyn; aan deszelfs navcl-ftrengcjc is gehegt een Schepzelke van ontrent een halve duym breeds grote, ’t welk gebooren is zes uuren na dat de Moeder van een voldrage vrugt verloft was geworden, zynde een zeekcr bewys van een over be vrugting, fuperfcetatio, ziet hier verders over na myneAnatom: en Chxrurgifche Obfervatien in ’t Jaanópt uytgegeven, alwaar dit volgen- de nevens de Figuur gevonden werd. Huysvrouw van een zeker Qhirurgyn tot Amfterdam is verlojlvan een voldrage Kindjn V Jaar 1686, V welk levendig kloek en (lerk was: zes uuren daar na zoo verlofle zy nog van een Schepzelke, wiens forme en groote gezienJian worden in de Xfr.FigJn dit Schepzelke was het aanmerkens waar- ran FREDEKIK R U S C H. dig, dat de Navel-flreng zoo vol was van water-blaaskens, dat dezelve niet anders fcheen te zyn, als een ’t zamengeftel van blaaskens , vervult met een wateraglige vogt dog waar dit van veroorzaakt is, zulks is niet wel te zeggen. Uyt de befchryving des Moerkoeks, die ik zeyde van byzondere groo- tc te zyn, blykt het dat ik in die tyd geabuzeert ben geworden: want deze zyn groote is vermeerdert door het geronne bloed, en dit heb ik docnmaals alleen voor de Moer-koek aangezien, daar de Moer-koekjens in die tyd zeer klecn zyn. Aanmerkt ook , dat dit Schepzelke voor het droogen van my door een waflige dode is vervult geworden , zonder ’t welke het zyne na- tuurlyke groote niet zoude behouden hebben in ’t drogen. JSK CaXI. Een vies met vogt waar in te zien is een doorgefnede duk of moote van ’t Agter-brcyn van een Menfch, wiens fchorffigc fubftantie vervult is met een rood-waflige doffe, waar door dezelve ons rood voor- komt, het mergagtig wezen is in tegendeel wit gebleven. No. CXXII. Een droog glas, en daar in het geraamte van eenMuys, ’t welk zeer curieus toebercyt zynde, op een zyner agterde poten Haat; in een der voorde hout het een paarts-haayrtje, aan wiens uyterfte een zeer groote zwarte tand van een Indiaanfche Spinnekop valt gehegt is. N°. CXXIII. Een droog glas , waar in te zien is het Vel van ’t op- perfte van ’t hoofd van een Menfch, wiens Slag-aderen opgevult zyn met een rood waflige doffe, en dar zoo kondig, dat niet het allerminfte tackje onaangeraakt fchynt gebleven te zyn, zoo dat ons dit vel als ontdoken voor komt. Ondertudchen is het te verwonderen, dat dit gantfche vel in ’t droo- gen behouden heeft de Figuur van ’t bekkeneel, waar door het een fcho- teltje, zonder eenige rimpels verbeeldt. N°. CXXIV. Het Tyd been in twee deden gcfcheydcn, in wiens eerde en buytenfte deel, ’t welk eygentlyk ’t Tyd-becn geheten is, ’t Trommel-vliesje te zien is, zynde vervult van Slag-aderkens, en is aan’c gezeyde vliesje nog vad zittende het hand-vatje van ’t hamertje, en aan deffclfs hoofdje het aanbedtje. Staat verders re letten , datter tegens de loop van de natuur in ’t mid- den van’c Trommel-vliesje een klcen gaatje gezien werd. N°. CXXV. Het Hart van een Menfch zoo hard gebalzcmt, cn zoo- danig toeberyt, dat het eeuwen lang kan bewaard werden. Aanmerkt ten eerde, dat alle de vaten, eninzonderheyd de Slag-aderen zagtjens met een rood wadi ge dode zoodanig opgevult zyn, dat de uy- terde VL ANATOMISCH CABINET terite ayteyndcn, zo ryn ais dons zynde, de gezsydc wallige itotte een uyttogt hebben gegeven, en dat door het fpierig wezen van ’t Hart heen * in dc gedaante van een rook, ’t welk zeer aangenaam voor ’t gczigt is. Ten tweeden. In deze zagte vervulling is ’er gants geen onnatuurlyke uytfpatting vetoorzaakt geworden; want als dan zoude de gezeydc ftolfc niet in een gedaante van een wolkje of rook haar vertoonen 3 maar wel als ronde bollckens. Ten derden. Zoo is ’t te gelooven, dat in een levendig en welgeftelt. menfch, het bloed door de gezeydc uyteynden geperft werd uyt de vaten ; want terwyl de flagaderen gedcftineert zyn, óm het voedzel tot de fpie- ren te brengen, zoo moet het voedzel uyt de vaten komen} En zyn deze uyterfte uyteynden anders gcftelt, als in de Lever of Milt, niet alleen ten opzigte van haare loop, maar ook wegens haare zelfftandigheyd en dif- pofme. Ziet de zesde Figuur van de V. Plaat. Ten vierden. Het verfpreyden der flag-aderen door de vliezen of roc- ken van de groote llag-ader kan men ook hier zeer curieus zien, als mede Ten vyfdcn. De ftronk van de groote Slag-ader en hoe datze drie tac- ken opwaarts zend, ook de verdere ftronken van des Longs-adcr, Hol- ader, Kroon-aderen 6cc. en dit alles in zyn natuurlyke plaats. Ten zesden. De Oorkens van ’t Hart met dezelve roode ftofte op- gevulc zynde, zoo komt ons derzelver natuurlyke figuur curieus tc voo- ren. Ziet verders, W: Lezer, over het Hart, het 111, cn inzonderheyd het IV Cabinet, alwaar de figuuren der Harten afgebeelt ftaan , zelfs met de uyterfte uyteynden der Slag-aderen. verklaringe Der Figuren van de eer [ie Tlaat, van ’t VI. Cabinet. De eerjie FIGUUR. V' Er heelt het geraamte van een menfche fchep zeiken, de groote van een pinek, in wiens r egt er handt je verheelt word een eytje van een Vrouw, ’/ welk niet bevrugt is, en wert het zelve aangewezen met de letter Jl, Des zelfs linker handt je houd drie hayrtjens vajt, waar van drie eyert- jens afhangen, die ook niet bevrugt zyn geworden, en zyn deze van verfibeide groote. T)e JjC£S: vjr. IZ? JB: J. 'JVeerd. 3af. gj v»n FREDERIK RUYSCH 713 De tweede FIGUUR. Vertoont het geraamte van een kintje , ’t welk een weynig grooter is, als het voorgaande} van des zelfs regter handtje hangt af aan een hayrtje een menfche eytje, ’t welk bevrugt geworden zynde, uyt de baarmoeder is gefloten of gelofl, na dat het in die plaatze vry wat vergroot was geworden } ’t Zelve is van myn niet geopent, zoo dat men het in- wendige geftel niet kan zien. A. De begmzei der vliezen. B. ‘De beginzelen der bloetvaatjens, dewelke het Moer koekje begon den te maken. De Derde FIGUUR. Verbeek het geraamte van een menfche fchepzelke, hebbende de groote van een voorfte vinger van een menfche, van wiens regter handtje af hangt aan een hayrtje , het eytje van een menfche, ’t welk van gelyke groote, en ook be- vrugt is geworden 5 ’t Zelve is van my opgefneden , maar hebbe niets zigtbaars in ’t zelve gevonden. A. Het huytenfte van ’t eytje, ’t welk ons vafculeus, of als een f zamenftel van kleene bloetvaatjens, voorkomt. B. De holte van V bevrugte eytje. DeVierde FIGUUR. Verbeek het begin zei van een Moerkoekje, ’jc welk eenigen tyd in des Lyf- moeders holte is gebleven,na dat het fchepzelke daar uyt gelofl was geworden, waar doorbet verhard, en van zyn natiiurlyke geflake is verandert geworden. De Vyfde FIGUUR. Vertoont het beginzel van een Moerkoekje van een zeer kleen menfche fchepzelke. A. Het beginzel der bloetvaatjens. B. Geklontert bloet, V welk aan het zelve vaft zit. De 11, T A F E L verheelt vyf voorwerpen, waar van De Eerfte FIGUUR. Ons vertoont het geraamte van een kintje van omtrent drie maanden van des zelfs handen hangen af, aan twee hayrfjens, twee beginzelen van Yyyy 1 men- VI. ANATOMISCH CABINET menfche fchepzelkens, waar van het eerfte van de regter hand afhangende in groote met een anys-zaatje overeenkomt. Het tweede van het flinker hantje afhangende komt in groote over een met een luys, of latuw-zaatjc, cn hangt het zelve nog aan zyn navelftrengtje en moerkoekje vaft. Verklaringe van ’t eerfte beginzel van de Menfchwerdingc. ,A. Het begin zei van ’t navelftrengtje, ’t welk immers alzo dik is, als het ftcheftzeltje zelfs, ’t welk ik meermaalen ondervonden heb. B. Het fthe ft ze Itje zelfs, in groote een anys-zaatje geenzins overtreffende* Verklaringe van ’t tweede beginzel. C. Het beginzel van ’t Moerkoekje. D. Het beginzel van ’t fchepzeltje zelfs, hebbende de groote van een latuw- zaatje of luys. T>e Tweede FIGÜUR. Toont ons aan een menfche fchepzelken, hebbende de groote van een gepelt gerfte koorntje;’tzelve is nog vaft aan des zelfs Navelftrengtje en Moerkoekje. A. Verheelt het hooft je. B. ’t Lighaamtje, waar aan nog ganfeh geen beginzels van ledematen ge zien kunnen werden. C. Het Navelftrengtje. D. V Moerkoekje. Te Tierde FIGUUR. Toont ons aan menfche fchepzelken, omtrent van die zelve groote. A. Het nageboortentje, ’t welk na proportie van ’t fchepzelke , byft er groot ons hier voorkomt, en dat van wegens het geronne bloet, ’t welk zoo vaft is gezeten en vereenigt met het Moerkoekje, dat men het daar van niet af kon de halen, zonder het Moerkoekje te quetzen. B. Het beginzel van ’t Navelftrengtje , ’t welk in een wat er blaas ken is verandert. C. Hetfchepzelke , wiens hoopje van ’t lighaamtje nog niet wel is te on derft heyden, T>e Vierde FIGUUR. Wyft ons aan een menfche fchepzelken , een weynig grooter als het voorgaande 3 wiens hoofrje nu al onderfcheyden word van ’t lighaamtje.* ook zoo doen haar hier nu ook al op de allereerfte beginzelen der uyterftc ledematen, en dat als klecne heuveltjèns. A. Het Jjtrss-. r/- ffs/ ix. ■ af y/yf/i Jr/ï/f ■ Jl'eerd. 'laf■ $4 . ran FR EDERIK RUYSCH. 715 A* Het Moerkoekjes buytenfe oppervlakte. B. "Des zelfs inwendige oppervlakte. C. ’t Hooftje. D. ’t Lighaamtje. De Vyfde FIGUUR. Verheelt een menfche fchepzelke, omtrent een duym breetgroot, wiens hooftje van ’t lighaamtje nu niet alleen is te onderlcheyden , maar ook vertoonen haar de uyterfte ledematen in de gedaante van groote heuveltjens en dat wel aan te merken ftaat, des zelfs navelftrengtjes beginzel is byna zoo dik in dit voorwerp, als het fchepzelken zelfs, en dat zulks meermalen voorvalt, heb ik door ondervinding ondervonden, mogelyk door een quade geiteltenifle. De 111. PLAAT vertoont ons VI Figuren, waar van dc Eerfte ons voor oogen ftelt ’t geraamte van een kintje vaa omtrent vier maanden dragts, des zelfs regterhandtje houd aan een hayrtje des hoofts, een menfche fchepzelke, wat groter als het laaft ver- haalde, wiens uyterfte ledematen nu al wat meer komen uyt te botten * egter zoo kan men der zelver vingertjens nog niet onderfcheydentlyk zien. Hier ftaat ons ook nog te confidereren, dat deszelfs navelftrengtje, waar aan het gezeyde hayrtje vaft gehegt is, ook byzonder dik is j en werd in de twede Fig dit fchepzelke aangeweezen. En het geene in de derde Fig. geteekent is* ook aan een hayrtje van de linkerhand afhangende, is een menfche fchepzelke, al weer een weynig grooter als het aanftonts verhan- delde. In dit fchepzelken kan men nu al zien dc vingertjens zoo van de handen, als voeten: en is des zelfs navelftrengtje vry wat dunder, zoo dat men hier ook heeft te confidereren de verfcheyde werkinge des natuurs. Verders ftaat te letten dat ik de gezeyde fchepzelkens, zoolange zy nog zoo onvolmaakt zyn, dat men en nog vingers nog toonen aan kan zien, heb geheten en geftelt onder de Embryones fchepzelkens dat is een onvoldrage kintje of vrucht, en de andere onder de benaminge van Foetus• De Vierde FIGUUR. Vertoont een menfche fchepzelken, ’t welk mede aan een hayrtje des hoofts afhangt, ’t zelve is al weder wat grooter, als ’t voorverhaalde , en is des zelfs navelftrengtje by na van gelyke dikte met het laaft verhandelde. Yy y y 2- 2)* VI. ANATOMISCH CABINE! De Vyfde FIGUUR. Verbeek ons een bovenatuurlyk gezwel, ’t welk in onze tale Pap-ge- zwel is geheten, en dit mag men met regt een Hayr-pap-gezwel noemen, wegens het hayr dat in ’t gezwel gevonden is * ’t zelve is gevonden tuffen de fpieren van den hals van een Os, en verheelt zeer aardig eenneftjeyan een zeker Indiaans Vogeltje, ’t welk wy Colubritje noemen. A. De hayr en knngwys en rontom V gezwel lopende, B. \Taftagtige fioffe, van binnen in ’t gezwel zittende. De Zesde FIGUUR. Vertoonteen tweede Hayr-pap-gezwel, nevens het voorgaande tuffen de fpieren van den hals gevonden; uy t des zelfs in wendige ftoffe komen regt op ftaande hayren voort, ’t welk een aangeftoke watervuurbal verbeeldt. A. Een vafte, harde, en vreemde ftoffe. B. De hayren. De Zevende FIGUUR. Verbeek deNageboorte van een kleen menfche fchepzelke,’t welke eenigen tyd, na het afgaan van ’t kintje in de Lyfmoederis gebleven, waar na de bin- nenfte oppervlakte met ronde en harde knobbeltjens is begroeyt geworden. A. 9t Moer koekje. B. De knobbeltjens. Verklaringe van de IV. PLAAT, waar op gevonden werden drie Figuren , hier van is de eerfte De Lyfmoedervan een Vrouw, dewelke weynig dagen voor haar dood, bcvrugt is geworden. A. k Lighaam van de Ly[moeder. B. zelfs dikte. C. Des Ly/moeders holte. D. ‘De ft laats, daar de Trompetten of Ey er wegen haar zetten inde holte van de Lyfmoeder. E. De geopende Eyerfiok. F. De rond- en lange banden, voorheen de ronde banden geheten zynde. G. Der zelver zazelingen, by andere het lofwerk geheten, H. De Trompetten of Eyerwegen. I. De Eyerkens, buyten de Eyerfokkenuytpuylende. K. De Jj££S; KT CfsZff ,- J/T . TA'eerd. 'Taf . . CJ&féarfs. a.T Tj££J-- 7SZ * uu £yêzt/jr.- ZVèer’dgff. van FREDERIK R U Y S C H. 717 K; De brede banden des Lyfmoeders. L. De holte der Eyerwegen, M. De r and van de holte der Ey er wegen, IS. Het bevrugte Eytje, wiens inwendige vogt verandert, en als geronnen is , mogelyk van de vogtigheyt, waar in ik het ge legt hebbe: en ïs het zel- ve door de bevrugtinge vergroot geworden, O. O. De Eyertjens, die niet zyn bevrugt geworden-y dezelve zyn over dwers opgefneden, en h aar e inwendige vogtigheyt geen zins geronnen 3 hoewel het in dezelfde vogt gelegen is, P. 'De over dwers ofgefnede bloedvaten, De inwendige mond desLyfmoeders. De Tweede FIGUUR. Wyft ons aan een uytgezakte of uytgezonke Baarmoeder. A. Het voor ft e gedeelte des Baarmoeders, dewelke bezet ofte omvangeu is van,fte fchede des Baarmoeders, zoo dat men de Baarmoeder , zelfs . niet immedtatelyk zien kan, V welk in alleuyt zinking van de Baar moe dn flaat zgfeeindién dezelve uït zinken , namentlyk buyten de baringe, B. De inwendige mond der Baarmoeder, waar in verfcheyde zeer kleene fleuven of groeven van den inwendige ha Is des Baarmoeders ge zien wor~ den , en dat wegens de pérJJJnge, waar van de Vrouwen in dat vooraal ; veeityts zeer geincommodeert worden. { De Derde FIGUUR. Is een afbeeltzel van den inwendigen mond, en inwendigen hals des Baarmoeders 3 de welke hier na de lengte geopend zynde, haar inwendige gefteitheyt bequamelyk gezien kan werden. A. A. De zyden des Lyfmoeders mond, na de lengte geoftnt zynde. B. De holt e van den inwendigen hals des Lyfmoeders. C. De fleuven of groeven. V erklarlnge van de V. PLAAT waar van de eerfteFig. aanwyft de Baar- moeder van een Vrouw, dewelke maareenige uuren, na datze van haar Man in overfpel gevonden zynde, dood geïtoken wierd, en is des zelfs Baarmoeders holte niet alleen, maar ook beyde Trompeten of Eyerwe- gen bevonden met manlyk Zaad vervult te zyn* A. *t Lighaam des Baarmoeders, B. Des zelfs holte. Yyyy I C. 9t VI.- ANATOMISCH CABIN E T C. V Manhk&aady nu wat verhard, wegens de vogtigheyt , waar in V voorwerp is gelegen. D. Den inwendigen mond, i« ff Ag" V ij blyven zitten. E. De ronde en lange banden. F. Eyerwegen of Trompetten. G. De Eyerjiokken, die men voorheen der Vrouwen Tefticulen heeft geheten. De Tweede f IGUUR. Verbeeld een ftuk van den bogtigenDarmvan een Menfch, wiens celiuleuzc en fponcieuze Vlies opgeblazen, gedroogt, en over dwers doorgefneden is. A. V Gezeyde Jluk van den bogtigen TDarm van een menfeh. B. Het celluleuze Vlies, De derde en vierde FIGUUR. Wyzen ons aan, ftukken van de Nageboorte van een raenfche, waar van de geheele Moekoek, een tyd lang in de Baarmoeder is blyven zitten, nadat het Kint ter werelt was gekomen, waar door d’uyteynden derbloct- vaten de natuur van waterblaaskens, op verfcheydeplaatzen, hebben aan- genomen. De Vyfde FIGUUR. Verbeeld een ftuk van de Moerkoek, waar in ’t gezeyde veel duydelyker kan werden gezien, door dien de blaaskens nu vry grooter zyn gewoede». De Zesde FIGUUR. Vertoont een ftuk van de Nageboorte, dewelke nu geheel en al tot water- blaaskens was geworden, gelyk dit alles ’t mynen huyze zoo te zien is, alsof het nu vers uyt het lighaam was gekomen. De VI. PLAAT vertoont ons een zonderling en tegensnatuurlyk voor- werp , ’t welk een Koe afgegaan is, ’t zelve is byna alzints bezet met korte, zwarte, ook witte hayren* ook ifler een langefteel aan vaft. A. Het hayrig lighaam. B. De Heel. * C. Het hairlooze gedeelte, D. De hayren.. Wie nu alle deze onvolmaakte fchepzelkens' die ik hier heb doen af. v . beel- JjCcTS ; VT. dljLB; V. CJtyéerts .M yt'wm Jsu2p; 'ZVeerd. gy. Jj££s : T'T. Ja# ,- VT- ad aiza/?n. ZVcej'd. dóf. g 8 van FREDERIK R U Y S C H. 719 beelden , met opmerkinge befchouwt , zal ligtelyk met my toe- ftemraen, dat het zeer bezwaarlyk zy te oordeelen, uyt der zelver groo- te, van wat ouderdom dezelve zyn , ofte hoe lange datze zyn gedra- gen } te meer nadien wynige Vrouwen gevonden werden , dewelke den precifcn punt des tyds van Bevrugting weten aan te merken. Daar en boven verliezen zóódanige kleene en onvolmaakte Vrugrjens zeer dik- wils ’t leven in de Baarmoeder, en blyven egter nog voor eenigen tyd in dezelve 5 zoo dat ik oordeele by na onmogelyk te zyn , te willen oordee- len van den precifen tyd, en dat uyt de groote der zelve: Zoo dat ik met omzigtigheyd hier heb willen nalaten, van met afllirantie daar van tc fpre- ken, hoewel andere zulks gants abuzivelyk gedaan hebben. Omtrent vol- maakte Ichepzelkens van 3,4,5. Maanden, kan men met wat meerder zeker- heyd van deze zake fpreken, om datze veeltyds levendig ter werelt komen, als mede ia meerder quantiteyt ons toegebragt worden. HET VII. ANATOMISCH CABINET HET ZEVENDE ANATOMISCH C A B I N E T. » P wiens grond gevonden wórd een Graf-ftede of Tombe, uyt verfcheyde zo uyt Ooft, als Weftindifche fchoon gemaakte Hoorntjens, Schulpen, en Zeetakjens toebereyd. In het opperfte van dc zelve, ziet men ook die. vreemde Schulp, wiens rand getopt en van Fab: Columna befchreven is , met de naam van Concha exotïca mar vitte in muerones exeunte. In de holte van deze Schulp ftaac het geraamte van een Kindje van on- trent agtien wecken dragts , wiens regter-handfje in zig onthoud een Milts llag-ader, dewelke gevult is met een rood*wasftge ftofte, verbeeldende al zoo een roode Coraal. Deze gezeyde Tombe onthoud in zig een tweehoofd g en voldrage Kind, voorzien met drie Armen en twee Beenen , ’t zelve heb ik al over veele Jaaren gekogt, zyade door andere gebalzemt en hard gemaakt, zo dat zodanig een balzameeringe rnet de myne geenzints over eenkomende nog natuurlyke couleur, nog geftelthsyd behouden heeft. Aanmerkt daar benevens, dat met alleen uyt dezes Kinds oogen-raden Haagdiflen en Slangen voortkomen , maar over het ganfche lyf fchynen de- zelve ook te kruypen, welke zaaken in de waare graven der afgeftorvene menfehen meermaals werd gezien, in vreemde en flang-ryke landen, gelyk zulks kenbaar is. IVmineer deze Tombe gezien wierd van den Eerwaar digen Heer, Heu- Manus Sch y n , Bedienaar des Goddelyken IVoorts by de Mennoniten, en is oor naam G ene es heer te Am [ter dam, behaagde het hem dit IVerk, met deze v o ken de verzen te vereer en. SIC TRANSIT GLORIA MUNDI. Deez’Tombe een Meefterftuk uit Hoorenrjens en Schulpen, Daar ’t Ooft en Wefter Strant der Indien meê praalt, Door Zeegewas gchegt, en konftig opgehaalt, Vêrftrekt 4e Lykbus om dit Monfter te beftulpen. Eea van FREDERIK RUYSCH 721 Een menfchlyk Schepzel, maar helaas! te veel ontaart. Als met twee Hoofden, met drie Armen, en twee Beenen Voorzien 3 door Balfemkunft zo hart gemaakt als fteenen. Dog door deez’ groeten Man voor d’ondergang bewaart. Voorwaar een Monder der Elenden en gebreken, Daar ’t menfehelyk geflagt te droevig onder zugt : Een bittre nafleep van die eerde Zondevrugt, Doen ’t Menfchdom van den Boom des Levens wiert verdeken. Helaas! wat ziet myn oog in deeze Tombe al reen Om ’t pronkduk van Gods hand met tranen te befchreyen ? Wie weigert my dit Lyk ten duidre grave leyen Met droef heit ? daar de Dood zelfs in het fwart komt treén. Ik zie twee Scbepfeltjes, geplaad wat meer verheeven Deez’ Grafplaats, in ’t Geraamt den grooten rouw bekleên: Zy fchynen ’t dlte nat- te droogen van de leen , En drekken ’t Sinnebeelt van ons elendig leven. Deez’ heeft in zyne hand een Breuk, en die een Bord, Wiens Ribbens zyn geknakt, en wederom genezen. O Wyt Vermaarde Heer! uw kondwerk doet my leezen De brosheit van den Menfch, die quaal by quaalen tord. Helaas! wat baart een zonde al rampen en elenden ! Wat deept een eenig quaad een bondel plagen mee! Hoe dort zy ’t pronkduk van Gods ving’ren in een Zeé Van fmerten zonder tal, en ziektens zonder enden! N°. 11. Aan de regter zyde van deze Grafdede daat het Geraamte van een voldrage menfche fchepzel, in deszelfs regterhand dragende en vertoo- nende (om alzoo eenige werkzaamheit te verbeelden} een duk van de bog- tige Darm, waar in gevonden werd een byzondere en regens natuurlyke ver- trekplaats, wiens uyterde de muyl van een hond is verbeeldende. Dit duk Darms heb ik zeer veel jaaren bewaart, ook doen afbeelden in myne Anato- mifche en Chirurgicale Obfervatien, gelyk ik nu weder hebgedaan. Ziet de IV. Plaat van de 11, Fig. in dit Vil. Cabiner. N°. 111, Aan de linker zyde van dit Graft daar noch een tweede Men- fche Geraamte , ontrent van de zelfde ouderdom, hebbende in beyde de handen een grooten dag-ader met Saffraan-couleurig-waffige doffe vervult. Z z z z De VIL ANATOMISCH CABINET De Ecrftc PLANK. N°,IV. Y\e Poot van een Varken , uyt wiens linker zyde als menfchc Vingers fchynen voort te komen. N°. 11. Een zeer curieus Geraamte van een Muys, wiens voorde en lin- ker pootje in zig onthoud een ftuk van dc Lever door balfamatic verhard, wiens oppervlakte fchynende als gecorreltmet ronde korreltjens, kleene kliert- jens verheelt 3en zulks heeft my met alleen, maar ook zeer vermaarde Ontlee- ders voor deze bedrogen, voor zeker houdende , datditgekorl, Kliertjens waren, dewelke als byzondere lighaamtjes op haar zelve fchenen te beftaan, en yder met een byzonder vlieske omvangen te zyn , tot welke alzoo ge- noemde Kliertjens de bloetvaatjens zoude na toe loopen: daar ik nu in te- gendeel , dit geftel beter en op een gants nieuwe manier befchouwende, be- vonde cn getoont heb, dat deze lighaamtjes, na datze ontdaan, en in een heldere vogt op zyn gehangen, niet anders zyn als uyterfte fappige uyteyn- den van Bloetvaatjens, dewelke penceels-wyze haar dan vertoonen , geiyk ik hier van in ’t voorgaande breder heb gehandelf. Daar en boven heeft dit Geraamte in deszelfs regrer pootje, een vlies, waar door duyzende van bloetvaatjens loopen , welkers uyteynden, hoe- wel zoo fyn als katoen of dons, egter vervult zyn geworden. N°. V. Een zeer wit Geraamte van een Mol, in wienstoebereydingniet de allerminfte aan- nog uyt-was zyn vernuft, ’t welk een aangenaam gezigc geeft. ]NO. VI. Een ftuk van de Nugteren darm van een Vroumenfch , waar in dit aanmerkelyk is, namentlyk, Waaneer als ik het Lighaam, waar uyt dit ftuk darms genomen is, open- de, en dat in de Soraer, zoo vond ik ai her gedarmte als bevrozen, en als met ysagDgheyt bezet te zyn, blinkende en eenigzints hardagtig. Door wat ziekte deze Vrouw is komen te overlyden, is my niet bekend, dewyl ik het niet heb konnen of durven navorftchen, en dar om zekere redenen. N°. VU- Het Oor van een Kind levendig van couleur , waar aan nog vaft zitten het Steen- en Slaap-been, dewelke eenigzints van den anderen zyn gefcheiden, op dat het Trommel-vlks, de Beenderkeos van’t Gehoor, als mede de Snaar, konnen gezien werden. No. Vlil. De Nier van een Kind, waar op de By-nier nog zit, geiyk een aker in zyn kelkje of dopje. Aanmerkt, dat men hier zeer wel zien kan, dat deßy-nieren harebloet- vaten, van FREDERIK RUYSCH. varen, niet alleen krygen van dc Nier-varen , maar ook zelfs van die, de- welke het Middcl-rifc QT)iaphragma) voorzien. N°. YX. Beyde de Qogfchellen van een Menfch, in welkers omtrek be- quaam gezien konnen werden, alle die kleene mondekens, als mede de twee Traanftippen; en is deszelfs binnenfte vlies zeer rood, gelyk men in een ontfteking dier deelen meermalen ziet; maar hier is zulks veroorzaakt,we- gens het opvullen der bloetvaarjens. N°. X. Het Hoofd van een Kindje, levendig van couleur. Aanmerkt ten eerften. De regter Lydende Zenuw is hier dubbelt, ’t welk raar is, en zelden gezien werd. Ten tweede. In de regter zyde vint men ook de Zenuw’ van ’t zesde paar (na de optellinge van IVïllïJïus) op twee verfcheide plaatzen ’t Bek- keneel te doorbooren. Ten derden. Dat gedeelte van ’t dunne Herffenvlies, ’t welk de Reuk- zenuwen komt te ontfangen, is hier van veele Slag-aderkens voorzien. Ten vierden. Beyde de Voor-lippen van haar bekleerzel ontbloot zyn- de , komt ons zeer klaar derzelver fubftantie te voore, dewelke behalven de bloet-vaatjens niets anders is, als een zamenftel van Zenuw-Tepelt- jens, dewelke eenig fluweel verbeelden. Ten vyfden. Het dikke of harde Harflen- vlies , ziet men hier zeer cu- rieus bewaart te zyn , verbeelende blinkende witte zyde. Wanneer de Heer Johannes Pluimer, zeer vermaard Digter, dit Hoofd, en andere zaaken, en voornamentlyk dat Jongske van ontrent B Jaaren out, en van my dertien Jaaren bewaart, en gebalzemt, zag, zoo geliefde het hem deze bal (arcade te vereeren met deze Veerfen. Had dit lief Jongske, toen het ftierf, omtrent acht jaaren ? Hoe kon men, naar zyn dood , hem darden Jaar bewaaren ? Ruysch heeft alleen die kracht, zyn kunft en wys beleid, Geelt ’s Lichhaams wezen, en zich zelfs de onfterflykheid. No. XI. Een Vies met vogt , waar in bewaard werd de Milt van een Dogter, zyn de een Reufmiie, waar in, wegens deszelfs groote , klaarlyk hlykt, dat’er niets klierigs, dradigs, of vliefigs van binnenin de Milt van een Menfch gevonden werd, gelyk ik zulks in ’t Jaar 1696. niet alleen ge- toont, maar ook zelfs wereltkundig, en met Figuuren afgebeeldt hebbe. Ziet het antwoord op de vierde aan my voorgeftelde Brief. Nadien het gezeyde zoo klaar gezien werd in deze Reuflnne haar Ivlilt, wegens deszelfs groote, zo heeft het my goed gedagt voor de tweede reyze Zzzz z een VIL ANATOMISCH CABINET een Figuur daar van uyt te geven. Ziet de 1. Fig. van de I. Plaat van dit VIL Cabinet. N°. XIL Het halve hoofd van een Kind , na de lengte in twee deelen verdeeld , en in een heldere vogt bewaart , in ’t zelve zyn deze navolgende zaken te confldereren. Ten eerften. De Trechter en Fluym-klier na de lengte doorgefneden zynde , ziet men de Tregter door de veelheyd van opgcvulde flag-aderkens zeer rood te zyn. Ten tweeden. Ook kan rnen hier zien , dat ’er in jonge Kinderen, voornamentlyk in die geene , die pas geboren zyn , geen holte gevonden werd onder de Paardezadel, gelyk zulks de Ontleders ook zeer wel hebben aangeweezen. Ais mede Ten derden. Dat de Gezigt Zenuwen, inmiddels ook bekleet zyn van’t dunne Herflen-vlies, waar door heen hier gezien worden zeer veel Slag- aderkens te loopen. - Ten vierden. Ook vertoonen haar hier de lydende Zenuwe van eene zyde, als mede die van ’t vyfde paar (na de optelling van de Heer TVil~ lifius) en een gedeelte van ’t dunne HerlTen-vlies , waar mede het vyfde paar Zenuwen omvangen werd. Ten vyfden. Komt ons ook in ’t gezigt beyde de takken van de Gehoor- zenuw , namentlyk, de harde en ook de zagte tak, dewelke ik door toe- doen van een doorntje van den anderen heb gefepareert. Als mede Ten zesden. Dat de fchorfige fubftantie van ’t beginzel des rugge-mergs uyt loutere bloedvaatjens, en inzonderheyd uyt flag-aderkens, die zoo fyn als dons of katoen zyn, haar beftaan heeft. Ten zevenden. Het glas omdrayende, vind men ook in’t zelve een ge- heel e Milt van een Menfch. N°. XIII. Het dunne Herflen-vlies van een Jongeling , in dunte byna overeenkomende met een Spinne-webbc ; en zyn de flag-aderen daar door heen loopende, met een roodwaflige ftoffe opgevult, weshalven dit Vlies ons zeer rood voorkomt. N°. XIV. Het Been van een Kind, natuurlyk van couleur, onderdes- zelfs Voetje vind men een ftukje van ’t gecarieert Bekkeneel van een zeer vermaarde Hoer, genaamt Anna van Hoorn » eertyds zeer wel bekend by alle die geene, dewelke het hoerewerk zeer toegedaan waren , onder de- welke zommige nu nog in ’c leven zyn, zoo men my onderrigt heeft. Waarom ’er een ftuk van ’t Bekkeneel onder ’t Voetje is geplaaft , zulks kan men ligtelyk bevroeden, nadien deze Ligtekooy deze ellendige quale niet is overgekomen, zonder haar verfoeijelyk bedryf; want in zo- danig van FREDERIK RüYSCH. danig water, vangt men zulke viflehen 5 dit word alles in een heldere vogt bewaart. Ook heb ik het gebeente van een haarer voeten bewaart , ’t welke op ’t water als een veder dryft. N°. XV. Een vies met vogt, en daar in een dukvande BogtigeDarm, hebbende een tegens natuurlyke vertrekplaats. Aanmerkt ten eerden. Dat dit vertrek fakswyze aan ’t eynde blind is, of zonder opening, en dat deszelfs uyterde, het hoofd van een Hond ver- beeld. Ziet de IV. Tafel van de 111. Fig. Ten tweeden. Meermalen zyn my zodanige vertrekplaatzen vóórgeko- men , in ’t openen der afgeftorvene Menfchen ; ook heb ik in ’t Jaar 1698. een derzelver door Fig&uren laten afbeelden in myne Anatomifche en Chi- rurgicale Oblèrvatien. JNu heeft her my goet gedagt dezelve hier nog eens nevens een tweede te verbeelden. Ziet de 11. Fig. van de IV. Tafel van dit VII. Cabinet. Ten derden. Alle de zodanige vertrekken komen meed, zo niet altydt, voor te vallen in den Bogtigen Darm 5 en nadien deze Darm in ’t onderde des Buyks voor ’t grootfte deel gelegen is, kan het wel komen te gebeuren, dat zodanig een vertrek-plaats in een liefch-breuk zit, zonder die zware toeval- len , dewelke een liefch-breuk ordinaris verzeilen, gewaar te worden. N°. XVI. Een gedeelte van ’t binnende vlies des Lyfmoeders van een bevrugt Schaap, in ’t welke ons zeer klaar voorkomen alle die worm-wyze vaatjens , dewelke ik heb laten verbeelden in’t laar 1701. en dat in’t 11. Cabinet. Aanmerkt ten eerden. Dat deze worm*wyze vaatjens continueel zyn met de uyt-eynden der Slag-aderen, gelyk in de Tediculen der Menfchen 5 dat ook haar onthoudende vogt overgegeven word aan de verhevene en bultige dee- len des Lyfmoeders, en zoo vorders opgenomen werd van de uyteyndensder Aderen van de Moerkoek, is by my buyten alle twyffel. Ten tweeden. Deze vaatjens komen ons ligtelyk re voorfchyn, wanneer men ilegts de vliezen Chorion en Amnios werende , de Lyl moeder in ge- meen water eenige uuren laat wecken , als wanneer zy ons zonder eenige konde zo ligt voorkomen, dat ik my niet zoude verwonderen, datze door andere in andere Landen ook waren uytgevonden: egter zo heb ik my deze uitvinding toegefchreven, nadien ik, voor myn uytvinding, niemand heb gevonden, die deze vaten publyk gemaakt, of door Figuren afgebeelt heeft. XVII. Een Vies met vogt, en daar in een groote tak van de Hol- ader des Levers, welkers uyteynden te vergeefs voor kliertjens werden ge- houden, g£iyk hier gezien kan werden. Zzzz 3 No. XVIII. VII. ANATOMISCH CABINET N°. XVIII. Een Kinds Armtje, in wiens handje onthouden werd een kleen Zeevisje, van my wegens de gelykenifle, een Zeebaarsje geheten. Aanmerkc, Dat de Hand en Vingertjens zoo aardig het Viske fchynen aan te grypcn, als of het alles levendig was, en dat in een heldere vogt. ]Ss0. XIX. Een Huk van een MenfcheMaag, op dezelve wyze bewaart, waar in te zien zyn het ware geftel der rimpels, die in de Maag gevonden werden j als mede alle die openingetjens , mondekens , of fweetgaatkens, waar van het binnenfte vlies vervult is. N°. XX. Een ftuk van een Menfche Darm, ontrent een handbreed lang, waar in op twee verfcheide plaatzen een infchieting (Sufcéptio ) gezien werd, en zit in een der zelve een groote worm , die daar ook ten deelen uythangt. N°. XXL Een Arm van een Kind, in wiens handje gevonden werd een buykige Hoorn, waar uyt te voorfchyn komt een Indiaanfe Bloedzuyger, die zeer groot is. No. XXII. De aderlyke vlegting TLexus Cboroideus uyt een Reufmne, dog zeer teder, na proportie van ’t geheele Lighaam. De Tweede PLAN K. N°. XXIII. T let Hoofdje van een pas geboore Kindje van een Nege- rT nnne, waar in aan te merken ftaat, Dat niet alleen dit Eloofdjc, maar ook het geheele Kindje met Kindere Fokjes bezet waren, hoewel de Moeder ten tyde hares dragts van geen pok- jens aangetaft was geworden, en nadien het Hoofdje fwart en onaangezien was, zoo heb ik het zelve , om alle affchuwelykheyd te myden, rondom met opgevulde Slag-aderen van een ander voorwerp bezet. Nü. XXIV. Een Moer-koek van een Menfch geheel en al rood , we- gens de opvulling der bloedvaten, daar de Moerkoek uyt beftaat: op ver- fcheide plaatzen ziet men het alzo van my genoemdefapagtig vlies, ’twelk de oppervlakte des Moerkoeks bekleet, die tegens de Lylmoeder aan ge- zeten heeft. N°. XXV. Een gedeelte van de fchorfige fubftantie der Herflene van een Menfch, waar in het ware vatig geftel van de zelve te zien is. N°. XXVE De alzoo genoemde Paarde-ftaart van een Menfch, zo als die gezeten is in de eyge gaten van de Lendene wervelen. No. XXVII. Een groot ftuk van de Colyk en Blinde-darm , met des- zclfs worm-wyze aanhangfel uyt een Menfch. In deze werden zeer klaar gezien ds Klap-vliefen van de Colyk-darm, als van FREDEIUK R U Y S C H. als mede deszelfs drievoudige Lat-wyze uytfteekzels, Oog-luykende Klap* vliezen by andere geheten. N°. XXVIII; Een fyn glas, waar in bewaart werd het Hart van een Menfch, zynde zeer rood wegens het opvullen der Bloetvaten, ookbyftcr verhard wegens onze manier van balzemen. Aanmerkt ten eerften. Dat het uiterfte of punte van dit Hart in tweën is gefpouwen, waar van ’t langde gedeelte voortkomt van de regter zyde des Harte. » Ten tweeden. Kan men hier ook zien, hoe en op wat plaats de Ader zonder weerga (Vena Azygos') voortkomt uyt de opgaande Stronk van de Hol-ader, aan wiens zyde hier ook kan worden getoont de Slok-darm, die een tak van de gezeide weergaloze Ader ontfangt, als mede de verdeling van de Keel of Hals-ader (Vena Jzigularis} in een uyt, en in een inwen- dige tak. N<>. XXIX. Het Hoofd van een Jonge van ontrent zes Jaren, ’t welk zo fns is bewaart, dat het aangezicht nu nog fchynt te leven, hoewel het over veele jaren is geftorven: en zyn deszelfs oogen gefloten, verbeeldende alzo het Hoofd van een die flaapt. Aanmerkt ten eerften. Dat het bovenfte van de Herflen-panne afgeno- men , en de Herflene uytgenomen zynde, doet zig hier op het harde Herflen- vlies, als fchoon wit blinkende zyde. Ten tweeden. Door het overblyfzel van de Reuk-zenuwen ziet men veel bloetvaten verfpreyt te zyn. Als mede Ten derden. De Zenuwen, zoo als die door de grond van de Herflen- pan uytlopen. Ten vierden. Door het Aangezigt, ’t welk zonder de minfte rimpel is bewaart, ziet men veele kleene ontvellingtjens, waar van de Lyder in zyn leven aangedaan was. Hier door komt het, dat men hier en daar eenige roode vlakken komt tc zien, nadien de roodwaflige ftoffe aldaar een uyrgang nam, in’t vervullen der vaten van ’t Aangezigt. No. XXX. Een droog glas, waar in te zien is , en bewaard word de Blinde-darm, en een groot ftuk van de Bogtige, en ook Colyk-darm, en dat uyt een Kind vyf Jaren: merk aan, dat, alhoewel de Dar- men met geen wind opgevult zyn , evenwel dezelve haar ronde uyt- fpanmng hebben, ’t geen ik nooyt voorheen by andere gezien heb ge- daan te wezen 9 en zyn dezelve zeer rood wegens der Slag-Aderen opvulling. No. XXXI. Het Hoofd van een Kindje , ’t welk ponder eenige rim- pels VII. ANATOMISCH CABINET pels in een vogt is gelegen , en ’t Hoofd van een levendig Kind ver- heelt. Aanmerkt, Dat ik het bovenfte van ’c Bekkeneel en de Herflene afgeno- men ,en het Agterbreyn omgekeert zynde, weder in’t Hoofd gelegt hebbe, ten eynde men de Slag-adercn der wervelen van de Hals , en de daar uyt voortkomende Hals Slag-ader in ’t gezichte zoude krygen. N°. XXXII. Een droog glas, waarin te zien is de Blaas van een Menfch, dewelke van drie Pis-leyders is voorzien , waar van ’er twee in de linker zyde geplaaft zynde in een loopen , eer zy in de Blaas zyn gekomen, en alzo doorboren zy dezelve met een eenvoudige opening. N°. XXXIII. Een Vies met vogt, waar in onthouden werd een groot deel van ’c dunne Herffen-vlies van een Menfch, wiens Slag-aderen opge- vult zynde, zeer rood haar opdoen, en alzoo hebben zy deze couleur ook medegedeelt aan ’t gezeyde dunne Herflen-vlies, N°. XXXIV. Een deel van’t harde Herflen-vlies van een Menfch, yt welk mede in een vogt is gelegen. Dezes deels alzoo genoemde lange GroefF QSinus Longituainalis) geo- pent zynde, kan men klaar zien die kleene ronde Geerftgelykende Lig- haamtjens, dewelke ons den Heer Tacchionusheeft ontdekt, en zyn dezelve niet grooter als het hoofdje van een gemeene fpeld, ten waare men de zelve met vergrootglazen quant te zien, of als ’er tv/ee aan een zaten. N°. XXXV. Nog een deel van ’t harde Harflen-vlies van een Menfch, in wiens lange Groef niet het minile der gezeyde ronde Lighaamtjens ge- zien of gevonden werden j edog buyten deze Groet hangt ’er een vliesjc af van de binnenfte oppervlakte van ’t harde Harflen-vlies ? ’t welk van die kleene en ronde lighaamtjens vervult is, maar van dezelve heb ik nietkon- nen zien , dat ’er het minfte takje van een Water-vaatjen uyt voortkomt. N°. XXXVI. Het harde Herflen-vlies van dc iieuzinne, onlangs van my ontleed, in wiens langagtige Groef eenige zoodanige Lighaamtjens ge- zien worden, maar dezelve zyn zeer kleen na proportie van haar lighaam, ja overtreffen al mede geenzints het hoofd van een kleene fpeld. N°'. XXXVII, Een glas met vogt, en daar in een iluk van het buyk- vlies van een waterzugtige Vrouw, ’t welk zoo vol zit van een lymig wa- ter, dat men het buykvlies nauwlyks zien kan. Ziet de 111. Figuur van de 11. Plaat van dit VII. Cabiner. Ook* waren de Klieren van ’t Darm-fcheyl even zoo vervult met Water- blazen (Hydatides) zoo dat alle remedien vergeefs in’c werk geftelt zynde, de LyderflTe het leven heeft moeten verlaten* en nadien men zulks zeer veel ziet voorvallen in waterzugtige menfehen , zoo is ’t datze zelden of nooyt gene- van FREDEUK RÜYSCH. genezen, wanneer men haar den buyk door deze of geene wyze opent, om ’t water te ontladen. N°. XXXVIII. Een glas met vogt, waar in te zien is een overdwers doorgefnede ftuk van de bord van een Kind, en nadien het Hart, en de Longe met een wallage doffe zyn vervult, zoo kan men zeer curieus en be- quaamzien, niet alleen, hoe dat de long en ’t hart in het in- en uytademende geheele bord vervullen, maar ook de platte form, die het onderde van deLong, en ook het Hart krygen, om datze het middelfchot raken, en daar op leggen. Daarenboven zoo komt ons hier in dit voorwerp nog voor, wegens het dwers doorfnyden van de Bord, het dwers doorgefnede Rugge-merg, wiens uytwendige of merg-agtig deel {pars medullaris') wit van couleur is, en het inwendige of fchorfige gedeelte (pars cortkalis') root, wegens het op- vullen der Slag-aderen, waar uyt de fchorfige fubdantie meed is beftaande. Mo. XXXIX. Een glas met vogt, en daar in een takje van een Kaapfe Heeder, met porcelyne bladeren, ’t welk befchreven is in ’t eerde Deel van de Amfterdamfe Tuyn. • Het onderde gedeelte van dit gezeyde takske is bezet met een gemaakt en onwaar vlies, ’t welk uyt myn eygen bloed, na een aderlating van my is toebereyd , en dat alleen door geduurig roeren van’t takje door het bloed, tot dat het koud wierd : dit gedaan zynde, heb ik het takje met dyf ge- ronne bloed bezet zynde, in fchoon water gelegt,’t water dikwils ververd, en ’t geronne bloed eenige reyzen t-uffchen de vingers geduwt, waarna het zyne roodigheyd verlatende, een witte couleur aannam, verbeeldende alzoo een waaragtig vlies, ’t welk zig rondom de bladerkens zeer vaft quam te zetten, waar door heen menigte van waarfchynlyke membraneufe draden (Fïbra) loopen 3 zoo dat wie het ook ziet, ’t zelve als een waaragtig vlies, uyt een Menfch genomen, voorkomt. Ziet de VI. Fig. van de lil.Plaat in dit VIL Cabinct. Staat ook te letten dat zulks niet zal gelukken , wanneer men het bloed niet aanftonds komt te roeren, eer dat de geeften vervlogen zyn. In ’t eerhe Cabinet vind men byna dezelve preparatie , en dat uyt het bloed van een Varken 3 en dewyl zulks geroerd was met de hand en vinge- ren , in plaats van met een gebladert takje, zoo doet dat zig op in de ge- daante van een polypeufe zelfftandigheyt, waar door heen haar ook laten zien eenige ftukskens vet. Ziet de 11. Plaat van het. I. Cabinet. N°. XL. Een Vies , waar in te zien is een ftuk van de bogtige darm uyt een Menfch, leggende in een heldere vogt, op dat men zeer klaar en diftinft zoude konnen zien het vyfde of fluweele vlies, waar over zooveel waters vuyl gemaakt is, namentlyk, wat voor een wezen dit bekieetzel zy, A a a a a cn VIL ANATOMISCH CABINET en of het ook wel voor een vlies re houden is 3 alle welke opinien hier op te halen, zoude niet alleen verdrietig, maar ook onnut zyn. Ik wil liever de curieufe Liefhebbers tot het zien nodigen , op dat zy mogen befchou- wen wat van de waarheyd is. Het waare en Tepel-zenuwagrig geftel der Voorlippen , heb ik befchre- ven, en met een Figuur doen afbeelden in ft HL Cabinet, in dit V 11. zien \yy het Tepel-zenuwagtige inwendig bekleetfel der wangen; met hetzelve te onderzoeken bezig zynde, quam my in de zin, dat het met ondienftig zoude wcezen, eerft het fluweele vlies des Maags, en dat der Darmen te doorfnufïelen, nadien deze alle continueele Lighaamen zyn. In dit onderzoek dogt my beft te zyn hef gedarmte en Maag zoodanig eerft te bereyden, datze haar als in een levendig Menfch quamen te vertoo- nen, en dat door het opvullen der vaten, en in een bequame vogt te wey- ken. Dit viel zoo wel uyt, dat ik zonneklaar bevond, het Fluweele vlies van de Maag,. Darmen, Wang, en Voorlippen > byna van een en ft zelve geftel te zyn, namentlyk een t’zamenftel van Zenuw-tepelrjens, Bloetvaat- jens (die zoo fyn zyn als dons of kattocn) en een bekleetzel (Epithelia) voortkomende uyt de uyteynden dezer Tepeltjens. Aanmerkt ten eerften. Dat dit Tepelwyze lighaam in de Voorlippen dun- der is, als in de Maag of Darmen. Ten tweeden. Dat dit in alle lighamen niet even klaar tc zien is, wes- halven men in verfcheyde lighamen zulks moet navorffehen. Ten derden, In de Voorlippen komen deze Tepeltjens niet klaar tc voorfchyn, ten zy dezelve van haar bekleetzel eerft werden ontdekt. Ten vierden. Staat ook tc letten, dat deze Tepeltjens veel dikker zyn, als de uyteynden der Zenuwkens zelfs , waar uyt ze voorkomen, ft geen men ook ziet in de uyteynden der Slag-aderkens , van de ingewanden, de- welke ook dikker zyn, als wel de Takskens zelfs. Ten zesden. Het gebmyk aangaande, ik vertrouw dit Tepel-zenuwagtig Lighaam het werktuygte zyn van ft gevoel 5 en hier van daan komt her, dat dezelve Tepeltjens van haar bekleetzel (Epitheha} ontbloot zynde, ft zy door fcherpe humeuren, veheraente medicamenten of andere zaken, de Lyders zoo pynelyk zyn. Nü. XLl* Een Vies met vogt , waar in onthouden werden beyde de Lippen en Voorlippen (‘'Prolabïa) als mede een deel van de Wang, en dat uyt een Menfch. Aanmerkt hier, dat de Lippen en Wangen haar beftaan hebben uyt een oppervelleken (Epidermis) vel, vet, Mufculeufe , Klierige , en Lepel- senuwagtige fubftantie, als mede uyt een inwendig bekleetzel , waar van FREDERIK RUYSCH.' waar by men zoude mogen voegen het netwyze lighaam van Malpighius, hoewel het hier ter plaatze wegens deszelfs dunte naauwlyks gezien kan werden in een Menfch. In dit geprtepareert voorwerp ziet men ook , na het fcheyden van haar uytwendig bekleetzel (EptheLia) het Tepekzenuwagtig wezen, de Klie- ren der Lippen , het vel, het vet, de reft komt ons hier met in’t gezigt. N°. XLII. Het Oor van een Kindje levendig van couleur. N°. XLIII. Het gedarmte van een jong Schaapje, zeer net toebereyt, en in een drooge vies bewaart. No. XLIV. Het gedarmte van een Kindje van ontrent vier Maanden dragts, zeer witj ’t zelve houd in zyn handje het zeldzame zaad van de 'Palega *Pajaneli Hort. Mal. hebbende de gedaante van een Zon. N°. XLV. Een Vies met vogt, waar in bewaart werd een hand van een Kindje, ’t welk een ftuk van ’t dunne harflen-vlies uyr een Menfch vaft houd, ’t geen zeer rood van couleur is , wegens het opvullen der Slag-aderkens, tot het uyterfte uyteynden toe. N°. XLVI. Een groot ftuk van des Longs Slag-ader in vogt opgehan- gen , dezelve is zoodanig toebereyt , dat men derzelver zagte en lappige uyteynden zien kan, en is deze preparatie onder alle de voorgaande, uyt- ftekend wel uytgevalien. N°. XLVII. Een drooge Vies met de geraamtens van twee muyzen, waar van de eene met een der agterfte pooten zig ftaande houd op een kleen Eytje van een Hoen, ’t welk in een gemeen Hoender Ey in ’t opllurpea is gevonden, en uytgehaak. Aanmerkt , dat deze twee Geraamtens op den andere zittende, gants geen vreemd fteunzel hebben tot haar vaftmaking, maar ftaan op hare eyge beenen, hoewel andere Ontledershet contrarie gewoon zyn te doen. N(i. XLVIII. Een Vies met vogt, waar in te zien is de Aderige vleg- tinge van een zinneloos Schaap, (zoo het geoorlooft is aldus te fpreeken} wiens Bloetvaatjens als in kleene ronde bolletjens verandert zyn. Aanmerkt, dat dit Schaap, als van zinnen berooft , liep nu tegens de Muur, dan weder in’t Water, zondereenigebezeffinge; edog nadien ook zelfs de Herffene ontrent de zyde van de regter holligheydeenigzins bedur- ven waren , kan men dit quaad in ’t geheel aan de Aderige vlegtinge niet toefchryven: egter heugt het my, dat ik een zinneloos Menfche heb geopend, wiens Aderige vlegtinge alleen qualyk geftelt was. N°. XLIX. De Herffene van dit gezeyde Schaap, levendig van couleur. N • L. Een Vies met vogt, en daar in een Alen (ene fchepzelken , wat grooter als een latuw zaadje. Aaa a a 2 Aan- 732 VIL ANATOMISCH CABINE T Aanmerkt, dat in het VI. Cabinet twee Schepfelkens gevonden werden, met dit in groote byna overeenkomende 3 en nu doet zig hier het derde op, ft welk om beter gezien te kunnen werden, zoo heb ik op zy een doorntje gedoken. Aan de vlieskens van dit Schepfelken hangt een groot ftuk ge- ronne bloets : zoo dat men ft beginzel van het Moerkoekjen befwaarlyk zien kan. N°. LI. Het Geraamte van een Kind van ontrent 7 of 8 Maanden oudt, van wiens regter handje afhangt een van my geprepareerde Darm-breuk, ontrent welk ongemak deze volgende zaken gezien werden. A. Een ftuk van ft Buykvlies, ft welk in zig bevat het dunne gedarmte van een Kind. B. Een gedeelte van ft verwyderde Buyk vlies, ft welk tot in ft fakske is komen te verlakken, wegens deszelfs uytfetting. Het vel zelfs is hier weggenomen, zoo dat het verwyderde Buyk-vlies hier als een fakske ons voorkomt. C. Het Schee-vlies, ft welk geopend is, waar in de zaatvaten worden gezien. lemand deze zaken beziende, zal wel haaft konnen oordeelen , dat de ge- zeyde Vaten niet inmiddels zyn gelegen in ft verwyderde Buyk-vlies, maar wel datze van buyren tegens het zelve aanleggen, en daar aan wel vaft ge- hegt zynde haar bekleetzel daar van ook fchynen te hebben , en niet van de binnenfte oppervlakte van ft Buyk-vlies , gelyk ons de Autheuren ver- keerdelyk hebben aangewezen , welk bekleetfel Schee-vlies is geheeten, ('Tunica Vaginalis') En nadien alle deze zaken zoodanig van my zyn toe- bereyd, datze ons als een levendig Darmbreuk voorkomen , zoo moet men conlidereeren, dat ik dit ongeval tot dien eynde alzoo heb toegefteld, op dat het haar zeer volmaakt zoude voorkomen, die in de Medieyneen Chi- rurgie haar komen te oeftenen , want veele hebben een verkeerde verbeel- ding van dit ongeval gehad. Op dat nu dit alles haar natuurlyke forme en rondigheyd zoude hebben, zoo heb ik deze breuke opgevult met Cattoen, en het gedarmte met wind. Dit gezeyde Geraamte fchynt een Neusdoekje te houden voor deszelfs Oogen-raden , gemaakt uyt een Vliesje, waar door heen duyzende van op- gevulde Bloedtvaatjens loopen , verbeeldende alzoo een , die bitterlyk ichreyd. N«. LIL Het Geraamte van een Meyskeontrent van dezelfde ouderdom, van wiens regter hand afhangt het gebeente van de Borft vaneen Kind on- trent vyf Maanden oud, waar ontrent ik oordeele deze volgende zaken aan- Kierkelyk te zyn, namentiyk; Tea van FREDERIK RUYSCH. Ten eerften. Dat zeer veel Ribbens van de regter zydeop veele plaat- zen gebroken , en weder geheelt zyn geworden , waar door ze ook nog zeer krom ftaan. Ten tweeden. Staat ook te letten, dat de Breuken dezer Ribbens niet volllrekt zyn geweeft, want dan zoo zoudenze met meer calleusheyd bezet zyn geworden * edog wegens der zelve zagtigheyd , zoo zyn de Breuken onvolmaakt, en als gekraakt geworden 5 of dit nu is veroorzaakt door knel- ling en compreflle, of wel dat het Kind is getrapt geworden, weet ik niet, hoewel zulks waarfchynelyk is, nadien aan beyde de zyde de Ribbens zoo qualyk zyn geftelt. Ten derden. Verfcheyde Ribbens zyn op twee plaatzen op dezelfde wy- ze gebroken geweeft. Ten vierden. Alle deze Ribbens fchynen ontbloot te zyn van haar harde en blinkende uyterlyke fubftantie, waar van anderzints de welgeftelde Rib- bens voorzien zyn: Hier door is ’t ook datze veel te zagt zyn. Van deszelfs linker handje hangt ook af de geheele blinde Darm van een Schaap, met een ftukje van de bogtige Darm , zoo dat men hier zien kan, hoe groot het onderfcheyd is tuflehen die van een Menfch, en die van een Schaap. N°. LUI. Het vel van ’t bovenfte deel des Hoofts van een Menfch, ’t welk een fchoteltje verheelt 5 het zelve is vol van opgevulde Bloetvaat- jens, zoo dat het geheel en al bloedrood ons voorkomt. De Derde PLANK. N°. LIV. en Vies met vogt ,in welke legt de roede met de bal- Xjflerjes van een kint, fchynende als levendig te wezen. N°. LV. Het voetje vaneen Kindje in heldere vogt, ’t welk zoodanig is toebereyt, dat de banden, inzonderheyd de ronde en lange, gezien kon- nen werden. Aanmerkt ten eerften. Dat de ronde en lange band zig niet op doet, ten zy de Knie-fchyf van de Pefen der Spieren afgefneden zynde, neder- waarts hangt. Ziet de I. Fig. van de 111. Plaat van dit VU* Cabinet. Ten tweeden. Verfcheyde Spieren afgefneden zynde, komt ons hier bloot in ’t gezigt die Zenuw , dewelke door het agterfte van ’t Been loopt. N°. LVL Beyde de Nieren van een Jonge , waar van d’eene nog is voorzien van deszelfs Bynier, en een der zelve Nieren is na de lengte op- Aaaaa 3 gefnc- VIL A N A T O M ISCH C A B I N E T gcfneden, om alzoo eenige inwendige zaaken te konnen zien , namemlyk de Nier-tepels, de Fis-canaalrjens, &c. N°. LVIL Een ftuk van de Borft vaneen Kind, waar in de Spieren weg- genomen zynde, die holligheden'gezien werden, dewelke tuflchen de Ligha- men der Wervel-beenderen zitten, waar van verders kan werden nagezien het V. Cabinet, in de 11. Fig. van de 111. Plaat. Ook kan men hier zien de uytwendige tnflehen-ribbige Slag-aderen, van my eertyts ontdekt, en afgebeelc in ’t 1. Cabinet, in de 111. Figuur van deill. Tafel N°. LVIII. De Arm van een Kind , in wiens handje gevonden werd een kleen Campernoelje QFungus'), dewelke een Moerkoekje met deszelfs dikke vlies verheelt. Aanmerkt ondertuflehen, dat deze klsene Campernoelje van my gevon- den is op een gedeelte van een Menfch, ’t welk ik had bewaart in een vies met een matelyke quantiteyt van vogt, en hier uyt is het zelve gegroeyt. Ziet de I. Fig. van de 11. Tafel van dit VIL Cabinet. N°. LIX. Het Geraamte van een Kind van ontrent fes Maanden dragts, van wiens regter handje afhangt een ftukje van ’t Vlies van een Menfche Long, ’t welk bloetrood voorkomt, wegens het opvullen der Bloetvaten. Dit gezeyde Geraamte is *byzonder wit van couleur. N°. LX. De teeldeelen van een Mcysje in vogt bewaart, waar in te zien zyn het maagdevlies , het hooft van de kittelaar met de voorhuyt, de Nymphen, de mont van de watergang, enz. N°. LXI. Het Geraamte van een Rot, ’t welk mede zeer wit zynde, van geen vreemd toegebragt ffeunfel van hout of yzerdraat voorzien is, maar ftaat op d’ecne voet; ’t zelve verbeeld een danflend Geraamte, in een vreemd poftuur. Tuflchen deszelfs voorfte pooten hout het vaft een ftuk van een Menfche nugtere Darm (inteftïnum jejunim) , ’t welk zeer rood is wegens het opvullen der Bloetvaten. N«. LXII. Een Vies met vogt, waar m een groot ftuk van de nugtere Darm van een groote Walvis werd bewaard , waar ontrent te zien is die groote overeenkomfte , die de zelve heeft met de nugtere Darm van een Menfch. Alleen ziet men dat de inwendige fuperfide, die ik latwyze ver- heventheden heb genoemt, en by andere bekent ftaan met de naame van oog-luykende Klap-vHefen, niet na de ronte des Darms , maar confufelyk haar opdoen, als de inwendige rimpels der Menfchen magen zonder eenige orde te houden. N°. LXIII. Een ftuk van de opper fte Kaak vaneen Schaap, waar in te r zien van FREDERIK R U Y S C H, zien zyn alle die Slag-aderlyke fnotterige vaten , dewelke verfpreyt 2yn door het bekleetzel van de on derde fpongieuze Beenderen van de Neus, dewelke zeer digr en met een regie cou-s by een loopen tot het uyrerileder Neusgaten, Wanneer ik in deze vaten een byzondere cours zag, en datze nauwlyks eenige zy-takjens van haar gaven, ook datze zeiden mee bloet vervult ge- zien wierden, 200 heb ik beginnen tetwyfclen, en te onderzoeken wat van de zelve rnogt zyn. Hier op zoo heb ik de Slaap-llag-aderen op myn manier vervult , waar door zy alle te gelyk ook zyn vervult geworden , (geiyk de 11. Fig. van de 111. Plaat van dit VIL Cabinet aanwyftj ’t welk my tot een bewys was, dezelve continueel te zyn met de Slag-aderen. Nu heb ik ook verders be- vonden door het perflen van dit bekleetzei na het uyreynde van de Neus, daar door een heldere en dunne fnotterige vogt uytvioed, voornamentlyk, na dat dit voorwerp een dag in ’t water gelegen heeft, ’t geen genoeg- zaam te kennen geeft , dat deze vaten te houden zyn voor uytwerpende canaalen. Daarenboven komt my nog iets zeldfaams voor in deze canaalen, ’t welk nog niet ten vollen onderzogt hebbe, weshalven zulks genootzaakt ben uyt te Hellen tot op een ander tyd. Verders ftaat te letten, dat hoewel deze vaten zoo diftin£b in een Menfch niet werden gezien $ zoo is ’t evenwel , dat ik nauwlyks twyfele, of zy werden mede in de neus van een menfch gevonden. N°, LXIV. Een zeer wit Geraamte van een Kind van ontrent vyf maan-‘ den dragts, wiens linker handje een ftuk van een menfche darmrje draagt, welkers bloetvaten curieus opgevalt zyn. LXV. Een Vies met vogt , waarin onthouden werd een ftuk of tak van de Longepyp, dewelke ik tot de uyterfte eynden toe opgevuk heb met een roodwafllge ftofte. leder Ontleder die dit voorwerp ziet, zal wel haaft konnen oordeelen, dar de Figuuren by andere uytgegeven , geenzints overeenkomen met dit voorwerp. Ziet de 111. Fig. van de lil. Plaat van dit Cabinet. N >. LVI. Een ftuk van de regte Darm uyt een Jongen , waar in de alzoo genoemde fweetgaatjens of mondekens, zoo digt by een ftaan, als of het een Seef ware. Ziet de IV. Fig. van de lil. Plaat van dit Cabinet. LXVII. Een gedeelte van de Maag van een onvoidrage Schaapje, door t zelve loopen overvloedig veel opgevulde bloetvaatjens. N°. LXVIII. Een zeer curieus Moerkoekje van een kleen Menfche fchepzelke, waar aan een groot ftuk geronne bloed vaft zit, \ welk de groote VII. ANATOMISCH C A B I N E T grootc van ’c Moer-koekje wel fcbynt te vermeerderen, egter zoo behoort het daar niet toe, gelyk zulks van my ook is aangewezen , in’t voorgaande VI. Cabinec. N°. LXIX. Het Geraamte van een Muys, ftaands alleen opeen derag- terfte pooten als danftende, en dat zonder eenig vreemt fteuofel, hetzelve houd in zyn rcgter en voorftc poot een ftuk van een opgeblaze Ader , de- welke opgefneden is, om alzo de eenvoudige Klapvliezen te zien, dewelke gemeenelyk geplaaft zyn voor de uytgang der rakken van de Aders. In deszelfs linker poot houd het een ftuk van een Bloed-ader uytde hals (vena jugidaris') van een Menfch, ’t welk van twee tegen den ander ftaan- de Klapvliezen voorzien is. N°. LXX. Een Vies met vogt, waar in te zien is de Borft van een Vrouw, dewelke na de lengte opgefneden is, om deszelfs inwendige ge- ftaltete konnen zien; waar ontrent te conildereeren ftaat, dat nog in deze, nog ook in andere welgeftelde Borften , geen zoo zeer berugte kliertjens te vinden zyn. De Vierde PLANK, N°. LXXI. TJ en droog Glas, waarin bewaart werd een ftuk van dc Darm uyt een Menfch , wiens tweede of Cel- luleus vlies zeer perfect gezien kan werden. N°. LXXII. Een ftuk van ’t Darm-fcheyl, wiens flag-aderenopgevult zynde, de Klieren van’t Darm-fcheyl bloed-rood haar vertoonen. N°. LXXIII. Een ftuk van ’t vel van een Oliphant. N°. LXXIV. Een moot van een menfche roede , waar m te zien is, dat het kleene fpongieuze Zenuwagtig lighaam de gantfche watergang om- ringt 5 en dat dit niet alzints zoo gevonden werd , heb ik hier voorheen getoont. Merkt ondertuftchen, dat in dit voorwerp alle de drie Spongieus-Zenuw- agtige Lighamen met een waftlge ft ofte zyn opgevult. 2sjo. LXXV. De Lever van een Kind van ontrent zes Maanden dragts, dewelke fteenhard gebalfemt, en van over zeer veel Jaaren by my is be- waard geworden. N°. LXXVL Een Doods-hoofd van een Schiltpadde, wit van couleur zonder de onder fte kaak. UYT- Xvss. t 7 ■ UVeerd. 'Taf'. . C- , aJ pirü/K van FRED.ERIK RüYSC H. 737 UYTLEGGINGE Van de PLAATEN van ’t ZEVENDE CABINE T. De Eerde TAFEL. De 1. FIGUUR wyft ons aan de Milt van een Jonge Reufinnc. A. Ede uyt erft e uyteynden der bloetvaten, dewelke ontdaan of van den an* dere geweken zyn, zyn zo fyn als dons of kat toen 3 edog, voor dat ze ont- daan waren, verbeelden zy Kliertjens te zyn. B. Edes zelfs uyteynden, die ten deele ontdaan zyn. G. Een gedeelte van de fuferficte dezes Milts y dewelke niet ontdaan is. D. Edes Mi lts flag-adcr. E. Edes Mi lts Ader. F. Groote knyltjens , voortkomende door het af halen van V Vlies, ’twelk de Milt bekleed. G. Kleender knyltjens, door dezelve oorzaak voortgebragt. Door de 11. FIGUUR werd verbeeld de aderlyke vlcgting (fPlexus Cho~ roideus') uyt dezelve Reuünne, dewelke wel zeer lang, maar ook zeer teder van wezen is. De 111. FIGUUR verheelt een ftuk van ’c harde Harffenvlies uyt een Menfch, wiens oppervlakte hier gezien werd. A. Een ftuk van ’t harde Harffenvlies. B. Veel byeenftaandc Geerftgelykende Ligh deerntjes, dewelke het hoofd van een kleene fpeld niet overtreffen. C. Ede zei ve Lighaamtjens haar eenzaam vertooucude. D. Ede Knyltjens, dewelke in de langwerpige groef gevonden werden. E. Een ftuk van V harde Harffenvlies > bezyden de langwerpige groef. F. Ede langwerpige groef opgefneden} en op de zyde wat omgeflagen> om des zelfs holte, en ’t geen daar verders in is, te bonnen zien. De IV. FIGUUR vertoont ons de gezeyde Lighaamtjens, dewelke uyt de groef zyn genomen , en zyn eenige der zelve als met fteentjens voorzien. Bbbbb VIL ANATOMISCH CABINET De Tweede PLAAT Verbeek ons vyf FIGUUREN, waar van de i. en Arm van een Kind vertoont, in wiens hand onthouden werd een i i [fungus ] Campernoelje, dewelke van my gevonden is op een ftuk vlees van een Menfch, verbeeldende een kleenc Nageboorte. A. Een vliesge ly kende uytfpanzef ’t welk het vlies Chorêcn niet qualyk gelykt. B. Een Campernoelje, een kleen Moer koekje niet qualyk ge ly kende, De 11. FIGUUR verbeeld een ftuk van de Herflene uyteen Menfch, langs wiens oppervlakte boven het dunne Harflen-vlies veel blaasjens werden gezien van verfcheyde forme, verbeeldende niet onaardig eenige water- vaten ; deze egter zyn niet anders, als afwykingen en verheventheden van ’t Spinneweb gelykende vlies (Tunica Arachnoidea) welke verhe- ventheden haar opdoen, als men behendig met een blaas-pypje tuffehen het Spinnewebs wyze en dunne Harften-vlies blaaft. Myn voor- ncemen was wel deze Harflene te bewaren * maar nadien het my onmor gelyk was, de wint te houden in deze verheventheden of valfche vaat- Jens, heb ik dezelve niet bewaart. Ziet verders hier over na myn Ana- tomische Programma, ’t welk van de Somer in druk isuytgegaan, waar in ik gezegt hebbe, nooyt eenige opregte Watervaten in Harftene,nog in deszelfs vliezen gevonden te hebben, en dat ik my ook zeer veel zal verpligten aan hem, die my ’t minfte takje van een waar watervat (Vas Lymphaticum) voorzien met twee tegens den andere ftaande Klapvlies- jens, zal aanwyzen. A. Een gedeelte van de El ar ifene. B. Zoo genoemde, dog valfche Watervaten. De 111. FIGUUR wyft ons aan een ftuk van ’t buykvlies van een water- ZUgtige Vrouw, ’t welk vervult is van waterblaasjens. A. Een ftuk van 't buykvlies. B. Waterblaasjens. UYTLEGGING van de IV. FIGUUR. A. Een ftuk geronne bloed. B. T)e vliezen, dewelke het begin fel'van' t fchepfelke omvangen. C. Het / 2*, Q .JYuy/r dog dezelve, die in de eene grooter, in d’andere kleender is , is van de Autheuren in haare afbeeldingen, na ik zie, niet al te wel uytgedrukt , om datze die hebben laten afbeelden na drooge Geraamtens van pas geboore Kinderkens , waar in zig zulks niet vertoond. Ook kan men hier zien het waare geftel van de Fontanelle of opening des Hoofds in pas geboore Kinderkens, en dat zo als ’t in’t leven is. No. UI. Een Kasje uyt Indiaanfch hout gemaakt, in wiens laatjens be- waard werden verfcheyde darmkens van kleene Kinderkens, op verfcheyde wyzen toeberevd. No. IV. No. IV. Boven dit gezeyde Kasje vind men eenkisje, of vierkante doos uyt zodanig hout ook toebereyd , waar in bewaard word een ft uk van de Borft van een Kind, door het baifemen hart gemaakt. Aanmerkt teneerfte, van binnen is het Borft-vlies Qpleura) voor een ge- deelte gefcheyden van ft volgende Celluleuze-vlies , waar onder dan het Ribben-vlies ('jPerioftium) in ft gezicht komt , zoo dat ’er drie vliezen in de binnenfte oppervlakte van de Borft gevonden werden. Ten tweede 3 kan men in dit gebalfemde voorwerp ook zien detuflchen- ribbige vaten ■, want de flagaderen vervult zynde, zoo is ft ook, dat tc ge- lyk door die zelvige opvulling de Aderen vervult zyn geworden. Ten derde, op wat wyze de draden van de in en uytwendige tuflchen- ribbige fpieren geftelc zyn, zulks kan men hier ook zien, als mede de ver- eeniging van de tuflchen-ribbige vaten met die van de inwendige Mamtakken. N°. V. In het volgende kasje , uyt het zelve hout gemaakt , werd ge- vonden een monftreuze en zeer groote Nier uyt een Menfch, dewelke een vies is verbeeldende, en om deze forme te houden in zyn natuurlykpoftuur* zo heb ik ze met Kurk opgevult. N°. VI. Een Kasje uyt Cederen hout gemaakt, in wiens Eerfte of onderfte laadje gevonden werden de beenderkens van ft gehoor , en dat in een zeer groote quantiteyt, deze zyn gehegt op de toppe van de doorne van de doornige kaarfe uyt America, met zeer lange doorne, QCerei Amer: fpïnofiJpinis longïffimis) en zyn deze van onder gehegt, of vaftge- maakt, op kleene pedeftalletjes van Indiaans hout. Aanmerkt. Zommige dezer beenderkens van ft gehoor zyn zodanig vaft- gehegt aan de gezeyde doorntjes , dutze haar naruurlyke plaatze verbeel- den, zo als die inft hoofd of in de bufle [Ca/fa) geplaaft zyn5 andere in tegendeel zyn apart op doorntjes vaftgehegt, alle het welke zoo toebereyd zynde, geeft een aangenaamheyt aan de befchouder. Onder alle deze voorwerpen , die veel in getal zyn , werd ook een doorntje gevonden , waar aan gehegt zyn de beenderkens van ft gehoor uyt een pas geboore Kindje , dewelke onordentelyk aan een vaft zyn, ft welk ongetwyfelt een doofheyd aan die zyde zoude veroorzaakt hebben, indien ft in het leven had gebleven. E)e tweede Laade onthoud in zich kleene pedeftallerjens, waar aan vaft> gemaakt zyn met de gezeyde doorntjes, en andere behoeftens, de werktuy- gen van ft, gehoor, namentlyk de drie halfmamgc Canaalen, met haar por- taal ('yejhbulum) Slakkehuyske, en deszelfs beenig tuftchenfcheytzel enz. Daarenboven kan men hier ook zien eenige der Tyd-bcenderen van jong geboore Kinderkens, onder dewelke nog een gevonden word, waaraan nog zitten van F R E D E R I K R U Y S C H. VIII. ANATOMISCH CABINET 744 zitten het ronde beentje [os Orbïculare'j en ook twee gehoor-beenderkens, namentlyk het Hamertje en het Aanbeeltje : Ook is ’c Steeltje aan ’c Ha* merrje nog vaftzitrendc aan’c Trommelvliesje, ’t welk met veel bloet-vaatjes verrykc is. Men moer daarenboven aanmerken , dat het gezeyde Tromrnelvliesje in dit voorwerp nergens gekwcft of afgefcheyden is van’t ronde beentje, veel minder van de natuur met eenige opening is voorzien of begaafc gewor- den: ook zo heb ik onlangs de holte daar de beenderkens van ’t gehoor in zitten (’Capfa) met quikfilver vervult door de Canaal van Euftachins, maar gants geen quikfilver konde zyn uyfgang vinden naar buyten in ’t uytwen- dige oor. Dateer egter in welgeftelde Menfchen, zo een opening gevonden werd, tuflehen het Trommelvliesje en’c Ronde beentje, zuiks geven eenige voor j edog ik heb het tot nog toe niet konnen vinden. De zelfde Laade, als mede de volgende derde en vierde, zya ook voor- zien met verfcheyde werktuygen van 't gehoor , dewelke al te zamen hier te verhaalen en aan te wyzen , vinde ik niet raadzaam, ook laat zulks de tyd niet toe. N°. VIL Boven dit Kasje is nog een kleender geplaaft, in zig onthou- dende de Lyfmoeder van een Vrouw, dewelke ontrent vier Maanden fwan- ger was geweeil* in deze Lyfmoeder werd het Kind nog gevonden,’t welk van my te gelyk met de Lyfmoeder isgebalfemt, en rteenhard gemaakt zyn- de, nu van my al over 44 jaren zyn geconfervcert geworden, met dit opfchrift : In deselve Geformeert, Gesiorven, en Begraven. Aanmerkt ten eerde , dat het wel zeker is , dat ds Lyf- of Baar-moeder een ronde gedaante aanneemt, ten tyde datze bevrugt is geworden, maar dat zy die ronte gehouden heeft in ’t prepareren en balfemen ? is van geen kleene confideratie, ja zeer moejelyk om re doen 3 immers zo veele als ik 'er voor deze van andere heb gezien, dezelve waren in een gekrompen, en in een gehecle andere gedaante verandert. Ten tweede. In die tyd van fwanger gaan, zo is ’t, dat de Eyer-wegen niet alleen , maar ook zelf de ronde en lange banden, die gemeenely kalleen lange banden geheten zyn, verre wyken van de grond des Lyfmoeders, en zulks is hier klaar te zien. Ten derde, hoe naauw de Schecde des Lyfmoeders haar vereenigt met de regcen-Darm en Blaaie , byaa zonder het tuflehenkomen van iets a Uers, kan men hier zien 5 waar door de Scheede in een fwaare baring ontfto- van FREDERIK RUYSCH. ontdoken, en met verderving bezet zynde, den regten-Darm, als mede de hals van de Blaze , niet zelden te gelyk ook met dezelve quaale aan- gedaan werden. Ten vierde, in deze toebereyding heeft ook de Blaas zyne natuurlyke rondte behouden, en dat zonder deuken of putten, hoewelze opgeblazen, door ’t balzemen verhart, geopent en 44, jaaren lang zoo is bewaart gewor- den ; en hoe befwaarlyk het is zonder deuken deze rondte zoo lange jaaren te bevvaaren, wceten zy alleen, die zig tot dat doen begeven. Ten vyfde, aan de zyde van dit voorwerp hangt aan een zy de draad een ftuk van een Blaas van een ander perfoon, waar in klaar te zien is de fchuyn- fc he inplanting der Water* peczen in de Blaas, ’t welk het zelve doet, ’tgeen de Klapvliezen gewoon zyn te verrichten. Ten zesde, in hoe verre de Scheede des Lyfmoeders haar komt te ver- lengen in de bevrugte Vrouwen, zulks kan men hier zien5 want zoodanig cen verlenging met de voorfte vinger onderzogt zynde, geeft onder ande- ren tekenen, ook te kennen een Vrouw bevrugt te zyn. N°. VIII. Op de grond van dit Cabinet werd ook een Scheenbeen van cen Menfch gevonden, ’t welk in myne Anatomifchs en Chirurgi- cale Aanmerkingen in ’t Jaar 1691. uytgegeven, befchreven en afgebeelt ftaat: en nadien de Plaatfnydcr ’c zelve met al te wel verbeeld heelt, zoo ben ik te rade geworden, ’t zelve op nieuws weder te doen verbeelden 5 te meer , al zoo het zoo een raare zaak is , dat ymand daar aan zoude konnen twyffelen. Het is aanmerkenswaardig; dat in dit Been, (’c welk lange tyd door de bederving uytgegeten zynde,; ten laaften door de kragt van de na- tuur, uyt deszelfs holte is uytgcworpen een hol ftuk bcens , rondagtig van gedaante. Ziet de 11,111, en IV. Fig. van de 111. Plaat van dit Cabinet. Confidereert daarenboven , dat de Herffen-Panne van een Menfch twee op cen leggende Schyven heeft, die men Tafels noemt, ('Tabulas) en dac tuifchen dezelve een fpongieus-beenige fubftantie zit , 't welk {T)tpïóe ge- heeten is, en dit alles is zoo gemeen, dat de min fte Baar tfcheerder daar van niet onkundig is} edog, dat het Schcen-been niet ten eenemaal daar van ont- blood is, ook in eenige Menfchen twee Tafels, en een weynigske van net Diplöe daar in gevonden werd, zulks is aan een yder niet bekent *ik fta wel toe, dat men het in alle Scheen-beenderen niet kan toonen, egter zo heeft het in zommige plaats, gelyk men zulks ten mynen huyze kan zien. Wy hebben de Herffen-Panne in een bejaart Menfch meermalen bevon- den zonder Diplöe, en de twee Tafels met den anderen vereenigt te zyn. C c c c c ‘Die Dit Scheen-been, waar van wy nu handelen, is buyten twyftel ook met twee Tafels, en tuffchen dezelve met Diplöe voorzien geweeft, zo dat den etter ten 1 aarde tullen de twee Tafels is gepenetreert , en het Diplöe ge- confumeert zynde ■> is de binnenfte Tafel van de buytenfte komen te fchey- den, en is zo verders van de natuur uytgeworpen in de gedaante van een ronde’ FiHul of Pype, De zeer welgeoefende Heer Profeftfor du Ferm, heeft dit voorval, zo my berigt is, ook gehad 3 zo dat ons niet zelden zodanige voorwerpen voor- komen , daarwe ons zegel niet zouden willen aanhangen, ten waar wy zulks quamen te zien. Dagelyks komenderte mynen huyze, die myne geprepareerde zaken zien- de , volmondig zeggen, nooyt zoude ik het gelooft hebben, zo ik dit zo klaarlyk niet had gezien. Ziet, gelyk boven is gezegt, de 11, 111, en IV. Fig. van de lil. Plaat. VIII. ANATOMISCH CABINET Dc Tweede PLANK. No. IX. X 2 en droog glas met het dunne gedarmte vaneen Kind, waar I*, aan nog vaft zit het Darm-fcheyl met de opgevulde Bloed- vaarjens. N°. X. Een Huk van de Lever van een Waterzugtig Menfch. Aanmerkt. Fat de gantfche Lever uyt Blaasjens was beftaande, dewelke in haar onthielden een lymwaterige vogt: en alzo waren alle de Bloedvaten, Zo groote als kleene, waar uyt byna de gantfche Lever is beftaande, in zo- danige Blaaskens verandert. Ziet hier over na het voorgaande VII. Cabi- net, waar in verders over deze zaken gehandelt werd. ÏM°. XL Een droog glas, en daar in een gedeelte van de Borft van een Kind, ’t welk door het balzemen hard gemaakt is. Aanrnerkt ten eerfte, dat het afhangende ftukje Veis, zeer vol is van opgevulde Slag-aderkens, die zo fyn zyn ais Dons of Catoen. Ten tweede, dat het Borft-vlies (membrana fit euro) voor een gedeelte hier van ’t ondergelegene Celluleufe Vlies, ook van’t Beene-vlies is gefs- pareert, en afhangent. N°. XiL Een droog glas met twee Water-Peefcn van Menfchen, waar van de eene de natuurlyke geftalte en wyte, die een ftroo-halm niet over- treft , aanwyft. d*Andere in tegendeel , is door de menigvuldige fteentjes, die daar door zyn gepafleert, zo wyt geworden , dat men daar in, op zommige plaatzen, een pink fteken kan, en is zulks te houden voor een beneficie van de natuur: want als de fteentjes door dc Pisleyders palie- ren. ren, (’t welk met zonder groote pyne toegaat) zo verwyden zy dezelve, en zetcenze uyt, en na der zelver uytzetting 5 zo blyven zy alzo verwy- dert. Het contrarie blykt in de Blaas en Lyfmocder, na het uytdryven van ’c Water of Kind ; want als die haar ontlad hebben , krimpen zy weder in, en krygen haar voorgaande gedake. No. XIII, De Elleboog en Handje van een Kind in een vies met vogt, zodanig toebereyd, datze nog fchynen te leven. Aanmerkt ten eerde, dat het Handje een gedeelte van’t dunne Herflen- vlies fchync gegrepen te hebben, en alzo hangt ’er een gedeelte van ’c zelve van de Vingerrjens, die aardig zyn gebogen, af, waar in men de byzondere fynte der Slag-aderkens zien kan, dewelke mede als dons voorkomen , en zyn derzelver dondge uyreynden niet anders als deekjens van de fchorfige fubftantie der Herflene , zulks zoude niet klaar konnen gezien werden, ten ware het in dé vogt gelegen was , en dat de Slag-aderkens opgevuk waren met een rood-wallige doffe. Ten tweede, aan de eene zyde heb ik een takje Wynruyt gedoken, op dat het voorwerp te beter in ’t gezigt zoude komen, zig nu aan eene zyde houdende. van FREDERIK RUYSCH. N°. XIV. De H©m van een kieen Walvisje , ’t welk in een vies met vogt gelegen, zeer wonderlyk van maakzcl is. N°. XV. De Moerkoek van een Vrouw , die ontrent zeven maanden zwanger was geweed: dezelve is hard gebalfemt, kaande op een Pededal: On- trent dezelve ftaat te confidereeren, dat deszelfs Navel-ftreng na de kant maar een duymbreed van de omtrek zig gezet, heeft, ’t welk zeer voordeelig is in ’t krygen van de Koek, na dat het Kind ter wereld is gekomen 3 want in die gelegentheyd, fchcyd zig de Koek ligt van de Baarmoeder af 3 in tegendeel, wanneer zig de dreng ver van den omtrek , en na ’t midden van den Koek komt te zetten, dan zyn de Vroedvrouwengenootzaakthaar hand in ’t lighaam te brengen, en met haar voorde vinger de Koek te door- booren, en zo verders van de Lyhnoeder te fcheyden. Hier over kan men nazien myne Anatomifche en Chirurgicale aantekeningen. Aanmerkt ten eerde, dat de Moerkoek door het baifemen verhard zyn- de, haar natuurlyke ronte heeft behouden : dat nu zulks raoeyelyk is te doen, zal niemand ligt tegenfpreekem T- en tweede, zyn alle de groote bloedvaten, waar uyt de Moerkoek is bedaande, opgevuk, zo dat men haare cours met plaider kan vervolgen. XVI. Een droog glas , waar in gevonden werd een duk van ’t Vel van een iMenicli, waar door zo veel met rood was opgevulde bloet- vaatjens loopen, dat dit Vel byder rood zig vertoont, en met vergroot- Ccc c c 2 glaazen VIII. ANATOMISCH CABINET glaazen gezien zynde, vind men derzelver uyteynden zo fyn als dons of Catoen. No. XVII. Een glas met vogt in zig onthoudende een groot ftuk van dc Tefticul van een fchaap ’t welk ik heb ontwonden. Aanm. Dat de Tefticulen der mannen uit lourere vaten haar bcftaan heb« ben, zulks heeft ons de voortreffelyke Ontleder Regnerus de Graaf ont- dekt , met wie ik veele jaaren een vriendelyke ommegang heb gehad. Datmen deze varen in een menfche Tefticul zeer klaar zien kan, is ccn yder genoeg bekent* edog dit ftuk van de Tefticul kan niemand, als met de aliergrootfte verwondering van Gods vermogentheyt aanfehouwen , wegens de veelheid en fubtielheid dezer ontdaane vaatjens. N°. XV'III. Met geen minder verwondering kan men dit ftuk van ’t dunne Herflen-vlies befchouwen, waar door heen duizende, ja onteibaarc bloedvaatjens pafleeren. Al wie dit voorwerp komt te zien, die heeft ligt konnen afnemen, dat het duizenfte deel dezer flag-Aderen genoeg waren, om aan dit vlies ’t voedzel en warmte toe te brengen, aangezien het byna zo dun is in dit voorwerp, als het rag van een Spinne, derhalven zo zyn haar uiterfte uit- eynden tot een geheel ander gebruik gedeftineert, namentlykom defchorfi- ge fubftantie van de Herflene te maken: Hier van komt het ook dat men dit vlies van de fchorftige fubftantie der herflene, zoo bèfwaarlyk kan fchcy- den in een welgeftelcheyd van de zelve in een dood lighaam: hier van is verders gehandelc in de voorgaande Cabinetten, en brieven. N°. XIX. Het Net van een menfeh zeer nerjens bewaart ineen vogt, in ’t zelve kanmen niet het allerminfte gaatje zien, N°. XX. Een ftuk van de Opperkaak uit een onvoldrage kalfje , waar in men kan zien de flagaderlyke fnotvaten, dewelke door het bekleetzel loopen, waar mede de onderfte-fponcieufe beenderen van de neus bedekt zyn; deze vaten loopen zeer dik en dsgc by een, en dat met een regte cours, tot het tipje van de Neus, hier over kan men na zien het VIL Cabinccendef- zelfs Figuur in een hamels opper-kaak, t’eenemaal overeenkomende met dit voorwerp. Aanm. ten i. Dat in dit voorwerp de fpelonk van den curicufe Ontleder Higmorus afgebeelc , van my hier is open gemaakt, ren eynde men het zeer dun vlieske, den gezeyde Spelonke van binnen bekledende, van ons konde gezien werde, en het is verwonderings waardig te zien, hoe zeer veel flag-aderkens, door dit gezeyde vliesken pafleeren. Ten tweede, in de Traan weg ifDuchis Lachrymalïs') heb ik een Stilet geftoken , om alzo dcszelfs cours en eynde te konne» zien. N°. XXI. van frederik r ü y s c h, N°. XXI. Een vlees-agtige klomp, dewelke van een oude vrouw uyt haar baar-moeder is afgegaan, welke t’onregt van andere voor een Mola aangezien en gehouden wierd. En wat men te houden heeft voor een zoo genaamde Mola kan men na zien in myne Anatom. en Chirurg. Obfcrvatien, ook in de voorgaande Ca- binetten. N(). XXII. Een vies met vogt, waar in gezien word de arm en hand van een kind, ’c welk levendig van couleur is, ’t zelve heeft in zyn hand- je een Surinaamfe hagedis, van de Inwoondere Sanvegarde geheten; de vingertjens van ’c kinds handje zyn zoodanig geboogen tot het aangry* pen, als of zy levendig waren. JM°. XX UI. Een droog glas, en daar in een (luk van de bogtige , cn Colyk-darm, als mede de Blinden darm uyt een hond. Hier ftaat aan te merken , hoe groot een onderfcheyt ’er is tuffehen de Blinde-darm van een menfeh en die van een hond, als mede tuffehen de Klap-vliezen van de Colyk-darm dezer beyde; in die der menfehen is de Blinde-darm zeer kort en ruym, in honden heel lang cn wyd. In den in- gang van de Colyk darm vindmen eygentlyk in de honden, geen twee te- gens den andere ftaande Klapvliezen, gelykdie in de menfehen haar op doen, na dat deze darm is vervult met vuyiigheyt of met wint , maar in deszelfs plaats vinden wy een ronde circul, gclyk ook in de menfehen gezien werd als de Colyk-darm opgeblazen, of niet vuyligheden vervult is. -X°. XXIV. Een vies waar in re zien is de onderde Kaak van een menfeh, waar aan de long, natuurlyk van couleur, nog vad zit, en dat in de vogt. Aanmerkt, dat alle Zenuw-tepehjens hier zeer aardig , uyt dc oppervlak- te van de Tong haar komen te vertoonen, als mede aan de zyde van ’t toomrje des Tongs de mondekens van de kaaks quylvatenj ineen der zelve heb ik een doorntje van de Americaanfche doornige Karffen (Corel Ameri cani ffmofi) gedoken. No. XXV. Het Hart van een jong kintje met ciefïe!fs dronk van de groote flag-ader, door het balfemen deen-hard ge worde zynde ; uyt het ho- vende van de groote flag-ader komen drie kloeke takken, dewelke na boven lopen, waar van de middelde een der twee flaap-flag-aderen is, namentlyk de linker, de rechter in tegendeel ziet men hier uit de regeer fleutel-beeni- ge flagader voort komen; uyt de flinker zyde doet zig op de Onder fleu- tebbeenige, en uyt dezelve de linker wervel-beenige, Onder-oxelige, de Musculen ook de inwendige Blinker Mam-dagader, en dat te confidereren Haat, alle deze zaaken hebben haare natuurlyke plaatze en cours. Gcc cc 3 Daar- VIII. ANATOMISCH C A BI N E T Daarenboven kan men hier zeer beqaamelyk zien de halfmaanige Klap- vliezen , te onregt by andere Sigmoïdes geheten, ik zegge te onregt , na- dien zy in ’t geheel met de halfmaanige Kiap-vliezen over een komen , en alzoo moetenen geen byzondere naam maken buyten noodzakelykheyd dc Klapvliezen van ’t Hart, dewelke half-maanig zyn , ftaan in ’t uytko- men der flag-aderen uit het Hart, en die voor de Aderen des Harts Haan, zyn alle drie-puntig. In het zelve voorwerp kanmen niet alleen de half-maanige Klap-vlie- zen in ’t uytkomen van de groote Slag-ader zien, maar ook deficits Ooren van ’t Hart. N°. XXVI. Een vies met vogt en daar in het dunne Herflen-vlies van een menfeh, wiens Slag-aderkens zeer curieus vervult zynde, menopzom- mige plaatzeo zeer bekwaam zien kan de fchorlige fubftantie van de Hers- fcnc. N°. XXVII. Een vies met vogt, waar in gezien werd een (luk van de borft van een kleen kind, waarin zig vertonen de uitwendige TufTchen- ribbige flag-aderen , dewelke van my ontdekt, en afgemaalt zyn in het eer- fte Cabinet. Aanmerkt dat de flag-aderkens, dewelke door het beene-vlies der Rib- bens loopen, haar cours by na regt op en nederwaarts houden, detakxkens daarentegen, dewelke uyc haar voortkomen, en den loop der fibren van de Tuiïchen-nbbige fpieren volgen, dezelve hebben eenfchuynfe loop, en dat alles is nog klaarder re zien in het eerfte Cabinet. N°. XX VUL Het geraamte van een rnuys , ’t welk zeer net geprepareert en bewaart is-, ’t zelve zit op’c doods-hoofdje van eenkraayj ’t welk zoo fubtiel geprepareert is, dateer niet het minde beentje , nog cenig natuur- lyk gaatje in ’t hoofdje voor het gezigt verborgen is. N°, XXIX. Een vies met vogt, en daar in een ftuk van de Nugteren darm uyt een menfeh, ’t welk het binnenfte buytenwaarts gekeert zynde , alle de alzoo genaamde Klxertjens, uyrpuylender wyze haar laten zien. N°. XXX. Een droge vies, waar in de waterblaas van een fchaap met de roede, in dewelke de pis weg in ’t geheel gebreektj maar omtrent dc krop van de blaas ziet men een gat, door ’t welke de pis geloft is. In een menfeh heb ik. meermalen aangsmerkt, dat het uytweiadige ge- deelte van ’t hooftje der roede van de waterweg berooft was , zynde dan een gattudchen het onderfte gedeelte van de voorhuydt, en ’c hooftje. Menfchen, die dit gebrek hebben , zullen hare vrouwen zelden bevrug- ten, dewyl het zaat niet regt uyt in dc mont van de baarmoeder voortfehietj hier van heb ik breder verhandelt in ’c VI. Cabinet. N°- XXXI, van FREDERIK RUYSCH. N°. XXXI. Een (tuk van den Nngteren darm uyt een menfch, waar in de circulaare verhcventheden, dewelke den Ed: Heer Ker kring Oog-luy- kendeKlapvliezen geheten heeft, gezien worden. Edog tot dien eynde word dit ftuk darms niet bewaart, maar alleen om tc toonen wat dat daar zy van de uytfparting der waflige ftoffe, dewelke haar in ’t uytfpatten opdoet als kleene bollekens, wanneer men het vervul- len der vaten niet behoorlyk doet, en zulkx ziet men zelden in myne pre- paratien. No. XXXII. Een vies met vogt, waar in gezien werden twee fchapen Milten uyt een lighaam, en op dat ik dezelve wat van den andere zoude fchei- den, om beter tc werden gezien, zoo heb ik tuflchen haar beyde een takje van de doornige cichorey gelegt. Ons komen dikwils Milten voor, dewelke als in tween gcfpletcn of ge- fpouwen zyn, en voor twee Milten van zommige werden gehouden, maar de zoodanige moet men voor eene Milt houden, naardien de zelve maar een Milt-ader en Slag-ader hebben. In deze in tegendeel, heeft yder zyn cyge Ader en Slag-ader j daar en boven lagen zy verre van een in ’t lighaam. N°. XXXIII. Een vies met vogt, waar in te zien zyn de Milt, Maag en 12 vingerigen darm van een jong geboore kindje. Aanm: ten eerfte, dat men in de maag zien kan, dat de Croon-bloed-vaten, zoo dra zy aan de grond van de Maag gekomen zyn, aanftonts haar komen te verbergen, loopende alzoo na de bmnenfte vliezen van de Maag, en in- zonderheit na’t Zenuw agtig vlies. Ten tweede, met een alzoo groote helderheyd kan men hier zien de t’za- menhegting des Maags met die van de Mik, en dat door een bloed - ryk vlieske, wiens bloed vaarjens korte vaten {Vafa brevia) zyn geheten. Ten derde, inde 12 vingerigc Darm van my opengemaakt zynde, kan men befcheydentlyk en perfedt zien de opening of dcurgang, waar door de Gal cn Maage kuftens-fap haar uytftorren in de holte van degczeydeDarmj en dat ook deze opening geilek is , als in k midden van een verheventheyd ofbergskens, als waare het een navelrje, zulkx is hier ook niet duyfter te zien. N«. XXXIV. Een vies met vogt in zig onthoudende een ftuk van de Moerkoek van een vrouw, rot het uiterfte toe vervult rnet een waftigeftof- fe: inde zelve kan men zo wel als in de voorgaande befchouwen, datter niets kherigs in de Moer-koeken gevonden werd, en zulkx niet zynde in zoo een groot cn aanzienelyk deel, nog ook in de Tefticulen'der man- nen, ZOO hebben meeft alle, die myn werk met haar lighaamelyke 00- Sen > VIII. ANATOMISCH C A B I N E T gen, en niet met de oogen des verftands gezien hebben, Qoculis mentis'j toegeftaan, dat myn helling , rakende de genaamde Klierrjens der ingewan- den infallibel is : ondcrtuflchen zo verhindert my gecnzints het zeggen van zommige, dat zulkx maar alleen een queftie is wegens de benaminge, deze antwoorde ik, zoo ymand een Ader wil noemen eenSlag-ader, en een Slag- ader-cen Ader, ik mag zulkx wel lyden, edog men behoorde zig te hou- den aan de bepaling die van outs gemaakt is, namentlyk dat het lighaamen zyn, die op haar zelve beftaan, en yder in een particulier vlies befloten is, tot welk lighaam de bloed-vaten loopen. Ook zoo wykt niet minder van de waarheyd ’t geen andere voorgeven, namentlyk, dat alle de Klieren niet anders zyn als omwindingen van bloed- vaten } dit is wel eenigzints waar ontrent de Nieren, welkers bloed-vaten uyteynden een ronde cours nemen, en is ’t ook wel in de Klieren van ’t Darm-fcheyl, maar zulkx heeft geen plaats in andere Ingewanden, gelyk men zien kan in alle Cabinettcn, ook is ’t geen boon waardig dat anderen voorgeven, namentlyk dat mogelyk in myne pnvparatien en alzoo genoem- de ontvlezing (^excarnatio) de klierrjens vernietigt worden. Ik toonc veele Ingewanden, welkers bloed-va ten uyteynden zagtjens vervult zyn , en zonder eenige alzoo genoemde excarnatie bewaart worden: Jaikkanmy niet genoeg verwonderen dat men heden ten dage het woort van excarnatie nog gebruyktj dat doen is in voorige tyden van andere , cn ook van ons in gebruyk geweeft, edog ’t zelve is gants en gaar onnut ter onderzoeking, nu late ik alles geheel, gelyk het den Schepper van ’t geheel al gemaakt heeft, alleen het omleggende Vlies afnemende om de vaten te zien5 en wil ymand verders blind zyn en blyven, ik zal my daaraan niet gelegen la- ten zyn. No. XXXV. Een (luk van dc Herflenein een vogt bewaard, na dat het zelve op de manier van de Hr. JSieufjens, vyl uuren in de oly gekookt was, waar in het zeer klaar blykt, dat door het kooken in oly de fchorfigc fub- ftantie van ds Herflene gebragt en verandert wert in een Haat, in welke het niet mogelyk is het gelid van de fchorfle te vertoonen, dezelve uytbloed- vaatjens te beftaan, van deze zaak heb ik wydloopig gefchreven in myn voorloper van ’c VI. Cabinet, zoo dat niet de Hr. Frofeflbr Vieujfens maar ik te houden ben voor den ontdekker van deze zaake , namentlyk dat de fchorfle der herflene beftaande is uyt bloed-vaatjens, gelyk ook eenydcrmy daar voor is houdende. No. XXXVI. Een vies met vogt waar in bewaart werd een negrinnetje van ruym- vier maanden dragts, wiens hoofdje bedekt is met het Watcr-vlies (.Amnïos). No. XXXVIL van FREDERIK RUYSCH. N°. XXXVII. Een geheele Lever van een jonge, door het balfemen hard gemaakt, en van over veele jaaren bewaart, {laande op een Pedeflal: deficits Slag-ader is alleen opgevult, om bequamelyk te konnen zien, hce deficits Galblaas Slag-ader daar uyt voortgebragt werd. Hier en boven kan men alles zien, wat zich in de buytenfte oppervlakte van de Lever of- doet. N°. XXXVIII. Een vies met vogt, in zig onthoudende de Slag-ader van de Milt uyt een kalf, dewelke zeer curieus is toebereyd. N°. XXXiX. De Maag vaneen jonge, de welke opgeblazen, gedroogf, gebalfemt, en zeer veele jaaren bewaart is: deze zit op een Pedeflal in een pofluur, gelyk de zelve haar in ’t lighaam komt te vertonen, ’t welk alle autheuren in haare tiguuren niet hebben geobferveert. N°. XL. Een vies met vogt en daar in een gedeelte van de onderfle Kaak van een kleen kind, waar in te zien is het ronde Kraakbeenrje,’t welk tuflchen het gewrigt van de Opperfte en Onderfle Kaak geplaaft, en tot de beweeging aldaar zeer noodzakelyk is. No, XLL De geheele Moerkoek van een vrouw in een vies met vogt bewaart, waar ontrent te confidereeren Haat, datze zodanig is bewaart, als of die nu eerfl was uytgedreven , en voor den dag gekomen, namentlyk met deflelfs vliezen en bekleetzel, waar van voor heen in ’t 4de Cabinet gehandelt is 5 alleen zyn de bloed-vaten van my zagtjens vervult gewor- den. De IV. PLANK. N°. XLII. Het hoofd van een kind in een heldere vogt, ’t welk van een levendige couleur is. Aanna: ten eerfle, dat het bekleetzel van de Voorlippen (jprolabia) weg- genomen zynde de Voorlippen Zenuw-teepelig zyn. Ten tweede, de Oorkens hebben een byzondere levendige couleur en ge- lleltenis. Ten derde, de Zenuwen, die uyt de Herflene voorkomen kan men hier allegader zien, de lydende of gemoed bewegende zelfs niet uytge- zondert zynde. 5 Ten vierde, het harde Herflen-vlies, door dc grond van ’t hoofd ver- fpreyd, is zoo curieus bewaard dat het wel fchynd witte zyde te zyn. >’ Agter dit Hoofd doet zig op het geraamte van een vogel- tje, t weik niet alleen zeer wit is, maar ook ontbreekt’er geen eenig been- D d d d d tje tje aan, en men kan ook alle de natimrlykc gaaten daar in zien, zulks is my tot nu toe by andere nooyt voorgekomen. JN°. XLIV. Een droog glas met de helft van een doorgefnede Nier de- welke door opvulling rood van couleur is. Hier in ziet men niet alleen de Slag-aderen , maar ook derzelve continu- atien of vervolgen tot inde Pis-canaaltjes, dewelke te gelyk vervult zyn geworden. No. XLV. Een drooge vies en daarin een groot gedeelte van de dunne darmtjens van een onvoldrage vrugt, deze heb ik meteen wit waffigeftoffe vervult, ’t welk zeer aardig aan ’c gezicht voorkomt, wegensdcfTelfs nec- tigheyd. N°. XLVI. Achter het gezeyde voorwerp werd een monftreus voldra- ge kindje verborgen, om niet van een yder gezien te werden, ’t zelve heeft wel een levendige couleur, edog deiïelfs rechter handje flaat zeer krom ge- bogen , en ’c heeft niet meer dan drie vingeren , ook heeft het regter voetje niet meer als drie toonen , en de groote toon ftaat wat wyt van de andere: Aan de linker zyds ontbreekt het geheele been, alleen vertoont zich daar een kleen heuveltje ontrent de linker lies* als mede aan het wce- ke des buyks een vlezig gezwel 5 alle de andere ledematen zvn wel re- ilde. VIII. ANATOMISCH CABINET N°. XLVII. Een vies met vogt, waar in te zien is een omgekeert ftuk van de Slok-darm uyt een Schilpadde, ’t welk van duyzende van Ze- nuw-tepels voorzien is* deze zyn zeer langen dik, overeenkomende met die geene, dewelke gevonden werden in de Wang van een kalf. Hier (laat aan te merken, dat ’er wel zommige Ontleders gevonden wer- den , dewelke van verfbnd zyn, dat zoodanige Zenuwtepeltjens in de Slokdarm van een menfeh niet gevonden worden, cn zulks komt voor van Wege haare tederheyd en kleente: ik bekenne wel dat zy naulyks konnen gezien werden in een menfeh, zonder voorgaandeprseparatien, dat zy daar egter gevonden, en van my getoont konnen werden is zeker, cn daar aan zal niemand langer twyfelen, die myne laafte Cabinetten zal hebben ge- zien en gelezen, en voofnamentlyk dit voorwerp van de Schilpad. Ziet deIV. Figuur van de 2. Plaat van dit Cabinet. N°. XL VIII- Boven het voorgaande monfter werd gevonden een glas, en daar in het geraamte van een onvoldrage kindje van omtrent 6 maanden, van wiens beenig handje ai hangt, de inwendigegeftcltenis van’t Strotten- hoofd j en dat zeer rood wegens de opvulling der Slag-aderkens. N°. XLIX. Een droog glas, waar in te zien zyn twee voorwerpen uyt een Hen, waar van ’c eene beftaat uyt twee beenderkens uyt de vleugel , de- van FREDERIK RUYSCH. dewelke tegens de natuur te zamen zyn gegroeyt door een beenige veree* ningej het andere mede uyt twee beenderen uyt de vleugel, waar van het eene, voorheen gebrooken zynde, van de natuur weder aan een gegroeyt is, en dat alleen door een fponcieus beenige fubftantie, gelyk mentuflchen de twee tafels van ’t bekkeneel ziet, ontbreckende hier alleen de buytenfte en harde fchorffe van ’c been, en zulks komt voort wegens gebrek van die (toffe, dewelke in een gezonde (laat daar toe gevoert werd. Hier van daan komt het ook dat de beenderen op die wyze onvolmaakt genezen zynde, om de geringde oorzaken wederom komen te breken: dat dit ook in de menfehen plaats heeft, daar aan is niet te twyfelen , nadien datter menfehen gevonden werden, die na de genezing der bcen-breuken, zeer ligt, ja zelfs in ’t gaan haar beenderen wederom breken : en zoo komt het dat de Chirurgyns die over zoodanige breuken gegaan heb- ben, hoewel onfchuldig, ja fchoon zy alles hebben gedaan, ’c welk nodig was, t’onregt gelaftert werden. N°. L. Een Pedcftal, waar op twee voorwerpen geplaad zyn, nament- lykde gedeekens van de Bogtige, enColyk, met defle.lfs Blinde-darm, en dat uyt een pas geboore kindje. In deze kan men zien het onderfcheid tuilen die van een bedaagt menfeh , en van die dewelke pas geboore zyn: naraentlyk in een jong geboore kindje word den Colyk-darm ontrent deffelis begin nauwer en nau- wer, en alzoo verandert dezelve in ’c Worm-wyzeuytfteekzel, zonder dat men zeggen kan, hier of daar is des Blindedarms begin: maar in een be- daagt menfeh doet zig de Blinde Darm op in de gedaante van een vertrek- plaats, niet een verheden theyt, uyt wiens zyde dan het Worm wyze uyt- (teekzel zig opdoet. N°. LI. Een droog glas waar in een conliderable groote Waterblaas in onthouden werd 5 dewelke ik over zeer veele jaaren heb gevonden hangen- de onder aan de Lever van een menfeh. N°. LIL Een Pedeftalletje waar op gezet is het regter Oor van ’t Hart van een os, ontrent voor 30 jaaren van my door het balzemen hardt ge- maakt, waar ontrent te confidereeren (laat, dat het in ’t toebercyden zyn natuurlyke groote en forme heeft behouden, ’t welk zeer moeyelyk is te doen. N°. LUI. Een vies met vogt , bewarende de (chamélheydt van een (JPfiudohermaphroditus) baftaart manwyf, zynde een Schaap $ tis my nooyt gebeurt ware manwyven te zien, en ik oordecle ook. dat ze van an- deren nooyt gezien zyn; behalven dat dit zeer verre van de inftelling der nature zoude afwyken, zyn ’er my wel zeer vele zogenaamde manwyven Ddddd 3 ver- VIII. ANATOMISCH CABINET vertoont , en die ze daar voor uytgaven j maar wat dieper onderzocht zynde, hebbe ik bevonde, dat byde de fchamelheden nooyt zo volko- men geweeft zyn, datze te gelyk andere bevrugtcn, en van anderen be- vrugt konde wordenj en dat meer is, het lidt, dat ze voor de roede gehouden hadden, was niet anders, als het lighaam van den kittelaar re- gens de wetten der nature verdikt, en te verre buyten de fchede hangen- de, gelykerwys men in de fchamelheydc van een fchaap alhier zien kan. ’t Geheugt my ook een menfch onderzogt te hebben, oudt omtrent 24 Jaren, die my in den eerden opflag van ’c gezigt fcheente zyn van ’t man- nelyke geflagc, maar na een naauwkeuriger onderzoeking bleek ’t, dat ze van ’t vrouwelyk was. Het lidt, dat men ’c mannelyknoemde, hongwel redelyk lang af, maar de pisvyeg ontbrak j als zy het aangezicht van moye vrouwlieden aanfchouwde, zeide zy, dat het lidt ftyf wierdt, maar het te- gendeel, zo zy hare oogen op mannen wendde* of dit nu waar geweeft is, ofte niet, daar twyffele ik aan, ten minfte ik heb ’t niet gezien. Twee knobbeltjes, als balletjes, wierden ’er ook in byde delieftchenge- vonden , maar ze zyn geen ware balletjes geweeft: want, wanneer my dit voorwerp uyt een fchaap voor een man wyfovergehandigt wierdt, zeide my de Slagers knegt, hier brenge ik u een manwyf, zynde een fchaap, met bal- letjes verzien; en als ik de zelve onderzogt, waren ze niet anders, als. {tumores adifiojï') fmerige gezwellen, balletjes verbeeldende. Derhalvea zegge ik, dat ik nooyt een oprecht manwyf gezien hebbe, fchoon ’t my dikmaals gebeurt is, vele zogenaamde manwyven te konne onderzoeken. In dit voorwerp van een fchaap was de fchede en de pis weg open, maar ’t zogenaamde roedenhooftje niet, ’t welk in der daadt niet anders was als liet hooftje van den kittelaar, en daarom ook niet doorboordt; maar dat deel, ’t welk de vrouwelyke roede genaamt wort, of’t lichaam van den kittelaar, als mede deftelfs voorhuydt, waren groot genoeg, gelyk de y. Fig. van de 2. Plaat van ’t 8. Cabinet aanw yft. No. LIV. Een drooge vies waar m het Nec-wyze lighaam van Malpi- ghius, ’t welk zeer curieus is geprepareert, en als een zeef doorboort. N°. LV. Een droog glas ’t welk voorzien is met een vlies, wiens Slag- aderen zoo byzonder curieus zyn opgevult met een rood-waflige ftofte, dat ik noyc yers curieufer heb gezien, want derzelver uyterfte uyteynden zyn. zoo fyn, dat men mets iynders zoude konnen bedenken, en echter opge- valt. No. LVI. De grond of opperfte van de Blaas van een pas geboore kalf- je, met deffelfs Pisvat {^ürachus). Aanm: dat dit Pisvat, in de kinderkens die pas gebooren zyn, wel om- trent trent een vinger breed open is, maar niet verder, edog in kalveren heeft het een verdere opening, gelyk het hier is blykende, maar of het ook in haar geheel en al doorgang neemt, tot in het alzo genoemde Pisvlies (.Alontois} mag men nog wel verders onderzoeken: altoos, ’t is zeker zulks geen plaats te hebben in de on- of pas geboore kinderkens. N°. LVII. Achter deze gezeyde glazen komt ons voor een grafftede , ’c welk konftig is t’zamen gefteld van zeer witte beenderkens, en voor ’t groot- fte gedeelte, van die van kleenekinderkens, fteentjens en vliezen, zeer aar- dig met opgevulde Slag-aderkens als een borduurwerk doorweven. Aanm: teneerfte, dat in deze grafftede is gelegen een fteen hare gebalzemt kindje van ontrent zes maanden dragts, ’t welk van my in Mumiam verandert zynde, nu ontrent ao jaaren lang, bewaart is; deflèlfs hoofdje isgekroont met een kroontje van natuurlyke bloemen en vrugten, als daar zyn de Afric aan- fche duy&endhladmet geele bloemen, Arabifche Stachas , fier krieken de A- frïc: Conyza met geele bloemen, Afric. Mefembrianthemum van Breynius , JLimonium van Rauwolfiils, Afric. Rynvaar met tienmaal kleender bloem- keus van de Hr.Profeff: en Collega C. Commelin befchreven, Verkens gras met Mo Jachtige bloemen. &c. Ten tweede, dezes kinds Navelftreng is wel afgefneden , edog beyde deNa- vel-flag-aderen, en de eene Navel-ader kan men nog zien , als wat opgeblazen. Ten derde, in defl'elfs Linker handje heeft het ook een bouquefje van zulke en diergelyke natuurlyke bloemen, waar onder de bloemen van de Afric. Leo- nurus van Breynius en verfcheyde zoorten van Gnaphaliiwiuyi&ckzn, met haar natuurlyke couleur. Dit ruykertje, onder zyn neusje houdende, verheelt het daar aan te willen rieken. Ten vierde, de deur of ingang van ’t graft, is toegeftelt, Ten eerfte, uyt het opperde van ’t Bekkeneel van een jong geboore kindje, wiens harde Harffen-vlies, en Seyfte, natuurlyker wyze aan ’t Beckeneel nog vaft zittende, zyn zeer wel vervult metroode opgevulde flag-aderkens ,’t welk het gezigte veel voldoening geeft. Ten tweede, uytmarmere fteentjens, en beenderkens van jong gehore kin- derkens, als mede vliezen met opgevulde bloed-vaatjens doorweven. Ten derde, zommige dezer beenderkens zyn nog natuurlyk tezamen ge-- voegt, onder dewelke ook gevonden werden de beenderkens van de hand, die in haar onthouden een Slag-aderige dikke tak van een opgevulde Slag-ader, verbeeldende een Stokske, of wel een bladerlooze tak van een boom. alsme- de de Wervelbeenderen van de hals, die onderling nog vereenigt zyn &cc. Achter deze graffteede zyn gefteld twee geraamtens van onvoldraage kin- derkens 5 van ontrent 7 maanden, zynde tweelingen, welke het gebalzemde Ddddd 3 kind-- van FREDER.IK RUYSCH. kindje als befchreyende met gebooge knietjens, de neusdoekjens in haare hand- jes aan haar oog-raden houden, welke gemaakt zyn uyt zeer dunne vlieskens, waar door heen zeer veel curieufe opgevulde flag-aderkens pafleeren. Wanneer den zeer waardige Hr. Df. en Leeraar der Mennoniten Herm: Schyn die graft en defleifs toeftel zag, vereerde hy ’t zelve met dit graffchrifc. VUL ANATOMISCH CABINET O P ’ T SIERLYK ROTSJE, (Verbeeldende een Grafftede,) En het kondig baHemen der Lyken, door den Vermaarden en Zeergeleerden Heere FREDERIK R U Y S C H; Hoogleeraar der Ontleed- en Kruytkunde Scc. Altior es tata. IS ’t fpook ? of is het ernft ? zie ik de dooden fchreyen, En onder eenen vloed van tranen ’c lyk geleyen Huns makkers na het graf? zie ik hun harten ket. En beide wang en oog afdroogen met een kleet ? O neen! Hoogleeraar Ruyfch, door ed le konft gedreven. Schenkt aan de dooden zelfs de fchaduw van het leven 5 En ftreeft natuur voorby door wakkerheid van geeft. Die wel de Leeden fchikt op een gepafte keft, En m haar nette form en fchoonheit kan bootfeeren; Maar haaren ondergang niet veiligen nog weeren. Wanneer de felle dood den draad des levens fnyt. Zie hier ontzielde leen waar aan geen grafworm ryt. Zie deze dooden eens de wreede dood braveren. Ai! zie de Tombe: zie de Lyken: zy trotferen Verderf en ondergang. Hoe fterlyk kit dat Lyk! Een ander Maufolee! niet opgebouwt uit ftyk, Tiras of Metfelwcrk* maar Ribben, beenen, fchonken, Door Aderen gehegt, en tot een Rots geklonken, Waar van het Bekkeneel den mond der grafplaats ftuyt. Maar zagt. Ai! luyfter toe; daar komt een zoet geluyt Van onder deze Rots; my klinkt een ftem in de ooren ; My dunkt, zy roept ons toe, en laat zig aldus hooren. Be- van F R E D E R I K R UYS CH, 759 Befchouw Aanfchouwcrs ’t Kondig graf. Befchouw ’t gebalfemt Lyk ter deegen. Befchouw de Rots vry allerwegen, En pryft hem die ’t dit weezea gaf. Maar leer uit myne Lykbus derven. Geen balfem hout den ed’ien geed, Die leeft gelukkig of bedeed, In God te zien of dien te derven. Wilt gy onderflyk zyn na ’t Leven? Gy moet den geed eerd Gode geven. Hermannus Schyn. Op het zelve. Decz’ Rots verheelt het graf van een gebalfemt kind. Niet opgebouwt uit deen, maar Ribben, beenen, fchonken. Door Aderen gehegt, en tot een Rots geklonken, Waar van het Bekkeneel den mond der Grafplaat bint. Swygt oud Egypte van uw balfemen der Lyken, Heer Ruyfch verdient de Kroon, en gaat met Lauren dryken. H ermaoüs Schyn. N°. LVIII. Een pededalletje waar op geplaad is een duk van de Poort- ader des Levers, -’t welk op verfcheide plaatze in een beenige zelfdandig- heyd verandert is. N°, LIX. Een vledie met vogt, waar in te zien is een duk van ’c Ag- ter-breyn van een menfeh, wiens fchordige fubdantie in duyzende deeltjens verdeelt is, ziet hier op na de Fig, van de XII. voorgedelde brief. N°. LX. Een vies met vogt waar in te zien is een duk van de bogtige Darm van een jongeling, wiens vlezig vlies weggenomen zynde, doen haar hier op de circulaire of rondlopende draaden ('Fïbra circulares._) Daarenboven kan men zien hoe weynig Slag-aderkens door het ge- zeyde vlies palieren, in tegendeel hoe zeer het Zenuwagtig vlies met Slag- aderkens verrykt is. Nadien ook dit duk darms aan ’t eynde is gebonden, deekt ’er een gedeelte van’t duweele vlies, (van my het Tepel-wyze vlies geheten,) bui- ten uyt , 5c welk zeer rood is door de veelheyd der op myne manier opge- val- VIII. ANATOMISCH CABINET vulde Slag - aderkens, welke de alzoo genaamde klierkens vóórtbren- gen- * . N°. LXI. Een vies met vogt, ’t welk in zig onthoud een zeer vergiftig dier, by de Indianen Gecko geheten, ’t welk in zyn bek houd (als wilde het vernielen) een menfche fchepzelke van omtrent 3 maanden dragrs. N >. LX 11. Een knegtje van ontrent 5 maanden dragts, wiens hoofdje ten deele als van een helmtje is bedekt door ’t Watervlies, {Amnios) en dat van wegen het gebrek van vogt, waar in de kinderen in’s moeders lichaam komen te leggen, en wort zo een kind gezegt met een helm gebooren te zyn, ’t welk gants redeloos te houden is; dit voorwerp word in een vocht bewaart. N°. LXill. Een droog glas, waar in een (luk van ’t gedarmte van een haas te zien is, wiens wentel-traps-wyze vlies zeer wel hier kan gezien wer- den. N°. LXIV. Twee (lukken van de eynde van de Roede eenes Walvis , dewelke in een vogt gehouden werden, waar van ’c eene aan een hayrtje hangende, ons doet zien dat de draaden van ’t groote fponcieus zenuwag- tig lichaam, veel digter by een zitten, als dat van ’t kleene fponcieus -ze- nuwachtig lichaam, en zulks ziet men geheel contrarie in de menfehen. Het onderfte en tweede gedeelte op de grond leggende, is het uyterfte van deflelfs roede, waar aan geen hoofdje werd gevonden. N°. LXV. Een gedeelte van de Eyer (lok van een fchil-padde, waar aan veel Eyeren nog hangen. N°. LXVI. Het Aangezicht van een jong geboore kindje, ’t welk ik zonder preparatie zoo heb gelaten, gelyk her my ter hand gefield wierd, dat is, zonder het (lellen in (laat van leven 5 ’t zelve is gelegen op een (luk van een Moer-koek, ’t welk zeer curieus is toebereyd, alle de uyteynden der varen opgevult zynde. N°. LX VIL Een zeer groot droog Glas, waar in te zien is een groot Hart van een menfeh, wiens bloed-vaten tot een toe opgevult zyn, waar van het zeer rood van couleur is geworden. Hoe de groote Slag-ader uyt het Hert voortkomt, als mede hoe veel takken dezelve voortbrengt, die na boven loopen, kan men hier zeer klaar zien. Daarenboven zoo komen alle de Stronken der vaten van ’t Hart ons in ’t gezicht, namentlyk, die van de Hol-ader, zoo op als nederwaarts gaande, des Longs-aderen en (lag-aderen, de Kroon-vaten, als meede des Harts- ooren. En nadien meerendeels aan de punt van ’t Hart, veel vets gevonden werd werd, waar door het effen en zonder fcheyding zig vertoont, zoo is ’t, dat ik van de punt dezes Harte alle het vet heb gefcheyden, waar door het uyterfte, of punt des Harte zig in tweën verdeelt. Hier komt my in de zin, dat ik onlangs bygewoont heb een Man , die van zyn leven met een mes beroofd wierd door een booswigt, deuyterlyke wonde deede zig op ontrent de linker Tepel , en dezelve was niet breeder als een duytn: egter vonden wy het Hart van de punt af tot byna aan des- zelfs grond {bafis) als in tweën geklooft, en zulks moetik bekennennooyt meer gezien te hebben, hoewel ik nu meer als 40 jaaren het fchouwen der nedergefiagene heb moeten bywoonen; buyten twyffel heeft hy na deftcek, ook een fneede gegeven in het Hart. IMO. LXVIII. Boven op ’t voorgaande glas, is mede geplaaft een droog glas, in zig onthoudende een beenige fubftanrie, ’t welk voortgekomen is in de beenderen van de voor-voet , dewelke na een bederving (Jpïna vent o fa) poreus geconfundeert, en als in een gefmolten zynde , verandert zyn m een zelfftandigheyt , die niet minder als beenderen van de voor- voet haar opdoen. Van FREDERIK R ü Y S C H. 7^ De V. PLANK. N°. LXIX. Een Vies met vogt , en daar in een ftuk van ’t dunne Harflen-vlies, waar aan nog een gedeelte van de fchorflige fubftantie der Herftene vaft zittende, uyt loutere Slag-aderkens beftaat. IsK LXX. Een groot ftuk van de Maag van een Vrouwsperfoon, wiens fluweele of liever Tepelagtig vlies op veele plaatzen verfwooren is, zynde bezet met poeder van Rottekruyt , ’t welk zy had ingenomen , cm een cynde te maken van haar leven, wegens aangedane verdriet. Hier blykt klaar , dat zy ongelyk hebben , die voorgeven , dat die geene, dewelke door ingenome Rottekruyt komen te fterven, alken haar bloedt zoude ftollen : ik heb verfcheyde zodanige voorvallen byge- woont , maar nooyt heb ik bevonden dat het bloed geftremt of geftolt, maar wel dat de maag verfwooren was: edogh, indien zommigc menfehen haaftig zyn komen te fterven, eer dat ’t venyn zyn kragten ten volle heeft konnen uytwerken, zo heb ik altoos gevonden, dat ’er door de Maag veel rood-bloedige flippen verlpreyd waren. N°. LXXL Een Vies met vogt, waarin gezien word een tak van de Longs-flag-adcr, met een roodwafllge ftofte zeer konftig opgevult : het is te verwonderen, hoe dat’er zo zeer veel kleene fakskens zyn , die tot het uyterfte opgevult zyn 5 als mede hoe vcrkcerdelyk en gebrekkig eenige E e e e e Autheu- VIII. ANATOMISCH CAB.INET Authcuren dezelve hebben laten afbeelden : al wie dit voorwerp ziet, en dat met aandagt, zal over de wonderwerken Gods als verftek moeren kaan. Aan het onderfte van dit voorwerp hangt nog een takje van de Lugf-pyp* wiens uyterfte uyteyndcns niet minder zyn in getal en tynte. N°. LXXH. Een Vies met vogt, daar in een zeer groot gedeelte van ’t dunne Harften-vlies van een Menfch. Deszelfs ftag-aderen zyn geheel en al konftig opgevuk, en dat als boven met een roodwafilge ftof, waardoor zig dit vlies zeer rood opdoetj deszelfs uyterfte uyrey'ndenzyn zoofynals dons of katoen. N°. LXXIII. De Nier vaneen Kind in tweèn opgefpouwen 3 wiens vaten ook opgevult zyn ; en nadien dezelve langs de rug of ronde zyde is open gefneden, zo komen ons de Nier-tepekjes niet alleen op verfcheyde plaatzcn in ’t gezigt, maar ook zelfs de mondekens of openingtjens , waar door de pis tot in de buyskens van ’t bekken zypelen. N°. LXXIV. De Arm van een klcen Kindje, wiens bloedvaatjensont- bloot zynde in ’t gezigt komen; in deszelfs bandje houd het een Africaanfe Chameleon. N°. LXXV. Een Nier van een Kind, op wiens oppergedcelte de By- nier nog vaft zit, en niet aan de zyde van de Nier gevonden werd, gelyk zommige Autheuren hebben doen verbeelden in haare Platen. N°. LXXVI. Een Bal van een menfch ten deele uytgerafelt , om haare vaatige of canaalige geftalte te zien. No. LXXVII. Een breeds of Lintworm eenige ellen lang , en in een vogt bewaart. N°. LXXVIIL Een opgeblaze mannelyke roede, hardt gebalfemt, en in moten gefneden, op dat deszelfs inwendige zenuwagtig en fpongieuze geftel gezien kan worden. N°. LXXIX. Een Vies met vogt, en daar in een ftuk van de Milt van een Menfch. Waar ontrent aan te merken ftaat, dat de Ader-en flag-aderlyke ftronk, maar niet de uyterfte takjens vervult zyn met een wit-waftige ftofte , om alzoo te konnen zien , hoe het zig opdoet zonder vervulling, namentlyk, zonder klierige, celluleufe of draadige fubftantie. Ziet bier over na den IV. voorgeftelde Anatomifchc Brief. N°. LXXX. Een Hart van een Kalf, ftaande op een Pedcftal, ’t welk over de 25 jaaren geleden van my is toebercyd , en fteenhart gebalfemt* deszelfs Slag-aderen zyn met Quikzilver vervult. N°. LXXXi. Een Vlies in een droog Glas, waar door heen zeer veel fyne en menigvuldige opgevulde flag-aderkens loopen. NO.LXXXIL Van frederik ruysch. N°. LXXXII. Een droog Glas, waar in bewaart word een zeer wit Geraamte van een onvoldrage menfche fchepzeltje van ontrent vier maan- den dragtsj aan deszelfs linker handje heeft het afhangen het gedaante van een Kikvors, ’t welk opgeblazen, en zo wel bewaart is geworden , dat men in ’c zelve niet het atdermmftc deukje vind. N°. LXXXIiI. Een Viesje met vogt , en daar in bet Oortje van een jong Kindje, ’t welk heel levendig van couleur en gedaante is. N°. LXXXIV. Een zeer wit geraamte van een Muys, in wiens regter pootje vafrgehouden werd het geraamte van de (taart van een Aal, ’t welk zoo curieus is toebereyd, datter niets aan manqueert , zelfs niet het min- fte gaatje tot doorgang van de Zenuwen en bloedvaten: dog zulks ismoe- jelyk te doen. I\jo. LXXXV. Een droog Glaasje , waar in do beenderkens van twee menfche vingeren werden bewaart, dewelke zeer wit zyn geprepareert. No. LXXXVI. Een Pedeftal , waar op gezet is een Nier van een Menfch, door toedoen van de Kork zoodanig toebereyd, datzy de natuur- lyke geftalte, groote en figuur, hier door weder heeft gekregen. " N-. LXXXVII. Het gedarmte van een onvoldrage Vrugtje van een Koe, ’t welk opgeblazen, door het balzemen verhard en gedroogd zynde, zyn natuurlyke geftalte heeft behouden 5 deszelfs Ilag-aderen zyn ook cu- rieus opgeyult. N°. LXXXVIII. Een ftuk van de Rugge-graat van een kleen Kind, dvverfch doorgefneden. Waar ontrent te confidereeren ftaat , dat de feborftige zelfftandigheyd van ’t R ugge-merg die zyn zitplaats heeft in’t midden, of van binnen in’c Merg, uyt loutere bloedvaatjens , en wel inzonderheyd uyt Slag-aderkens is beftaande : zulks kan men hier klaar zien , wegens ’t opvullen der Slagaderen. De VL PLANK. N°. LXXXIX. Een droog Glas, en daar in de Lever van een jong geboore Kindje, die door het balzemen hard gemaakt is. Aanmerkt, dat deze I ever de natuurlyke geftalte en groote behouden heeft, wegens het opvullen der bloedvaten. N°. XC. Een ftuk Veis van een Menfch, ’t welk zeer rood is, wegens het konftig opvullen der bloedvaten : en zyn deszelfs vaatjens zo veelj dat het Vel alleen uyt bloedvaatjens fchynt te beftaan. XCI. Een Vies met vogt, dewelke in zig onthoud een takje van de Hol-ader des Levers, met een wallige ftolfc opgeyult, Eeeee 2 No.XCIL 764 VIII. ANATOMISCH CABINET N°. XCII. Een ftuk van de Nuchteren-darm uyt een Menfch, waarin het Fluweele (van my genaamt Tepelig) Vlies , als mede de verhevene- heden of oogluykende Klapvliezen, zeer fraay gezien werden. N°. XCIIL Het Hart van een Schaap over veertig jaaren rot een Mumie gemaakt op de oude wyze , ’t zelve Haat op een Pcdeftallerje. N°. XCIV. Een gedeelte van de groore Slag-ader , met een ftuk van des Longs Slag-ader, tuffen dewelke de flag-aderlyke eanaal (dufittis arte- riofus) uyt een pas gehore Kalfje , te zien is , en dat op een Pedeftal} men kan deze gezeyde eanaal hier in dit voorwerp beter en duydelyker zien als in een Menfch. N°. XCV. Wormen uyt de Lugt-pyp van de Long gehaalt, dewelke zeer dun zyn. N°. XCVI. De Nier van een Kindje, welke zeer rood is, wegens ’t opvullen van de Niers flag-ader. Aanmerkt, dat in’t opvullen niet alleen de Slagaderen, de Pis-canaalr- jens, de Buyskens of fcheuten van ’t Bekken , en het geheele Bekken y maar ook zelfs de Pisleyder tot onderen toe vervult zyn geworden, en dat wegens de onderlinge vereeniging en continuatie van alle deze gezeyde canaalen. N°. XCVII. Een Vies met twee voorwerpen ineen vogt, waarvan het eerfte en hovende is het Oppervelleken (Epidermis) van een menfch. Het onderde is een duk oppervels van de muyl van een Walrus. Aanmerkt ten eerde. Wanneer het oppervelleke of bekleetzel van ’t vei van een Menfch, en dat van ’t onderleggende Netwyze lighaam gefchey- den is , dan verfchynen en vertoonen haar ontelbare en zeer fyne verhe- vene decltjens, of lighaamtjens, namentlyk uyt de binnende oppervlakte van ’t gezeyde oppervelleke, ontrent twee linien lang, dewelke ik houde. voor omgekeerde kokertjens van de hayrtjens, als mede van Zenuw-tepeK fjens, waar mede zy in’t vel zittende, bedekt werden. Het Oppervelleke en Zenuw-repeltjens nu ontvelt of afgefcheyden zyn- de van ’t Vel, zoo volgen ook de kokertjens, en zoo is ’t, datze ons dan omgekeert te vooren komen als kleene dunne verheventheden y zulks komt ons klaarder voor in dit van een Walrus muyl. Ten tweede. Deze kokerkens zyn niet anders als continuatien en ver- volgen van ’t Oppervelleke, en het Oppervelleke van de Zenuw-tcpelt- jens, gelyk ook mede de hayren en nagels , dewelke ik houde voor uyt- fpruytzels van de uyteynden van de Zenuwen $ en nadien de hayren die- per voortkomen uyt de uyteynden der Zenuwen, alwaar zy zeer gevoeJig zyn, daarom gevoelt men zoo groot een pyn in ’t uvttrekken der hayren. No.XCVIII. van FREDERIK RUYSCH. N°. XCVIII. Een beentje , uyt de vleugel vaneen Endvogel, over dwars gebroken , cn van de natuur zeer vaft weder aan een geheelt. N°. XGIX. Een ftuk des Levers van een Menfch , op wiens opper- vlakte men de bloetvaatjens, wonderlyk geftelt zynde, kan zien. N°. C. Een ftuk van de bletwyze vlegting, (plexus choroïdeus') waar in niets klierigs te zien is, maar dezelve beftaat alleen uyt vaten , gclyk ik in ’t antwoord op de XII. voorgeftelde Brief heb gefchrcven, en inFig. afgebecld, N°. Cl Een ftuk van de Herftene van een Menfch, ontrent 40 Jaaren geleden, van my zoo hard als fteen gcbalzemt, ’t welk ys-agtig glinftert 5 in dezelve kan men de ballekens, cn de alzoo genoemde billekens, ook het Pynappel-kiicrrje, bequamelyk zien. Verders vint men aan ’t binnenfte van de deur dezes . Cabinets hangen. N°. CII. Een monftreus groot Gezwel, door het balzemen fteenhard gemaakt , ’t zelve is bezyde de mond van de Baar-moeder uytgewaf- fchen. Aanmerkc. Deze Vrouw fris, gezond, en omtrent 4 maanden zwanger zynde, verviel in een fware vloet, en na eenige dagen in een mis-kraam, waar na de vloed eenigen tyd duurde, en dat zonder eindelyk be- gon zy te klagen van een ongemak ontrent de inwendige mond van de Baar- moeder : weshalven zy een Chirurgyn ontbood , dewelke de zaak onder- zoekende, verbeelde zig dit ongemak te zyneen overftelping van de Baar- moeder ,na de gezeyde mis-kraam : naderhand, de aangewende remedien niet helpende, ben ik ook by haar geroepen, my zeggende, dat benevens haar gezeyde quaal , ft geen dagelyks vermeerderde , de vloet noch al onordentelyk voortging j weshalven wierd ik verzegt de zaak te willen onderzoeken , ft welk doende , bevond ik een vleezig en week- achtig gezwel ontrent de mond van de inwendige Baar-moeder j en nadien my dogt, dat men het vergrooten of toenemen niet konde beletten , veel minder het gefwel 200 diep zittende extirpeeren , heb ik haar gcraaden, ft zelve zoo te laten betyen , tot dat het wat meer na buyten was komen uytgroeyen. Ondertuftchen binnen een jaar grooter en grooter geworden zynde , en die onordentelyke vloed nog al niet cederende , zo is ft gezwel buyten de fcheede komen uytpuylen. Wanneer men my weder verzegt by de Lyderfle te willen komen, dit aldus bevindende, raade ik haar aan , darze Eee e e 3 tegens VUL ANATOMISCH CABINET regens de volgende dag, nevens my, ook zoude doen roepen den welgc- < effende Heelmeeller Cornelis Boekelman , dewelke voor den gezette tyd daar komende, vond de vloed die uyc het gezwel voortquam, zoo onma- tig, datze fcheen aaodonds te zullen derven, het gezwel zoo dc bydaande Vrouwen zeyden, in weynig uuren zoodanig toegenomen zynde, dat het de groote van een pas geboore kindje niet behoefde te wyken, en den ge- zeyde Heelmecder haar in die ellendige ftaat vindende, nam een koorde,en bint het zelve zoo diep af, als ’t hem mogelyk was, cn doet haar op ’c bed leggen, de vloed aanftonds ophoudende. Wanneer ik nu wat later by haar quam, zoo wierd my verhaald watter gepafleerc was, ik ontdekte my over het relaas , want ik vreesde , dat in dit binden de Blaas ook mogt in ’t fpel gekomen zyn, want men kon niet weten, wat het voor een gezwel was, eerll dogt het ons te konnen zyn een onnatuurlyk vleezig zagt gezwel, ook was ’t niet buyten fufpicie, dat het de Baarmoeder zelfs was, ’t ?y omgekeerc of zonder omkering te gelyk met de blaas, enz. Ik nam het gezwel, zoo gebonden zynde, in myne handen, cn geen in- wendige mond des Baarmoeders vindende, bedaarde ik weder vcornament- lyk, als men my zeyde, dat de Lyderffe na het binden haar water nog had konnen maken. Ondertuffchen verminderde dit gezwel van dag tot dag, want het gaf veel waters van zig door de zweetgaarjens; na weynig dagen wierd het af- gefneden, en was bet doe nog zo groot, dat ik een emmer eyfte met wat waters daar in, om ’t in zyn wezen te laaten, want ik was van zins om ’t in die (laat te bewaren, waar mik het vond, tot nader onderzoekmge. In ’c onderzoeken quam my de fubdanne voor als waare het die van dc Baarmoeder, weshalven ik voornam ’t zelve naheen naauwer re onderzoe- ken , als de Lyderffe geheel herfteit zoude zyn , wanneer ik bevond de mond van de Baarmoeder, als mede de omleggende deden natuurlyken wel ge dek te zyn ; zoo dat het gezwel niet anders is ge weed, als een vleezig gezwel op verfcheyde plaatzen met water-blaasjens vervult, ’t welk uit de zyde van de Baarmoeder was komen groejen : dit gezwel is van my ge- baizemt en verhard, en dat op een byzondere wyze, want nergens werden daar eenige kuylen of putten m gevonden ; ook heeft het zyn natuurlyke groote, zoo veel doenelyk is geweed, behouden. Ik heb hier vooren gezegt, dat ik verdek kond, wanneer ik dit mon- dreus gezwel zag afgebonoen te zyn , om dat ik vreesde de blaaze m ’c bin- den mede mogt begrepen zyn 3 nadien ons van te vooren niet was bekent gesveed, of het niet de Baarmoeder zelfs waare: want indien het de Baar- moeder van F RE D E RIK RUYSGH. moeder zelfs geweeft: was , die ook meenigmaal na de baring zlg om- keerc , en in de gedaante 'van een vleezig gezwel vertoont , als wan- neer de Lyderfle noodzakelyk zoude hebben moeten fterven: want de Baar- moeder uytzinkende, namcntlyk zonder omkeering , moet de blaas ook uytzinken, wegens die nauwe verbintenis en t’zamenhegting ontrent der beydcr monden ; hierom oordeelen zommige te onregc, dat de Vrouwen noch in ’t leven konnen blyven , na dat men haar een uythangende Baar- moeder afgebonden heeft; myn fuftenue is, dat zulks niet mogelyk is, zon- der te gelyk de Lyderfle het leven te benemen. Voor 40 jaaren heb ik, verzogt zynde om deze operatie by te woonen, gezien, en dat in ’t Gafthuys dezer ftede , door een temeraire Chirurgyn, nevens de Dodloren van ’t Gafthuys, en de ordinare Chirurgyns van’t zel- ve huys, haar met groote perfuafie verzekerende, dat hy zulks kondc doen, en wel zonder eenig gevaar. Wat gebeurter ?hy nam een dikke en lange naaide met een fterk dun touvvetje, waar mede hy her uythangende gezwel tot aan de gront tuftchen de lippen , waar uyt het gefwel hing , door- boordc, en wel fterk toebond; cdog, des anderen daags moeftzy deze ope- ratie met de dood bekoopen, en zoo wierd my gelegcntheyd gegeven om na te vorflehen, wat de oorzake was van zo haaftige dood. Het lighaam geo- pent zynde, vond ik niet alleen de gantfehe Baarmoeder uyt het lighaam te hangen, maar ook zelfs een van de Eycrftokken met deszelis Eyerweg in ’t midden van de fchee te zitten. Hierom acht ik zeer nodig de Heelmeefters te waarfchouwen , van zoo een onnutte en Ichadelyke, ja grouwzame operatie nooyt te willen onder- nemen, om alzo door dit doen niemand ter dood te brengen 3 want hy is een gelukkig man, die door gevaren van anderen keren. Nadien dan deze waarfchouwing van my gezeyd word zoo zeer nood- zakelyk te zya, en dat niemand daar aan zoude twyfelen , namcntlyk dat de Lyfmoeder uyt het Lighaam hangende, de blaas als dan mede in ’t (pel komt , en dan ook te gelyk uytzinkt , zo zal ik hier eens weder- om in de geheugenifle brengen en verhaalen de Hiftone van my befchreven en aangeteekent in myne Anatomifche en Chirurgicale Obfervatien in’t Jaar 1691. uitgegeven, waar van men hier ook de Figuur vint. ZktdeUkFig.. van de 11. Tafel van ’t VUL Cabinet. O "uier alle ongemakken en qualen, dewelke den menfeh ellendig maken, neeft ge en zin ts de minjie plaats de Steen , wanneer die zig tn de wat er j!aas onthoud. Bit ongemak, hoewel het zeer menigvuldig in Bol- land gevonden werd, zo is ’t egt er, dat zulks ons zeer zeldzaam en nooyt gehoor t gehoort in ’t Jaar 1681. is vóórgekomen s en dat in een Vrouw van 80 J aar en, zeer vermagert, en met een uyt zinking des Baarmoeders 20 Jaa- ren lang bezogt, niet zonder een onlydelyke pyn in ’t Lojfen van haar wa- ter , zoo dat ze liever tienmaal had willen ft erven, als langer zoo te le- ven , inzonderheid de twee laatfie jaaren. Eyndelyk is zy te raden geworden my te verzoeken by haar te komen} als wanneer zy my klaagde wegens ongemak in ’t water maken, en uytzin- king van haar Baarmoeder. Ik verwonderde my over het klagen} nadien ik nooyt gewoon was zoodanige klagten te hoor en van Vrouwen , welkers Baarmoeder uyt hing , en zeyde dat het te vree zen Jiond, dutter eenig an- der ongemak by moejt zyn, ’t welk zig daar onder verborgen hield, E>eze ellendige ‘Patiënt zulks hoorende, weygerde my niét de zaake nauw keur iglyk te laten onderzoeken, nadien ik anders met geen zekerheid daar van koude oordeelen: aldus vernam ik, de Lyfmoeder 3 wat groot er geworden zynde, buyten haar Lighaam te hangen, van groote en forme gelyk hier ajgebeelt fa at in de 111, Figuur van de 11. Tafel van ’t VIII. Cabinet. IVanneer tk deze Lyfmoeder bet af e, fcheen het my toe 3 dat ik ’er f ee- rt en in gewaar wierd, en zulks bedroog my ook niet , hoewel tk my abu- zeerde in de forme der feen en 3 want ik meende dunne en plattefe enen te voelen 3 in gedaante van leyen 5 edog na het openen, vona men dezelve hoe- kig en dik 3 gelyk de Ftg. in ’t .voorzeyde boek aanwyft. Nu konde men nog al niet zeker zeggen, of die f een en in de holte of in de v hezen van de Baar- moeder zaten, of ook wel in eenig deel van de blaas. Zy fche enen wel gep laat ft te zyn in de holte van de Baarmoeder, dewel- ke geheel en al buyten het lighaam hing, ( gelyk de figuur aanwyft) zonder in ’t minfen te konnen zien eenig bewys van de blaas. Tjit nu alzo on- der zogt zynde3 raa.de ik haar aan} dat men de ft e enen daar uyt moe ft zien te krygen 3 door het maken van een opening: hier op wier den geroepen Mr. Pieter Adriaansz. en Andries Boekelman, beyde wel ervarene Chirurgyns dewelke myn voorftel goetvonden, en ds operatie tot den volgenden dag wil- den uyt feilen; maar als die arme oude Vrouw hoorde /preken van uyt lief begon zy te lamenteren en te roepen, o ! my ellendige ,gy lieden zult niet wederkomen, gy zult my verlaten, &c. waar over wy bewoogen zynde, hebben de operatie aan fonds m V werk gefield, alken door het maken van een fnee na de langt e van de Baarmoeder y en hebben uyt de wonde gehaalt 42 fleenen, en dat in een oogen blik, ten deele door een tangetje , ten deck met vingeren * der ze loer Figuur en groote kan men zien in ’t ge zeyde Boek. In deze operatie had zy met veel'pyn geleden * want die gedaan, en van de laf verlof zynde, was zy aan fonds buyten fyn en 5 die zo veel Jaaren had VIII. ANATOMISCH CABINET van F RED ERIK RU YSCH. had geleien, en begon toe weder op te quïcken in matelyke gezondheid,ln het doen van deze operatie zag men 5 behalven eenige druppelen bloets} ook wat helder vocht uit de wonde vloeycn, waar uyt wy vermoeden, de blaas hier in t fpel gekomen te zyn, en zulks quam ons ook te blyken na dat wy den volgenden dag door een fpuytje wat waters door de pis c anaal in de blaas hragt en 5 welk water door de wonde weder uyt quam: hier door, als mede door de pijfe y die in V vervolg uit de wonde voortquam, wier den wy ge- waar 5 dat de ft een en hadden gezeten in dat gedeelte van de blaas, het ge- ne te gelyk met de Baarmoeder uyt het lichaam was gezakt. ‘Deze lekking van depis gafons geen kleen ongemak in yt genezen van de won- dejt welk nogtans kort daar na zeer wel geluktenen dat op deze volgende wyze-t na e enige dagen wier den de lippen van de wonde met den balfem ArC£Hs be- preken , en men bragt de lippen te zamen met een hegtplaijier of langwer- pig reepje gefneede lywaat, beft? eken met wat diapalma, daar wat terpen- tyn in was gefmolt en, om pet er te kleven, en was het zelve gefhedengelyk de 4 Fig. van de gezeyde obfervatie aanwyft. Edog na dien dit doen ons oogmerk niet konde voldoen 3 wegens het gedu- rig uytfypelen van de pis 3 bedagt Mr, Andries Boekelman een ring van dun geflage loot, wiens beyder uyteinden wat omgekromt zynde 9 f zamen wier- den gehaald met een draad, gelyk de Fig. aldaar aanwyft waar door de lippen i zodigt aan een wier den gehaalt, dat'er gantfcb geen pis konde uyt~ vloeyen, en alzo floot de wonde toe binnen drie dagen. In deze genezing komen ons verjeheyde vre eindigheden 3 ja ver wonder ons waardige zaken voor. Ten eer ft en, dat de uythangende Baarmoeder met zig heeft genoomen zo groot een deel van de blaas 3 't welk, zo het ooyt voer deze gezien is , ten minften zeer raar is, hoewel deze twee deden met den andere vereenigt zyn, en dat ontrent de monden of halzen. Myn vertrouwen is 5 dit gefchïed te zyn} wegens de veelheyd der ftee- nen, waar door de perjïngen geduurig haar zo zwaar opdeeden 5 dat zulks niet heeft verhindert konnen werden. Ten tweede, dat het uytgezonkene niet anders verbeelde} als alleen de Lyf moeder, effen en zonder e enige uytpuylentheden, hoewel dit voorwerp met fteenen vervult was. Ten derde y dat alle de fteenen hy na een en dezelve forme hadden 5 en dat zo glad als waren zy gejleepen op een ft een. Ten vierden, dat deze wonde zo is komen te Jluyten, hoewel in t vlie- zige deel van de blaas verriet zynde, waar door de pis geftadig uytvloey- den. Fffff Ten 2*? n vyfde, dat alle deze fteenen niet hebben konnen zitten in dat deel van de blaas, V welk de Baardmoeder omvangen had, en zo te gelyk uit- hing , want daar toe was geen plaat ze ge weeft voor zo veel fteenen, maar dezelve zyn van het dieper gedeelte des blaas komen zakken in *t uytha- len. VUL ANATOMISCH CABINE! Ten zesde , dat het fnyden dezer fteenen is gefchied in zo een oude vrou, en dat met zodanig een geluk , want de vrouwen worden by na noopt van de jleen gefneden maar werden haar uyt de blaas gehaald door inflrumenten , na het verwyden van de pis -canaal. N°. GUI. Aan dezyde van ’t gezeyde voorwerp, ziet men hier ook hangen het Dye-been van een oude vrouw welke over zeer veel jaren was van boven neder gevallen, waar door zy haar Dybeen brak in den hals van ’t gezeyde been* omtrent welk ongelukkig voorval te confidereeren ftaat, Teneerfte, dat die lydercfle niet alleen hierdoor mank ging tot den eynde haares levens, maar dat na haar dood in ’t openen van ’t lichaam bevonden wierd, de gantfche hals van ’t Dy-been te ontbreeken, en gants en gaar te niet geworden te zyn, zo datter niet het minfte van te vinden was, gelyk de wel geoeftende Heehneefcer Gerrit Borli, aan veele Docto- ren en Chirurgyns, die daar prefent waren in ’t openen van ’t lichaam , toonde, en beek my dit been tot een teken van vrindfehap gegeven , om in myne rariteyt kamers re bewaren. Ten tweede , dat het Dy-been van een menfeh zelden door uyterlyk ge- weld uyt de panne van ’t nameloofe been fchiet , wegens die groore en fterke fpieren en banden, die dit lid omvangen en verfterken, edog door toevloed van humeuren gebeurt dit meermaalen, gelyk zulks genoeg be- kent is. s°. Het Dy-been breekt ligt in deftelfs hals , wegens haar te- derheyd, want de hals van ’t Dye-been beflaat voor het grootfte gedeelte uyt een fponcieus-beenige fubftantie, in gedaante als het diplöe van ’t bek- keneel, en is deze fponcieus-beenige fubftantie wel bezet meteen vaft bee- nige korft, edog dezelve is zeer dun ; hier om is ’t dat ’t ligter komt te breken als te uydeden. Ziet de i, 2 en 3 Fig. in de 2. Tafel van het 5. Gabinet* en wat ik verder daar over gefchreven heb. Ten vierde, de bovengenoemde Mr. Borft, dewelke in zyn beroep en bediening groote gelegentheyt gehad heeft om oude vrouwen , dewelke mank gingen, na haar dood te openen, heeft my gezegt, dat hem zooda- nige voorvallen agt maal waren voor gekoomen, voornamentlyk van oude mankgaande vrouwen, en heeft altoos bevonden dat het Dy-been in den hals was gebrooken, en geen ran de zelve uyt het lidt gefchoten. VFR- JjC£S, 8 ■ JÓB, C, Jdui/herts. ad viythn Jcul/far, dVeerd. dof'. van FREDERIK R U Y S C H. 771 VERKLARINGE Van de I, PLAAT. A. üEn onthoudende in zig een onvoldrage kintje van ontrent zes maanden dragts, 't welk tot een Mumie toebereyd is 3 omtrent twintig jaren gelee den. ‘Deze gezeyde Tombe is gemaakt uyt Menfihen beenderen, en wel voornament lyk uyt die van kleene kinderkens, als mee de uytfte entjons3 aan een gehegt met vliezen, waar door heen ontelbare Slag- aderkens loog en, ook uyt Jironken en takken van Jlagaderen, verbeeldende alzoo eenig geboomte, of liever rood cor aal ontrent dit gr aft. B. De mond of ingang des gr aft s, wiens grond of voornaamfte deel is het bovenfte van V Bekkeneel van een kintt welk van buytenaljints bezeten beleyd is met de boven gemelde zaken. Defelfs binnenfie oppervlakte in tegendeel is noch bezet met ’t harde harffen~vlies. C* De Zeyfte. D. Met harde harjjenvltes , waar door heen zeer veelopgevulde Slag-ader- kens loopen. E. V Hooft van V gezeyde kint, en daar op F. Een Kroon van natuurlyks bloemen, daar zyn, de Africaaufejlm- kends conyfa., van witte, gele en rode Gnaphalium, &z. G. H. Twee geraamtens van tweelingen, van ontrent zes maanden dragts, leggende op hare knietjens achter het graf. I. I. Slagader lyke ft ronken, verbeeldende eenig geboomte. K. Des elleboogs beenderen, en die van de hand, waar mede aangegrepen fchynt te werden een ftagader lyke tak. L. L. Twee neus doe kjens, uit een vliesjen toebereyd, waar door heen duy~ zende van fyne fagaderkens pajferen, en werden deze met de rechter- kantjes aan de oograden gehouden. M. Het doodtshooft eer groot ge- deelte van de waterblaas bedekt. C. De inwendige mont van de Baarmoeder♦ D. De langwerpige fnede van den Chirurgyn gemaakt. E. De droppeltjes pis uyt de blaas, wegens de gemaakte in fnyding, voort- vloeyende. De IV. FIGUUR. Een ft uk van de Jlok-darm van een waterfchildpad 3 met dejfelfs Zenuwte* peltjens. UYT. J 'SfS S VfJZ -y •-'iJl.ji. af'.jtof . £ci j'/ 2su//t fru/p van FREDERIK RUYSCE 773 UYTLEGGING van de V. FIGUUR. Betekenende de fchamelhcydt van een Manwyf, genomen uyt een Schaap, A. De huydt digt by den aars. B. De aars. C. De vrouw elykheydt. D. Het hooftje van den kittelaar, zeer groot gewordt zynde, E. De voorhuydt van den kittelaar♦ F. De hals van den kittelaar. Des 111. TAFELS Verklad nge. De I. F IG. A. Het bovenfle hooft van 't 'Dybeen van een hdenfch. B. De bovenfte aanwas des Dybeens. C. De flat ie van den hals, alzoo den geheelen hals ontbreekt 3 als zynde na den val te niete geworden. I). Den kleene Trochanter. FIGUUR 11. A. Het bovenfle deel van 't flheen-heen y door bederving verteert. B. De bovenfle aanwas. q De bederving, of weg-etinge. X), 'De beenige pyfe% die eygentlyk de binnen ft e tafel is , door de fcherpte des etters van de bmtenfle af'gefcheyden, en van de Heelmeefter met de hand uitgehaalt. FIGUUR I I E at ik de gegevene occafeen niet en hebbe verzuimt, weten zy, die my grondig kennen* maar nagt en dag de zieken te bezoeken} en zoo baafe den morgenftond haar vertoont, de lichamen te doorfnuffelen 5 zalmyhy alle bil- lyke middelaars tot verfchoning moeten verft rekken 3 dat ik dit negende Cabinet niet eer ter perjfe gebracht hebbe. Eli wie nu dit negende Cabinet met aandacht wil door zien} zal bevinden 3 dat hem verft hey de zaaken zullen voor komen, die hem ten boog ft en zullen fchynen verwonderens waardig te zyn. IV'int wie zoude ooyt hebben konnen gelooven, dat door een by zonder e kon fee, de uy terfte zappige of mergachtige uyteynden der bloed-vat en der ingewanden zeer klaar zouden konnen werden voor het oog gebracht 3 zon- der kwet zing der ingewanden y zelfs zonder verbreking van ha are over- trekzel of vlies: daar en boven dat men ze kan zien in haar natuur lyke plaat ze en forme 3 niet alleen door vergrootglazen 3 maar ook zonder de zelve. Ik bekenne wel dat niemand aan dit myn ongehoord zeggen zyn zegel licht zal van FREDERIK R YSC H. zal willen hangen $ echter is het waar en waar achtig, év/ die ten mynen huyze zulks dagelyks zien, fi aan als ver (leid: ik twyjfele ook niet, ofzy, die haar werk maken van de deden der lyken te doorzoeken , zullen hier over verwondert zyn: want die hebln n buiten twyffel wel bevonden hoe moeyelyk het is de uyt erf e uyteynden der vaten nate vorft hen en hier door is t, dat de waare gefialte der zelve is verborgen gebleven-, hier van is t ookj dat ge en zint s van de gering jle Ont leders in een verkeerd ver ft and zyn geraakt, waanende, dat veele ingewanden uyt prat enfe Klieren be- ftaan, daar fy in tegendeel alleen uyt. vaten met haar fippige of mergag- ttge uyteynden continue cl zyn met de (l ronken der vaten, gclykerwyze als tn de Bloem-Kool, wiens Jironk uyt gaat in bloemen zonder dat'er iets tus- fchen komt, daar een klier in tegendeel een lighaam is dat van zig zelfs beflaat, en van een byzonder vlies omvangen is. Onder alle is ’er myns bedunkens niets wonderlyker, als dat de fchorjfe van de herjfenen, dewelke zoo week als dikke brey is, egt er uyt loutere fappige uyteynden der Slag-aderkens is beftaan de, en niet uyt pratenfe Klieren. Wie kan zulks gelooven, ten zy by het f mynen huyze komt te zien ja onder alle V geen ik in ’s menjehen lighaam uyfgtvondcn heb , is dit 3 zoo ik t zeggen durf, het allervoornaamjie. H eshalven zalyder jnoeten bekennen dat het onhetaamlyk is, dat de Hr, Martinus Lifter 5 Engelsman , en voorfander van de Klieren der inge- wanden, in Jyn [rabiaat van de Humeuren, my te onregt befchuldigt met te zeggen, dat ik hier en daar zulks valfchelyk voor geef, welke aanvry- ving beter op hem paf , om dat hy wil oordeclen van zaaken, die hy nooit heeft gezien: zulke tegenflrevende menfehen zyn zeker qualyk te verdragen : want fy oordeelen van zaaken , daar Jy geen kennis van hebben. , ‘Daarenboven valt hy my onregt matig op verfcheyde plaat zen in V zelfde Traßaat aan , zeggende dat ik dit en dat gevoel , en ook gefchreven zoude hebbe , ’t geen iknooyt gedagt, of door Schriften heb bekent gemaakt, en onder andere, dat ik zoude ontkent hebbe, dat' er Klieren in' s menfehen lighaam zoude gevonden worden: dat ik niet zoude befpeurt hebben de Te- fticulen op haar zelve Klieren te zyn , dat ik gewilt hebbe dat de Klieren van de herjfenen niet als een vette felfsftandigheyd zoude zyn , waar waarom geen boek of plaats aangewezen waar ik dat gefchreven heb ? al wie myn fchriften doorgelezen heeft, zal het in tegendeel bevinden, Ondertuffchen wil ik die befchermcr met geen hevigheyd befhydeu , om dat hy op verfcheide plaat Jen met myn gevoelen niet overeenkomt, als mede dat hy myn zaaken heeft willen beknibbelen en kleyn maaken , maar hywil Ggggg liever 778 IX. A N A T **o MI S C H CABINET liever aan 't oude gevoelen 't welk van over eenige eeuwen als onwrikbaar is gehouden, zich va ft houden, aangezien het hem niet heeft mogen gebeu- ren alle die waare ver/chyningen en opregte toebereydjelen , ten mynen huyfe te zien. Met geen minder verwondering heb ik gelee zen in een Traslaat , wegens een reyfe door Engeland en Holland gedaan ,en befchreven door den fcherp- zinnige Heer Cbriftiaan Henr. Er ndl y alwaar hy op de Ss. en 84, bladz. zegt. Ik hebbe de Hr. Ruyfch menigmaal bezogt, ook geen uur verzuymt , wanneer hy ten diende der vreemdelingen , zyn konftkamer liet zien, en ’t geen daar in was verklaarde. De ongeloofelyke meenigte van geprepareerde Anatomifche en die verbaasde fchat van natuurlyke zaaken, die hy bezit, verdomt de curieufe aanfehou- ders, ’t getal der zei ver re willen optellen, was niet anders als in een ruime zee zich te begeeven , waar van getuigenifle konnen geven de daaltjens van de 7 doenmaals uitgegevene boekskens, onder de benaming van fchat-be- waarkaffen, om nu noch niet te fpreken van zyn obfervatien en Anatomi- fche brieven, dewelke apart zynuytgekomen. Ik kan echter niet nalaaten te fpreken van ’t geen onder ’t zyne het al- ler raarde is, namentlyk de Mumie van een Jonge van 8 Jaaren , wiens lichaam hy met vogt en door kond, zoo hy zegt, zoo cierlyk na deffelfs dood bewaart heeft, dat de couleur en confidentie van ’t vel en Spieren, zich voor ’t gezicht en aanraaken , als natuurlyk en levendig zig opdoen : alle de deelen en ledematen van deze Mumie zyn niet al te hard gemaakt, maar vertoonen haar zagtjes als warenze noch met haar zappen en bloed vervult en vigoreus. Het is een wonderbaare kon de ’t geen die vermaarde man in ’t toeberei- den van deze Mumie te wegen gebracht heeft, overtreffende alle geloof- waardigheid , ten zy men het zelve komt te zien, en hoewel verfcheydent- lyk van de preparatie van dit lyk geoordeeld werd door zyn wederdrevers, zoo is ’er nochtans niemand die tot noch toe iets diergelyks uit kan werken en vertoonen. De Fleer Rauw heeft dikmaals gezegt, als men hem over deze wonder- lyke zaak zyn gevoelen verzocht te hooren, het zyn loutere bedriegeryen met die Jonge, hy heeft die ellendige het oppervelleke afgehaald , 200 dat het vel, met deffelfs fpieren noch vol bloed zittende, verbeeldealzoo eenigfints de couleur van ’t natuurlyk lichaam; andre giden op ’t veryde- len, en uythalen van de logt, waar in hy het lichaam zoude bewaaren ter tyd en wyl hy ’t kwam te vertonen. Maar alle deze giüingen zyn van kleen gewigte.* toont het, en dan zoo zal ik zeer gaarne tot u gevoelen overgaan. &roe van FR-EDÊRIK R U Y S C H. «... Hoe is’t moge lyk bid ik, dat de Heer /. fac. Rauw zulks koude zeg- gen , nadien ik pub lyk en in Jyn tegenwoordigheyd eenige reyfen V zelve ten toon gefield heb, ja ik heb wedero?n voorgenomen in de eerfte ontleding (jsso het God den Heere belieft') die by myte verrigten ftaat3 V zelve lighaam, *t welk nu over de 19 Jaren is geftorven 5 weder te laten zien in een ge- fit alt e , ö/j of het neg leefde. Niemand zal zulks voor bedrog komen houden 3 ten fiy door haat of nyd aangedaan zynde, zyn zinnen verhuyft waren; en wat het oppervelleke betreft 3 namentlyk 3 dat ik dat van V lighaam afgefchilt zoude hebben, .stój' ij ook onwaar 3en zoo ik zulks gedaan hadde, zoude men dat voor bedrog houden ? maar zoude de jongen daar door ellendig geworden zyn ? Ik beit dihmaals genoot zaakt het oppervelleke hier of daar af te haaien, wanneer ik de Zenuw Tepeltjens wil vertoonen, en of de Spieren nog vol bloed zitten , laat ik anderen oordeelen 3 toegefiaan zynde , jsöp zoude het nog geen hedriegeryen zyn. Uerhahen zoo den Trofeffor Rau zulks veelmaal heeft gezegt3 gelyk de Heer Erndl verhaalt 3 zoo heeft hy ver keer de lyk van myne zaaken ge- fprooken 3 dat zoo zynde, zoude ik antwoorden 3 hy beter had ge leert, zoude hy beter doen. Bedrog aan te rechten is altoos verfoeyelyk, en zulks betaamt 3 in* zonderheyd gants niet voor een oud Man , wiens dood voor zyne deure fiaat i en iridien de Heer Erndl zulks niet met den druk gemeen gemaakt had, zoo bad ik dat ligt in de wind geflaoenen niets daar op geantwoord} maar nu zulks ter perfje is gekomen 3 hebbe ik my moeten vet'deedigen. Uit nu tot ?nyn verdeediging bygebragt zynae, zal ik verders toetreeden tot het vervolg 3 p geen ik nog te zeggen heb ; nament lyk 3in dit negende Cabinet komt ons nog voor een uit gebraakt Uiertje, als waar e het een kleen hondje, hebbende vier pootjens 3 een fiaartje, mondje3 ton ge3 met iets, het geen na een navelftrengetje gelykt, het zelve bewaar ik in een vogt te ge- lyk met het beurswyze fakske 3 waar in het 3 in plaats van een nageboorte} heeft gelegen. Hier mede beminde Lezer vaart wel; en de Drukfout en 3 die ’er inge- floopen zyn, verzoek ik 3 dat gy zult met een goed hart verbeteren.^ Ggggg HET 780 IX. ANATOMISCH CABINET HET NEGENDE ANATOMISCH CABINET, Op wiens grond deze volgende zaken gevonden werden. N°. I. F 7 En ronde doos , waar in bewaard word de lyfmoeder van een be- Schaap, welke van rhy over veele Jaren toebereyd, ge- balfemt, en hart gemaakt zynde, cierlyk bewaard is. Aanmerk ten eerden. Wanneer dit Schaap eenigen tyd bevrugt was ge- weeft, is ’er ontrent de plaatfe, daar de lyfmoeder is gelegen, een ablces of fweringe gekomen, dewelke van zelfs opengebroken zynde, zyn’ermet den etter verfcheide bceorjes uytgedreven, ’t welk ook wei zomtyts voor- valt in de Vrouwen. Na dat het Schaap was geftorven , heb ik deszelfs lyfmoeder ge- opent, en in hare holte veele beenderkens gevonden, dewelke daar nog in leggen. Ten tweede. Des Lyfmoeders Hoornen , dewelke niet anders zyn, als een gefpouwentheid des Lyfmoeders in twee delen, zoude men te ver- geefs zoeken in de Vrouwen, hoewel Carolus Stephanus, en andere zulks vadgedelt hebben. Deze Lyfmoeders Hoornen zyn zeer wel toebereyd, en werden dezelve gezien met hare opgevulde flag-aderen met een rood-waflige doffe. N°. 11. Een doos met een gefpouwe duk van ’t hovende van ’c Scheen- been , van een Menfch, die veele jaren in ’t graf had gelegen. Aanmerkt ten eerden. Nadien dit been droog en faploos is geworden, kanmen de fponcieus benige zelfdandigheyd beter zien. Ten tweeden. Alwaar de fponcieus-benige fubdantie eyndigt , daar laat zig het merg van ’c been zien ,in deflelfs bolligheyd *en is het zelve m ’t graf verhard, wit, en gekorrelc geworden, gelyk ’t daar nog in is overgebleven; en zulks heb ik altoos zoo gevonden, in de Jyken , over veele jaren ter aarde waren bedelt. Ten Van FREDERIK R U YSC H, ;8 r Ten derden. Hier uyt kanmen befpeuren , hoe groot een overkomftedat ’er is, tuflchen het vet van een Mens, en het merg der beenderen 5 want het vet datmen in de dood-kiden vind, na dat de rnenfchen 25 Jaren zyn begraven geweeft, heb ik bevonden in vette luyden, dat haar vet ook was verandert en verhard, wit, gelyk ik hier vooren van het merg der been * deren gezegt hebbe. Ja ik vertrouwe dat het merg der beenderen niet dient om ’t been te voeden, gelyk men zulks van alle oude eeuwen geloolt heeft, maar dat het zelve de beenderen vaftigheid geeft, door dedelfs bevogtioge. In dit ge- voelen wierd ik meer en meer beveiligt, na dat my ter hand wierd geilek te Scheen-been van een afgeitorve mens, in ’t welke ik gants geen hollig- heid en vond: zoo dat ik hier van eenige handvatten heb laten maken , on- der dewelke eenige met ilaal voorzien zynde, als meden en vorken, in my- nc Cabinetten bewaart worden } en dat nog in fcheden gemaakt uit het vel van een Jonge, waar door heen by duyzende van bloetvaatjens lopen, de- welke met een rootwaflige doffe vervult zyn, waar door de fcheden gants rood zyn. N<>. 111. Een doos met een hart gezwel in de navelilreng, waar van ik noyt voor heen had gelezen, ook nooit had gezien; echter heeft zig zulks opgedaan in een jong gebore kinrje van een Slager. Wanneer ik en den wel ervarene Meefter G ieter Jldriaanfz,. van de Ouders wierden verzocht, twyfelden wy over dit gezwel, als we het eeril quamen tc zien> want het ons als wat ftrekkende na een breukje, ’t welk digt aan de buik zat, voorquam. Endeling vonden wy geraden, (terwyl de Vroed-vrouw voor onze kom- ile de ft ren g afgebonden en afgefneden had achter het gezwel, na de Moer- koek) een tweede afbindioge in ’t werk te ilellcn , en dat voor hergefwel, naden buyk toe, dit gedaan zynde, verilierf het gefwel na weynige dagen, en afgefneden zynde , heb ik bevonden ’t zelve ren deele van een vleezig, ten deele van een byzondere en vreemde doffe te zyn , met weynige voch- tige humeuren. Ondertuffen fcheen het kind door dit gefwel metsquaats geleden te hebben, terwyl het fris en gezont ter We'relt quam. N°. IV-* Een doos met veel verfcheyde raare (lukken van occidentaal- fche Bezoar ileenen: als mede veele heele deenen, zittende in een dikvlie- zige beurs , waar in ze gebooren zyn , ’t welk ik oor deele aanmerkings waardig te zyn. N°. V. Een doos met een hart-aders uytfpatting , en dat vaneen tuffen ribbige ilag-ader uit een menfeh, in groote met een hoender ey overeenko- mende. Ggggg 3 Aan- IX. ANATOMISCH CABINE T Aanmerkt ten eerfte: Dat het verwonderingsweerdig is , dat zoo een klcen flagaderken zich zoo heeft kunnen uitzetten ’t welk ik drie of viermalen gezien hebbe. Het was een Jongman, wiens ongemak ik hier voorftelle, dewelke van over langen tyd geklaagt had over benautheit wegens die dee- len, die het herte naby zyn gelegen, ende ten laaften door zeer zware bc- nautheyd, en moeylyke hoelt aangedaan zynde, fchielyk gelturven is. Ten tweede: Ik en was niet minder verwondert, jaontlfelt, dat dit ge- zwel Anetirifma zoo vaft aan de ribbens, en aan de lichaamen der wervel- beenderen was aangegroeyt. dat ik ’f zelve niet zonder hamer, en beytel- wyze Inftrumenren, daar van konde fcheyden. N°. VI. Een vierkante Doos uit Indiaans hout gemaakt, en daar in het oor vaneen Menfch, ’t welk hard gebalzemt is, en wiens flag-aderkens tot een toe, vervult zyn met een rood-waffige ftode, waar door het geheele voorwerp ganrs root is geworden. In dezelve Doos kanmen ook zien deHol-ader van een Mens* voor zoo veel dezelve, met haare drie takken, door de lever is verfpreyd, derzelve uiteynden afgebroken zynde. No. vil. Een vierkante Doos als vooren, en daarin de long van een Jongeling, wiens cellekens, tot een toe, vervult zyn met een wit-waflige ftofte, en zoo kanmen zien de ware ftgure van de ftaat des longs in het in- halen des adems. N°, VIII. Een Doos als vooren, waar in gevonden word een arm van een kleen kind, met deszelfs fchouder-blad, en Sleutel-been; en zyn die al door balfamatie verhard , en van over zeer veele Jaaren zoo gecon- ferveert. Aanmerkt ten eerften. Dat het fleutelbeen gebroken is ge weeft , en na een qualyke herftellinge, genezen is in een half manige ftgure. Ten tweede. Het vel des arms geopend zynde kanmen des arms flag- ader zien, inzonderheid op die plaats, daarmen de pols dagelyks voelt. Ten derde. De bloetvacen' tot het uyterfte vervult zynde, brengen’t vel een zeer roode couleur aaii. Ten vierde. De Nagels fteken wel buyten uyt, niet om dat ze na de dood zyn gegroeyc , gelyk men ten onregten eertyds geloofde , ja als een onwrikbare waarheyd wiert gehouden; maar wegens het intrekken, verdrogen, en verharden dezes voorwerps, om nu nog niet te fpreken, van dat men geen nagels gewoon is te korten, als men ziek te bedde leyt. Het vel, en de hayren, zyn delen deslichaams, dewelke een gemeen leven hebben met het geheel, en derhalven ook met de reft komen te ftcr- r*n FREDERIK RUYSCH. fterven, want dit heb ik ondervonden, door dien ik, tot dien eynde , dik- wils de graven ben ingegaan, en noyt het contrarie bevonden heb. IX. Een doos als vooren, waar in verfcheyde deelen des lichaams van jong geboore kinderen gevonden worden. A. Een Armtje,wiens vel geopent zynde,daar in gezien werden de vervulde bloetvaten , die daar door verfpreyd zyn, ook deszelfs zenuwe en fpieren. B. Het voetje van een Kintje, by na op dezelve wyze toebereyt. C Een Kinder voetje, door wiens vel haar vertoonen de opgevulde bloetvaten. D. Den rug van een Kintje , met de fchouderbladen, tot een mumie van my toebereyd. N°. X. Een Doos, als voren, waar in gevonden worden drie Menfche N ieren, die door gefpouwe zyn, in dezelve vertonen haar de uitzetfels, of takken van ’t bekke, en de Nier-tepels3 nadien de flag-aderen vervult zyn, zoo zyn deze Nieren zeer root van couleur. In ’t midde van deze Doos komt ons te voorfchyn een ftukje van een menfche Nier, wiens hart- of flag-aderkens, en pis-canaaltjens, (die de tepelkens maken} geheel en al vervult zyn. Aan de zyde van deze doos doet zig ook mede op een menfche Nier, dewelke uitgedroogt is, deszelfs uitzetfels {produßiones') van ’t bekke puy- len zoo buyten de Nier uyt, dat het bekke zelfs drievoudig voorkomt: ook is de pdleyder zoo zeer verwydert, dat men ’er by na een pink in kan fteken. N°. NE Een vierkante doos met verfcheide darmtjens van kleene Kin- deren j onder alle meede een deel van den blinden darm, met deszelfs aan- hangzel, en dat van een jong gebore Kintje, om alzoo het onderfcheydte zien, die daar is tuffen dit voorwerp in een jong gebore Kint, en dat van een bedaagt Menfch. N°. NU. Een doos als vooren, waar in ons voorkomt een ftiik van den colyk-darm, wiens hartaderen wonderlyk vervult zyn, en dat met een rood- wafiige itoffe, zelfs die vette aanhangzels van deze darm niet uitgezondert zynde. N°. XHE Een vierkante Doos, als vooren, waar in bewaard werden twee voorwerpen, waar van het ie. Is een ftuk van ’t beene ofdoodts-hoofts herften-Pan, met een gedeel- te van dat van het aangezigt. Waar in men zien kan ten eerften de fpelonke van Higmorus, alzoo geheten, om dat Higiftovus die eerft afge- beelt heeft. 2e, Het ae. Het gat, of opening , waar door deze holligheit, met dat van de neus gemeenfchap heeft aan beyde zyden. 3e. Het vliesken , of becne vliesken, ’t welk de fpelonke van binnen bekleet, waar door heen zeer veele opgevulde flagaderkens paiïeren} waar door ook dit vliesken root is geworden , en is het zelve zóo fyn als fpinnerag. 4e. De beenige trane-weg, met deszelfs vliesken, waar mede deze weg of canaal, bekleet is van binnen, mede zeer rood van wegen het opvullen der bovengezeyde flagaderkens. se. Beyde de fponcieufe beenderen van de neusgaten, van eene zyde, namentlyk her hovende en onderfte, met derzelve bekleetzel, om dezelve reden ook rood van couleur. IX. ANATOMISCH CABINET 6?. De Euftachiaanfche Canaal. 7e. De holte van ’t voorhoofts been, al mede bekleet van zoo een fyn vliesken, ’t welk niet min rood is, als de bovengemelde. 8?. De gemeenfchap van deze voorhoofts beens holte met de neusgaten, is hier zeer klaar te zien. 9e. De helft van de holte van de Paardezadel met deszelfs inwendig vlies- ken, waar door heen ook de bloetvaatjens lopen. io?. De trechter (in ’t midden van de Paardezadel) wiens holligheyd bewaart en nog open is, gelykze in een levendig menfeh haar opdoet. In het tweede voorwerp word ons getoont, een fchryf-pens breefe, voor het benig deel van het gehoor gat. ie. De plaatze, daar het kneukel-wyze uitfteekzel van de onderfte kaak zig komt te zetten, met deszelfs beweeglyke kraakbeen; namentlyk boven de grond van het juk been, alwaar de overblyfzelen der banden noch o- verig zyn. No. XIV. Een doos als voren, en daar in ie. Een ft uk van de borft van een kint, zoodanig toebereyd, dat men klaar lyk zien kan de tuften-ribbige vaten, met haren cours: Daar en boven zietmen ook (dit vlies wat opgeligt zynde) het celluleufe vlies, en daar onder nog het benevlies. 2s. Het borftbeen van een kint, met de aangehegte kraakbeenige deden der ribbens ook de tuftenribbige en inwendige mam-takken. 3e. Een ftuk van de borft met den arm, en fchouderblad, waar door heen overvloedige bloetvaren pafteren. Van FREDBRIK RUYSCH. Dc Eerfte PLANK N°. XV. Een Doos als vooren , en daar in de Lyfmoeder van een Kraamvrouw, van over veele Jaaien van my bewaart. Aanmerkc ten eerften, Hoe groot de Lyfmoeder nog is in een Kraam- vrouw van 14, dagen, als mede het veranderen van plaats dereyerftokken, eyerwegen, en banden, dewelke ten tyde des dragts (wegens het uitzet- ten van den bodem des Lyhuoeders,) verder van haar grond afftaan. Ten 2. De pisblaas is in dit voorwerp heel klein., wegens het lollen des waters in’t fterven, en datfe na heen van my niet en is opgeblafen. Ten 3. De mond van de Baarmoeder is 14 dagen na de verlollinge zeer wyt openftaande gebleven , gelykze nog is , *c geen ook dikwils in de Kraamvrouwen gebeurt.; zo dat zy haar niet wel beraden, die al te vroeg haar kamers verlaten, waar doorze de mond des baarmoeders nog niet wel gefloten zynde, aan de koude lugt bloot ftellen. N°. XVI. Een doos als vooren, waar in twee voorwerpen gevonden werden, waar van het 1. Is een Eyerftok, en Lyfmoeder vaneen Henne. Aanmerkt. Onder de eyeren (of liever dooren van eyeren} die met geel wafch opgevult Zyn, werd’er een of twee holle vlieten gevonden , gelyk een tregter , waar uyt de dorens zyn gevallen in de Baarmoeder, cn werden deze nageblevene holle vliezen kclkjens genoemt, van den uytfte- kendc Ontleder Ilegnerus de Graaf-, dewelke my als een boefemvriend is geweeft over 50 en meer Jaren* N°. XVII. Een vierkante doos, van Indiaans Hout gemaakt, als vo- ren , waar in gevonden word de Maag van een Schaap, feer cierlyk toe- bereyd .’ namelyk alle de flagaders zyn niet alleen gevult, maar ook kan men zien deflelfsIV deelen, als eeiftclyk dè Maag , het Net,den Omafas, cn Abomafus. N°. XVIII. Een doos als vooren, en daar in een gebalfemt , en hart gemaakt Kintje van 7 maanden dragts, ’t welk feer veele jaren van my is bewaart geworden. Aanmerkt ten eerften, het Hoofrje en uyterfte ledematen zyn ’cr afge- nomen. Ten 2. Alle de flagaderen gevult, ende het borftbeen opgeligt zynde, komen ons in’t gczigte her de Longe , en Svvefenk. Den buyk geopent zynde kan men zien de Lever, Maag, Darmen, en Blaas, ook de navels flagaderen, het zakxken, en roede, en dat alles in zyne natuur- lyke en eyge plaats, H h h h h N°. N°. XIX. Een doos als vooren , waar in bewaart worden vcrfcheydc ftukken van de bord, en dat van jonge geboren kinderen, onder dewelke men kan zien, (met de letter A getekenc) de uytfpruytzclen van de in wen* dige mam-takken, lopende door de tuftenribbige Ipatien, die haat ten ka- ften vereenigen met de tuflen-ribbige ftagaderen , dewelke haren corfprong hebben uit de ftronk van den groote flagader. Lett. B. Vertoontonseengedeeltevan de borft, wiens borftvlies [pleurd) ten deele van’t ondergelege cclluleus vlies , als mede van het ribbe vlies, afgefcheyden is. C. Een gedeelte van de borft, waaraan nog vaftzit, een ftuk van ’t middel-fchot, met twee gaten doorboort, tot paflage van de flok-darmen hol-ader: aan de zyde dezer twee gaten komen ons mede voor, een klee- ne gedeelte van de groote flagader. M°. XX. Een doos met verfcheyde gedeeltens vandenavelftreng, waar van fommige met, andere zonder knoopen zyn. Onder alle deze is ’er een getekent met N 1. Dewelke bezet is met een knoop van monftreufe groote; en zyn de knoopen niet anders als dwaal- kourflgn van de navelzaten , dewelke door haare verdikkinge , knoopen verbeelden. IX. ANATOMISCH CABINET N°. 11. Een gedeelte van de Navel-ftreng uyt een Kalf, beftaandeuyt twee aderen, en twee flagadcren ’c tegendeel in die der menleken waar in men maar ene ader en twee flagadcren ontmoet. Aan dit voorwerp zitte nog vaft twee navel-flag-adcren, en ook de blaas. N°. XXL Een doos als vooren , met twee nageboortens van tweelin- gen , welkers water-vlies (amnios_) van my in twee deden is gefpouwen, 5c welk fomtyds ook wel van de natuur voorkomt , in een levendig kint. Hier van daan komt het mogelyk , dat veele Ontleders g'ewaant hebben, en wel zelfs, die van de cerfte rang, dat ’er tuflen de Chorion , en Am- nium , nog een derde vliesgeplaaft was, ’cgeenefy het pis-vlies noemden. Deze twee moerkoeken heb ik van den anderen gefcheyden , ’t geen gemaklyk gefchied, wanneer ymand dezelve onvoorzigtigaangrypt, want ‘de voornaamfte vereeniging hebbenzedoor de gezeyde vliezen, en aankle- vende bloetvaatjens, en niet door mondelinge vereeniging, zo datze ligt wyken, gelyk twee byeenftaande grasplanten , wanneer die uit de aarde , gerukt werden. N°. XXII. Een rotzc gemaakt uyt ftukken van andere rotzen , witte ■coralen, en rode opgevuide flagadcren, dewelke daar door heen gevlog- ten zynde, roode coralen verbeelden. Deze Rotzc op een pedeftal van Cederhout geplaatft zynde , onthoud in deftclfs holte eengrootc criftallyne vies met vogt, en daar in wer<^ Van FREDERIK R U Y S C H vonden de lever van een Kint, door wiens opper-vlakte 20 veel bloetvaten gezien worden , dat de gehecle lever bezonder rood zig op doet. Boven op het Dekzel van dit glas, met zyde bekleet zynde, wert ge- vonden nog een tweede kleyn rotsje, waar uit voortkomen opgevulde flaga- deren, zo uit de lever als andere deelen, verbeeldende roode opdaandc korale takken. N°. XXIII. Een Pedefbal van Cederhout gemaakt j en daarop een rotsje met zeer veel opgevulde bloetvaten, in wiens midden uitgeholt zynde , geplaad is }t hart van een menfeh , met deszelfs afgefneden ftronken. Aanmerkt ten eerden, dat dit hart door het balfemcn hart gemaakt, en rood is geworden door de opgevulde bloetvaten. * Ten 2. Dat het hart zyne natuurlyke forme heeft behouden, uitgezon- dert dat beyde de oorkens te gelyk met de twee holligheden van ’t hart te zamen zyn vervult, ’t geene in een levendig menfeh nooyt gefchiet. Ten 3. Kanmen hier ook klaar zien, dat 7er uit hét regter oorken ee- nige aderen fpruyten; zoo dat niet al de bloetvaten voortkomen uit de kroon -ader, gelyk men voorheen gelooft heeft. 4. Op wat wyze des longe-flagader, 'in de long komt, na deszelfs verdeelinge, komt ons hier ook te voren. 5- De dronk van de grote flagader, met zyne drie opwaarts gaande tak- ken , als mede ten 6. Een gedeelte van den flok-darm , en longe-pyp, daande digt by de driegezeyde takken, die hier zeerwel te zien zyn. 7. Den op-en neergaande dronk van de hol-ader, met meermaals ge- zeyde doffe opgevulc zynde, kanmen haare continuatie, als in ftaat van leven zien als mede dat het regter oor, wegens des zelfs mymte, een groore ontfanger des bloets is, contrarie dat.van ’t linker oor, dat zeer kleen is 8. Hoe en op wat plaatfe, de ongepaarde ader Qvena Azygos) uit de dronk van de opgaande hol-ader voortkomt, zulkx kanmen hier ook zien, en van gelyken. Ten 9- He ware forme der ooren van het herte. N°i XXIV. Een vies met vogt, en daar in een naveldreng, met een kleen dukje van de nageboorte, aan wiens rand gehangen en vadgezeten heeft, een been yan een kint, ziet Tab. i* Fig. 2. Ik twyfele niet, Qf het zal zommige wonderlyk voorkomen, die'dit geval leze*l Namentlyk een zekeren vrouw gp de Hacrlemmerdyk wo- Hhhhh 2 nende. nende, veriode voorleden jaar van een fterk, gezont, en wel gemaakt kint, aan den rand van de moer-koek hing apart nog een kinrs been, ge- lyk den plaarfnyder bier ook afgebeelt hcefr, ziet de z Fig. van de Plaat, i. Daar en boven, ter plaatfc, daar de ftreng de moer-koek raakt, of zig vaftmaakt, daar had zig ook een gefwel ( atheroma) vaftgezet, gelykuit deze fig- blykt. Aanm: ook ten 2 \ dat dit been beftaat uyt een dybcen, voet, en drie toonen met zeer veel ver bezet, zender eenige fpieren. 3e. Dat de beenderen, geheel en al hol zyn, fiftuleus, van wezen zeer dun , en zonder eenige I’poncieus-beeidge fubftantie aan beyde de uit- eynden. My heugt, dat ik over 50 jaren, een fchaap geopent hebbe, uit wiens Fals een geheel been uitgegroeyt was, in wiens beens holte ik medegants geen fpondeus-bcenige fubftantie hebbe gevonden, ook gants geen fpie- ren, maar in deze hare plaatfe, was het been bezet met vet. N°. XXV. De maag van een jonge, met katoen opgevalt, en zo toe- bereyd, dat het’t leven zelfs verbeeldt. IX. anatomisch c a b i n e t De Tweede PLANK. N°, XXVI. Een Grafftede, of Tombe, gemaakt uyt ftukjens van Steen- rotfen, witte beenderkens van kinderen, en bloctvaten, roode koralen ver- beeldende , en als uit de fcheurcn van de Rots voortkomende. De deur of ingang van ’t Graft is het bovenfte van de herften panne van een kind , door wiens harden [panne vlies veele vervulde Bagaderkens loopen. Deflelfs inwendige oppervlakte is nqg met het harde harften vlies veree- nigt, waardoor heen ook veele opgevulde flagadcren loopen. En in deflelfs midden is de feyflen ( Falx )in haar natuurlyke ftaat, deflelfs flagader- kens niet uirgezondert zynde, dewelke daar door heen loopen. Uyt de gezeyde zeyflen komt ook voort een tegen natuurlyke uitipat van een rond en lang vliesken, als ware het een Zenuw. In dit voorwerp is de zcyzen-groef open gebleeven. In de grafftede leyt het geraamte van een onvoldrage kintje van ontrent 7 maanden dragts, en is het zeer net en curieus: in deflelfs regter handje heeft het ’t geraamte van een muys, ’twelk mede heel konftig en net toebereyd is, en fchyot met deflelfs voorfte pooten aan te gtypen eenige vliezen, waar door heen een hoop opgevulde bloctvaetea zeldzaam palieren 5 en is zulks van Van FREDERIK RUYSCH. van my aldus toegeftelt, op dat de voorwerpen, van wat geflagte die ook zouden mogen zyn , by my in bezighcyd zoude gevonden werden. Als mede ten eynde ik in een kleen bellek veele zaken by een zouden hebben. Boven op dfe Grafftede is gezet een hart van een kint, ’t welk gebal- zemt en verhard is toebereyd , wiens ft ronk van de groote flagader, zoo op, als nedergaande, niet alleen nog overig zyn, maar ook die van des Jongs ader, en flagader, ook van de op en nedergaande ftronk van de holle ader, en die van de ongepaarde zelfs niet verwaarlooft zynde. Tuffchen de rakken van de opgaande ftronk, leunt het geraamte van een onvoldrage Kintje, van ontrent 4 maanden dragts', en dat opdeflelfs armtje , houdende in zyn rechter handje, een kleen takje van de longs flagader, ’t welk opgevult, en zoo konftig is bereyd, dat men de zeer dunne takxkens daar van zien kan. Het hooft ten Hemel opwaarts gewend zynde, verheelt het Gods wondere werken re willen vertoonen. N°. XXVII. Een droog glas, met een gedeelte van ’t vel, van Mop- perde des hoofts, van een jong Kintje, het welke, wegens de opvullin- ge, zeer rood voorkomt: zoo dat men de ware plaats, en cours, van de voornaamfte en allerkleynfte takjens, als mede hare mondelinge vereenigin-* gen wederzyts zien kan, nam: flagaders met flagaders. Op de mond van deze vies is gezet een klein rotsken, doorvlogten met opgevulde bloetvaten, rode coraalen verbeeldende, en tuffchen deze we- derom, verfcheyde ftukken van ’t vel van ’c hooft van een menfeh, wel- kers oppervlakte van zeer veel heele kleene bloctvaatjes voorzien is, die haar als zeer fync mos vertoonen. De inwendige oppervlakte is nog met vet bezet, cn doorweven met duyzende van bloetvaatjens, die verfcheydent- lyk, en ook flangswys lopen. XXVIII. Een drooge criftallyne vies met een milt van een Kalf, waar in men klaarblykelyk zien kan, wat van zyne ader zy, nam; hoe de- zelve ,in -de milt komende aanftonds poreus, en doorgaat word, en een weynig verder geavanceert zynde in draden, en eyndeling gants vernie- tigt word: zoo dat in plaats van aders takken, alleen hollen groeve haar ■opdoem v Op deflelfs mond is mede een rotze gezet, in wiens holte onthouwen •word een ft uk van een Kalfs-milt, op dat het te klaarder zoude blyken, M'gcen hier te voore gezegt is, als mede wat ’erte houden is van demilts draden der Calveren, dewelke alleen maar dienen,' dsc de milt doorfler- ke aandrang van t flagaderlyke bloet haar niet zoude boven maten uit- zetten j het welk in den menfeh geen plaats en heeft, om dat deflelfs milt niet alleen eenflagader-maarook een gemeene ader heelt, dewelke deu Hhhhh 3 * . flaga- IX. ANATOMISCH CABINET fïagadei’ byblyft, tot het uyterHe van de milc, en dat met gelyke tre- den. Derhalven zyn die menfehen geabufeert, dewelke de mik der Cal veren, met die der menfehen gelyk Hellen, en de dwerlTe dradea , voor zenuwen houden. Niet minder dwalenze, dewelke de miit klieren toefchryven , als mede huyskcns of cellekcns, want zulks toone ik aan yder, die my komt bezoeken, gants onwaar tc zyn. Zoo dat, al wie van de milt ecm- ge reden wil voeren, en dcflelfs ware gqfteltheyd verhandelen, die en moet daar toe geenzints de milt van Calveren, maar van menfehen gebruyken. En hoe verkeerdelyk zy ook oordelen, van de al zoo gezeyde milts klie- ren, heb ik overvloedig voor heen aangewezen , en belove nog in toeko- mende, zoo het God belieft, van deze zaken een nieuwe afbeeldinge re to- nen, gelyk ik in dit 9?. Cabinet heb gedaen, ontrent de lever, nam:zon- .der eenige quetzinge des levers, zonder voorgaande kokingej zonder en ook met verhardinge, zonder wekinge in water, zonder te laten verrot- ten, en ook verre vaneeniggeweltdaaroptedoen. Als dan zal men my in k toekomende niet meer accufecren (ken minfte k zoude heel abfurd zyn ) van dat Ruyfch de klieren door het prerenfe ontvlezen, Q excarnando } vernietigt. Nu. XXIX. Een Pede Hal uit indiaans hout gemaakt, waar op gezet is eeo rots van wirtecoralen, vecle bloetvatcn , enz: Indeflelfs holte vmt men een vies en daar ia een kintje van ontrent 6 maanden dragts, k welk met een water hooft, of waterzugts hooft, geboren is. En dewyle het in een heldere vogt is gelegen, zoo komt dit gebrek zeer netjes voor. Tervvyl dit Kintje hier fchynt als van een WeH-Indics raar Slangetje aangegrepen re worden: zoo verheelt het als met eenige ontHeltenifle, en open monde k zelve van zig te weren. Boven op het dekfel van k glas is mede geplaaft een kleen rotsje, mee- rendeel gemaakt uyt ellendige zaken, die kmenfehen ligchaam gewoon zyn te beHormen, als Henen, Hukken van bedurven kaken, beenderkens, die op verfcheyde wyze bedurven, en van de natuur uitgeworpen en ge- fcheyden zyn. Onder deze Heenen komt ons eerH een voor van zonderlin- ge groote, van gedaante een moerbefie gclykende, en een ander, by na van dezelve grote met verfcheyde bulten bezet, van couleur bmyn, de der- de nog grooter, en wel elien van oppervlakte, maar een ftukje van dc bovenHe fchelle afgekrapt zynde, zoo komt ons een twede fchelle voor, dewelke vol van boltjens is voorzien, de 4 , hoewel kleender als alle de anderen, is egter de voorn aamfte, nam; een van die, waar van gewag ge~ maakt is in myne Anatomifchsen Chirurgifcheobfervatien. Zie daar van de eerfte plaat van myn Obferv. Anat, Chir. On- Van FREDERIK R U Y S CH. Ontrent de bovengemelde kaak, is ’t volgende aanmerkcns waardig. Een jonge en ligtvcerdige Dochter met Venus ziekte befinet zynde, wierd door een Chirurgyn gebragt tot een quylinge, door toedoen van raercu- riale middelen, en na dat doen, haar onderite kaak bedorven zynde, be- gon aan een zyde te wiggelen: weshalve» zymy, mynZoon, ènMeeftcr Fieter Verduyn by haar verzogt te komen: en als we bevonden een groot ftuk van de onder kaak, los zynde,te bewegen, zoo trok’er de voorzeyde Heelmcefter dat Huk uyt. Maar wat gebeurt ’er? eenige dagen daar na, konmen ook met ligtigheyd nog een grooter Huk bewegen, ’twelk onder- vonden zynde, zoo trok den HeelmeeHer ’t zelvemede uyt, en na zulks volbragc was , bevontmen dat het ’t bovenfte gedeelte van de onderHe kaak was, te gelyk met het kneukelwyze uytfteek (jprocejfus ccndyüformis ) des niet regenftaande, konde de lyderlTe, na de genefinge zeer wel kau- wen, en duydelyk fpreken, ja ook zoo wel, als of zy ontrent die deelen noyc ongemak hadde gehad. N°. XXX. Een dootshooft van een kint, wiens bekkeneel op verfchey- de plaatfen 'met een ftenige ft;ofFe bezet is. Aanmerkt ten eerften. Ik hadde het hooft geHoken in een vogt, om ’t zelve te bewaren 5 welke vogt te zarnen vermengt was uit verfcheyde vochten, namen tlyk van geeft van .wyn 9 vankoorn, lliyker, en ook Na eenige maanden bevond ik ’t hooft op verfcheyde plaatfen met een He- nige Hoife bezet te zyn, en zulks gaf my aanleydinge om ’t zelve te be- waren. * Het dékfel van ’t glas, waar in dit voorwerp bewaart word, is bezet ■met verfcheyde zaken, die gepetrdiceert zyn, als mede met Heen bezette zeetakken. N°* XXXI. Een droog glas, met het hooft van een Americaans'vier- voetig dier ’t welk van de Nederlantfche inwoonders, Quaft geheten is: en is het zelve wegens zyn wezens geftaltc, veerdige beweginge, en fno digheit, met een aap eenigzints overeen komende, gelyk ik heb bevon- den , wanneer het t’mynenhuyze leefde. N°- XXXII. Een jong gehore kinfje van een Moorinne van ontrent 7 maanden dragts in een vocht bewaart. N°. XXXIII. Ecn gias mec vocht, en daar in een kints arm, wiens handje een Huk van de nageboorte aangrypt, en is dezelve cierlyk gepre- pareert. N°* XXXI /. Een Kants nier in een vogt, deftelfs oppervlakte is oneften, en gebult, gelyk ze meeH altoos voorkomen, contrarie in een vol wade menfeh. Op deflelfs opperHe is nog gezeten de by-nicr op de wyze van IX. ANATOMISCH CABINE 'T een Aker in ddfelfs doppe, en niet gelyk verfcheyde Auteuren hebben doen afbeelden, nam: aan de zyde van de meren, N°* XXXV. ’t Vel van ’c Hooft eenes Kints, als een calotmutsjetoc- bereyd, waar door heen ontelbaar veel flagaderen loopen, ’t welke met de dikwils verhaalde ftoffe vervult zynde, komt ons dat vel heel rood voor. N°. XXXVI. Het dunne herfïen-vlies van een menfch, in de vogt be- waard, ’t welk curieus tocbereyd, en zeer rood is. En kan men hier nu zien hoe dun het is, want zonder dat de bloetvaten opgevult waren, heeft het ons voorheen bedrogen, namentlyk, nadien do bloetvaten, na het affterven, meeft altoos ledig zyn, zooift, datze van couleur mee’t gc- zeyde vlies overeenkomende , tot des vlies dikte ’t hare Tekenen toe te brengen } daar het in tegendeel van wezen zeer fyn en dun is. N°. XXXVII. Een (luk van het oppervelletje van de bal des voets van een menfch, in vogt bewaart, uvt wiens inwendige oppervlakte ontel- bare nablyffels van de vel-tepeltjens uitpuylen, dewelke het oppervelletje voortbrengen , door haar uytbreydinge , gelyk ik voorheen ook hebbe vermeit. N°. XXXVIII. Een ftuk van de moerkoek, ’t welk zoo curieus toe- bereyd is, datmen klaarlyk zien kan, .dat ’er niets klierigs in een welge- melde moerkoek is te vinden , nog ook dat de uyterEe uiteynden dezer vaten voor omwindingen der vaten te houden zyn, maar ter contrarie, voor zappigc,Tn weeke uiteynden, gelyk als in de milt, fchorfle der her- Tenen , en andere delen. N°. XXXIX. Een droog glas, met het geraamt van ecu kken Afri- caans Parkitje. N°. XL. Een Pedeftal, uyt Indiaans hout, waar op gezet is een Rots, in wiens holte gevonden word een groote tak van des longs flag-ader, wor- dende onthouden in een glas met vogt: en dewyl dezelve opgevult is, kan . men derzelver uyteynden zeer wel zien. Daar en boven is ’er nog aan vaft een gedeelte van de long, het welke in ontelbare lobbekens verdeelt is, ten eynde ik dc partydige menTchen benemen mogte het vermoeden, of het wei een ware tak van een longs flagader is, N°. XLI. Het ey van een hoen, in de vogt bewaart} wiens gedaante of figure een kruypende Bange verbeeldt. N°. XLII. Een gedeelte van het dunne herflen-vlies in een vogt, wiens oppervlakte bezet is met verfcheyde kleene deelrjens, dewelke eenige ge- houden hebben voor kliertjens, maar dewylze van verfcheyde forme of gedaan- Van FREDERIK RUY S C H. gedaante zyn, en haar als vet vertonen; zoo heb ik ze liever willen hou- den voor vecte uitpuylentheeden; te meer om dat ik in de verdubbeling van het dunne herftcn-vlies eenige reyze vet gevonden hebbe H°. XLIII. Een Fe (Heul van een menfeh , mee ftudie van my ten dele ontwerd, om de fynheyd dezer vaten te zien , en in ’t geene niet ontwert kanmen nu ook zien de worm-wyze voortkruypeade cours derzelver. Op de Derde PLAN K. N°. XLIV. Het bovenfte deel van het dybeen van een hinkende oude Vrouw, in de vogt bewaard. Na dat deze lyderze van over veele jaren haar dy-been had gebroken, en eyndeling was komen te derven , zoo hebben wy haar doode lighaam geopend, en bevonden, dat den gehelen hals van ’tgezeyde been ontbrak, en dat het hooft van ’t been wéder vaft gegroeyt was opeen legereplaatze van ’t zelve, waarom ik befloot , dit gebrek in vogt te bewaren, ten eynde niemand zoude twyfelen aan de waarheyd van dit geval, ver- ders, zie wat ik over diergelyke gevallen gcfchreven, en ook heb laten afbeelden in myne voorgaande VIII. Cabinet* XLV. Het herte van een jong gehore kintje, hart gemaakt, en ge- zet op een ftuk van een rotze, waar in de waregroote, en forme van bey- de des harts ooren kunnen werden gezien. N°. XL VI. Een glas met vogt en daar in een groot gedeelte van het dunne herftenvlies van een menfeh, wiens flagaderen geheel en al vervult zynde, ’t zelve ons zeer rood voorkomt. N°. XLV 11. Een ftuk van den nugteren darm op een Pedeftaltje gezet, waar in met alleen alle de latwyze verheventheden, ot oogluykende klap- vliezen,maar ook zelfs haare flagaderen vervult zynde, ons voor ogen komen: als mede het celluleuftge geftel van den gezeyden darm, en deflelfs fcheyl. N°. XL VIII. De Hiftorie die hier volgt, is zoo zeer ongemeen, datze het verftand van een menfeh by na overtreft : ook zal niet ligt ymand zyn zegel daar aan willen hangen, ten ware hy het zelfs met zyne oogen gezien, of volgende getuygemfle gelezen had: ja ik zegge, met den zeer beroemden Profeflbr Bartholinus, in zyn tractaat wegens de ongewo- ne wegen van haringen, dat de onkundige der Medicynfche Hiftorien, zullen menen, dat ik nieuwe beuzelen bier verbale, daar het onder- tuffehen waar is, ’tgeen ik hier ter neder ftel. Namentlyk, een zekere oude Vrouw, wonende, op de WefterSchel- -11111 ling, IX. ANATOMISCH CABINET ling, en nu nog in ’tleven (zoo ik meen) heeft in haar 78e. Jaar, voor- lede jaar, een kleen vier-voetig diertje ten monde uitgebraakt, ’twelk na een hontje fweemt, of gelykt, in ’t welke klaar te zien zyn, het hooft, de mond, tong, pooten, ftaart, en iets, ’tgeen na een Navel-ftrengetje gelykt. Dit diertje is my gefchonken, te gelyk met het beursje, ’t welk dik is van fubftantie, rond, en plat, als een vyge, waar in het in plaatze van een nageboorte heeft gelegen. Na dit gefchenk, heb ik verzogt van den gever, dat hy wilde onder- zoeken wat van de waarheyd van dit geval was, en dat uit de gene, die daar ontrent waren geweeft, als deze oude Vrouw ’t zelve ten monde uit- wierp. Hier op heb ik den zender deze ondervraginge overgezonden. Ten eerften, de naam van de lydtfter. 2. Haar Ouderdom, 3. De plaats, daar het voorgevallen was. 4. Haar manier van leeven. 5. Wie daar prefent was geweeft, als het uitgebraakt wierd. 6. Wat ongemak zy voor, en na, dit uitbraken, geleden had. 7. In wat vogt zy het bewaart hadden. 8. Of het nu in grote vermindert was. 9. En ten laatften, of dit bekleetfel, ’twelk een waaragtig en dik beursken verheelt, geopent is geworden, in ’t uitbraken, dan of men het met een mes of fchaar open gedaan heeft. het Antwoord, ï. Haar naam is Grietje Willems, Huys-vrouw van Adriaan Leeuw, Visvcrkoper. 2. Out agf-en-zeventig Jaaren. 3. Woonagtig op de Wefter-Schelling. 4. Eer ze het quyt raakte, was haar etensluft niet groot, en in het uitbraken ZOO benauwt, datze aanftonts meende te fterven, zoo dat 5. Jacomynrje Alberts, haar dogters dogter, haarmoey en andere bu- ren voort moeit gaan roepen. 6. Zy hadden het in een Vmmeft gefmeten} en daar weder uitgeno- men zynde, in brandewyn geleyt en ten kaften hebben zy ’er olyf oly by- gevoegt, om (zoo zy meenden) ’t zelve beter te bewaren, waar doorbet wat is verklynt, A T» Van FREDERIK RUYSCH. attestatie. fVy ondergefibreven getuigen , dit alles vevjiaan te hebben uit de mond van de Lyderffe, van haar man, en andere vrouwen , die daar by of om- trent zyn ge wee ft. ADRIAAN BYMAN Bedienaar des Goddelyken IVoords. ADRIAAN KLEIN Subftituyt Bailjuw. Zoo nu ondertuflchen ymand aan deze zaak geen geloof wilde geven , die kan by haar gaan, dewylfe (zoo ik meen ) noch in ’t leven is * ik kan aan deze zaak niet twyfelen , nadien de bedriegers, die de menfchen willen dupeeren, zulks merendeels doen om daar door te profiteeren: maar deze oude vrouw heefr ’er niet met alle voor gehad , alzo het my vry* willig is aangeboden. Ontrent dit baaren of uytwerpen door de mond, agte ik aanmerkens waardig te zyn , namentlyk dat dit gefeide diertje met volmaakte leden voorzien zynde, niet gelegen heeft in de vliefen Chorion en Amnios, maar m tegendeel, in een dik en plat beurflie, waar aan het vaft had gefeten metyets, ’c geen na een Navelftrengetje geleek. Ziet de Fig. van de plaat. Hoewel ik hier, U. L. een ruym veld fchyn geopend te hebben, zoo is egter myn voornemen niet om my daar in lang op te houden, want ik zoude een laft op de fchouderen haaien, die ik onmagtig was te dragen; derhalven wil ik dit liever overgeeven aan de Philofophen , dewelke meer ervaaren zyn in ’t doorzoeken van geheymen. Daarenboven zoude ik ook buyten myn bedek gaan, nadien ik maar voorgenoomen heb, die zaaken te befchryven , dewelke in dit negende Ca- binet gevonden werden 5 daarom moet ik beknopt zyn in ’t aanhaaien van de Auteuren dewelke gefchreeven hebben van de wonderlyke haring, die door demonden fondament zyn voorgevallen. Ziet de Ephimer: van ’t eerfte jaar in de 108 Oblerv. en de diflert. van den Heer Jacobus Stangius. enz. Ik zal derhalven in de verdere befehryvinge van die Cabinet voort- gaan; alleen maar dit voorftel vóórhoudende, namentlyk, of het voor onmoogelyk moet werden gehouden , dat dit gezeyde Beursje met ’t 1 i i i i z geen IX. ANATOMISCH CABINE T geen het in zig onthoud, een pap-gefwel Atheroma) geweeft zoude zyn ? Om dat het bekent is, dat 'er in verfcheyde deden van ’s menfehen lighaam diergelyke gezwellen gevonden werden: ja in myn Cabinetten werden ook verfcheide zaaken gevonden, die daar voor opkomen, als een reye men- fehen tanden in de ballekens of eyer ftokken der vrouwen, hoofthayren , ook gemeene hayren, en andere zaaken meer van my gevonden. N°. XLIX. Een pedeftal van Indiaans hout , waar op gezet is een kleyn ftukje van de Lever van een menfeh, waar in een nieuwe verfchy- ning te voore komt, waar van ik een weinig verder gekomen zynde, breeder zal verhandelen. N°. L. Een pedeftal van ’t zelve hout, waar op gezet is een Armtje van een onvoldrage vrugtje gebalfemt en hard gemaakt, in wiens vuyft onthouden werd een bondelke menfche hayr, ’t welke op verfcheide plaat- fe met een fteenftoffe omvangen werd , op die wyze als de verfteende heefterkens. Dit gezeyde bundelke is van een bedaagde Juftr. door de water-wegen geloft, te gelyk met een etterige ftofte* zoude die niet wel geweeft zyn een Pap-gefwel, in een ulceratie verandert ? ziede l.Fig. vande 2ae Plaat. Omtrent het buygen van de Elleboog werd mede gevonden een bundel menfehen Hayr, ’c welk ik gevonden heb, na hetaffterven vaneen Vrouw in een Pap-gefwel; ’t welk gezeten was in ’t Net, en is van my befchre- ven in myne Anatomifche en Chirurgicale Obfervatien. Aan de zyden van dit pedeftal vertoond zig ook een hoope hair van een jonge Dogtet) ’t welk van zig zelf in haar fchoot quam af te vallen , een dwerfte vinger breed van het hoofd, en dat is aanraerkings waardig van. de gantfche omtrek des hoofds, even als of men dezelve met een fchaar in een ogenblik te gelyk hadde afgefneeden 5 zy verhaalde ons, dat zulks haar nu voor de felle reys was overgekomen. Daar is aan de waarheid niet re twyfelen van dit geval, nadien de ly- derfte een vroom en eerlyk leven geleyd heeft, wiens Vader ook een eer- lyk en deugtryk man is, en nu nog in ’t leven zynde, tot Haarlem prac- tifcert als Med: Doctor, met haarae Butler. Ik agte °°k wonderlyk te zyn, dat in deze maagt, dewelke nu in den Here is ontilapen, zulks de zesde reyze ’t hayr op de gefeyde wyzc in haar fchoot vallende, ook nog was vervallen in een ander ongewoon on- gemak, namentlyk aan de regter zyde van de voorhand kreegze een ligt gezwel met een onlydelyke pyn, ’t welk haar noodzaakte tot Amfterdam te komen, om geholpen te werden, men deede rny, nevens de welerva- rene Meefters Chirurgyns Pieter Adriaanfz. Verduyn en deflelfs Scho°n- zoon Gomarus van Bortel roepen, "VVy Wy vonden geraadzaam , dewyl de pyn niets luifterde na verzagten* de en pynftillende Remedien, ’t zelve re openen, ’t welk gedaan zynde, vonden wy ’t vervult met ronde , korlige harde en witte lighaamt- jens, in grote van kleene fpeldeknoppen, dewelke zoo valt gehegt waa- ren aan de Peezen der Spieren , dat men dezelve daar bezwaarlik van kon- de aftrekken: de pyne verders niet wykende , zyn de verzagtende fto- vinge wederom aangewent, dog al mede te vergeefs, weshalven wy het quaal tegen gingen met een gloejend yfer, dog al mede te vergeefs en zon- der eenige verligting. Naa eenige wecken wierd de linkerhand met dat zelve qnaad aangedaan, en ten laaften met zeer zwaare pynen beladen zyndc, is zy in den Heere ontflapen. JsJo. LI. Een vies met vogt en daar in een arm van een jong kint, ’t welk ons levendig voorkomt 5 in defielfs handje heeft het een moot van een doorgefnede Tefticul of bal , van een Menfch , dewelke byfter groot en in kraakbeen verandert is. Aanmerkt. De lyder was van boven neder gevallen , en had daar door gekregen een fwaare kneuzing aan zyn regter bal , waar door de aangewen- de remedicn geen hulp toebrengende, her als een kinder hoofd groot en hard was geworden, en den lyder niet zonder groot ongemak en pyne de weg konde betreden, derhalven by gedwongen wierd om met de zeer wel Ervarene Heelmeefter van Bortel daar over te confuleeren , dewelke my daar nevens heeft doen roepen, en dewyl de lyder onmagtig was geworden om zyn beroep waar te nemen, hebben wy hem geraden tot het wegne- men van de I eftieul, 't welk ook kloekmoedig en wel tiitgevoert is ge- worden door de gezeyde Heelmeefter , de lyder had het in ’t eerft redelyk wel, maar na heen in een Koorts vervallende, kreeg hy het zeer quaad, en verviel in een onvolmaakte [_Spasmus] klem in de mond , ’t geen meer- malen gebeurt na ’t wegnemen van de zodanige Tefticulen: nogransnaar het gebruik van verfcheide middelen, is de lyder ten laaften herfteld gewor- den , e*l *eefr nog in een goede gezontheyd. Aannierkt verders, dat deze Tefticul, naar het wegnemen drie en een half pond woeg, en ’t geen aanmerkens waardig is, alle de zaadvaatjens waar uit den Tefticul by na geheel en al bellaar, waaren in een gevloek en kraakbeenig geworden. Dit geheel voorwerp heb ik tot moot en gefneden, waar van ik ’er eeni- ge bewaar, de binnenfte moot was van Diameter zeven duymen. Zie de 1. Fig. van de 3de Plaat. Aan de zyde van deze moot, dewelke hier in de vies onthouden wert liiii 3 • vind van FREDERIK R ü Y S C H. vind men ook een ft uk van de Lyfmoeder van een Vrouw, wiens inwen- dige oppervlakte bedorven, en m een ander wezen verandert zynde, be- zet is met veele heuvelrjens , die in groote met zwarte Peper overeen- komen. i N°. LIL Een ftuk van ’t agter Breyn van een menfch, aan wiens op- pervlakte van onderen haar vertoonen de mindere verdeelingen van de bchorffe in een ontelbaar getal van kleene deeltjens, gelyk ik voorheen heb doen afbeelden in myne antwoord op de brieven, die my voorge- lleld zyn. Daarenboven, ziet men ook op wat wyze , dat dit Agterbreyn door- gefneden zynde zig als takken van boomen vertoont. N°. LUI. Een droog glas, waar in bewaard werden de flag-aderen, die door de Herflene, en dunne herflen vlies verfpreyd, en met een rood waftlge ftoiFe vervult zyn, dewelke van wezen zoo fyn zyn als ofze Wa. tervaten waaren, ’t welk mogelyk en ligtelyk andere bedroogen heeft, waanende dat zoodanige Vaten door de Herflene verfpreyt waren, de- welke ik nogtans nooyt heb gevonden, nog gezien, datze van andere ge- toont zyn geworden; weshalven ik dezelve onder den uytvaart der ge- waande kliertjens der fchorftige fubftantie van de Herftene, ftelle. Ondertuften moeft men de oorzaak van deze tederheyd onderzoeken, en waarom de flag-aderen die door de Herftene, en door het dunne Herf- fen-vlies loopen, zo dun van fubftantie zyn ; want indien zy alleen ftrek- ken om het flag-aderlyke bloed na de Herftene te voeren, waar toe dan die dunne tederheyd ? Ik meyne, (onder verbetering) dat al ’t geene de Aufteuren gefufti- neert hebben, gemaakt te moeten werden in haar voorgewende Klieren van de fchorftige fubftantie van de Herflene, ’t zelve voibragt te werden in de uyteyndens der flagaderkens: en nadien de animaale geeften zeer fubtiele lighaamtjes zyn, gelyk als brandewyn, die zoo dikmaals overgehaalt is, dat ’er zoo ymand dezelve van een hooge plaats al draypende zoude willen uytgietea , geen een druppelke van op de aarde zou komen , maar onder wege weg vliegen : zoo ook deze dier! yke geeften, dewylze niet minder fubtiel zyn, als de gezeyde dikwils overgehaalde geeft van Brande- wyn , hebben moogelyk ook zoodanig een werktuyg van nooden, ’t welk zoo fubtiel is, als wel deze flagaderkens zyn, dewelke opgevult naaulyks aangeraakt konnen werden zonder te breken, het welk in andere deelen onzes lighaams geen plaats heeft. Al wie met my gezien heeft, het groote verfchil, dat ’er is, tuffchen de bloedvaten der ingewanden , ten opzichte van haar fubftantie, cours en. IX. ANATOMISCH cabinet en ftru&uur, die zal ligtelyk met my van gevoelen zyn, zulks niet vrug" teloos van de natuur (wiens werkmeefter God is) al zoo zonder oorzaak gefchikt te zyn! Eertyds heb ik de figuur van de Nier doen afbeelden , en uytgegeven, waarin ik vertoont heb , de cours des Niers-flag-aderen i maar die der Nier-aderen 3 konde ik niet doen verbeelden, want als ik de Slag-aderen opvulde, zoo liepen de Aderen ook vol, en wierden alzoo door een ver- wert wegens haare mondelinge vereenmgen. Maar nu ben ik gedwongen een andere weg in te Haan, en hebbe haar Aderen vervult j en dat zoo konflig , dat men niet min de alleruyterfie takjes der Aderen kan zien met vergrootglazen, die zoofyn zyn als dons, ja fynder als het geweef van een fpinne. Edog wat een groot onderfcheyt wegens de cours der flagaderen en ge- meene aderen in de Nieren! als ik zulks voor de eerfte reyze zag, was ik als verftelt, en al wie het van my ziet vertoonen , zyn daar over gecon- fterneert geweeft. Indien God Almagtig my ’t leven nog wat zal believen te fpaaren, zoo heb ik voorgenomen de waare geftalte der Nieren wereldkundig te ma- ken , dewelke waarlyk geheel anders is, als ik van andere tot nog toe heb zien verbeelden. N°. LIV Een vies met vogt waar in onthouden werd een gedeelte van de Herflene van een menfch, alwaar haar vertoonen de Reuk- zenuwen , de dronken van de Slaap flag-aderen, het dunne HeriTen-vlies vervult van flag-aderkens, als mede de afgefnedene Hals-flag-aderen en haar vereeninge met de Slaap-flag-aderen, en de gezigt-zenuwen, en Ach- ter-breyn. Op dat nu dit voorwerp van haare plaatze niet zoude afwy- ken, heb ik een tak van een Orangie-boom daar tegens aangezet. Boven op het dekzel van ?t glas werd gevonden een kleen Rotsje uyt fchulpen , en vervulde Bloedvaten gemaakt, in plaats van roode Coraal takken. van FREDERIK RUYSCH. N°. LV. Een Menfche Milt, met hagelwyze verheventheden bezet, dewelke de Autheuren voorheen meénden, dat het Kücrtjens waren , daar het ondertuflchen niet anders zyn als heuveltjens, dewelke Kliertjens ver- beelden , en voortkomen wegens verftopping van de uiteynden der vaten. Boven op het dekzel, vind men ook een kleen Rotsje, in wiens mid- den hol zynde, gevonden werd een glas met vogt, en daar in eenftukvan de Milt van een Menfch, en nadien deflelfs vlies afgencmen is, zoo doet zig niet anders op , a]s Bloed-vaten, dewelke de Milt maken, N°. LVL Een pedefial uyt Indiaanfch hout* waar op gezet is een glas A N A T OMIS C H C A B I N E T glas met vogt, waar in gezien werd het Hoofd van een kind, ’t welk een levendig hoofdje verbeeldt, deszelfs voorlippen , als mede het viyterde Tong , zyn rood van couleur, en het verbeeld, de ogen toegedooceo zynde, het hoofdje van een (lapend kind; cn het vel nergens gerimpelt of met kuykjens bezet zynde , geeft voor de oogen een aangenaam gezigt. Het hovende van ’t Bekkeneel afgenoomen zynde, kan men de Reuk- zenuwen zien, met deffelfs bekleerzel van ’t dunne HerlTenvlies, en de opgevulde bloedvaatjens, die daar door heen loopen. De Chorionfche ader-viechtinge komt hier ook in ’t gefigt onder de overgeblevene Slag-aderen van de Herflene. Het harde Herflen-vlies komt ons hier voor van couleur, als witte zyde. Het ondervellig vet heeft ook zyne natuurlyke couleur behouden. Op ’t dekfel van ’tglas, is nog een ander glas gezet, en dat in ’t mid- den van een kleen Rotske, ’t welk verciert is van alle kanten met opge- vulde Slag-aderen: en in dit glas kan men zien een gedeelte vandeHerf* fene van een Menfch,. wiens fchorffe zeer rood is, wegens het opvul- len der Bloed-vaatjens met een roodwafllge (toffe. N®- LVIL Een groot (tuk van de Naa-geboorte van een menfch, t’fa- mengedeld alleen uyt Bloedvaten, dewelke haar geel vertoonen, wegens de (toffe die ik daar toe gebruykt heb. Deze haare fappige uyteynden kan men hier zeer duydelyk zien. N°. LVIIL Een droog glas, en daar in ’t Geraamte van een onvol- draage Kindje , van omtrent zes maanden dragts , in wiens opgeheve handje gehouden werd een opgefnede Galblaas van een menfch, in wiens binnende gezien werden verfcheyde celluleufe vliezen, daar zwartagtige fleentjens inleggen, dewelke hy , ’t hooft opwaarts gewent zynde, fchynt te willen bezien. No. LIX. De Lever van een Jonge, dewelke zoo kondig roebereyd en gevult is, dat alle de uyterde uyteynden der Bloed-vaatjens ons in ’t gehgt komen. Hoewel van over lange tyd my bekend is geweeft, de Lever, alleen uyt Bloed-vaten te bedaan, en niet uyt Klieren, gelyk ik befchreeven heb, en ook doen afbeelden j maar dit heb ik voorgchouden in een ontdaane of ontbondene Lever, wiens omvangend vlies afgenomen in een vogt bewaard werd. En nadien in dat toebereyden , de Bloed-vaten van haare natuurly- ke cours en plaats afweken, zoo ben ik te raade geworden, een andere weg Van FREDERIK R U Y S C H. weg in te flaan j derhalven heb ik dcflelfs vaten vervult, en de geheelc Lever, op een byzondere en konftige balfamarie hard gemaakt, en nadat doen, dit geheel voorwerp voorgehouden, ’t om vangend vlies zelfs niet afgenomen zynde, en zoo komen ons de uyterfte zappige uyteynden, zeer klaar in ’t gezigt, in de gedaante van rondagtige fterwyze lighaamtjes, en met geen byzonder vlies omvangen: deze uyteynden werden van Mal- pichius zeskantïge korreltjes, geheten, en de gantfche Lever houd hy vooreen fzamengejlelde Klier; daar men in tegendeel bevind, dat het geen byzondere deeltjens zyn, die op haar zelve beftaan , en ook met geen byzonder vlies begaafc zyn, zonder ’t welk de voornaamfte Ontle- ders niet gewilt hebben, eenig deel met de naam van Klieren te betekenen, of te noemen. Voor zoo veel de geheele Lever een zagt deel is, ’t welk op zig zelfs beftaat, en met een byzonder vlies omvangen is, zoo is ’t niet ongerymt, dezelve de naam te geven van een Klier 5 maar ik zegge, dat dezelve niet uyt Klieren beftaat, en zoo ymand het tegendeel wil flaande houden, hy toone zulks zoo klaar, gelyk ik doe, ’t geen ik zegge. Deze zaak kan men by appelen en peeren niet qualyk vergelyken, wel- kers fteeltje uyt veele holle draaden beftaat, dewelke verders gekomen Zynde, zagter en zagter werden, en zoo ineen mergagtige fubftantic veranderen, waarin het zap gehuysveft is, even zoo ook in een menfehe Lever, alwaar het fereufe gedeelte van ’t Bloed mede is gezeten inde zappige uyteynden van de Bloed-vaten, waar van ik iets overeenkomftig vertoone, in deze myne toebereyding ; want na het vervullen van alle de uyteynden der Vaten, kan men zien, dat de waflige ftofte in de gedaan- te van een dauw of rook eenen uytgang neeme uyt de alleruyterfte zap- pfge uyteynden, cn men kan zulks zeer klaar zien in dit bovengemelde voorwerp, voornamentlyk als men het komt voor te houden in een hel- der ligt, en dat door toedoen van vergrootglazen. Ziet de JU Fig. van de I. Plaat. Al wie dit ten myne huyze hebben gezien, zullen zeer ligt de gepre- tendeerde wezentlykheyt der Klieren van binnen in de Lever verwerpen, cn met my houden, dat zulks niet anders is, als een continuatie der Bloed- vaten , dewelke veranderen in zappige rontagtige en als fterwyze bun- delkens. Wy bemerken ook in de Blomkool, dat de fteelen ten laatften uytgaan of eyndigen in bloemen, dewelke niet anders zyn als uytfpruytzels van de fteel, dewelke geenzints op haar zelve beftaan, of van de fteel gefchey- den, maar waariyk continueel met de fteel zyn. Kkkkk Ik 802 IX. ANATOMISCH CABINET Ik hebbe hier vooren gezegt, dat de roodwafllge ftofFe (gelyk het bloed in een levend lighaam) uyt het uyterfte der vaten, in deze myne opvul- ling in gedaante van een dauw uytgaat, maar ziet dat niet aan W. L. als of zulks een gebrekkelyke opvulling was j want als dan zoude die ftofFe niet uytgaan in de gedaante van een dauw, maar in t’zamen geloo- pene ronde bollen. Wanneer my dit verfchynzel voor de eerfte reyze in ’t gezigte quarn, berfte ik als met ontfteltheyd uyt, Goede God, hoe wonderlyk is uw doen, ’t geen gy my hier openbaar maakt, zelfs in ’t allerkleenfte van uwe werken! en om de waarheyd te zeggen, ’t is geen kleene zaake nu te doen zien ’t geene zoo lang voor onze oogen verborgen is gebleven, namentlyk de gantfche Lever van een Menfch, omvangen met zyn eygen vlies, zonder te kooken (gelyk de Ontleders plachten te doen, om de ge- pretendeerde wezentlykheyd der Klieren te beveiligen) en zonder onnut' te ontdoening (gelyk ik nog van andere zie doen) ook zonder eenig ge- weld daar aan te doen , re laten zien, de uyterfte uyteynden van de Bloed- vaten van de Lever, in haare natuurlyke plaats en geftalrc. Deze wonderbaare toebereydinge zal voormy inftaan, tegens detegens- ftrevers, dewelke gezegt hebben, Ruyfch vernietigt de Leverklieren in het ontdoen des Levers. Op dit glas doet zig noch een tweede vies op, voorzien met verfchey- de ftukken van de Lever van een Menfch. In deze gezeyde Lever, die ik zoo hard, door ’t balzemen, als hout gemaakt heb, en dezelve door een zeer fcherp mesje in mooten of ftuk- ken gefneden heb, ftaat aan te merken, dat deze mooten van ter zyde be- zien zynde de zappige uyteynden haar immers alzoo wel opdoen, als de- boomtjens-wyze verbceldzelen in zekere fteenen, die met een zaag in pla- ten verdeelt zyn: dit experiment heb ik niet alleen menigmaal in de le- ver gedaan, maar ook zelfs in de milt, en Nieren, in dewelke de gezey- de zappige uyteynden haar niet duyfterder opdocn : O wat onderfcheyd komt ons niet te vooren in die verfchynzelen! Om nu voort te gaan , zal ik ’t zeyl intrekken, en my begeven tot de volgende voorwerpen,. die mede zeer konftig zyn roebereyd, na- mentlyk: No» LX. T wee nieren van een jonge als in ’t leven verbeeld de eene aan een hayrtje afhangende in een vogt, ende welke op zyn bovenfte ge- deelte noch heeft zitten de bynier (Ren Jiiccenturiatus) even als een aker in zyn dopje , ’t welke de Autheuren geheel anders verbeeld heb- ben. N°. LXL Van FR.EDER.IK RUYSCH. No. LXI. Een droog glas, en daar in een kalverMilt, wiens zappige uyreyndcn weg gedaan zyn, en dat door deffelfs ader en groeven, welke groeven daar zyn in plaats van adertakken, maar zulks heeft geen plaats in de menfch, en ’t geen hier aan te merken (laat, het vlies dat de Milt omvangt is nergens gequeft. * Op ’t dekzel van ’t glas werd gevonden een andere Milt van een kalf , op dezelve wyze toebereyd, uyrgezondert dat het vlies, ’t welk de Milt omvangt, weg gedaan is, ten eynde men de dwers handige ftutzels beter zoude konnen zien. Deze dwers handige ftutzels moet men voor geen Zenuwen aanzien, ’t welk de Auteuren, en wel die, dewelke niet zyn van de geringften, ge- daan hebben. ,N°. LXII. Een zeer groote Pedeftal uyt indiaans hout, voorzien met 17 fleften, waar in onthouden werden, ’t geene tot de maag en darmen behoord, onder deze is de xe. let. A. getekend , waar in onthouden werd een zeer groote maag van een Reufinne: op deffelfs dekzel ziet men een groote Zee-oor, en daar in is gelegen de maag van een jong geboore kind, dewelke omzet is met zeer veel flag-aderen die opgevuld zyn, en ons gelyk als roode coraal takken voorkomen. Let. B. Een glas en daar in een ftuk van de colyk-darm van dezelve Reufinne, *c welk zoo wyt is, dat men ’er een kind van zeven maanden dragts in zoude konnen verbergen. Op het dekzel ftaat ook een groote Zee-oor, en daar in verfcheydc ftukken van t gedarmte, namentlyk van de nugteren darm met deffelfs latten, of oogluykende klapvliezen van Kerkring, een ftuk van de bog- tige darm met deffelfs vervulde bloedvaten, als mede een ftuk vandebog- tige darm, met een gedeelte van ’t darmfcheyl, ’t welk vol met water- blaasjes zit, ook een gedeelte van ’t gedarmte van een hond, ’t welk iets byzonders heeft, ten opzigte van de Bloetvaten, alle deze zaken worden droog geconfervecrt. Let. C. Een vies met vogt, en daar in een infchieting van de Bogtige darm van een menfch. Let. D. Den ftuk van de maag wiens wonderbaare t’zanienftel van ’t ruyge vlies hier kan gezien werden, en zyn deffelfs vaten niet vervuld. Let. E. Een gedeelte van een mcnfche darm, ’t welk bezet is met een hoope kleyne lighaamtjens, die men klieren noemt. Let. h. De mont van de maag van een jong kindje, dewelke geopent is, op dat de langwerpige rimpelen van binnen konden gezien werden, en zyn deze rood wegens het opvullen der vaten. Kkkkk 3 Let. IX. ANATOMISCH CABINET Let. G. Een ftuk van de Nugtere darm, waar in niet alleen de latten of oogluykende klap-vliezen, maar ook zelfs de zenuw tepeltjens gezien werden. Let. H. Een droog glas, en daar in een ftuk van de darm eeneskinds, waar in het cclluleufe vlies met een roodwafllge ftofte opgevult is , daar en boven vertoonen haar ook in ’t zelvige voorwerp de zenuw-tepeltjens en dat in een droog voorwerp. Let. I. Het ruyge-vlies van een menfche darm, ’t welk gefcheyden is van ’t zenuw-agtige, zoo dat ’er niet aan te twyfeleü is, dat het een waaragtig vlies is, en geen flymerige fubftantie, gelyk de ontleders ge- wilt hebben; deze is om dezelve reden rood van couleur. Let. K. Een ftuk van de colyk darm, omtrent de rechten darm afge- fncden zynde, waar in verfcheyde verfweeringen te zien zyn, dewelke voortgekomen zyn uyt een voorgaande roode-loop. Let. L. Een omgekeert ftuk van de bogtige darm, waar in verfcheyde alzoo genaamde eenzaam ftaande klieren gevonden werden. Let* M. Een droog glas waar in gevonden werd een ftuk van een honsdarm , waar in haar een groot gedeelte van klierige lighaamtjens opdoen. Let. N. Een vies met vogt, en daar in een ftuk van de Nugteren darm eenes kinds waar door henen een groot getal bloedvaten palieren. Let. O. Een droog glas in zig onthoudende een ftuk van ’t darm- fcheyl , waar door veele klieren loopen ; deze beftaan uyt va- ten , dewelke een wonderbaare cours houdende, klaar gezien konnen werden. Let. P. Een ftuk van een menfche Maag, wiens vaten opgevult zyn- de , die wonderbaare gefteltheyd van ’t binnenfte vlies in ’t gezigt komt. Let. Een ftuk van de Colykdarm uyt een kind, langs welker in- wendig vlies veel kleyae kuylrjens haar laten zien, dewelke een fpelde hoofd groot zyn, dezelve werden van de Auteuren klieren geheeten. Let. R. De Blinde-darm van een kind, geheel verfchillende van die van een oud of bedaagt menfch N°. LXIIL Een Pedeftal uyt Ooftindifch hout toebereyd, en daarop een rots, in wiens midden gevonden werd het Hertc van een menfch, door het balfenien hard gemaakt, waar in eenige zaaken voorkomen, die ik meene aanmerkens waardig te zyn. Ten ie. Uyt de fubftantie van t Hert komen verfcheyde Adertjcns te voorfchyn, die haar in ’c regter oor ontlaften, zoo dat al het wederke“ rend bloed van ’t Herte niet werd gevoerd na de Kroonader, Auteuren voorgeven. Ten Van FREDERIK R U Y S C H. Ten 2C. Dc Slok-darm of fpysleyder, die ten deele gebleeven is aan dit voorwerp, die ioopc niet perpendiculaar nederwaarts, maar als ge- kromc , ’t welk zomtyds in een levendig menfch kan gebeuren door ftuypen, en hier door weder een benaude doorzwellinge van dc fpyze. Ten 3e. Dat Longe-pyps Slag-ader {Arter: Broiichialis) in dit voorwerp voorkomt boven het uytkomen van de tulTchen ribbige Slag- aderen , kan men hier duydeiyk zien. Ten Nadien alle de Bloedvaten van dit Herte opgevalt zyn, zoo kan men haare natuurlyke cours veel duydelyker zien, ais wel in een vers voorwerp. Ten se.5e. Beyde de hart Ooren opgevalt zynde, kan men haare waare figuur zien, dewelke veel verfcheelt van de figuuren, die van de Auteu- ren zyn voorgehouden. Dc Vierde P L A N K. N°. LXIV. Een drooge vies, en daar in het geraamte van een Mos, ’t welk zeer net en wit is. N°. LXV. Het geraamte van een Voorn. N°. LXVI. Twee tongen van kinderen in vogt, waar van de hoven- de dat byzonder heeft, dat door deflelfs midden een opgevulde flag-ader loopt: daarenboven werden in deze beyde de Tong-tepels gezien, dewel- ke door deflelfs oppervlakte verfprcyd zyn. N°. LX VII. Een ftuk van de Hals-ader uyt een paard* N 3. LXVIII. Een gedeelte van het voorhoofds been en neufe , waar in het kraakbeenige tuflchcnfcheytzel van de neus niet alleen bedekt is met het dikke en uiterlyke bekleetzel, die men het fnotterige vlies noemt, maar ook met een dunder, en daar onder ge lege vlies (Epkhondrïon)\ welk in de neus met de nagels of andere oorzaken afgefchrapt zynde, befwaarlyk met een nieuw bedekt werdt. N°. LXIX. Een ftuk van de bogtige darm, wiens bloed-vaten zoo zeer zyn opgevulc, dat het geheele voorwerp zeer rood is. N°. LXX. Een Pedeftal, en daar op het herte en long van een kind. Aanm: het Herte heeft zyne natuurlyke plaatze behouden, als mede deflelfs groots, hoewel het door het ballemen hard gemaakt is* Het regter Oor met een roodwafllge ftoffc opgevult zynde , heeft Kkkkk 3 def- IX. ANATOMISCH CABINET deflHfs natuurlyke groote en forme behouden, \ welk ook te verftaan is van de op-en nederwaarts gaande dronk van de Hol-ader. Dat ’er ook in een natuurlyke ftaat maar drie dronken uyc de groo- te Slag-ader voortkomen , dewelke opwaarts gaan, blykc hier ook klaarlyk. Dewyl de Longe met die zelve dode vervult is, verbecltze hier ook de natuurlyke groote, in die ouderdom en dat in het inhalen des adems. Hier nevens verdeelt zjg de regter zyde of Lobbe in drie, en de linker zyde in twee deden, en zulks werd meed altoos zo bevonden inde Long der menfehen. Het hovende en uytdekend vat is de Longe pyp, die ook zyn plaats behouden heeft in die toebereyding. N°. LXXI. Een geheele Moerkoek gefpannen op een duk kurk, deze haare vaaten zyn vervult, namentlyk de twee Eagaderen des drengs, cn die van de Moerkoek met een witte , en van de Ader met een roode dode. No. LXXII. Een pededal als boven, en daarop een vies met VOgt, waar in een gedeelte van de Rugge-graat, in twee deden gedeelt, om een gedeelte van de Paarde daart te konnen zien in het eene duk, en het Ruggemerg in het andere en, dit alles als in een levendige daat. N°. LXXill. Het onderde gedeelte van’r Voor en Agter breyn over dwers gefneden, en door het balftmen hard gemaakt, met de gezigt en Reuk-Zenuwen als mede de Trechter &c. Hoewel deze alle haar natuurlyke groote by na behouden hebben, zoo is ’t egter, datze haar natuurlyke couleur verlooren hebben. No. LXXIV. Een vies bewaarende in een vogt, het opperde ge- deelte van ’t Dye-been van een cude vrouw, dewelke van over veele Jaa- ien was vervallen in een Dye-becns breuke. En nadien my niet alleen na haar dood gelegentheyd is gegeven om ’c lighaam te beichouwen, maar ook aan de Hr. Dr. Ger. Sermes zeer waar- de opziender van ’c Collegie der Doctoren, en aan de welgeoedende Heel- meefter Jacob Bord, hebben wy bevonden, niet alleen den hals geheel en al te ontbreeken, maar ook dat de natuur in plaatfe van den hals, ver- fcheyde harde, dikke, rond en lange banden gefubditueert had , door welkers toedoen het hooft van ’c Dye-been weder vad gegroeyt was aan ’t opperde van ’t Dye-been, ondertudchen is het te verwonderen, dat de gezeyde banden voortkomen uyt beyde de inwendige gequefte deden, Van FREDERIK RUYSCH deelen, maar niet uyt de uitwendige oppervlaktens van dezelve* Ziet dc 1. Fig. van de ie. Taf. Deze gezeyde banden zyn zoo dik en fterk , dat de lyderfteeenigc Jaa- ren over de ftraat (hoewel mank) heeft konnen gaan. En nadien ik zulks voorheen nog gezien, gehoord, of gelezen heb, dogt het my goed, dit ongemak in een vogt te bewaaren, ten eynde nie- mand aan de waarheid van deeze zaak konde twyfelen. N°. LXXV. Twee Kalfs harten , dewelke van de Hr. Steno, (die een zeer uytftekend Ontleder is ge weeft} tot een teken van vrindfehap voor my zyn toebereyd; en zyn deftelfs beweegdraaden in deze zeer klaar te zien, en dat aanmerkelyk is , dit zyn de twee laafte voorwerpen, die hy voor zyn dood uytgevoert heeft, zoo dat ik die ook tot zyner gedach- tenifle zal bewaaren. De Vyfde PLANK. No. LXXVI. Een ftuk van de Nugtercn darm van een menfeh, uyt wiens binnenfte oppervlakte de Zenuw tepelrjens uytpuylen, waar van in toekomende breeder te handelen myn voornemen is. N°. LXXVII. Een gedeelte van de Longe-pyp, dewelke gedroogt zynde, haar takjens uitgefpannen zyn, en aan een dezer hangt nog een opgeblaaze en gedroogt lobbeke. N°. LXXVIII. Een vies met vogt in zig onthoudende een ftuk van de Galvoerder des Levers, wiens inwendig Vlies bezet is met een fteeni- ge ftofte, en dat uyt een Os. N°. LXXIX. Een vies met vogt , en daar in een takje van de Longs Siag-ader, wiens uyteynden zeer wel te zien zyn, wegens de opvulling. N°. LXXX* Een droog glas, en daar in drie fteenen uyt de Galblaas van een menfeh, die zoo ligt zyn, darze op ’t water dry ven, en deze zyn ook driehoekig. N°. LXXXI. Len droog glas met een ftuk van de regte darm uyt een menfeh, waar in ronde lighaamrjens (dewelke van andere Khertjens, en van my uyteynden der Bloedvaatjens zyn geheten) buyten de inwendige oppervlakte uytpuylen} en haar als kuyltjens opdeden voor datfe gepra*- pareert en gebalfemc waren, en nu te voorfchyn komen als kleyne heu- veltjens. Hier uyt blykt het, hoe noodig het is, dat men de deelen des lighaams wel IX.' A NATOMISCH, C A B I N E T wel en op verfcheyde wyze moet toeberyden, om de waare gefteltheyd in ’e gezigt te brengen. Door de uyreynde dezer Slagaderkens werd de wey-achrige vogt in dc~ holte van het gedarmte ontlaft, tot derzelver bevogtmge, het welkblykt in ’c vervullen van de Slag-ader van ’c Darmfchyl, want als men haar tak- jcns vervult met een waffige ftoffe , zoo is 7t, dat door deeze zoo ge- naamds Kliertjens, de gezeyds ftoffe alzincs loopt in de holte van ’c gedarmte, en zoo het deeltjens waren, die op haar zelve befton- den, en met een byzonder vlies omvangen waren, zoude zodanige ftoffe nauwlyks zoo hgt in de holte van *t gedarmte overgaan. Daar en boven komen ons in dit ftuk van ’c Gedarmte zo groot een ge- tal van fweet gaatjens iii ’c gezigt dat men nauwlyks de punt van een naald daar ruffehen zoude konnen zetten, zonder dezelve te maken; ftaac ondertuffehen te aanmerken, dat ik, om ze klaar te zien, myn oog met een vergroot glas moet wapenen en dat wegens haar kleynte, maar die heldere oogca hebben, die behoeven zulk een hulpmiddel niet, om zc te zien. No. LXXXII. Een Knie van een kind op een ftuk van een rotz, waarin te zien is de waare verfpreyding van de Bloedvaten in ’t Vel van een menfeh, dewelke geheel verfchik van die, dewelke de Lever, Milt, Nieren en andere deden maken. N°. LXXXIII Een ftuk van de Lever van een waterzugtig menfeh ’t welk t’eenemaal in dikke blaaskens verandert is, zoo dat alle de vaten , en ook haar uyteyndcn de natuur van waterblaazen aangenomen hebben. Ziet een ander gedeelte daar van afgebeeld in ’t eerfte Cabinet. NLXXXIV. Een ftuk van de Slag-ader van een Kalfs Milt, en die opgevulc. N°. LXXXV. Een Bal vaneen Menfeh, wiens eigen vlies afgeno- men zynde, men ds waare cours der vaarjens zien kan , dewelke het be- gin van ’t zaad maken. N°. LXXKVI Len vies met vocht, cn daar in de Long van een on- voldrage vrugt van een menfeh, en nadien dezelve op de grond van ’t glas gevonden werd, is ’c een zeker bewys dat het kind in s’moeders lighaam gekorven is. N°. LXXXVIL hen volle vies met vogt, en daar in een ftuk van een menfche Long, wiens bloedvaten ontelbaar en vervult zyn: en nadien de Blaaskens van de Long niet zyn gevult, kan men de cours der va- ten zeer wel zien. N°. LXXXVIII. Een glas met vogt, en daar in een gedeelte van v ' ' dc van FREDERIK R U Y S C H. de Tefticul van een Menfch, dewelke niet alleen uytgerafelt of ontwon* den is, maar ook door konft ontledigt van deflelfs nog onvolmaakte zaad, om daar door te konnen zien die byzondere en waare dunte dezer vaat- jens, dewelke by na zoo dun en fyn zyn, als een Spinnewebbe. Ziet de 3e. Fig. van de 3e. Plaat. N°* LXXXIX. Een Nier van een jonge, waar in te zien is de waa- re cours der bloedvaten, dewelke niet overeenkomt met d« figuur van de Hr. Vieujfens , namentlyk met alle die boogen (’t welk in een menfch geen plaats heeft) maar gelyk dezelve waarlyk haar loop* hebben. N°, XC. Een fles met vogt, en daar in een groot ftuk van de Long van een menfch, waar door heen een gedeelte van de Slag-aderen loopt, en dat in haar natuurlyke plaats en cours. XCI. Een ftuk van de Borft van een jong geboore Kindje door het balfemen verhard. N°. XCIL Een doosje met twee groote fteenen, dewelke de zeer welgeoefende Amfterdamfche Heelmeefter en Steenfnyder Gommarus van Bortel, gehaald heeft uyt een Vrouw van 68 Jaaren, en dat door’tfny- den , op de wyzc gelyk zy gewoon zyn te doen in de mannelyke fekte. Deze operatie heeft hy gedaan in ’t byzyn van my, nevens de Overluy- den van ’t Chirurgyns Gilde, en dat 200 ras en vaardig, dat iknooyt ge- lukkiger operatie in ’t fteenfnyden gezien hebbe : en dat aan te merken ftaat, tot nu toe heeft de lyderffe geen de minfte toeval gehad. Ziet de 1. en 2. Fig. van de 5. tafel. Een zoodanige operatie heeft hy voor eenige wecken ook gedaan in een jonge Dogter, en dat mede zeer gelukkig. Ziet de Fig. dezes fteens op de zelfde plaat Fig. 111. In Vrankryk voeren de fteen-fnyders heeden ten dage deze operatie ook zoo uyt in de Vrouwlyke Sexe, namentlyk door het fnyden gelyk in de mannelyke Sexe. De wyze van dit doen heeft den welgeoefende Mr. Chirurgyn ÏÏionis ook befchreven. h Ik heb deze operatie voorheen zien doen, van eene, die in die kon- fte zoo wel niet geverfeert was, en dat met een zeer ongelukkig fucccs, hy deede zulks door een fneede te geven in de Scheede des Lyf- moeders. Ondertuffchen meen ik beft te zyn, dat men dit werk verrigt door het verwydcren van de Water-canaal, en bequaame tangen, wanneer de ftee- nen kleyn zyn, en groot zynde door het fnyden, gelyk men doet in de mannen, en dat om het lek gaan te vermyden. LI 111 No.XCIII. IX. ANA T O MISCH CABINET N°. XCIIi. Een onvoldraage Groenlandfche Zee Eenhoorn, in dc vogt. Zie de 5% Fig* van de yê; Plaat. De volgende zaaken , Hangen aan ’t binnenfte van de deur van ’t Cabi- net, namentlyk: N°. Een zeker vlies, wiens flag-aderen met quikzilver zyn vervuld. * : N in deflelfs vuyftje onthoud het een bundel haayr met een fteenige ftoffe bezet, gglyk als in de hoorn- agtige Zee heefters. A. Een gedeelte van den Arm. B. Het Haayr. C. Haayr, V welk ik in een Raf-gefwel heb gevende, D. Haayr, rt welk van V Hoofd als in een ogenblik afgevallen is, als of het met een Schaar afgefneden was. De Tweede FIGUUR. Een vies met vogt en daar in een viervoetig diertje, een hondje gcly- - kende, ’c welk door de mond uitgebraakt is, A. yt Hayrtje waar aan het hier of hangt. B. lets, 9t geen na een Naveljlrengetje gelykt. C. f)e twee agterjle footjens. D. Het Staartie. E. Het Schouder blaadje van een esyde ten deele oniblood, wegens het ge- durig handelen van de Menfchen. F. *De voorfte footjens. G. Het Hoofd, H. 91 Of ge ff er de Mondje, waar in zeer klaar gezien word het tonge- tie y ’t welk hier niet klaar genoeg vertoont werd. I. Het Beursje waar in het gezeten heeft, ’t welk hier gezien werd van die zyde of offervlakte daar het diertje uitgeborjien is. K. Het Rotfie in wiens holte het vlejjie is gezeten♦ De Derde FIGUUR. Vertoont ons het beursje van agteren. De DERDE P L AA T. De Eerfte FIGUUR. Verbeeld ons in een fles met vogt den arm van een Toner geboorc Kindje, Tab-H. 3Veen£. nh Jsijsu/m. beu If 17 13 Tab.IIT. CVeerd. daf.joB. Van FREDERIK RUYSCH. 813 Kindje 3 ’t welk in zyn handje onthoud een moot van een monftreufe menfche Zaad-bal in kraakbeen verandert zynde $ en nadien ik de- zelve in mooten heb verdeelt, zoo komt ons hier een van de kleynftc te vooren. A. Het bovenfte des arms, met een doekje omvangen en gebonden. B. He vingeren van V handje. C. He moot van de Zaad-bal. D. Een gedeelte van de Lyfmoeder van een Vrouw, wiens inwendige oppervlakte voor V grootjie gedeelte verandert is in ronde heuvel- tiens of gezwelletjens. De Tweede FIGUUR. Verbeeld ons een ftuk van ’t Vel van de voet van een Menfch, ’t welk zo zeer verrykt is van bloedvaten, dat men met de punt van een naald daar in niet zoude konnen fteken zonder quetzing der vaten 5 maar zulks heeft de plaatfnyder niet volkomentlyk konnen afbeelden. A. Het Vel. B. He Vaten, voornamentlyk de Slag-aderen, welkers cours geheel en al verfchilt van die ge ene, die de Milt y ISLieren s Lever, Moer- koek y &c. uytmaken. De Derde FIGUUR. Vertoont ons een ontrafelde menfche Tefticul, wiens Zaad-vaatjens van haar zaadige ftoffe door konft ontleedigt zyn, en dat volbragt zynde 3 komen zy ons voor zoo fyn, als dons. A. Het Witte of eigen vlies. B. He Vaatjensy die 't zaad ten rouwe maken. De VIERDE PLAAT. De Eerfte FIGUUR. Verbeeld de Lever van een Jongeling. A. A. A. He Subftantie des Levers, noch omvangen van zyn eygen vlies. B. B. B. He mergige of pappige uyteynden der vaten , dewelke zoo veel in getale zyn , dat de plaatfnyder dezelve qualyk alle heeft L 111 l 3 konnen IX. ANATOMISCH CABINET. konnen verbeelden y en als hy dat al gedaan had zoude de gantfche Figuur zeer Jwart zyn geworden. C* ‘De afge/nede ft ronk van de Hol-ader♦ D. Die van de ‘Poort-ader* E. De Galblaas, zoo zeer verrykt van vaten, dutter geen naaide punt kan tuffchen geftooken werden. F. De Navelband met deftfelfs Slagh-aderen opgevult. G. De derde bant des Levers, waar door de Lever in zyn plaats ge- houden wert. De Tweede FIGUUR. Verdeeld een gedeelte van ’t Vliesje dat de Lever omvangt, onder ’t welke dè fappige uyteynden der bloedvaten haar opdoen , zoo als die door vergroot glazen te zien zyn* De Derde FIGUUR. Noch een gedeelte als gezegt is met zoo een vergroot glas gezien, waar door de gezeyde uyteynden wat nader komen aan haarc natuur- lyke groote. De VYFDE. PLAAT De Eerfte en Tweede FIGUUR. Verbeelden ons twee fteenen uyt een Vrouw van dB Jaar gehaalt, en dat door het fnyden als men in de mannen doet. De Derde FIGUUR. De voorfte gedaante van een fteen op die zelve wyze uytgehaalt van een Vryfter. De Vierde FIGUUR. DdTelfs gedaante van agteren De Vyfde FIGUUR Een onvoldrage Groenlantfch Zee-Eenhooratje. Üblv: «TVèercï. jTaf.ioj). Het groote en Koninglykc C A B I N E T, Zynde het Tiende der ANATOMISCHE C ABINETTEN V A N ÏREDERIK RUYSCH. Profejfor van de Anatomie en Kruid-kunde, Lid van de Keizerlyke Academie der Natuur Ontdekkeren, als ook van de Koninglyke Engelfche Sociëteit, In ’t welk de voornaamfte deelen des menfchen Lighaams zeer cierlyk zyn geprepareert en geconfervcert. aan alle oeffenaren DER GeNEESKONST EN WySGEERTE, Wenscht FREDRIK RUYSCH VEEL HeYL. HA dat de TVeergaloze Andreas Vefalius door V uytgeven van zyn onver ge lykelyk werk over V maak zs l van ’s menfchen lichaam aan de geneeskundige waerelt verjchenen was , heb- ben de befte kenners dezer konft geoordeelt, dat de Ontleet- kunde nu ten eenemaal voltooyt , en niets van belang overig wrwm w / J O ö was om te ontdekken, daar de nakomeling ft haf eenige lof mede konde behalen. Maar men heeft bevonden, dat de zaak geheel anders beftondt y Z,o ras als de zeer nauwkeurige Ontleeder Bart hol: Eufhachius zyne vin- dingen bekent maakte, en de grootfte onder de Ontleder en Gabriel Fallo- pius zyne aanmerkingen of 't werk van Vefalius uytgaf. 'Dewyl Ve- filius zelfs, waarlyk met een groote ofenhartigheyt , ofentlyk in zyn antwoort of de aantekeningen van Fallopius erkende , dat men vele en zeer fraye zaken aan 't vernuft van Fallopius, eertyts zyn leerling en nu zyn tegenftrever , verft huldigt was. . In V vervolg toonden julius Caflerius, en Cafparus Afellius, dat'er na deze brave vinder en nog hoof overig was gebleven, om vele fraye en nuttige zaken te ontdekken ; waar van tot een klaarblykelyk voorbeelt ver [trekken konde G. Harvxus , die na zo vee te beroemde ontdekkingen door een onvermoeyde naarftigheydt die dingen heeft uytgevonden 3 wel- ke zy tdle niet geweten hadden , en welkers nuttigheydt in de genees- kunde zo groot wasy als van alles;5 dat alle de andere met malkander en ontdekt en nytgewerkt hadden. ... - Schoon dit doorhigtig Britfche Cieraat veel licht toegebragt heeft, ech- ter heeft zulks niet belet, dat Pecquetus, Bartholinus, Lowerus, Wil- lifius, GraafßuSj Swammerdamrnius, Malpichius , Nuckius , Du Ver- 'Hier door aangemoedigf zynde, heb ik altydt geoorde elt 3 dat ik volvent M mm m m ö de Aan alle de Oeffenaren der Geneeskonft èn Wysgeerte, de Wet van Hippocrates eens anders werken wel roemen, maar zodanig, dat ik ze navorfchen > bekragtigen, en zo V dt geUgentheydt gaf , verbe- teren y en voltoqyen rnoeft. Waarom ik over vyftig Jaren het gevoelen van de Bils, in dien t-ydt de vermaartfte van alle Ontlederèn zynde 5 alleen ondernam te onderzoe- ken, en met proefftukken te wederleggen : ik maakte waereltkundig de ontdekking der Klapvliezen in de water-en melkvaat] es yen van de longepyps- Jlagader. Nu heb ik opentlyk, en met 'er daat ,en met woorden ver- klaart y dat ik de konfi uytgevonden hebbe y waar door ik de fynfte bloet- vaten, derzelver eyndens y en haar beloop kan vervolgen, o?itdekken en vertonen. Van dien tydt af heb ik vervolgens tot dezen hogen ouderdom toe, dagen en nagten bef eet, om met alle moeite een kennis van dat maakzel te verkrygen, waar mede Godt ons f zamengeftelt heeft. V Heeft den Schepper behaagt, dezen onvermoeiden arbeit met zo veel geluk te be- kronen , dat ik eyndelyk door verfcheide konften alle hinderpalen over- wonne , en met myne oogen tot in de binnenfte fchuylhoeken der natuur doorgedrongen hebbe: szo dat my eindelyk na zo veele pogingen en her- haalden arbeit, het ware maakzel der kleinfte deeltjes klaar gebleken is. Zo gaauw als ik deze kon ft ge leert hebbe y heb ik by deeerfe gelegent- heit enige proeven daar van aan fraye liefhebbers laten zien * waar door veele befcheide oordeelaren zich niet gefchaamt hebben haar vorige gevoelen af te leggen , verbetereny en een gehele nieuwe gedaante te erkennen. Nadien myne hooggaande ouderdom niet toelaat op een langer leven te hopen, hebbe ik nu voorgenomen de proeven van alle myne ontdekkingen te verzamelen, en dezelve tot een lichaam te fchikken, op dat het met recht kan genaamt worden, De Sny kamer van Ruyfch. In de toejiel- ling daar van heb ik de gemene weg van een enkel gefchrift niet willen gebruyken, maar ik hebbe de werktuygen zelfs vaidt lichaam, zoals ik Ze door myne kon ft verkregen hebbe , en welkers befchouwing my soelfi de kennis toegebragt heeft , voorgeftelt. er hah en dit werk van ’t boven ft e begonnen zynde y heb ik V volbragt tot in de verbor- genfte vertrekken der ingewanden y zonder een uyt de middelfte deelen tujfchén deze uyt erft ens over te Jlaan: Zo dat'er van een vezel, vlies, vat, klier, ingewanty kraakbeen , been, nagel, haayr , eyndelyk van yder deeltje een naakte gedaante, en ware beeltenis van ’t hooft tot de voeten toe, alhier te voorfchyn komt. 3a ik zal hier ook nog een doodt menfehelyk lichaamtje byvoeg™* jzynde (door een konfi 3 die my alleen eygen isy zodanig toebereit3 dat de glans en bevalligheit niet alleen het leven verbeelden, maar zelfs over- treffen : want de couleur, vleezigheit 3 gejlalte 3 en buigzaamheit der ledematen, die in een doodt menfch weggaan, worden hier te gelyk be- waart . en eenigermaten zodanig verbetert 3 dat het den aanfchouwer tot zich lokt en verluftigt. Niemant zou deze zaakgeloven, tenware hy zulks met zyn eyge oogen be/chouwde. Of dat dit werk met van een korten dimrzaamheit wezen zou 3 hebbe ik alles door myne balfemkonfl zodanig toebereit , dat de delen niet al- leen vyftig jaren y maar zelfs eeuwen onbedurven konnen blyven, ’t welk dit werk grotelyks aanfryft. c£)aar en boven heb ik myn beft gedaan 5 om V affchuwelyk gezicht der ontlede en afgefnede delen met welgefajie der zelen zodanig te verbeteren 3 dat het de ogen niet mishagen , nog enige fchnk en walging veroorzaken zal. Eyndelyk is yder by zon der deel met getallen hefchreven 3 de welke overeenkomen met een naamlyfl aangaande deze delen gemaakt, waarin op deze getallen , die yder deel aanwyzen , een klaar en naauwkeurig verhaal gevonden wort. 7'Jerhalven zal een ygelyk, deze verzameling befchouwende , uyt de naamlyf De Ruyfchiaanfche Ondeetkunde konnen leren y bevryt van alle wal flylen arbeydt 5 morzige handeling , of vuyle fank. Al wie van deze fchat bezitter zal wezen 3 hy zal die konnen ge- bruyken, of om zich met de befchouwmg van V maakzel des menfchely- ken lichaams te vermaken 3 en of die manier zich zelfs te leren 3 ofte om in een Hogefchool 3 alwaar de Jeugt in de TVysgeerte en Geneeskonfi onderwezen wort 3 de ware f zamenfieHing der deelen te vertonen ; al- dus behoeft men niet of enkele woorden 3 of gif[ing 3 maar of zyn ogen te vertrouwen. Wenfcht FREDRIK RUYSCH veel Heyl. JVaar om ook zelfs Koningen ,Pr ineen. 3 en Bezorgers van gemene beffen , of Hogefchoolen deze verzameling verkregen hebbende 3 hare Hogefiholen daar mede zoude konnen begiftigen 3 zullende eeuwen lang duren , z>o dat het een Cieraat is, en te gelyk een dtiurzaamenzeernut• tig werktuyg om te onderwyzen. Terwyl ik nog in [eVen ben , zet ik dit werk, V welk ik zelfs vol* tooyt hebbe, nu te koof 3 of dat ik voor myn doot verzekert ben3 dat *er een volkome gedachtenis van myne vindingen in wezen is : want na myn doot zou zulks niet licht gefcbieden. Dit Cabinet zal in myn hnys te zien zyn voor die genen 3 dewelke zekere bewyzen hebben 3 dat ze kof er s van V geheel konnen en willen zyn. Mmmmm 2 ‘ o* Aan alle de Oefenaren der Geneeskonft en Wysgeerte. Op dat de Koper niet vreze, dat deze bery dingen zullen bederven, zal iky als hy ze gekogt heeft \ en na dat we over de prys eens zyn ge- worden , hem de konft van bewaren bekent maken , die ik gebruyke , en grotelyks ver/chilt van die van anderen: want datmyne verfchilt, leert de vergelyking van de berydingen ; die by wy gevonden worden, met die , welke andere vertonen. ik zal hem insgelyks de manier aanwyzen, waar mede ik het bewarende vogt, daar de ploffen mede gévalt worden, be~ ryde , en, als de noot vereyfcht, zulks wederom op ge go ten wort ; maar om dit voor te komen, zal ik de flefen zodanig opvullen, en dïgt Jluyten, dat ze velejaren geen toedoemng benodigt zullen hebben. Terwyl ik ondervonden heb , dat de verfcheyde bereyde delen wan V menfehen lichaam, ook verfchey de vogt en vereyfehen, waar in ze be- waart worden yof dat ze ander zint s haar glans verliezen, zal ik den Koper dit geheym ,en meer andere , onder vertrouwen van ftilzwy- gentheydt y openbaren. Indien dan Trincen , Hogefchoolen , Maatfthappyen , of byzondere luyden in deze fraye zaken zin hebben, zy zullen kannen bekomen al- les , yt gene door een byzondere konft, en een arbeydt van byna zeftig jaren gewerkt , nergens ter waerelt te zien 3of aan geen eeuw be- kent is. hbt 821 HE T TIENDE ANATOMISCH C A B I N E T. De eerftc groote PLANK. jsfo. i. TpJ En Fedeftal van Ooft-Indifch hour gemaakt , waar op zes r. kleendere Pedeftalletjens ftaan, waar van het Eerfte met de Letter A. getekenf, voorzien is met een bondelke haayr. anderhalve vinger lang. Dit bondelke is van my gevonden in een Pap-gefwel (.Atheroma) van een overledene Waterzugtige Vrouw, en dat in’t Net: deze haayrtjens door een vergrootglas gezien zynde, werden bevonden plar te zyn. Het tweede Letter B. is voorzien met haayrtjens, die van zflfs, en in een ogenblik , van’t hoofd zyn afgevallen, als of zy met een fchaar afgefneden waren. Ziet deze Hiftorie in ’t IX. Cabinet befchreven. Het derde Letter C. Haayren uyt de bovenfte lip van een Walrus: dat deze Wortels hol zyn, kan men hier zien, eveneens als in de vede- ren der Vogels. Het vierde Letter D. Een bondelke haair van een viervoetig dier, met naame {lchneumon') of Pharaoos Muys , die zi'g in de wilderniffe van ALgypte onthoud, waar van deAutheuren zeer veele zeldzaamheden ver- haalen. Ziet hier verders over na Jac. IVernerus. Het vyfde Letter E. Een kleen gedeelte van een Poolfche Meervlecht Q.Tltca ‘Tolonica} waar van Sennertus en andere gefchreven hebben. Het zesde Letter F. Een bondelke bonte Borftels uyt de rug van een Weft-Indifch Varken. Aanm- de Inwoonders van America verhaalen, dat de Navel van dit beeft op de rug geplaaft 'IS : maar nadien ik ’er nog geen jong geworpen van gezien heb , kan ik daarom niet met zekerheyd daar van zeggen 5 edog eens heb ik een oude onder myn handen gehad, in wiens buyk geen Mmmmm 3 de 822 X. ANATOMISCH CABINET de miofte teken van een Navel gevonden wierd 5 maar in de rug quam een verheventheyd voor, of dit nu de waare Navel, of iets diergelyks was j durf ik met zeggen. Dit heb ik egter ondervonden , wanneer ik het vel had geopent, zo deeden haar zeer veel fibren of draden op , dewelke van dat heuveltje voortkomende, haar door ’c vet en fpieren van den rug verfpreyden : of nu deze vaten zyn geweeft, om de Vrugt re voeden , en naderhand ver- droegen, twyfele ik , nogtans zulks niet ontkennende , om dat ik in ’t eerfte Cabinet der dieren befchreve en afgetekent hebbe een viervoetig dier, rnet de naam van viervoetig dier, een JPadde gelykende , uyt wiens rug de jongetjens voortkomen, en dat uyt kleene celletjens, met haar Navel- llrengetjens, geen gemeenfehap met de holte van de buyk hebbende. Ziet het bovengezeyde Cabmet. Daarenboven word ’er in myn Cabinet bewaard ’t gehcele vel van een Americaans Varken, op wiens rug ook een heuvel gevonden word, zon- der de minde verheventheyt onder aan den buyk, en zulks geeft myaanley- ding cm te geloven , dat die dieren haren Navel op de rug dragen. No. 11. Een Pedeftal, als ’t voorgaande , met zeven kleender ronde pcdedalletjens voorzien. Op het eerde Letter A. getekent, is geftelt een viesje met vogt, ia zig onthoudende een gedeelte van de huyd van een menfeh, waar van het oppervelleke en net-wyze lighaam, van befchreven, af- hangen. Aanm; Het buytenfte van ’t vel afhangende, en witfte gedeelte ,is het Oppervelleke j maar het inwendige , dat ligt geel is, werd het Net- wyze lighaam genaamt: maar nadien het Net-wyze lighaam geelagtig is, en daar en tegen de huyd zeer rood , wegens de opvullinge der bloedva- ten, zoo blykt het zekerlyk, dat door het Net-wyze lighaam geen bloed- vaten loopen, alhoewel zeker Profeflbr dezelve heeft laten afmaaien. Op het tweede Letter B. Een viesje, als het voorgaande toebereyd,in zich onthoudende een gedeelte van het Oppervelleke van een jong geboore kindje, uyt wiens binnenfte oppervlakte de overblyfzels van de huyd- tepeltjens puylen. Op het derde Letter C. Een viesje, als ’t voorgaande, en daar in een gedeelte van de opperhuyd van een zeker Mansperzoon, die behebt was met een horribele Leproosheyd, in wiens oppervlakte veel beter konnen gezien werden de overblyfzels van de tepeltjens van de huyd. Op het vierde Letter D. Een gedeelte van de huyd van een ’s Men fchen Hoofd, ’t welk zoo vol van opgevuide bloedvaatjens voorzien is, dat Van F RE DE RIK RUYSCH. men geen punt vaneen fpeld kan zetten zonder quetzing derzelver, en haar cours is zeer verfchillende van die der ingewanden. Op het vyfde Letter E. Een gedeelte des huyds van de Bal van een Menfche Voet, wiens uyterfte uyteynde der bloedvaten zoo net vervilc zyn, dat niemand het zelve kan zien , als met de grootfte verwondering der Werken des Allerhoogften. Op het zesde Letter F. Het oppervelleke van de Bal van de Voet, waar in niet alleenlyk de parallele linien, maar ook deszeifs afgebrookene nablyfzels van de Vel-tepeltjens gezien werden , en dat met vergroot- glazen. Op het zevende Letter G. Een verdikt oppervelleke en Net-wys lig- haam van de Bal van de Voet, dat in verfcheyde mooten verdeelt is. N«, UI. Een vies met vogt, en daar in een Pap-gezwel Qjltheroma') het welk gevonden is tuflehen de Spieren van de hals van een Os. Aanmerkt ten eerften, Dat dit gezeyde gezwel beftaande is uyt een by- zondere, en van my nooyt voorgekomene zelfftandigheyd, namentlyk ’r zel- ve is geel, week , blinkend , gelyk als ’t vet van vers gekookt Offen- vleefch, dat nog warm is, waar onder zig ook waaragtig vet laat zien. Ten tweeden. Nadien ik in allehaayngePap-gezwellen altoos heb ge- vonden, dat de haayren bondcls-wys, ende confuys door den anderen za- ten : deze daar en tegen komen met haar wortels voort, uyt die gezeyde blinkende en geele zelfftandigheyd, en zyn dezelve zeer dist bv elkan- der ftaaode. Of nu deze geele zelfftandigheyd te confidereeren is , als niet wel ge- fielde en t’zamenvloeyende zenuw-tepeltjens, ftaa ik in twyffel? maar dat de haayren onzes lighaams van de Zenuw-tepeltjens voortkomen , daar twyffel ik niet aan , en daar van is ook het uyttrekken der zelve zoo pynelyk. Nü. IV. Een glas als vooren, en daar in een gedeelte van-’t Opper- velleke, uyt wiens binnenfte oppervlakte de overblyfzels van de vel-te- peltjens voortkomen en nog uytpuylen. Op dat dit voorwerp dichter aan ’t glas zoude komen, heb ik daar ne- vens gezet takken van de Americaanfche doornagtige veelhoekige Cereus. Nevens dit glas, doet zig een anderen kleender glas op, ’r welk met een ftarretje is getekent, waar in baar veel kleender het cppervelletje en net- wyze lighaam van de bal des voets uyt een Neger laten zien, zonder vergroot-glazen. Ziet de I. Figuur van de 111. i afel. JN . V. Een Pedeftal , waar op is een Vies, in zig onthou- dende een kken gedeelte van ’t dunne Herflen-vlies, met de ontwondene fchorfhe X. ANATOMISCH CABINET fchorfïe van de Herflene , ’t welk heel kleea is } maar egter zeer fraay geprepareert. Op deszelfs grond werd ook nog gevonden een kleen gedeelte van ’t gezeyde ; ’t welk zoo teder is, dat het byna een menfche begrip te boven gaat, en daar in mede de Almagtigheyd des Heeren uytblinkt. N°. VI. Het opperde van ’c Bekkeneelrje van ’t Doodshoofdje van een jong geboore Kindje, v/aar in ons voorkomen Ten eerden, De zeyfe uytgefpannen als in’t leven, loopende na de lengte. Ten tweeden, De Fontanel is ook uytgefpannen. Ten derden, De binnenfte oppervlakte is nog voorzien met het harde Herffen-vlies, waar door de opgevulde flag-aderen aan wederzyde voort- komende, elkander ontmoeten. Ten vierden, De langagtige groef, als in een levend lighaam, open- gaande. N°. VII. Het Agter-breyn van een Menfch in de vogt, en op dat het van zyne plaats niet zoude wyken , heb ik daar bygedaan een tak van de groote Americ. doornagtige Opuntia. Dit gezeyde Agter-breyn is van my voor eenige Jaaren zoo net toebe- reyd en bewaard, als of ’t nu eerft uyt het hoofd genomen was. Boven op ’c dekzel is nog een andere vies met vogt geftelt, N°. VIII. Waar in een gedeelte van de Herffene van een oud Menfch is te zien, wiens fchorlfe rood is, wegens het opvullen der bloed vaatjens, die de fchorftige fubftantie uytmaken, daar en tegen is de mergagrige zelfs- ftandigheyd wit gebleven. En boyen op dezelve vies is noch geftelt een kleen doosje, waar in N°. IX* De Beenderkens van het gehoor zeer net gevonden worden. Aanm: Daarenboven, dat de eerft gezeyde Vies als tuflehen een Rots ge- field is, omvangen zynde van roode opgevulde bloedvaten, in plaats van roode Coraaltakken , waar onder gevonden werden , die zoo dun zyn ais dons. N°. X. Een Vies met vogt, waar in onthouden word het dunne Herf- fen-vlies , daar nog eenige ontbondene deeltjens van de fchorffe der Herffe- ne aan vaft zyn. Dezelve is tegens de loop van de natuur aan de eene zyde verdikt, en de bloedvaten zyn vervult met een ligt roode waffige Üoffe. N°. XI. Een gedeelte van de huyd van een Walrus, waar in zeer fraay te zien zyn de Tepeltjens van de huyd , en derzelver afbrekingen , ie aan ’t Nec-wyze lighaam vaft zitten, ’t geen ook in de Menfch en van FREDERIK .RUYSCH, werpen gezien kan worden, en ’t geen te confiderecren ftaat, is, dat zy kleender en min fpitzig haar opdoen in een menfche, wanneer het Oppcr- velleke van ’t ondergelegene Vel afgehaalr is. N°. XII. Een Pededal, waar op ik gezet heb de takken van de flag- aderen, dewelke haar door de Herflene verfpreyden , waar onder eenige zeer dun, en byna donzig haar vertoonende , nogtans vervuld zyn , en eenigzints verfpreyd, en dat in een drooge gedaante. Deze gezeyde takxkens zyn zoo teder en dun van wezen, als of het Lym- phatike vaten waaren, en by gevolg werden zy doorbet handelen ligt ge- brooken. Ziet hier over verders na, het 9 Anat. Cabinet. No. XIII. Een vies met vogt vervuld, en daar in een gedeelte van het dunne Herflen-vlics ’t welk verdikt is geworden 5 aan ’t zelve hangen op verfcheyde plaatzen nog Slag-aderkens dis in de fchorsfige fubdantie veran- dert zyn N **. XIV. De Tong van een menlek in een vies met vogt bewaart, in de- zelve zyn te zien driederhande Tong-tepeltjcns, als mede de Klep van het Strotte- hoofd met ddTdfs opgevulde bloedvaten, No* XV Het Agterbreyn van een menfeh ’t welk in een vogt bewaart, en zoo toebereid is, datmen het beginzel van’t Ruggemerg zien kan, entc gelykmetdes Nekx, cn Wcrvel-beenderen Slagaderen In *c midden van dit Agterbreyn , kanmen ook zien de Brug van Varolius , en ’t bol rond-wyze lighaam: over alle deeze zaaken pafleeren by fter veel zeer roode Slagaderen, ’t welk aangenaam is om te zien. Op het dekzel van dit glas, nog een ander glas N XVI. geftelt, ’t welk in een vogt onthoud beide de Oogfchellen van een menfeh welkers binnen de oppervlakte rood van couleur is geworden, door het opvullen der Bloed-vatcn, waar door zy als ontdoken voorko- men ; daarenboven vertonen haar zeer klaar de mondekens dewelke in dc rand van beyde de 1 )ogfchellen zitten, waar door zig een zeker vogt ontlaft , waar van hier na breeder zal gefproken werde, volgens eygen ondervinding ontdekt. N• X VII. Een glas met vogt,en daarin byna het geheele Dunne HerJTen- vlies van een menfeh # ’t welk byna zoo dun is alseen fpinnewebbe; en na- dien de Slag-aderen vervuld zyn, kan men haar dunheyd des te bequamer zien , maar in een afgeftorve menfeh fchynt dit vlies zoo dun niet re zyn , ten zy na het gezeyde opvullen, want zonder dat, zyn zy meed na de dood ydel of leedig en zonder bloed, waar door zy dan ontelbaar zynde in menigte, eenige meerdere dikte fchynen toe te brengen toe het gezeyde vlies, hoewel het in een natuurlyke daat by na zo dun is als een fpinnewebbe, weshalvcn Mnnnn my X. ANATOMISCH CABINE T my dit dunne Herflen vlies toefchynt voornamentlyk te dienen om alle desfelfs bloedvaten door haar toedoen by een te houden , op dat zy niet zouden ko- men teverplaatzen: ook komen ons hierop verfcheydcplaatzen deuyteyn- den dezer Slag-aderen voorin fchorfle verandertzynde. N°. XVIIE Een vies met vogt,en daar in de Tong van een menfch, verbeeldende de Tong van een levendig menfch. In dit voorwerp komen ons in ’t gezigt des Tongs tepeltjens, de Lel, de Klep van’t Strottenhoofd, deafgefnede Slok-darm, als mede de afgefnede Longe-pyp. Ontrent het uyterfte van de Tong is defzelfs bekleetzel wel weggeno- men, dog het Netwyze lighaam heb ik daar niet konncn ontdekken, maar in de Tong van een Os kan men het door ’t fepareeren ligt in het gezigte krygen. Op het dekzel (laat een ander droog glas (N°. XIX _) voozien met een gedeelte van de Tong van een jong ge- boore kindje, waar door heen duyzende van Slag-aderkens loopén. N°. XX. Een menfche Tong netter als de voorgaande toebcreyd, en in een vogt gelegen en bewaart , met defïelfs Strotten-hoofds kleppje, en zyn Snotterige kliertjcns. Op’t dekzel Haat (No. XXL) een droog glas, waar in ons voorkomt een gedeelte van de Tong van een jonge, wiens Bloedvatjens zoo cierlyk zyn toebereyd, dat het geheele voorwerp zeer rood te voorfchyn komt. N°. XXII. Een groot glas met vogt, en daar in het Hoofd van een kind, wiens oogen toegefloten zynde , een leevendig en flaapend kinds hoofdje verbeeld, deszelfs wangerjens zyn rond uitgezet zonder rimpels, de Voorlippen rood, en zeer net toebereyd , en eenige jaaren van my bewaart. Aanm: Het bovenfte gedeelte is afgenomen, endeHerflene daar uit ge- nomen zynde, kan men onder het Vel de natuurlykegefteltheyd van’t Vet, de uytgang der Zenuwen uyt het Hoofd, de Tregter 6cc. zien. N°. XXIII. Het Oog van een menfch met deszelfs twee oogfchellen, waar ontrent te confidereeren flaat, dat uyt de binnenfte oppervlakte van de Oogfchellen ontelbaare Zenuw-tepelrjens voorkomen en gezien wer- den, waar van dat cenflbele gevoelen, inzonderheyd wanneer zy ontfto- ken zyn. N°. XXIV. De Aderige vlegting zynde een vervolg van de Slag-ade- ren, dezelve beftaat niet uyt klieren gelyk zommige willen, maar uit Slag- aderen, Van FREDERIK R U Y S CH. aderen, dewelke als in een ander wezen verandert zyn. Ziet wat ik over deze materie gefchreven heb, en doen afbeelden tn het antwoord öp dc XII. Epift, Anat. ‘Prohkrn. N°. XXV. Een glas metvogt, waar in bewaart werd een gedeelte van ’t dunne Herflen vlies, waar aan nogvaft zit een kleen gedeelte van de fchorfle der Herflenedeszelfs Slagt-aderkens zyn vervult met een vlees- agtige rood-waflige ftoife , waar door de fchorfle ook maar ligt rood ge- couleurt is geworden, In ’t midden van dit voorwerp doet zig ook de aderige vlegdng op dewelke geenzints, gelyk gezegt is, uit klieren, maar alleen uyt de uyt- cynden der Slag-aderkens beftaande is, dewelke wonderlyk gedraayt en in een byzonder wezen verandert zynde, nochtans hol zyn, en met de Slag* aderkens contimwel. N°. XXVI. Een gedeelte van’t Agrerbreyn van een menfeh, met een gedeelte van ’t langagtige merg, als mede het Pyn-appels wyze Kliertje, werwaarts haar voegende opgevulde Slag-aderkens. Op dat nu het Pyn-appels wyze Kliertje gereder te voorfchyn zoude komen, zoo heb onder ’c zelve een doorntje van een Meloen diftel ge- ftooken. Hier nevens ftaat re confldereeren a dat ik agter dit voorwerp geplaaft heb een rak van een Africaanfch gewas met deszelfs vrugten , ten eynde het voorwerp niet van zyne plaatze zoude wyken , als men de vies komt te bewegen. Men kan hier ook klaar zien, hoedanig de Slag-aderen over het Ach- terbreyn loopen. N°. XXVIL De regter zyde van ’t aangezigt van een jonge in een vogt, *t welk als levendig voorkomt. Hier in is voor eerft te zien een gedeelte de» Tongs, met deszelfs Ze- nuw- repel rjens. Ten tweeden, Hoewel de roode Voorlippen niet geheel en al van haaf bekleetzel zyn ontdaan , zoo verbergen egrer de Zenuw tepeltjens haar niet in het geheel. Ten derde, Zoo komen ons ook klaar voor de Bloed-vaten , dewelke door de Kiezen loopen , nadien dezelve met een zaag doorgezaagt zyn, ’c welk ook in andere doorgezaagde beenderen plaatze heeft 5 maar dit kan niet werden getoont, ten zy de Bloed-vaten opgeruit zyn. Ten vierde , Dat ’er ook in *t midden , of binnenfte der Tanden een holte is voor de Zenuwen en Bloedvaten , voornamentlyk in de jonk- heyd, zulks is meer als wel bekend; maar dat door die zeer harde fub- Nnnnn 2 ftantic X. ANATOMISCH CABINET ftantie de gezeyde Bloedvaten ook heen lopen, bemerke ik nu eerft in dit voorwerp. N XXVIII. Een gedeelte van de HerfTene van een menfch , wiens Slag-aderen in ’t geheel niet zyn vervult, zoo dat de fchorfïige fubftantie geen roodigheyd aangenomen heeft. En nadien dit gedeelte der HerfTene de gelykheyt van kaas, die nog niet zeer hard is geworden, had gekregen, zoo heb ik dezelve in ftukken gefcheurt, waar door haar nu hier zeer veel ftraalen opdoen , dewelke mergige trek- kingen of draaden verbeelden , zulks zoude iemand konnen bedriegen, wanende dat het natuurlyke mergige trekkingen of draden waren. In dit voorwerp blykt het ook, hoe zeer diep het dunne Herflen-vlies op verfcheyde plaaczen zig tuflchen de groeven van de HerfTene ver- voegt , zoo is ’t dan ook , dat die fchorfTe niet alleen gemaakt werd in de bovenfte oppervlakte van de HerfTene , maar ook zelfs in de fleuven, en dat van de uyteynden der Slag-aderen , dewelke door het dunne Herflen-vlies verfpreyd werden. N°. XXIX. Een vies met vogt, en daar in een onvoldrage , en nog onvolmaakt menfche vrugtje ontrent een duym groot -y t welke door een hayrtje aan het Navel ftrengetje vaflgemaakt is. Ontrent dit voorwerp is aan te merken, Ten eerffen, Dat’er geen deukjens of putjens aan gevonden werden, maar glad, en van een natuurlyke effenheyd, als mede dat het fneeuw- wit is. Ten tweede, Hoedanig de ledematen door de tyd moeten voortkomen uyt het lighaam zelfs , kan men hier zien , dewelke in dit voorwerp on- trent drie linien groot zyn. Ziet de Hl. Fig. van de 111. Taf. Ten derde. Het Navelflrengetje, waar aan het Kindje gehegt is door het toedoen van een hayrtje , is in zyn omtrek doorzigng , maar van binnen duyfter, mogelyk wegens het begin van ’t voorkomen der bloed- vaten. Ten vierde, Van wat fexe het is, kan ik nog niet zien. Ten vyfde, De uyterfle voefjens en handjens tot nu toe nog ontbre- kende, zoo is ’t dat ’t geen uyt het lighaamrje uytpuylt als afgehouwen ledemaatjeos haar vertoonen, en hier uyt heb ik bevonden dat de voefjens en handjens na heen voortkomen. Ten zesde, ik kan met waarheyd zeggen, dat ik noyt een fchoonder en cicrlyker voorwerp van dat flag gehad of gezien heb. Np. XXX. Een Vies met vogt, en daar in het beginzel van’t Rugg^' merg van een Menfch, met het bol ronde lighaam, alsmede niet alleetl e boven- Van FREDERIK RUYSCH. bovenfte piramids wyze lighaamen, die van de Heer Vieujfens befchrcven en afgebeelt zyn, maar ook de onderde , waar van ik de afbeelding heb doen maken, ende van my in’c eerde Anat. Cabinet befchreven zyn. In dit voorwerp komt ons ook voor die fpleet , die hier het beginzel van ’t Rugge-merg in een rechter en linker zyde verdeelt: als mede de toegang tot de vierde Breyns holligheyd. Op ’t dekzel is nog een andere Vies N°. XXXI. Gelteld , en daar in een gedeelte van de fchorfige zelfs- ftandigheyt van de Herdene , ’t welk met de eerde opflag en haadelyk gezien zynde, ymand zoude konnen bedriegen, oordeelende dat zy Klie- ren zagen, daar in tegendeel ’t zelve naukeurelyk bezien zynde, het klaar- lyk blykt, dat het niet anders is als fchordlge deeltjens, die nog niet ont- daan zyn j en blykt zulks te klaarder , als men het voorwerp in den om- trek befchouwt , alwaar diergelyke lighaamtjens zyn ontdaan , jaa ons zoo dun als dons voorkomen, en egter vervult zyn, met een ligt roode wadige doffe. N°. XXXII. Een Pededal, waar op gezet is een Vies met vogt, in zig bewaarende een duk van de Herdene, doormy vyf uuren langinOly van Olyven gekookt, gelyk de Heer Vieuffens gewoon is te doen: Maar zulks is een verkeerde en onnutte manier van pnepareeren , want na het kooken in de oly, doet zig niet het minfte op , dat iets iykt na bloed- vaten , ’t welk een yder kan beproeven : zoo dat de Heer Vieujfens gcen- zïnts te houden is voor den Inventeur, van dat de Schorde der Herdene alleen zouden bedaan uyt bloed-vaarjens: want niemand heeft tot nog toe £rnyn wetens} Zulks my konnen nadoen, of iets dat’er na geleek te wegc gebracht. Op het dekzel zit een andere Vies met vogt , N°. XXXUI. Waar in te 'zien is een gedeelte van ’t dunne Herden- vlies, ’t welk byna zoo dun is als een fpinne-webbe, waar door egter zeer roode opgevulde Slag-aderkens loopen , welkers uyt ter de uyreynden in de fchorde der Herdene zyn verandert, en van my zoodanig ontdaan , dat men zeer klaar zien kan , dat de Schorde uyt bloed-vaten zyn bedaan heeft, gelyk gezegt hebbe. No. XX XIV, De Tepel van een Vrouwe bord , met deszelfs ronde kring- Aanmerkt ten eerden , Dat deze kring gemeenlyk in de Vrouwen bruynagtig is , maar in dit voorwerp, van zyn bekleetzel ontbloot zyn- de , komt het vel ons daar onder wit voor. Ten tweede, Nadiende Tepel mede van zyn uyterlyk dekzel ontbloot Nnnnn 3 js, X. ANATOMISCH CABINET is , komen ons aldaar te vooren de Zenu w-tepels, eênige overeenkom# hebbende met de Zenuw-tepels van ’t hoofdje van dc Roede. Ziet het eerde Anatomifch Cabiner. Waar in ook de Figuuren gevonden werden van de Tepelfjens van de tepel des Bord s van een Walvis j maar nadien de Plaatfnyder dezelve aldaar in de Tepel van een Vrouw niet al te klaar had afgebeelc, hebben wy nu dezelve in dit X. Cabinet verbetert. Zie de 11. Fig. van de 111, Taf. N°. XXXV. Een menfche Hart, wiens bloedvaten nevens alle beydc deszelfs Oi ren zyn vervuld, zoo dat men de waare gefteltheyd enfiguure zien kan: en nadien zy opgevuld zyn, moet men egter niet aanmerken, dar zy in ’t leven alle beyde re gelyk uytgefpannen zyn , want als dc Ooren vervult zyn, zoo zyn de holligheden van ’t Hart leedig, en ter con- trarie als de Ooren leedig zyn, dan zoo zyn de holligheden vervuld. Deze gezeyde vaten zyn zoo volmaakt opgevuld met een rood-walfigc doffe, dat het geheele Hart ons zeer rood voorkomt. Ja men kan hier ook zien, hoe dat die gezeyde lloffe uyt de alleruyter- de uyteynden der Slag-aderen in de gedaante vaneen dauw, haaruytgang hebben gezogt, tuflchen de vleezige fibren van t Harte, t geen ik geloof in ’t leven te gefchieden door de voedende wey van ’t bloed: daarenboven kan men in dit Hart zien alle deszelfs dronken , namentlyk de op en ne- derwaarts gaande dronk van de Hol-ader, de Ader zonder weergaa, de Hart-ader met deszelfs drie daar uyt opwaartsloopendedronken; alsmede de vier Longs-aderen, en Slag-aderen; ook de Kroon-ader en Slag-ader, dewelke hier ook opgevult in ’c gezigre komen. N°. XXXVI. De Sweferik van een Kind, zoo netjens toebereyd, als of zy nu eerd uyt het lighaam genomen was. No. XXXVH. De Lel des keels van een Menfch, waar in men zien kan klieragtige lighaamtjens , welke defnotterige doffe voorbreagen: maar om dat zy te beter m ’r gezicht zoude komen, heb ik een takje van Tithy- malus Cyparidias daar nevens gedeld, door wiens toedoen , zy beter na de wand van ’t glas gedrongen werden. N°. XXXVIII. Een Jongmans hart door het balzemen verhard, waar in ons zeer fraay voorkomen, deze navolgende zaken, namentlyk. Ten eerden, Alle beyde de Stronken van de Hol-ader met derzelver regter oor , vveike ons hier voorkomen als uyt een vertrek-plaats. Ten tweede, Beyde de dronken van de groote Slag-ader, met de drie opwaarts gaande afgefnedene takken. Ten derde, De Kroon-ader. Ten vierde, De vier takken van de Long-ader. Ten van F R E D E R I K R U Y S C H. Ten vyfde, De Longs Slag-ader uyt de linker holligheyd fpruytende. Boven op ’t dekzel van dit glas werd gevonden N°. XXXIX. Een Pedeftal, voorzien met de driekantige Klapvliezen van de linker holligheyd van ’t Hart. N°. XL. Een droog Glas, en daarin het linker Oor van een menfche Hart zoodanig toebereyd, dat men de waare geftalte daarin zien kan. N°. XLI. Een Pedeftal, waar op een regter Oor van ’c Hart van een menfch gezet is, mede zoodanig toebereyd , om deszelfs waare figuu- ren te zien. * No. XLII. Een droog Glas, waar in onthouden werden de Long, en Hart van een Jonge , hard gebalzemt. In dit voorwerp kan men zien, Ten eerften , hoe de Groote Slag-ader geplaaft is aan de zyde van des Longs Slag-ader , alwaar zy alle beyde uyt het Hart voortkomen. Als mede Ten tweede, De verdeeling van de regter zyde van de Long in drie lobbens, de linker daar en tegen in twee, ’t geen ik gemeenlyk alzoo ondervindc. N°. XLKII. Een gedeelte van een Kalfs Longs Slag-ader , met een geel-walïige ftofFe opgevukl , en ZOO toebereyd, dat de uyteynden in ’t gezigt komen, dewelke zeer veel verfcheelen van die, dewelke zommig® Au&euren hebben doen afbeelden na Kalvere Longen , in plaats van die van Menfchen. N°. XLI V. Een ronde Pedeftal, waar op gezet is een gedeelte van een menfche Long, die na de Balfamatie hard gemaakt is: dat deze ver- deelinge en forme der lobben van de Long van een menfch niet overeen- komt met die der Kalveren, word ik nu gewaar : daarenboven blykt het •ok, dat veele Autheuren in ’t onderzoeken en maken derfiguuren van de Longe dikmaals gehruykt hebben die der Kalveren, en van andere dieren, welk my nu genoegzaam blykt uyt haare figimren. Aan de zyde van dit voorwerp is ook gefteld N°. XLV. Een kleen gedeelte van een Kalfs Long, waar in ons voor oogen komt de verdeeling van de bloed-vaten in yder lobbetje, ’t welk ook verfchecld van die der menfchen. No. XLVI. Een gedeelte van de Longe-pyp van een jong geboore Kalfje, met de iobbetjens van de Long , die opgevuld zyn met een geel- waflige ftofFe, en die zoodanig van elkander gefcheyden zyn, dat men de *waare geftalte zien kan, die niet overeenkomt met die van een menfch. 832 x. anatomisch cabinet De tweede groote PLANK. N°. XL VII. Een Glas , en daar in een omwinding van de bogtige darm van een Kindje, dat zeer net en rood is, door het vervullen van de Slag- aderen ,en zyn deze Darmtjens droog bewaart, nogtans zonder deuken ofte rimpels. Boven op ’t dekzel werd gevonden een glas N°. XLVIII. En daar in een ftuk van de Colyk-darm, waar in het tweede of celluleufe-vlies tc zien is. N°. XLIX. Een Viesje met vogt, en daar in een omwindzel van Darmt- jens van een jong geboore kindje, welker bloed-vaten vervuld zyn. Op het dekzel Haat een ronde Pedeftal, waar op geftelt is, N°. L. Een gedeelte van de bogtige en Colyk-darm , met deszelfs Worm-wyze uytfteekzel, zynde door de opvulling zeer rood. No. LI. Een ftuk van een omgekeerde Nugrere-darm in de vogt: cn nadien de inwendige oppervlakte , nu de uycwendige gemaakt is , kan men zeer netjes de eenzaame klieragtige lighaamtjens van de darmen , die ligt-rood door de vervulling zyn, zien. N°. LIL Een droog Glas, in zig onthoudende een groot gedeelte van de Nugtere-darm van een kind, om dezelfde oorzaak zeer rood, in deze Darm komen ons ook de klieragtige lighaamtjens zeer rood voor. Op het dekzel is geftek N°. LUI. Een gedeelte van de Bogtige-darm , waar aan vaft is een gedeelte van ’t Darm-fcheyl, deszelfs bloed-vaatjens zyn mede opgevalt en net gepraepareert. No. LIV. Een droog glas, daar ons op de grond voorkomt een ge- deelte van de Bogtige en Colyk-darm , met deszelfs Worm-wyze uyt- fteekzel: en nadien 111 de Colyk-darm een opening van myn gemaakt is, komen ons in ’t gezigt de gapende Klap-vliezen van dezelve. Op het dekzel is een andere V les geftelt met vogt N°. LV. Met een gedeelte van de Bogtige Darm die omgekeert is , 200 dat nu de binnenfte zydedebuytenfte is, alwaar gezien werd een bondelke van klieragtige lighaamtjens , uyt de binnenfte oppervlakte voortkomende. N°. LVI. Een menfehe Moerkoek in de vogt, zoo toebereyi , dat men zeer klaar zien kan datze niets klierigs bezit, veel min uyt Klieren beftaat in een gezonde ftaat: want alle de vaten en haar uyteynden zyn tot het uyterfte toe opgevult, zonder geweld of gepretendeerde, en zoo* genaamde ontvleezing daar aangedaan te hebben. Van FREDERIK RüYSCH. Op het dek zei is een droog glas geftelr, jSK LVII. Waar in een gedeelte van ’t Net zco dun als een fpinne- vveb, en zoo fyn als of het zyde was. N°. LVIII. Een gedeelte van een opgevulde Moerkoek in de vogt, die niet minder vertoond re beftaan als uyt loutere bloed vaten , zonder tuflehenkomen van eemge Klieren. Op deszelfs dekzel werd gevonden een droogh glas. N . LIX. Waar in bewaart werd een gedeelte van de Navelftreng, wiens vaten met wind vervult zyn geweeft. N-*. LX. Een gedeelte van een menfche Moerkoek in de voght, daar in gezien werd het bekleerzel , waar mede de Moerkoek bezet is op die plaatze, die na de Lyfmoeder ziet, welk bekleetzei van my zapagtighof vlokagtig genoemd werd in ’t 5* . Anat. Cabinet. Het zelve is niet anders als een voortkoming van ’t Ader-vlies, ’twelk beyde de oppervlaktens van de Moerkoek is bekledende, zoo dat de bloed- vaten van de Lyfmoeder met de vaten van de Moerkoek onmogelyk met elkanderen konnen vereemgen, en dat is ook waarfchynelyk om dat de Moerkoek niet een gedeelte van de Moeder, maar van het Kind is* N°. LX 1. Een gedeelte- van een Menfche Darmfcheyl, met deflelfs Klieren. Deze gezeyde Klieren zyn zeer rood wegens haar vervulling, waar door het fchynt dat zy een t’famen geitel van bloed-vaten zyn: want de zagtheyd daar van komt voort uyt de uyterfte zappigeuyteyndenvan de bloedvaten: ’t welk de oude (Tarencbyma) of t’zamen runninge ge- heten hebben. Daar en boven kan men hier ook zien hoedaanige loop de gezeyde bloed-vaatjens hebben, die niet als in een gedaante van een klouwe, ge- lyk zommige gewilt hebben, maar dat dezelve in tegendeel op en neder- waarts lopende zyn, blykt hier klaar. LXII. Een gedeelte van de bogtige darm in de vogt, waar in te zien is deflelfs infehieting. Aanm, dit gezeyde ongemak is zoo gemeen, dat ik, nevens mynzoon dit niet alleenlyk in een en ’t zelve Lighaam op vier of vyf plaatzen heb gevonden, maar ook in veele anderen , die ik geopend heb, om dat my de occafie voorkomt om veele lyken te openen j ja my geheugt dat wy ’er drie agter elkander alzoo geopend hebben , waar in *ons zulks voor- quam-, zoo dat ik geloof dat diergelyks meermalen gefchied, als men wei voor heen heeft gelooft. Waarom men altoos ösdagt moet zyn, als ymand klaagt van onlyde-, lyke pyne in de buyk met braakinge en een befloote lighaam, zonderpy- Ü o 000 ne x. anatomisch cabinet Ne in *C water te maken, dat die in dit ongemak vervallen zyn, daarom oordeele ik het befte te zyn, in plaats van pynftillende en windbreeken- de medicamenten aanftonds, na gezette clyfteren, by pozen van boven een fterke purgatie in te geven, en om de braaking wyders voor te komen, dat de lyders een weynig Brandewyn na de ingeving in haar mond hou- den : maar andere geven die patiencen tot een half pond quikfilver in , andere een kogel van zilver of goud, welke middelen mede niet te verag- ten zyn. Nü* LXIII. Een Pedeftal voorzien met drie glazen, waar van het ie. In zig onthoud, een gedeelte van de Moerkoek , wiens bloedvaten (waar uyt zy beftaat) beginnen in Water-blaasjens te veranderen, welk ongemak voorheen gehoude wierd voor een valfche bevrugting. Het xe* N°. LXIV. en daar in de voortgang van ’t zelfde ongemak* Het 3e. en Grootfte N°. LXV. waar in een geheele Moerkoek zoo groot als hy is, in Waterblaasjens verandert is, 5t welk raar om te zien is , wie zoude konnen gelooven, indien niet door ondervinding gelecrt was, dat de bloedvaten zoude konnen veranderen in Waterblaasjens? ik heb voor deze wel diergelyke uytgeworpene blaasjens des lyfmoers ge- zien , maar konde niet navorfchen wat zulks beduyden : maar naderhand quam my een Moerkoek te vooren, dewelke ten deele in Waterblaasjens verandert was, en zoo heb ik ontrent twintig jaaren geleden, die ver- keerde mening en dwaling ontdekt. Een ander droog glas is gefteld op ’t dekzel, van dit glas* N°. LXVI. en daar in een kleen gedeelte van de Moerkoek, wiens uyteynden der bloedvaten , door een byzondere konft} zeer fubtiel zyn uytgefpannen , ’c welk ik zeer moeyelyk oordeel te zyn , om de wcekheyd van haar zelfftandigheid. N°. LX VIL Een zeer wit en zoo net, en van veele jaaren bewaard kindje van ontrent 6 maanden dragts , even als of het nu cerft ter We- reld was gekomen * en om dat het niet zoude fchynen ledig te zyn, zoo heeft hec m zyn rechter handje een gedeelte van een rood ontbondene Aloerkoekje, waar in mede blykt darter niets klierigs in is* Boven op het bckleetzel ftaat nog een andere drooge vies, N°. LX VUL En daar in het Slaap-of Schub-wyze been, en °°k de beenderkens van t gehoor van een jong kindje, alle zeer wie en net toebereyd. No. LXIX. Een droog gedeelte van ’t Net, zonder vet, ’c welk zeer fyne zyde verbeeld. No. LXX. Een zeer cicrlyk gedeelte van een menfehe Net, waar in Van FREDERIK RUYSCH. ons voorkomt, dat het zelve in zommige zoo dun, in ftaat van gezond- heyd is, als een fpinneweb, behalven op die plaatzen , die met Vet be- zet zyn, waar door het zomty'ds 20 dik word, dat het 30 ponden zwaar bevonden is geworden, gelyk men lezen kan by de Hr. Bartholmus. Alhoewel in dit voorwerp de bloed-vaten niet vervuld zyn, nogtans is ’t hier zoo vol van bloedvaten, dat niemant het zelve zonder ver- wondering kan aanfchouwen, gelyk in meer andere voorwerpen kan ge- zien werden. Daar en boven werd hier Ontdekt het bedrog van andere begaan, na- mcntlyk dat het Net in een gezonde ftaat , als een vis-net met gaatjens zoude doorboort zyn, ’t welk het ligtclyk door rouwe handen ver- krygt. M°. LXXI, Het Armtje van een kind in de vogt, tuflchen wiens vingcrtjens gehouden werd een takje van de ordinarie pafliebloem. In de huyd van de bal van de hand, alwaar het oppervelleke en Net* wyze Lighaara van Malpichius weggenomen zyn, kan men zeer klaar zien de uyteynden der bloedvaten , als mede de afgebrookene Vel-te- peltjens. N°. LXXH. Een vies met vogt en daar in het Scheenbeen en voet van een jonge. v Al wie dit voorwerp voorkomt, zal belyden, dat het zelve zeer aange- naam , voor de oogen komt wegens deflelfs couleur, dewelke als levendig zig opdoet, te meer nadien ’er gants geen deuken nog rimpels in werden gevonden. Aan de buytenfte zyde van de gezeyde voet komt ons in het gezige een gedeelte van de Moerkoek, op dat het voorwerp niet van zyne plaat- ze zoude wyken, en is dit gedeelte ook zeer net toebereyd. Deze gezeyde Voet trapt op een gedeelte van de Colyk-darm , waar in, hoewel niet omgekeert , (dat men wel moet aanmerken) vertoond werden Klieragtige Lighaamrjens: deze darm heb ik genoomen van een zekere afgeftorvene huwbaare Dogter, dewelke bevrugt zynde, van haar vryer wierd verlaten, en door het inneemen van Rottekruyd, haar van ’t leven had berooid ; en nadien dit een verlbeyelyke zaak is, word des* zelfs gedarmte als rnet de voet getrapt, op dat zelfs geen voet in myne Cabinetten zoude fchynen ledig re zyn, ’c geen ik in alle myne Cabinet- ten (zoo veel het mogdyk is) zoek te myden, want al wat by my woo- nen wil, moet niet leedig, maar werkzaam zyn. Op het dekzel is een ander glas, N°, LXXHI. geftdt, waar in een gedeelte van de Herflene van een O o 000 2 Menfch, Menfch, by na zoo hard als fteen, en blinkent alsWalfchot, welk Wal- fchot ook geenzints te houden is voor ’t zaad van een Walvis, maar wel voor de HerlTene van een kleender zoor te van Walviflchen, die genaamt werd Caftinjot. N°. LXXIV. Een Pedeftal waar op een vies geftelt is met vocht, in zig onthoudende een onvoldrage Menfche vrugtje van ontrent 6 weken dragts , dat aangegrepen werd van een kleen heel mooy twee couleurig üoft-lndifch flangetje, N°« LXXVr. Het Hoofd van een Kindje, als levendig zig vertoonen- de, wiens opperfte gedeelte van het Beckeneel afgenomen en het Voor- breyn uitgenomen zynde , het Achterbreyn met deflelfs bloed-vaten, als mede het harde Harflenvlies in ’t gezigt komen 3 dit vlies is blin- kend en wit als zyde* No. LXXVI. Een onvoldrage blind gebore Katje , onvolmaakte twe- lingen verhelende, voorzien met agt pootjens, twee ftaarten, en een hoofd. NJ. LXXVIL Een Pedeftal en daarop een gedroogt Levertje van een Kind, wegens de opvulling der bloedvaten zeer rood , waar in zeer klaar vertoond, werd , zelve uit geen klieien te beftaan, de Lever in’t geheel, niet zonder reden vooreen klier kan werde gehouden.) Aanm. Dat dit voorwerp ongefchonde en geheel, ja zelfs, het om- vangende Vlies niet is afgenomen , zo datter van niemand gezegt kan werden, dat die gefupponeerde klieren, in de alzo genoemdeontvjezing zyn verbroken, nadien hier een geheele Lever vertoond werd, en wat een onderfcheid datter is, tuftchen de uiteynden van deze vaten, en van die der Nieren, als mede van die van de Milt, kan men ook in dit Ca- bine c zien : zo dar ’t geen ’t welk de Auteuren gemeent hebben toebereyd te werden, in die gewaande klieren, het zelve volbragt werd in de ui- terfte uiteynden der vaten, die zo fyn zyn als dons, en verfcheidentlyk van geftelcheid van die, der andere ingewanden. Deze uiteynden komen ons wel voor als Klieren , maar zo imand met een byzondere handeling deze vaten gevuld heeft, zal hy bevinden dat het niet anders zyn ais bloed-vaten mee geen byzonder vlies omvangen, tot welke prettnl'e Klieren geen bloedvaten loopen, na de bepaaling der Autheuren ’t welk anderzints vercifcht wierdt: maar het zyn de bloed- vaten zelfs, gelyk ik veelmaal gezegt heb, en geen particuliere deelt- iens, die men de naam behoord te gtven van Kliertjens. De Galblaas is ook zeer ryk van haar opgevulde flag-aderen voorzien. N°. LX XVIII. Een droog glas meteen menfche Gal blaas 3 dewelk alhoewel maar opgeblazen ende.gedroogt zynde, nogtans zeer netjes X. ANATOMISCH C A B I N E T. Van F R E DE R I K R ü Y S C H, der kuyltjens bewaart is , welke zy anders na lange tyd daar in komen te krygen, ’t welk ik door de konft verhoed heb , en zoo heeft zy haar na- tuurlyke forme behouden. Daar en boven komt hier ons ook in ’t gezigt de Gal-voerder met haar kromme cours , die in de viervoetige heeften niet te vinden is, welke kromheyd ons eerft vertoond en afgebeeld heeft den zeer ervaarene Heer Mauritius van Rover hor ft 5 Profeflbr van de Heel en bnykonft in s’Gra- venhage: en \ geen verders ftaat aan te merken, is, dat de kromheyd van deze canaal, op verfcheyde plaatzen in defzelfs holligheyd eenige verheventheden te wegen brengt, gelyk kleene klap-vlieskens belettende de uytgang van de Gal, buyten natuurlyke ftimulatie of prikkeling van de Gal-blaas. Op het dekzel van dit glas is nog een ander droog glas gefield, LXXIX. getekend, waar in een Gal-blaasje van een jonggeboore kindje is* dit is ook opgeblafen en gedroogd, behouden hebbende zyn natuurlyke forme, zonder eenige deuken, en zoo fchynt het te verbeel- den een groote hang-paarl: de bloed-vaten die daar door heen loopen zyn vervuld, en dat zoo menigvuldig, dat het fchynt als of de gehecle Gal- blaas alleen uyt bloedvaten beftond. N°. LXXX. Een grooreopgevnlde, en in de vogt afhangende tak van de Poort-ader van de Lever, dewelke van ’c omhangende vlies, en uyterfte zappige uyteynden ontblood zynde, het getal van de takjeqs en uyterfte uyteynden zoofubtiel zyn, dat hetbyna onuytfpreeklyk is; die dit voorwerp gezien hebben, zyn wegens deszelfs netrigheyd en wonderhaar- lyke ftru&uur , als verlokt geworden. N°. LXXXI. Een pedeftal, waar op gezet is de Voet van een kind, zig als levendig vertoonende, de rug van defzelfs voetje heb ik geopend, en het vel voor een gedeelte weggenomen , op darde Zenuwen en Bloed- vaten in ’t gezigt zouden komen. LXXXII. Een onvoldrage kintjevan drie maanden dragtsinvogt bewaart, waar van het hooftje van den Kittelaar tuflchen de lippen der Vrou- welykheit zodanig uytfteekt, dat het een Jongetje fchynt te wezen, daar’t in tegendeel een Meysje is * zulks bevinde ik altydt zodanig in vrugtjes van omtrent 3or 4 maanden dragts; derhalven oordele ik, dat dit zelde of nooyt de Ouders in hare Boeken te regt aantekenen , gelykerwys ’t al- dus blykt. Onlangs baarae zeker Vrouw een onvoldrage kintje van omtrent 3 of 4 Maanden, zynde nier van’t Mannelyke, maar van ’cVrouwel yke gejftacht; alle de byftaande Vrouwen hielden ’c zelve voor een Jongetje , dog na 00000 3 myn X. ANATOMISCH CABINE! myn konft vvierden zy anders van my onderregt, haar tekcnne getreilde, dat het hooftje van den Kittelaar op dien tydt altydt zodanig üytfteekt, dat het een Mannelyke roede verheelt; maar dat in ’t vervolg de lippen dér Vrouwelykheit zodanig aangroeyen en uytpuylen f dat het hooftje van den Kittelaar byna gantfeh uyt het gezicht raakt. De derde groote PLANK. No. LXXXIII. De helft van een menfche Nier, waar in de onge- fchondene en geheele Tepeltjens gezien konnen werden, en dat in eenvogt. N°. LXXXIV. Een Nier van een Jonge in de vogt, alwaar de By- nier op dc bovenfte zyde van de Nier gezeten is , als een aker in zyn kelk of dop. Aanm. Dat dit en ’t voorgaande voorwerp, zeer net toebereyd zyn, met haar opgevulde Slag-aderen , en ’t geen aanmerkens waardig is, deze By-niercn zyn zelde, of nooyt van een en de zelve figuur in de menfehen, No. LXXXV. Een halve Nier van een raenfch in een drooge vies, wiens Slag-ader , en te gelyk de Ader vervult zyn -y de ronde lighaamtjens , dewelke voor het opvullen, en ook VOOr de difïblutie, haar als kleene klierrjens vertoonden, zyn nu in dit voorwerp ontdaan, ’t welk een bewys is, dat die gezeyde lighaamtjens niet anders zyn, als een omwinding der Slag-aderkens of van uyreyndens der bloedvaarjens. Boven op ’c dekzel, N°. LXXXVL Is geplaaft een gedeelte van een menfche Nier, wiens Ader ik gevuld hebbe, op dat men het onderfcheyd der aderen en fïag- aderen eynden zoude konnen zien, zynde de uiteynden der Aderen zoo wonderlyk van roeltel, dat ik onmagtig ben zulks met woorden Ce uy- ten; de zeer wydberoemde Heeren Malpichius en Bellinus , fchenen geen nalezing daar ontrent Daargelaten te hebben, maar zy hebben nog al veel over het hoofd gezien , ’t welk als in de put van Democrirus nog is verborgen gebleven, en wat wonder, nadien de Nieren zoo wonder- baarlyk van firu£buur zyn, dat de allerbequaamlte plaatfnyders naauwlyks de waare geftalte daar van zoude konnen verbeelden. In de voorgaande Anatomifche Cabinetten komen ons veele zaaken in de Nieren voor, die in een vogt bewaart zyn ; maar nu door een on- verzadelyke luiteen begeerte, en niet zonder onvernaoeyden arbeyd ver- der en verder voortgaande, foone ik deze, en geene dingen in de Nie- ren , die door een balfamatie verhard zyn geworden, waar van de be- schouwers vcrlteld (taan: en hoewel ik duyzende Anatomifche zaaken be- zit , waar meede men het verzaken van de Godheyd tegen gaan kan, 200 Zoude dit alleen genoeg zyn. Aanm. Van FREDERIK RUYSCH. 839 Aanm. verders, dat ’er ook een zeer groot onderfcheyd ontftaat, tuf- fchen de uyteynden der Aderen en Slag-aderen van de andere ingewan- den, ’t welk ik oordeels verwonderinge waardig tezyn, nadien zulks (myns wetens) van niemand tot nog toe bekent gemaakt is. Daarenboven zyn de Aderen der Nieren zo groot in getal> en van zo een fubtielheyd, datze haar voor onze oogen zoude verbergen, ten waa- re men daar toe ’t gebruyk der vergroot glafen tot hulp quam te nemen. Dit is ’t geen ik in de voorgaande Cabinetten gefchreven had, nament- lyk dat my eenige nieuwe verfchynzelen in de Nieren voorquamen, de- welke ik beloofde nader te zullen uytvorflen. In dit X* Cabinet werden ook voorwerpen van menfche Nieren ge- vonden, waar in duydelyk blykc, niet alleen wat men houden moet voor de pnecenfe Klieren der Nieren, maar ook wat de onderzoekers van de zelve verleyd heeft, namentlyk in het doorzoeken der Nieren komen ons dikwils ronde Ughaamtjens te vooren , dewelke gelyk ik gezegt heb, waarlyk niet anders zyn* als een omwinding der uyterfte uyteynden der Slag-adcren van de Nieren ; maar als men de Slag-aderkens tot het uiter- fte vervult, zoo ontdoen haar de zelve gelyk een klouwe gaare, zoo dat zy niet minder zyn , als deelen, die op haar zelfs beftaan, en met een vlieske overtrokken zyn , zonder het welk zy te onregt Kliert- jens geheten zyn 5 en ftaat ondertuffchen aan te merken, dat zoodanige om windingen der bloetvaten in geen der andere ingewanden gevonden worden. N«. LXXXVH. Een droog glas , en daar in een halve menfche Nier, wiens eygen vlies ten deelen afgenomen zynde, men zeer klaar zien kan, hoe de uyteynden van de Slag-aderen, en Aderen over de op- pervlakte loopen. Aan dit voorwerp is nog vaft een gedeelte van de Pis-leydcr met haar opgevulde Slag-aderen. Boven op ’t dekzel is geplaaft. N°. LXXXVIII. Een halve Nier van een jonge, in wiens inwendige oppervlakte ons zeer veel ronde en als klierwyze lighaamtjens te vooren komen, die Klieren fchynen te zyn , dewelke, gelyk ik voorheen heb gezegt, niet anders 2yn } als in een gekronkelde bloed-vaarjens, waar van eenige hier ontdaan zyn, eyndelyk veranderen die in de waterkanalen van Bellmus: aan de buytenfte zyde komt ons by na het zelve verfchyn- zel te voore. N LXXXXX. Een vies met vogt en daar in de JVlilt van cenmenich, wiens Slag-ader ten deele opgevult is: daar in kan men zeer klaar zien 9 dat ter X. A NS A T O M ISCH CA B I N E T datrer geen overdwerfle fibren of draaden in de Milt van een menfch ge- vonden werden, als wel in de Milt van een kalf: want zy zyn alle tege- lyk bedrogen ge weeft, die gemeent hebben, dat de Milt van een kalf daar in overeen quam met die van een menfch. Daarenboven heelt niemand tot nog roe aangetoond, dat’er in de Lever ft zy van een menfch of kalf, eenige Klieren , nog ook byzonderc ver- trekjes gevonden werden, dit heb ik in de voorgaande Cabinetten over- vloedig genoeg getoond. N°. XC. Ken groot gedeelte van een menfche Milt in de vogt. def- zelfs Ader en Slag-ader zyn zoo vervult, dat ze geheel en al zeer rood is. In dit voorwerp zyn nog op verfcheyde plaatfen de fappige of mergag- tige uyteynden a‘an vaft, dewelke de Auteuren gehouden hebben voor Klieren, maar in tegendeel, zyn ft niet anders als het vervolg van de bloedvaten met geen byzonder vlies omvangen. Nw, XCI. Een rond pedeftal waar op een kalfs Milt, wiens Slag-ader ten deele vervult is. Aanm. Ten le. dat de takken van deze Slag-ader in de kalveren de groe- ven vergefelfchappen , die in plaats van de Ader in dit voorwerp werden gevonden* Ten 2e. kan men hier ook zien, hoe dat de Milts Ader in een kalf, zoo dra zy in de Milt gekomen is, aanftonts poreus word, en meer en meer voorlopende, en verminderende, werd zy als vernietigt , de Slag-ader verlatende. Ten 3e. blykt het dat de Milt van een kalf zeerfibreus is, welke fibren voor een groot gedeelte overdwers lopen, ft welk in ft navolgende voor- werp zeer duydelyk voorkomt. No, XCII. Een ftuk van de gezeyde kalfs Milt, zoo toebereyd, dat de overdwerfle fibren ons zeer klaar in ft gezigt komen. N°. XCIIL Een ronde Pedeftal, en daar op een geheele Milt vaneen jong geboore kind, waar van het vlies daar het mede bekleedt is, niet is afgedaan; defzelfs flag-ader vervuld zynde, vertoonen haar de uyterfte uyteynde onder het vlies. Aan de zyde kan men ook het Maagc kuflfen zien, dat mede zeer rood is, om de reden, voor heen dikmaals vermeit. N°. XCIV. Een groot ftuk van een menfche Milt, dat nog omvan- gen is van zyn vlies: waar in zeer klaarlyk blykt, dat dit ingewand niet minder als uyt klieren beftaande is, want de vaten daar van zyn geheel anders geftelt, als die, welke de Nieren en Lever te zamenftellen, zo° dat het onderfcheyd harer werking niet beftaande is in de verfcheydent- heyd der fweergaatjens , die nooyc van ymand zyn voor oogen geftelt, maar in de verfcheydentheyt van loop, figurc en iubüantie van ’t uyrerftc der vaten : en nadien ik nu de gezeyde Ingewanden zeer klaar vcr- tone (zonder onnutte of ydele excarnatie} dat dezelve niet bedaan uyt zoo genaamde Klieren, welke my niemand tot nog toe heeft konnen ver- tone, zoo en zal my niemant met recht kunnen befchuldigen van te zyn een dedrueer der der klieren , gelyk voor dezen verfmadelyk gedaan wierd. N°. XCV. Een droog glas, waar in de roede met het zakje van een kint ophangen. Het zakje zeer zinnelyk toebereydt zynde, heeft zyn natuurlyke ge- daante behouden> ’t zelve is wegens de opvulling der bloetvaten zeer root van couleur. Van FREDERIK RU Y S C H, 841 Wanneer ’c zakje met een pypje, tuflehen de huyt en ’t vlezige (van my het celluleuze gezegde} vlies ingebragt zynde, opgeblazen wierdt, heeft de roede zich ook door de wint opgerecht; en nadien hetcelluleuze vlies van ’t zakje aan een gefchakelt is met dat van ’t geheele lichaam, blykt het klaar, waarom de menfehen des Zomers (als ’er een zware (lag in den oorlog voorgevallen is) gefneuvelt en op den rug leggende, bin- nen vier en twintig uren menigmaal een dyve roede krygen; ende dat we- gens de geding der vochten in den celluleuzen rok, waar door her gehe- le lichaam, ’t hooft zelfs niet uytgezouderc, op een wonder baar lyke wy- ze opzwelt. Toen ik voor dezen van een Heer, die in ’t leger gedient hadde, ge- vraagt wierde, wat de oorzaak van deze oprechnng was, konde ik hem de ware reden niet zeggen, maar nu heb ik zulks gezien in t dode lichaam van een zeker man, dewelke door een geweldige doodt met een mes was omgebragc, wiens lichaam tot bederving en geding gekomen zynde, heb- ben wy de roede opgerecht gevonden* Boven op ’t dekzel is gedelt een ander glas met vogt. No* XCVI. en daar in den Aars van een jong Kindje, als of het leven- dig was , met deszelfs ployen en onder de uitpuy lende dreep ; dit voorwerp is zeer net gepreepareert. No. XCVIL Een moot van de roede in vogt bewaart, waar van de drie zenuwagtige fpongieufe lichamen, met een rode wafchagtige doffe opge- vulc zyn. In dit voorwerp komen ook de opgevulde bloetvaten, door den rug en de zyde van de roede lopende, te voorfchyn. Nu. XCVIII. Een vies met vocht, bewarende het voorde gedeelte der roede. Ppppp Merk x. anatomisch cabinet Merk aan, Gelykerwys eerbaarheyts hal ven de krone der roede achter het roedenhooftje is afgefneden , aldus is ook een gedeelte voor de krone weggenomen. In dit gedeelte van ’t roedenhooftje, zogy’t van achteren befchouwt, komen ’er naar ’t hoofrje toe de twee zenuwagtige fpongieuze grote lig- chamen , als mede het kleyne, dat den pisweg omringt, te voorfchyn: Maar in tegendeel het voorfte befchouwende , ziet men het vierde ze- nuwagtige fpongieufe lichaam, ’t welk niet anders is, als een aaneenfcha- keling van ’t kleine fpongieufe lichaam, dat den pisweg omringt. Zie wat ik over deze zaak in myne ontleet en heelkundige aanmerking ge- fchreven, en hebbe laten afbeelden. In ’t opperfte gedeelte van dit voorwerp vint men ook de zenuwagtige tepeltjes, die ik in myne Anatomifche Cabinetten heb laten afbeelden, en welke de zeer fchrandere ontleder Morgagnius voor klieren befchreven en afgebeelt heeft* Boven ’t kleyne zenuwagtige fpongieuze lichaam, komen ’er twee af- gefnede bloetvaten te vore. Nadien dit alles met een rode wafchagtige ftoffe opgevult is , kan ’t wel gezien worden. N°. XCIX. Een voetje, en daar boven op een rots, uyt ftukken van een anderen rots t’zamsgeftelt in welkers holligheydt een grote vies, waar in een uytgerafelde grote bal van een menfch befloten is: Hier kan men zien, hoe dun deze vaaties zyn, die den bal voor’tgrootfte gedeelte Uyt> maken, wanneerze van ’c zaat berooft zyn: want ze zyn zo fyn als dons, in de welke echter het eerde beginzel van ’t Zaadt gemaakt wort, zonder tuflchenkomft van voorgegeve klieren ■, en wat zou ’er in de weg wezen, waarom de andere ingewanden, die by na uyt enkele vaten beftaan, zonder klieren, de vereyfchte vogten niet zoude toebereyden? N°. C. De Bal van een Menfch op een andere wyze, namentlyk de Zaadtftofte uytgedrukt zynde, toebereyde, zodat de vaatjes, die den bal uytmaken, zo dun zyn , dat ze de gedaante van fpinrag fchynen te heb- ben, dog echter houdt men tot nog toe onwrikbaar, dat ze hol zyn. N°- CL De Zaad blaasjes van een menfch , met zaadc nog opgevu^3 met hare uyt werpende vaten , Voorftanders , en ’c Hanenhoofr > (of ’t [iuirunculaJ kleyne vleefchheu velde) met den hanenbek van de Graaf. N°. CIÏ. Het Borftbeen van een jong ilind mcc de afgefnedenê Kraak- beenderen der Ribbens: dit is zoo wel toebereyd, dat de Kraakbeenderen als doorfchyneade zyn. Daarenboven zyn niet alleen de flag-aderen, die over het Borftbeen en J ° Kraak- kraakbeenderen der Ribbens loopen, maar ock die, dewelke onder het borft-been paffeeren, die men de inwendige Mams flagaderen noemt, zeer mooy vervuld. N°. CIII. Het gehele hooftje van een Mannely ke roede, met een gedeelte der roede. Schoon ik de zenuwagtige fpongieufe lichamen met een rode wafch- agtige (toffe opgevalt hebbe, is evenwel het gehele hoofje wit gebleven, en dat wegens de opblazing van ’t celluleuze vlies onder ’t dekzel van ’t hoofje gelegen. No. CIV. Een Voetje en daar boven op twee moten van een Mannelyke roede 5 nadien de roede is opgeblazen, gebalfemt, en verhardt, kan men de drie zenuwagtige fpongieufe lichamen met den pisweg, en ’t middel- fchot zeer klaar zien. N°. CV. Een droge Vies, en daar in de roede van een Jonge, met het daar aan vaftzittende Balzakje, fchynende re leven. Merk aan, dat den celluleuzen rok van deze voorwerpen opgeblazen, en aldus de roede ftyf geworden is ; dit heeft de opblazing van den ge- meiden rok alleen veroorzaakt, zynde de zenuwagtige fpongieuze licha- men ingetrokken en niet uytgefpannen: de huydt van ’t Balzakje en de roede is op verfcheyde plaatfen afgefneden, op dat het celluleuze vlies, als mede het middelfchot van ’t Balzakje in ’t gezicht zoude komen 5 en dat aan te merken is, het middelfchot met den celluleuzen rok t’zamenhangen- de, is zo wel opgeblazen en Celluleus, als de celluleuze rok van’t zak- je, die de vlezige rok gemeenlyk genaamt wort. N°. CVI. Een Hardt en zeer groot ge worde Baarmoeder van een Vrouw, ’t welk ik in oude Vrouwen menigmaal ondervonde hebbe5 daar en boven komt ’er in de boven 11e oppervlakte een ander en kleyn hardt- gezwel voor den dag, als mede de eyerneften , de eyerpypen (detrompet- ten van Fallopius genaamt) zynde dit alles zeerwel gcftelt, en in een vogt bewaart. van FR.EDEK.IK R ü Y S C H. is° CVII. Een vies met vogt, waar in een Baarmoeder met de onder- horige delen; (zonder de VTrouwelykheydt) een van de eyerneften bedor- ven, en door my geopent zynde, hadt een vreemde (toffe in zich beflo- ten, ’t welk door een ingertoke doorntje aangewezen wordt. N°. CVIII. De teeldelen van een Meysje, (zonder de fchamelheydt) waar aan een gedeelte van den endeldarm , en de gehele Waterblaas vaftzitren. Nadien de Baarmoeder tuffellen den endeldarm, en de waterblaasaltydt gelegen is, berekent zulks, dat een menfeh tuffehen (front en pis geboren wordt. Dit alles met een vleefchcouleur pronkende fchynt nog te leven. Fp PPp 2. N°. CIX. X. ANATOMISCH CÜBINET No* CIX. Een Vies met vogt de Baarmoeder van een Vrouw met de aanklevende eyerneften, Trompetten, het lofwerk , banden, en een ge- deelte van de fchede in zich onthoudende 5 nademaal alle de drie Baar- moeders met hare aankleve in vogt hangen, en by gevolg haar natuurlyke plaats niet behouden, wort ’er in ’t onderfte van dit Cabinet een gedroog- de Baarmoeder met de onderhorige delen bewaart, waar aan de letters A. B. C. 6cc. gehangen zyn , tot opheldering van de voorgaande in vogt bewaarde Baarmoeders , ten aanzien van de plaatzing dier delen. N°. CX. Een Kindje van omtrent vier maanden en een half dragts, zittende op een gedeelte van een Moerkoek, in wiens handje onthouden werd een tackje van de Acacia Spinofa. N°. CXI. Een henne Ey met een ftaart. N°. CXII. Een vies met voght en daar in het onderfte van ’t Rugge- ge-mergh van een menfeh met deflelfs paarde ftaart, ’t welk niet anders is, als een bondel van Zenuwen, die na de onderfte leden lopende, haar voorraat verfchaften van geeften. Nadien nu de drie groote en breede planken befchreven zyn, zal ik nu overgaan tot de drie fmaldere planken , waar op mede verfcheyde raare voorwerpen gevonden werden. De eerfte kleyne PLANK, N°. CXIII. Een gedeelte van ’t vel van een onvoldraage Kindje, waar door heen zeer veel roode en fyne bloed-vaatjens loopen. N°. CXIV. Een glas met voght in zigh onthoudende een gedeelte van de Rugge-graat, waar in ons voorkomt een gedeelte van ’t Rugge- mergh, wiens fchorflige fubftantie in ’t midden van de merg-aghtige ge- plaaft zynde, ziet men te beftaan alleenlyk uyt bloed-vaatjens, waar door die fchorftge fubftantie zig hier zeer rood vertoont wegens her opvullen. N°. CXV. Hen vierkante Nootebooms Doosje , en daar in een Scheen- beentje met de uyterfte voet van een Kindje dóór het balfemen gemaakt. Aanm: De opgevulde bloed-vaatjens van ’t Vel zyn zoo menigvuldig, dat de aanfehouwers haar niet genoeg konnen Verzadigen in het aan- fc hou wen. -No, CXVI. Een gedeelte van het Middel-rift, waar van ik ’t zelv.e 5 zoude Van F R E D E R I K R U Y S C H. zoude durven zeggen 3 als van de voet, wegens demenighteen fubtielheyd der Bloedvaten, want alle zynze tot het uyterfte toe vervult. N°. CXVII. Een droogh gedeelte van ’t Net, ’t welk zig hier zoo fyn opdoet, als een fpinnewebbe, egter kan het dikmaals zoo verdicken en verzwaaren, gelyk Vefalius voorgekomen is, dat het vyf ponden kou- de haaien. N°« CXVIH. Het Borft-been met de Kraak-beenderen van de Rib- bens van een Kindje van zeven maanden draghts. Aanm: Aan de voorftezyde vertoonen zig de bloed-vaten van ’t vel, die tot het uyterfte toe opgevuld zyn: aan de agterfte of binnenfte zyde komt ons vooreen gedeelte van ’t Borft-vlies, wiens bloedtvaatjens zoo fyn zyn, als dons, eghter zyn zy tot een toe , geheel opgevuld. N°. CXIX. Een gedeelte van een kalfs Milt, waar in men de poreus- heyd van de Milt-ader kan zien, ’t welk in de menfch geen plaats heeft, zoo als ik te vooren gezegt heb. No. CXX. Een boute curieufe Komme vervuld met alle de dunne Dar--, men van een jonge, zeer net geprepareerd en zeer rood, wegens de op- gevulde Blced-vaten. N°. CXXI. Het fcheen-been van een kind, zonder de uyterfte Voet- en Dye , door wiens vel, de uyreynden der Bloed-vaten gevuld zyn- dc, zoodanig lopen, dat men de waare cours en gefteldheyd daar van zien kan. N°. CXXII. Een vies met voght in zigh een andere vies met voght behoudende, over wiens oppervlakte uytgeftrekc is een gedeelte van ’t Net van een jong geboore kindje, ’t welk zeer cierlyk zynde, ons aantoond de manier en wyze hoe het vet zigh vergadert in haar cel- lekens. N°. CXXIII. Een pedeftal, waar op gezet is een ftuk van de Longh van een jongh geboore kindje, wiens blag-aderen tot het uyterfte toe op- gevuld zyn, waar door de geheele portie ons zeer rood voorkomt. De Doorntjens van de grootc gedoomde Weftindifche Vygen, wyzen ons aan die wonderbaare cours, en ’t groote getal der uyterfte eyuden der Slag-aderken van dit ingewand. N°. CXXIV. Beyde de Ooghfchellen van een menfch, welkers in- wendighe oppervlakte met zeer veel Zenuw-tepeltjens voorzien zyn, waar door de Ooghfchellen van binnen zoo gevoeligh zyn, datzenaulyksecnig aanraken, ook geen,zand of yets vreemds verdragen konnen. In dit voorwerp doen haar niet alleen op de 1 raan-ftippen , maar ook die mondekens van de uytgevende canaaltjens, dewelke inde rand der FPPPP 3. Oogh- X. ANATOMISCH CABINET Oogh-fchellen zitten, dewelke van de Heeren Profeflbren Meyboom, cn Morgagnus afgebeeld zyn in haar fchriften. Ontrent deze gezeyde tnondekens heb ik geobferveert, dezelve niet an- ders te zyn, als openingjens van kleene flangs-wyze lopende canaaltjens, dewelke continueel en vereenigt zyn, met deuyteyndender Slag-aderkens, gelyk de uyteynden der Slag-aderkens van de Nieren met die der Pisca- naaltjcns, dewelke van de Profeflbr Bellinus, en na heen van my, en ook van andere afgebeeld zyn geworden. Wilt ondertuftchen W, L. voor geen waarheyd aannemen, dat deze gezeyde canaaltjens haar oorfpronk zoude hebben uyt gepretendeerde cn ingebeelde Kliertjens, want ik heb meermalen bevonden, wanneer ik de dight byzittende Slag-aderkens vervulde, dat alle deze Canaaltjens ook vol liepen, zoo dat zy contmueele lighaamtjens zyn. N°. CXXV. Een vies met voght , waar in bewaard werd het Oogh van een menfeh, ’t welk met een fchaartje geopend zynde, haar deze na- volgende zaken opdoen. Ten ie. Een gedeelte van *t Witte, en ook het Hoorn-vlies, daarnevens het Ruyfchcn en Aderlyke vlies, en wat een onderfcheyd er is tuffchen deze twee kan men hier zien. 2.e. Het Spmne-webs wyze vlies komt hier uyt het midden te voor* fchyn. 3e. De Hayr-band, en deszelfs 4e. Voortgang, alsmede 5*e. De Regen-boogh, ook 6e. Die circul in de ooitrek van de Ooghappel, dewelke beftaat uyt bewegende draaden , dewelke den Oogh appel toetrekken. Staat verders te confidereeren , namentlyk, 7e. Dar de buytenfte oppervlakte van ’t Oogh hier voorkomende, de binnenftc is , ten eynde het boven vermelde te beqaamer konde gezien werden. N°- CXXVI. De grond van een gedroogde menfche Waterblaas, ftaande op een pedeftal, door dezelve loopen ontelbaare cierlyk opgevul- de bloed-vaten , welkers cours geenzints over een komt, met die geene , dewelke door het Vel, Nieren, Milt, Lever, en andere deelen loopen. N°. CXX VIL Een groot ftuk van een fponcieus beenige fubftantie, op een ftuk van een rots geplaaft: ’t zelve heb ik gebroukc van een prodi- gieus , en byfter groot ftuk van de zeilde ftubftantie, ’c welk van zoo groot een zwaarte was, dat ik ’t zelve te naamver nood van de vloer konde op- tillen: En nadien het ten deeie zeer nauw overeenkomt, met de fpongieus- beemge Van FREDERIK RUISCH. beenige fubftantie, de welke gevonden werd in de aanhangzelen der been- deren dermenfchen, en ten deelen met de Iponcieufe beenderen van de Neus der Kalveren, 200 kan ik niet bedenken uyt wat dier’t zelve voort- gekomen is, ten waare uyr een Walvifch, dit alleen kan ik metwaarheyd zeggen, dat het op onze zeeftranden gevonden is, en tot nu toe t’mynen huyze dit groote ft uk bewaard werd. Nu. CXXVIII. Een droog glas, waar in onthouden werd* de Wa- ter-blaas van een jongh geboore kindje, met deszelfs Pis-vat, en twee Na- vels Slag-aderen, en zyn deze alle zeer rood van couleur, wegens het op- vullen der Slagaderen , zoo dat men met geen pun£t van een naald in de Wa- ter-blaas zoude konnen fteken, zonder quetzing der Bloed-vaten. N°. CXXIX. Een zeeker Vlies wiens flag-aderkens meteen geelwaftl- fre ftoffe zyn vervult , en wel zoo konftig, dat de uyterfte uyteynden ge- zien werden, dewelke zeer aardig gevlogten door den andere heenloopen. Die geene die ft ook tot mynent gezien hebben, die hebben haar niet genoeg konnen verwonderen, dat ik de bloedvaten zoo verre heb weten te vervolgen, tot dat zy dons of catoens fynte gekregen hebben, en egh- ter opgevult zyn geworden. De tweede klcyne PLAN K. Nu. CXXX. Een ftuk van ft Vel van de bal van de voet van een jon- ge, wegens meermaals verhaalde opvulling zeer rood van couleur* Ontrent de uyterfte eynden der flag-aderèn, dunkt my dat ik iets by- zonders verneetnej myn voornemen is ft zelve in ft toekomende nader re onderzoeken. Het gebeurt menighmaal, dat ons duyzende van kleyne rondelighaamt* jens buyren op ft vel voorkomen, en daar wat uytfteken niet alleen in le- vendige cn doodt menfehen , maar ook zelfs in de vogelen , waar uyt dat de vederen voortkomen, gcjyk onze hayren uyt de uyteynden der Zenu* wen: indien men die ronde lichaamtjens voor Vel-klieren wil debiteeren, zullender geen Vel-tepeltjerrs te vinden zyn , en in tegendeel zo- menze voor Vel-tepeltjens wil houden, dan zulknderde Vel* klieren ont- breken. Ik vertrouwe, dat die ronde lighaamtjens, die by zonimige buy- ten het vel uytpuylen niets anders zyn, als uyteynden der Zenuwen, en voor Zen uw-tepelrjens moeten geboekt werden: temeer, oiftdatdcZe- nuw-tepeltjens veelerhande zyn cn verfcheyde van maakzel, gelyk als in . ‘,n?i i ■ ■•■ .0 , de X. -A NA T O MIS C H CABINET de Tongh, Tepel van de borften, Schaamdeelen, Voorlappen van my in ’c 3de Anac. Cabinet afgebeeld, Oogfchellcn en andere parryen. Weshaiven ik oordeele dat het wel de moeyte waardig is, verders te onderzoeken, wat daar fy van de oorfpronk van ’t fweet, of wat de ge- pretendeerde en al zoo genaamde Vel-kliertjens zyn, gelyk Malpighius fuftineerc of de uyterfte uyteynden der flag aderen , waar uyt het fweet als een dauw voorkomt, gelyk ik fuftmeere. N°, CXXXI. Een ftuk van ’t Vel van een menfche-hoofd, immers zoo rood, als het voorgaande, wiens uyterfte flag-aderkens ten opzigte van haar loop ook van de voorgaande verfchillen, gelyk het in de gezeyde voorwerpen te zien is. N°. CXXXII. Een kleyn ftuk van de Lever van een jonge, met des- «elfs Gal-blaas, en een gedeelte van ’t vlies dat de Lever omvangt. Aanm. Dat de Galblaas uytgefpannen en zonder deuken ons voorkomt, en loopen door de zelve zoo veel flag-aderkens , datrer geen fpatie overig is, daarze niet in ons gezight komen. Dit bovengemelde vlies is mede zeer ryk van Slag-aderkens, en lopen dezelve by na op de zelve wyze , als de Zenuwen in de bladeren der boo- men, en zyn derzelve uyterfte uyteynden als dons of katoen. Staat ook verders aan te merken dat ik in ’t vervullen alleen maar dc Slag-ader genomen heb, zoo dat nog de tacken van de Poort- nog Hol- ader daar van medegedeelt zyn geworden, waar door dit gedeelte van dc Lever ons zwart voorkomt De Slag-ader van de Gal-blaas komt ons ook hier plyzierig voor , en als zy het Gal-blaasje wel voorzien heeft, zoo loopen deszelfs takjens ver- ders door de fubftantie des Levers, en dat in zeer groot getal * de Au- teuren hebben deze takjens t’onregt aan gezien voor wortels van dc Gal-blaas. N°. CXXXIII. Het halve aangezigt van een jong geboore Kindje. In dit voorwerp kan men zien. '• Ten ie. De ruyghe verheventheden van de bovenfte Lip, na het weg- nemen van ’t bmtenfte bekleetzel. Zie het 3e. Anat. Cabinet. Ten 2 Zoo komen ons ouk hier voor de Sweet gaaten van de huyd namentl. daar her oppervelleke weg genomen is. Ten 3e. De couleur van ’t Aangezigt verbeeld die van een levendigh Kind, zoo dat hier geen affchuwelykheid te zien is. CXXXIV. Een gedeelte van de Bogtige 9 of Weeke-Darm van een Jonghe zynde van een levendige couleur, waar in ons voorkomt een Infchieting van ’t gedarmte, als mede de Klieren van ’t Darmfcheyl die rerhard of tcirrheus zyn geworden. 140. CXXXV. Van FREDERIK RUYSCH. . 849 N°. CXXXV. Een droog glas, waar in, aan een roode zyde draad opgehangen is een fteen als Marmorfteen, die ik in een Galblaas van een menfch gevonde heb, dezelve van ter zyde gezien zynde, verheelt de kop van een Uyl. No. CXXXVI. Een vies met Yoght, en daar in een gedeelte van de Wang van een menfch met een gedeelte van de onderfte-kaak. In dit voorwerp zien wy zeer klaar [na het wegnemen van ’c inwendig bekleetzel Efithelid] zeer veel Zenuw-tepeltjens, en hoe groot een on- derfcheid daar is tuflchen die geene, dewelke de bovenfte, en die, de- welke de onderfte plaatzen bekleeden, kan men hier zien. En fchynen deze Tepeltjens meerendeels van twee t’famengefteld te z yn. Daarenboven komen ons in ’t gezigt de Tepeltjens van ’t Tandvleefch waar door het Tand-vleefch zoo pynelyk is, als het van zyn inwendig bekleetfel ontblood is. Ziet de ie. Tafel. 2‘. Fig N°. CXXXVII. Een droog glas, en daar in een gedeelte van ’t vlee- fige deel des Middel-rifs van een Jonge, waar door ontelbaare opgevulde Slag-aderen loopen, welkers kours zeer verfchillende is van die > die door het vlcezige deel paffeeren. N°. CXXXVIII. Een Tombe of Grafftede, daar in het geraamte van een Kindje van ontrent twee-en-twintig weeken draghts. Het zelve is zeer net, maar niet op de gemeene maniere toebereyd, het hoofdje is verciert met een kroontje van zeer kleyne natuurlyke bloem- kens, en voornamentlyk van dc foorten van Xeranthemura, die haar cou- leur behouden * in zyn linker handje houd het een tack van een opgevulde Slag-ader, een rode Coraaltak verbeeldende. Nu. CXXXIX. Een Pedeftal waar op een kleynSteen-rotzjegeplaatft is, in wiens holte gevonden werd een Eytje van een Hen, ’c geen uyt een ander honder Ey gehaalt is. Het zelve is mede met een harde fchaal bezet, even eens als ’t Ey daar het uytgehaalt is. Siet Taf. 111. Fig. 111. N°. CXL. Een gedeelte van de Longh van een onvoldrage Kindje op een Pedeftalletje gezet, wiens Slag-ader vervult is, waar door het geheel rood is, en daar het doorntje van de groote Meloen-diftel geplaatft aldaar komen ons de uyterfte uyteynden opeen wonderlyke manier in ’t gezight. N CXLI. Een vies met in zig onthoudende een gedeelte van de Maag van een menfch, dat zeer rood is wegens meergemelde opvul- ling der bloedvaten, Q.q q . CXLIX. Een doorgefnedene en zeer konftige opgevulde Nier van een Kindje, waar in niets , dat na een Klier gelykc, voorkomt, om dat De ronds Klierwyze Lighaamtjens, waar van ik voor deze gefproken heb, zyn iri ’t geheel ontbonden. De Van FiIEDERIK RÜYSCH. 851 De wegen van Bellinus zyn mede in ’t geheel vervult door het opvul- len der Slag-aderkens. De derde kleyne PLANK. N°. CL. Een Pedeftal, waar op gelet is een vies met voght, in zigh onthoudende een Schepfeltje van een menfeh, de groote hebbende van ontrent een groot lid van een vingher, wiens uyterlyke leeden volmaakt zyn, ziet de ie. Plaat, de i?. Fig. Ontrent dit Schepzeltje is aan te merken Ten ie. Dat het zelve nogh in zyn water bcflooten is, zoo als *t in ’s moeders Lighaam gelegen heeft, en dat in het witte vlies (Membrana amntos) ’c geen zoo dun is als een Spinneweb. Ten 2e. Dat deze voght mede zoo helder gebleven is, dat men het Schepzeltje van alle kanten zeer fraay zien kan. Ten 3e. Als mede, dat het in ’t boven-gefeyde water van de moeder, nu ook bewaart werd in myn balfamike voght 5 zoo dat het nogh behou- den heeft de natuurlyke en levendige witheyd, en zoo ook nog gefteld is als of het nog in ’s moeders Lighaam was 5 en nadien alle deze zaaken by na des menfche verftand te boven gaan , zoo is ’t niet te verwonderen, ook neeme ik het niet qualyk, dat eene van die geene, die myne fchriften gewoon is te beknibbelen, gezegt heeft, dat zulks onmogelyk is, maar dat deze voght daar uytgenomen, en andere daar weder in gedaan is, want ik zoude zelfs qualyk gelooft hebben, dat zulks zoo zoude konnen ge- pnepareert werden > maar die ’t voorwerp, zonder vooroordeel beziet, zal bevinden, dat zulks onmogelyk is geweeft, om te doen, wegens de teder- heyd van dit vlies, de eerlle voght af te gieten, en daar andere wederom in te doen : daarenboven zoude zulks niet konnen gefchieden zonder knooping van ’t bovengezeyde hayrtje, waar aan het hangt} maar men giet hier de minfte knoop niet in, ik heb alleenlyk maar een fyn naaldje met een hayrtje voorzien, genomen, ’t welk ik met een fagte hand door het viesje en Navelftrengetje heb geftooken , en zoo in het vleflle gedaan, en zulks kan men hier zeer klaar zien; 200 dat niemand kan twyfejen, die dit voorwerp ziet, gelyk mede niemand nu meer twyfeld, datter in c Oogh een Ruyfche-vlies is , dat ook de fchorfige mbftantie van de Herflene niet anders is} als pulpeufs uyteynden van de Slag-aderen, maar dat ’er nog gevonden werden, die quaiyk cordeelen van ’t geftel van dc Lever, Nieren, en Milt, kan ik my niet genoeg verwonderen, nademaal Qqqciq2 * ik ik zulks zonne klaar vertoon, en dat in geheele Ingewanden, en die nog aan het verkeerde oordeel wil blyven hangen, laaten zy het tegendeel too- nen, niet met de oogen van gedagten, maar met die des Lighaams ,’t geen ik doe in myne uytgegevene zaaken. N°. CLI. Een Pedeftal gemaakt uyt broeken van een rots, en in plaats van roode Corall-tacken heb ik genoomen tacken van roode opgevulde Bloed-varen, waar op geplaaft is een rond mutsje of bonnetje, en dat van ’t Vel van ’t hoofd van een Kind, dat zeer rood is, wegens de menig- vuldige opgevulde Bloed-vaten 5 de buytenfte oppervlakte is overal bezet met blonte gekrulde hayren. N°. CLU. Een vies met vogt, waar in ons voorkomt de Nier vaneen jongh geboore Kindje, wiens fwarte Gal-klier of By-nier nog op de Nier is leggende, en is dezelve van zoodanige groote, dat zy bykants in groo- te met de waare Nier over een komt. X. ANATOMISCH CABINE T. Aan ’t bovenfte gedeelte van dit voorwerp is nog vaft een gedeelte van ’t Middel-rift, voorzien zynde met opgevulde Bloed-vaten, en dat in groot getal. Aanmerkt ook dat de gefeyde fwarte Gal-klier, als in tween is ver» deelt» N°. CLIII. Een vies op de zelve wyze toebereyd, en daar in een ge- deelte van de Herftène van een menfeh, waarin zeer klaar te zien is, dat de Scnorfige fubftantic beftaande is, uyt opgevulde Bloedvaatjens. N°« CLIV. Een menfche Oor in de voght, dewelke haar natuurlyke roode couleur in ’t prepareren weder gekregen heeft. N°. CLV. Een gedeelte van ’t Ader-vlies (Qhorion) in twee vliefen verdeelt, ’t geen in een levendig menfeh fomtyts ook wel gefchied, na- mentlykdan, wanneer de vogt, die in ’t witte vlies (,Amnios) onthouden werd, ten deele komt te Typeren tuffehen de verdubbeling in3 en als dan komt ’er in ’c baaren wel eens tweemaal een vlies te breken met uytperfllng van water, cn heeft zulks mogelyk oorzaak gegeven aan die geene, de- welke een derde vlies in ’t menfche Lighaam erkent hebben, van haar {Allavtotdes Membrand) Pis-vlies geheten zynde 3 ’t geen men egter te vergeels zoude zoeken in een ge/onde en wclgeffeide ftaat. N°. CL V E Een Pedeftal, waar op geftelt is een gedeelte van de Nuch- teren-darm uyt een menfeh zoodanig toebereyd, dat men deOogh-luyken- de Klap-vliefen, (van my Latten genaamt) niet alleen in ’t geftgt komen, maar zelf de opgevulde bloedvaten van de gezeyde Latten. N'\ CL VIL Een droog gebalfemt Oorrje van een Kind, waar door duyfende van opgevulde bloedvaatjens loopen» N°. CLVII. Van F R E D E R I K RU Y S C H. N°. CLVIII. Een gedeelte van de breede Worm, {Vermis lat ns) en dat in de voght. N°. CLIX. Een gedeelte van de Nugteren-darm van een Kind , ’t welk zeer rood is, wegens het opvullen der bloedvaten, deszelfs Latten puylen meer uyt in de binnenfte oppervlakte, als wel in de voorgaande , en daar door loopen ook zeer veel ja ontelbaare Bloed-vatcn heen, ’t geen ik beken van te vooren zoo net niet gezien te hebben. N°. CLX. Een gedeelte van het Darm-fcheyl van een Kind, waar door eenige Klieren heen loopen, welkers vatig geitel, door het vergroot- glas gezien zynde, zeer wonderbaarlyk is. Deze zyn niet als in een klouwe rondom lopende, maar dezelve heb- ben een onordentelyke en wild door elkander loopende cours, en dat in Zoo groot een getal , dat gy niet anders zoude zeggen, of ’t waren niet als vaatjens, welker uyterfte pulpeufe gefteldheid van een andere hoeda- nigheyd is als in de Milt, en andere deelen. N'J. CLXK Een vies met voght waar in bewaard werd een Armtje van een Kind, zoodanig toebereyd, dat het zeer wel overeenkomt met een Arm van een, die de Purper koortz heeft: tuflehen de vinghers houd het yets ’t geen na een dik en breed bekleetzel gelykt, dog Het zelve is egter niet anders als verdikte huy of wey van ontflroke bloed, ’t welk na het aderlaten op de oppervlakte van ’t bloed gevonden werd: Dit van my afgenomen zynde, heb ik in myne voght gedaan, waar door het zoo een harden tayheyd bekomen heeft, dat het een vaft en dik bekleetzel komt te verbeelden. N°. CLXII. Een vies , en daar in een gedeelte van de Nughterc- darm van een menlek, uyt wiens inwendige oppervlakte uytpuylen Klier- agtige Lighaamtjens, of eenzame Kliertjens. N°. CLXIII. Een voetje verzien met zaadtblaalies van eenMenfch, met een witte wafchagtige ftolfe opgevult, en hardt gebalfemc 3 aan deeze zit de voorftander, (of gelyk andere willen in ’t meervoudig getal voor- ftanders) vaft, als mede de uytwerpende vaten, dewelke, cerze zich in de zaadtblaalies inplanten, de natuur der blaalles aannemen3 daar en boven ziet men ook het Hanenhooft, als mede de twee montjes der gemelde blaa- hes, ende de montjes der voorftanders. N°. CLXIV. Een vies met voght waar in de Gezight-Zenuwen zyn geplaatft, dewelke Uyt zeer veele Zenuw Fibren zyn t’famen gefield, verbeelende Indiaanfch riet. N°. CLXV. Een Pedeftal, waar op gefield is eenquabbe van een men- fche Long, wiens Bloedvaten zoodanig zyn vervuld met een geelwallige 3 ft olie. x. anatomisch cabinet doffe 3 dat het geheele voorwerp niet anders fchynt te beftaan als uyt en- kele bloedvaten. N°. CLXVL Een gedeelte van een menfche Long op een Pedeftal, wiens verdeeling der quabben hier beter te zien is, als in ’t voorgaande voorwerp. N°. CLXVIL Een groot, en wegens het opvullen zeer rood, ge- deelte van de Long van een Kalf, wiens quabbens geheel van een ander geitel zyn, als in een menfch, ’t welk hier klaar genoeg te zien is: Ja dit voorwerp wel bezien zynde is het ligt af te nemen, dat veele Auteu- ren de Figuuren der Longen hebben doen afbeelden na de Longen der Kalveren, en niet na die der menfchen* N°. CLX VUL Een gedeelte van een menfche Long, droog gebal- femt, en ’t geen aan te merken ftaat, al hoewel de flag-aderen opgevult zyn, zyn egter de blaasjens van de long open gebleven , zoo datfe haar nigte, form en groote behouden hebben. No. CLXIX. Een quabbe van de Leng van een jong Geboore Kind- je , waar in quabbeties werden gevonden met doorntjens getekent, op welke plaat zen , die deeltjens ons voorkomen , als of die alleen uyt fappi— ge uyteynden der flag-aderen beflonden. In ’t onderfte van dit Cabinet zyn twee laaden, waar van de ie. In zig onthoud, N°, CLXX. de Teeldeelen van een vrouw, dewel- ke door het balfemen, ontrent 40 jaaren geleden, zyn verhard, en op een plank uytgefpreyd: defe haare Slag-aderen zyn met een rood wallage floffe opgeviiid. Door de Letter A. werd ons de Nedergaande flronk van de groote Slag-ader aangewefen. B. B. De twee Nier Slag-aderen. C. C. Der zelver verdeeling. D. Vertoont ons de verdere verfpreyding van de Nier-flag-aderen, en dat aan de rechter zyde, welke preparatie zeer cierlyk is. L- L. De By-nieren met kork opgevuld, waar van die van de linker zyde driehoekig is} en de rechter verbeeld de tong van een jongeling. F. F. De Slag-aderen van de By-nieren, uyt der Nieren Slag-aderen voortkomende. G. De linker Nier met kork vervuld, op dat zy de rechte figuur zou- de verbeelden, die zy had voor de opvulling, en deze is voorzien met twee Niers-Slag-aderen , ’t welk zelden gezien werd. H. H. De twee Zaad-Slag-aderen, voortkomende uyt de nederdalende ffronk van de groote Slag-ader, en dat onder der Nieren-Slag-aderen. I. Des Van f REDEUK RUYSC H. 855 I. Des Maags-Slag-ader. K. De bovenfte Darm-fcheyls Slag-adcr. L. L. Der Lendenen Slag-aders. M. M. De Slagaders van ’c weeke der Lendenen. N. N. Derzelver verfpreyding. O. O. De Tacken dewelke uyc die verfpreyding voort komen, en ko- men uyt de zelve ook voort die takken, dewelke door de Lyf-moeder, en deszelfs fchecde loopen. P. De L/yfmoeder met kork toebereyd, op dat zy meede haare natuur- lyke groote en figuur zoude verbeelden, behouden te hebben. Q. j)e Water-blaas, dewelke door het opblaafen, ons als natuurlyk voorkomt, zonder deuken of rimpels. R. Des Lyf-moeders fcheede dewelke zeer ruym en wyd is, mogclyk wegens het uytfinken des Lyf-moeders, waar mede zy behelpt fchynd ge- weeft te zyn in haar leven. S. De Water-canaal, met deflelfs openftaande mond. T. T. De twee rond en lange banden van de Lyf-moeder. V. V. De twee Pis-leyders. Des Lyf-moeders twee brede banden , de Eyer-flokken, en Trompet- ten van Kallopius , mankeeren in dit voorwerp, dewelke aan ’c volgende voorwerp haar laten zien. Na. CLXXL Een doos, en daar in een ftuk van een Olipbands tand, waar in een kopere kogel gevonden werd, dewelke daar in gefchooten is, en het gat, waar door de zelve gezien werd, is zoo naau, dat men de kogel daar uyt geenzints zoude konnen uythalen zonder quetzing of bree- king van dat ftuk des tands, Ziet de fig. 8. van de 2. taf. N°. CLXXII. Een doos, en daar in een groot ftuk van een Oliphands tand met ontallyke beenige uytfpattingen, mogelyk door het fchietcn, gelyk als boven vermeld is, en zyn deze beenige uytfpattingen des Tands zoo raar, dat zy als een kleyne rots fchynen te verbeelden. Ziet de 11, plaat. Fig. 7. N°. CLXXIIL Een vierkant doofie van Indiaanfch hout, waar in ge- vonden werd het geraamte van een muys, ’t welk zeer net en curieus is, tuflchen deszelfs voorfte beenige pootjens houd het vaft, de Slag-aderen van ’c dunne harflenviies , die genomen zyn uyt een jong geboore kindje, CLXXIY. Het fcheenbeen, ’t welk door de weg-eeting {Carzes') een quade conformatie gekregen heeft, in zoo verre, dat het van buyten uyrgegeten is geworden. In- x. anatomisch c a b i n e t Inwendig in tegendeel is de holten voor bet groot (Ie gedeelte met een zeer va ft en hard been vervuld geworden. Ziet de 11. Taf. Fig. 2. en 5. De 11. LADE onthoud in zig. N°. CLXXV. De Teel-deelen van een vrouw door het balfemen ver- hard, en op een plank uytgebreyd, deze haare Aderen zyn mede met een roodwaftlge ftofte van my vervuld, ontrent 40 jaaren geleden. Let. A. De Baar-moeder met kor k toebereyt en opgevuld, om alzo© haar natuurlyke groote en forme te verbeelden. B. De linker Eyer-ftok. C. De regter Eyer-ftok* D. D. De Eyer-wegen of Trompetten van Fallopius. E. E. Deszclfs Lofwerk of Safelingen. F. F. De breede banden of vleermuys vlerken , door de welke vervul- de aderen verfpreyd zyn. G. G. De rond en lange banden, H. H. De zaad-aders, waar van de rechter haar oorfpronk neemt uyc de Nederdalende ftronk van de Hol-ader, en de linker uyt des linker Niets-ader. I. De Water-blaas. K. K. De Pifleyders. L. De nederdalende ftronk van de hol-ader. M. M. De uytmelkende of Niers aders, met haar verdeelingen. N. N. De By-nieren, Niers-klieren, of fwarte gals buskens. O. Den rechten darm* P. De fcheede waar in ons voorkomt het mondeke of opening van de water-weg. N°. CLXXVI. De Ellepyp van een menfeh, door uytering (Cartes) gants ont-aard, gedeformeert, en wel zoodanig, dat in deszelfs hollig- heid een ronde en lange beene-pyp {Fiftuld) gezien werd, dewelke gantfeh en gaar van ’t buytenfte van de Ellepyp gefepa.reert is geworden, welk ik geloove veroorfaakt te zyn door de fcherpigheyd van de etter; in de Anatomifche Cabinetten heb ik eertyds by na het zelve verheelt in een fcheen-been. Niemant zal konnen twyfelen zulks te konnen gefchieden, die te my- nen huyfe gezien heeft een fchouder-been waar in zich opdoet een fpon- gicus. Van FREDERIK R U Y S C H. : gieus-beenige fubftantie, gelyk het diploe van deHerfTen-panne, nament' lyk tuflchen twee tafels 3en dar het meer gevonden werd, weet ik door ondervindin g, en wat zouden dan kon nep verhinderen , dat de etter defe fpongieus-beenige fubftantie niet zoude konnen weg-eeten door zodanig een bederving, en als het gefchied, zoo komt de buytcnfte gedaante des beens, van de binnenife geheel en al af te fcheydcn. Men moet ook confidereeren dat dit Elleboogs-been zoodanig gefield is, dat niemand defe gezeydc inwendige pyp kan uythaalen, en wederom inbrengen, gelyk zulks blykt uyt de i. Fig. van de 3. Taf. Zoo dat hier door alle twyfelmoedigc komt te verdwynen, zoo ’ereg- ter ymand nog niet mogt voldaan zyn , en wilde twyfelen aan de waar- heyd j die komen het zien te mynen huyfè, of hy kan by Clopton Ha- vers gaan, die een Heer van ervarentheyd is, dewelke fuflmeert, dat de beenders uyt tafels ('lamella) beflaan, en dat zoo zynde, wie zoude dan weygeren toe te Hemmen, *t geen gezegd is ? N°. CLXXVII. Een Huk van ’r fcheen~been , na de lengte door ge- zaagd, en is het zelve met een hvird-beenige uytfetting uytgcfet , het buytenfle gecarieert, en de binnenfte fuperficie is in die zeivige hoog- te, mede uytgegeten en met een fpongieus-benige uytfpatting belet. Ziet de i. Taf Fig 9 cn 10. N°. CLXXVIII. Een Huk van ’t fchcen-been, in twee deelen door- gefaagd, wiens binnenHe oppervlakte zeer verdikt, verhard en topheus geworden is, de inwendige oppervlakte daar en tegen is befet met een ca- verneufe caries. ziet de 2. Taf. de Fig. 4 en 5. En Haat aan te merken, dat dit Huk gezaagd is uyt het midden van ’t Schecn-been , alwaar de huyd fchrikkelyk om aan re zien en metverfchey- de verheventheden bezet was. Ziet de 2. Taf de 6. Fig. N°. CLXXIX. Een groot Huk van de Maag van een menfeh, door het balfemen verhard geworden , in dezelve doen haar des Alaags rimpelen niet alleen op , maar ook de bloedvaten , dewelke wonderlyk tot het uyterHe toe vervult zyn N°. CLXXX. Een viesje met vogt, waar in bewaart werd een ge~ deelte van t Opper-vel van een fwart, waar in haar zeer oogfchynelyk op- doen de uyteynden van de Zenuwtepeltjens, hier aan zit nog vaH een ge- deelte van ’t vel, natnentlyk aan defzelfs binnenHe zyde. N°. CLXXXI. Een vierkante Noore-boome doos , en daar in een groot gedeelte van’t vlies, dat dc lever bekleed van een menfeh, door het zelve verfpreyden haar zoo zeer veel Slag-aderen , dat ik my daar over niet genoeg kan verwonderen: ontrent derzekver alderuiterHe uyterHe uyt. Rrrrr eyn- X. ANATOMISCH CABINET cynden verneeme ik ook iets byfonders, ’t welk dc plaatfnyder met zyn graveer-yfer niet wel heeft konnen verbeelden. En komt zulks ons ook niet in het gezigt, ten zy men ’t voorwerp van ter zyde komt te befchouwen, en dat by een heldere dagh yofin de draa- ien van de zon. Eertyds heb ik dit vlies af doen beelden in myn Epift. Anat ProbL met haare Slag-aderkens , maar wat ifter een groot onderfcheyd tuftchen die, en deefe Figuur! Ziet Taf. lil. Fig. s*. In die tyd wierd ik verblyd , dat ik door een behendig behandelen quarn te ontdekken deze gezeyde flag-aderkens, dewelke my niemand oyt had vertoont, en veel minder door figuuren van ymand had afgebceld ge- zien, maar nu in dit 10. Cabinet vertoon ik niet alleen dezelve met zoo groot een getal, maar ook met byzondere fynte de uyteyndens. N°. CLXXXII. Een doos met een ftuk van een opgezaagd Dyebeen van een jong kind, in wiens holligheyt niet alleen te voorfchyn komt, ’t vlies- je, *t welk zoo fyn is als een fpinnewebbe, bekleedende het merg, maar ook de flag-aderkens , die daar door heen loopen , ziet de 111. Taf, Fig. IV, Wanneer dit vliesje door fcherpe humeuren aangetaft word, zoo ver- wekt het onlydeiyke pyn voornamentlyk in venerifche qualen. Ontrent de bovenfte aanwas dewelke in die jonge kinderkens, die nog niet en kunnen fpreken, geheel kraakbeenig is-, zoo bemerk ik, dat deze aanwas uyt verfcheyde deeltjens is beftaande, dewelke metfer tyd tot een Lighaam werden. N°. CLXXXIII. Een viesje met vogt in zig onthoudende een ftuk van den opperhuyd van ’t onderftc van de voet van een Swart, waar in zeer klaar te zien zyn de uytsynden der Zenuw-tepelkens, zynde troeps gewyfe geplaaft. Aanm: dat aan de binnenfte oppervlakte het vel nog aan vaft zit , om alzoo alle twyfelagtigheyt weg te nemen} en zulks agce ik raar te zyn. namentl: dat men na de dood de uyteynden der Veltepeltjens kan tonen. Ziet Taf. m. Fig. 3. N°. CLXXXiiy. Een gedeelte van ’t voorhoofd van een kleen kind- je , waar in men zien kan de cours en verfpreyding der Slagaderen van de opperfte oogfchellen , voortkomende uyt de groote hoeken der oogen. Ziet Taf. UI. Fig. 6. Tftierd. dóf. jji Vaü FREDER IK RüYSCH. 859 De uytlegging der Figuren, De Eerfte TAFEL. DE le.Ie. figure van de le, plaat wyft ons aan een glas, en daar in ecu gedeelte van de wang en onderftc kaak van een menfch. A. buytenfte bekleetfelen des wangs. B. Het binnenfte bekleetfel. C. zenu-tepeltjens wet haar bekleetfel omvangen , en zyn deze ze er Heen 3 weshalven dezelve niet al te wel afgeheelt zyn geworden. D. Het blaauw zyde verfierfel onder het glas. E. *He bak-tanden. De 11. Fig. Wyft ons aan een gedeelte van het tepelig bekleetzel van de wang, door een vergrootglas gezien zynde , wiens groote overeen komt met de cryftaline vogt van een fchelvis ooge, De 111. Fig. verheelt een kleen menfche fchepfelken , ’t welk nog in zyn vlies Amnios, en ook in de eyge vogt onthouden word, waar in het geleegen heeft in ’s moeders ligchaam terwyl het leefde. A. Het Vlies Amnios by na zoo dim als een Jpinnewebbe met haar ey* gen vogt. B. Het Schep feit je. C. Het doojïe als tnede het blauwe zyde ver der fel daar de cryfalline vies in ftaat♦ De Tweede TAFEL De le. Fig. Verbeeld een elleboogs been ’t geen door fcharpe humeu* ren, mismaakt is geworden. A. e 860 X. ANATOMISCH CAIIN- ff T A. *De f{ongieus-beenige ? en weeke uitfpattinge. De V. Fig* Deszelfs beens uyterlyke gedaante. A. Een zeer holle en harde tophus. De VI. Fig. De huyd van ’c voorgaande been, ’t geen zeer oneffen ca affchuwelyk is om aan te zien. . De VIL Fig. Een gedeelte van een tand van een Oliphant, met ver- fcheyde beenige uytfpattingen, door het fchieten van een kogel, mogelyk veroorzaakt. De VIII. Fig. Een kleen gedeelte van de tand van een Oliphant, waar in gevonden werd een kopere kogel, die door het fchieten met een roer daar in geraakt is. A. Het gedeelte van de Tand. B. De kopere kogel. De IX. Fig. Een gedeelte van ’t fcheenbecn, met een tophus bezet, en na de lengte in twee verdeelt. A. De buytenjie gedaante is bultig door de Tophus„ De X. Fig. De binnenfte gedaante van ’t zelve been. A. ‘De zeer harde en dikke beenagtige fubftantie. B, T)e uytfpatting y die met veele holletjens verhult is. De Derde TAFEL. De I. Fig. Vertoont een fchepfeitje aan zyn navdftrengetje afhangende. De 11. Fig. Een gedeelte van het fchouderbeen van een jongske. A. cDe hovenfle Eptphyfis, of aanwas ten deele kraakbeenig 5 ten deele uyt klyne beent jens bejiaande, B. T)e beenige deelt jens. C. ‘De inwendige fubftantie, wiens fpongieus’heen ïge zelfjlandigheit, met een mergagtige vogtigheyd vervult, en befet is met zoo jyn een vlies- ke y dat het met een fptnwebbe o vereenkomt. Dit is voorzien met op- gevulde Slag-aderkens, waar door het rood is. De in. Fig. Een gedeelte van ’t Oppervelleke van een Moriaan. A. Het opper-’velleke V welk zeer dik is. B. Een hoop van repelt jens. De IV. Fig• Een gedeelte van yt Dy been , van een jongske, in wiens bovenfte kraakbeenige Epiphyfts ook verfcheyde beentjens gezien werden. De V. Fig. Het vlies, van de Lever van een Menfch waar door veel «n ontelbaare bloedvaatjens lopen. De VI, Fig. Een gedeelte van ’c voorhoofd vaneen jonge, door wiens opperfte oogfchellen de flagaderkens verfpreyd werden, dewelke komen nyc de groote hoeken der oogen. Tab. n ZWeerd. 'Jaf.22Z ■ ZA'eer’d. Taf. jjj D E LAATSTE OEFFENINGEN VAN FREDRIK RUYSCH, Medic. DoB. en Hoogleer aar in de Qntleet- en Kruyt kunde: Me- delit in de Keyzerlyke Academie in Duytfchlant, en van de Koninglyke Maatfcbappy der Geleerden in Engelant, en Vrankryk: Ofte het Groottte KABINET van alle anderen, die tot nu toe uytgegeven zyn. Met Kopere Platen* den ALLEEDOORLUCHTIGSTEN, GROOTMAGTIGSTEN, E N onver WINNELYKSTEN C z A A R PETER ALEXIO WITZ, Keizer van Groot Rujlandt&c. &c. &c. &c. DE laatfte vrachten myner werken, door een lange reeks van Jaren enigermate ryp geworde zynde, heb ik geoor- deelt, niet als op uwen i-oemwaardigften naam , Roemrugt'zgfic Keyzer, te moeten ingefchreven worden, menende, dat, na- dien de Heydenen de eerftelingen en onvolmaakte beginzelen harer werken, zynde zelfs nog in ’t Ipinrokke gelegen, de Go- den opofferden , voorwaar met groter recht de laatfte betrach- tingen van myne voltooyde konft aan Uwe Keyzer lyke Maje/ieit toegewydt mogen worden. Dcrhalven met de zeer vermogende befcherming van uwen onfterflyken naam, gelyk als met een bolwerk gedekt zynde, onderneem ik myn grootfte Kabinet of flot van alle myne werken in zo vele Jaren uyrgevoert, tot opheldering der nieuwft ontdekte natuur en ontleetkundige za- ken , aan ’t openbaar mede te delen, op die allervafte hoop voornamentlyk vertrouwende , dat de wytberuchtheydt uwer zeer beroemde naam het grootfte gewicht tot het vereeuwigen van deze myne laatfte werken zal toebrengen; ende, dat de blinkende ftralen uwer heerlykheydt nooyt gebreken zullen , van van luyfter te geven aan deze mynen zweetigen arbeydt, waar van gy Ü verwaardigt hebt voor een gedeelte de eerftelingen over zeven Jaren met een grote naauwkeurigheydt te befchou- wen. Met recht, offere ik Uwe Majefteit deze nu voltooyde werken op, gelyk als myn wel geliefden Benjamin, met dc gantfche Waerelt tot uwen roem betuygende, dat aan U, (die zo wel tot inftelling der konften en wetenfehappen, als over- winning geboren zyt) het tegenwoordige welzyn van ’t Rufli- fche Keyzerryk niet alleenlyk door de wapenen, maar ook dooi- de aanqueeking van allerhande ingevoerde wetenfehappen moet toegefchreven worden. minfte van 'Vwe Keyzerlyke en Koninglykc Majejieits gunjtelingen # fredrik ruysch. V O O R- VOORREDEN ®E reden} waarom gy my , Goetgunjiige Lezer, op nieuws m zo een hogen ouderdom te voorfchyn ziet komen , is, om dat ik door de goetheydt van den goeder tier enen Godt, verfcheyde za- ken wederom ontdekt hebhe 3 die ik gaarne voor myn doot aan de geleerde fVaerelt wil mededelen 5 onder de naam van De Laatfte Oefe- ningen , of het Grootfte Ontleetkundige Cabinet, alle de voorgaande overtreffende: waar in over de tweehondert en twintig voorwerpen ge- zien worden, onder vele zaken voorkomen , die ik noyt te vore van andere befchreven gezien bebbe. Latenwe eerjielyk eens befcbouwen, op hoe een wonder baarlyke wyze de Almogende Schepper de ware gejieltenis van de poort ader gewrogt heeft \ want alhoewel des zelfs takken uyt een en de zelfde bron of fiam voortkomen 5 verfchillenze echter zeer veel van malkanderen, V welk tot nog toe niemant door figuren ons vertoont heeft. Zy hebben ook een geheel andere gejieltenis 5 niet alleen in de lever, maar ook in de dar- men , klierbedde, enz. gelyk men alhier , en in bet derde tiental van aantekeningen zien kan. , ■ In deze verzameling van voorwerpen wort ook aangewezen , hoe groot het onderfcheydt tujfcben de loop en gejieltenis der takken van de poort, en kolader is 5 niet alleen in de lever , maar ook in V gedarmte: mogelyk y gelyk ik gemakkelyk zou konnen toefiemmen 3 om iets by zanders te ondergaan. Verders kan men hier zien , dat de takken van de bloetvaten ? die zich door V darmfcbeil ver fpreyden 5 in zo dunne takjes eyndigen, dat ze op verfcheyde plaat zen dunder 5 als een fpinnewehhe zyn j *t welk ik alhier ook met een figuur af ge heelt bebbe. De gemelde darmfcheilvaten , wan- neer ze het darmfcbeil verlaten, nemen zy een gehele andere loop en na* tuur aan > *t welk waarlyk te verwonderen is. Nadien'*er onder de Schryvers zeer veel ge zint wiji is 5 over het ware wezen of gejieltenis van de Milt 3 heb ik enige voorbeelden in deze ver- zameling gejiclt y Waar uyt een yder, die dezelve belieft te zien, klaar genoeg zal blyken 5 hoe de zaak gelegen is. Onder de dingen 5 fte tegen de wetten van de natuur in dit Cabinet voorkomen 9 is ’t voor naam tie een ft uk van V Dyebeen van een Menfchy hebbende een wanfchape dikte: want het benig gedeelte is in een natuur- lyke ftaat zo dik 3 gemeenlyk omtrent als een fchryfpen 5 maar hier is V S s s s s dikker VOORREDEN dikker als een duym van een menfch; daar en boven is 9t in V geheel celluleus geworden , mogelyk van een toevloeiende vogtigheydt 5 en een verouderde [Anafarca] waterzugt ? Hier zullen we ook V geftbil van de zogenaamde hiiyt kliertjes 5 die ik boude voor zenuwtepeltjes en werktuygen van ’t gevoel y kunnen heflijfen. En die begerig is te zien , dat den baft der herjfenen vaatagtig is 3en geenzints uyt langwerpige ronde lichaamtjes bejtaande 5 als mede den nieuwen Oogrok, die Myn Zoon Hendrik den RuyJJchiaanfthen rok ge- naamt heeft ? zal hy hier een goede gelegentheidt toe hebben. Ede Boerhaaviaanfche holletjes of groefjes, by de Schry vers kliertjes genaamt 5 komen nergens duydelyker in te voorfchyn 3 nis in de darmen van een Walvis 3 daarom heb ik haar ook een plaats in dit Cabi- net vergunt. Alhier vint men ook het netwyze lichaam van Malpighius , gelegen onder de Opperhuyt , niet alleen uyt Europianen, maar ook uyt een Zwarte en halve Zwarte, en een Walvis genomen , V tegen- Jpraak. en tivipt 'vuegfieemt , zo dut er na deze over t voare vee zen van t gemelde lichaam niet meer getwyffelt moet worden, Ondertujfchen zyn ze ook verre van de weg af \ die vaft feilen , dat het gemelde netwyze lichaam niet over al onder de opperhuyt in V lichaam van een Menfch ge- vonden wort, dewyl ik ’t tegendeel alhier voor't oog doe blyken: tot dien eynde heb ik dit Cabinet verfiert met een flukje van de Opperhuyt 3 aan V welk nog voor een gedeelte het netwyze lichaam vaft zit 3 en voor een gedeelte daar van afhangt. By dit alles worden ook de tepeltjes, het net- wy ze lichaam, en V bekte et zei van een M/alvistong vertoont. Waar in [embryo humanus"] een menfchelyk fchepzeltje 5 of V eer je begin daar van , van [foetus humanus] de Vrucht of een onvoldrage Kintje verft bilt 5 is hier mede te zien-, ik hehbe cenige ongeboore blatike Kindertjes, van verfcheyde ouderdom, hier by gevoegt ? als mede twee witte Geraamtens van Kindertjes 5 die in Gr af ft eden uyt koftelyk Ooft- indiftch hout gemaakt} neder leggen 3 en dat boven op ruftbedtjes } van blaauwe zyde gewrocht. Voor dezen hebhe ik ongemene fexoftofes] uytwaftlngen van beenderen vertoont, maar bier ziet men tot grote verwondering een uytwafch van een Oliphants tandt ? en dat wel in des zelfs holligheydt gevonden ; des- zelfs afieelding zal ik om de wonderlyke gedaante 3in ’t vierde tiental trachten te vertonen. Ouder ds Ontle et kundige vint men ook verfchey de Kruydt kundige ken y VOORREDEN, ken, dewelke een grote ovcreenkomft hebben met onze ingewanden 5 na- mentlyk vruchten 3 als lp eren 3 *Pruymen 5 Apricozen, enz, die ik {op dat ik zo /preke') tot Qeraamtens gebragt hebbe ,en hier bygenoegt tom de onuytfprekelyke erken Godts te doen zien 3en myne /telling ontrent de gefteltenis en V gebruyk der vaten te beveftigen, Buy ten dit alles is dit ons grootfte Cabinet met enige dozen voorzien 9 waar in zeltzame kruyden en bloemen begrepen zyn 5 en worden ver/iert met [ papiJiones ] kapelletjes i en andere [infeda] bloedeloze diertjes 9 uyt beyde de Indiën overgebragt : *Deze doosjes boude ik als levendige kruydtboeken ? waar in de bloemen hare natuurlyke vorm bewaren sen de couleur vele /aren lang behouden, In de levendige Kruydtboeken, die ik tot nog toe by andere gezien hebbe 5 en gelyk ik zelfs gewoon ben ge~ weeft te doen 3 wordt alles tufte hen papieren gedrukt en ge droogt 5 waar door ze van de nat uur lyke gefteltenis afwyken j maar hier ziet men in tegendeels gelyk V leefde y V welk alles vermaaklyk voor P gezicht is, V Zou te lang duren 3 meer zeltzame zaken op te teilen, die ons in dit Cabinet voorkomen > dog dit wynige ftrekt maar om een denkbeelt van V verdere te geven $ want, volgens het fpreekwoort 3 uyt de klaauw kent men de Leeuw. Sssss 1 A D VIRUM CELEBERRIMUM FREDERICUM RUYSCHIUM, Med; Doft. Anat. & Botan. Trofefforem, Acad. Caf. Cur. Qolkgam: Regia Societ. Angl. Membrum. Cum anno iEtat; 87. CURAS POSTERIORES. Ederet. S Iccine praftantes auget nova Cura labores y Pofterior quamvis tempore, mole prior ? Nomintbusque tibi , RuyfcM ClariJJlmeo muit is Qua locuples oculis offer et ar ca tuisj Quisquis er is, v ener are Deum 5 miracula dives Qui tot in exiguo corpore fumma creat 5 Et Gr at are feni, qui tot miracula magni Numinis auxïlio confpicienda de dit. Eelix ! Mmeribus qui fa ditaverit Orhemy Et firvet nomen poft fua fata fuum. Gratulor anno ff m, Ruyfchi Venerandey feneftam Gratulor exactos 3 non Jine lande 3 dies * Et y quanquam diris debebis cedere fatis 5 Magne Vir 5 innumeros uitere digne dies y Er o meritis y Medicum tibi quis obftrinxeris orhem y Vivesy quantmnvis mortuus, usque tarnen. JOANNES OOSTERDYK SCHACHT DE LAATSTE oeffeningen Of het ontleetkundig C A B I N E T, Van alle de voorgaande ’t grootfte, De Ecrfte PLAN. K. N°. 1. —* en menfchelyk Schepzcltjc, een halve duym groot, van de ■"H navelftreng door middel van een haayrtje afhangende , in / een Vies met vogt begrepen. N°. 11. Een onvoldrage Kindtje, een wynig groter als’t voorgaande, hangende insgelyks in een met vogt opgevulde Vies; ’t is wit, en gelyk of ’t van daag geboren was, de buytenfte ledematen van ’c lichaam zyn volkomen , die in ’t eerfte ontbraken , en daarom geef ik ’t de naam van een kindtje of vruchtje. N°. UI. Een vies met vogt, bevattende een onvoldrage kindtje, om- trent een vinger lang, van de navelftreng afhangende3 ’t zelve is wit, als of ’t cerft geboren was. No. IV, Een vies met vogt, waar in onthouden worteen onvoldrage kindtje, omtrent van drie maanden dragts, verbeeldende van ’t mannelykc gedacht te wezen, daar ’t in tegendeel van ’t vrouwelyke is , ’t geen ge- meenlyk in dien ouderdom, en niet tegen de wetten van de natuur is* *t zelve is zeer blank, en als heden gebore, N >. V. Een vies met vogt, waar in een onvoldrage kindtje van omtrent vier maanden dragts (na myn oordeel) mooy en wit: hier zyn geplaatft twee gedeeltens van de herdenen, genomen uyt een vrouw, die haar kindt ver- ftiKt, en in ’t geheim geworpen hadde. N°. VI. Een Vies met vogt opgevult, en in dezelve een gedeelte van S s ss s 3 de de opperhuyt, en ’t netwyze lichaam van Malf ightus 3 uyt een halve zwartinne: en op dat deze delen des te beter te voorfchyn zonde komen, heb ik ’er een tak van de kleynfte diftel van Alp mus by gevoegt, waar door ’t voorwerp tegen de want van ’t glas gedrukt wort. No. VIL Een Vies met vogt, en in dezelve een gedeelte van de op- perlui yr. en ’c nctwyze lichaam, uyt een halve zwarting hier in ziet men, dat het nctwyze lichaam bleekzwart is. N°4 vilt. Een Vies met vogt, en daar in een gedeelte van de opper- huyt, en ’t netwyze lichaam van een Europiaanfche Vrouw, ’t welk by na van de zelfde wittigheydt is, als de opperhuydt. Hier by is gele- gen een tak van een Americaanfch gewas met een Porfellyn blad. No. IX. Een Vies met vogt, waar in begrepen is de opperhuyt en ’t netwyze lichaam van Malpighius, genomen uyt een Europiaan ;’t wyze lichaam is wat geelagtig geworden , door de hitte van de zon, waar door wy altydt zulks zien gebeuren. N°. X. Een pedeftal of Zuylvoetje, en boven op ’t zelve een mutfie, in ’t gemeen een Callotie genaamt, uyt de huyt van een kind gemaakt, waar van de flagaderen vervult zyn, en hier door is c voorwerp zeer root geworden. Die is een fraay voorwerp. N°. XI. Een kleyn zuylvoetje, waar op insgelyks een gedeelte van de huyt van ’t aangezicht, genomen uyt een Jongeling , gezet is, welkers vaten vervult zyn, waar door ’t zeer root geworden is. N°. XII. Een kleyn zuylvoetje, waar op insgelyks een gedeelte van de huyt van ’t aangezicht van een vrouw, zynde op dezelfde manier bereydt. N°. XIII, Een kleyn Zuylvoetje, waar op een lofwerkie gezet is, gemaakt uyt een menfche huyt, waar in vele, ja ontelbare huydttepeltjes gezien, en die vcrkeerdelyk van de Schryvers voor huvdtkliertjes ge- houde worden. N°. XIV. Een zuylvoetie, en daar op een lofwerkie gemaakt uyt de huyt van een volwaflche menfeh , uyt welkers oppervlakte de huytte* pelties 9 gclyk als zantjes , uytpuylen. N°. XV. Een zuylvoetie, waar op een lofwerkie gezet is, gemaakt uyt de huyt van \ hooft, bezet met geelagtige haayren, waar aan nog is blyve zitten de celluleuzc rok met opgevulde flagaderen voorzien, ver- fchillendein loop van die, dewelke door de huyt verfpreit worden. N°. XVI. Een lofwerkie gemaakt uyt het vel van een onvoldrage kindtje, waar van de flag-aderen vervult zyn: de opperhuyt, het netwy- ze lichaam, en de celluleuze rok weggenomen zynde, komen de flagadc- ren te voorfchyn, die aan bcyde de kanten den zelfden loop behouden • in XL ANATOMISCH CABINE! in tegendeel, zo ’er iets van den celluleuzen rok (door welke ook zeer vele flagaderen verfpreit worden} overgebleven was, zou ’t de aanfehou- ders mislyden 5 ’t welk ik eens heb zien gebeuren , wanneer my een ftuk van de huyt, waar aan nog iets van den celluleuzen rok vaft zat, vertoont wierd. Daar en boven moet men in dit voorwerp aanmerken , dat het zwarte flipje de huyttepelties aanwyft, dewelke met een vergrootglas befchouwt zynde, als [variola] kinderpokj.es zich vertonen. N°. XV 11. Een zuylvoetjc , waar op gezet is een ftuk van de huyt, uyt een onvoldrage kindtje, door de flagaderen opgevult, waar door ’c hoog root geworden is, alhoewel het voorwerp zeer dun is. No, XVIII. Een zuylvoetje , waar op een ftuk of dwerfche moot van de borft van een kindc, waaraan nog het hart en de long vaft zitten; in dit voorwerp ziet men, dat het waar is, ’t geene ik menigmaal in open- bare lellen en vertoningen gezegt hebbe, dat ’er geen holligheyt onder ’c borftbeen gevonde wort, fchoon verfcheyde Autheuren zulks voorgege- ven hebben; alle de ingewanden van de borft zyn zo naauw en digt by malkanderen gelegen, dateer geen holligheyt kan overig wezen. Detwee- verwige en grootfte borftcl betekent het rechter hart-oortje, de klynder het hart zelfs, de kleynfte het linker hart-oorrje. Daar en boven moet men aanmerken, dat dit alles nog zyn natuurlyke plaats en grootte be- houden heeft, zynde wegens de opvulling der vaten met een rode cou- leur voorzien. N°. XIX. Een zuylvoet waar op geplaatft is een zeer groot ftuk van ’t hart van een Meydt, die haar kint levendig in ’t Sekreet geworpen en aldus vermoort badde> deze ,in de gevangenis vaftgehoude ,en aldaar overlede zynde, is van my in ’t openbaar geopent. De tweeverwige langfte borftel vertoont, en dat wel duydelyk, dat de hoog rode wafchagtige ftoffe gelyk een dauw een uyttocht gezogt heeft door de uyterfte uyteyndens der fkgaderties, welke zo dun als dons zyn. De Korten tweeverwige borftel betekent de kroonvaten. De derde en kleynfte het linker hartoortje. Dit is een zeer fraay en uytmuntent voorwerp. N°. XX. Een vies met vogt, waar in een nier van een onvoldrage kindtie, wegens de opvulling van de flagader zeer root geworden; merk aan, dat byde de vliezen weggenome zyn. N°. XXI* Een groote vies met vogt, waar in een fchenkel met de voet, van een Jonge van omtrent zeve Jaren oud, de fpieren zyn zeer net ge- fcheyden, en hebben hare natuurlyke couleur, wegens de opvulling der flagaderen, behouden. No. XXII. Van F R E D E Pv I K RUYSCiï, N°. XXII. Een grote VJes met vogt, waar in begrepen is hef hooft van een Jonge, omtrent zes Jaren oud, fchynende nog levendig te zyn: de wangen, neus , en lippen zyn mooy root en zonder enige rimpels* Het bovenfte gedeelte van ’t hooft weggenome zynde, komen de opge- vulde bloetvaten na ’t uythalen der herffenen te voorfchyn. N°. XXIII, Een zuylvoetje , waar op de Oorkher uyt een verfch gebore kalf. De Opvulling is gefchiet door de flagader, maar hoe zeer verfchilt de gefteltenis dezer flagadertjes van die, welke in de kliertjes van ’t darmfeheil gevonde worden ! gelyk ik in de verhandeling over de klieren heb laten afbeelden. XI. ANATOMISCH CABÏNET N°. XXIV. Een Vies met vogt, bewarende de baarmoeder van een Vrouw, waar van niet alleen de bodem, maar ook de hals volgens dc lengte geopent zyn, op dat derzelvcr gedaante in ’t gezicht zou komen * en aldus ziet men in den hals zeer vele dikke draden of /naren; op dat de hals open blyven zou, is "er een doom over dwerfch ingeftoken* Hier aan zitten nog vaft de trompetten en eyerneften, waar van het eene eyerneftie, en de/lelfs trompet wel geftelt zyn, maar ’r andere is tegen de natuurs wetten in iets anders verandert, en aan de trompet vaitgegroeic. No.xxv. Een droge Vies, waarin een Taradysvogeltte zwart en wit, bont van couleur, hebbende twee poten} deltaart is met twee zeer lange en fneeuwitte veeren voorzien. Ziet Hermann. incatal MuJ, Zeylan: te Zeylin wort her JValhuhora , dat is een Katoendiefie genaamt, in ’t Malabaarfch Codelatie; by Rayus in Synopf. avium manucodiata criftata ex albo nigroque variata by de Heydenen 7elleyeaco. Dit vogelde wort onder de zeltzaamfte vogclties gerekent 5 De Hr, Raulus Hermannus, voor dezen Hoogleraar tc Leyden, is de eerde ge weeft, die ons gele- gentheidt gegeven heeft, om dit zeer volmaakte vogelde te zien. N°. XXVI. Een zuylvoet, en boven op ’t zelve het bovenfte gedeel- te van’t benige hooft van een onvoldrage kindtje, waarvan de flagader- des door’t pannevlies verfpreit, zeer wel opgevult zyn, als mede die, dewelke door het dikke herflen vlies lopen: de langwerpige groeve is in ’t gebroke met een wafchagtige ftoffe opgevult, om dat ’tr bloet tuflehen byde vermengt is geweeft, dewyl de uyterfte takies der flagaderties my fchynen hier en daar vereenigt te zyn, met de uyterfte rakjes der aderen, waar door ’t bloet, daar de aderties mede vervult waren, te gelyk met de wafchagtige ftoffe in de langwerpige groef ingedrongen is 5 hier door is miflehien de dwaling der Autheuren ontftaan, die zich inbeelden, dat het flagaderlyke bloet in een levendig menfeh door de flagaderen in de gemelde groef zich onmiddelyk ontlaft, omdat, wanneer men Inkr ,n de Van F R E D E R I K RUYSCH, de flaap flagaderen fpuyt, dezelfde Inkt tot in de langwerpige groef doordringt. No. XXVII. Een Vies met vogt opgevalt, waar in een uytgerafelde pruym, ofte het geraamte van een pruym, (op dat ik zo fpreke} vaneen draat afhangende, op dat de gefteltems en loop der zapvaten duydely- ker te voorfchyn komen zou; welke vaten voor een gedeelte van de fteel, en voor een gedeelte van [nucleus] de fteen of pit voortkomen. N°. XXVIU. Een grote vogt opgevult, waar in bewaart wort een dwerfche moot van een zeer groten bal van een menfeh, wel- kers vaten, die het eerfte beginzel van ’t zaat beryden , verwart, en in een kraakbenige zelfftandigheyt verandert zyn. De gemelde bal was zo groot geworden, dat dezelve in grootte het hooft van een menfchelykc vrucht te boven ging. ]SK XXIX. Een Vies met vogt, bevattende twee voorwerpen, waar van het onderfte is een onvolkome fchepzeltje van een fchaap, van een haayrtje afhangende, zittende npg in zyn eyge vogtigheyt, waar in ’t gezeten heeft, toen ’t in de baarmoeder huysvette 5 dit vogt is zo door- fchynende, dat men ’t fchepzeltje duydelyk zien kan, als of ’t buytea ’t vogt hing: het bovenfte voorwerp is ’t eyerftokje , waar in de voet- fpoor van de plaats gezien worc , door de welke het inwendige van ’t ey uytgegaan is. N°. XXX. Een Vies met vogt, waar in de teeldelen van een Meyfie begrepen zyn. No. XXXI Een Vies met vogt vervult , waar in een zo genaamde zuyger gevonde wort >ik zegge een zogenaamde, om dat ’er geen op- rechte zuygers gezien worden, dewylze gemeenlyk niet anders zyn, als een moerkoek of moerkoekje , na ’t baren van de vrucht of een onvolko* me fchepzeltje, overgebleven. N°. XXXII. Een Zuylvoetje, en op ’t zelve de huyt van ’t hooft uyt een volwafTche menfeh , de welke ons hier voorkomt als een Kalot, en wegens de opvulling der bloetvaten , root van couleur. In dit voor- werp kan men zien, op wat wyze de flagaderen van byde de zy den tegen malkanderen aanlopen. Dit voorwerp is zeer fraay. XXXIII. Een Vies met vogt, waar in een Huk van een omge- kcerden endeldarm van een menfeh legt, op dat men de Boerhaayiaan- fche groeven, en de menigvuldige [port ] togrgaten zoude konne zien. N°. XXXIV* Een Vies met vogt, bewarende een Huk van een men- fchen Oog, waar in de [tunica /chrotica] harde , de RuyfTchiaanfche, cn de netwyze rok gezien worden, door welke rokken zeer vele flagade- re.n verfpreyt zyn. 0 Ttttt N°.XXXV. No. XXXV. Een Zuylvoetje, en daar.op een ftuk van den omge- wonden darm uyt een Jongeling, door den flagader en ader opgevult. XI. ANATOMISCH C A B I N E T De tweede PLANK. N°. XXXVI. Een Vies met vogt, waar in een ftuk van een pees van een fpier uyt een Walvis, welkers gcfteltcnis wonderbaarlyiis* zyn- de een vinger dik, ook zeer hart, en onfcheytbaar. N\ XXXVII. Een Vies met vogt, verzien met een ftuk van een kalfsmaag, waar in niet alleenlyk de gevoel tepelcies duydelyk uytpuy- len, maar zelfs ziet men hier klaar het netwyze lichaam. N°. XXXVIII. Een Vies met vogt, waarin begrepen is een gedeel- te van ’t dunne herflenvlies , welkers flagaderen tamelyk v/el opgevult zyn* N°. XXXIX. Een zuylvoetje, en op ’t zelve een bal uyt een Kalfs- maag. No. XL. Een Vies met vogt, waar in bewaart wort een gedeelte van ’t achterbrein uyt een kalfj dit kalf hadde een half jaar in de baarmoe- der van de koe doodt blyven zitten, ende dat zonder verrotting, echter niet zonder üenterigheydt: Ik hebbe de flagaderen van ’t gemelde achter- brein zo net met een rode wafchagtige ftoffe opgevalt, dat het nog als levendig zich vertoont, De Koe, waar in ’t kalf zo lang doodt gezeten hadde, wiert in November gedacht, was vet en wel geftelt, en is inde huyshouding van Mr. Cornelis Vos, tuynman van de ftads tuyn alhier, opgebruykt. De zeltzaamheyt van deze zaak beftaat hier voornamentlyk in, om dat ’er niets in ’t lichaam van viervoetige dieren, zelfs in dat van een menfeh fchielyker een verrotting onderworpen is, als de herftenen $ maar hier was het achterbrein zo wel in zyn geheel gebleven, dat de hagadertjes opgevult konde worden. Zie het verhaal in het derde tiental van de genees-en Heelkundige aantekeningen. N°. XLI. Een Vies vervult met vogt, waar in het geraamte van een peer hangt, ons aanwyzende, dat de peren zo wel uyt zap vaten beftaan, als dc milt in ons lichaam uyt bloetvaten met moesagtige uyteyndens, waar van dc peren ook verzien zyn. No. XLII. Een Vies met vbgt, waar in legt een tweehoofdige vrugt van een Duyf. N°. XLIII. Een Vies met vogt gevult, bevattende een groot menfche vet, zodanig geftelt, als of ’t nu verfch uyt het lichaam ge- ,haalt was. Van FREDERIK RUYSCH. N°* XLIV. Een Zuylvoetje, en boven op ’t zelve de lever van een □avoldrage kindje , wiens uyterfte moesagtige flagadertjes zodanig opge- vult zyn, dat ze zich onder malkander verwarren, en geen takjes van vaten gezien konne worden. Het tweeverwige doorntje wyft aan de navelader, die nog open en met een rode wafchagtige ftoffe opgevult is. N°. XLV. Een Vies met vogt, en daar in het dunne herflenvlies, genomen uyt een Vrouw , waar van de üagaderen opgevult zyn. N°. XLVI. Een Vies met vogt, waar in gevonde wort, een ftuk van een vrouwelyke nageboorte, welkers bloetvaten in Waterblaasjes zyn verandert, waar van vele zeer klein, dog de meefte zeer groot voor- komen. N°. XLVII* Een Vies met vogt, en daar in de fchenkcl of het been van een verfch gehore kindt , met de voet , zich als levendig vertonende j tulleken de tonen wort ’er een takje van Granadilla met een driepuntig blat, en een kleyne gele bloem van Tournefort vaftgehou- den, waar van de bloem nog ongefchonde is gebleven, N°. XLV HL Een zuylvoetje, verzien met een oortje van een onvoL drage fchaapje j waar van de üagadertjes zeer fraay opgevult en met een byzondere loop verfpreic zyn: ook worden ’er nog dne korrelsgewyze deeltjes in gevonden. JSI °. XLIX. Een Vies met vogt in zich onthoudende een lang ftuk van den omgewonden darm uyt een Jongeling j de flagadereu van ’t zel- ve zyn fraay opgevult * de darm omgekeert zynde, laten zich hier ook zien de zogenaamde eenzame Peyeriaanfche klieren, dewelke beter Boer*, haavï aanfche groeven gen aam t worden j ’t is aanmerkelyk, dat deze ge- melde klieren buyten de oppervlakte, die eygentlyk debmnenfte rok wort uytpuylen. XML. Een Vies met vogt, waar in bewaart wort een arm van een onvoldrage kindtje, zich als levendig vertonende, in wiens rechter hant het geraamte van een peer vaftgehouden wort, aan welkers uyterfte zap- vaten nog een aanmerkelyk moes vafthangt. N°. LI. Het oog van een Walvis in vogt bewaart j deszelfs harde rok is aan de eene kant veel dikker als een duym > daar cn boven ziet men hier de kringsgcwyze vezels , die den oogappel toetrekken, duydelyker, als m een menfeh of andere dieren , en dat zonder enige voorgaande bery- ding, alleenlyk door een dwerfche fnee. ISi \ LH. Een Zuylvoetje, en boven op ’t zelve het hart en een ftuk van de long van een verfch gehore kindtje, door zyn moeder vermoort. Het dunfte doorntje wyft aan de plaats, alwaar de longüagader, en de Tll 11 2 grote X. ANATOMISCH CABINE! *>rote llagader by malkanderen komen , en verenigt worden door den ilagaderlyken weg. Het tweeverwige doorntje vertoont de ftam van de opklimmende grote llagader het grootfte tweeverwige en ’t dikfte doomde het rechter oortje van ’t hart. De zwarte ftompe en korten doorn het linker oortje. Het zwarte grootfte ftipje de long llagaderen. De drie alleen ftaande flipjes beduyden de drie ilagaderlyke buyzen of pypen op- waarts ziende: de twee ftipjes de llaapüagaderen, de witte kortftedunfte doorntjes de üaapflagaderen. Het doorntje met een rode zyde vlok bezet de rechter onderlieutelbenige llagader. Met de zyde draat hadde ik het gedeelte van de longe voor de opvulling gebonden. Het ftompe doorntje vertoont de borftkher. N°. LIIE Een zuylvoetje , en op ’t zelve een groot ft uk van een Menfche darm, van welke de llagaderen niet alleen, maar ook de aderen opgevult zyn, waar door ’t zelve hoog root van couleur geworden is. LIV. Een Vies met vogt, vervattende een Trianus Vegetabilis van Hermannus of [herba cantharifera\ het kruykdragende kruydt van Rumph 5 Bandara te Ccylon , en cDaun Gindi te Am bon genaamt. Ziec de Ephemerid. isLV* Het aangezicht van een Jongman , waar van de llagaderen zyn opgevult, opeen zuylvoetjegeplaatft. *N°. LVL Een Indiaanfche Briijlang , van Hermannus in Muf. Zey~ lon : en Raj. in Synopf animal. befchreven , by de portugezen Cobras de Capelo, en de Indianen Naja genaamt, hangende in een Vies met vogt tuftchen de Epiocymus of Cufiuta frper Ocymum; het gemelde ge- was is met zaat beladen, ’t welk in ’t zelfde glas ook gezien wort. N°. LVII. Een Vies met vogt, bewarende de twee oogrokken na- men tlyk de [tunica fclerotica\ harde , en de [tunica choroidea] druyfbe- zie rok, zynde omgekeert, op dat niet alleen deze twee, maar ook de Ruyftchiaanfche Rok te voorfchyn komen zou. N°. LVlïI. Een zuylvoetje, en boven op ’c zelve een gedeelte van deborft vaneen kindt, De Vaten lopende door de ribbens en tuffehenrib- bige fpieren Zya wonderbaarlyk opgevult: De lichamen der wervelbeen- deren over dwerfch opengefneden , zyn ook vol met rode deeltjes, en dat wonderlyk is om te zien, het vlies dat het merg bekleet, is verzien met byzondere flagadertjes, die ZQ fyn zyn, dat ze niet als op den middag by zeer helder weder en door een vergrootglas in ’t gezicht komen j daar en boven moet men ’c oog een tydt lang op een en dezelfde plaats hou- den , zonder ’t welks anders onmogelyk was, het beloop dezer vaaties te zien., N°* EIX. N°- LIX. Een ftuk van een mcnfche long, door de longader opge- valt, waar door duyzenden van longblaasfies vervult zyn ; dog de ge-* vulde blaasfles komen ons bier veel kleynder voor, als in ’c voorgemelde voorwerp, en zulks is gefchiedt door een zagter opvulling. N°. LX. Een Zuylvoetie, en boven op ’t zelve een (tuk van een Koemilc j wiens moesagtige flagaderties weggenomen , en de milt met wint gevalt, en gedroogt zynde, ons vvort aangewezen, dat de [ ftamïna f. fibr gevonde worden 3 dit is een- yan de befte voorwerpen. N°. CXIX. Een Vies met vogt opgevult, in dewelke begrepen is een ger deelte van een omgekeerde sCp darmen de omdrayingen, die de kronkels der herflenen van een menfch verbeelden, zien zou. De op- vulling hier van is door de flagader gefchiet. Nü. CXX, Een zuylvoetie voorzien met een hardt gebalzemdè neus van Van FREDERIK RUYSCH, Yaneenmenfch , waar aan vaftzitten de bovenfte lip, tantvleefch, als mede vier tanden ;de opvulling is door de flagaderen gedaan, waar door de huyt een rode Couleur verkregen heeft ; daar en boven kan men de fweetgaten door een vergrootglas zien; het beloop der flagaderen door de huyt, ziet men niet alleen, maar ook door ’c tantvleefch en de voor- lip; het bekleetzel van deze delen kan den naam van opperhuyt niet heb- ben, om dat ’er geen huyt onder gelegen is, alleen een weefzel van ge- voelige tepelties wort "er gevonden. Nl'. CXXI. Een moot van een mannelyke roede, over dwerfch ge- fnede, op dat niet alleen de groote twee zenuwagtige fpongieuze licha- men , maar ook het kleyne of dat van de pisweg te voorfchyn komen Zouden. Dit is een zeer fraay voorwerp. JSK CXXH. Een vies met vogt vervult, en daar in een onvolmaakt fchepzeltie van een fchaap, zynde een duym groot, van een haayrtie af- hangende , en dat nog in zyn eyge vogt en. vliezen , welk vogt zyn doorfchynentheydt niet verloren heeft. No. CXXIII. Een vies met vogt; waar in te zien is een tweeverwig hondtie, tuflehen zyn voorfte poten vafthoudendeeen onvolkome fchep- zeltie van een Americaanfehe Aap, van een fwartagtige couleur, en een vinger groot. >. CXXIV. Een vies met vogt, bewarende de maag van eenonvol- drage kindt, waar aan de milt en een ftuk van ’t net nog vaftzitten. De opvulling is door de flagaderen gedaan, die door ’t net, dat zo dun is als een fpinnewebbe , heen lopen, zynde zo fyn als dons* N°. CXXV. Een zuylvoetie, en boven op ’t zelve een groot fluk van den nugteren darm , door de ader en flagader opgevalt, en daarom zeer hoog roof. De Zesde PLAN K. N°. CXXVI. Een zuylvoetie , waar op een groot (tuk van een menfche milt, door de ader opgevult, gezet is: deszelfs [ac/n/J korrel- ties zyn verfchillende van die van de lever; alhier zyn ze emgzints los- gemaakt. N°. CXXVII. Een zuylvoetie, waar op de opgevulde flagaderen der herflenen uyt een onyoldrage kindtie; dezelve zyn zeer teder, zo dat zc zeer licht breken; No. CXXVIII. Een zuylvoetie, en daar op het linker Hartoortie V v v v v 3 van XI. ANATOMISCH CABINET van een menfeh, door de flagader opgevalt, het zelve heeft de gedaante van een hanekam. No. CXXIX. Een Zuylvoetie, en boven op ’t zelve een ftuk van een menfche milt, wiens flagader ik voorgenome hadde met een rode wafch- agtige ftoffe op te vullen, maar om dat zulks niet na wenfeh fcheen uyt te vallen, heb ik de ader ook met een gele wafchagtige ftoffe opge- valt , ’t welk zeer wel gelukt is, en aldus vertoont zich het voorwerp voor een gedeelte wel root, maar is voor ’t grootfte gedeelte geel gewor- den. Ondertuflchen moet men aanmerken, hoe groot het onderfcheydt is tuflehen de gefteltenis der Vaten van een menfche milt , en die van viervoetige heeften. Dit zeer fraay voorwerp is genomen uyt een zwaar- lyvigc oude vrouw. N°. CXXX. Een zuylvoetie, waar op een ftuk van een menfche long flaat, wiens bioetvaten met een rode wafchagtige ftoffe opgevult zyn. CXXXI. Een zuylvoetie , waar op een ftuk van de maag van een kindt, welkers flagaderen wonderbaarlyk fraay opgevult zyn. N°. CXXXII. Een droge vies, en daar in de darmties van eenonvol- drage kindt, waar van de flagaderen zeer wei opgevult zyn j en dat aan Xg merken is, deze darmties hebben hare rontheydt in ’t geheel zonder deuken behouden. N°. CXXXIIL Een zuylvoetie, en daar op een lofwerkie, gemaakt uyt een ftuk van den omgewonden darm van een menfeh, door de holader opgevult. N°. CXXXI V. Een Vies met vogt waar in een kinder muyltie, {leu- nende op een ftuk van de Moerkock, welkers flagaderen zyn opgevult. N°. CXXXV. Een Zuylvoetje, en daar op het Hart van een onvol- drage kindtje, opgevult door de flagader 3 deze opvulling is zo fraay gedaan, dat de uyterfte eyndens der flagadertjes daar van in X gezicht komen; daar en boven ziet men alhier nog een gedeelte van de ftam der grote en Long-flagader, als mede de plaats, daar deze twee flagaderen by malkanderen lopen, de flagaderlyke buyS of weg genaamt. N°. CxxXVI. Een Vies met vogt, vervattende een ftuk van de ne- derdalende grote flagader 3 aan wiens rechter zyde vaftgegroeyc is de \ dußm thoracicus~\ borftbuys, door my met een rode wafchagtige ftoffe opgevult. Dit voorwerp ls genomen uyt een bejaarde Vrouw. N°. CXXX VII. Een Vies met vogt, waar in een groot ftuk van de Maag van een kindt, door de flagaderen toe het uyterfte opgevult; hier by legt een takje van \Lychnis\ Chnftus Ogen , met zeer kleyne bloemt- jes cn grasbladeren. N°. CXXXVIII. Van FREDERIK RUYSC H. N°- CXXXVIII. Een Zuylvoetje, waarop een ftukvan eenmcnfchc Kier, door de ftam van de holader zeer iraay opgevulr. Nü. CXXXIX. Een Zuyiv°erje verzien met een groot ftuk van den dikke darm, genomen uyt een zwaarlyvige Vrouw ; hier aan zit een ge- deelte van ’t darmfeheil vaft, Jt welk een Wayer verheelt. De opvul- ling is door een tak van de holader gedaan. • Dit voorwerp is insgelyks zeer fraay. N°. CXL. Een Vies met vogt, waar in twee Bynieren, welkers ftag- aderen opgevult zyn , leggen. Nu. CXLI. Een Vies met vogt, vervattende een Worm door de pis- wegen geloft, dog van andere Wormen verfchillende. N°. CXli- Een Zuylvoetje, en daar op een lofwerkje, gemaakt van een Menfche Vel, door de flagader opgevult; in ’t zelve komen ontel- bare tepeltjes te voorfchyn, dewelke van andere verkeerdelyk huytklier- ties genaamt worden. N°. CXLIII. Een Zuylvoetje, waar op het gedarmte van eenonvol- drage kindt geplaatft is, zyn de door de flagader opgevult; een gedeelte van den Kronkeldarm geopent zynde, komt de dubbelde Klapvlies van den Kronkeldarm te voorfchyn, moetende door een ingeftoke naait geo- pent worden. j. N°. CXLIV. Een Zuylvoetje, en boven op ’t zelve een ftuk darms vaneen Jongeling, verbeeldende een Zoutvat; zynde door de flagader opgevult, en daarom met een zeer rode couleur voorzien. N°. CXLV. Een Zuylvoetje, en boven op’t zelve een Vaandel, ge- maakt van den migreren Darm uyt een Menfch , door de flagader opge- ruit , en daarom hoog root van couleur. De Zevende PLANK, N°. CXLVI. Een Vies met vogt vervult, en daarin de Voet vaneen onvoldrage Kindt 5 hangende aan een haayrtje, en onder wiens uyterfte voet gevonden worden de doornen van \echïnomelocaffos\ den Indiaan- fche Doornappel, dit opfchrifc: Langs doorn en kruys, Na 't Hemels huys / Dit voorwerp is door de IJagadcr zo wel opgevult, dat het fchynt te leven. No. CXL'VII. XL ANATOMISCH CABINE! N°. CXLVII. Een Vies met vogt, begrypeade een of twee Wervel» beenderen van den hals, met een ftuk van ’t ruggemerg uyt een onvol- drage kmdt: in ’t midden van ’t ruggemerg ziet men de baft , verzien met een rode couleur , zynde niet anders als vaatjes, uyt llagadertjes voortkomende. N CXLVIIL Een Zuylvoetje ,en boven op ’t zelve een groot ftuk van den Kronkeldarm uyt een Menfch, door een tak van de holader op- gevalt ; het beloop dezer takjes is geheel en al verfchillcnde van die vaatjes , welke door den gemelden darm verfpreyt worden , wanneer de opvulling door een tak van de Foortader gedaan is. N». CXLIX. Een Zuylvoetje voorzien met het borftbeen, met de kraakbeenderen der ribbens, en tufte hen ribbige fpieren, genomen uyt een onvoldrage kindt j de opvulling van deze deelen is gefchiet door deflag- ader, en dat met een goeden uytflag. In dit voorwerp zyn de been- dertjes van ’t borftbeen dubbelt, ’t gene ik hooyt ondervonde hebbe. N°. CL. Een Vies met vogt opgevalt, en daar in twee ftukken van de Moerkock met een hoog rode couleur doortrokken, wegens de opvul- ling der vaten tot het uyterfte toe. N<\ CLI. Een Vies met vogt, waar in een groot ftuk van de Moer-* koek met een ftuk van de Navelftreng. Let wel; de oppervlakte, die na ’t glas ziet, is nog met een zagter bekleetzel bedekt, *t welk na de Baarmoeder ziet, en van ’t vlies cho- rion fchynt voort te komen, ten minften het wort ’er aan vaftgehegt. Hier uyt oordele ik klaar te blyken , dat de Moervaren met de vaten van de Moerkoek niet onmiddelyk vereenigt worden. Ziet het V. Cabmet, waar in ik breder over deze zaak gefchreven hebbe. N°. CLII. Een Zuylvoetje, en daar op een groot ftuk van een Kalfs Long, wiens flagaderen tot het uyterfte toe opgevuk zyn. Merk onder- tuft'chen aan, dat het beloop van deze vaten verfchik van die gene, de- welke lopen door de Long van een Menfch; derhalven hebben ons eeni- ge misleydt, die bare figuren , na de voorwerpen der heeften gemaakt zynde, zonder een behoorlyke waarfchouwing in ’t licht gebragt hebben. Nu. CLIII. Een Zuylvoetje van Indiaanfch hout gemaakt, waar op geftelt is het gedarmte Van esn onvoldrage kindrje , door de flagaderen opgevuk: in den omgewonden Darm is een \_dtverticulunf\ vertrekje of uyt wegje van een duym groot, in welkers uyterfte drie blaasjes te voor- fchyn komen, die de gedaante van fpeldeknopjes hebben. Dit voorwerp koude ik voor zeer zeltzaam. N<>. CLIV. Een Zuylvoetje, waar op een halve Schaaps Nier ftaat 3 die Van frederik rüysch. clie door de ader is opgevult j alhier konnenwe zien , hoe veel onder- Icheyt ’er is tuffchen deze en een ’s Menfche Nier. No. CLV. Een Schoteltje, gemaakt uyt een Enk van den omgewon- den darm van een Menfch , zynde opgeblazen en omgekeerc, op dat ’er zekere Ceilüleufitevt te voorkhyn komen zou, die van anderen voor het twedc celluleufe vlies van ’t gedarmte gehouden wort j door dit Scho- teltje zyn ontelbare adertjes, veornamentlyk van de takken der holadet voortkomende, verfpreyt, welkers beloop veel verfchilt van die, welke van de poortader afkomflig zyn. In het gemelde Schoteltje legt een klein (lukje Yzer, ’t welk de kragt van een Zylfteen heeft, en is geko- men van een yzcr kruys, in de Nieuwe Kerk te Delft gevonden ; Dit heeft myn Neef, de zeer Eerwaardige en Wakkere Heer Her.neus Ruyfch 3 Bedienaar des Goddelyken Woorcs in de Gereformeerde Kerk te Delft, my vereert , dewelke dit van den zeer Beroemden Heer Leeuwenhoek gekregen hadde. Nu. CLVI. Een Zuylvoetje, op ’t welke gezet is een ftuk van een Menfche Huyt, van den geheelen cellulcufen rok ontbloot, op dat de ware loop der üagaderen duydelyk zou konnen gezien worden : want zulks heeft zommige bedrogen, die de celletjes, met vaatjes en vet ver- zien zynde, in’t geheel met ogenomen hebbende, een onderfchydene loop vertoonden ? zich verbeeldende, dat de huyt tweederley zoort van vaten hadde. Dit voorwerp moet men tegen ’t licht houden, op dat de vaten duydelyker tc voorfchyn zoude komen. N°. CL VIL Het been en de voet van een kindt in die gedaante, als het leefde , zynde in vogt bewaart} hier by legt een tak van de Zeylon- fche Mannetjes Baliamina, met een klynder rode vrugt, enz. N°. CL VIII. Een Vies met vogt, eenftuk van de herflenen van een Kalf omvattende, ’t welk een halfjaar lang zonder verrotting in de Baar- moeder van de Koe gezeten hadde; alleen was ’t Hap en llenterig ge- worden: en dat zulks ook in de Vrouwen plaats heeft, bevinde ik, zo de Baarmoeder maar , gelyk ik alvorens hebbe vermaant, gellote blyft. Merk ondertufleben aan, dat dit voorwerp van my door de flagader is opgevult, en dat my geenzints gehindert heeft , dat dit Kalf zo lang doodt in de Baarmoeder gezeten heeft. Zie verder van de£e zaak in ’t 3* tiental. N°. CLIX. Een Zuylvoetje met de Kniefchyf van een Menfch voor- zien , waar over ontelbare opgevulde flagaderen heen lopen, die met tot de kniefchyf, maar tot het overfchot van de fpieren , die den fchenkel uytftrekken, behoren. X x xxx No, CLX. XL ANATOMISCH CABINET N°. CLX. Een Zuylvoetje , en boven ’t zelve een t’zamenftel van verfcheyde dingen, die in een papgezwel van de Maag gevonden zyn, namentlyk een wanfchape gebeente, haayren, en vier kiezen. Zie ver- der de gefchiedenis hier van met een verklaring beveftigr, in het der- de tiental. Nu. CLXI Een Vies met vogt, omvangende een ftuk van een vier- voetig gedierte, waaraan de fchenkel met de uytwendige voet, alsmede een klaauwtje, dog niet geklooft, vaftzit * dit is gevonden met de vier kiezen, het wanfchape gebeente, en haayren in ’t gemelde papgezwel. Mo. CLXIL Een Vies met vogt, bewaarende een groot gedeelte van een Vrouwen [mamma] borft, fchynende nog te leven : de zelfftandig- heydt van dezelve is geenzints klieragtig, maar zodanig, als’er nergens in 7c gehele lichaam gevonden wort, behalven in de byftanders van een menfeh , met welke de borft een grote overeenkomft heeft, als zynde namentlyk van een zeer taaye, witte, en een vafte zelfftandigheydt, die nooyt los kan werden gemaakt. De ronde deeltjes, dewelke men in de borften vint, is een zuyver vet, de overige ftukjesm de uyterlyke tepel, hebbende de grote van een kleyne fpeldeknop , houde ik voor zenuwte- peltjes , die ’t gevoel aldaar toebrengen, _N°. CLXIIL Een Vies met vogt, eenige fpierdraden bevattende; twee fpierdraden hadde ik in vele zeerfyne vezeltjes verdeelt, die zoo dun zyn als dons ; ik hebbe een tak van de doornagtige Pimpernel daar by gedaan, op dat ze des te beter gezien konnen worden ; maar nadien door ’t ftilftaan de vezelen gewoon zyn op de gront van ’t glas te gaan zitten, moet men de Vies wat bewegen, waar door verfcheyde van haar zich aan de doorntjes genootzaakt worden te hegten. N°. CLXIV. Een Zuylvoetje, waar op een Ribbe van een kindt ge- zet is, zynde zodanig omgekromt, dat ’er een C door verheelt wort j zulks hebbe ik, door toedoen van een weeking, in een zure vogtigheydt te wege gebragt. CLXV. Een Zuylvoetje, waar op een door balfcm verhart Hart van een Jonge gezet is ; zynde door de flagader opgevult, wiens uyter- fte eyndens zeer klaar en duydelyk in ’t gezicht komen. CLXVI. Een Zuylvoetje, waar op een ftuk van den omgewon- den en Kronkeldarm van Menfeh, waar in aan te merken ftaat, dat den Kronkeldarm tegen de wetten der nature, zeer verwydert is, en dat wegens een darmbreuk, daar hy in zyn leven mede gequelt was5 zulks geheugt my meermalen gezien te hebben in Menfchen , die met breuken bezet waren. Verders is in dit voorwerp aan tc merken , dat, de wint aange* aangedrongen zynde , alhier zich aan ’t gezicht vertonen , de twee klap- vliezen , ’c welk in een gezont en fris menfch niet gefchiet : want daa komt ons aldaar een kring in de plaats van klapvliezen voor. In een Darmziekte, die men Miferere Mei noemt, wanneer dezelve uyt een wint ontftaat, wort zomtydts het gedarmte ook aldaar zo verre uytgerekt, dat ’er in plaats van een kring de gemelde klapvliezen te voor- fchyn komen. Onder het zwarte ftipje wort de mont van het wormwyzc uytfteekzel gezien, welk uytfteekzel, niet opgeblazen zynde, alhier vol- gens de lengte van den Kronkeldarm zich uytftrekt. No. CLXVIk Een Vies met vogt, waar in een kleyn onvoldrag Schaapje met de nageboorte, zich als levendig vertonende. N°. CLXVUI. Een Vies met vogt, en daar in een ftuk van den En* deldarm uyt een Jongeling, in welke de zogenaamde klieren , of liever de Boerhaaviaanfche groeven, alhier met een roodtagtige couleur zeer klaar te voorfchyn komen. De tak , die het voorwerp tegen de want van ’t glas drukt, is de Acacia Africana /pinis albicantibus. No, CLXIX. Een Zuylvoetje,. waarop een witte en grote haayrigc Bal uyt de Maag van een Koe. N°, CLXX, Een Zuylvoetje , voorzien met de Galblaas van een Menfch , met een wafchagtige ftoffe opgevult; alhier vertoont zich een bogtigheyt in de galblaas , die m cie Dccdcu gtiuwbuiy k xege uyt loopt. N°. CLXXI. Een Vies met vogt opgevult, en daar in een ftuk vaa een Kalfs Maag , als mede de zenuwtepeltjes , waar van het netwyzc lichaam met de tepelkokertjes afhangt. N°. CLXXII. Een Zuylvoetje, waar op ftaat een groot ftuk van ’t Darmfcheyl met zyn klieren, die, fchoon kleyn, echter zeer wel opge- vult zyn, op dat het beloop der zelver llagadertjes in ’t gezicht komen. Daar en boven ziet men zeer klaar en duydelyk de vaatjes door de zelf- ftandigheydt van ’t darmfcheyl in menigte verfpreyt. Dit voorwerp is genomen uyt het lichaam van een Menfch. Van FREDERIK RüYSCH. De Aditfte PLANK. N°. CLXXIII. Een Zuylvoetje, en daar op ftaande een groot ftuk van’t Vel van een Jongeling, waar van de flagaderen zeer net opgevult en onder malkanderen verenigt zyn. No. CLXXIV. £en met vogt gevulde Vies, waar in het dunne herf- fenvlies, door’t opvullen zeer rQodt geworden, en gelyk als ontftoken# hangende tuiïchen een tak van den Goafche Geneverboom. Xxxxx i No. CLXXV N°. CLXXV. Een Zuylvoetje, waar op een groot ftuk van denbog- dgen of omgewonden Darm uytccn volwaftchen Menfch5 in ’t welke een infchieting van den gemelden darm, alwaar de openingdoormy gemaakt en met een zwart ftipje getekent is, gezien wort. No. CLXXVI- Een Zuylvoetje, verzien met een ftuk van een Kalfs tong over lang gefneden, en door de flagader opgevulc sin ’t zelve ver- tonen zich de tongtepeltjes ,en , dat aan te merken is ,in ’t midden , alwaar ik het bckleetzel afgenomen hebbe , ziet men zeer klaar den loop der flagaderen $ dog van onderen , daar het bovenfte gedeelte van afge- fneden is, konnen we zo wel, dat te verwonderen is, den loop der vas- ten befchouwen, als in de oppervlakte. No. CLXXVIi. Een Zuylvoetje, en daarop een groot ftuk van den Kronkeldarm, door de flagader opgevult, vertonende een gehele anderen loop, als wanneer de opvulling door de ader gedaan was, waar op men wel moet acht geven. N°. CLXXVIII. Een Vies met vogt, bevattende een ftuk van een Kalfs Milt, die door de flagader is opgevulc. Het vlies van de een® kant afgenomen zynde , heb .ik een lig- ontvang (gdyk men gc- meerïiyk- zegt} of Hcver een ontrafeling gemaakt j lenoon dit werk niet geheel en al te mispryzen is, echter komt de Joop der vaten in de Milt veel duydelyker te voorfchyn na ’t hartmaken van een opgevulde Milfr De tak, waar op dit voorwerp zit, is de Kcrion Angujüfolhtm Ode- XI. ANATOMISCH CABINE T rat um. N°. CLXXIX. Een Zuylvoetje, op’t welke twee voorwerpen ftaan, waar vanrt buytenfte is een gedeelte van den Endeldarm uyt een Menfch, zynde de opvulling door de poortader gedaan, waardoor ontelbare tak- jes, fynder als fpinnewebbe zynde, te voorfchyn komen *de fcherpe punt van den doorn betekent de uytwendige gedaante van den darm, het an- dere tweeverwige doorntje doorboort het celluleuze vlies, 5t welke alhier uytgefpannen en met een rode wafchagtige ftofte vervult is , hier door is ’er zo groöt een opzwelling ontftaan. Het andere of ’t onderfte voorwerp, is een lofwerkje uyt een ftuk van den nugteren Darm gemaakt. De opvulling is gefchiet door de flagader: in dit voorwerp zyn apc de latten (anders gezegt de oogluykende klap- vliezen} zeer klaar te zien. N°. C LXXX. Een Zuylvoetje met een groot ftuk van ’t middelrifr, door de flagader opgevult. Let wei, dat de üagaderen door het peesagtige gedeel- te van ’t middelrift heen lopende, een byzonderen loop hebben, verfchillende van die vaten, welke door’tfpieragtige deel des middelrifts verfpreyt wor- den. No. CLxXXI. Van FREDERIK RUYSCH. N°* CLXXXL Een Zuylvoetje , voorzien met een van de kleynfte tanden van een zeer grote Zeevifch , Qasjellot, of ‘Potvïfch genaamt, uyt wiens agterhooft eenige tonnen van de herflenen of ’t achrcrbreyn vergadert worden, ’t welk gezuyvert zynde, verkeerdelyk fpermaietï of walfchot genaamt wort. N°. CLXXXII. Een Zuylvoetje, voorzien met het voorfte gedeelte van een Kalfskop, door de flagader opgevult: Nadien dit voorwerp tot verfcheyde gebruyken gefchikt is, daarom wort hier ook een verfcheyde gefteltenis van vaten gevonden , en aldus komen de llagaderen , door ’t verhemelte verfpreyt, met overeen met die gene, dewelke door demont of kaken verfpreyt worden, en veel minder met die, welke men in de holligheydt van ’t voorhooft vindt * indien iemant verder onderzogt zal hebben de langere vaten, die het fnot in de neusgaten voort brengen of liever maken, en uyt de llagaderen voortkomen (Ik meene die varen , dewelke door de fpongieuze beenderen van de neus lopen) Wat een on- derfcheydt zal hy bevinden! Eyndelyk zo iemant eenKallstong na beho- ren vervult, en daar na volgens dé lengte in twee delen verdeelt zal heb- ben , hy zal den loop van alle de vaten zo wel gewaar worden , als of hy de gehele tong doorfnuffelt hadde, ’t welk men in de milt, lever, nieren, en andere delen van ’c lichaam niet verneemt. Alle deze dingen aldus geftelt zynde , zal niemant anders kennen zeggen, dat dit alles van den Goedertierens Schepper zo verfchydentlyk is ge- fchapen, als om zyne ondoorgrondelyke magt en heerlykheydc te open- baren. N°. CLXXXIII. Een Vies met vogt, waarin legt het Geraamte va» een witte Pruym , wiens zapvaten, uyt welke deze vrugt bedaar , ver- fchillen van die gene, de welke een Peer uytmaken 5 en daar men zich over verwonderen moet, de vaten van deze Pruym komen voor een ge- deelte voort uyt de vaatjes van de fteel, en ten dele uyt de fteen. N°. CLXXXIY. Een Zuylvoetje, verzien met \_glattdula parot is J de Ocrklier uyt het hooft van een verfch geworpe Kalf* zynde de opvul- ling door de flagader gedaan ; hier kan men zien, hoe grote!yks de joop der flagadertjes van deze klier verfchilt van de darmfcheilsklieren vaneen menfeh dcrhalven is ’t een gewis teken, dat alle de klieren niet rot een en ’t zelfde gebruyk van den Goeder tier enden Godt gefchikt, nogdatze alleen bloet voerende, of bloetyatea zyn. Zie hier over na myn derde tiental der aantekeningen. N°. CLXXXV. Een Zuylvoetje met een ft uk vaneen Menfchemaag; zynde de opvulling door de flagader gedaan. Staat tc letten, dat deze Xxxxx 3 vaten vaten een anderen loop hebben, als die, dewelke in den nugteren darm gezien wort* waar uyt men dan befluyten moet, alwaar een ander werk moet verrigt worden, aldaar is ook een ander werktuyg nodig. No. CLXXXVI. Een Zuylvoetje, en daar op een ftuk van een man- nelyke roede , waar van de celluleuze rok door een fterk aangedronge wint geweldig uytgezet is: hier kan men ook zien, hoe dun de huyt van dit deel is. • XL ANATOMISCH CABINET N°. CLX XXVII. Een Zuylvoetje, waarop ftaat een halve Nier van een Menfch, zynde door de ader opgevalt. No. CLX XX VIII. Een Zuylvoetje, voorzien met een lofwerkje, ge- maakt uyt een Huk van een Schaaps Long, zynde door de Ilagader op- gevult, wiens uyteyndens de fynheyt van een fpinnewebbe verre te bo- ven gaan. N«. CLXXXIX. Een Zuylvoetje, voorzien met een lofwerkje, ge- maakt uyt het vlies Chorion van een Kalf, zynde door de Ilagader op- gevult, wiens uyteyndens zo fyn als dons, en met een byzonderen loop voorzien zyn. No. CXG. Een vies met vogt , vervattende een onvoldrage kindt omtrent van vier maanden dragts $ ’t zelve legt met Zyn hooft nederhan- gende, en ’t lichaam omgekeert, tuflehen een zeer fraay toebereyt men- fche net. N°. CXCI. Een Zuylvoetje , waar op een zeer fraay toebereyde en door de Ilagader opgevulde halve Nier van een Jongman. No. CXCIL Een Zuylvoetje, waar op de Pan van ’t heupebeen uyt een Kalf, door de ader en Ilagader opgevult. Dc Negende PLANK. No. CXCIII. Een Zuylvoetje, waar op een groot Vaandel, gemaakt uyt een menfehe huyt, in welke ontelbare huyttepeltjes te voorfchyn komen. Merk weiy dat deze tepeltjes beftaan niet uyt byzondere of enkele, maar uyt zeer veie takjes van zenuwen, ’t welk nog klaarder blykt in de huyt van de tepels van Walvifch-mammen of borden, gelyk ik in’t eerfte Anatomifch Cabinet heb laten afbeelden. N°. CXCIV. Een Zuylvoetje , waar op een gehele Moerkoek van een onvolkome menfehelyk fchepzeltje , zynde door de ader zeer fraay opgevult. N«. CXCV. Een Zuylvoetje, voorzien met het boveallcgedeslte vao ’t hooft J J hooft van een onvoldrage kindrje* welkers flagadertjes, zynde door het dikke en dunne herffenvlies verfpreyt, zeer wel opgevult zyn. Staat te letten daar en boven, dat het bekkeneel op vele plaatzen ont- breekt ,’t welk ik meermale gezien hebbe , en in zodanig geval puylen de herflenen eenigzints door die ontbrekingen van ’t been uyt; de vaten, welke ik hier bygevoegt hebbe, zyn opgevulde flagadertjes , dog zeer reder en bros. N°. CXCVL Een Vies met vogt, bewarende den arm vaneen Jonge, welke nog levendig fchynt; in de hant wort vaft gehouden een zeer rode door de flagaderen opgevuldc Nier van een onvoldrage kindtje. Nü. CXCVII. Een Zuylvoetje , verzien met een groot ftuk van ’t darrafcheil uyt een Mcnfch, waar in verfcheyde klieren te voorfchyn ko- men j dit voorwerp aldus bereydt zynde, verheelt gekrulde kool. N°. CXCVIII. Een Vies met vogt, waar in belloten is een Zuyger, dog verkeerdelyk alzo genaamt: om dat het niets anders is, als een nage- boorte, die na de verlofling van ’t kindt uyt de baarmoeder in de zelve aldaar overgebleven, en door de pèrfling van de baarmoeder, tragtende wederom haar natuurlyke grootbeydt te verkrygen , zodanig gevormt is. Dit voorwerp naauwlyks de grootte van een ey hebbende, is omtrent vier maanden na de verlofling ’t kindt in de baarmoeder gebleven. N°. CXCIX. Een Vies met vogt, in welke vertoont wort een uyt- gerafelde of losgemaakte Bal van een Menfch, wiens vaten door een tak van den Goafche Gene verboom verfpreyt zyn, op dat men de fynheyt der vaten des tc klaarder zou konnen zien. N°. CC. Een Vies met vogt, waar in het geraamte of de zap vaten van een Abricoos, die voor een gedeelte uyt de fteen, cn ten dele uyt de fteel voortkomen * dezelve verfchillcn veel van die gene , dewelke de Peren maken. N°. CCI. Een Zuylvoetje , en boven op ’c zelve de tweehoofdige fpier uyt een Jonge, door de flagaderen opgevult. N°. CCII. Een Vies met vogt, waar in een ftuk van de nageboorte, door de flagaderen opgevult j alhier ziet men nog in de uyteyndens het moesagtige der flagadertjes. N°. CCIII. Een Zuylvoetje met een groot ftuk van den nugteren Darm, welkers latten of oogluykcnde klapvliezen de trappen van een Watermolen verbeelden. N°. CCIV. Een Zuylvoetje, waar op de knie van een mcnfch; in de zelve ziet men twee beweegbare kraakbeenderen, getekent met twee witte flipjes. De doorn onder de kniefchyf geftoken, betekent het klieragtige lichaam, Van FREDERIK RUYSCH. XI. ANATOMISCH CABINET lichaam, alzo van de Schryvers genaamt. Het zwarte ftipje wyft de knie- fchyf aan. De opvulling is gedaan door de üagader. N°. CCV. Een Zuylvoetje, voorzien met het dikke herften vlies, gelyk cenhoerje uytgefpannen, waarin de langwerpige groeve open is gebleven. Het zikkelwyze uytfteekzel is ook in zyn natuurlyke ftaat gebleven. Merk aan, dat, fchoon de opvulling door de üagaders gedaan is, ech- ter geen wafchagtige ftoffe in de gemelde groeve gekomen iS. ja jk oor-, dele zulks nooyc te gefchieden, ren ware dc uyterfte eyndens der llaga- deren zich met die der aderen verenigt hadden , gelyk ik zomtyts ge- zien hebbc. N°. CCVI. Een Vies met vogt, vervattende een (luk van de opper- huyt, het netwyze lichaam, en huyt van een Walvifch door een doorn worf de huyt van de opperhuyt afgeheven, op dat de zeer witte zenuw- tepeltjes van de huyt gezien konnen worden j en ’t geen verder aan te merken is , het netwyze lichaam en opperhuyt hebben een gemarmerde couleur, ’t welk dikmaals gebeurt , gelyk my de Walvifch vangers ver- haalt hebben. • No. CC VII. Een Zuylvoetje, verzien met het bovenfte gedeelte van’c bekkeneel van een onvoldrage kindt, waar aan het dikke herfTen vlies nog zo naauwkeur/g en vaft van binnen zit, dat het nergens daar van losge- worden is; daar en boven zyn de üagaderen door ’t dikke hcrüenvlies verfpreyt, met zo veel behendigheydt opgevult, dar de wafchagtige lloffe op verfcheyde plaatzen zyn doortogt tot in de btenagrige zelfftandigheyt van de herüenen als een dauw gezogr heeft, gelyk met de zwarte llipjes aangewezen worts ik bekenne, dat my dit op deze plaatzen nooyc meer gebeurt is. N°. CCVIII. Een Zuylvoetje , verzien met het [. • fecLt. €&'<£ - ‘ Tab. IK . I7S/. Jzó', vernieuwde oeffeningen VAN fredrik ruysch, Med. 'Doflor en Hoogleer aar in de Ontleedt en Kr uydt kunde , Medehdt in de Keyzerlyke Academie in 'Huytfchlandt 5 en van de Koninklyke Maatfchappy der Geleerden in Engelandt 5 en Vrankryk, . Ofte Jie NIEUWE ONTLEETKUNDIGE G A B I N E T, Uytgegeven na de laatfte Oeffeningen, Met Kop ere 'Platen, AAN de zeer voortreffelyke, vermaarde, UYTMUNTENDEHEEREN, ZEER WAARDIGE LEDEN VAN DE KONINGLYKE MAATSCHAPPY DER GELEERDEN TE PARYS, ONDER DE BESCHERMING, VAN DEN DOORLUCHTIGSTEN, EN MACHTIGSTEN PRINS en KONING, LODEWYK den VYFTIENDE, WORDT DIT NIEUWE CABINE T, TER GEDACHTENIS VAN AANNEMING IN DE VOORTREFFELYKE MAATSCHAPPY, OPGEDRAGEN DOOR FREDRIK RUYSCH, jVu Oud/ een en t'wgentigjtren. Jyyyy 3 ZEER ZEER VOORTREFFELYKE H E E R E N. MT{||| k, die nu den ouderdom van een en t’negcntig Jaren |||| B bereykt hebbe , zoude waarlyk in ’t uytgeven van de ifiJli laatfte Oeffeningen, ftilgezwegen hebbe, gelovende dat ik nuttigheydt genoeg aan de Genees en Ontleedtkunde byge- bragt hebbe, om een eynde van mynen arbeydt te konne ma- ken. Maar ik gevoele nog, Hlortreffelyke Heeren, dievreugdt en blydtfthap, waar mede myn gemoedt aangedaan wierdt, wanneer my de Voortreffelyke Graaf Maurepas in ’t voorledene Jaar de Koninglyke goedtgunftigheydt van den Onvet winndy- ken en Machtig ft en korft en Koning Lodewyk den vyfüende bootfchapte. Ik was waarlyk vei fielt , toen ik las , dat ik* in UL. Maatfchappy aangenomen was, en dat wel in de plaats van den Grooten Newton! Ach! Hoe gaarne zoude ik nog, fchoon ik aan de kortheydt van myn leven gedenke, iets wille toebrengen tot voortzetting der wetenfchappen! Gelooft, koor- treffelyke Heeren, dat het aan myn wil niet ontbreken zoude, indien ’t de krachten maar toelieten, die door den onlangs ge- dane val by na vernietigt en veel verheten zyn. Ik weet wel, dat myne beloften aangaande het uytgeven van ’t kierde tiental van aantekeningen my fchuldig maken, maar ik worde, in on- ze zo grote Stadt altydt zeer veel bezigheden hebbende, dik- maals opgehouden, en lang ben ik belet ge weeft door de ver* handeling van de kringswyze Moerfpier, en de verloflmg van een tegennatiiurlyke vaftzittende Moerkoek, welke ik tot on- derwyzing der Vroetvrouwen heb moeten, en, in weerwil van den lafter, willen in t light geven. Maar zo men een zaak uytftelt, men fcheyt er nog niet mede uyt. Gy Lieden zult in dit Cabinet, zeer Voortreffelyke Heeren, vinden vinden verfchyde zeldtzame zaken, waar onder de eerfte plaats verdient een Doofie, daar in een zeker gewas gevonde wort, t welk ik in een ander gewas heb ontdekt , na dat het eerfte zyn bediening waargenomen hebbende , veeleJaaren tot gebruyk is ge weeft; men heeft wel aangemerkt , dat deze of gene ge- waffen uyt of by andere gewaffen voortkomen , dog zulks is niet zeltzaam: maar ik fpreke van zodanig een gewas, ’t welk niemant eerder heeft konnen zien, als dat de Moeder van ’t eer- fte gewas uytgedient hebbende, geftorven , en het twede gewas een Moedermoorder van ’t eerfte geworden is; voor welken tydt nog ik, nog iemandt anders het zelve ooyt gezien heeft. Wy zien wel dagelyks, dat er uyt de bomen vedcheyde [ fungi J Paddeftoelen voortkomen; maar dit gewas, daar wy van Ipre- ken, pronkt onder de andere uit. Daar en boven ziet men de- ze gewaffen nooyt, ten zy het eerfte gewas verdort zynde, geftorven is, waar op men wel ter dege letten moeten. Indien ik VOOlgenonaen laadde- T een laelf kfy ving* van dit g"C— was te geven, ’t welk ik gemakkelyk zou konnen doen, zou er niet een ruym velt voor my openftaan , om daar over te handelen ? Om kort te gaan, zal ik maar alleen zeggen, dat ik twree verfcheyde diergelyke gewaffen gezien hebbe: het eerfte pronkt met vele witagtige takjes; maar ’t andere is my zonder takken voorgekomen, zynde zo dik als een wandelftok , waar van ik maar een ftukje heb gekregen ; dit is hol en pypagtig gelyk riet ; in de inwendige oppervlakte van deszelfs hollig- heydt is ’t vol met ronde holle indrukkingen, gelyk als [crypt# f. fovea] kuyltjes of groefjes , in een hoop by malkanderen ge- legen, waar van wy na dezen verder zullen (preken. Ten twede: in dit Cabinet is een aanmerkenswaardige tak van een zeker [ planta arhorefcem ] tot een boom opfehietendt ge- was , dewelke zonder hulp van een fpeldt, touwtje, ftyfzel of van eenige andere ftoffe, aldus is toebereydt} maar alleen door een een verdeling der zapvoerende vaten in \lamdlee\ blaadjes, fchel- fertjes of fchobbetjes, die anderzints [fihr# ]de vezelen, of \_oJJa plant achter dit voorwerp is een wilde appeldragende roos geplaatft, om ’t zelve tegen de want van yt glas te drukken. No. XVI. Een glas met vogt , waar in een gedeelte van ’t dunne herflenvlies, welkers flagaderen tot haar uyteyndens toe vervult zyn, waar by legt de Murucuia van Tifo, Zie zyn Boek op de 70. en 71. bladtz. No. XV711. Een doosje, en daar in begrepen een moot van een Man- nelyke roede, waar in te zien is een dubbelde bant der groote zenuwag- tige fpongieule lichamen, ’t welk iets zeltzaams is. No. XVIII- Een ituk van een Mannelyke roede, waar in een hoop zenuwtepeltjes, door de opperyiaKic van iucUc lopende, en daar buyten uytpuylende, te zien is, en dat in vogt. N°. XIX. Een Vies met vogt, bevattende een ftuk van’t bekleetzel van een Walvistong, met het netwyze lichaamj hier by heb ik een ftuk van zeer zeltzarnc gekrulde Kool gedaan, die ik nooyt gezien hebbe. N°. XX. Een voetje, en op ’t zelve een ftuk van den omgewonden ■darm uyt een Menfch 5 ’t welk door de Poortader opgevult is. De Tweede PLANK* N°. XXL Een voetje, en op ’t zelve een gedeelte van een’s menfche middelriftj welkers vaten tot het uyteynde toe opgevult zyn. N°. XXII. Een voetje, en boven op ’t zelve een ftuk van een om- gekeerde en opgeblazen darm, waar door de zenuwagtige rok celluleus geworden is. No. XXIII. Een voetje, en daar op een (tuk vaneenKalfsmilt, wel* kers opvulling do0r de flagader gefchiet is* deszelfs moesagtige zelfftan- digheydt weggenomen zynde, vertonen zich de vezelen of draden, de groeven of üeuven, en opene plaatzen , al te onvoorzigtig celletjes of huysjes genaamt, nademaal ’er eygenrlyk geen holle vliesjes gevonden XII. ANATOMISCH CABINET worden 3 maar alleen draden of vezels 3 tuüchen welke het Moes zich onthout. * N°. XXIV. Een Vies met vogt, bewarende een ftuk van eenmanne- lyke roede; waar van de opvulling met een rode wafchagtige ftof door de flagader gedaan is. De drie zenuwagtige fpongieufe lichamen komen alhier te voorfchyn : het bovenfte gat is een gedeelte van de ader, en het onderfte de pisweg. N°. XX V. Een Vies met vogt, waar in vervat is een Arm van een Jonge, fchynende nog tc leven $ in dezelve wort vaftgehouden een ftuk van een menfchelyke Moerkoek , welkers vaten tot het uyteynde toe vervult zyn. N°. XXVI. Een Vies met vogt, waar in een ftuk van den omge- wonden darm uyt een Menfch 5 welkers vaten vervult zyn door den darmfcheyls flagader op dat de binnenfte gedaante van dit voorwerp te- gen de want van ’t glas zou komen, wordt het door een tak van de paf- ftebloem daar na toe gedrukt. N°. XXVII. Een Vies met vogt , waar in de grootfte toon van de Voet van een Menfch, van dewelke afhangt het netwyze lichaam, en de opperhuydc, op dat de zenuwtepeltjes buyten de huyt eenigzmts uyt- puylende, te voorfchyn zoude komen, N°. XXVIII. Een Vies met vogt, waar in een ftuk van den Endel- darm uyt een Jongeling : deszelfs vaten zyn met een rode wafchagtige ftofte opgevult: in de binnenfte gedaante ziet men de [crypta f, lacuna Boerhaavïana\ Boerhaaviaanfche groeven, of holtens, by andere klie- ren genaamt, mde welke een lymagtig vogt, dienende om den gemel- den darm te beftryken en glat te maken, gemaakt en afgefchyden wordt. N°. XXIX. Een Vies met vogt, bevattende eenige losgemaakte fpier- draden , zynde fynder als fpinnewebben; deze fpierdraadrjes hangen in een takje van doornagtige pimpernel, op dat men ze des te klaarder zou- de konnen zien. N°. XXX. Een Vies met vogt, waar in de darmpjes van een onvol- drage welkers bloetvaten in ’t geheel vervult zyn , zo dat zc zeer roodt zich vertonen : boven op ’t dekzel ran dit glas vindt men een kleyn Zuylvoetjc , waar op een \JJmbelLa floris Ammi Majorts] kransje van de grote Ammi geplaatft is. N°. XXXI. Een Vies met vogt, in wdke begrepen is een ftuk van de Moerkoek uyt een Vrouw; waar van de bloedtvaren, die de Moerkoek uytmaken, wonderbaarlyk opgevult zyn, zo dat de fynfte uyterfte ey ndens in ’c gezicht komen, en ’t klaar blykt, dat ’er geen byzondere klieren in de Moerkoek gevonden worden. N°. XXXIE Van FREDERIK RüYSCH. No. XXXIL Een Vies met vogt, waar in een ftuk van een ’s menfche Nier befloten is, die nog fchynt te leven 5 in dezelve komen twee of drie niertepelrjes, door ’t mes een wynig opengefneden, te voorfchyn], en hangen nog in de pypjes van bekken. Een tak van de Ooftindilchc Moldaviëa drukt het voorwerp na de want van ’t glas toe , op dat het wat duydelyker gezien zou konnen worden. N°. XXXLIL Een Vies met vogt opgevalt, waar in men ziet een van de Moerkoeken uyt een Koe : de vaten van dezelve zyn zo verre vervult, dat de uycerfte eyndens, die zo fyn als een fpinnewebbe zyn, in ’t gezicht komen. No. XXXIV. Een Vies met vogt, en daar in een baftaartvlies, van my door’t fchuddenof omroeren uyt het bloet van een menfeh, na een aderlating gemaakt. N°. XXXV. Een Vies met vogt, en daar in de opperhuydt, en netwyze lichaam van de handt van een kindt, een hantfehoen verbeel- dende, waar aan de nagels nog vaft zitten ; hier by is gedaan de Zey- lonze Momordica, met een roode vrucht. No. XXXVI. Een Vies met vogt, waar in de tong van een Jonge, met de natuurlyke couleur voorzien , in welke de tonetepeltjes gezien worden, als mede het ftrotklapje * hiér by is een takje van \erjngium\ kruysdiftel geplaatft. N°. XXXVII. Een Vies met vogt, waar in belloten is een gedeelte van ’t dunne herflenvlies van een verfcb gehore kindtje * de flagaderen van dit vlies zyn met een roode ftofFe opgevult, waar door ze zeer rood te voorfchyn komen. N°. XXXVIII. Een Vies met vogt, waar in dc groote toon van een oude Vrouw: de opvulling is gemaakt door de flagader, waar door dc zenuwtepeltjes onder de nagel zeer roodt in ’t gezicht komen. Het op- pervel en ’t netwyze lichaam zyn zeer wit, ’t welk een klaar bewys is, dat nog de opperhuydt, nog ’t netwyze lichaam met bloetvaten voor- zien zyn. Np. XXXIX. Een Zuylvoetje, en boven op ’t zelve een ftuk van een Schaaps Long, zodanig toebereydt, dat’er zeer veele longblaasjes gezien konnen worden. Het voorwerp is roodt van couleur, wegens de opvulling der vaten. De Derde PLANK. N°. XL. Een langwerpige Doos, waar in eenige by malkander ge- voegde [iameiu\ blaatjes of fchelfertjes van een boomgewas, namentlyk XII. ANATOMISCH CABINE T Japanfche kaasjesbladeren, zeer witte zyde verbeeldende j en zyn niet anders als verdroogde zapvaten , die men wegens de droogte vezels noemt, dog zyn alhier tot blaatjes gefchikt. N°. XLI. Een Doosje, waarin een fluk van een omgekeerden en opgeblazen omgewonden darm uyt een Walvis , zo dat de zenuwagtige rok opgeblazen zynde, celluleus is geworden. N°. XLIL Een voetje, en boven op’c zelve een Vaandel, gemaakt uyt de opperhuydt van de voetzool van een zwaarlyvige Vrouw • daar in is ’t onderfcheyde te zien y ’t welke gevonden wordt onder de voet- zool, en alwaar ’t daar van afgeweken is. N°. XLIII. Een Zuylvoetje , en boven op ’t zelve een groot fluk van een ’s menfeben Lever; wiens opvulling door de holader gedaan is. Een twee couJeurige doorn betekent de oppervlakte van ’t bultige ge- deelte, alwaar de rotundi~\ ronde korreltjes of peukeltjes onge- fchonden zyn; maar in ’t tegenovergeflelde gedeelte zyn zy door’t mes gequetft. Dit voorwerp is een van ’t befte. -N°. XLIV. Een Zuylvoet, en daar op een fluk van een Kalfsmilt* ’t zelve is door de flagader opgevult; ’t is mede een zeer fraay voor- werp. No, XLV. Een Zuyl voetje, waar op een Coupel, gemaakt uyt een omgekeerde en opgeblazen omgewonden darm, en dat uyt een zwaarly- yigeoude Vrouw : de zelve is door de holader opgevult sen is zeer fraay om te zien ~ wegens de nettigheydt van ’t voorwerp ,en den by- zonderen loop der vaten. N°. XL VI. Een Zuylvoetje, en daar op een fluk van een menfchs huyt, waar van de flagaderen met een roode wafchagcige ftofle opge- vult zyn. In dit voorwerp komen de tepeltjes in ’t gezicht. De bin- nenfte gedaante vvort met een zwart flipje getekent, en aldaar ziet men afgefnede zenuwtepeltjes, die van andere verkeerdelyk klieren, genaamt worden. XL/VIL Een Zuylvoetje, en daarboven op een ftuk van de neus ran een verfch gebore Kindtje, door welkers bekleetzel flagaderen 5 voor- zien met een loop, verfpreydt worden. N°. XL VUL Een Zuylvoetje, waar op gezet is een mannelyke roe- de. Een tweeverwige doorn a zynde de grootfte, berekent het groote zenuwagtig fpongieus lichaam; maar het kleyne gemelde lichaam, voor zo veel ’t het hoofrje van de roedë uytmaakc , wort aangewezen door een fpeldeknop, die met een wit vlokje bekleet is; de pisweg wort met een bloote fpeldeknop aangetoont $ de celiuleuze rok kent men door twe® Van FREDERIK RüYSCft kleyne doorntjes; en ten kaften , wordt de dunnigheydt van de huydt met een zwart flipje onder het dunfte doorntje betekent. N°. XLIX. Een Zuylvoetje > en daar op een deel van de manoelyke roede in ’t welke de drie zenuwagtige fpongieuze lichamen met een roode wafchagtige ftofte opgevult zyn : deszelfs celluleuzc rok , onder de huydt gelegen, is door ’t opblazën zichtbaar geworden : daar en bo- ven komt de huydc zo dun als papier te voorfchyn. N°. L. Een Zuylvoetje, waar op ftaat een moot van een mannelyke roede, De twee grootc zenuwagtige fpongieuze lichamen , leggende onder de huyt > zYn met wint opgevult 5 daar en boven wordt hier ook het middelrift van de roede gezien. No. LI. Een Zuylvoetje, en boven op ’t zelve geplaatft een ftuk van een Kalfsmilt van zyn bekledent vlies ten eenemaal ontbloot. De op- vulling is gedaan door de flagader. No. LU. Een Zuylvoetje, en op ’t zelve een Vaandel , gemaakt uyt een menfche huydt , zynde zeer root wegens de opvulling der vaten, dewelke door het bovenfte of ’t buytenfte gedeelte heen loopen : De vaten , die hier ter plaatze loopen , verfchillen veel van die , dewelke door ’t binnenfte gedeelte verfpreit worden, om dat deze niet behoren tot de huydt, maar tot het cellulvuze YHoj i k koimsn bedriegen. De Vierde PLAN K. N°. LUI. Een Vies met vogt vervult, bevattende de vrucht van een Schaap, hebbende de grootte van een pink, hangende van zyn eyge vlies Amnion af, en zwemmende in zyn eyge natuurlyke klaare vogtigheydt, 20 dat het zelve zeer duydelyk in ’t gezicht komt. N°. LIV. Een yies met vogt, waarin begrepen is een \embryo~\ kleyn fchepzeltje van een Konyn , van agc dagen , zo groot • als een gerlle koorntje , hangende van de navelftreng, en ’t eerfte begin zei van. de Moerkoek. N°. LV. Een Vies met vogt vervult, en daar in een groot ftuk van een breede worm* N°. LVI. Een Vies met vogt, waar in een bevrucht eytje, uyt ds baarmoeder van een Vrouw voortgekomen, hebbende de grootte van een Notemofcaat: uyt het vlies chorion fpruyt volkome het eer He begin- sel van ’t Moerkoekje. Die voorwerp heb ik nog niet geopent, zo dat ik met wete wat ’er van binnen in gefloten is, en hoe landen XII. ANATOMISCH CABÏNET tydc de Moeder zulks in de Baarmoeder gedragen heefr. ’t Is een zeer zeltzaam Voorwerp. x N°. LVII. Een Vies met vogt, waar in \_fufcej)tio inteJUni IleiVermino- fa] een infehieting van den omgewonden darm, door Wormen veroorzaakt, genomen uyt een J onge. De Bloetvaten van dit ftuk darms zyn opgevult. N°. LVIIE Een Zuylvoet, cn boven op ’t zelve dc voet van een Jongeling, hardt gebalfemt , en zeer root, wegens de opvulling der bloetvaten , gedaan met een roode wafchagtige ftoffe. No. LIX. Een Vies met vogt, en daar in een ftuk van de opper- huydt, het netwyze lichaam, en dehuydt, genomen uyt een Zwarcinne. Staat te letten, dat dit voorwerp afhangt van de opperhuydt en ’t net- wyze lichaam , welkers buytenfte gedaante, de opperhuydt is , zynde van een asgraauwe couleur, en de binnenfte gedaante, die zwart is, het netwyze lichaam : het onderfte gedeelte, van de gemelde bekleetzelen afhangende, is dehuydt, en fchynt ons hier eenigzints zwart te zyn, ’c welk zy van de opperhuydt gekregen heeft, dewyl de huydt van na- tuur zeer blank cn wit is. No. LX, Een Vies met vogt, en daarin het geraamte van \malumar~ meniacurrT\ een Abricoos, wiens gefteltenis der vaten veel verfchilt van die der Peeren en andere vruchten. No. LXI. Een groote Vies, waar in een onvoldrage Kindtje van omtrent agt Maanden dragts, fchynende nog te leven j met het hooft nederhangende, en toegefloote oogen, verheelt het te flapen j en met zyn handen hout het een ftuk van een ontvliesde losgemaakte Kalfs milt vaft. ’ . ' fT : N°. LXII. Een Vies met vogt, waar in begrepen is een Armtje van een onvoldrage Kindtje , fchynende nog te leven 5 bezyden dit is de op. perhuydt van dezelfde handt, en ’t netwyze lichaam, zeer aardig een handtfehoen verbeeldende, gelegen, zynde de nagelen zelfs daar aan ge- bleven. Dit voorwerp is zofraay om te zien, dat het de oogen van allé aanfehouwers tot zich trekt. Hier by is geplaatft het gewas , \balja- mlna Ma? Zeylon. fruttu longo flavoj Zeylons Mannetjes balfemkruydc meteen lange gcele vrucht. , . N LXIII- Een vies met vogt, waar in het geraamte van een Knol van welke de ftaart afgenomen is. N°. LXIV. Een Vies met vogts en daar in een ftuk van ’t dunne herftenvlies van een onvoldrage Kindtje , omtrent van agt Maanden dragts, waar van de flagaderen zeer mooy opgevult zyn. N°. LXV. Een Vies met vogt, en daar in een ftuk van de Milt y*n '“ r. , : \ een Van FREDERIK RUYSCH. een Vryftcr, omtrent vyfentwintig Jaren oudt , zonder opvulling toebe- reydt *de uyteyndens der vaten verbeelden pcnceelen. Dit voorwerp is my zeer dierbaar, om redenen, die ik hier verzwygen moet. N°. LXVI. Een Zuylvoetje , en boven op ’t zelve eenkleyne moet van een Walvis roede , waar in men ziet, hoe groote overeenkom!! ’er is tuflehen deze, en die van een Menfch. De gaten in den omtrek zyn de afgefnede zeer talryke bloetvaten. N°. LXVII. Een glas mec vogt, waar in vlezige vezelen, in zeer fyne donzige vezeltjes gefcheyden, befloten zyn 5 deze vezeltjes zyn zo teder, dat ze het fpinrag te boven gaan. No. LXVIII. Een Zuylvoet, en op ’t zelve de maag van een onvol- drage Kindrje van omtrent zes Maanden dragts. De opvulling is gc- fchiec door de flagader, waar door deze maag zeer roodt geworden is. No. LXIX. Een Zuylvoetje, waar op een halve Long van een on- voldrage Kindfje, met het hardtje, geftelt is 5 welkers llagaderen zeer net zyn vervult. Het zwarte ftipje betekent een gedeelte van ’t mid- delrift. No. LXX. Een Vies met vogt, bewarende een ftuk van een doodts- hoofc van een Kalf, en daar m het Wondernet j de llagaderen, die dit net uytmaken , zyn zeer fraay opgcvuu, waaruoor c voorwerp ook zeer -«hoog roodt geworden is. Ik heb ’t zelve genomen uyt een Kalf, ’c welk wel een half Jaar lang na zyn doodt in de baarmoeder van de Koe gedra- gen was 5 waar van de gefchiedenis te lezen is in myne verhandelingen van deMoerfpier, en de tegennatuurlyke vaftzitting van de Moerkoek. N°. LXXI. Een Zuylvoetje , en boven op ’t zelve een ftukje van den Kronkeldarm. De opvulling is gedaan door de holader. Merk aan, boe veel deszelfs gefteltenis verfchilr van die, dewelke men vint, als de opvulling door de Poortader gedaan is. De Vyfde PLANK. N°. LXXII. Een Zuylvoetje, en op’t zelve een ftuk van deAfricaan- fche Aloë, op ’t welk een wit geraamte van een Muys fpringt. Merk, dat in de bladeren van dit gewas alle de zapvaten volgens de lengte loo- pen, zonder een zichtbare verfpryding van takken. N . LXXIII. Een Vies met vogt, bevattende oen Aim van een onvoldrage Kindt 5 een levendige Arm verbeeldende , in wiens handt een ftuk van een Kalfsmilt vakgebonden wort. N«. LXXIV. Een Vies met vogt, en daar in een ongebore Kindtje van van omtrent drie Maanden dragts 5 in ’t zelve ziet men in plaats van de neus een ftukje vleefch, gelyk als een fnuyt; hier by is gepiaatft een rak van een gewas uyt het Eylant St. Jago 5 namentlyk [lotus jlore J>ulld\ klaveren met een bruyne bloem. N°. LXXV. Een Vies met vogt, waar in begrepen {$ een ftuk van de Miltflagader van een Kalf, met een roode wafchagtige ftoffe ver- vult; op vcrfcheyde plaarzen wort ’er nog een moesagtige zelfftandig- heydc aan de uyterfte takjes gehegt, maar op andere fdaatzen wort die niet gevonden; en zo zien we, dat de takjes eyndigen in de gedaante van eenigzints verilete penceelen. N°. LXXVI. Een Vies met vogt , en daar in een uytgerafelde of losgemaakte bal van een Menfch $ de vaatjes, die den bal uytmaken., zyn by zon der fyn. Dit voorwerp is mede een van ’r befte. No. LXXVII. Een Vies met vogt, en daar in de .Arm van een on- gcborc Kindrje, die nog fchynt te leven } in ’t hantje wort een ftukje van ’t dunne herflenvlics van een ander kindrje vaftgehouden, van welke de flagaderen met een roode ftoffe opgevult zyn. N('. LXXVIII. Een Zuylvoet ,enop ’t zelve een halve IVI ilt van een Menfch. De opvulling is gedaan door de ader; de moesagtige uyteyn» dens van deze ader vercoonen zich zo wonder fraay, dat ik oordeele, onmogelyk te zyn> dat een Plaatfnyder dezelve na behooren doornguu- ren kan uytdrukken. N°. LXXIX. Een Vies met vogt, in de welke begrepen is de huydt van de voetzool, met de opperhuydt, en ’t netwyze lichaam , uyt een Europiaanfche Vrouw genomen ; de buytenfte gedaante is ’t netwyze lichaam, zynde geelagtig. Onder dit voorwerp vint men een ander ftuk van de huydt van de voetzool, wiens buytenfte gedaante de opperhuydt is. Hier by legt [herniaria] duyzentkoren. N°. LXXX. Een Zuylvoetje, en boven op ’t zelve een roodt ftukje van de huydt, genomen uyt een Jonge. De flagaderen vervult zynde, komt der zei ver loop zeer fraay te voorfchyn. Dit Voorwerp is van ’c befte zoort. N°. LXXXI. Een Vies met vogt, in zich onthoudende defebil van een Peer, genaamt *Poire Sinjoor, wiens uytwendige oppervlakte met onnoemelyke peukelrjes bezet is, gelyk onze huydt met zenuwtepeltjes: in de binnen fte gedaante in tegendeel komen de uyteyndens der zap vaat- jes te voorfchyn , dewelke in de gemelde peukeltjes fchynen te eyndi- gen dit alles moet men in de zonnefchyn, met een vergrootglas be- fchouwea. XII. ANATOMISCH CAÊINET Van FREDERIK RüYSCH. N°. LXXXII- Een Zuylvoetje, op ’t welke een Vaandel gezet is, gemaakt uyt de huyt van een Kindt, waar van de flagaderen opgevulc zyn. ’t Is aanmerkenswaardig , dat men in het voorwerp , fchoon ’t hoog roodt is, zo ’t zelve tegen ’t licht bezien wort, nogtansnaauwlyks een Ylagaderlyk takje ontmoet; maar van ter zyde befchouwt zynde, ko- men’er duyzende rakjes in ’t gezicht. N°. LXXXIIL Een Vies met vogt, in welke begrepen is een ge- deelte van ’t dunne hersenvlies , genomen uyt een menfeh : in ’t zelve blykt klaar, dat het (fchoon ’t zeer dun is) een celluleuzen rok heeft: ook ziet men op yerfcheyde plaatzen , dat de wafchagtige ftoffe zich in den gemelden rok ontlaft heeft. No. JLXXXIV. Een Zuylvoetje, waar op een halve Nier van een menfeh gezet is: de opvulling is door de flagader gedaan. N°. LXXXV. Een Vies met vogt, vervattende een gedeelte van den tepeligen rok van de maagpyp Qf flokdarm uyt een groote Schiltpadde. Dit voorwerp heeft een groote overeenkomft met den rok van ’t binnenftc der wangen, en tong van een Koe. Alle deze tepeltjes hebben een vaft, hardt, en puntig [e£ithelid] bekleetzel: hier by legt een gewasje, God- fihe Genever genaamr. N°. LXXXVI. Een Zuyivutijv , wij ccu gcdcclrc van den nugteren Darm uyt een menfeh, zynde door de Poortadcr gevult. No. LXXXVII. Een Vies met vogt, waarin een ftuk van de huydt, met de opperhuyt, en ’t netwyze lichaam, uyt een Zwartinne. Het bovenfte zeer witte gedeelte, is de huydt, en ’t onderfte, de opperhuyt en ’t netwyze lichaam j de opperhuyt is asgraauw, maar ’t netwyze lichaam zeer zwart. N°. LXXXVIII. EenZuylvoet, en op’t zelve het hart, en de Long van een kindt, beyde hardt gebalfemt, en door de flagader gevult. Dit alles is in zyn natuurlyken (laat gebleven. N°. LXXXIX. Een Vies met vogt, waar in een fraay geraamte van een Peer. No, XC, Een Zuylvoetje, en op ’t zelve een ftuk van den nugteren Darm, genomen uyt een Jongeling , waar in men naauwlyks oogluy- kende klapvliezen of \_juga ] latten zien kan ,’t welk in dien ouder- dom natuurlyk is. Dit Voorwerp pronkt met een hooge roode couleur, wegens de opvulling der flagaderen. XIL ANATOMISCH CABINE T De Zesde F L A N K. No. XCL Een Zuylvoetje, waar op geplaatft is een (luk van ’t Vlies ehorion, met een gedeelte van [cotyledonf. acetabulum nterinum, autt glacentula uterina ] een maatje, napje, busje, of liever moerkoekje, genomen uyt een Schaap; Dit is een zeer zindelyk voorwerp. No. XCII. Een Zuylvoetje, en op ’t zelve een Schelp, die men een Kam noemt, waar in agt hoekige fteentjes, uyt de galblaas Van een> Menfch , begrepen zyn. No. XCIII. Een Zuylvoetje, waar op een ftuk van een menfchelyke Moerkoek. De opvulling is gefchiet door de ader. N°. XCIV. Een Zuylvoetje, en daar op een gedeelte van de opper- huydt uyt de ftaart van een Walvis, zynde zeer zwart en dun. N°. XGV. Een Zuylvoetje, en op ’t zelve de [glandula conglobat f. fimglices~\ ronde of eenvoudige klieren onder [garotis'] de oorklier gelegen, zynde door de flagader gevult. Dit Voorwerp is wonderbaar- lyk s ten aanzien van den loop der flagadertjes. K°. xgvi.. Een Zuylvoetje, waar op een kleyn gedeelte van de huydt van [roJmarus~\ een Walrus. N°. XCVII. Een Zuylvoetje, en op ’t zelve een ftuk van een Kalfs Milt, waarvan de opvulling door de flagader gedaan i in ’t zelve moet men aanmerken, dat het beklee- dende vlies zeer dik is, ’t welk ik meermalen gezien hebbe, mogelyk van een voorgaande lichte of zware ontfteking ? Van FREDERIK RUYSCH. No. CXX. Een glas met vogt, waarin de Arm van een kindt, zich als levendig vertoonende , in wiens handt een (luk van den nugteren darm van een Menfch, met 2yne opgevulde vaten, vaftgehouden wort. Dit is een zeer mooy voorwerp. N°. CXXI. Een Vies met vogt, waar in een groot gedeelte van een menfchelyke nageboorte, zynde door de ader opgevult. Aan ’t eene deel pronkt het met een hooge roode couleur , maar ’c andere is nog bedekt met een wit, van my ontdekt bekleetzel, dat gedeelte ,’t welk na de baarmoeder toeziet, bekleedende. N°. CXXIL Een Vies met vogt, en daarin een gedeelte van ’t vlies chorion uyt een Kalf; welkers vaten tot het uyteynde tce zeer wel met een wafchagtige geele ftoffe opgevult zyn. N°. CXXIII. Een Vies met vogt, en daar in [apium fosniculi ma- rinifolio'] JufFrouwmerk of Zelery meteen blat van Zeevenkel, waar van afhangt een kleyn menfchelyk fchepzelrje, zodanig gedrukt, dat het zyn natuurlyke gedaante verlooren heeft. N°. CXXIV. Een Zuylvoetje, en boven op’t zelve een halve Nier van een Menfch, door de ader opgevult, en zo hardt, als hout, ge- balfemc. N°. CXXV. Een Zuylvoetje, w io v.wii Auk vau een Kalfs Milt, wiens llagader zo naauwkeurig opgevult is, dat de uytcyndens, door een vergrootglas befchouwdt, wolkjes verbeelden. N°. CXXVI. Een Zuylvoetje, waarop een halve mannelyke opge- blaasde roede geplaatft is. De grootfte tweeverwige borftel betekent het andere gedeelte van ’c grootc zenuwagtig fpongieus lichaam , en boven deze is een tweede borftel, het celluleuze vlies, gelegen onder de huyt, aanwyzende: De kleynfte vertoont een gedeelte van ’t kleyne zenuwag- tig fpongieus lichaam, het buytenfte gedeelte van ’c hooftje uytmakende; de ftompe borftel betekent een door konft gemaakte (namentlyk door opblazing) Spaanfche kraag ; deze borftel is onder de kroon van ’t roedenhooftje gelegen. De twee roode ftippen, die by een ftaan, beduyden denpiswegj maar het roode ftip, dat alleen ftaat, betekent de plaats, alwaar het kleyne zenuwagtig fpongieus lichaam eyndigt. De Agtfte PLANK. No, CXXVIï. Een Vies met. vogt, het geraamte van een Pnrym be- vattende, niet door hulp van beesjes, maar door myn eyge handen zeer konftig bewerkt en toebereydf. K°. C XXV UI. Een Vies met vogt, waar in een ftuk van een men- fchelyke nageboorte begrepen is , zynde door de flagader opgevult. De Vaten van dit voorwerp hebben een overeenkomft met de vaat- jes van den haft der herflenen , namentlyk ten aanzien van de fynig- heydt. N°. CXXIX. Een Zuylvoetje, waar op een ribbe van een kindt ge- zet is , zynde door een weeking in een zuur vogt zodanig buygzaam geworden, dat ik ’t zonder moeyte tot de gedaante van een p. heb ken- nen brengen. N°. CXXX. Een Zuylvoetje, waar op een hardt gebalfemde Milt, en klierbedde van een Jongeling : de opvulling dezer ingewanden is ge- Ichiec door de flagader, en daar in kan men zien, hoe veel de vaten van de milt en ’t klierbedde van malkanderen verfchillen. XII. ANATOMISCH CABINET N°. CXXXI. Een glas met vogt, waar op een ftuk van een menfehe huyt, in ’c welke dnydelyk uytpuylende deeltjes van de opperhuydt ge- zien worden, van zommige \jpapula~\ roodtgrondt genaamt, waar van wy in ’t toekomende zullen Ipreken. No. CXXXII. Een Zuylvoetje . -p een ftuk van ’t Dyebeen van een Menfch , wonderbaarlyk dik geworden : mogelyk is zulks uyc een voorgaande waterzucht, of eenig ander ongemak ont- ftaan. N°. CXXXIII. Een Vies met vogt, waar in een zeer ffaay geraamte van een Peer bewaart wort. N°. CXXXIV. Een Zcylonfche Zeylvliegende Holotharins, van den Heer Hermannus in zyn Zeylonfch Cabinet N°. 38. befchreven „ en in ’t Nederduytfch een Bezaantje genaamt 5 ’t is een zeer [animale u~ lum venenatijjmum & caufticum~\ vergiftig en doorknagent diertjei ’t welk als op de oppervlakte van de Indiaanfche Zee zeylende, in cou- leur , namentlyk een hemelsblaauwe en roode , een regenboog, en in ge- daante een opgeblaze, maar een holle blaas verheelt. Het bovenfte ge- deelte verftrekt tot een Zeyl, en ’t onderfte, zynde met zeer lange draa- den voorzien, tot riemen. Vis in de maag van een vliegende Haring gevonden; op den bodem van de Vies vint men een Zeeluys. N°. CXXXV. Een Vies met vogt, waar in een kleyne Baarmoeder, genomen uyt een onvoldrage kindt, van omtrent zeven maanden dragts, een Vleermuys met zyn vlerken verbeeldende j dit kindtje was in’t water ondereen Rioel gevonden. In dit voorwerp, ’t welk nog levendig fchynt, kan men zien , hoe de inwendige mont van ds baarmoeder in dien ouder- dom geftelt is, namentlyk rimpelig en toegefloten. Van FREDERIK RüYSCH. No. CXXXVI. Een Vks met vogt, waar in een ftulc van een pees uyt een Walvis 5 wiens wonderbaarlyke gefteltenis alhier gezien kan worden. Achter dit voorwerp wort [chamajyce~\ de laage duyvcls- melk gevonden > waar door ’t zelve tegen de want van ’t glas ge- drukt wort. N°. CXXXVII. Een Vies met vogt, waar in \_ftfrcis jajlinacd] een Pylftaarc, by Fait. Column, en andere befchreven. N°. GXXXVW- Een Zuylvoetjc, en daar boven op een zeer moov lofwerk, gemaakt uyt ontelbare zapvaten van een Abricoos. N°. CXXXIX. Een glas met vogt, waar in een Nier met de onder- horige [ren fuccenturiatus~] Bynier. OXL. Een Zuylvcetje, en boven op ’t zelve een ftiik van een Menfche Lever, door de ader opgevult ; de vaten daar van verbeel- den in haar uyteyndens een root wolkje. Dit voorwerp is mede een van de befte. N°. CXLI. Een Zuylvoetje, en op ’t zelve een ftuk van een opge-' vult darmfcheyl uyt een Menfch, met zyne klieren. N°. CXLII. Een Zuylvoet, waar op twee ribbens met de zeer roode tuflehenribbige fpieren , genomen uyt een kindt, geplaatft zyn. In dit voorwerp kan men zien , dat oe \pjjijicavio\ beenwording geichiet door vezels 5 dewelke volgens de lengte zich uytftrekken. N°. CXLIIL Een Vies met vogt,■ waar in een Miskraam, nament- lyk een kleyn menfchclyk fchepzeltje , hebbende de grootte van eert fpeldekop , van ’t eynde van de navelftreng afhangende. In ’t zelve moet men aanmerken 5 ten eerfie, dat het fchepzeltje mismaakt is, en met een zwart doorntje getekent wort: ten tweede, dat de navelftreng nog vaftgehegt is aan ’t eerfte beginzel van ’t Moerkoekje, zynde met zwart geronne bloet bedekt. Ten derde 5 dat het voorwerp in ’t geheel zwart is , ’t welk men gemeenlyk , dog onvoorzigtig , in ’t Nederduytfch \_placentula~\ het Moertje noemt j dewyl het geheele voorwerp byna niet anders is als geronne bloet , welk voor een Moerkoekje gehou- den is. N°. CXLIV. Een Zuylvoetje, waar op een ftuk van den omgewon- den Darm met een byzondere vertrekje , uyt een Menfch genomen, ge- zet is. Het tweeverwige doorntje betekent het gemelde vertrekje, waar door ontelbare opgcvulde bloetvaten verfpreyt worden. Zie de Out loet- en feelkundige Aanmerkingen. iV*. CXLV. Een Zuylvoetje , waar op het gedarmte vati een- on- voldrage kindtje , opgeblazen , hardt gebaifemt, en zeer net bewaart. XII. ANATOMISCH CABINET Het cenc zwarte (lipje betekent den Endeldarm y de twee (lipjes den blinde Darm, eyndigende in ’t wormwyze uytfteekzel * de drie (tipjes vercoonen den Kronkeldarm, en de vier ftipjesden omgewonden Darm, De Negende PLANK. N°. CXLVI. Een Znylvoetje , en boven op ’t zelve beyde de oog- fcheelen, met een (luk van een Menfche vel, door de (lagader opgevulr. Dit is een zeer mooy voorwerp. N°. CXLVII. Een Znylvoetje, en hoven op ’t zelve de waterblaas van een Jongeling5 waar van de bloetvaten in ’t geheel opgevult zyn, zo dat dezelve uyt enkel vaten fchynt te beftaan. N°. CXLVIIX. Een Znylvoetje, en boven op ’t zelve een zeer mooy lofwerk, uyt een (luk van ’t dikke gedarmte van een Vrouw, gemaakt. De opvulling is door een tak van de Poortader gedaan. N°. CXLIX. Een Znylvoetje, waar op een (tuk van een (pier met de pees , wiens vaten opgevult zyn , waar door *<= rOÖ*: gewor- den is. N°. CL. Een Zuylvoetje , waar op de Lever van een onvoldrage Kindtje , van omtrent zeven maanden dragts, door de ilagader op- gevalt. N°. CLI. Een Zuylvoetje , waar op de Waterblaas van een onvol- drage Kindtje, wiens flagader opgevult is, zynde daar door zeer root van couleur geworden. N°. CLII. Een Zuylvoetje, waar op een zeer fraay (luk van de Moer- koek, door de navelader opgevult, welkers loop byzonder is. No. CLIII. Een Zuylvoetje, en daar op een ftuk van een Menfche vel, ’t welk vol met huyttepeltjes is; het zwarte vlakje betekent de in- wendige oppervlakte, CLIV. Een Vies met vogt, en daar in het dunne herflenvlies, wiens opgevulde vaten, zo dun als dons zyn. No. CLV. Een Vies met vogt, waarin twee nageboortens van een Varken, die, gelyk wel jn andere viervoetige dieren 3 met geen Moer- koekjes of napjes, maar mct twee vliezen voorzien zyn * waar van het vlies chorion in zyn inwendige oPperviakte ruyg als fluweel, maar uyt- wendig gelyk en glat is. N°. CLVI. Een Doosje, waar in begrepen is een Zuylvoetje, en bo- ven op ’t zelve een in tween gefpleete Borftklier of Zwezerik uyt een Van FREDERIK R U Y S C H. onvoldrage Kindtje, door de flagader opgevult. Hier aan zit een ft uk van ft hartezakje vaft , ft welk door de menigte van opgevulde zeer kley- ne üagadertjes hoogroot geworden is. N°. CL Vil. Een Zuylvoetje, en boven op ft zelve een fraay ftuk van een Menfche Lever, door de Foortader opgevult. N°. CLVIII. Een Zuylvoetje, en boven op ft zelve de helft van een Milt y genomen uyt een zwaarlyvige bejaarde Vrouw, door de ader op- gevult. Dit is een zeer mooy voorwerp. N°. CLLX* Een Zuylvoetje , en daar boven op een ftuk van de Maag van een Jongeling, opgevult door de ader. In ’t onderfte gedeelte van dit Cabinet worden verfcheyde Laden ge- vonden , waar in men de volgende zaken ziet. In de Eerfte LADE Zyn twee Doosjes ; het eene bewaart een bondeltje van zeltzamc Bloemen, dewelke nog fchynen re leven j dcrzelver groor/le bloembla- deren niet alleen, maar ook de kleynfte (’tgeene ik te voore nooyt heb konnen doen) zyn uytgebrcydt. Daarenboven is de couleur ook zeer wel bewaart, alhoewel ze over veele Jaaren geplukt zyn geweeft. Onder deze bloemen munt uyt de bloem van de Qoftindiiche oprechte China-wortel, dewelke een zoort van \_fenecio~\ de Kruys-wortel ver- heelt, als blykt uyt deszelfs wollige zaat , by dit bondeltje gelegen. Daarenboven worden hier ook gezien een takje van het Americaanfche doornige kruydt Mimofa, als mede de groote Xeranthemum van de Kaap de Goede Hoop met een witte bloem, enz. t In ’t tweede vint men ook een bondeltje met vreemde bloemen voor- zien, waar onder uytblinkc [/urnena ] de Duyvekervel met een witte bloem, door een zwart flipje aangewezen -y als mede de Amaranthoides met een witte, en met een purpere bloem, uyt Africa oorfpronkelyk. In de Tweede LADE Worden ook twee Doosjes opgeiloten, met vreemde bloemen voor- zien. XIL ANATOMISCH CABINET In de Derde LADE Worden zes Doosjes bewaart. In ’t Eerfte Is een Hoetje, gemaakt uyt het vel van een kinderhooftjc , dat door de flagader opgevuk is. In ’t Tweede Een takagtig gewas uyt een ander gewas. Ziet de I. Figuur van de Plaat, in het Antwoort op den Brief van Vat er. In ’t Derde Is begrepen een ander gewas uyt een ander gewas, m en in zyn midden de baarmoeder van de Eest\ XII. ANATOMISCH CABINE! enz. De Derde wyft aan het geraamte van \Opuntia Americana fpinofa\ de Americaanfche gedoomde Vygh, in vier bladen verdeelt. A. Het eerjfe bladt. B. Het tweede. C. Het derde. * D. Het vierde. E. E. *l)6 vereeniging van alle de bladen ? die de Jlam uytmaken. F. F. He doornen. G. Een tweeverwige Americaanfche SchietJlang. Tae.i Z^Veerd. 2af. ■ Tab. ii . 7af_ Tab. ui ZWeerd . Zaf. ?2S ■