ALLE DE ONTLEED- GENEES- HEELKUNDIGE WERKEN VAN FREDRIK RUYSCH EERSTE DEEL. Met veele Kopere Plaaten. yIMS 7\E R J)vi AI iy de JANSSOONS vatkt AVaesBEREE 374-4 ALLE DE ONTLEED- GENEES- en HEELKUNDIGE WERKEN VAN FREDRIK RUYSCH, In zyn Ed. Levm vermaard Geneesheer en Hoog-Leer aar in d’Ontïeed- en Kruydkunde tot Amfterdam ; als mede Lid der Keyferlyke, Londenfe en Paryjje Genootfchappen. EERSTE DEEL Behelzende, Het Leven van den Autheur , d’ontdekking van dc Klapvliefen , d’Anatomifche en Chirurgicale Aanmerkingen, en Catalogus van Rariteyten als mede alle d’Ontleed- / kundige voorgeftelde Brieven met verfcheide j Geleerde Lieden gewilTelt. / , / / / Meerendetls in ’t Nederduyts Vertaalt, / DOOR YSBRAND GYSBERT ARLEBOUT\ In Leven vermaard Geneesheer tot JVeefp. Met veele Kopere Plaaten. , AMSTERDAM, Byde JANSSOONS WAESBERGE, mdccxliv. \ VERHAAL V A N ’T LEVEN EN D E VERDIENSTEN VAN FREDERIK RUYSCH, DOOR JOANNES FRIDERICUS SCHREIBERUS. DEN LEZER WELVAART! O gy myne ©effeningen , en daar uit de neigingen van myn gemoet kende , zoudt gy u miflchien over dit voornemen, van’t Leven en de van R U Y S C H te befchryven , verwonderen , als zynde te voorbarig. Ik vleye my niet, dat ik de plicht van een Gefchtchtfchryver over al volbragt hebbe. Mogelyk zoekc ik ook gantfeh niet zodanigen eernaam. Nogtans heeft het my behaagt, den tydt, die my, van ’t oeffenen der Geneeskonji en van ftrengen Letteroeffeningen overig was , aldus te hefteden. Zulks is ook niet gefchiedt zonder eenige byzondere en my voordelige vrucht; nog ’tzal ook by U van alle nuttigheitniet verfteken zyn. Want een getrouw verhaal van ware verdienden ftort anderen diergelyke betragtingen in; het drukt de Nakome- lingen een onuitwiffelyke geheugenis in ; het bevat dikmaals ia 3t weynig veel; ende het brengt zomtyts in uw geheugen zaken, die gy ziet, dat Mannen, groot in haar konft, vergeten heb- ben. Ja dat meer is, het heeft my gedacht, iets zulks ver- fchuldigt te zyn aan den naam van Ruyfch; en dat niet om eene oorzaak. Want de penningen, die ik met het oeffenen van de GeneeskonPc, fchoon zeer weynigen, het allereerfte gewonnen heb, was ik evenwel zeker dankbaarlyk verfchuldigt aan Rujfch. V. ant door zyn toedoen voornamentlyk was ik voor heen na Saandam, voor een Geleerde voorwaar een guure plaats, on- trokken , om de zieken hulp te bieden. Daar en boven heeft ook de Peterskurgfche Maatfchappy onder hare zeldzaamfte din- gen de Ruyjfchiaanfche Schatten, zynde met recht alzo genaamt, wordende te Petershurg bewaart, en van dag tot dag vermeerdert, en wel heden met een onvergelykelyke miltdadigheit van onze (Ax) , Door- Doorluchtigfte Keyzerinne Anna Joannowha. Ende vermits ik dezelve Maatfchappy zeer veel verfchuldigt ben ; laat het my toegelaten zyn uyt haar naam te doen, ’t gene een blyk vam dankbaarheid by zommigen hebben kan. Meerdere zaken, myne Lezery omtrent deze myne onderneming raken U niet, als, dat ik op deze wyze getragt heb uyt te voeren, dat gene, waar van J. J. Rau, den naam van Ruyfch eenigzints vyantzynde, van zich, maar door fpot, hoop gegeven hadde, te weten, dat hy Ruyfch na zyn overlyden zoude verdedigen, als hy maar zoude naarlaten gedenk- en geloofwaardige daden (ij. Daar ben ik verzekert van, dat ik aangetoont hebbe, dat Ruyfch is geweeft een groot Man. Weshalven heeft Ruyfch ook met recht in ge- ner manieren getwyffelt, wel bewuft zynde van zyne goede da- den, en by zyn voornemen altydt ftandtvaftig, dat’er na zyn doodt eerlyke menfehen zouden gevonden worden, die de ge- fchriften van Ruyfch na verdienden zoude verdedigen (n). Voor ’t overige, gelyk ik van niemant een vyant, zo heb ik voorwaar in deze zaken genoeg getragt, voornamentlyk een vrient van Ruyfch te zyn. Nu bidde ik U vieriglyk, die niet magtig zyt de pogingen van den uy tmuntenften Ruyfch te overtreffen, of te evenaren , dat gy de, my zo dierbare, gedachtenis van Ruyfch ongefchonde laat; ende zo wenfeh ik met een oprechtgemoet, dat gy de vindingen van den Man tot vermeerdering der Weten- fchappen en Geneeskonft te werk ftelle, Vaartwel. Gegeven te Riga in ’t Jaar naar den geboren Chrijlus 1732,. J. F. S. (i) Zie zyn antwoort op ch vsrdediging van F, Ruyfcfi. (n) Zie bet antw. op den xil Brief. % VERHAAL V A N ’T leven EN D E VERDIENSTEN VAN FREDERIK RUYSCH REDER IK RUTS C H is geboren in ’s Graven 2Ü Hage, den 23. dag van Lentemaant, /» ’t Jaarna ||| BipS Chrifti Geboorte x Echter is ’t met ons van natuure zodanig gelegeny dat de denk- beelden de tedere jeugt en jongeling fchap mgeprent, en, de boven- maten aangepreze of lufi of tegenheit 3 in de mannelijke jaren, ja zelfs in een hogen ouderdomy gewoon zyn de onderzoekers hare indrukzelen te toonen, Die nu Ruyfch in zyne mannelyke , en hoge jaren ge kent hebben zeer Godtvruchtig, werkzaam} en geheel zedig, zo gy zommige gebreken, waar van memant vry is, en miffchien gevolgen van den ouderdom, overfiaat : zullen begrypen, dat Ruyfch geweefï is een wel opgehragt kmt, en een jongeling zynde, zich vlytig toe gelegt heeft op Qodtvruchtigheidt, goede Zeden en Leer oefeningen. Dit blykt ? dat den zelfde y gevoert door begeerte tot de Geneeskonft y zyn Vaderlyke Stadt verlaten hebbende , zich na Leyden heeft begeven, alwaar toen ter tydt de gehele Geneeskonft, Ontleet- en Kruydakmde voorna- mentlyk betracht wier den y gelyk als eigen, . Hy gebruykte aldaar voor Leeraary die hy zelfs roemt en pryft, Joannes van Home, toen ter tydt een groot Ontleder y aan wien Swammerdam zelfs de volkomentheidt van byna alle zyne Aanmerkingen verplicht is geweeft. (i). Zodanige Leer mee ft er, die y volgens getuygenis van den zelfde (n) , eenigzints de Konftverftont y voor dezen van den onzen oneindig te verbreiden, moeft Ruyfch y door de Goddelyke y ontmoeten / Maar deze zynen Meefter in dezen nabootzen y in andere zaken naderhant overtreffen. Van Home haattede bedektelyk Ruyfch, zo menigmaal als deze aankomen- de Ontleder ontbonde Levers, en door de Lucht gedroogde O q Klapvliezen der Vaten van verfcheide fchikking, vertoonde (m), Behalven die ongelooflyke liefde tot de Ontleetkonft heeft hy ook hy zich (i) In Not. in Prodrom. Joh. van Home p. 37. (ii) Öp de aangehaalde plaats C. 111. (iii) de mondt van den Overledene, door Joannes Chriftoph. Bohïius, in een 'Brkf aan my toegezonden van Koningsbergen. van FREDERIK RUYSCH. zich aangeboren gevoelt een andere tot de Gewaffen. Derhalven onder zogt hy dezelve onver moeit te Leyden; ge enztnts achtende de verdrietelijkheden ; die den onderzoekeren gewoonlyk overkomen • en dikmaals heeft hy, zich gewent hebbende tot een hardt le- ven , water uyt den Oever met zyn hoedt gedronken, om den dorft te leffchen, afgemat van ’t wandelen door dorre zanderige plaatzen; terwyl de andere Studenten in de Kruytkunde, zyne makkers, in de naaft by gelegene Herberg liever den zoeten Wyn wilden proeven (1). Zie daar ! de beginzelen van zyne Studiën in de Geneeskonft. Nu, Leyden verlaten hebbendey heeft hy zich naY raniker begeven, alwaar hy, m korte tydt y zo veel gevordert is, dat hy aldaar ten eerften de naam en de waar- dtgheden van Doßor in de Geneeskonft verkregen heeft. Hy heeft, voor zyn Rerentrap y gelyk men d noemt , over [Pleuritis] het Zydeweegezintwifi (11). Nu, gelyk hy alleen nut- tige zaken vuriglyk tot hier gewoon was te betrachten, de overige 7 waar van het gebruyk hem duyfler was y weyntg gezocht hebben- de ; aldus ook Jongman zynde, de Konjien, welke hy gele er t hadde, zullende ten befte van d Vaderlandt wenden , bevlyttgde hy niet veel de andere IVetenfchappen , tot de Geneeskonft niet zeer dienende r gelyk uyt d Mans Schriften te zien is 7 en keerde aanfionts weder als Doßor na ’s Gravenhage, zullende de voor- treffelykheit en nuttigheit van zyne Studiën de huyslyke Zieken aanbevelen. Naauwlyks in zynVaderlandt we dergekeert zynde, &f j om dat hy het gew&M# gevoelen , aangaande een Echtgenoot ? zo zeer nootzakelyk voor een Geneesheer , beminde; of 7 om een andere oorzaak, ten minfle een Jongman zynde r nochgeenvier én twintig jaren oudt y heeft hy den 4. van Wintermaandt in d Jaar 7 C 1) Uyt den. mondt van den overledene , door Bohlïus, in den zelfden Brief, (n) Bohlius in den gemelden Brief 8 Veriiaal van het Leven en de verdienden Jaar 1661, een jonge Maagdt• begaaft met uitmuntende hoeda- nigheden , tot zyn Vrouwgetrouwt , Maria , Dochter van Petrus Poft , zeer beroemt Bouwmeefier van Zyn Hoogheit den Prince van Orange en Kaftan, FR E D RIK HE N RIK. Derhal- ven beweren de harde vyanden van P hekoorlyke Gejlacht te ver- geeffch j dat het met paft eenen Geleerden, zullende dagen en nachten, om zyne Konft en Wetenfchap voort te zetten, aan zyne Studiën hefteden, dat hy, getrouwt zynde, de onwederroepelyke tydt met de Vromv fchandelyk verf pilt. Niemandt konde werk- zamer wezen den gehelen leef tydt door als Ruylch ? die zekerlyk zyn dierbaren tydt met de Vrouw niet verfleten heeft, maar de verdnetelykheden van een geftadigen en zwaren arbeidt, door de zoetigheit van een zeer gewenfchten Echtenftaat, verzacht. Zyn vruchtbare Vrouw heeft hem vele Kinderen gebaart,• vyf Zoonen en feven Dochters. Zynde de Zoon, genaamt Henricus ~ na- derhant Doclor in de Gene eskon ft, een gelieft Geneesheer by alle • zeer ervaren mde natuurlyke Hiftorie ;in zyn tydt, byna de voornaamfte Krmdtkundige van geheel Nederlandt, en gevolglyk bequaam , gelyk de tegenftrever Joannes facobus Ran zelfs ge- fchreven heeft (1) ? om zyn Vader zomtydts te helpen, wanneer hy mde Kruidertmn voorlas •, door H JVerk van joannes Jon ft on, over de Hiftorie der Dieren , herdrukt en vermeerdert, zeer be- roemt • van den Vader zelfs in de Maatfchapy van eer, omtrent de vinding van de Konft van dode Lichamen te bereiden, en bewaren, aangenomen (11); mifftchten Autheur, ten minfte van vele , zeer fraye Ontleet- en Heelkundige aanmerkingen, in P Jaar 1690. gedrukt, voor welke des Vadersnaamgeftelt is (m) y (1) Zie het antwoordt van Rau op de bewering van F. Ruyfch. (n) Zie antwoordt op den m. Voorfle]]. Brief. (ra) Bohlhis in den gemelden Brief. Mogelyk heeft hy zulks geheel en al uyt den mondt van der Overledene. van FREDERIK RUYSCH. tn welke y ziende op des Vaders eer, de naam aan den Ruys- fchiaanfchen Rok, van de Vader tn ’t oog ontdekt, gegeven heeft (ij ; 'm de algemeene door Nederlant m zwanggaande Koorsztekte m t faar 1717. wanneer hy een korten tydt te voore den ftank der dode lichamen niet meer verdragen konde (11) 9 in Wynmaant, Amfterdam gejïorven. Ende op dezen tydt Ruyfch nu Jlok oudt, al lang Weduwenaar geweeft zyndey hevondt zeer fmertelyk het verlies van zynen Zoon, die den Vader, zo menigmaal met zeer getrouwen raathadt bygefiaan. Nogtans vertroofiede hem de overdagte levenswys, van den Zoon gehouden , met den wille des V%ders gantfch met over een komende, over welke hy zich be- klaagt hadde. Daar waren zodanige zaken, dewelke, wanneer van doden gefproken wort, men gewoon ts kever voorzlgtlglyk te bedekken. Want het is altydt nuttiger, dingen voor te ftellen, die gy te volgen, als, welke gy te vermeiden hebt. De jongfte Dogter vertroofiede den Vader, zynde nog ongetrouwt, tot het einde van des Oudemans leven toe, een jïantvafilge, Metgezelllnne van al ’t Ont le et kundige werk. Want zy was in s’ Vaders konfien, de gewajfen en dode lichamen , als 'h kennis van alle de delen van ’t menfchelyke Ut haam zeer be- dreven. n. Dei kalven heeft Ruyfch sGravenhage geweefi een on- vermoeit Onderzoeker van dode lichamen vanmenfchen en heeften en een naauwkeurige aanmerkervan al’t ge ene. dat h welke hy zeer beminde, en gewoon was prachtig opgefchikt m een graffiede te leggen, van PETRUS den GROTEN, Keyzer van Ruslant, als welke, ik fpreke hier met van de waar da gloeit, geen fi herp zinniger kenner kon de begeert worden ; ende van zteer vele anderen welgetoetji was,. Door het twede konftwerk, vertoonde hy volmaakt de van de vochten in ’t menfchelyke lichaam omlopende. Nament- lyk met zekere wafchagtige (toffe in de (lammen van allerhande ( 5 ) vaten (1) S'voammerdam in de aanmerkingen op de voorloper van van Home in ’t ix Hooftftuk. x * (111) C. H, Erndtel in zyn Engelfche en Hollantfehe reis , op de 84. blacz,: Verhaal van liet Leven en de Verdienden vaten te fpuytens en met aldus op te vullen derzelver takken, takjes , en vaten zelfs, fynder als een hair. Waarlyk zeer ver- makelyk om te zien ! Die konjl is huyten twyjfel tot Ruyfch af ge- komen van R. de Graaf en Swammerdam, die hy zelfs alseerfie aanquekers daar van verheft (i), en voor zyne Vrienden gehou- den heeft y en wel den tweden zo zeer gelieft, dat ser geen dag voor by gegaan is, of zy hebben met een onderlinge vnentfchap zeer naauw vereemgt, met malkander en gefproken (n). Nochtans kan de oorfprong van deze konft eemgzmts ouder vajigeflelt wor- den, Om Bartholomaeus Euftachius, de aanwajj'ende konji moge- lyk bevorderende y voor by te gaan, en na hem meer anderen y brengt Swammerdam zelfs by y en roemt ze als voorganger en joh. van Home ,de Bils ,en C. Stalpart vander Wiel (m). Echter heeft Ruyfch alle den loef afgefioken, en van deze konft hebben de Geleerden ook verfcheidentlyk geoordeelt. Want dewyl anderen y eenigzints daar inne ervare, al te veel van zich zelfs gevoelden: andere in tegendeel de verfche dode lichamen met J.J. Rau hoven alle zodanige bereiding y de lichamen te zeer veranderende, ver- heften y zommige eindelyk gaven aan de zelfde een zekere behoor- lyken lof Aanmerkelyke berichten omtrent de konji van op te vul- leny voor de [Phyfiologi] Leeraars der natmrlykegefieltenis van lichaam zeer aanpryzelyk, heeft H. Boerhaave gegeven (iv). (i) Van de Moerfpier. (u) Op de aangehaalde plaats. (m) Swammerdam op de gemelde plaats, de 33Üe bladz. (iv) In den Brief aan Ruyfch op de j 184- en v°lg. bladz. wat my aanbelangt, ik denke, behoudens de achting van Ruyfch, en deszelfs bereidingen, dat men aldus van deze kon ft moet oordelen: I. Dat die zekerlyk vertoont het zyn der Vaten. Want door opvulling konnen geen vaten verdicht worden. 11. Dat die niet vertoont het zyn der Bloetvaten alleen, maar ook van anderen. Dat derhalven het zeggen, zomtyts van Ruyfch menigmaal gebruykt, niet doorgaat: daar zyn met wafch vervulde Vaten, derhalven liep door dezelve in een levendig lichaam het rode bloet. 111. Dat door de opvulling de Vaten gedrukt voorden, zynde voor altoos het gezicht onttrokken ; en dat dezelve des te meer , en meer in ’t getal gedrukt voorden, hoe de opvulling gelukkiger gevoeeji is. v IV. Dat van FREDERIK RUYSCH. Door hulp van de derde Konftgreep, waar mede hy de opge- blaze delen droogde, en gedroogt zynde doorfneedt, heeft hy waarlyk 't eerjle dingen gezieny daar ntemant te vore van gedacht hadde. Aldus is [membrana adipofa] het Vetvlies van Riolanus bevonden vol blaasjes te zyn, zo is het wonderbare maakzel der Roede ontdekt; en meer andere zaken. Evenwel was dezelfde konji al geoeffent van Swammerdam, en Marcellus Malpighius. Want de eerjle heeft een onfeilbare manier gekent , om de delen van ’t menfchelyke lichaam met wint op te vullen (1)5 de andere tracht door dit behulp ons het byzondere maakzel van de Milt te openbaren (n). Hy heeft nog van andere Konflwerken gewag gemaakt y gelyk als om de bekleetzelen van ’t menfchelyke lichaam te (cheiden; om het Balzakje (leenhart te maken 5 en de delen door een in- fpuyting root gemaakt, gelyk vliezen en darmen , in vogten te doen, op dat zy te meer uytgefpreit worden. Maar deze zyn meer hyzonder geweefl. Doch y laten wy de naam van Ruyfch ruften, op dat wy met f hynen te willen indringen m s' mans geheymen; dewelke hy y toen hy leefde, zo zorgvuldig verbergdey dat hy de wyze , om ’t Balzakje als fteenhardt te maken (ui), en de kond van de Vaten IV. Dat ineen Jierke opvulling de heft lering der kkhifte Vaten verandert -voort. Dit bekent oe Konfcenaar zelfs. Want zullende aantonen, dat tle ronde lichaam tj es, in’tmid- oen van de Nieren voortkomende , gehouden voor Klieren , omgewende Varen zyn, ichryft hy aldus in t Cai/m. lXxxvi. AJs men de Jlachadertjes tut het uyterjtc vervult, zo ontdoen baar dezelve of verjpreiden zich, géTyk een klu-vo garen. Deze befpie- geling ziet op die nog niet opgeloile vraag: Of de leiding der kleinfte Vaten in den ftaat van gezontheit en een zeer brandige Koors den zelfden ftant behoudt? Dan of in zodanige Koors, of om deze oorzaak, in zeker gedeelte van ’t levendige lic- haam , van een gefcheiden wort, in veelheit en hoedanigheit anders, als in een gezonden toeftant. (i) Svoamrnerdam op de aangehaalde plaats, xm. bladz, (if) In ’t in. Hooftlfuk, van de Milt. 1 (in) Zie het antwoordt op den n. voorgeftelden Brief. 16 Verhaal van het Leven en de Verdienden op te vullen , geenzints heeft willen ontdekken, zelfs niet aan zyn beften en oprechten Vrient Herman Boerhaave («). Nu is 7 zeer gemakkelyk te hegrypen, op wat wyze Ruyfch zo vele nieuwe zaken tn 7 menfchelyke lichaam heeft konnen ont- dekken. Zyne vindingen heeft hy, als een nuttig Medeburger in de waerelt, zich gantfchelyk ten dienfien van 7 menfchelyk ge- flacht overgevende, aanfionts aan 7 gemeen bekent gemaakt , in verfcheide fchriften, welke onder de benaming van Ontleet- en Heelkundige Aanmerkingen ; Naamlyft der Rarityten ; Ant- woorden op de Voorftellige Brieven; Anatomilche Cabinetten ; Ontleet en Heelkundige Aantekeningen; Laatfte en vernienwde Oeffeningen , aan niemant onbekent, een, niet door naam , maar ver dienfien voortreffelyk Autheur betoont hebben. Myn voornemen is, de ver dienfien van Ruyfch onderfcheident- lyk te verhalen. Want aldus wort in de gemoederen der fterve- lingen opgewekt een, niet onbetamelyke, echter ontvonkte eer- biedigheit omtrent de Overledene. Nochtans wil ik niet verzwy- gen, alwaar de goede Man, zaken van anderen aangemerkt , ten onrechten gemeent heeft van hem 7 eerfie gezien te zyn. Een tegelyk fpreekt Ruyfch van de misdaat van diefflal vry. Rn dezelfde zaak , zynde in betrekking tot andere Schryvers ten volle ver acht elyk, heeft Ruyfch een uytnemende eer toegebracht. Want hy heeft in zich zelfs dienfliger nuttigheden uyt eyge aan- merkingen ondervo?iden , als uyt een herhaalde lezing van Ontleet- kundige Boeken, die, gelyk nu, alzo ook voorheen, gemeenlyk hy een geraapt waren; hy offerde de Boeken aan de Wormen op. Hier door zyn zommige van gevoelen geweefl, dat, indien Ruyfch de eerfte Ontleder op de waerelt geweeft hadde , de Onffeet- kunde door hem tot den zelfde top van volmaaktheit zónde p-e- -bragt (i) Zie het antwoordt op uen Brief aan H. Boerhoave op de 1221. bladz. van FREDERIK RUYSCH. 17 bragt zyn j waar in wy dezelve, na zo vele duyzenden Jaren, door Hem bevordert, met verwondering nn befchouwen. De zaken in de fchriften van den Autheur verfpreit, zal ik tot driederly ftoffen t’zamenbrengen De eerde zal zyn aangaande de verdienden van Ruyfch in de Ontleetkunde. De twede zal ver- klaren den aanwafch der Heel- en Geneeskonfl > door den zelfden gewrocht. Laadelyk zal ik de dienden , aan de natuurlyke hi- dorie door hem toegebragt, optellen. Maar in geen van drien kan ik, of begeer’t ook niet, den eenvoudigen eernaam van een Gefchichtfchry ver te behouden. Ik maak een aanvang van de Ontleetkunde. iv. Op de eerfie plaats pafi het van de beenderen van’t men- fchelyke lichaam te [preken 5 eensdeels, om dat zy een zeker voor- recht , van andere delen van’1 menfchelyke Uchaam , mde Onthei- kundige behandelingen , volgens ’t recht van gehruyk, fchyngn ver- kregen te hebben ; anderdeels , om dat Ruyich , jongeling zynde, dezelve’t allermeefte onderzocht heeft (1). Ruyich zeer oplettent zynde op den oorfprong van ’t menfchelyke lichaam, heeft ook met zeer grote aandacht menigwerf de voortbrenging der beenderen over- wogen. Deze, hyna volkome , zultgy leren uyt de Naamlyd der rarityten; gy zult vele dwalingen Kerckring, al- daar verbetert, aanmerken • ende bevinden, dat daar veh vin- dingen verhaalt worden , dewelke nogtans de latere Schryvers over de [odeogenia] geboorte der beenderen zich toegefchreven hebben. Waarlyk een 'werkvat laten zien. Hy vertoonde de Melkvaten, van de eerfte en twede zoort \ hy bereidde de klaarhlykelyke weg voor de gyl uyt de vaten van de eerfte zoort in die van de twede : van ’t darmfehed tot de lendenen. En aldus wiert y eensklaps, het be- ruchte verdichtzel van de Bils , aangaande den dauw van ’t men- fchelyke lichaam y door hy zonder e buyzen, Mofch genaamt y van de lendenen tot het darmfchetl vloeyende 7 om ver geworpen. De ontdekking der klapvliezen in de water en melkvaten, door den overledenen > ts zeer pryzenswaardig. De Bloetvaten verfchaffen my een zeer ruyme ftojfe van te fpreken. Eerft zal ik handelen over het [contentum] begrepene 7 (i) In de lxxxii. Aanmerk. van de Ondeet- en Heelkundige Aanmerk, (n) Zie de Naamlyft der Rarityten. van FREDERIK RUYSCH. daar na van de [continentes partes] begrypende de.en. Let op een proeve, die naauwkeungy en te gelyk nuttig is .' wanneet EJ een ader gelaten wort, ichudten pers met een takje vaneen iei ei, of ook met de vingeren het bloet, dat zo even uytgefprongen was 5 en uyt een vloeibaar lichaam zult gy een valt hebben; ik zegge een vlies , met zeer vele vezeltjes doorweven , het welke 5 zo een dag of twee lang met fchoon water afgefpoelt wort , geheel Wit wort (»). Dit baftaart vlies van Ruyich zou een ygelyk zzve- ren een oprecht vhesy van een dierlyk lichaam genomen y te zyn. Ik meme dit naauwkeung. Maar merk het zelfde ook zeer nuttig aan. Ruyfch zelfs heeft niet lichtvaardig ge oor deelt y dat den aart van [polypi] vleefchproppeny en ontlajhngen uyt de baar- moeder hier uyt konne worden verklaart. Deze gehele zaak komt my wel zo ontwyffelhaar voor y als wezen kan, fP ie voot dezen de ware vleefchproppen y van d geronne bloed zeer verfchtllende y ontkent hebben y en oordeelden y dat die alleenlyk aanflonts na den doot geboren wier den y zulke fchynen my in de Ontleding van dode lichamen y waar in de vleefchproppen menigvuldig zyn y wymg bedreven y en van de natuur zeer onkundig (n ). Aanmerkelyk is ook die onderfchydmg tujfchen de ba/iaart vleefchproppen ge- maakt uyt het hloet van een menfch, en die y uyt het bloet van (C 5) heeften 21 (I) In ’t vi. Anat. Cabin. n. vu. en ’t vu. n. xxxrx. op de vi.fig. van de ui. plaari (II) Na’t onderzoek van vele Vleefchproppen in Lyken, heb ik bevonden , dat zommige zyn ryp , volkomen , gantlch gekookt; andere onryp. De eerfte houden haare voortbrenger, het t>ioct, zo zeer verborgen , dat gy op generly wyze ra- den zoudt, dat zy uyt het bloet geboren waren. Zy worden geel ; en indien gy op derzelver doorfchynentheit alleen acht geeft , verbeelden zy [fiiccinuni] barn- fteen. Echter zo die in geelzuchtige zyn , hebben zy een galachtige couleur. Nogtans zult gy dikmaals bevinden, in eenig met die vleefchproppen verknochte gedeelte, zommige plaatzen, meer of minder root, nu eenigzints doorfchynende, dan eenigermaten geel. Deze Vleefchproppen noem ik onrype. En nademaal de natuur zo in de voortbrenging van de ziekelyke als gezonde werkingen dezelfde wetten volgt; nooit daar buyten fpringt y wie gelooft, dat een baftaart, vleefch- prop na den doot kan ryp worden ? Verhaal van het Leven en de Verdienden beejien beren (’)• Ik verklaar opentlyk-y dat de overftorting van t bloec ? uyt het eene dier in het andere, met recht van Ruyfch> door zodanig een proef veroordeelt wort (ll). Zie- hoe veel is de [Phyfiologia] Natuurkunde; hoe veel de [Pathologia] Ziek- kunde verfchuldigt aan Ruyfch ? Ik ga over tot de Slachaderen , het kloet bevattende. De ge- hele we%, zo groot als de zelve is, met zo vele omwegen, als'er zyn, gekit ? van ’t hart af tot de huytenflefchorze van 3t lichaam toe y heeft aan Ruyfch een nieuwe eer tcegehragt. De gantfche grote Slachader r van haar oorfprong af \ tot het klemfle voor H oog onzichtbare takje toe ! wanneer deze uyt de agterfle bollig- heit van ’t hart gegaan is, klimt op, en omgebogen daalt zy na- derhant neder , eer ft eenige takken na 3t hooft gezonden hebbende. Ten tyden van Ruyfch fcbreven alle Ontlederen , dat die eene flachader y in haar weg y dubbelt wiert de eene opklimmende 5 de andere nederdalende. Maar Ruyfch, volgens het oogwit van de natuur en der Ouden (m), heeft eene (lam van de grote Slach- ader ge feit y die nederdalende omgebogen wiert. Rn in dien men de figuren, van hem gegeven (iv) y geloven mag, is3er mderdaat met y als eene fiam van de grote Slachader, en die nederdalende door 3t lichaam y evenwel zodanig, dat zy y eer zy vervoert wort y wort omgebogen, en op de plaats van de ombuygmg ? takken na ’t hooft zent. De grote Slachader aldus voortkomende, geeft de aïlereerfle takken aan 3t hart y en de daar aanhangende hart- oortjes. Bai tholomseus Euftachius hadde dezelve mderdaat zeer oprecht (i) In de Vernieuwde Oeffen. en in de i. PI. van ’c i. Anat. Cabin. is eenfig. van een Baflaartvlies gemaakt, van verkensbhet, bolletjes vertonende, van den Autheur even- wel aan de perjjlng van de vingeren toegefchreven. Zie het vu. Cabin. n. xxxix. (n) Vergelyk de x. Aantekening op de iv. Afdeling. (in) Zie de eerfte Ontleetk, Aanteken, van J. B. Morgagni No. xvi. (iv) Twee, en drie in de Plaat achter den 3. Brief. afvebeelt (') ; maar hare uyterjle eindens y en de zeer fyne zo wel als wonderbare omhullingen, heeft Ruyfcli met figuren aten af- beelden, die door menfchen niet frayer konnen gefchddert ojte ge fneden worden (11). Enterwyl ook voor Ruyfch de oorfprong ae* flaapflatraderen van onvoorzigtige Ontlederen verkeerdelijk was aj geheelty heeft hy dezelve uyt dode lichamen, en volgens de waai - nemingen der Ouden (m), naauwkeurig met een figuur zodanig la- ten uytdrukken, dat de ongenaamde (lam , eenigzmts opkhm- mende, aanftonts in tween verdeelt wiert, deonderfleutelbcnige flagader na de zyde, maar de rechter flaapflagader opwaarts voort- brengende ; dog dat de twede alleen de linker °pöaanue flaap flagader vertoonde (iv). Ook gaat’ergemeenlyk onder de hmcer onderfleutelbenige flagader een flagader na de Long, van de Om - leders lang over Dt hooft gezien y van Ruyfch wederom aangemevut fv), nu y door een beflendige ondervinding bekent y aan wel ze 7 dewyl zy gejladig de longpypen vergezelfchapt y de naam gege- ven is van Longepypsflagader. Deze wilde ik liever de Longflag- ader genaamt hebben • gelyk zulks gedaan is met de hev er flagader y ten 'ware de Ontleders de zelfden naam hadden mishruykt. Even- wel weet ik mety ofy om die zelfde oorzaak y de benaming van Longepypflagader Rau mishaagt heeft (vi). Van de aldus her- flelde flagader vint gy een afbeelding eerfl uyt een Kalf (vil) ? daar na ook uyt een Menich (vm), Maar’t was al te diep in’t gemoets van FREDERIK RUYSCH. (I) In de n. figuur van de xv. pTaat, en 1. figuur van de xvi. plaat, (II) In de 1. en n. figuur in de plaat achter den 3, Brief, en voornamentlylc in de 111. plaat van ’t 4. Anat. Cabin. (III) Zie de 25. Anat. Plaat van Euftachius. (iv) In de 11. en 111. figuur van de plaat achter den 3. Brief. (v) In de xv. Aanmerk. achter de Ontdekking der Klapvliezen in de Water- en Melkvaten gevoegt. (vi) Zie zyn Antwoort op de Verwering van F. Ruyfch. (vu) Op de aangehaalde plaats, in de xi. Aantekening. (vm) In de 1. en u. figuur van de plaat achter den vi. Brief. Verhaal van het Leven en de Verdienften ge moet van Ruyfch ingedrukt, dat men hem alleen de eerfie waar- neming van deze flagader verfchuldigt was (i) • Joannes Jacobus Gr.vtz zvort ge oor deelt vergeeffche moeite gedaan te hehhen , met te hewyzen y dat nog Erafiftratus , nog Claudius Galenus , nog Marchettis nooit zodanige Jlagader gekent hebben (u) $ Daarhe- dendaagfch de naarfltge Lezers der Ouden emdelyk zeer klaar- ilykelyke plaat zen , over deze zaak , hebben gevonden (in). Dn blykt, door dusdanige ondervinding , dat de [Phyfiologia] Na- tuurkunde veel bevordert is. Want deze yde wegen der natuur onderzoekende , fchikt haar allengskens op deze wyze naar de wy~ nige eendaantigheit der natuur. En op dat gy met een nieuwe proef leere , hoe veelde Ontleetkunde ook in de [Pathologia] Ziek- tekunde vermag-, merk met Ruyfch aan, dat de Longepypflag- ader met de Longflagader gemeen (chap heeft (iv). Hermanus Boerhaave ? deze gemeenfchap gezien hebbende , konde de op- rechte oorzaken van de ware Longontflekmg, geheel en al door de eerfie Geneesmeefiers befichreven, aantonen, en alwaar die zelfde ziekte lichter aangemerkt wordt , dewelke zo menigmaal ver- dwynt (v). Derhalven is °t zeer klaarblykelyk, met hoe veel lof , en met hoe veel vermeerdering, Ruyfch de in vroeger tyden aan- gemerkte flagader herfielt heeft , en voornamentlyk, mdien gy overweegt, dat dit zelfde vat dikwils, volgens zyne aanmerking, een tak aan de maag overgeeft (vi). Ende, om eindelyk van groter vaten af te breken; hy heeft de vaten in ’t ribbenvlies; de (i) Op de aangehaalde plaats in de xi. Aantek. en in ’t Antwoort op den vi. Brief, (n) In den Brief aan Ruyfch. (ui) In de i. Anat. Aanteken, van Morgagni No. xxiv. Ook is niet zeer te ver- fmaden de plaats, die Phil. Jacob. Hartmann. in de n. Verhandeling over de erva- rentheit der oude Ontlederen, bybrengt, alwaar hy gewag maakt van fyne ade- ren , die de Luchtpyp omhelzen. k (iv) In de 5. figuur van de plaat achter ’t Antwoort op den vi. Brief. (v) In de g 22. 830. Afdeling, over het kennen en genezen der Ziekten. (vi) In de x. Aanmerk. achter de Ontdekking der Klapvliezen. van FREDERIK RUYSCH. de inwendige mamflagaderen j de hartenzaks-middelriftsflagade- ren; ende de middelfchotsflagaderen met zeer fraye afbeeldin- gen uytgebeelt (i) ; de uytwendige tuffchenribbige flagaderen, uyt de inwendige voortkomende, het beloop der tuffchenribbige Ipieren volgende, ende aan den onderden en bovenden rant der ribbens eindigende, heeft hy gelukkig ontdekt (n) • hy heeft ver- zekert y dat het middelrift van de onderde en inwendige tunchen- ribbige , zomtyts ook van de miltflagaderen takken ontfangt (in); e'mdelyk heeft hy de korte vaten, zo aderen als flagaderen, vol- komen afgeheelt (iv). Schoon de naarfligheit van Ruyfch omtrent de takken der gro- ter vaten aldus lichtelyk uytmunten kan y nochtans zult gy beken- nen , dat Ruyfch m H onderzoek der klemfte vaten een links ge- zicht gehadt heeft. Het is van oudts ge zegt y dat het gehele menfchelyke lichaam uyt vaten t’zamengedelt wort. Maar het hewys is van niemant nader aan de vertoning gehragt y als wel van Ruyfch. Evenwel kennen zy niet genoeg den aart van V dierlyke lichaam , die zich voys maken y dat de gehele zaak, door ondervinding alleen, kan bevat worden. Gewijfelyk, over die <>aak zintwifl eemgzmts de reden. Ruyfch toonde voor *tgezicht vaten, alwaar ze nooit lemant gezien hadde. En dewyl oneen- zydige onderzoekeren van de konflige opvulling vermaanden, dat daar door meer vaten, nu onzichtbaar, vernietigt worden: wiert .et vortge gevoelen, dat het gehele menfchelyke lichaam vaatachtig IS , zelfs hter door , hevejiïgt, IVant wie hadde te voren gezien, vaten door t fpinnewebsvlies van’t cridallyne vogt(v)? (i) Zie de Plaat achter het Antwoort op den n. Brief Cu) In de 3. figuur van de 3. Plaat van ’t 1. Ontleedt. Cabinet. het Antwoort op den ix. Brief. j 1 enJl’ van de 4* PJaat jgevoegt achter het Antwoort op den 4. Brief. W de s. figuur van de 1. Plaat m’t 2. Auat. Cabinet. Verhaal van het Leven en de Verdienden Vaten door de vliezen, bekledende de gehoorbeendertjes (i)? Vaten door de knielchyf ? (n) ? Vaten door de pan van de heup lopende (mj? Vaten in’t vlies, bekledende hetruggemerg(rv)? Vaten in ’t vlies van’t merg der beenderen (v) ? Vaten in de bloedeloze pezen en banden (vi) ? Nochtans heeft Ruyfch sen na hem hebben andere dezelve aldaar gezien. Ondertuffchen in de opperhuyl; in ’t netwyze lichaam van Malpighius; in ’t Ipin- newebsvlies der herlTenen, heeft hy, fchoon zeer fcherp van ge- zicht , geen vaten gezien alhoewel St. Andree voorgegeven heeft y dezelve mde opperhuyt te konnen vertonen. Hierom daagde Ruyfch hem uyt tot zodanige vertoning, met een zeergeefilg hy~ voegzely, hier ter zake mets doende (vn). Alle deze zaken zyn aanmerketyk, en zeer voordelig • echter konden zy voor niemantverborgen hlyven, Inde eenlgenßuyflchi- aanfehe konft, door een go et gelukkundig zynde ,en heteenige gehruyk van 91 gezicht genietende. Maar dat ik nu op de baan zal brengen; zulks konde niet verklaart worden, ten zy vaneen zeer verflandtg Manr hebbende eerfi een zeer zorgvuldige ver* gelyking gemaakt. En om die reden zal yder verfiandige de Man na zyn doot m eeren houden. Ik bereide my te fpreken van dat gene, °t welk de Doorluch- tige Omleder zo menigmaal met zeer veel recht een groot geheim genaamt heeft. Waarlyk van een geheim ; nademaal niemant der jiervelmgen voorbedacht kan worden, welke die zaak volkomen en onderfcheldentlyk zal verklaren. Ik bereide my te [preken van (I) Zie de 1. figuur van da Plaat, achter het Antwoort op den g. Brief, (II) Zie ’t 2de tiental van Aanteken. N. m (III) Op de zelfde'plaats N. 1. (iv) In de laatfte Oeffeningen,, N. lviii. (v) In ’t x. Cabin., de 2. figuur van de m. Plaat. (vi) In ’t 2. tiental van Aantek., de 1. figuur van de I. Plaat* (vu) Im’t 3.-tiental.van Aantek. Ni vin. van FREDERIK RUYSCH. een zo grote behendige vinding van Ruyfch, als ’er, gelyk Boer- haave aldus fpreekt (i), in de Ontleetkunde een zyn mag. Het geheim is die onderfcheide loop der uyterftens , zo van ftagade- ren, als aderen; en van malkanderen, en van eindens, zo flag- aderlyke, als aderlyke j in verfcheide delen van ’t menfchelyke hcnaam, verfchillende. Het is een geheim van die zelfde zo even gemelde verfcheidentheit, in de verfcheide delen der heeften. Doorbladen alle Ontlederendoorblader alle Onderzoekers van ’t menfchelyke lichaam, en haal my een eenige aan y die, of de em- dens der vaten van malkanderen verfchillende geflelt heeft y of be- oordeelt y dat daar inne iets gelegen is y om de fcheiding der ver- fcheidene vochten in ’t dierlyke lichaam te verf aan, Mogelyk zult gy my Malpighius alleen aanhalen (ïi). Wie doch is hem ooit gelyk geweefi y zo in fchranderheit y als ongelooflyke nauwkeurig- ett m t waarnemen. De voornaamfie Ontlederen y zelfs in de aatj e tyden voor Ruyfch y verkondigden y dat het een gewone wyze er natuur is, dat de eindens der vaten y ftagaderen en a eien > tot eetl netwyze gedaante gevormt worden (ui). Maar liever willen, dat zy zulks zo ftoutelyk niet uyftere zaak ; waarom aldaar zaat ? Alhier gal ? Op een andere plaats k'ivyl hereit 'isuor't 3 Ja van Ruyfch ts aangemerkt, dat ook den loop der uyterfie Aderen, en van zich zelfs, in verfcheide delen van ’t lichaam 3 tn van de Jlagaderen verfchilt. Van deze verfchillen zy groote- (1) In t xxii. Hooftfluk van de vochten op de 207. blatz,, en Jt xxix Hoofttek °B de. 291, blatz.. Verhaal van het Leven en de Verdienden lyks in de darmen (*), en klaarhlykelyk in de nieren (ll). Dat zy van malkanderen verfchillende zyn, ziet men duydelyk in de twee aderen van °t menfchelyke lichaam , de poort en holader. Want gene is voorzien met overvloediger en kleinder takken, als wel deze (ui), mogelyk en zelfs zonder twyffef om dat zy de gal moet bereiden ; zy loopt anders door de lever , als de hol- ader (iv) 5 zy wort anders verfpreit door de darmen, als wel de zelfde holader (v). Deze verandering der aderlyke eindens, in hare huyzen, is wonderbaarlyk / Nochtans hlyft onze vorige re- denering voor de fcheidmg der vochten onwrikbaar ; maar de zelfde kan niet op eemgerley wyze, voor de aderen gelden (vi). Nademaal de levendige lichamen der heeften werktuygen zyn y die in verfcheide delen verfcheide vochten fcheiden, even als het zelfde in ’t menfchelyke lichaam wort aangemerkt $ zal een yder< dezelfde verfcheidenheit der vaten ook in verfcheide delen der hee~ fien komen raden. Dit bewys heeft Ruyfch niet onaangeraakt overgelaten. De flagaderen in een Kalfshooft , verfpreit door het verhemelte , komen niet overeen met die, welhe door de wangen verfpreit worden 5 veel minder met die , welke in de holte van ’t voorhoofesbeen verfchynen \ de langwerpige vaten, lopen- (I) Zie de laatfle Oeffeningen N. clxxvii. (II) Het ix. Anat. Cabinet n. lui. (iii) Het 11. Anat. Cabinet. (iv) Het v. Anat. Cabinet n. xvii. (v) J3e laatfle Oeffeningen n. cxlviii en clv. (yv) Ik loochene geenzin ts, dat, wat vat het ook zy, flagaderlyk, ofaderlyk,op hoedanige wyze het ook zy, echter op eenige wyze, door een ingewant of vlies heeft moeten gevoert worden ; noch ik ontkenne, dat ook den loop der aderen in een deel, hoedanig die wezen mag, met veel reden, dat is, een bovennatuur- lyke, liever die is, als een andere; evenwel zal hierom niemant dat moeten in- brengen, ’cgene ik te voren uyt de verfcheidentheit der flagaderlyke eyndens be- floten hebbe. Want dat verbiet fcherpelyk de eigenfehap der aderen, nademaai die altydt wyder van pyp worden. Maar de poortader in de lever houd mogelyk op een ader te zyn. van FREDERIK RUYSCH. lopende door de voosagtige beenderen der neusgaten , en het (hot van de neus makende, zyn gantfeh zeer verfchillende: en in een kalfstong, volgens de lengte gefneden , ziet men den loop der vaten zo wel als in een gehele , \ welk nog in de milt, nog in de lever, nog in de nieren, nog in andere delen van t menfchelyke lichaam gewoon is voor te vallen (i). VI. Na de Vaten, ga tk over tot de Ingewanden j alwaar een ygelyk een ander, en voortrejfelyker gedaante, aan dat gedeelte der Ontleetkunde, ook door Ruyich aangehragt, kan zien. Wan- neer Malpighius de meefier was in de Ontleetkunde , tracht ede hy te hewyzen, dat hyna alle Ingewanden uyt klieren heft aan • den herffenbaft 5 de lever 5 nieren j milt 5 ballen: end wtcrt voor on~ getwyjfelt gehouden, dat’er geen fchyding van vocht in ’t gehele menfchelyke lichaam gefchiedc, als, door hulp van een klier. Hier door wiert een klier, zelfs zo zeer met y als wel de naam van klier y hovenmaten als een afgodt van de Ontleders gevtert / Met dit gevoelen waren de voornaamfte Ontlederen , toen ter tydt, en ook Ruyich vooringenomen y zeggende, dat de milten lever klie- rcn *Yn T 1) sen dat ’er in de huy t klieren gevonden worden ; dog na er , ant heeft hy gelukkig zyn misfiellmg verbetert, ILmdehyk evenwel de voortgang m de konfl van op te vullen tot verbaajlheh toe yja van den opvulden zelfs, geflygert zynde , heeft Ruyich öö anders geleert, en hem over den aart en menigvuldigheït der teren van andei e als ongetwyjfelt gehouden . grotelyks in twyffel gehragt. JVa ondervinding, tT emdelyk dtefout- moedige, zeer gegronde, ftelling van hem zelfs openhaar gemaakt: dat in’t gehele hooft geen klieren gevonden worden uytgenomen de pynappei en flymklier. En wel geen in de nets' 0) N. clvii. van de laatfte Oeffeningen, vO Anatom. Aanmerking. Verhaal van het Leven en de Verdienften gewyze vlechting (i). Dat in ’t hart geen klieren zyns geen in de fpieren 5 geen in’t hartenzakje , in de milt , lever, mid- delrift, in ’t roedenhooftje (11)in de moerkoek (in) , in de huyt (iv), in de borft van een vrouw. Hier door zv 'ierdt Ruylch by zeer vele gehaat, ja zomtyts gelaflert, wanneer zy hem be~ rifpten over het geweldadig verbannen van alle klieren in31 men* fchelyke lichaam, De fchrandere Man ondervont3er zodanig een mEngelant r namentlyk M. Lifter (v). JVaarlyk • tets anders wierdt van Hippocrates een klier genaamt • iets anders van Mal- pighius ; iets anders van Ruyfch 5 en nogtans is 3er in 't lichaam- een Hippocratifehe, een Malpighiaanfche, en ook een RuyfTchi- aanfche 5 maar zy zyn alleen geen Hippocratifehe, alleen geen Malpighiaanfche, en ook geen Ruyffchiaanfche, Daarom was'er nodig een nieuwe naam van kerntjes , napjes , groefjes , blaas- jes, holletjes , busjes, zakjes, enz. dewelke Viotdsi&wt gelukkig uytgedagt hadde (vi). Door ’t. uyterlyke aanzien hebben Hippo- crates en de Ouden de klieren bepaalt* als ronde, uytpuylende, zachte , efSene en glinfterende lichamen. Maar Malpighius trachtede uyt het inwendige maakzel de natuur der klieren te verklaren. En, fchoon hy daar m een roemruchtigen lof ver~ dient, dït moet men echter niet verbergen, dat hy niet meer van de ondervinding, zo ‘m den ftaat van gezontheyt, als ziekte genomen gewonnen heeft, als wel de Ouden; maar dat hy het overige door giJJing, dikmaals zeer gelukkig , daar by heeft gevoegtt Hier door wier den ten tyden van Malpighius, de gemoederen vooringe- nomen hehhemle, zo vele klieren geboren, De zaak is klaarhly* (i) Zie het Antw;. op den xn. voorgeftèlden'Brief. (u) Zie het Antw op den Brief van H. Boerhaave. (Ni) Het m. Aftat. Cabin. n. xxv. (iv) N. in. van ’t i. tiental van Ontleet en Heelk. AanteL (v) Lees zyne klachten in de Voorreden op het XX. Anat. Cabin. (vi) In den Brief aan Rujfch van EREDERIK RUYSCH. kelyk in de herflenen. Is een holront lichaam aanfionts een klier ? Is een kluwe een klier ? Kan een afgehroke lichaam niet fthynen aan een verknogt ? Derhalven was de fprong in I befluyt (i). Daarom moet men een denkheelt geven y volgens I welke de voor- komende lichamen, klieren gezegt moeten worden. Dit heeft Ruyfch 5 met af te keer en y gedaan, Zie daar de vrucht van zyn arbeidt (nj! Een klier is een vaft lichaam, in ’t koken ftant hou- dende , t zamengeftelt uyt een verzameling van vaten, overal met een vlies bekleet; welkers vaten verfchillen, na de verfcheh denheit van vochten, die zy moeten maken. Aldus zyn de darm-• fcheilklteren 5 quylkheren , en het klierhedde van malkanderen verfchillende. Een [crypta\ groefje is een flap lichaamtje, in ’t koken zyn ftant verliezende 3 voorzien met vaten 5 niet in zyn geheel met een vlies omringt, maar boven open, als een kuylt- je, holletje, of deukje. Zodanig zyn de darmkhertjes y daar- om haflaart kliertjes van Ruyfch genaamt (111). Een \_acmus\ kemtje emdelyk is een ront lichaamtje, met geen vlies bekleet, (voor zo veel tot nog toe gezien kan worden) beftaande uyt vaat- jes , welke ontbonden zynde , de gedaante van zeer fyne pence- en aannemen. Ende aldus heflaan de meefte ingewanden uyt kerntjes • en zyn klieren. Meermalen hadde Ruyfch de lever een kliei genaamt 5 echter ontkende hy grotelyks, dat die uyt klieren t zamengejlelt wort. JVaar om de lever geen f zamengehoopte klier kraohtiir ffehn*ndpn 7,11 inT* y'lra'',1 van de Natuurkundige al te dikmaals vooï krachtig geho den. _ bullen alle deze inbrengmg toeflaan: een lichaam van een bepaal- de figuur , beweegt zich , door een onzichtbare bewegende oorzaak; derbaken is't een dier 9 Zekerlyk hebben zy geen ander bewys voor ’t beftaan der diertjes in ’t zaat det toen. Want de werktuygen, en verdere zaken, worden door verbeelding ge- ftek maar met gezien. Nogtans is by APitcairn voor ’t zelve een kragtig L onderzoeken!1 ’ waardlShemelwaarts verheven te worden, op zyn plaats nacL tc >n) {n ’t Antwoort aan Boerhaave op de 1224. bladz. {in) in 5t Antw. op den xi. voorgeftelden Brief. Verhaal van het Leven en de Verdienften is. Is zy dan een zogenaamde ronde klier 7 derhalven begrypt gy wel de onvoldoenende verdeling van Marinus in droge en dikke , dat is, \conglohatdP\ ronde; en weeke en vogtige, of, [conglo- meratie glandula] tezamen gehoopte klieren. Is die afbeelding, van den Heer Boerhaave gegeven j), en welke ook kan dienen om de natuur der f zamengehoopte klieren te verklaren,, gemaakt na een voorwerp uyt het dode lichaam ? In de Malpighiaanfche klier zyn allerhande vaten, flagaderlyke, en aderlyke, groter, kleiner, zeer kleiner, welkers eindens, om van de milt een voor- heelt te nemen, gelyk als wyngaartsr anken of klimop, omtrent de klieren van de milt uytgeftrekc worden (n). En deze, zeer fyne emdens, niet komende een root holletje bevatten, forten een dunder, tuffchen zo vele kronkels der vaten geboren, vogt, meen hol, vliezig blaasje, aan dezelve hangende, ’t zelfde met onein- dige montjes doorhorende. Aldus kan het blaasje gemakkelyk op- gevalt , en op dezelfde wyze door eenig vat, het blaasje doorbo- rende, ontlafl worden. Maar in de Ruyfchiaanfche klier ziet men ook die zelfde toef el. Hier zyn ook vaten van allerly zoort, op oneindige wyzen uytgebreit. Hier ts ook een vlies, wel niet zullende zeker vocht ontfangen, mcmr 31 welk in zyn omtrek on- telbare vaten, de klier uytmakende, in verfcheide klieren op ver- fcheide wyzen omgedraait, dat is, oneindige kerntjes omhelf; ende gefchikt om 't vocht, gekomen tot de kleinfle vaten, m zo vele kronkels toehereit, en alzo afgefcheiden, aan een ander vat over te geven, °t welke de naam heeft van een uytwerpent vat, zynde tujfchen heide geen pyp tegenwoordig. Zoodanig bevef igen dit gefchilj. B. Morgagni (ui), en H, Boerhaave (iv). Maar (]) In den Brief aan Ruyfch op de 1175. bladz. (II) Malpighius van de Milt, in ’t 5. Hooftft. (III) In de xlix. Aanmerking van ’t 2. tiental der Ontleetk. Aantek. (iv) In den Brief aan F. Ruyfch op de 1226. en 1227. bladz. van FREDERIK RU YSCH. het is zuyver Ontleetkundig. Nogtans hlykt het hedendaag fch y dat de tegenwerpingen van Malpighius , fch oon door de fcherpzinnig- heit van Boerhaave veelverfierkt (1), zeer gemakkelyk konnen wor- den opgelofl% En Boerhaave zelfsy de binnenfie vaten van de darm- fcheilkheren uyt een Ruyffchiaanfche berydmg hefchryvende y fchynt van ’t gevoelen van Ruylch met zeer vreemt te zyn (n). Nu moet men van deze klieren weten, dat zy , de Jaren toene- mende , verminderen in grootte , en ook in getal; gelykerwys der vrouwen borften. Waar door \vy gaatfchelyk oordeelen , dat het gevoelen van den gylweg, van de darmen tot de lever, door de fcheiladeren beveiligt wort (m). Maar of de vaten der darm- fcheilkheren y als mede de melkvaten y veroudert zynde y mkrim*• pen • en de aldus een nieuwe oorzaak voor de doodt van een oudt 37 menfch verfchaffen ? is nog met genoeg bepaalt. vu. Het gevoelen van Ruyfch over de klieren doorgezien heb- bende j hebben wy door dien zelfden Leydtsman , gelegentheit, met een byzondere gemakkelykheit ? door te dringen tot mde an- derzints verborgene natuur der ingewanden. Zie daar het hooft > horft • buyk! Drie holligheden, alle bedekt met de algemene be- kleet zelen, dezue Ike zodanig van malkander en af te fcheiden y dat €r mets van uwe konfl aangekomen is y met recht voor een konfl gehouden wort. Hierom ondernam A. Vefalius dit werk op een andere wyze 5 J. Riolanus gebruykte een verfchillende wyz.e • an- dere wederom een andere. Ruyfch, hebbende een fiuk van een t>RhlReizei, op een houte plankje gefpannen , houdde het in kokent water $ en aldus fcheidde hy gemakkelyh de op- perhuyt van °t net, en p net van de huyt af (iv). Maar hy zal door (I) Op de aangehaalde plaats. (II) Zie den Brief van F. Ruyfch aan H. Boerhaave, op de 1226. en 1227. bladz. (m) N. vu. van ’t m. tiental der Aantek. (iv) N. xn. van ’t 111. tiental der Aantek. Verhaal van het Leven en de Verdienften ondervinding bekennen , dat de hette van kokent water het deel veel verandert. Ik heb ook niet veel voordeel gedaan, met zodanige konfl. Aan de opperhuyt, waar van, als mede van de haayren en na- gels hier na, wort het netwyze lichaam vafi gehegt. Dit, zynde met geen vaten , zo men de ogen vertrouwen mag, voorzien (i) laat door zyn kringswyze holtens, de pyramidaalswyze huytte- peltjesdoor, en zodanig is het, waarlyk met een fraye afbeel- ding, van onzen Ruyfch uytgedrukt (li). Het net opgeügt zynde, volgt de liuyt, welk de outfte Ontlede- ren a! hebben verzekert voort te komen van de uyteindensder flag- aderen, aderen en zenuwen, die daar in eindigden (in). Hetzelf- de 'y en ook niet meer heeft Ruyfch geleert. Maar wanneer Mal- pighius ,en N. Steno het zweet, hoven dehuyt zichtbaar, dat is3 als een afgefcheide vocht befpiegelden j hehhen zy ook aanfionts werk- tuygen bedacht, die het zelve toemaakten. Rn welke 1 Buyten twyf- fel klier en. Toen het oog daar na gewent hebbende, heeft hy aanfionts dezelve waargenomen; het bepaalde haar de grootte van gier ft* ja het fchïkte aan een yder een uytgeholt, en konnende opgelïgt worden klapvlies. Maar; hoe zeer hadde de fchydmg van H net van de opperhuyt en huyt afy door gloeyent yzer gedaan, een verandering gemaakt / Maar Ruylch ontkende door en door, dat hy ooit, door eenïge konfi die klieren gezien had.de ! Maar deze zelfde huytflag- aderen, na welke zo naarfiig Euftachius gezogt hadde, zeer fyn geworden zynde, zenden door de opperhuyt, doorboort als een zeefje, op dat de uytwazeming der dampige zelfllandigh den, of overtolligheden der inwendige leden (ïv) y nu een ongevoelig vogt, i (i) N. ii. van ’t x. Anat. Cabinet. (n) De ïv. vi. fig. van de plaat in ’t Antwoort op den i.Voorftelligen Brief, (m) De Autheur van de Ontleding der levendige dieren, hjGalenus. (ïv) Op de zelfde plaats. van FREDERIK RÜYSCH. dan , verwydert zynde, een dikker , zichtbaar, vocht, 'zweet naamt, heen. Deze eemge bron varit zweet vertoonde onze Ont- leden (O* Maar mogelyk hy niet alleen , noghet eerjle. Wam phil. J ac. Hartmann , heeft al over zeven jaren voor d einde van dé voorgaande eeuw , dikmaals klaarblykelyk voor ’t gezicht getoont, op wat wyze de opperhuyt door menigvuldige infpuytingen einde- lyk affcheidende, het zweet- door ontelbare (lippen of monden , by de infpuyting, uyt de huyt uytbarft , zy-nde de huyt overal uyt bloetvaten t’zamengeweven (n). Nu begrijpt men duydelyk, -waar- om de flagaderen In de hupt anders lopen, als ergens anders ? Om dat daar alleen het zweet afgefcheiden wort. • Rn) waarom In ver- fcheide delen van de huyt derzelver voortgang verfchllt ? Mlffchlen; om dat het zweet, op verfcheide plaatzen van de huyt In veelhelt \ en hoedanigheden verfchllt. Maar die langronde Boerhaviaanfche vethuysjes (m) , ter zyden van vaten, een vectigheit uytwerpen- de, doorboort, zyn zekerlyk in de uytwendige oppervlakte van de huytj en worden byna van Ruyfch aangenomen (ïv). Dog deze zyn [cryptx] holletjes of groefjes, geen klieren,- Rmdelyk de [tunica ceilulofa] blaas agtige rok, bykans overal te- genwoordig , alles aan malkander en hegtende, door Ruylch opge- blazen zyn de, blaasjes of hüysjes vertonende ynu uytgebreit door w'tnt, olie, water, of etter, verbergt zich onder hét fpinnewebs- v ies zelfs, boven het dunne herffenvhes, vertonende zomtyds fmee- rtge bolletjes, zynde wederom voor klieren gehouden (v) . Maar ip de-ze m een J'mertge veranderen kan y heeft Kuylcn klaarbtykelyk geleeru Want met zyn wafchagtige 39 y) LX' c,xxx‘ van 7a iat- Übin- en N*IIL van i- dental van Aantek. d£ “• Verhandel-in ’c byzonder > omtre« d«= er- (niVlnftitut. Medicar: §. 422. y V £J. in. van ’t 1. tiental van Aantek, (v) N. san. Van ’t v. Anatom. Cabin. • Verhaal van het Leven en de Verdienden fioffe de fcheilfagaderen op te vullen, voort zelfs de blaasagtige rok met een rode wafch vervult (1). IVaar door gebleken is , dat de vet- huysjes aan de eindens der flagaderen hangen: en de olte droppelen van ’t Jlagaderlyke bloei m dezelve nedergeflort worden. vin. Laat men nu de herffenpan openen , ende daar binnen zult gy zien het beenvlies van het bekkeneel, zynde het harde herflen- vlies , voornamentlyk tot gebruykvan de herffenpan gefchikt, Mant het zelve, door K uyfch , opgevalt zynde, vloeit de wafch, gelyk een dauw, int bekkeneel (u). Deszelfs [lamin*] tafels verheel- den ook [ finus] groeven, waar in alleen de aderen van d dunne herf- fenvües zo lang gelooft wier den, zich te ontlaften, tot dat R. V ieuf- fens, met eene hedrieglykeproef \ poogde te bewyzeny dat het/lag- aderlyke bloei in de langwerpige groef toevloeide. Het bedrog heeft Ruyfch, gelukkig ontdekt (m). Tot de herjfenen zelfs behoort het dunne herffenvlics , het welke, de darmswyze kronkels der herjfenen volgende 5 zeer ruym geworden zynde, gelykerwys Ruyfch gewoon was voor d gezicht te brengen, met gelyke groeven in de oppervlakte der grote en kleine herffenea zich indringt, en wel in de grote met flangsgewyze uytfteekzels, maar in de klyne herffenen met zikkelwyze, even, als het harde herffenvlics zich gedraagt (iv); van welke uytfteekzels van ’t dun- ne herfienvlies, de vaten tot het maken van den herflenbaft duy- delyk nederdalen (v). En aldus kom ik tot die vinding, dewelke de Overledene onder alle zyne ontdekkingen, in ’t menfchelyke lichaam gedaan , het voornaamfte fchattede (v*}. Hoe oudt het ge- voelen is, dat het maakzel der herjfenen klier agtig is, hoe zeer het (I) N. iv. van ’t. 2. tiental van Aantek. (II) N. ccvii. van de laatfte Oeffening. (m) N. 11. van ’t vm. Anat. Cabin. (iv) Zie het Antw. op den vu. Voorflelligen.Brief; met debygevoegde Afbeeld. (v) N. lxxix. van’t vi. Anat. Cabinet. (yi) In de Voorreden op ’t ix. Anat. Cabinet. van FREDERIK RUYSCH. 41 zelve van de voornaamfle Ontleders en Natuurkundigen is aange- nomen yts niemandt hedendaagfch onhekent. Maar Ruyfch.ftelde byna hukten alle twyjfel , dat den herffenbaft niet anders was y als een voortbrenging van vaten van ’t dunne herffenvlies (i) 5 zö* danig nogtans, dat die flagaderen in den herffenbaft, gelyk hy fchryft , ineen ander wezen veranderen, en dat zy dan verbeel- den een moes van bloetvaten in een menfch , in vaten van pe- ren , een moes in de peren (1!). Befchouw de zeer fraye af- beelding , na ’t leven getekent, en vefhg uw gezicht op de vaten van den baf y zynde van een onuytfpreekelyke fynheit (ui); aan welke nochtans alle menfchelyke voorrecht, boven alle andere die- ren , bevolen is. Waarom doch deze vaten zo teder ? Ruyfch brengt wederom zonder moeite daar tegen in (iv) 5 dat het vocht y ’t welk in de vaten van den haft der herjjenen bereit, door de mergg- pypjes of Malpighiaanfche mergvezeltjes, ende de zenuwen aan dezelve verknogt, vloeyen zal, zo fyn en dun ts, dat het niet, als in zeer kleine vaatjes kan bedwongen worden j of het zoude anderzmtr y met een voor de menfchelyke ziel fchadelyk gewelt, na alle kanten heen vloeyen. Stel des zelfs dunheit zo groot, dat y zo ons de fchattmg van P. G. Sievert (v) niet geheel en al bedriegt y mdienhetgefladiguyt zyn vaatje lekte, evenwelnaauw- lyks een greintje daar van in den tydt van 178 367 Jaren uyt het zelve zoude komen vloeyen. Hy zalwaarlyk lachen en laat hy lachen, wanneer J. T. Brinius deze dingen leeft, zich ver- Zeket t houdende , d<*t wj , ronder zodanig vocht, konnen gevoe- (i) In ’t Antwoort op den xn. Voorftelligen Brief. (n) In ’t Antwoort op den Brief van J. C. Bohlius. (ui) In de fig. in ’t Antwoort aan J. C. Bohk geftelc; en de vi. fie. in de Voor- loper van ’t vi. Anat. Cabmet. (Iv) N. lui. van’t ix. Anat. Cabinet. (v) In de xxxvin. Afdeling van de Verhandeling over de Ziektens . van den vermeerderden omloop der vochten afkomftig. Verhaal van het Leven en de Verdienften len y en ook bewogen wordeny dat wy ook met y door zw/ °t zelve y of gevoelig y of beweegbaar tot in eemvigheity zo 't den hemel behaagdey zoude wezen (i). Maar betaamde het een Na- tuurkundige vertoonder y de zenuwen voor verlengmge van de hersenvliezen houdende , zo ftilte zwygen van het zo wonderbaard maakzel der herjjenhaft y wat wil dat hier zeggen 7 Rn tot wat gehruyk ftrekt het 7 Wnar om vloeit 'er zo overvloedig bloet na de her ([enen 7 Worden de ontelbare jlagaderen van 't dunne herfften- vlies tuff'chen hetzelvey om eigen gebruiken y en hierom zonder twyffel om uwe zenuwen y geweven 7 IVaar om doch is het zelfde vlies y met alle poging van de natuury by alle waarneming y zeer rjkelyk gemaakt y op dat daar uyt de jlagaderen tot den herffen- haft alleen afgezonden worden 7 IVat betekent derhalven wederom de herjfenhafl 7 Brinius, gy zult hier op antwoorden y en een op- rechter vertoning van uw gevoelen aan ons voor oogen ft ellen. De [plexus choroicl;] Netvormige vlegting, na °t oordeel der Ontle- den s klieren hebbendey beftaat y volgens de vertoning van Ruylch (n), uyt enkele bloetvateo, voornamentlyk flagaderen, flangsgewys lopende 3 klieren verbeeldende , wegens de kronkelige drayingen 3 en niet een gedeelte van’t dunne herffenvlies t’zamenhangende. Desze/fs openftaande Jlagaderen ftorten hare vochten uyt in de hol- ligheden van 't voor en achterhrein y met welke zy de holligheden ten tyde van den Jlaap , van een f zamengroeymg hevryden y de mergachtige ftreken y het ruggemerg en deszelfs vliezen hevogtigen en hefproeyen: maar de aderen integendeel voeren de aldaar uyt- geftorte vochten weg, en die weggevoert hebbende y brengen zy aan [finus] de groeven. Schoon het maakzel der herjfenen zodanig blykhaar en vertoont is y echter moeft G. Chr. Schelhammer te voor- fchyn komen y dewelke liever zyn ogen uyt zyn hooft wilde laten (i) Zie deszelfs onderzoek van de levensgeeften. (n) Zie het Antwoort op den xn. Voörftelligen Brief. van FREDERIK RUYSCR 43 halen, als geloven, dat de zaak zo was. J)e tegenwerpingen van dien Heer, nam onze Ruyfch gemakkelyk uyt den weg (v > *n , na dat twee Leerlingen van Schelhammer het zelfde wonder] u, ik zegge den donzige vaatacbtigen herffenhafl, met eigene oogen y Ruyfch bezichtigt hadden, heeft Schelhammer emdelyk liever, de voeflerlingen van zyne onderwyzing heter gelovende y als den groot- ften onder de Ontlederen, zyne oogen willen behouden, ende uyt het maakzelder herffenen gantfchelyk alle klier en verbannen (u) Maar de lijiiger Vieuffens, ruykende, dat alle affcheldingen mde f/ag- adertjes volbragt wier den, fchreef, ook den herffenhafl vaat- achtig was ; nochtans den vinder Ruyfch verzwygende (m) \fchom 9t evenwel bekent is 3 dat dezen, vier faren te voren, over dezelve zaak y zyne waarnemingen gemeen gemaakt heeft (IV)« Hierdoor heeft Ruyfch nieuwe klagten ingebracht (v). Maar die pyiami- daalfche en olyfsgelykende lichamen, welke Ruyfch hefchreven en afgeheelt heeft in °t hovenfle gedeelte 3 ter zyde van de fchryfpen y de uytpuylingen van deftaartvan’t verlengde merg, dewelke , door hulp van Jleuven eenigzints afgefcheiden verfchynen (vi) , die zelfde lichaam, zegge ik , heeftJ. D. Santorini, fchoon hy naarftig on- derzogt heeft, nooit konnen vinden (vil). Uyt het verlengde merg groeyen alle zenuwen, die ook de oorzaak van ’t gevoelen zyn. Der- (i) Zie het vi. Anatom. Cabin. N. lxxiiï. (n) N. i. van’t i. tiental der Aanteken. (lil) In’t nieuwe geitel der vaten' van ’t menfchelyke lichaam ,op de 226. en volgende bladz. (iv) Het Antw. van Ruyfch op den xn. Voorftell. Brief, is gefchreven in ’t Jaar 1699. den 21. van Oogftmaant; maar het Boek van Vieuffens is gedrukt 1705. en dc Brieven van den Autheur, over die zaak, zyn aan de Geleerden gefchreven A. 1703. in 00 In den Voorloper op ’t vi. Anatom. Cabinet. (VI) In ’t Antw. op den xn. Voorftell. Brief, en in de v. fig. van de u. plaat, by dezen gevoegt; het zelfde heeft hy herhaalt in ’t v. Anat. Cabin. N. lxvi. (vu) Obferv. Anatom. C, ui. §. xxi. Verhaal van het Leven en de Verdienden huiven zal ik hier ter rechter tydt handelen over de Zintuygen. lx. Terwyl tk de werktuygen van’t gehoor doorlope, vindeik by Ruyfch alleen aanmerkenswaardig , het trommelvlies. Dit heeft Ruyfch het eerfie hefchreven, als beftaande uyt driederley vliezen, welkers huytenjle voorkomt van den huytenflen rantvan den gehoor weg , het hinnenfie van ’t harde herffenvlies y den trom- mel bekledende: het middelfie emdelyk is oprecht hlaasagtig, voor- zien met'fraye vaten (•) ; fchoon 't , volgens de vertoning van Winflow , in vier , ja meer vliezen kan gefcherden worden (nj. Dit zelfde wort van A. Q. Rivinus gezegt , dikmaals doorboort gezien te zyn \ maar Ruyfch heeft het nergens met een gat door- boort of doorgeftoken gevonden, maar overal in den omtrek aan een kringront been vaftgegroeit (m). Ja, door ’t inwendige oor met quikzilver op te vullen, (doorde pyp vanEuftachius) heeft het zelve nochtans geen weg gevonden door het uytwendige oor (iv). En r fchoon voor deze de toehoorders van Rivinus, nu Doótoren , pochen , dat hy dat gat meer , als bykans hondert duyzentmaal aan zyne toehoorderen, ja zelfs met geflotene ogen , vertoont heeft; ondertuffchen is het zelve nooit, noch door eenige proeve aamvezent gevonden y< of van anderen (v), ofte van Ber- nardus Siegfried Albinus. Maak het.trommelvlies van alle kanten fchoon , en de tuffchen den gehoorweg en’t gemelde vlies, gy zult een gat vinden, als de uytwendige fpier van den hamer weggenomen is; maar anders nooit:. In de vrucht , wort dit vlies van een zeker bekleetzel overdekt, al over lang aangemerkt , welkers gehruyk langduyfer geweejl is\ Dog huyden heeft men met Ruyfch' ondervonden (vi), dat het zelve, (i) In’t Antwoort op denvm. Voorflell. Brief, en de daar by gevoegde ix. fiat. (n) J. F, CaJJebohm de au re interna, J. xvi-ii.r (m) Zie hec ir. Anatoni. Cabin. (iv) Zie diet vin. Anatom. Cabin. ,N. vr.. (v) Cajfebühm loc. citat. in not. n. (vi) Zie. het m. Anatom. Cabin. N. lxxvi. van FREDERIK RUYSCH. 45 nu dikker, dan dunder, het zeer tedere werktuyg > tegen de dik- maals fcherp zynde vochten , waar in de vrucht zwemt , en tegen de ongemakken van de ongewone luchtr na ’t baren 5 belchermt, dat het eindelyk wechgaat, als de benige en kraakbenige weg aan- groeit. Ik hehhe re ets' verhaalt, dat de vliezen , waar mede de' ge- hoor beendertjes bekleet zyn , vaatagtig van Ruyfch I eer fee ver* toont zyn. Van Oor ga tk over tot het Oog. Ruyfch de altydt vochtig zynde oogleden onderzoekende 5 heeft in plaats van Meiboomi- aanfche klieren, gevonden mootjes van pypjes, lopende flangs- Wys, dewelke met de uyterfte eindens der flagadertjes verknocht zYn (i)* Rn aldus wiert 3er wederom een andere hoop klieren uyt het mmfchelyke lichaam verworpen. IVat het inwendige oog, aanbelangt ■ hy heeft een nieuwen rok van’t zelve mde Ontleet- un e ingevoert, aan welke de naam van den Rnyßchiaanichen r° \ Van en Z°on voor ge feit , van de Vader go et gekeurd, ge ge- ven is... Ph. Verheyen en J. j. Rau, hebben de heele zaak niet Zeef opgevat. Deze rok omringt inwendig den aderagtigen 10 , oanwe ke hy en in een gevalt, en in een ongevult oo» door 6 nt e ers fVfhoulen wort (ii). Het gene ik nu verhalen zal, gp ee en al door de Ruyffchiaanlche Ontleetkunde vaflgeflelt oor- Met tk van groter belang. Maarof diPzalfrydentegendegene ware zvtt7 fezen vafl't ,of het netwyze vlies , als het warewerktnyg^^cht he/chermen ?Ik zal wel voordellen dogntei kneuen. 1/ant het gemelde vlies bef aat dmdehk mreen dubbelt kaatje: het eene mergagtig; het andere ganfeh vaatitig het glasagttgevocht, omringende [mg Op WM \ ■ JJ s Cv&- OVZie het x. Anatcm. Cabin. N. cxxiv. hu) Zk liet°pdT Xm‘ V^rorftnlï?r|ef» en VII‘ en xm. %. indeszelfsPlaat, en ’t ii. Anat, Cab’n * Cn Xm’ oCi* 3en xvi. fig. van deszelfs Plaat * Verhaal van het Leven cn de Verdienden de licht(lralen het netwyze vlies aandoen ? Het.fpyt my gewel- dig y dat den voor deze aangehaalden Brinius op deze aanmer- king niet gevallen is. In °t oog blyft iets overig , H geen niet zeer wel van Ruyfch verft aan is. De haairwyze bant, en het haairwyze uytfteekzel. Want , volgens den Autheur , is die bant een kringront lichaamtje , met zeer vele golfsgewyze latten, met een zwarte verf beftreken, voorzien 5 welke latten oprechte fpieren zyn, met hare pezen geplant in’t haairwyze uytfteekzel, Deszelfs voorde deel wort genaamt de regenboog; maar het achterfte heeft langwerpige, regt en kamsgewys geplaatfte ve- zelen (ij. Echter heeft hy nader hemt eenigzints zyn gevoelen ver- andert: dewylhy niet aan den haairwyzen bant, maar het uyt- fteekzel en den kring, van achteren dicht aan de kant van den oog- appel geplaatft, voorzien met kringronde vezelen, de werking van een fpier toefchryft, en heeft vaftgeftelt, dat de uyterfte ein- dens van den bant van het haairwyze uytfteekzel afwykt \ weder- om heeft hy gezegt, dat evenwel de pezen in den kleinen kring geplant worden (11). De zaak is zodanig in de natuur geftelt: Al- waar het ader achtige vlies tot het hoornvlies komt y wort het zelve y van een dun, wel driemaal dikker vlies y en verandert in een dik rontje, het vu elke rontom aan ’t harde vlies, hy I begin van ’t hoorn- vlies , vaft zit. Het wort genaamt de ronde kring van’t adervlies. Uyt den gehelen omtrek van deze kring ontftaat een vlies , tegen het hoornvlies los geplaatft, ’t welk van huyten de Regenboog; van binnen het Druy ven vlies genaamt wort. Daar en hoven worden in heeften uyt den haairwyzen kring ? na ’t midden van den oogappel gelyk alsftralen} rechte vezelen gevoert, welke van ’t haairwyze uytfteekzel zyn, dat eeh beweegbaar flip m het druyvenvlies y in de kring een vaft flip heeft. Van achteren het druyvenvlies eindelyk y (I) Op de zelfde plaats, en de xm.xvii. xvm. figuur, (II) In ’t H. Anatom. Cabinet. van FREDERIK RUYSCH. verandert de haairwyze krmg in haairwyze banden, het kriftaüyne vocht, na de wyze der handen , vafihoudende. Zy zyn dunne , hoogsgewyze vezelen , uyt de hmnenfle oppervlakte van *t üdet vlies voortkomende, Voor zo veel het oog aangaat , verdienen doorhla~ dert te worden het Antwoort van den Autheur op den 13. Voor fielt. Brief ,en het 11. Anat. Cabinet. Dit eenige voeg iVer hy , dat Jacobus Hovius , mde Ontleding van 't oog , van Ruyich aange- klaaet wort over °t uyt geven van zaken , door Ruyich ontdekt (1 j. Nadien de Neus het werktuyg van den reuk hegrypt y zal men hier bequaamlyk daar over [preken 3 ende voornamentlyk , voor zo veeVt kraakbenig is. Deszelfs voornaamfie kraakbeen is het mid- delfchot der neusgaten , om 51 welke Ruyich een byzonder vlies vertoonde (11) 3 ende aan deszelfs achterfte en benedenfte gedeelte jchuynfche fleuven (m) • maar aan 't voorfte en onderfte, dicht y iet veihemelte, aan weerskanten een gat, de fnot doorlaten- fJdD' Ik weet zeker met 3 of deze gaten zyn die van Steno (v) ? aar het getal der kraakbeenderen van den neus , heeft hy zodanig vei meerden , dat hy’er inyder zyde nog twee heelt konnen af- j , en. het eene langwerpig : het andere vierhoekig byna ; z© cat ei , na de optelling van Ruyfch , negen kraakbeenderen van neus zyn (vi). Het zal de plicht der Ontlederen zyn y te JAjen > bovenfte driehoekige kraakbeenderen, met het kraak- chot der neusgaten , een eenig kraakbeen ten minden uyt- aog twee kraakbeenderen in yder zyde van de neus tegenwoordig de- wyl de zeer konftige berydingen toonden, dat deze niet anders waren , als bondeltjes van flagaderlyke uyterftens (nj. Wy komen tot het laafte werktuyg , waar mede wy gevoelen. Alle zenuwen voortfpruytende uyt het verlengde merg, worden uyt- gefpreit tot vliezen; ofy alle vliezen afgelegt hebbende y eindigen m tepeltjes. Deze worden klaarhlykelyk aangeraakt y en in ’t ge- voel , en in de fmaak, Maar al’1 gevoel heeft meer gevolgen. Ende ik zal tot voorbeelden bybrengen , pyn en vermaak. Hoe veelderley pyn is 'er ? Het vermaak is ook niet enkel 'Van de pyn worden wy zekerlyk meer aangedaan • deze onderfcheiden wy meer 5 zynde nament lyk op dezelve oplettender , de wyl wy van natuur tot klachten hellen. Is niet zonder weerga de fmert van honger ? Maar op dat gy aan I verfcheide gewelt van51 aanra- kende lichaam niet alles toefchryve y weet • dat de zenuwtepelt- jes onder malkanderen verfchillende zyn. De tepeltjes hangen van de zenuwen af y gelykerwys de uyterjle Jlagadertjes van hare (lammen. IVaar om ook de erndens der zenuwen van malkanderen verfchillen y even als hier voor en gebleken is van de uyterfle flaga- dertjes■ gelyk onze Oudeman wyszelyk begrepen heeft (111). Der- halven voorden m't menfchelyke lich aam twee uyt ft e kende ge ft ellen gevonden y het flagaderlyke en het zenuwagtige, zo als andere door andere bewyzen ook begrepen hebben. Maar wy houden voor zenuwtepeltjes die lichamen , buyten de oppervlakte uytpuylende 7 dewelke, fchoon alle andere delen > door een zeer volmaakte ge- dane opvulling ? root worden, zeer wit blyven. Weshalven zyn (I) Op de gemelde plaats. Gap. v. iv. v. (II) In ’c vi. Anatom. Cabin. (III) In ’t x. Anac. Cabin. N. cxxx. en het 1. tiental van Aantek. N. v. van FREDERIK RUYSCH. 49 zy met van de hloetvaten afkomjhg: en y om dat het gevoelen t al- lermeefl aldaar m kracht is y zyn zy met de zenuwen acineenver- knochte üchamen. De tepeltjes zyn dan zenuwagtig. Men kan van die verfcheidenheit der tepeltjes, niet als ft aaltjes hybrengen , dewyl dat geluk aan Ruy fch niet gebeurt is, ’t welk hy fiokout zyn de wenfchte, dat hy den loop der zenuwen zoude konnen nabeu- ren, gelykerwys hy het flagaderlyke geftcl aan de waerelt ge- openbaart heeft (1). jdjte daar nochtans dezelve / De huytte- peltjes heeft hy fraay afgebeelt pyramidaalgewys (11). Zy zyn van een andere figuur in de tong (m). in de tepel van een vrouweborft zyn ze rontachtig , volkomen , als in een ichapen- maag (iv) In de lippen zyn ze langwerpig (v). Zy zyn an- ders in de oogleden 5 anders in ’t tantvleefch (vl). Anders in de kroon van’t roedenhooftje (vu). Ja ook in een en dezelve tong van een menfeh heelt Malpighius de tepels van een vcrfcheide vedcheidentheit gezien; en naderhand Ruy fch (VHI): in de mont worden de bovenfte van de onderfte onderfcheiden (ix) 5 en in een en de zelfde fchaapenraaag worden zy verfcheiden bevon- Rnde deze tepeltjes, dieper in de huyt ingedrongen , veifchaffen een grontflag voor de haairen, die op te komen ftaan (ix) ; welke echter zomtyts uyt het vet zelfs gezien wor- den voort te komen (xu). Deze ronde lichamen 7 naar welkers 0) Bohlius in de aangehaaldc Brief. r\ v 1 P^aat c antwoort op den i. voorfb. Brief, in de v. en vu. fiff. (lil) Zie de VI. iig. van de lil plaat van’t i. Ondeetk. Cabinec. (iv) In ’t 111. dental van aantek. n. x. (v) Op de zelfde plaats. (vi) In ’t x. Anat. Cabin. n. cxxxvi. en n. fig. van de i. plaat. (vu) Zie het antwoort op de xv. voord;. Brief en i. fig. (yin) Zie het i. Anat. Cabin., en de vi. lig. van.de iv, plaat. (ix) Zie het x. Anat. Cabin. n. cxxxvi. (x) Zie de plaats in de xxiv. aantekening gemelt. (xi) Zie het i. tiental van aantek. n. v. (xn) Zie het antw, op den I. voorft. Brief, Verhaal van het Leven en de Verdienften aart Malpighius begonnen hadde vlytiger te zoeken y door de tocht- gaatjes van ’t MalpigJoiaanfche net uitgaande > nemen eindelyk voor zich kokertjes uyt de opperlmyt , aldus uytgezet zynde j gelykerwys de Ruyflchiaanfche proef aantoont (i). Maar dit moet een hyzondere overweging waardig gehouden worden y dat de tepeltjesy naar de Ruyflchiaanfche leer y overal tot vliezen uytlopen , met met de daat y maar met naam verfchtllende, en wel de tepeltjes van de huyt groeyen tot een opperhuyt; doch de overige, alwaar geen huyt hy is y niet tot een opperhuyt y maar tot velletjes, ofte bekleetzels. Dat de opperhuyt noch hloejfemy noch dauw is • zal hedendaagfch y meene ik , yder een getuygen: Kuyfch getuygt het ook. Echter heeft hy hier onver klaart over- gelaten ; wat [efflorefcere | uytlopen is ? Zo menigmaal als de opperhuyt met het net van de huyt aflcheidt, wortdiedor, en fletzig: zo menigmaal fchieten nieuwe vliezen van de zelfde te- peltjes uyt (uj. Rn alzo hegrypt mengemakkelyk y hoe Ant. van Leeuwenhoek de opperhuyt fchuhachtig heeft konnen gewaar worden. De opperhuyt y het net yen tepeltjes y worden y aan de t oppen van de vingers, door een hy zonder oogmerk van de natuur 3 hart, eeltig y en veranderen in zekere lichamen y nagels genaamt y aan de opperhuyt altydt vajlzittende y ende y de opperhuyt van de huyt losgemaakt zynde y te gelyk van de zelfde huyt affcheidende fin). G elykerwys nu van de huyttep eitjes de opperhuyt voort ge- hragt wort ■ aldus fchieten de tepeltjes van de voorlippen (iv) ,* de inwendige wang (v), ende van ’t tantvieelch (vij, ook uyt, en worden tot bekleetzelen; eige dekzelen y velletjes, maar tot geen opperhuyt uitgefprek. X. Ik (i) In het v. Anat. Cabin. n. n. (n) In ’t di. Anat. Cabin. n. xm. (in) Op de zelfde plaats, en in de n. fig. van de nx. plaat van ’t zelfde Cabinec (iv) In ’t m. Anat. Cabinet n. xxm. (v) In ’t vi. Anat. Cabin. n cxv. (vi) In ’t x. Anat. Cabin. in de 11. fig. van de I. plaat. van EREDERIK RIXYSCH. x. Ik dale neder tot de Borft. IVat de borftklier is ? Tot wat gebruyk dezelve diend7 Daar over wert gezmtwifl. Gewiffelyk heeft tot noch toe memant den uytwerpbuys vertoont, Maar wat ondernam Ruyfch niet in de Ontleetkunde ? VoornarnentlykJ ongp man zynde ? In een Os heeft hy een ader gevonden, verfpreit door de borftklier , van zo een doorfchynent maakzel en fynheit, als of het was een watervat, behalven dat het zonder klapvlie- zen was, tot een van de mamaderen overgaande. Evenwel wierf de onderzoeking daar van te vergeeffch in een Menfch on~ dernomen. Hy flelde, twyffelachtig, dat [lympha] het water te gelyk met het vocht in die klier bereit te rug gebragt wierdt (*), Derhalven is deze zaak aan een groter naarfligheit der Ontlede- ren over gelaten, De gehele borfi wort in twee holligheden door het middelfchot verdeelt, het welke voortkomt uyt zakken van H nbbenvlies y heide e. evatten<^6 •> en tegen malkander en aan gelegen, In dit e fchot waren de Ontleders gezvoon een derde holhgheit van i 6 t 6 vertonen en af te heelden. Maar Ruyfchbewees ge- RVi 5 mGt an^eren ’ dat zodanig een holte zekerlyk ver- iic t wou, en hoe veel de natuur daar van afkeerig was; toonde Y aan dooi een getrouwe hantleiding (u). Omtr ent de longen komt weinig te verhandelen voor, stlshe y, jat luchtPYP sna de wyze van een Jlagader y uytgaat / Ven en takjes. PVy verwonderen ons over de afbeelding van aezelfDe yal voorheen van EulWhius gege£* (ui) . Maar hy is ook konfiig geweefl, die deszelfs Jlam zodanig heeft weten van de ovenge vaten los te maken, gelyk men dte hy Ruyfch afgebeelt vmt (iv). In e vaatachüge long is hy Ruyfch dit aanmerkens- C 1) In het 11. tiental van Aantek. n. vu. W pp de zelfde plaats n. nx. t Xln' fi§’ van de XXVIL P]aat* w in de m. %. van de m. plaat van ’t Anat. Cabin. Verhaal van liet Leven en de Verdienden waardig, dat, longflagader (i), ader opgevalt zyn~ de (u), in heide de gevallen, longblaasjes opgevalt worden. Zulks gefchiet of door [anaftomofis] vereenigtng ; of door [diaerefis] uytfiheuring. Laat bet befluyt van H. Boerhaave, aangaande de opcne wegen , waar door de zeer dunne dampige vochten in de longaderen gaan , gelden (*n) • ende dan is de konftvanopte vallen niet te hefchuldigen j en door vereening wort het ingefpote verzonden; en met een aanhoudende, fchoon zeer matige y vloet zullen de dampige vochten van de takjes der longflagader in de blaasjes geleit worden. De vereening Jchynt men liever toe te moeten ft aan in de longflagader, als in de long ader. Wanteen flagader overtreft m deugt een ader. 7en nnnfie de mogelykheit van een bloetdpuyging is van Ruyich aangetoont (iv); maar of hy de weg voor de lucht m de longen ontdekt heeft ? zal ik niet zeggen. De dingen, welke door Ruyfch m 7 hart bekent gemaakt zyn y zo gy deszelfs ware legging, na den arhert van Vclaims en Eu- ftachins , herflelt , uytzondert ,* zien alleen op de hartoortjes. Het llinker loopt gemeenlyk flangsgewys, en eindigt in een om- gekromde punt (v). Ook hebben van een grote ader, voortko- mende van den bodem van ’t hartoortje, ende voor ’t grootfte gedeelte door ’t hart verlpreit, zekere vlezige buys van Vieuffens, alle Ontlederen , behalven Ruyfch gezwegen (vi), ten gelyk die zelfde; zsy welke ’t eerfl zo fraay Euftachius hadde af~ veheelt fvil) j fchoon ook deze gelooft wort een ander te zyn Dm). (i) Zie de mamlyfl der rariteiten; en den L brief van Malpigh. over de Long, (if) Zie de laatfte oefFéningen n. lix. (in) Inftimc. medic, J. 201. (iv) Zie de plaatzen in onze v. aantekening aangehaalt. (v) In ’t antwoort op de x. voorft. brief, en 1. n. fig. (vi) Op de zelfde plaats, en iv. fig. A. (vu) In 11. fig. van de xv. Anat. plaat; en 1. fig- van de xvr. plaat. (vin) Boerhaave Inftitut. Med. §. 183. van FREDEIUK RUYSCH. Ik meene evenwel, dat in die woorden van den aangek aaiden brief-, een wekere dwaling begrepen is : dat van de haitooitjes zodanige ader voortkomt. IVant noch Ruyfch , noch lemant anders heeft ooit zodanige ader vertoont, dewelke eindigt in t flinker hartoortje, De Goddelyke Bronmeefter heeft met een eeuwigdurende wet aan ’t bloet verboden, zonder de rechter holligheit van ’t hart aan te doen , in de flinker geftort te Worden. xi. De laatfle holte is de Buyk *, begryp daar m twee holt en s • de eene ingefloten van ’t huykvhes; de andere met het zelfde ten mmfte omringt. Van de zaken in eerfte holte begrepen, zal ik , oplettent op de verdienflen van Ruyfch , ’t eerfle fpreken, Dewyl de maag met het ge dar mie waarlyk een en dezelfde verlengde pyp is, op verfcheide plaat zen, van een verfcheide wydte • wat wonder, dat haar veele dingen gemeen overkomen ? Beide bezitten zy overvloedige rokken. De hmnenfte is de nop- pge tf/fluwele; aan welke men nopjes, tepeltjes, tochtgaatjes, nmpels, klapvliezen, en huysjes toefchryft. Dat deze een op- rechten rok is; en deszelfs klapvliezen niet anders zyn, als rim- pe s van de zelfde , langer zynde, rok \ ende dat Kerckringius geen oogluykende klapvliezen der dunne darmen , maar alleen de- ze naam in de Ontleetkunde gevoert heeft, heeft de outheit zelfs nauwkeurig geweten, ’t welk Ruyfch eemgzmts onbekentfcheen (,). en mmften dit blykt van A. Piccolhomino, H. Fabritio ende railopio (nj. Ue zenuwtepeltjes bewees Ruyfch met Heivetilis om s’eerjt, in de darmen (m). Maar de tochtgaatjes, en in de maag (iv), en in de darmen (v) zichtbaar, 53 U) üe het antwoort op den xi. voorft. brief. «c Siïïi;: * ** ~ *—» •» »• t ■ - MTi neil H* Anat' Cabin'in de 1L % van dc v. plaat. e plaat achter het antwoort op den xi. voorft. brief. Verhaal van het Leven en de Verdienden openingen van de halfopenfiaande Boerhaaviaanfche groefjes, 0f baftaartkiiertjes van Ruylch. Want hy zelfs wiert door eenhy- zondere proef geleert, dat, of hy de flagaderen van de maag, of van ’tdarmfcheil met zyne ftoffe opvulde, dezelve, m die heide gevallen, lekte of in de maag (i), of in de darmen (n). Maar het getal der darmvliezen heeft hy vermeerdert, met het blaasachtige vlies by te doen, het welke gelegen zou zyn tus- fchen het buytenfte en ’t vleezige vlies. Dat Ruyfch, in die zaak, eenigzints van de waarheit heeft afgedwaalt, raden en overtuygen ons de volgende zaken, door de hehendigheit van Bern. S iegfried A Ibinus, ontdekt. Dat het darmfcheil uyt twee platen, van ’t huykvhes voortkomende, befiaat, weten zelfs de nieuwelin- gen in de Onileetkunde. Zo gy dit met een mesje eenigzints zult gswont hehien, zult gy een blaas achtig vlies midden tuffchen die platen lopende, met Th. Warthon ende Ruyfch gewaarwor- den (mj • zyn de de zitplaats van d darmfcheilsvet. Aan zoda- nig\ darmfcheil worden de darmen vaftgemaakt. Alwaar nu het darmfcheil met den darm vaftgehegt wort • aldaar klimt des zelfs buytenfte plaat boven den darmbuys heen r ende, hyna tot de zelfde plaats wederkerende, waar van zy v and darmfcheil af gefcheiden was , is verknocht met het inwendige vlies van d darmfcheil. Al- dus hangen de darmen in d darmfcheil. Alzo komt het buytenfte vlies der darmen voort. Aldus isdvan d darmfcheils gevolglyk van het huykvhes afkomftig. Derhalven wort tuffchen deze twee flippen een zekere tujfchenplaats gevonden, en een over gang van de buytenfte darmfcheil-plaat hoven de darmen, en een wederke- ring van dezelfde, welke tuffchenplaats het blaas achtig vlies, ge- legen tuffchen de twee platen van d darmfcheif bezet. Geef nu (i) Zie het vi. Anat. Cabin. n. xxxru. (n) Zie het antw. op den xi. brief. (m) Zie het vx. Anat. Cabin. n. cxvxn. van FREDERIK RUYSCH. een kleine fnee , ter plaatze , alwaar het darmfeheu aan "t ge- darmte vaft zit , zo zal het blaarachtige vlies van °t aarmfehed eenigzmts hoven den darm uytpuylen , maar dat zal nooit dtn ge- helen darm omringen, op de wyze van een vlies. Ook is nooit de darm door z.yn gehelen omtrek vet. D êrhalven nemen wy uyt de Ontleetkunde het blaasachtige vlies van Ruy fcli weg. Dewyl nu de maag in het darmfcheil niet zit , k/kie daar de reden , waarom Ruyich gezwegen heeft van V blaasachtige vlies van de maag ? Nochtans kan het zenuw achtige vlies van de maag en dar- men door konji verandert worden in een blaarachtig vlies, volgens de leer van den zelfden Albinus (i) ■ ’t welk Ruyich nader hemt ook bereit heeft (n). Geen hyzondere zaken , of van weinig belang heeft hy m de maag, of darmen ontdekt • want de vierhoekige plaatzen van de maag, dewelke hy hefchreven heeft (m); heeft Santorinus nooit onnen zien (iv). Maar in de dunne darmen heeft hy een bv~ zon ei zooit van kuyltjes gevonden, ’t welke buyten de hol lig e en der darmen uytpuylt, gelyk als moesachtige pencelen; en- ein t wormwyze uytfteekzel een ander zoort, ’t welk vol- ome et zaat van vygen of witte flaapbollen verheelt, zodanig, at zy noopjes fchynen, geen blaasjes met holle vliesjes (v). cndddi lji de dar.men> ’t'welke onvoorzichtige Ontleden hebben g andelen > sommige hedendaag fche zich verheelt heeft hei zelvkTySJ:ZfZiZTn t€ hehhen'- dT ly‘ch J - ö len zonder gaatjes gezien (vi). Wie he- Chrifi! trn. der dunne darmen van een Menfch , door ?n de laatfte oefeningen n. wxxix. " '»• Anar Cakn. en in de iv. fig van de v. plaat (v\ In dp\?’-^ Vcrln °nr^ aanmerk. n. vi. >v.\ t" tibnef fn Soerhaave, op de r 206. blaiz. vvi;ln «et ii. Anatom. Cabinet. Verhaal van het Leven en de Verdienden geng is het net te -zien met een fraye beeltenis uyt ge drukt y 't vu elke zo naauwkeung Malpighius met woorden verklaart hadde y hy vetlive zyne oogen op de I. fig. van de v. plaat van ’t n. Anat. Cabmet. De aderen van ’t net ontlaflen zich mde mütader: waarom hier ook plaats gemaakt wort ? om van de milt te fpreken y voor zo veel Ruyfch dezelve onderzogt heeft 7 alhoewel ik y onder de voorgaande redenering over de klieren y zeer vele zaken aangaande dit y en diergelyke andere ‘ingewanden, vóórgekomen hen ,* en de kennis daar van noch onvolkomen overgebleven is, Namentlyk deszelfs blaasachtige maakzel, het vezelachtige en byna klierach- tige in heeften. Malpighius heeft het ook zodanig uyt een menfche- milt niet hefchreven. Maar Ruyfch heeft door een zeer fyne onderzoeking van een menfchemilt y dezelve ondervonden te zyn een verzameling van flagaderen, aderen , watervaten, en ze- nuwen , door de'omringende vliezen ingeftoten : maar dat de flagaderen eindigen in de gedaante van pencelen, welke klieren verbeelden. Noch dat ’er natuurlyker wyze huysjes of blaasjes zyn, maar dat 'er tegen de natuur, konncn ontftaan ronde harde knobbeltjes. Ende dat men in een kalfsmilc wel vezels moet toeftaan j maar niet in een menfchemilt (i). Rnde, dewyl de natuur in grooter dieren gewoon is dingen te laten zien y die zy weigerde m zeer kleine y daarom doorfnuffelde Ruyfch ook de milt van een Reuzinne. Doch hier verfcheen alles, als voren j gelyk de uyt muntende beeltenis van de zelve getuygt (n). Laten wy, de ader van deze milt vertrokken zynde, verge- zelfchappen tot in de lever toe y waar van de grote Ontleder ook een ander begrip gegeven heeft, kVant zommige flagaderlyke vaten heeft hy °t eerfle aan dit deel toegefchreven: waar van eemge (i) Zie het antwcort op den iv. voord, brief, en de fig. (n) In ’t vu. Anat. Cabin. n. xr. en de i. fig. van de i. plaat. van F REDER IK RU YSC H. mortquamen van ’t middelrift (»); andere wederom van de gal- blaas (u). Deze, eWi? de zeer overvloedige uitbreidingen der poortader \ de vaten van de kolader -y en de takjes van de lever- flagader maken, dat de lever bedaat uyt enkele uyteindens van vaten, op de wyze van pencelen , gefchikt, welke alle in een vlies verbonden worden (in). Hier vandaan komt het y dat de lever, door de groote flagader opgevalt, geheel vaatachtig ge- zien wort (iv). Door zodanig een eenvoudig werktuyg voort de gal in de lever hereit y ende het werkzamer door de klieren ver- dwynt, dewyl ik ook voorheen vermaant hebhe , dat het gevoele van Malpigius vervalt, noch dat evenwel de lever uyt klieren f zamengefielt wort, fchoon hy zich beroepen heeft op de klier- achtige levers van menfehen , (lekken , hagediffen , viffehen, van een hazelhaaye, aal, eikhoorntje, en van een os. Maar deze vaatachtige eindens eindigen in ’t buytenfte van de lever in ronde, gelyk als met darren doorzaaide eindens, door een wonderbaarlyke. herydmg te zien (v), en verderen met byzonder fyne vaten het vlies zelfs, ’twelk, de lever bekledende, dezelve tot een klier maakt (vi). In de Galblaas, waar toe de uyteindens der leverflagaderen zich ook uytflrekken (vu), heeft Ruyfch met een fraye figimr e gierdkliertjes, welke zyne voorgangeren ook in de fleufjes van den binnenden rok van de galblaas vertoont hadden, af- gebeelt (vin). ’ (i) In ’t antw. op den ix. voorft. brief. (n) In ’t antw. op den y. voorft. brief. (m) Zie het i. Anat. Cabinet. Civ) ln de laatfte Oeffeningen n. lxxXvi. Cv) In ’t ix. Anat. Cabinet n. lix. en iv. plaat. ln \x- Anat* CabiP- 11 CLXXXI* en v* van de m. olaat. vVHj het antw. op den v. voorft. brief. (vin) Op de zelfde plaats, in de m. fig* Verhaal van het Leven en de Verdienften xii. Buyten het hol van den onderbuyk zitten de N ieren, en alles , vu at het kekke bevat. yt Is zeer lang voor Ruyfch aan* gemerkt geweefiy dat’er zyn hairfyne vaten, dewelke, wegens hare al te groote fynheit, niet gezien konnen worden, waar door de pis tot de nieren komt. Maar de vraag was, op wat wyze dezelve in de meren gaat 5 of door een algemeen aangeno~ me behulp van de klieren; of door een ander ? De proef beflifl de zaak: Met de nierflagaderen , met een wafchachtige ftoffe, op te vullen, worden ook te gelyk opgevult de waterleidingen van Bellinus y de nierpypjes ende het bekke zelfs. Waar door Ruyfch 't eerfte ten minjlen geraden heeft (!), dat de pispypjes een aancenhangzel der nierflagaderen zyn, zonder een tuffehen- komende klier. Rnde zulks, naderhandt altydt zodanig gebeu- rende y leerde hy onderfcheidentlyker , dewyl hy zagy dat de nierflagaderen , eer zy pispypjes wierden , den kringswyzen loop veranderen in een flangswyzen (11). Na de opvulling heeft Ruyfch ook gezien weinige ronde lichamen, midden in de nier, verfchynende, waar van hy, fchoon voor geen klieren erkent hebbende, niets heeft willen vaftftellen (m), tot dat hy einde- lyk door de laatjle onderzoeking, ondervonden hadde, dat die lichamen op een byzondere wyze omgedraaide vaten zyn (iv). Hedendaagfch wort dit oordeel byna van alle go etgekeurt y uytge* nomen van die gene, dewelke in de naam van Malpighius ge- zworen hebben. °t Zelfde fielt Vieuffens vaft (v), zynde daar toe door eige proeven aangemoedigt. Want byaldien hy oprech- ie lyk gefc breven heeft, gelyk °t btllyk is van ieder een te denken y ten zy ons andere anders aanwyzen, heeft hy op de zelfde tydt (I) In ’t 11. Anat. Cabinet. (II) In ’t vi. Anat. Cabin. n. xvi. en de 1. fig. van de 1. plaat (m) Zie de plaatzen op onze 1. aantekening aangehaalt. (iv) In ’t x. Anat. Cabinet n. lxxxvi. (v) In novo vafor: fyftemate p. 140 & feq. van EREDERIK RUYSCH. naar het wonderbare maakzel der meren onderzoek gedaan, wanneer Ruyfch van den waren aart van 't zelve begon te fpre- ken (O* Dit niet tegengaande nochtans heeft Ruyfch hier we- derom geklaagt over het hem van Vieuffens ontnomene roempje van vinding (n). De werktuygen van de voorteling uyt beide de gedachten fchteten noch over om by te brengen $ hoe zvel heeft hy zich hier gedragen, om hier ook uyt te munten ? Kerft zal ik handelen van de teeldelen van den Man : van de ballen ende de roede. Dat de ballen in ’t halzakje ingefloten zyn , is niemant onhekent. Onze Ruyfch leerde daar en boven, als iets nieuws, dat het zakje, door een middelfchot, ’t welk tot noch toe niemant der Ontlederen gezien hadde, in twee delen verdeelt wort. Der- kalven heeft hy °t fchot en de vaten, laten afbeelden. Zulks ge- fchiede ïn ’t Jaar 169 j (m). Dit middelfchot heeft de gemoe- deren van de beroemde Ontledereny Ruyfch en J. J. Rau, ver- deelt, en veel fiof tot twifl verwekt, JVant dewyldeze, onder■- tuffchen, door zyn Ontle et kundige behandelingen, en hulp y welke met de hemt gefchtet, te Amfterdam in aanzien ofuam, en daarom zeer vee bemint wierdt, begon tuffchen hem en den Amflerdam- fhen Hoogleeraer allerhande yverzucht te komen. Hier door de gemoederen op malkander en ontfloken zyn de , heeft Ruyfch Rau over diefjlal befchuldigt y wegens de vinding van een zeker chi~ iTnfrC-U* werftuyg Rau, de misdaat ontkent hebbende, heeft y over t^ef betïchty -wegens de aanmerking van 't bah zakje. Byaldien men den tegenflrever geloven moet • heeft Ruyfch verkondigt, dat hy Rau voor een groot man zou hou- en 3 20 h 7 h£m een Authcur konde aanbalen , die maar een W In novo vafor : tyflemate p. 140. & feq. >“< i 1? voorloper van ’t vi. Anat. Cabinet. iiii; zae net antw. op den i. vooril. Brief. Verhaal van het Leven en de Verdienften woort van dit fchot gerept heeft (i). Rau door zodanige rede- nen bewogen zynde , heeft een brief gefchreven over de vinders van ’t middelfchot van ’t zakje; aan den zeer beroemden Heer , prederik Ruyfch, Hoogleeraar in de Ontleet- en Kruytkunde, in ’t Jaar i zeer naauTukeurur opgevalt z<\nde , heeft nooit een,ge ld,ere toegelaten, maar vaten, aan de takjes van den herffenbaft zeer gelyk, zo klein, dat er nooit in eenig in- gewant zo kleine takmakingen gevonden zyn. Rl ÏJ? v v* Ajiat. Cabin. Eu het 1, d, clv. W *n c Iv- Anat. Cabin, n. xxx. Verhaal van het Leven en de Verdienden is die flagader van de koek ? Is zy een zekere flagader aan de navelflagader verknocht ?Rn wat’er van zyn maakzel ge fielt moet wordeny zal ik gaarne van andere keren. Lees Ruyfch, aldus fchryvende (*) : Wat denkt gy, dat men moet oordelen van ’t maakzel des moerkoeksflagader ? Zulks is weinige recht bekent. Gewiffelyk is het vliezige maekzel van deze flagader in de koek zo dun, dat het een watervat fchynt te zyn, geheel zonder klapvliezen. Ik zal niet licht zeggen, wat de geftelte- nis van deze byzondere flagader , hier ter plaatze, is. Doch deze, die fcherper zien als ik, ftel ik ’t voor om te onderzoe- ken. Het binnenfte noppige bekleetzel des baarmoeders, belet- tende de onmiddelyke vafthegting met de moer en moerkoeks- vaten 5 en den wormwyzen loop der vaten in ’t binnenfte vlies van de baarmoeder , keurde VieufTens zodanig goet , dat hy de- zelve , zonder Ruyfch te noemen, in zyn nieuw geftel der vaten gehragt heeft. Deze da at heeft Ruyfch wederom euvel op geno- men (11). Ik hehhe de huysvefimg van de gafi hefchreven. Nu heeft het onvolkome fchepzeltje of onvolwaffe vrucht, waar van H aldaar leeft y waar van ’t aldaar wafi y waar van ’t aldaar een volkome vrucht worty van zyn eerfie intrede in zodanig een gevangkenis tot den laatflen dag toe , wanneer ’t dezelve vaarwel zal zeggen. ’t Is Ruyfch geweefi , die de luttele aanwaffingen van de onvol- waffe vrucht heeft konnen hefchouwen en bewaren y zo als de voor- naamfie der waarnemer en , Malpighius , voor dezen de jonge diertjes naauvjkeurig onderzocht hadde. Aldus is door Ruylch een fchat der menjchwordtng vergadert • zekerlyk , indien het een hequaam kenner voorkomt , boven alle waarde van gout te fchatten. Aldaar ziet gy fchepzeltjes y van de kleinte van een zant je af tot (i) In het 11. tiental van aantek. n. x. in) In den voorloper van ’t vi. Anat. Cabinec.. van FREDERIK RUYSCH. 69 de grootte van een vrucht die aanflonts fiaat geboren te worden, toe. Die fchat zoude m geen waardiger handen hebben konnen vallen, nis wel m die van den Keyzer y Petrus DEN GROOTE $ herfieller van alles goets • wiens doorzichtigheit , alle eeuwen, van alle tongen zal geprezen worden. Dezelve is huyden te Peters- burg; als een byzonder cieraat van de Keyzerlyke Konftkamer, wiens weerga in deJVaerelt met bekent is. Aldaar is gemakke- lyk aan te merken, op wat wyze, in vervolg vantydt, deon- volwafle fchepzeltjes dagelyks haar gedaante veranderen: Nadien in den eerften ftaat van ’t fchepzeltje gantfch geen \artus\ lede- maten te voorlchyn komen; maar naderhant puylen, op plaat- sen , alwaar de Ichouders en deyen in ’t vervolg zullen verfchy- nen, aüeenlyk kleine knobbeltjes uyt, waar uyt, lang nader- hant, defchouders, armen, handen, deyen, Ichenkels, voe- ten ontwonden worden , en voortkomen (1). Ik zelfs heb ’t zelfde gemakkelyk aangemerkt; wanneer ik zulks met myn o ogen te Pe- tersburg gezien hehbe ; welk gezicht ik als een groote vergelding van de langdurige reis gerekent hebbe. Al wie het geluk niet ge- beurt , deze zaken te zien ; hy leze de befchryvmgen, die begre- pen zyn in 7 twede Anat. Cabinet; en befchouwe met aandachtige oogen de figuren daar by gevoegt. xiii. De Ontleet- en Natuurkundige verhandeling van Ruyfch razende de fpieren,. befluyt de eerjie fioffe. Zy hehelfi weinige zaken. De opvulling in de fpierachtige zelfflandigheit van den aim gedaan zynde, zag men de walchachtige ftofFe , als een dauw , door de fpierachtige zelfflandigheit uytgaan (11). Het zelfde is ook int hart, gebragt onder het getal der fpieren,. gebeurt, wel- kers uyterfte eindens, 20 dun als dons, den doortocht van de (0 Zie ’t ir. tiental van aantekening. yii) Zie de laatfte oeffeningen n. cviu. Verhaal van het Leven en de Verdienden wafchachtige ftofFe door de fpierachtige zelfftanftigheit van’t hart toelieten, onder de gedaante van een wolkje, zonder eenige tegen- natuurlyke uytbarfting van deze ftofFe (i). Al °t welke ik met rite memng met voordragey dat Ruyfch ge- looft zoude worden meuwe zaken aldus gezegt te hebben - dewyl tk met onbewujl ben y dat J. Gottfched zulks al van te voor en ver~ flaan heeft (n) ; maar om myne medebroederen tot het ware gebruyk van deze uytwerkmg aan te moedigeny en andere van de dwaling van Gottfched (m) te bevryden. Rn wie twyjfelt y dat in een gezont men fch het vleefch uytwazemt ? maar *t ts zekery dat het hloet uyt opene vaten niet ontlafl wort. Derhalven wazemen de fpteren gefiadig een vocht uyt y dunder als ’t rode hloet. Bepaal gy nu y tot wat gebruyk ? Eyndelyk breng Ik een nieuwe fpier , waar mede Ruyfch de baarmoeder vereert heeft y te voorfchyn y van deszelfs krmg- ronde vezelen y de kringswyze fpier genaamty van den vinder he- fchreven en afgebeelt (iv). Alwaar de koek natmrlykerwyze aan de baarmoedery dat is y aan haare bodem y gehegt is $ aldaar Is deze fpier net in de baarmoeder ge groeit y op dat zy door haare vry dikke vezelen y de nageboorte afftote. In do ode lichamen van kraamvrouwen y hebbende nu ver fch gebaart y zult gy dezelve al- leen zien. Waarom y nadien men deze vrouwen zelden opent 7 deze fpier zo lang verborgen gebleven is (v). Maar my geheugt (I) In ’t vi. Anat. Cabinet n. cxxv. en ’t 1. tiental van aantek. n. vi. (II) In DifT. de circalat. Sanguinis , Cap. n. §. uit. Een geverwde lloffe in de flag- aderen van de voetgefpoten hebbende, naderhant gefcheiden , en het vlies van de fpier niet gefch on den hebbende, heeft hy hier en daar water uytgeflort gevonden. (III) Want hier uyt heeft hy bdloten, dat de aderen niet verknocht zyn met de ilagaderen; maar dat tuflchen beide een zeker lichaam geflelt wort. (iv) Zy won hef dreven in ’t n. tiental van aantek, n. x. en in de Ontleetkundige verhandeling van de fpier, in den bodem van de baarmoeder aangemerkt; waar achter ook een naaukeurige figuur gevoegt is. (v) Uyt de gemelde verhandeling van de fpier. van FREDERIK RUYSCH. 71 geen fpoor van dezelve gezien te hebben in de afbeelding van de baarmoeder uyt een kraamvrouw, van Jac. DoxxgXzSf) gegeven. Ik bekenney niet te weten y of iemant na Ruyfch deze fpier gezien heeft. Den Ontleder vertrouwende, namen zy dezelve aan; ge- lyk Boerhaave (11) ; gy noemden ze de Ruyflfchiaanfche fpier, Hecquet , van Ruyfch. te vooren aangeprezen , beredeneerde vele dmgen nopende dezelve} hebbende tot roem van den vinder, zeer vele zaken tuffchengevoegt3 A. Vaterus wenfchte zynen Meefter veel geluk met de ontdekking. Voorts y dewyl Vieuffens al voor dezen vlezige vezels in de baarmoeder ontkent hadde (111); nam Santorinus de krmgwyze fpter met aan (iv) 3 nooit heeftze L. Hei- fter gezien (v). Alhoewel een onder deze, in 3t ftuk van een Ont~ leetkundig bewys geen enkele Ontleetkundige vertoning m afgezon* derde brieven gebruykende, heeft zyn ouden Meefter menigmaal tot gedurige klachten geperft (vi). De Oude Man wortgezegt ein- delyk zyne dwaling herroepen te hebben (vlij. xiv. Zo vele en zo groote vindingen van Ruyfch hebbe ikop~ getelt, dat een fmenfchen leeftydt daar door alleen verfleten ge- houden kan worden. Rn indien ik hy de gemelde mets byvoegen wilde, of konde 3 echter zoude de naam van Ruyfch altydt beroemt blyven. IVant hoe vele Ontleder en fcheiden van deze IVaerelt 3 die niets tot de grondigfte kennis van °t menfchelyke lichaam hebben toegebragt ? Maar hy heeft ook zeer zeltzame ziekelyke gefteïte- mjfen uyt de daode lichamen aangetekent y en zich volkomen als een Geneesheer betoont. Zulks getuygen alleen de Ontleet- en (I) Philof. Transaft. No. 308. (II) Inftit.. medicae. §. 685. (hi) Op de voornoemde plaats p. 14, 16. (Iv) Op de aangehaalde plaats, Cap. xi. §. x. (v) Obferv. 11. Inter obfervat. nufeel!. prafticas.. (vi) Bohlius in gemelde brief. (vu); Op de zelfde plaats. Verhaal van het Leven en de Verdienden Heelkundige Aanmerkingen. Waarom ik y dewylmet uytgebrek of door fchaarsheit van te verhandele zaken, maar kever door der- zelve groote overvloet overrompelt worde, alleen de zeltzamer y en die tk hy zonder nuttig geoordeelt hehhey zal byhrengeny zul- lende aldus de tzveede fiojfe van myne Verhandeling afdoen, xv. Ik ga weder te rug tot de beenderen. Waar omtrent gy de volgende zaken , of zeltzaam , of nuttig zult aanmerken. Ruyfch heeft zomtyts het borftbeen (’t welk zelden, of nooit, gezien is) uyt elf beentjes t’zamengeftelt gezien (’•) ; en in een meisje dertien ribbens (n). Hy heeft zomtyts in een onvoldrage kint de gehoor-beendertjes zeer verwart, en buyten fchikking aan malkanderen vereen igt, gevonden; van welke verwar de vereeni- ging hy voorzichtiglyk de doof heit aan die kant voorzeide, in- dien het kindt levendig ter Waerelt gekomen was (m). Noch- tans wilde tk liever, dat dde verwarring bep aaider van den waar- nemer uytgedrukt was geweeft. In ’t doode lichaam van een ge- bochelde heeft hy zeven wervelbeenderen van den rug, door t’za- mengroeying vereenigt, en zodanig tot een kring omgekromt, gevonden, dat het lichaam van ’t bovenfle wervelbeen met het lichaam van ’t onderfte tot malkanderen gevoegt was (iv). Maar wat komt het ruggemerg over ? Wvt de groote Jlagader 1 Wy ont- beren noch een naauzvkeurige natuur en ziektekundige befchry- ving van gebochelde menfehen, m dewelke de groote Jlagader zelfs evenwydtg en gehochelt de kromte van den ruggegraat nabootfl. Onder die geney dewelke over de zeltzamer, enmoeyelykeruyt- leeding van ’c deybeen uyt de pan van ’t heupenbeen, doch een (i) In de naamlyfl der rariteyten van Ruyfch. (n) In de i. aanmerking op ’t iv. hoofcft. achter de ontdekking der klapvliezen in de watervaten. (m) In ’t vin. Cabinet n. 6. in de i. aanmerking. (iv) In de lxvii. Ontleet- en Heelkundige aanmerking. Diergelyk keji gy in de philof. transaft. num. 215. van FREDERIK RÜYSCH. lichter, ende daar door menigermalen voorvallende beenbreuk van deszelfs hals, gefchreven hehhen, is zonder twyffel Ruyfch geweefl. Na hem , brengen wy met anderen by, die voorname Hantkpnft-oeffenaren, Rau en Chefelden. In beide de gevallen, volgt een kreupelheit. Diergelyke uytleedmg, uytwen- oorzaak verwekt y is mogelyk van memant gezien: Zekerlyk is zy van Ruyfch niet gezien. Dit quaat beletten veylige wach- ters j de [mufculi vafti] wytuytgeflrekte fpieren, deze plaats om- ringende , ende de banden y het by zonder e kdt van alle kanten be- fchermende. Hoewel dit gebrek meermaals gebeurt van een toe- vloet der vochten. Dog het hooft van ’t dyebeen, beftaande uyt een beenige fponsagtige zelfftandigheit, gelyk als het tufTchen- fcheitzel van de herflenpan 3 welke een zeer dun beenig plaatje bedekt, breekt zeer gemakkelyk. Hierom heeft Ruyfch in dode lichamen van kreupele menfchen nu gevonden (i) den hals van ’t dyebeen tot niets verbryzelt \ dan in plaats van ’t zelve , geheel gebrekende \ verfcheide harde, dikke, ronde banden, door wel- kers hulp , het hooft van ’t dyebeen aan deszelfs bovenfte gedeelte vaftgegroeit was (n). Ik oordeele dit wonderbaarlyker, en ikben. ook van gedachten met Ruyfch y van memant aangemerkt te zyn y dat de beweegbare kraakbeenderen, dewelke geplaatft worden tuffehen de eindens der litsgewys t’zamengevoegde beenderen; gelyk tuffehen beide de kaken • in H lidt van de knie y zomtyds geheel gebreken (m). Of dit gebrek toe te fchryven ts aan een quade gefchap ent heit ? een zekere ziekte ? IDelke ven/chyn— zelen daar by gepaart gaan ? Het fmert my, dat waarlyk een zeer gewigtige zaak niet verder van den anderzints naauwkeurigen Ruyfch aangeraakt is% Laten wy den Aanmerker over ’t fcheen- 0) In ’t vm. Anat. Cabin. n. cm- Zie ook het ix. Anat. Cabin. n. xuv. (n) In ’t ix. Anat. Cabin. n. lxxiv. in de i. fig, van de i, plaat. (m) In ’t m, tiental van Aantek. n. ix. Verhaal van het Leven en de Verdienden been vragen. Het zelve door [caries] bederf uytgegeten zynde , is een groot, hol en ront ftuk uy teen verouderde holligheit van’t bederf uytgepuylt. Want het fcheenbeen heeft zo wel als het bek- keneel twee platen, en in ’t midden het tuffchenfcheitzel ; waar- om, het tuflchenfcheitzel uy tgegeten zynde door de etter , de laatfte plaat, in de gedaante van een py p , van de natuur is uy tge- ftoten (*). Zie hier ook een ft aaltje van op de Sny kamer van Lei- den (n). Ja ook is zomtyds het fcheenbeen zonder holte gevon- den, gelykerwys zomtyds de herfTenpan zonder tiiffchenfcheitzel is (in). Maar dat ’er geraamtens van wormen, van verfcheide, en wel driederlei zoort, in ’t middenfcheitzel der beenderen, in de holligheden van ’t dyebeen, van ’t fchouderbeen van bejaarde menfcben, en ’t been van een klein kintje , in acht onderfcheide beenderen , gevonden zyn, zulks gaat alle reden te hoven. Door wat weg deze gaft en in ongefchonde beenderen, met geen fcheurtjes doorhoort, onbedorven, ingaan, heeft Ruyfch niet beflift. R uyfch flelde vajl, dat de zeer fcherpe pyn, door het binnenfte der beende- ren omzwervende, alwaar geen vermoede yof teken van Spaanfche pokken is, afhangt van wormen, de beenderen knagende, moeten- de door quikzilver gedoot worden, die hy ook meent menigmalen daar mede gedoot te hebben (iv). Op welke wyze de Quik, de wor- men doot y zal ik hier niet betwiften. Dog de darmworme ft erve door de overgrote zwaarte van dn lichaam getroffen ; het zelve nogtans , door meer omwegen gevoert, en in de kle'me vaten door een zwakker kracht voort gefloten, zal ook den vy and met weinigft er kt etreffen , en met een klein lichaam aantaften. IVy worden door diergelyke aanmerkingen overtuygt y dat3er geheimen van de naPuur zyn yna (i) In ’t vni. Anatom. Cabin. n. g. en 2. en 4. fig. van de m. plaat. (11) Zie B.S.yllbim Regifter van’t Anatomifch Huisraad van Rau, zoteLeyde gedrukt, pag. 13, 14.. fni) In ’t 11. Anatomifch Cabinet, pag. 554. (iv) In ’t ui. tiental van Aantek. n. 6. van FREDERIK RUYSCH. langen tydt eindelyk te ontdekken: en dat een zegelyk zo veelte meer m wysheit vorderty hoe meerhy begrypt, dat hy de verborgenthe* den van de natuur onhewuji is. Zekerlyk zs ser naauwlyks een deel 'zn 't Izchaam y waar in geen worm gevonden zs. Z eer dzkwyls huys-* vejien de wormen zn fchapenherffenen. IVte, verwondert zich niet y dat van Ruylch wormen gezien zyn met de pzs uytgelofl y zynde een dag daar na in vlieg jes verandert. XVI. Laten wy de zeltzaamheden van Ruylch omtrent het men* fchenvleefch onderzoeken. Hy heeft eens in een doot lichaam drie pyramidaalswyze fpieren gezien (i). Maar nademaal een zekere betrekking, tuffchen de pyramidaalswyze fpieren, of beide yof een van beidey of tegenwoordig, of afwezent y tot de regie fpieren zelfs van de huyk y volgens de leer van J. C. Arantius, waargenomen wort; heeft men reden zich te beklagen over de nalatigheit van den Ontleder y omtrent de niet aangemerkte Jiaat der regie fpieren y en de plaat zing y welke de bykomflige fpzer gehadt hadde. Ik voegser by een wonderbaarlyke aanmerking van Ruylch , welke ik waarlyk nzet we ete ergens aan toe te fchryven y of waar heen te wenden. Zy befiaat in een ontbreking van de huyt y en van d grootfle gedeelte der voorfle fpzeren van de buyk zn verfch geborene y alwaar de darmen nu na buyten uytpuylen y zynde gedekt met een dun vlzefch y dan zyn berooft van alle bedekzelen (n). Wien bekent is > dat het vleefch van de natuur alleen y nooit van een Geneesheer y voortgehragt kan worden ,* PVte verftaat y dat den omloop van H bloet door de moe* wanden van de buyk rücv,gelukkig volhragt kan worden , ten zy den huyk gejloten zs; die zal oor deden y dat het einde van een kort leven aanjionts zodanige elendige zieke boven ’t hooft moet hangen. xvn. Ik begeve my tot die zeltzaamheden te verhalen y dewelke y omtrent allerlei vaten hadde waargenomen. Met alle ftilzwy- (i) In ’t iv. Anat. Cabin. n. lxxxiii. 00 de lxxi. en lxxiii. Ontl. en Heelk. Aanmerk. Verhaal van het Leven en de Verdienden gentheït kan ik niet voorbygaan die van Ruyfch aangemerkte on- telbare witte , vervulde , en een dunne borftels dikte vaatjes; zynde nog melk; nog bloet; nog watervaten ; dewelke, in ’t dode lichaam van een vrouw, van een qualyk gefielde en met etter zeer vervulde nier tot den flinker bovenbuyk ftrekten. zy eindigden, is niet toegei aten naauwkeurig genoeg te onderzoeken. Hy geloofde, dat deze waren holle vezelen, die de vliezen maken, welke de pisleiders aan de lendenen vaftbmden, Hy hoopte, dat zodanige aanmerkingen op haar tydt mogelyk die onbekende wegen zullen bepalen , waar door de drank , zonder het hart aan te doen, zoude konne geraken of tot de nieren , of tot de pisleiders, of tot de blaas (i). Laten wy acht geven op de bloetvoerende vaten. Ik vinde noch- tans omtrent het bloet zaken ,' dewelke verdienen bygebragt te worden, in de oeffening der Geneeskunde zeer nuttig. Twee aan- merkingen van Ruyfch breng tk op de baan. In een Vrouw- menfch van twintig Jaren hadde een vlies den uytgang der maant- ftonden belet, verftoppende de plaatzen, dewelke natuurlykenvyze den doortocht toelaten: maar een opening gemaakt zynde, is ’t bloet met gevvelt tot vier ponden uytgeborften, geenzints geftolt, veel minder verrot , maar zwartagtig (u). Hier uit vloeit een pracltcale voorflelling in de oefening der Geneeskundehet bloet, buyten de vaten ge fort, kan langdurig in een hefloten plaats onbe- dorven blyven. Derhalven kan ook op deze wyze een voorflelling, gewifelyk ook ergens anders zekery bewezen worden: het bloet, m’t hooft uytgeftort zynde, maakt of een beroertheit, of de doot y alleen door zwaarte, of op het voor of op het achterbrein. De an- dere aanmerking is de volgende: Onder het wegnemen van de milt (i) In de xciv. Ontleet-en Heelk. Aanmerk. in detxxv. fig. lett. cccc, vergelyk deze met de iv. Aantek. van ’t n. tiental van Ontleet* en Heelk, Aantek. (n) In de xxxii. Ontleet- en Heelk. Aanmerk, van FREDERIK RUYSCH. uyt een hont > heeft de milt-flagader , niet gebonden zynde, bloet in den buyk nedergeftort, ende het dier, den bayk toegenaait zynde, heeft zich naderhant wel bevonden (»). Waar door een Zwaar wigtige voorftelling is bewezen geweefl: Ren wem tg bloet ? uyt een ingewant, waar van het leven met afhangt, ge fort zynde in zekere holligheit , alwaar geen weg voor de lucht open ftaat brengt zo vele fchade niet by, als men wel meent. Ook met minde is ten tw ede gebleken: dat'er in den buyk aderen zyn ? dewelke de dampige vochten opflorpen. Want dat het bloet tot eenwey onthande, is geweefly is klaarhlykelyk • zynde tot de op florp mg met zeer onhe- qtiuam, voornamentlyk geflooft zynde door de warmte van den buyk. Rat de blo etv oer ende flagaderen, op verfcheide plaatzen van 't lichaam, en voornamentlyk mde nabuurfchap van V hart, in heen veranderen jis een zeer gemene zaak. Doch veel zeltzamer tn de aderen gebeurende. Van een beenachtige poort ader wort by Riiyfch tweemaal gewag gemaakt. Wel eens in een Vrouw, waarin de vaten bezwaarlyker beenig worden, ten zy zy gantfeh oudt wort, en wel in een waterzugtige , is de poortader voor een gedeelte beenagtig gevonden. Deszelfs buykvlies was op verfcheide plaat- zen , met harde deeltjes , als zantjes , befproeit (n). Ik ontkenne ook met, dat de ader een beemge geflehems verkregen heeft door een tering en vermagering van V lichaam. De zydelyke vaten na- mentlyk, zyn rn de rokken van de gemelde ader met haar vocht y door de wechgevoerde dunder vochten, ende door haar fldflant uyt gC droogt, aan malkander en lnt andere voorbee/t van een beenige poortader is geen omflandigheit bygevoegt Kan dit dienen omtebevefligen y dat de natuur van de poortader een flagader gelyk is ? (I) In de rxvi. Ontleet- en Heelk. Aanmerk. (II) In de ixx. Ontleet- en Heelk. Aanmerk. (in) In ’t vm. Anatom. Cabin. n. lviii. Verhaal van het Leven en de Verdienften De Waterzuchtigheit, welke dikmaals in de vaten zit 3 ver- eifcht hier met recht een plaats voor zich , voornamentlyk om dat men door de fcherpzmmgheit van Ruyfch in de grondige kennis van dezelve veelgevordert is. Hy Jlelde de oorzaak van ’t huykwet- ter , en ' t water door51 gehele lichaam y als mede van alle water- zucht , voornamentlyk rn de zwakheit en quade gejieltenis van de uyt erft e eindens der vaten y fchoon hy met ontkent heeft, dat ook de geharjïe watervaten dezelfde ziekte dikmaah vóórtbrengen (i). Ik bekenne openhartig y da t die zwakheit 5 en quade gejieltenis y my zeer duyfter is y en ook op geen plaats hy Ruyfch gevonden wort, alwaar hy dezelve verklaart. Hy heeft bepaalt, dat de water- blaasjes , dewelke een zoorc van waterzucht zyn, vaatjes zyn, voornamentlyk bloetvaten, vol met wey ; fchoon hy toegejlemt heeft y dat andere vaten ook konnen verandert worden in 'water- blaasjes (n). Welke bepaling aan het oog van een legelyk hart voorkomt. Dat belletjes vaten zyn !Ik roere dit beruchte bewys aan y en hyna het krachtigfte van alle, voor het kltenge maakzel van de ingewanden. Om dat de gehele lever, in ’t dode lichaam van een waterzuchtige, uyt waterblaasjes t’zamengeftelt was (mj; gelyk ’t ook overgekomen is aan de netwyze vlegting (iv); en de nieren, welkers waterblaasjes geborften zynde, druypt het wa- ter in den buyk (v). Alsmede van de moerkoek (vi) 5 Derhal- ven moeten de lever , netwyze vlegting, nieren , moerkoek, in (laat van gezontheit, befiaan uyt zekere blaasjes of kliertjes 3 nu (1) In ’t Antwoort op den xn. Voorftell. Brief, en’t 11. tiental van Ondeet-en Heelk. Aantek. n. n. (n) In ’t Antwoort op den xn. Voorftell Brief. (in) Op dezelfde plaats. (iv) Op dezelfde plaats. (v) Uyt den Brief van Mont. Zie het Journal des Scavans van’t laar 1700. op de (556. bladz. (vi) In de xxxiii. Ontleet-en Heelk. Aanmerk. in de 34. en 35. fig. als ookin’t vi. Anat. Cabin. n. cxv. van FREDERIK RUYSCH. 79 door H water verwijdert ende zichtbaar y welke waterblaasjes zyn. Waarom een Waterblaasje is een blaasje van de vermeerdering van ’t jïilflaande water y tot een groter belletje uyt gezet. Ruyfch zelfs redeneerde voor dezen niet anders (‘). Maar toen hy eindelyk y door een gelukkige wfpuyting, gelyk ge zegt is, ondervonden hadde y dat de lever, de netwyze vlegting, de nieren en mcerkoek, zo groot als zy zyn y uyt loutere vaten gemaakt worden, ende wel dac de moerkoek van alle watervaten , en [_follicuü lymphatici] water- blaasjes verdoken is; ald welke nochtans de vermetelheit van zom- mige hedendaagfche Natuurhefchryvers y om de zvaterbelletjes ge- makkelyker te verklaren , in de moerkoek vafigefielt haddey konde hy vafl genoeg befluyten y dat de waterblaasjes vaatjes zyn y voor- namentlyk bloetvaatjes y met wey opgevult. Maar deze leer 7 aan- gaande het vaat achtige maakzel der ingewanden y en de natuur der waterblaasjes y wierdt eeniger mat en twyjfelagtig gemaakt; Want onderjlel de uytvlucht van de anderen door te gaan • dat y door een geweldige opvulling y het tuffchenheide zynde vliezige blaasje ge- drukt wort y of ook zyn figuur verlaat y zo dat het onder fchyn van niet opgevult te zyn , neervalt j want m alle delen van d lichaam worden onopgevulde deeltjes gevonden : dan volgt geen zints y dat de waterblaasjes bloetvaatjes zyn y vol van wey r nadien zy dan ook konnen zyn uytgefpanne blaasjes. Waarom y op dat gy in H gevoelen van Ruyfch zeer verf er kt wort, ik U bidde , overweeg de zeer zeltzame aanmerking van Ruyfch , welke de tegenflre- vers fchynen verzuymt te hebben , dat de gehele lever, zo groot als dezelve was, in’t dode lichaam van een waterzuchtige, uyt (1) Be plaats uyt de gemelde xxxm. Aanmerk. verdient opgefchreven te worden : Wie zou zich konnen verbeelden, dat de waterblaasjes uytbreidingen van vaten zyn ? Want dan zouden de groctlle waterblaasjes gevenden worden omtrent het midden van de moerkoek ; maar nu zyn zy zonder eenige fchikking , groter en kleinder onder malkanderen. Behalvendit, heb ik aangemerkt, dat die vaten vernietigt worden, zo dat’er geen takje cverbiyß Verhaal van het Leven cn de Verdienden 'waterblaasjes t’zamengeftelt, gevonden was; zynde zelfs geen kenteken van grote vaten overgebleven (i). Derhalven zyn de vyf grote takken van de poortader • drie van de holader ■ en tak- ken van de lever-flagader y volgens de aanmerking eerfl van J. C. Pechlinus, daar na van A. F. Walther de zaak tot volkomenhett brengende y ruym genoeg zynde, verandert geweefl mzvat er blaas- jes, Hierom konnen de groter hloetvaten in waterblaasjes verandert worden. Derhalven veel lichter de kleine. Nu , ’t zy dat de Ruyffchiaanfche verklaring , cm deze verandering van vaten in \waterblaasjes te verflaan, voldoet, of met, waar door hy vaftge- ftelt heeft, dat den blaasagtigen rok der vaten met een wateragtig vocht vervult, en de hoüigheit der vaten zodanig gedrukt wort, dat er niets van de holligheit overblyft, en dat dus niet alleen de kleinder, maar ook de groter vaten vernietigt worden (11)5 is’t genoeg, dat de voorflellmg van de ondervinding zo zeker gemaakt is y als ’t gene zeer zeker is. De in tween gefplete ruggegraat, niet heel naauwkeurig van . Tulpius , maar beter van Ruylch befchreven, is liever een uyt~ werking van een ziekte, als een ziekte zelfs, welke de naam aan pt ongemak zoude hebbe konnen geven. De zelfde ziekte, welke de herff 'enen der kinderen tot water verandert, en de naden van malkander en affcheit, toont ook het water in verfch gehore kin- deren , in de plaats van ’t ruggemerg; verdeelt het wervelbeen , omtrent zyn doornagtig uytfteekzel 5 zy komt in den rug of in de lendenen veelty ts 5 zeltzamer in den nek; en zeer zelden in ’t onderfte en uytwendigfte gedeelte van ’t heylig been (111). Gely~ kerwys de waterzuchügheit der herjfenen in de Kinderen van een ver- keerde plaatzing der zelver in de baarmoeder , wanneer y haar (I) ’c L Anatomifch Cabinet. (II) In t vi. Anat. Cabin. n. civ. (III) In de xxxiv. en xxxvi. Ontleet- en Heelk. Aanmerk. *aa FREDERIK RUYSCH. hooft lager leggende, op die plaat zen y het water fiilflaat, moet afgekit worden; aldus oordeek ik dat iets diergelyks moet gezegt worden van de waterzuchtigheit van den mggegraat. xvm. 7 Zal ook niet verdrieten overwogen te hebben de aan* tnerkingen, dewelke Ruylch omtrent de ziekelyke ingewanden ons heeft nagelaten. Ik vinde in de horfl een zeltzame en dubbelde Van hem aan ons bekent gemaakte oorzaak van een byna in 7 geheel belette ademhaling; welkey om dat zy over 7 hooft fchynt gezien te zyn , my lufl te verhalen. In drie menfchen y met [Ortophncea] een zware aamhorfligheit gequelt y na haar overly* den der zelver longen onderzogt zynde , hebben vele verftopte longblaasjes vertoont; waar door de nieuwe lucht nog in dezelve konde ingaan, noch de ingeflote daar uytgaan (i). Verbeet Uy dat alle longblaasjes in een ogenblik verftopt worden j ende gy zult door dezelfde onderzoeking zekerlyk vafijiellen y dat het dier ter neder vallen zal, Hoe meer derhalven of minder blaasjes ver- flopt worden \ hoe groter of kleinder helling tot den doot in 7 dier ontfiaat, Ende, na myn oordeel y maakt een oprechte longont* fieking in zodanige menfchen een einde van 7 leven, zynde het kloet in de placttzen van de longen} alwaar die blaasjes verfiopt zyn y eerfi fzamengehoopt, nademaal het bloet van dezelve uyt~ gefpamen , nooit nedervallende blaasjes y niet tot in de linker hok ligheitvan 7 hart voortgedreven wort. Gaarne nochtans wenfchte gy te weten y welk lichaam die blaasjes verfiopt heeft 7 Jjje andere oorzaak is een belette toevloet van ’t bloet tot de long door de klapvliezen van ’t hart, by den uytgang van de grote flagader gelegen, zo zeer mismaakt, aan malkanderen ge* groeit, ende, ’t welk te wonder is om te zeggen, zo beenag* geworden, dat er geen bloet meer in ’t lichaam heeft konnen komen (n), Hier door is wegens flaauwte de doodt ontfaan. (i) Ia de xïx. en xxi. Ontl. en Heelk. Aanmerk. in de xx. en xxi. fig. (u) In de txix. gemelde Aanmerk. in de lvh. fig. Verhaal van het Leven en de Verdienden Het net houdt het verdikte vet vaji y °t welke op een zonderlinge 'uuyze y het dierlyke lichaam kan doden*- Ruylch toonde aan y dat het vet een oprechte olie is. Schoon die nu vfoor een beweeglijk dier zeer heilzaam is: hoe veel gevaar nochtans daar van een vet lichaam hoven 't hooft hangt y is uyt de volgende waarneming te leer en: In den buyk van een paart, na ’t hardt lopen geftorven, geopent zynde, is deszelfs gehele holligheit vol met gefmolte olie gevon- den (ij. Door zo grote warmte de goede olie gefmolten y engeroert y de huysjes van °t net gehorflen zynde y hadde den doot toegebragt y niet door een drukking y maar door zyn weder injlorpmg in de aderen y dezelve verfloppende. De voetzelweg yis y ten allen tyden, aan- gemerkt als een riool van verfcheide quaalen. Dezelfde heeft aan Ruyfch wonderbaarlyke zaken zomtyts vertoont. In een vrouw, by haar leven gequelc met een hontshonger, is de poertier van de maag zodanig gerekt geweeft, dat hy alle de vingeren , by mal- kanderen gevoegt, ingelaten heeft (n). De fpys dan in de maag gekomen zynde y is zonder ooit daar in te vertoeveny uyt de zelve onverieert y als uyt een zak y in de darmen gevallen; terwyl het nooit verteerde vocht van de maag altydt deszelfs vezelen prikkelde, In zvmmige zeer gulzige menfehen hebben eenige de maag in de lin- ker bovenbuykszyde ontdekt y geheel en al waterpas gelegen. Deze twee aanmerkingen y wat de zaak aangaat y zyn de zelfde; de eene wort door de andere klaarblykelyker gemaakt, In den omgewonden darm is een byzonder vertrekje aan te merken, het zelfde dikmaals overkomende (m), gy zoudt het [aneurifma inteftini] een darm- fpat noemen y in welkers uyterfte zomtyts blaasjes gezien worden y die fpeldekopjes verbeelden (iv). In den endeldarm is een lelyke en yjfelyke ziekte befchreven y alwaar y dezelve verdikt, enkraakbe- (i) In ’c Antw. aan H. Boerhaave op de iscj.bladz, (ii) In de lsiv. Omleet- en Heelk. Aanmerk. (in) In de m. fig. van de Naamiyfl der Rariceyten van Ruyfch. (iv) In de 2. en 3. fig. van de iv. plaat van ’t vu. Cabinet. van FREDERIK RUYSCH. nig geworden zyndc, de drek, fchoon gedrukt, naauwlyks uyt> tocht vint; zo dat men zo welmoet danken voor een gelukkige omw lafiing, als 'inneming van fpys en drank (i). Omtrent die quellmg, deflerveltngen zo zeer pynigende, en dikmaals om ’t leven brengen- de, Ontfermt uw myner genaamt , heeft de vlyt van Ruyfch ge- wilt, dat de Geneesheeren zeer bezorgt zoude zyn. Onder andere oorzaken van dezelve erkent hy die zeer menigvuldig, een infehie- ting van den cenen in den anderen darm. Alhoewel ’t my ook ge- heugt 7 in ’t dode lichaam van een menfeh, door een fchielyks doot, gelyk zy zeiden, overleden, gedeeltens van den omgewonden darmy met een zeer vafle knoop onder malkanderen fzamengehonden , los- gemaakt te hebben. De zelfde infchieting van den darm binne- zvaarts, heeft hy niet alleen op vier of vyf plaatzen in een en ’t zelf- de lyk gevonden, maar ook in zeer vele lyken, ja in drie, achter een geopent (n), zomtyts in vier (m). Dezelfde heeft hy ook gezien in den kronkeldarm, en, ’t welkgantfeh om te verbazen isy in ’t dode lichaam van een verfch gehore kint (iv), Derhalven pajl het een Geneesheer omzichtig te zyn, en dikmaals de ziekte te ver- moeden, op dat de af te weere doot mogelyk hem niet ervare van de ziekte maakt, Diteenige voeg ik 'er bywanneer deze quaal van een wint ontftaan is, dat, inplaatze vaneen rontje, twee klap- vliezen in den kronkeldarm gezien worden (v). Welk verfchynzel fchynt over een te flemmen met het ware , noch met hefchreve, ma aks* el van die klapvlies, Ruyfch heeft maar eens m den gehelen levensloop , terwyl hy de denecskorijt geoejfent heeft, gezien , dat de darmen, natuurlyker wyze aan ’t darmfeheil gehegt, ’t zelve door een ettergezwel verrot zynde, van hare fcheilbanden los ge- (0 In de xcvi. Ontleet- en Heelk. Aanmerk. (n) In ’t x. Anat. Cabin. n. lxii. (iii) In ’t in. tiental van Aantek. n. v. (iv) Op de zelfde plaats. (y) In de laatfte Oeffeningen n. clxvi. Verhaal van het Leven en de Verdienften maakt, ongebonde en verwart in den buyk gedobbert hebben * terwyl een zodanig geftelt menfch dit niet tegenftaande, fchoon wel voor een korten tyt, in ’t leven is gebleven (i). Alhoewel deze uytgang van ’t leven met aan de uitwerkzelen van de aldus ongehonde darmen fchjnt toegefchreven te moeten worden * als liever aan een vertering van ’t darmfcheil, Dat de galblaas, geplaatfl tegen ’t hol van de lever, een pyp uytzent 7 ts by alle bekent 7 maar ’t wort zeltzamer verhaalt 7 fchoon zulks in koeyen voornamentlyk en kal- veren menigmaal gebeurt > dat die in tweën gefpleten gevonden wort. Maar een dubbelde galblaas , dat is , die een dubbelde pyp heefc, heeft Ruyfch wel verfcheydemalen konnen waarnemen (n). Hoewel Malpighius alvorens vermaant heeft } dat de levergalpyp uyt de leverquabben dtkmaals verdubbelt in honden voorkomt. In ’t gebiedt van de milt oordeel ik zeltzaam de baftaartmilten,by de milt gelegen, na deze volkome gelykende, welke hare takken van de miltvaten verkrygen (mj. Houden zy zich zo omtrent de milt9 als de holronde klier zich hout omtrent de bovenfle kaakheenklier * waar op zy zit ? Maar wy hebben de milt uyt de lyfi der klieren gefchrapt. Mogelyk zyn zy veelvuldige milten. Wint andere heb- ben nu twee ynu drie * dan vier milten aangemerkt. Om gantfch niets van de Nieren te fpreken *in welkers vorming zeltzamer is een fiantvaftige natuur te zien 7 als een onbefiendige \ weet, dat met twee voorbeelden van Ruyfch aangetoont is, een ongelykheit van de oppervlakte der nieren, tzamengevoegt uyt harde ftukjes, ma- kende daar ter plaatze pynen als van een fteen in de nieren (iv). Zie ook diergelyke aanmerking by Ruyfch , echter zonder eenig verhaal van toevallen (v) 5 Ja ook andere wonderbaarlyke zaken (i) In ’t n. tiental van Aantek. n. iv. (11) In de xc. Ontleet- en Heelk. Aanmerk.. (ui) Op de zelfde plaats in de u. Aanmerk. (iy) In ’t 1. tiental van Ontleet- en Heelk. Aantek. n* IX* (v) In de xxc, Ontleet-en Heelk. Aanmerk». van FREDERIK RUYSCH. omtrent de meren y aan Eudachius zelfs niet verfchenen. Byaldien zeker de el van een dier in 't verwijderde huykvhes ontfangen wort % zegt men een Breuk tegenwoordig te zyn. Derhalven op welke plaats het buykvlies de uytfpanning minder tegen/laat , en te gelyk een deel tegenwoordig is, welke wyken kan • aldaar is ook de plaats voor een breuk. Het lichaam , in de breuk ontfangen wordende , brengt een byzondere naam aan ’t ongemak mede. Rn de zoorten Van deze breuk heeft Ruy fch vermeerdert. Rees hy den z elven van eenmilts, baarmoeder, vracht ende blaasbreuk (•), waarvan alle andere Schryvers ftilzwygen. Maar een Blaasbreuk is een zaak zo naauwkeung, als aanmerkelyk in de oeffening der Ge~ neeskonfi. De Pisblaas valt m’t balzak je , en het water zal uyt de zelve, fch oon zeer vol zyn de , ook met ontlafi worden , ten zy gy met de hant het zakje zult gedrukt hebben y door welke uytwen- dige drukking , gepaart gaande met een poging van ontlafi mg , zy geheel ontlafi wort (n). Ren woort zal ik’ er hydoen van twee an~ dere ziekt ens van de blaas , om dat ik dezelve zeer hy zon der oor- deele. De eene is een inwendige fchurft van de blaas, eenige ma- len van Ruy fch aangemerkt, waar by een geweldiger pyn, en veel- vuldiger perfling om te wateren , een ontlading van etterige pis, en een grote verdikking van de blaas , volgens den aart van de ziek• te, en ongefelde plaats, gevoegt worden (m). De andere is een ontlading van deszelfs binnende vlies, eens van Ruy fch gezien, terwyl in een kraamvrouw, na ’t langdurig ophouden van ’t water, Cn na een voor afgegaane ontfteking , die rok verdorven zynde , van de overige afgefcheyden was (iv). Maar de verklaring van konfiwoort y van een vadgegroeide deen aan de blaas; en ’t gevoe- len y aangaande een byna nooit aangemerkte deen tuffehen de v 1) In ’t ii. tiental van Aanteken. n. ix. (n) In de xcviii. Ontleet- en Heelk. Aanmerk. (m) In de lxxviii. Aanmerk. in de lxii. fig. m In ’t ii. tiental vaQ OntkenHeelk. Aantek. n. ix. in de i. fig. van de n. plaat. Verhaal van het Leven en de Verdienden rokken van de blaas; 5t welk men beide hy Ruyfch leeft (i); oordeele ik dat nog de Steenfnyders behaagt, nog met de ervarentheit over- eenkomt. QewijJ'elyk , het droevige nootlot van], Cafaubonus we- derfpreekt zulks genoeg (u). Ruyfch, die aldus dagelykftch door de ondervinding vorderde, en in een geftadige o?itleding van allerlei zoort van dode lichamen be- zig was ,is ook waardig geoordeelt yom ’t eerde in de grote dadt Amderdam ten diende der Vroetvrouwen leffen te geven (m) 5 waar door ’t niet te verwonderen is, dat 'er zeer vele zaken door Ruyfch ontdekt zyn , die in harende vrouwen te pas komen , en een voortrejfelyke nuttigheit konnen hebben j voornamentlyk, nademaal hy zelfs, eenige Jaren lang het Vroetmeeders ampt altydt en zeer menigvuldiggeoeffent heeft. Behalven die twee ronde banden, heeft hy met een zeltzamen uytjlag aangemerkt y noch een zekere derde bant, ter zyde van den hals der baarmoeder uytgaande (iv). Dat de baarmoeder, dewelke omgekeert zynde, in ’t baren eerder voort voort getrokken , als nedervalt, ook niet omgekeert zynde, dat is, in haar natuurlyken ftant, kan uytvallen, toonde hy aan met een dubbelde waarneming (v). Omtrent het getal van de moer- koek in een vermenigvuldigde vrucht, meene tk, dat Ruyfch niets anders ter nedergeftelt heeft, als andere voorganger en. Want ’t ge- ne andere al lang hebben openbaar gemaakt, en met figuren af ge- heelt ? hy voorheek, dat er in tweelingen nu twee moerkoeken voorgekomen zyn, voor yder vrucht een j dan maar een voor beide; ’t zelfde leeft gy ook by Ruyfch (vi). Doch nadien deze waarnemingen overhellen om te misleiden • verwinnen zy zekerlyk niets j niets konnen zy ook hinderen aan de onwrikbare bewysredenen7 (i) In ’c ii. Anatom. Cabinet. (n) Pechlims 1. c. L. i. Obferv. n. & A6la Parifma Anni 1702. (m) In de xxviii. Ontleet- en Heelk. Aanmerk. , (iv) In de lxxxviii. Aanmerk. (v) In de vu. en ix. Aanmerk. (vi) In ’t n. tiental van Oncleet* en Heelk. Aantek. n. % van FREDERIK RUYSCH. 87 verzekerende aan yder ey zyn moerkoek. H Welke in de kraamhmde door Ruyfch verbetert is > zulks paft liever een daar in ongeoefende met zveynig woorden te verhalen 5 als van ’t zyne dwalingen hy te voegen. 3t Is heter het overige uyt den Autheur zelfs te halen. Over* denk de oprechtigheit, naauwkeurigheit, en menigvuldigheit van aanmerkmgen in Ruyfcli; gy zult hem gemakkelyk uw toeflemming geven. De moerkoek van de vrucht voort nu lichtelyk van de baar- moeder van de kraamvrouw afgefcheiden 'y dan moeyelyker. Zulks wort by alle toegeflaan. Welke ongemakkelyker afjcheiding, gely- kerwys ook aan andere oorzaken toe te fchryven is, alzo ook y volgens de vermaning van Ruyfch (1), aan de middelpuntige inplanting van de navelftreng in de moerkoek. Doch met weynig moeite wyktze, wanneer de ftreng ter zyde aan de moerkoek gehegt is. De gantfche zaak wort hezwaarlyker begrepen ? als voorgedragen y ende de Ruyjfchiaanfche gelykenis wederleit eerder dit gevoelen y als het ver fier kt. Want gy weet y dat y in allerlei inplanting van de fireng y in deszelfs lichaam vervat worden fiammen van alle va- ten y door de moerkoek verfpreit, haat nu een oorzaak y hoedanig die zy, beletten, dat de baarmoeder van de moerkoek verlof wort; moet nochtans de moerkoek liever in de baarmoeder nahlyven, Want al te grote poging van de Vroetvrouw in3t affcheiden van de koek y brengt zeer dikwyls de vrouw den doodt aan. Maar de nagebleve moerkoek zal de baarmoeder y de krachten aangegroeit zynde, ten eerften uyt draven: ofy die verlojjing te vergeejfch afgewagt zyndes Zal de moerkoek in de baarmoeder verandert worden in waterblaas- jes j ofte daar zal uyt voortkomen dat verlange der oude wyven y een vliegende zuyger (11). DeGeneesheerenzowel ? als geleerde Vroetvnuvoen yfiaan verhaafl y dat de moerkoek geen uuren 5 geen dagen> maar maanden lang in de baarmoeder kan ?ja moet bly- 0) In de xcvn. Genees- en Heelk. Aanmerk. (n) Zie 'aangehaalde plaats op de xxvi. Aantekening; en de Verhandeling vm de Spier des baarmoeders. Verhaal van het Leven en de Verdienftcn ven, blyvende de vrouw in ’t leven. Echter verweert Ruyfch zelfs zichgenoeg. Ruyfch heeft waarlyk een onwrikbaar en overeen- komftig denkheelt van de [molae] zuygers y de gemoederen en oogen der oefenende Geneesheeren ingedrukt, 7t Is fchande y dat de Ge- neesheeren met de oude wyven lang geraaskalt hebben. Want de ondervinding niet geraatpleegt zynde y en de reden omdolen-* de y dan de gemoederen der Geneesheeren verflauwende , wien 2't pafte altydt Wysgeeren te zyny hebben zy y zelfs de befte in andere zaken, omtrevit het maandtflonden blo et j en het gehele werk van de voortteelmg y dwaas geweefl. Want de genoegzame reden van de zaak met doorgezien hebbende y hebben zy haare mwetenheit dus verre met zaken bedekt y dewelke hoger gefchat worden als natuurlyke oorzaken. Niets dwazer kon de zelfs van ’t gering ft e vernuft hedagt worden y als wel een vliegende zuygerm Wy erkennen misdragten; maar door die verftaan wy niets als vleezige uytwaffen van de baarmoeder y of allerhande ontaarding gen van de in de baarmoeder overgebleve moerkoeky of ook dier* gelyke veranderingen y welke ik te voren omtrent de voortkomji der Vleefchgewajfen uyt bloet befchreven hebbe. Aldus heeft §ns gel eert de Oude man , het zelfde ook de Vroetvrouw (i}. De leer aangaande de tekenen van een dode vrucht in de baar~ moeder van een zwangere vrouw, ts niet zoo zeer altydt Voor zeker gehouden. Indien gy Ruyfch , over die zaak, hoort •gy Zult ook zomtydts voorzigtiger voorden. Vermits de ontlafiing Van fiinkende dingen uyt de baarmoeder ; een perffende af - gang y hartvang , koude trilling > een ft inkende adem j een blaauwe couleur van de moeder 5 dewelke ook onder de teke* wen getelt worden y onder ftellen een verrotte vrucht yen ontflote baarmoeder. Maar wat zal7er gefchiedeny als de baarmoeder gefloten is ? (i) de Ontleeo en Heelkundige Aanmerking ,enin ’t vi. Anatom» Cabmet. n. xx\% van FREDERIK RUYSCH. En clan, volgens de leer van Ruyfch (l), kan ’t dode lichaam van de vrucht lang in de baarmoeder onbedorven blyven. Al- dus melden ook de flellmgen der Natuurkundigen, aangaande de verrotting. Doch naderhant het dode lichaam van de vrucht ontlafi zynde , zult gy ook hchtelyk onderfcheideny of de vrucht nu , of al lang geflorven is. Ruyfch zegt aldus : De onvolko- me fchepzeltjes, lang doot geweeft zynde, zyn asverwig van couleur, en gantfchelyk ingevallen. Maar zo zy aanftonts na den doot gebaart worden , hebben zy een witte couleur , en zyn van alle kanten wel in ’t vleefch en ront (u). Eindelyky een Kraamvrouw vertoont zomtyts twee verfcheinzelen , welke gy onder de naauwkeurige zaken met Ruyfch moet rekenen. Het eene is een oprechte beweging der baarmoeder, na ’t ba- ren. Want aldus beweegt zy zich , hier en daar , gelyk een tweede vrucht y zo dat gy daar het hooft , 'hier de voeten y op een andere plaats een ander deel gelooft te zyn y maar de zaak wel onderzogt hebbende, voelt gy alleen de baarmoeder. Alzo hout de trekking langzamerhand op. Dat die beweging der baar- moeder zomtyts zo groot kan zyn y dat de baarmoeder, omge- keert , uyt het lichaam fchiet ; zullen , meen ik, alleen de Vroetvrouwen geloven, zullende haar misflag op deze wyze dek- ken y wanneer zy onbedreven zynde zo dikmaals de omgekeerde baarmoeder afrukken (m). Het andere zyn harde, langwer- pige gezwellen, op de wyze van een beuling in den onderbuyk na ’t baren, nu Ichuyns, dan dwerich zich vertonende. Welk deel oordeelt gy nu dit gezwel in den buyk uyt te maken ? Wan- neer Ruyfch in zodanig doot lichaam gezien hadde het net tot malkanderen getrokken, en verdikt 5 was de uytleggmg van de (1) In ’t 11. tiental van Ontleet- en Heelk. Aanmerk. n. x. (n) Op dezelfde plaats. (m) In de xcm. Ontleet' en Heelk. Aanmerk. Verhaal van het Leven en de Verdienden zaak gemakkelyk ,* nochtans zoude niemanty de zaak met gezien hebbende, de oorzaak in ’t net gezogt hebben (i). Eindelek de wonderlyke haringen, hoedanig zyn het hontje (11) , en ’t diertje na een flek gelykende (m), door de mont uytgeworpen, zal ik met een duyflere uytleggmg hier met verhalen. Wie in zo- danige lufi heeft y hy vint genoeg y waar door hy zich vol- doet* xix. Tot de natuurlyke Hiftorie behoren alle gediertens, en gewaffchen. Ren eenig Cabmet van citeren hebben wy van Ruyfch; H welke hy voorgenomen hadde voort te zetten y zo andere met verzogt haddeny dat hy de befchryvïng van zeltza- rner zaken uyt het menfchelyke lichaam y tot gebruyk der fterve- hngeny boven alle andere Jlelde, In xv Cabinetten , welke hy met diertjes vervult gehadt heeft, waren meer als ij 81 fles- fen begrepen 5 voeg hier by de dozen met vlinders , fprinkha- nen, fchalbyters y klein viervoetig gedierte, gekorve diertjes , en zeegewaffen vervult, zynde 1820. Behalven deze vont men ook 180 droge heffen, en daar in zeltzame gedroogde vogelt- jes y voornamentlyk uyt Ooft-en Weft-Indien overgekomen. Zo groten fchat van dieren hadt Ruyfch, al voor 22 Jaren (iv). In dat eene Cabmet y ’t welk men lezen kan y zult gy opge- noemt, of befchreven vinden y of ook met fraye afbeeldingen uyt- gedrukt y aart- en water gediertens van allerley xoort, maar voor- namentlyk zeer zeltzame uyt Ooft- en Weft-Indien y vliegende y kruypende yen voortgaande, Ik zaloer een van bybrengen y na- mentlyk een Americaanfch Padtgelykent dier , van de Zuri- naamfche Inwoonders Pipa en Pipal geheten, op wiens rugge zeer vele eyertjes in de huysjes van de huyt zitten , waar uyt (I) In de lxiiï. Aanmerking. (II) In ’t ix. Anat, Cabin. n. xLVin. (ui) In ’t 1. tiental van Aantek. n. vu. (iv) Zie de Voorreden van ’t 1. Cabinct der Dieren. van FREDERIK RUYSCH. eindelyk de jongskens voortkomen. Nochtans heeft dit won- derlyke eyerneftje gantlch geen gemeenfchap met de holte des buyks (i). Eindelyk y hy heeft op ’t laatfte de Ontleeding der Gewas- fchen, niet die grovey maar fyne, met gelyke geluk geoeffent y als ik nu y omtrent het menfchelyke lichaam y verklaart hebhe. Aldus is de natuurlyke Hijiorie ook door Rayfch vermeerdert; maar wie zoude gemeent hebben, dat de Ruyffchiaanfche voor- fleïlingen, aangaande de natuurlyke deele?i in ’t menfchelyke lig- haam y op deze wyze zouden beveftigt worden ! Dit aanvaarde de Oude man met een ongehoorde onderneming, De voornaam- fte Ontleders der planten hadden geredeneert van de lichamen der dieren tot de gezvaffeny en aan deze een maagy melkvaten, en verdere, byna van aïlerley zoort y ballen y roeden y baarmoe- der y en andere dingen y door een zekere vergelykmg y toege- bragt. Doch Ruyfch Jloeg in tegendeel een andere weg in yen redeneerde van proeven y in de planten gehouden y tot de dieren. De grote genegentheit y en gelegentheit bevorderde zodanige en zo een grote o effening. Ik hebbe eerjl verhaalt de neiging tot de planten y toen hy Jongeling was. Maar het gewicht van zyn ampt heeft hem aangedrongen verfcheide zaken verder te ondernemen. Want in ’t Jaar i6By wicrdt hy als Hoogleeraar in de Kmydtkunde te Amfterdam beroepen, wanneer de Am- flerdammers omtrent die tydt de Kruydtkunde yverig begonden aan te (pueeken y en een [Hortus Medicus] Kruydtuyn maakten y dewelke de zinnen van nieuwsgierige , en de gemoederen der Kruydtkundigen heden zo zeer na zich trekt. Zie daar het voomaamfie van de Zaak / Het blat heflaat uyt zenuwen en vocht} het welk in blaasjes,tujfc de zenuwen , door (i) In’t i. Cabin. der Dieren n, xxxv. de u. en m. fig. van de Hl. plaat Verhaal van het Leven en de Verdienften de velletjes van ?t hlat heen fchynt. Die zenuwen houdt Ruyfck voor zapvaten 'y en tujjfchen die vaten is niet vervat y als een en- kele [pulpa] moes. ïn de Americaanfche Aloë muricata is een moes tuffchen de zyden der vaten, na ’t moes van de milt ge- lykende. Maar het moes ontbonden zynde, beftaat uyt zeer kleine vaatjes, en kan geheel tot vaatjes ontdaan worden , zo dat bet gemakkelyk het maakzel der herflfenbaft verbeelden kan. In ’t blat van de Aloë Africana lopen de zapvaten vol- gens de lengte van ’t vlies, bekledende het blat, en zy wor- den zeer vaft aan den zelfden rok gehegt. Een andere ver- feheidenheit vint men in ’t blat van de Opuntia Americana Spin ofa ; aldaar hebben de zapvaten zich door malkanderen ge- weven, eindelyk alle tot een plaats gekomen zynde, maken zy gelyk als een nieuw blat , terwyl zy , van die plaats uytge- gaan zynde , zich wederom door andere plaatzen heen ver- ipreiden (i). Gelykerwys de- bladeren met vaten pronken; alzoo ook de vruchten en de overige deelen van 't gewafch. En de haar moes is voor de vrucht. De miltvaten, hy haren ingang in de milt ? verheelden door haar maakzel de fteel van een peer y en een peer de milt, De milt wort bekleet met een dubbelt vlies j alzo ook een peer. De vaten van de milt zym onein- dig takagtig : zodanig is het ook gelegen met de vaten van een peer. De uyterfte vaten van de milt zyn moesagtig; diergelyks ziet gy ze ook in een peer (u). Doch in een parfik gaan de uytgebreide vaatjes van de fteel tot den fleen- agtigen fchel: maar zullende het- moes maken, gaan zy alleen uyt de fteenagtige oppervlakte van den perbkfteen (m) uyt. Ja ook. in de volkome aardtgewaflehen , voornamentlyk in de (ï) In ’t ui. tiental van Ontleet-en Heelk. Aantek. n. ii. (n) Zie het Antvvoort op den Brief van Bohlhis. (iii) In**t ui. tiental van Ontlect- en Heelk-. Aantek. n. il van FREDERIK RUYSCH. kroondragende, zellery, kroontjes kmydt, peterfelie, en berg-* eppe , komen de vaten mee de bloetvaten van ons lichaam overeen (1). Gy kont niets frayer , en duydelyker wenfehen, als dat mm van de knollen leeft: De ftaart en bad van de knol zyn een t’zamenvoeging van zapvaten , berydende een bittere fmaak , maar geen huy of water. Duyzende vaatjes loopen in de knol, wit van kleur , en welke , door een behendige kond , uytgerafêlt zynde , witte zyde verbeelden. Daar na ziet men het onderfcheit tudehen de vaten van den bad en de daart , fchoon zy met een gedadige gemeenfehap onder malkanderen vereenigt worden 5 want, terwyl zy den daart maken, lopen zy lynrecht ; maar als zy tot de fchel nade- ren, veranderen zy haar loop, en worden , als een net, ge- draait. De knol zelfs is een gedel van witagtige , zeer zoete zapvaten, dewelke, wel kort zynde, een afgefnede kegel ver- beelden, maar zy zyn ook ontelbaar. Onder de knol te be-* reiden, druypt een lymig vocht uyt 5 als mede een witagtig zap (11). Daar uyt komt voort een gewichtige Ontleetkundige voorftellmg : In verfcheide planten •ja ook m verfcheide deelen van de zelfde plant, lopen de zapvaten met op een en dezelfde wyze. Maar hier uyt maakt men die natuurkundige gelykems : Van den verfcheiden loop der vaten, hangt eemgzmts af het melkvocht m de melkgevende planten : het gulde vocht m de flinkende gouw : de hittere fmaak m de aloë: de zoete m de knol * de buykzuyverende hoedamgheit van deze plant: de flop-* pende van den anderen.. Waarom' de leere van de natuurlyke ftaat der gewaffehen, tot nog toe zo weinig waargenomen , de leere der dievlyke huyshoudmg van I menfchelyke lichaam opge* heldert heeft, wanneer de. zeer fchrandere Ruyfch dezelve ver* (1) Zie hec. Antwoort op den Brief'van Bohlius: (n) Uyt de Opdragt van de. vernieuwde Oeffeningcre. Verhaal van het Leven en de Verdienden handelde, In de zo zeer bevorderde Ontleding der planten kan het onderzoek van een jlervelmg mets meer begeren, als dit y waar na hy te ver geeffch fiaat y dat een zekere floffe in de groo~ ter vaten van de Jleel of °t blat of de vrucht ingefpote de haair- fyne vaatjes, het moes, of van 't blaty of van de vrucht voort- brengende y ontvouwe • zo als [vafa fpiritalia] de luchtvaten der planten met qmkzilver hedendaagfch door de behendigheit der Natuurkundigen opgevalt worden. Nadien een menfch tot die konfl met komen kan, begeerde hy de zapvaien der bladeren en vruchten, hebbende derzelver moes weggenomen y dat ts y de ge- raamten s der bladeren y en vruchten te bewaren. Tot dit werk fchikte hy hongerige diertjes y welke het moes alleeny de zapva- ten overlatende, zoude opflokken ; maar deze met zeer naauw- keurig de hevelen bewufl zynde y zwelgde de beenderen met het vleefch in: het moes met de vaten. Daarom wier den deze on- hedreve en onnutte dienfi knecht en uyt den dienft van Ruyfch verbannen, Emdelyk heeft de Oude man met zyn eeltige en flyve vingers het zeer fyne werk zeer gelukkig uytgevoert (1 Befchomv in de afbeelding de geraamtens van bladeren, en van peren y indien gy die door U zelfs niet iveet te hereyden (11). Uw nieuwsgierig gemoet zal ik y met het laatjle verhaal, ver* makeny dewyl ik geen nuttigheit befpeure in de onvolkome be- fchreve aanmerking van Ruyfch. Weet • dat ’er gewaffchen ia andere gewaffchen geheel en al befloten gevonden worden; dewelke haar gantfche levensloop door, nooit de lucht aan- fchouwen ; die nooit water indrinken ! Dit beweegt alle tot verwondering ; en H gaat alle geloof te hoven, Zodanige plan- ten heeft Ruyfch twee afgebeelt en befchreven, De eene is zon- der bladeren, en zeer takagtig; week; wit; buygzaam; matig (i) Op dezelfde plaats; en in *t Antwoort op den Brief van Fater, (ii) Ia de Figuren by de vernieuwde Oeffeningen. van FREDERIK RUYSCH. taay. De andere is een pyp; zeltzamer als de voorgaande, een fpan lang, zonder eenige takken, hol, als een hok dik $ in welkers holle oppervlakte , op een plaats , gezien worden vele groeven , of indrukzels ,• tot een hoop vergadert, die een moftaart zaatje konnen bevatten, en {om het wonderjiuk te ver- grooten) de Boerhaviaanfchè groeven (i) verbeelden. Deze heeft men een velerhouwelyk of tweewyffchap van planten ge- naamt. Zynde een zeer ongejchikte benaming. Maar wie zyn de planten geweeft, dewelke in haar boezem die planten mflo- ten ? Zit de mgeflote plant met de mjluytende vaji , om vc n deze haar voetzel te krygen ? Of is een plant m een plant zo- danigy hoedanig zomtydts is het fcheenheen tn het fcheenheen, als dit uytgegeten en bedorven is 1 Ik geloof liever y en oordeelt dit een zeltzame Vertoning te -wezen , dat de bladeren van de volwaffche Opuntia, tot een geraamte gebragt, en verdroogt, in drie, of vier platen, of ook in vyf, dewelke op malkande- ren volgens de lengte leggen, van een gefcheiden konnen wor- den (ii). Ja ook, om een eynde te maken y aanmerkelyk komt my voor y dat de Boerhaviaanfche groeven in meloenen, pom- poenen , en byna het gantfche geflacht van komkommers van Ruyfch aangetoont zyn (m)., xx. Tot hier toe hebhe zk de drievoudige fioffe, welke ik in H verhaalen van de vindingen van Ruyfch voorgenomen hadde, afgehandelt. De voornaamjle zaken heb ik hygebracht. Alle vleymgen hebbe ik nagelaten, met 'waarheden te fchry~* ven doen wy altydt dtenft. Ik hebbe alle de fchriften van Ruyfch aangehaalt y Ik heb ze alle aangepreezen. Derhalven zoude men te vergeeffch een naamlyji van dezelve , genoeg bekent 0) ’t Antwoort op den Brief van Vater. (») In tiental van Ontleet- en Heelk. Aantek. n. il Jm) Bohlius in den Brief aan Ruyfib. Verhaal van het Leven en de Verdienden zynde, hier by voegen. Zeer vele Geleerden hebben het ver- volg van de Ontleet- en Heelkundige Aantekeningen gefielt bo- ven de zo dtkmaals herhaalde befchryving van de Anatomifche Cabinetten van Ruyfch, m 'dewelke men leeft zaken , die tien- maal gelezen zyn. Maar Ruyfch , welke geen beletzelen van zyn konjl onder- vonden heeft, gevoelde evenwel dat hy van zyne tegenfirevers verhindert wier de. Een goet Schryver is nooit vry van aan- vallen. Ik hebbe met Ruyfch firydende ten tooneel gevoert de Bils, omtrent de vvezentlykheit der klapvliezen ; Lifter, om- trent de betichting over het verbannen van alle de klieren in ’t tnenfchelyke lichaam ■ Vteuffem, omtrent de vinding van ’t vaatagtige maakzel van den herflenbaft , van de nieren, het vlies, leggende tuffchen demoerkoek en de baarmoeder, ende van de wormwyze vaten, lopende door de inwendige baarmoe- der 5 Hovius, omtrent de eerfte ontdekking van zommige dee- len van ’t inwendige oog. Overal heb ik Ruyfch als verwin- naar opgeheven. Van Kau alleen is hy overwonnen, wanneer zy hevig twifiede over de waare gefielt en is van ’t middelfchot van ’t balzakje. Doch de twifi met Bidloo kwam uyt twifi voort. In der waarheit die groote glans van ’t Bidlooaanfche •werk is niet in Jtaat de overgroote misgreepen te verduyfteren, welke in die Anatomifche Platen begrepen worden j ’t was nog- tans naauwlyks billyk, jonge Leerlingen op te maken , welke, wanneer Ruyfch begeerte kreeg, om de misfiellmgen van Bidloo te verbeteren, aanflonts Voorftelbrieven aan Ruyfch fchreven y altydt vervult met fchimpen tegen Bidloo, die evenwel door een andere lof uytmuntede, en ook met aan de driftige jeugt bloot gefielt moefi voorden. Al wie zich verledige die Brieven te le- zen , zal zich beklagen over al te grote tydtverlies. Hier door is ’t byna voor een fchande gehouden , gedrukte Brieven aan van FREDERIK RUYSCH, Ruyfch te zenden; op dat hy y nergens anders bekent zynde y uyt de medemakkers met bekent wierd, door een twyjfelachtig ge- rucht. Bidloo aldus getergt zynde y ts zo op de fioel als met fchriften y op Ruyfch uytgevaren y en heeft zyne verdediging te- gens hem uyt ge geven. Op welke gevolgt is een antwoordt van Fred. Ruyfch op °t Boekje y genaamt Verdediging van G. Bidloo. Ik heb evenwel in deze twiftfchriften y geen voorbeelden van ze- den of geleertheit gevonden, dewelke aangetekent zynde y alhier voor te ftellen y dienft zoude doen. Het gerucht van de naam van Ruyfch , de geleerde wae- relt door verfpreit zynde y nodigde aanjionds in Hmfterdam alle, die begerig waren zich zelfs te kennen y en voornamentlyk die zich op de Geneeskunde toeleiden. Hier door hebben zo veele leerlingen Ruyfch als meefter. gehoort y van welke ook zommtge een naam door haare Ontleet kundige ervarentheit verkregen heb- ben. Dit zal altydt voor Ruyfch roemruchtig hlyven y het ge- ft el van d menfchelyke lichaam verklaart te hebben aan PETRUS DEN EERSTEN, GROOT KETZER DER RUSSEN, dewelke zeer aandachtelyk toeluyflerde , over alles vroeg hy naauwkeurig y en behield altydt in zyn geheugen, ’c gene hy eens gezien hadde (i). Zyn oude Leemeefter heeft van hem een getuygems nagelaten y waardig de grootmoedigheit van den KEIZER y dat hy door de byzondere kennis van Ontleet- kundige zaken niet alleen overtrof de Princen in de Ontlcet- kunde * maar ook zeer veele Geneesheeren zelfs (u) , ende dat hy , volgens tocftemming van alle , met een byzondere vloet van welfprekentheit over Ontleetkundige zaken zoda- nig konde handelen, dat hy de welfprekentheit van den al- (I) In ’t n. tiental van Ontleet- en Heelkundige Aantekeningen, n. iv. (II) In ’t 1. tiental der gemelde Aantek. n. 1. Verhaal van het: Leven en de Verdienden ierwelfprekenften Hoogleeraar verre te boven ging (]). Deze Leerlingen wier den van Ruyfch 'in de Ontleetkonft on- derwezen j liever uyt de her y dingen y als uyt verfch gefiorve lichamen. Want Ruyfch was niet gewoon zo veel tydt te he- fteden aan een grover Ontleding, zynde al te morzig ? als wel aan zyne herydingen, die hy net bewaarde ; Hy fchikte ze zo op j dat zy, die van haar natuur de menfchen gewoon zyn af te fchrtkken , dezelve tot haar aanfchouwmg nodigden ; hy ver- vierde ze met voorheelden van de natuurlyke hiftone, als met zee- gewaffchen , fchelpen , en andere zaken ; gelyk de figuren van de Anatomiiche Cabinetten aantoonen. Want toen een onverwagte uytkomft op den arheit van Ruyfch volgde y en door deze ook met weyntge zakeny van °t gemene gevoelen der Ont- leden verfchïllende y ontdzkt wier den ; hoe zoude hy de geene y die een ander gevoele hadden y hehhen konnen nootzaken om de gevoelens y door outheit en toeftemmmg van zeer velen voor ze- ker gehouden y af te leggen ? Boven alle w 'iskonftige vertoonmg fchattende zyn KOMT eyi ZILT/ daarom bewaarde hy m zyn huys de proefftukken y welke op eenige planken vergadert zynde y de Ruyffchiaanfche Anatomifche Cabinetten uytmaakten y zynde onder °t zelfde opfchrift hefchreven. Deze ftonden open voor de leerlingen van Ruylch , en alle vreemdelingen y welke be- geer tg waren die dingen te beftchouwen , waar toe nergens an- ders gekgentheit verfchaft wier du Tweemaal ’s weeks konde yder een , voor weynig gele, dezelve zien (n). Maar wan- neer Ruylch , een oudt man zynde y onder zyne zeltzaamheden te vertoonen; overal met meer oplettende oogen hebben konde y zynde daar en hoven door den toevloet der aanfehouwers bezet • hebben zomtydts dieven, welke als vrienden inde binnekame- (i) Van de Moerfpier. (u) Zie Zmmmerdam in zyne Aantekeningen op van Home. van FREDERIK RUYSCH. ren van Ruyfch toegelaten waren, met een onuytfpreekelyke ftoutheit geftolen, en uyt het huys weggenomen, dingen, wel- ke Ruyfch haar, om derzelver begeerten te voldoen, getoont hadde. Met dezen roof nog niet te vrcden zynde , hebben zy naderhandt deze geftole zaken na andere Geweften en Ko- ningryken omgevoert, voor haar eigen vertoont , en voorge- geven , dat zy zodanige Hukken door haar kond en behande- ling konde bereiden. Gelykerwys hy zyn ramp omtrent de roede, door een ongelooflyke moeite , groote naauwkeurig- heit, en met een zeer gelukkigen uytkomll toebereit ; als ook omtrent de ribbens met het vleezige aanhangzel bereit, zelfs met droefheit befchreven heeft (i). Door zodanig bedrog heb- ben zommige y welke nog gelegenthett om doode lichamen te kry~ gen, nog ervarentheit van de Ruyjfchiaanfche konjl haddeny m't geheim zich zekere Anatomifche Jchatten y een Cabinetje of Cabinetjes vergadert, De Groote Petrus was ook door hulp van deze bereidin- gen een Ontleetkundige geworden f Deze derhalven door de he- geerte om proefflukken van een zeer keurlyke Ontleding m zyn Ryk te hebben, en de Konflkamer te vergrooten , gefchikt tot gebruyk voor ’t Hogefchool van Petersburg, dewelke niet als by- zondere en uytmmtende zaken moeft bevatten, heeft de Anato- mifche Cabmetten van Ruyfch voor dertig duyzent Holland]che guldens , zo zk my met bednege , gekogt , en na Petersburg overgebragt. Laat hy nu na Petersburg trekken, die begeertg is de menfchwerding te keren. Aldus ontblootede zich Ruyfch. Evenwel was °t fchandelyk , dat een weergaloozen Konjienaar tonder blyken van zyn konjl leefde • en een Ontleeder zonder toebereide deelen van °t menfchelyke lichaam, Derhalven heeft (1) In ’t 11. tiental van Ontleet- en Heelk. Aantek. n. vm. Verhaal van het Leven en de Verdienden de zeer werkzame Ruyfch by dagen en nagten y alle gelegent- heden, krachten, en kofien befleet y om wederom Ayiatomifche Cahinetten 5 na de P etersburgfche gelykende y te verkrygen, pnde hy heeft zè ongeloofljk verrykt bekomen , wel beneden de Petersburgfche , zo gy op de proefflukken y rakende de geboorte van den menfch, dringt y maar overtreffende y voor zo veel de Ontleeding der planten aangaat, Emdelyk is 't gebeurt, dat den Doorlmhtigen Johannes Henricus de Heucher , uyt naam van zyn Vorfl, om eenige Ontleetkundige bereidingen van Ruyich verzogt. Welke gedtenffig aanflonts na Dresden toezont het dunne herflenvlies uyt een volwalfche menfch; het bekkeneel van een kint ; de huyt zeer dik met haair bezet 5 een fraay onvoldrage kint van vyf of zes maanden , Iheeuw wit van cou- leur • een armtje van een kint 3 het achtcrbrein met zyn vlies; en andere zaken ; dewelke Fredrik Auguflus, Koning van Poolen , en Fredrik Wilhelm , Koning van Pruyffen y toen ter tydt y als dezelve aangekomen waren , tegenwoordig te Dresden zynde , dezvelke de ontbreking van de Ruyffchi- aanfche bereidingen in de Schatkamer van Dresden beklaagt hadde , zodanig behaagde , dat Auguftus, volgens zyne mil- dadigheit y hondert goude Nobels aan Ruyfch tot een gefchenk vereerde, Derhalven heeft Ruylch aan de Koninglyke Schat- kamer te koop geboden zyn geheelen Anatomiiche Imboel, en verzameling van natuurlyke zaken y waar mede het geheele huys opgevalt was 3 zyn zeer we! geftoffeerde Boekfchat, ja de kond om de dode lichamen te bereiden en te bewaren 5 en de werktuygeo. Daar na, als de Koning in deze zaken gene- gentheit hadde y heeft Ruyfch in d Jaar 1718, in de. maant OBober y zyn hehulpzamen vrient (1), den Heer Johannes Chri- ftophoms Bohlius, Medicime Doßor a na Dresden ioegezon- (ï) In ’t Aatwoort op den Brief van Bohliik.. van FREDERIK RUYSCH. den, om verlcheide geraamtens van bladeren, uyt naam van den Verkoper , den Schatkamer aan te bieden , waar onder voornamentlyk een blat was , verdeelt in twee platen , waar van de eene voorzien was met vaten , gelykende na die van ’t dunne herffenvlies; den andere wierdt omringt met boogsgewyze vaten : ende om met de prys over een te komen. Toen was de genegentheit van den Vorft wel onverandert , en Auguflus oeffende toen dezelfde miitdadigheit, die hy altydt gehadt had- de y en zo gy de zeltzaamheit der zaken overweegt, en de mee- nigte j wierdt oer een htllyke prys geeifcht j evenwel waren ser, welke met draaien y tk weet niet om wat oorzaak, alle hoop van koop affneden. Dit heeft R uyfch zeer gefrnert y en de Duytfchers , voornamentlyk Ontle el kundige , dewelke m haar hant aldus haare verlufiigingen zoude hehhen konnen hefchou- wen. Ruyfch overleden zynde, zyn deszelfs zeltzaamheden in een openbare Verkooping gehragt, na alle kanten verfpreit (ih Ruyfch konde geen een hantfchap hlyken van zyne konfi weyge- ren , die y toen hy leefde, alle door geleertheit bebouwde hemt- [treken met de heerlykheit van zyn naam vervult hadde. Welke ampten Ruyfch in ’t Vaderlant bedient heeft, heb ik nu gemelt. Maar uytheemfche volkeren hebben hem ook met eer ampten vereert. Wam hy is ah een Lidt ontfangen in de Kcyzerlyke Hogefchool der Natuurontdekkeren , in de Ko- ninglyke Maatfchappyen der Wetenfchappen van London, en Parys. hn wel tn deize xvzercl hy aangenomen in ’t [aar 1727, vervullende de plaats van Izaak Newton, wanneer de zeer doorluchtige Graaf van Maurepas zulks aan Ruyfch boot- fchapte (ll ). Indten vy vraagt na de oefFenmpe, vaven van ’t vermoet van (I) Bohlius in den Brief aan my gefchreven. (II) In den Opdracht van de vernieuwde Oefeningen, Verhaal van het Leven en de Verdienften Ruyfch; weet , dat den zelve is geweefi zeer Godtsdienflig• groot liefhebber van arbeit ; matig, m verfpdler van geit; na de gewoonte van zyn lantaart. Gelyk de Heer Bradley geweten heeft, De verdere hoedanigheden van ’t gemoet, kent men uyt zyne twijifchriften. Als hy nu hoog van Jaren te zwak was tot den arbeidt , welke hy Jongeling ende man zynde gemakkelyk gedragen heeft, heeft hy, die bekende zonder werk met te konnen leeven , zyn verjlant met andere zaken bezig gehouden. En om aangaande den loop der zenuwen geen woort hy te voegen , als van een zeer zware fiofj echter wilde hy befchryven de zeltzamer ont- dekkingen , welke zien op den zieken toeftant der men- leken 5 of, op wat wyze het menfchelyke lichaam door de Jaren. langzamerhant verandert wort , ’t welke hy in zich zelfs, zo oudt zynde, ondervondt , en aanmerkte (i). Ja ook hy hadde in de laatfte Jaren , aangaande zich. zelfs, nieuwe onderftellingen. Aldus erkende hy voor een weldaat van de natuur, dat hy eens in een week afgang kreeg , en meende dat het flym van den endeldarm verftrekte in de plaats van de gyl , moetende door de Icheilklieren , welke in oude luyden gebreken, omgevoert worden. Hierom ver- eerde hy dien darm met den naam van een nieuwe eetkamer, welkers zuygadertjes al het vocht op zoude dorpen tot het ge- mene beft van ’t lichaam (11). Een val heeft het door ouderdom verzwakte lichaam van Ruylch veel verzwakt, gefchiedende met buyten alle vrees van een gebroken hals van dyebeen $ als hy op een Jloof tredende, hy geval met de voeten de matten met zich getrokken hadde. Daar na was de gang zveg : de oude man moefi overal met een (i) In ’t Antwoort op den Brief van Bohlius. (n) Uyt den Brief van Bohlius aan my gcfchreveiL van FREDERIK RUYSCH. floel gedragen worden. Evenwel het gemoet toen noch frifch zynde , heeft hy, op een fioel zittende, Kruydtkundtge ver- toningen in den Kruydttuyn afgehandelt ■ gelyk tk zelfs rn 't ff aar 1718 hem heb zien vertoonen de Zeeroede. In welk ff aar hy voor altoos een einde van zyne Kruydtkundige heffen heeft gemaakt y met de welriekende Kranskruyden. En heeft te gelyk met een godtvruchtig gemoet gewenfcht, dat alle de geleerde waerclt met zo vele vindingen vermeerderen zouden 3 als hy gedaan heeft (1). Maar hoe groot de leeftydt van een menfch is • echter is'er op deze waerelt mets onvergankelyk. Aldus heeft ook Fredrik Ruyfch, de wet van ft er feljkheït cndenvorpen , flokoudt ge- worden zynde y verzadigt van eer en aanzien y den iz. dag van houwmaant y m’t Jaar. na Chrijli geboorte 1731, den geef gegeven $ na dat hy twee en f negentig ff aren en elf maan- den gekeft hadde. Zo lang als de goede Konfien hy de Volkeren bemint zul- len wezen: zo lang als het menfchelyke lichaam met ziektens gequelt zal zyn: en daar mede gequelt zynde y van de mde konfl ervarene 7 genezing zal vorderen: ende de Gene esheer en r met zonder kennis der ziektens een hulpmiddel zullen weten te bereiden: en de aart der ziektens niet zal komen doorgront worden, als door de Ontleetkunde y in zo een hoge plaats van Ruyfch gebragt: zo lang zullen alle eerlyke lieden dankbaar- lyk aan den naam van Ruyfch gedenken , en de ver dienf en van Ruyfch begrypende , verheffen* Maar gy die deze hebt gelezen , gedoog vermaant te zyn 7 dat gy menigermalen de Ruyffchiaanfche fchnften y hy de goede gerekent moetende wor- den y doorbladert: dat gy uwe krachten infpant om zaken hy te voegen en te volt oy en ■> die Ruyfch of onaangeraakt of onvolt ooit (i) Op dezelfde plaats. 104 Verhaal van het Leven en de Verdienden van RUYSCH. nagelaten heeft : en zyt altydt beducht om uw verfiant y zo veel als 't is} aan dwalingen bloot te flellen. Maar denk van my , dat ik, door enkele hef de tot Ruyfch gedreven, deze za- ken de nakomelingen heb willen aanpryzen. JoANNES pREDERICUS ScHREIBER, Koningsberger. ONTDEKKING DER KL A P'V LIESEN? INDE WATER-en melkvaten. Nevens eenige fcldfame ANATOMISCHE OBSER V ATI EN. In ’t Latyn befchrevea Door FREDERICK RUYSCH, Med. T>oiï. Hoog-Leeraar in de Ontleed en Kruidkunde : MedeUt in de Keyferlyke Academie in ‘Buy tfchLand, en van de Koninklyke* Maatfihappye der Geleerde in Enge landt. ONTDEKKING 3 DER KLAP-VLIESEN y deeden (na het oordeel van den zeer vermaarden de Bi Is') verloo- Kpjgicn arbeyt , die in de (a) Water-vaten (b) Klap-vliefen zochten ,ja hV belachte 5 die ftaande hielden , dat zy dezelve gezien hadden, want hy heeft niet alleen tegen den zeer beroemden Monichenius dgelyk den geleerden Bartholinus in zyn Verantwoording op de onder zoekinge van de Bils Fol. 71. verhaalt) gezegt, indien Monichenius hem de Klap- vliefen in de Wat er-vat en kon vertoonen, dat hy dan den eenigen, een en we- zen zou die de natuur kenden, en des zelfs uytwerkfelen : maar dat hy, die gezien hebbende, met zyn eygen hant alle Jchriften en de vaftjtelltnge zou her- roepen , met een algemeene bekentenis van zyn dwaling en blintheyt; maar hy heeft my zelfs ook in tegenwoordigheyt van den Genees-heer Helvetius, en N. Coljer ervaren Heel-meefter gev raagt, of ik ooit in de Wat er-vat en Klap- vliefen had gezien ? daar en boven indien ik dezelve zou kunnen vertoonen, dat hy my verder als zich zelve in de Ontleed-konft gevordert te hebben, zou bekennen : verder zeyde hy , gy zult in de (c) borftbuys wel Klap-vliefen aanwyzen die wy voer dezen al gezien hebben, maar in de Wat er-vaten zalfè geen ft erfelyk Menfch ooit vertoonen. Waar op ik antwoorde, dat het my niet mogelyk was dezelve zo klaar, en geheel te vertoonen, of hy zou (halsfterk by zyn oordeel blyvende) dit kunnen tegenfpreken zoo dikmaal echter ik een tintel-yfer in de Water-vat en na het begin der verdeeling geftouwt heb , of bet (d) water zelf in de Lever of de Milt, na boven heb willen dringen (het zelve is ook van Nic: Stenonius aangemerkt in zyn Boek van de Klieren des monts aan zyn 53. Verdeeling) heb ik altydt eenige tegenJfant Vermerkt, zo dat ik zou oordeelen dat het niet te twyfelen is , of daar zyn Klap-vliefen in de Water-vaten. Maar hy antwoorde, dat ik de zelve nooit zou kunnen ver- toonen. Na verfcheyde (hoewel vergeefs) van my aangewende onderzoe- kinge ter oorzaak van de Klap-vliefen die de Bi Is avroTïnx.£f , Clat is , 00g- getuyge noemt, te vertoonen (want anders floeg hy daar geen geloof aan) 20 trachte ik eyndelyk de Watcr-vaten nauwkeurig te fnyden , op dat my naderhant in de zelve , behoorlyk met wint ge vult ,enin de Son gezet, (a) Vafa hyrnphatica» (h.) Vnhjul*c. (c) t)uttus 'Thoradats, (c) Ly&tpha, en bequamelyk gedroogt zynde (gelyk men in de eerfte Figuur zien kan) Het maakfei der Klap-vliefen zou blyken , dit onderzoek is na wenfch gelukt. Want alzoo zag ik met myn oogen klaarder als het middag-licht de Klap- vliefen over-al dubbelt , zeer overvloedig , gelyk een wadende maan aan de zyden van de Water-vaten gehecht 3 gelyk die , welke in de holte der aderen gevonden werden, maar echter meerder in getal en ranker. ONTDEKKING der KLAP-VLIESEN. VERKLARING der I. FIGUUR, Vertoonende de Water-vaten van voren, van ter zyen, en in de lengte gefneden, met hare Klap-vliefen. A. Een Water-vat in de lengte gefneden. B. Een Water-vat van ter Jfvq, I, o zyden. C. Een Water-vat van vo- ren. aaa a a. E)e halve-maans wy ze Klap-vliefen in de ge- noemde vaten. Weynig dagen hier na quam de Bïls wederom tot my , en viel met deze woor- den my aan, eenige fwetzen wel dat zy Klap-vliefen in de Wat er-vat en hebben gezien, echter is het in niemants ver- de felvete vertoonen. Op welke woorden my niet geraden docht te want hem alleen de zelve te vertoonen was myn voorne- men niet, maar in tegen woor- digheyt van eenige Genees- heeren, en in de Ontleed-konft ervarene , op dat zy my naderhant, als ik het begeerde, van deze zaak zoude kunnen getuygenis geven. Kort hier na quam de Bïls in ’t byzyn van de zeer ervarene Genees-heeren van Wou, Helve- Uns , en Surrau, wederom ten mynen Fluyfe , en na dat wy verfcheyde woorden gewiffelt hadden , zoo heeft hy eyndelyk van het voortteelende zaat beginnen te fpreeken , daar in voegende , dat de oude gepelt hadden, dat het voortteelende zaat uyt het bleet voort quam , dat hem buyten reden toe- fcheen } want het bloet (zeyde hy) wert wel door de zaat-flag-aderen tot de ballen gev oert, maar het wert echter door de naby gelegene aderen wederom na de holle ader gevoert: daarom behoort men een andere feof en andere wegen, namelyk het water , dat door de IVat er-v aten tot die deelen gezonden wert, aan te wyzen. Hier op heb ik geantwoort, dat die weg ondoorgankelyk, en Zodanig gefloten was , dat ’er ook niet een dmppelken van de gylachtige vochtigheyt of van het water naturelyker wyzer tot die deelen gezonden zou kunnen werden , ten zy door gewelt, waar door de Water-vaten opgefpan- nen en de Klap-vliefen van haar dienfl verfleeken werden. Dit bygebracht zynde , vraagde hy , wat f'iaat ’er tegen ? waar op ik antwoorde ,de Klap- vliefen * hy hervatte wederom, of ik dezelve had gezien ? waar op ik toe- voegde , dat ik de zelve niet alleen gezien had, maar dat ik de zelve des noots zynde zou vertoonen : want ik wel ten minften tweeduyzent Kiap- vliefen m eenige Water-vaten in myn kamer bewaart (*uTojrm»j 3 dat is , als °°g getuyge) zou kunnen toonen.- En dat het my niet fwaar zou vallen, de zelve ook in elk bequaam onderwerp te vertoonen ; toont dan (zegt hy) de zelve, op dat ik die gezien hebbende, myn eygen gezichte geloof mach geven, ’t welk ik hem eerft weygerde: maar ik zeyde, dat ik ook ten allen tyden be- reyt zou zyn, indien hy my toonde dat de ftof der pis van de (a) lende of (b) darmfeheyls-klieren onmiddelyk tot de by-nieren Cc) gevoert wert, gelyk hy ftoft te kunnen doen, door eenige byzondere buyfen die het hem gelieft heeft de naam van Mofch te geven, hier op heeft hy geantwoort, dat het hem niet ge oo? loft was iets te vertoonen, als tot Leuven, en dat hy het aldaar ('indien het my lufle daar na toe te trekken) zou volvoeren; maar in dien ik deze Klap- vliefen hem niet voor oogen wilde feilen, dat 'er hem niet aangelegen was. Op dat ik niet iets tegen de waarheyt zou fchynen gezegt te hebben , heb ik niet onraatfaam gevonden, dezelve te vertoonen, op dat hy zyn oogen geloven- de , zou gedwongen werden met ons den rechten en niet den verkeerden weg in te Haan. Weike vertoont zynde, repte hy niet een woort, maar merkende dat de andere zeer ervarene Heeren eenftemmelyk dit bekenden, heeft hy rre- zegt, fnythet vaat hen van een, want ik zie de Klap-vliefen noch niet klaar, dit gedaan zynde, heb ik hem de Klap-vliefen zeer blykelyk getoont, en ge- vraagt of hy noch de Klap-vliefen niet en zag ? Tot noch toe, zegt hy, zeg ik niet: (verftaatwel,) hydorft dit niet bekennen, wyl hy het tot noch toe veele jaren zeer hertnekkelyk ontkent had: noch het geheel ontkennen, nademaal alle de omflaande Genees-heeren uyt een mont fpraaken, kort hier op barft hy uyt in ONTDEKKING der KLAP-VLIESEN. 5 (<0 GlandhU Lumhares. (£) A*t mefenterii, (c) CapfnU airahilarloe. 6 ONTDEKKING der KLAP-VLIESEN. deze woorden, Indien gy my door behulp van deze Klap-vliefen, wezende nu van het zyn der zelve overtuygt, de beweginge des waters tegen myn gevoelen van de buyten-deelenna het midden-punli kunt toonen, zal ik uw verftant hoog achten, ik heb geantwoort dat die zaak tot ons gefchil niet behoorde, en dat het genoeg was indien ik hem terflont toonde dat ’er in de Water-vaten Klap-vliefen zyn, tot noch toe zo verkeerdelyk van hem ontkent. Ey lieve wie heeft belooft te vertoonen de beweging des waters van de buy ten-deelen na de ontfang-plaats ? ach! wat een uytvlucht , ons gefchil is geweeft of in de Water-vaten Klap-vlie- fen gevonden werden , of niet 3 hy hielt ftaande dat de felve in de Water-vaten niet waren 3 Ik daar en tegen beweerden het zelve , en heb gezegt dat ik de zelve niet alleen gezien had 3 maar ook zou konnen vertonen , gelyk ik op de zelve ty t gedaan heb. He Bils dan merkende dat hy op deze wyze vergeefs een uytvlucht zocht 3 komt hy weder tot de Klap-vliefen, en op dat hy ons zou diets maaken dat hy de zelve voor dezen klaar gezien had, zo heeft hy deze hoogmoedige woor- den voortgebracht, die ik my waarlyk zou fchamen te verhalen, ten waar hy de zelve twee of driemaal had derven verhalen. Wat meent gy dat my onhekent is wat in de IVat er-vat en behouden wert ? voor wien ook niet het kleynfte deelken in het geheele lichaam, veel minder de Klap-vliefen in de IVat er-vat en verborgen zyn; ja fchoon ik toefta, dat ik gezegt heb dat ’er in de IFat er-v at en geen Klap~ v Heften zyn, daaruyt is geenzins tebefluyten, dat de zelve my zyn onbekent geweeft: ik heb meer dingen ge zegt alhoewel ik van een ander gevoelen ben, ik heb ook gefcbreven dat den dau in de borft-buys behouden niet kon ftremmen, in welke zaak ik echter ander zins geen mede-ft emmer ben. Op welke uytvlucht ik ge- moedelyk geantwoort heb, dat zodanige dingen een man van edelen inborft en een Yoorlefer der Ontleed-konft niet betamen, maaroprechtelykenopenhertig de dingen die van andere gevonden zyn voor goet keuren, en dat dit woordeken. voorlefer dit , dat is, uyt zyn betekening, hem aandrong. Gy zult deze zaak hier mede ook geen glimp geven, dat een wys man zyn eygen vindinge wat be- hoort te verbergen, en een yder de zelve niet vergeefs te vertoonen: Want ook de waarheyt met lafteringe te bekladden, en te verydelen dat andere gevonden hebben, en alzo de waarheyt zelfs tegen zyn eygen geweten tegen te fpreeken, betaamt een Koninklyke Voorlezer niet. Ten zelven tyde ontkende hy hoog- moedelyk (in’tbyzyn van de voornoemde Heeren) dat de natuur inde fVater~ vaten had Klap-vliefen opgerecht, (en dat noch meer is) indien iemanit hem de zelve zou iconen, dat hy dien verder als zich zelver in de Ontleed-konft gevor- dert te hebben, zou bekennen, en met zyn eygen hant onderfchryven. Welke Klap-vliefen als hy van my vertoont gezien had, zo heeft hy (op dat ik de ver- dere dwersdry veryen die hy gebruykt heeft, gelykmen boven zien kan, verbyea) onbefchaamt met deze woorden te kennen gegeven, dat hy de zelve zichtbaard k voor dezen had. gchadt, Meent gy dat my onbekent is geweeft, dat in de IVat er- vaten Klap-vliefen behouden voerden ? daar ik dezelve dikmaal in den borft-buys qezien heb, och armen! als of de natuur in de borft-buys niet zou kunnen ge- blaakt hebben 3 dat zy de Water-vaten geweygert had. Wat is’er uytfponger dan dit? want de Water-vaten voeren naturelyker wys niet in zich, geiykden borft of gyl-buys 3 te gelyk met het water den gyl eygentlyk genoemt zynde 3 noch den borft-buys heeft zo veel Klap-vliefen niet3 gelyk ik in Oflen en Paarden dik- maal bevonden heb: ziet hier af de vyfde Figuur 3 in dikte gaat den borft-buys ook de Water-vaten verre te boven, zodat ik oordeel dat deze vaten niet over een te brengen zyn3 en hierom acht ik het geen wonder te zyn, indien de Bils de Klap-vliefen in de Water-vaten niet gezien heeft, fchoon hyze in den borft-buys al gezien had. Ik ontken wel niet dat de Bils Klap-vliefen van welke ons gefchil is geweeft 3 niet eenigerwyze heeft aangemerkt 3 voor en al eer ik hem dezelve getoont had 3 want ik kan van zyn zien geen oordeel ftryken 3 maar ik heb niet te min goet gevonden alleenlyk in der waarheyt te verhalen, wat hy aangaande de zelve in ons byzyn heeft bygebracht , en ons allen willen diets maaken. Om het welke te beveiligen met eerlyke lieden , ende in de Ontleed-konft ervare Heeren ik nooit zal in gebreeken blyven. Indien de Bils de Klap-vliefen in de Water- vaten voor myn vertoonen gezien lieert , (’t welk ik nooit ontkent heb) zo zie ik vvaarlyk niet uyt wat reden hy een yder het tegendeel heeft willen aandringen ? ten zy dat hy hier door met een zyn tegennatuurlyke loop des waters heeft willen vaft-ftellen. Want indien daar Klap-vliefen zyn, gelyk ik hem blykelyk ,ja klaarder als het middag-licht getoont heb , dat zy daar zyn3 zoo volgt nootza- kelyk onze beweging des waters. Ik zal , eer ik eindig, hier nog een woordeken aankoppelen, indien de Bils de Klap-vliefen in de Water-vaten voor dezen ge- zien heeft , zo heeft hy de zelve ongetwyfelt klaar gezien, na. dat zyn briefsge- vvyze verhandeling , waar in het ware gebruyk des levers omtrent den gyl 3 cn dat van den gyl-buys tot noch toe alzo genoemt 3 aangewezen 3 uytgegeven in ’t jaar 1659. iet ic^lt gezienhad. Want aldaar vind den Lezer dit op het vyf en veertigfteblad. Ik ga dan voort, het vocht ’t voelk wy om zyn gebruyk dau noe- men jgaat in de melk-aderen door derzelver opene monden in de darmen, en deelt zich byzonderlyk in twee wegen door szamen-komende buyzen, de eene gaat na de Klier, voelke aan de Boort-ader gehecht is, en fpreyt van daar water-vaten tot de lever, de andere gaat in de Klierachtige ontfang-plaats van het darm fcheyl, van waar hy het heele lichaam onder en boven met wakkere takken op nieu bedeelt. Op dat ik de re ft voorby ga, zal ik die weg, welke uyt het darm-fc heyl na de bo- ven deelen gaat door het middenrift, nu ten deele gezien, en qualyk den gyl-buys genaamt, ten minjteu vervolgen, en onderzoeken. He ze dan uyt de genoemde ontfang-p laats, en den buyk komende, doorhoort het middenrift, en gaat door het ribbe-vlies, en klimt by de feut el-beenderen op omtrent het vyfde of zesde wervelbeen des borfts, korte lyk gapende ,op dat hy de groot e ftag-ader eenige tacx- ONTDEKKING der KLAP-VLIESEN. 8 ONTDEKKING der KLAP-VLIESEN. tacxkens zou mededeelen. Van de bovenflé rib gaat hy verder over de BorftL klieren door zeekere buys tot het hertefacxken , ’t welk hy door heuveltjens (op dat het hert daar door verquikt zou werden , en zich lichter beweegen) bevochtigt, uyt deze klieren komende, gaat hy ook met een ander aanhang- Jet nedergaande , in twee andere klieren , welke op de longe-pyp dicht aan de longe leggen, en verquikt alzoo door druppelen de longe: en bewaart het bloet in de andere holligheyt van V hert, dat weder her kookt moet werden, op dat het niet heel zou uyt droog en. Hier uyt blykt dat de Bils ter dier ty tde Klap- vliefen noch niet gezien heeft: want indien hy de zelve had waargenomen ,hy zou alzulken beweging des waters ofte der dau niet hebben vadgedelt, welke gants tegennaturelyk is ; want al de Klap-vliefen , welke in de Water-vaten van de lever na de ontfang-plaats gaande gevonden werden , zien na den ont- fang-plaats des gyls, gelyk men in de tweede Figuur zien kan. Zoo dat uyt de ontfang-plaats door de Water-vaten natureiyk niet tot de lever kan ko- men. Maar of alle de Water-vaten, welke onder het midden-rift gevonden werden , zich in de ontfang-plaats des gyls ontladen , gelyk ik zie dat alle man todlaat 5 durf ik niet verzeekeren : want ik heb in den buyk eens een Water-vat gevonden , zich op een andere plaats ontladende , waar van wy (met Godts hulpe) in gevolge fpreeken zullen. Wat de longe belangt, in dezen heb ik ook geen dau-vat gevonden , door het welk den dau van de Bils van den bord-buys tot de zelve gediert wert: want alle de Water-vaten, welke in de longe gevonden werden, dorten haar water in de onder het (a) deutelbeen geleegcne, (b) oxel, (c) of drot-ader, gelyk uyt een bant en het maakfel der Klap-vliefen blykt, tegen welke beweeging des gyls, indien de Bils noch dry t, en van my aan hem begeert getoont te hebben, gelyk hy dat van my ( geen voorwerp hebbende) geëyfcht heeft, zoo zal ik niet in gebree- ken bly ven die te vertoonen, en den naaden dag zal my de aangenaamde zyn. Ecrdelyk had ik belooft aan te wyzen, dat ’er Klap-vliefen (tot noch toe zoo hartnekkelyk van hem ontkent) in de Water-vaten waren, ’t welk ik heb volbracht. Echter wil ik niet dat hy my noeme die vermaarde man, want ter dier oorzaak was myn voornemen niet de zelve te vertoonen h nu beloof ik, indien hy zich gewaardigt by my te komen, dat ik zal doen zien, dat de water-vaten, of dau-takken , ook niet een druppel uyt de ontfang-plaats tot de Ballen, Milt, Lever, Longe en ledematen naturelyker wyze kunnen die- ren , gelyk ik dit onlangs in tegenwoordigheyt van de Heeren C. Stalpert, vander Wielen , Liebergen, van Wou, Helvet hts, Surraut n andere in de Lever getoont heb. Ziet hier af de tweede Figuur. {a) tnxfuhdav;#. (é>) AxllJares, (c) 'Ju^ulares. ONTDEKKING der KL AP-VLIESEN. 9 VERKLARING van de 11. FIGUUR. &y-7- Vertoonende een Paarde- lever van de holle zyde, met de Watervaten, en derzel- ver Klap- vliefen. Merkt ondertujfchen aan, eerftelyk dat ik de Water-vaten ten opzicht van de afgebedde lever wat grooter heb ge- waakt, V welk hierom ge- daan dat de Klap - vlie - fen daar door beter gezien zouden kunnen werden. Ten tweede, dat ik alhier alleen- lyk eenige Klieren heb af ge- heelt, wyl ik voor ditmaal * niet zoo zeer voor heb de ! Klieren ah het maakfel der Klap-vliefen in de Water- vaten af te tekenen. A. De holle zyde van des Paarts lever. B. De holle ader onder het midden-rift afgefneden. C. De poort-ader. DD. Twee vafte Klieren in het holle gedeelte des levers gelegen. EEEE E. De Water-vaten van het uytterfte deel des Levert voortkomende, en zig in het voor ft e gedeelte der Klieren inplantende. F. De navel-ader in een •bant verandert. GGG. De Water-vaten haar begin van het agter- fie gedeelte der klieren ne- mende 5 en na de ontfang- plaats desgyls hopende. gggggg- De Klap-vliefen in de zeer zichtbaar, ziende na de ontfang-plaats des gyls, en verhinderende, dat ’er mt cVontfang-plaats niet iets tot d'lever fou komen. NA- ONTDEKKING der KLAP-VLIESEN. N A-R ICHTINGE, Ik wérde uit andere gewaar , dat den vermaarden de Bils zeer op zyn ver- weering ftoft , en dit niet wel voor kenners van de Ontleed-konft , als wel voor bet-w eters , en onkundige , wien ft evenveel is , als zy haar ft uk maar ftaande houden. Hy maakt eenige diets , dat ons verfchil aangaande de be- weeging des waters is geweeft , welk hy had vaftgeftelt te gefchieden van de ontfang - plaats na de buy ten-deelen des Lichaams * maar ik van de buy ten-deelen na het midden-punt, en hy zegt, dat ik myn ftuk niet heb konnen ftaande hou- den. Tegens andere zegt hy, dat ik vaftelyk gezegt heb, dat hy nooit eenige Klap-vliefen in de Water-vaten gezien heeft, en dusdanige uitvlugjeiis werpt hy ’er tuflchen. Wat dat aangaat, dat ik zodanigen beweeging des waters ge- ftelt heb, beken ik, en zal ook niet in gebreeken blyven die te beveftigen. Maar dat ik dezelve niet heb konnen bewyzen, ontken ik als een belachelyke zaak, geheel en al. Daar zyn achtbare lieden genoeg, die op die tyt by ons gefprek zyn geweeft, en my garen van het gehandelde getuygenis zullen geven. Ver- der dat ik gezegt zoude hebben, dat de Bils gants geen Klap-vliefen in de Water-vaten gezien heeft, is onwaarheid; hy heeft in tegenwoordigheid van de boven genoemde Heeren meermaalen gezegt, dat ’er in de IVater-vaten geen Klap-vliefen gevonden werden. En dat, indien iemant hem het tegendeel zou- de toon en, hy dien verder dan hy in de Ont leed-konft gekomen te zyn zou be- kennen. Ik beken dat ik dikmaal gezegt heb, dat ik daar toe niet gebracht zou kunnen werden, dat ik gelooven zou dat de Bi Is de Klap-vliefen der Water-vaten ooit voor myn vertoonen gezien heeft: want dat kan ik tot op dezen dag my zel- ven niet infeherpen ; en genomen ik had gezegt, dat hy dezelve nooit gezien heeft, (ft welk echter met de waarheid ftryt) zou den dwers-dryver my wel van onreedelykheid kunnen befchuldigen ? nademaal hy zoo dikmaal gezegt heeft, dat de Klap-vliefen in de Water-vaten van geen Herjfelyk Menfch of ge- zien of vertoont waren. Eindelyk brengt hy tot zyn befcherming by, dat wy alle zyn meening qualyk hebben op gevat, en dat hy van het zyn der zelve niet heeft getwyfe.lt: om het welkte lichter elk aan te wryven, en diets temaken, hy zeker boeksken van den Genees-heer Zafius tot Rotterdam gefchreven, te voorfchyn brengt. Alwaar den Heer Zafius fol. 4. zegt, dat de Bils alle dagen in ft ligt brengt aderen, flag-aderen, water-vaten, Mofch, Klap-vliefen in den borft-buyS5 en dicrgelyke meer* zietgy niet, zegt de Bils, dat my bekent is geweeft dat'er in de IVater-vaten Klap-vliefen zyn? want zelf Zafius zegt, dat ik dezelve klaarlyk gehadt heb. Maar hoe veel dat dit tot ons verfchil doet, laat ik befcheydene Lezer u oordeelen, ik heb met den wargaren verfchil gehad nopende de Klap-vliefen der Water-vaten, welke hier en daar, en over al 111 het geheele Lichaam gevonden werden, hy zegt dat hy dezelve voor dezen in den gyl-buys of dau-voerder (gelyk het de Bils gelieft dezelve te noemen ) ge- zien heeft. Ey doch , wie heeft ontkent dat de Bils Klap-vliefen in den gyl- buys gezien heeft? daar ik piet ontkent heb dat hy dezelve in de Water-vaten zelf gezien heeft , maar liy heeft ons willen aanpreeken , dat ’er in de Water- vaten geen Klap-vliefen zyn, gelyk boven blykt, 51 welk indien hy verdrayen kan, zoo laat hy my de eer van dezen ftryt ontrukken. ONTDEKKING der K L AP-V LIE SE N. HET 11. HOOFTSTUK. Manier e om de Klap-vliefen zn de (a) melk-aderen te vertoon en. Indien in het ontleden iets fwaar valt te onderzoeken , zoo is niet van het min- fte de zienlyke vertooning der Klap-vliefen, welke in de melk-aderen van de eerfte foort zyn. En dit voornamelyk om de volgende redenen. Eerftelyk, ten zy het dier op de behoorlyke tyt na het eeten geopent werd, zoo kan men de melk-aderen qualyk zien , veel minder de Klap-vliefen, die in de zelve bevon- den werden. Ten tweeden, werden in de melk-aderen met gyl vervult zynde, van weegen de donkerachtigheid van den gyl, de Klap-vliefen niet gezien. Ten derden, de melk-adertjens zyn zoo teeder, dat zy qualyk, of geen blaas-pypje in zich laten brengen, zonder het welke zy niet vertoont kunnen werden. Ten vierden, zy kunnen befwaarlyk zoo zuyver van het darm-fcheyl gefcheyden werden, of zy behouden noch een overblyfzel, waar van de Klap-vliefen na- derhant zoo benevelt werden, datzyde fcherpheid des gezichts ontvluchten, zoo dat het niet licht valt de Klap-vliefen der melk-aderen zichtbaarlyk te vertoonen. Niemant van de Ontleederen heeft tot noch toe deze Klap- vliefen laten af- beelden , ook heeft niemant van de zelve als fpaarfaamlyk gefprooken 5 ik vin- de ook nergens iets van het maakfel der zelve gefchreven . weshalven ik in beduchten blyf, of dezelve gezien zyn. Dat ser iets is, dat den dienft der Klap-vliefen waarneemt, wyft de reden zelf. Want indien den gyl van dé Klieren des darm-fcheyls na de darmen gedrukt werd, zoo werd daar op ver- fcheyde plaatzen een tegenftant of fchutzel gevonden. Echter vertoont zich hier door geenzints dat geen , ’t welk de tegenftant dcet: weshalven ik goed gevonden heb het zelve naukeuriger te onderzoeken , en dies te meer, wyl ik bevonden had , dat alle de Klap-vliefen niet van een maakfel of gedaante waren; alzoozyn die, welke aan de bloet-vaten gehecht zyn, (alwaar zy haar takken uitfchieten) niet half-ront gelyk een waftende-maan, maar meer in de lengte uitgeftrekt, 5t welk ik niet weet van iemant tot noch toe waargenomen te zyn. Ook verfchilt geheel en al, dat Klap-vlies ’t welk voor aan den [b) gemee- (*) lze»ce lafit'a. (£) Duólus choledochus communis. ONTDEKKING der KLAP-VLIESEN, nen gal-wech in den dunnen darm geftelt werdt , van die welke in de dikke darmen gevonden werden. Waar in ik geen een, maar veel Klap-vliefen be- vind , gelyk ik de zelve in een gedeelte van een dikke darm van my opgeblaa- zen en uitgedroogt heb, op dat ik de zelve aan naukeurige lieden als ’t haar beliefde zou kunnen vertoonen, ter ty t toe dat ik de zelve uitgebeelt yder zal mededeelen. Daar is ook geen kleyn onderfcheid tuflchen de Klap-vliefen van het hert. Welke zaaken aldus overwegende, hebbe ik veel moeyte aangewendt, en vergeefs veele onderzoekinge gedaan, eer ik myn naukeurigheid heb kon- nen voldoen, en de Klap-vliefen vertoonen: wiens ware bereyding ik uit ey- gen wil ontdek. Omtrent drie uuren na dat het beeft gegeeten heeft moet men het worgen, de buyk geopent zynde, moet men zeekere melk-ader met gyl vervult af bin- den omtrent het {a) Klier-bedde van Afellius , of liever de Klieren van het darm-fcheyl , op dat het melk-adertje niet haaftelyk te gelyk met het melk- achtige fap uyt het gezicht raakt. Daar na moet men omtrent het begin, ’t welk is van de vliefen der darmen een blaaspypken bequamelyk in brengen, ’t welk gedaan zynde, moet de bant losgemaakt, en het melkachtige vocht met de vinger wechgedrukt werden. Dit aldus verricht zynde, zoo moet men daar op nieu weder een bant omleggen, het melk-adertje opblafen by het pypken, op dat de wint daar niet uitvliegt, het zelve binde, en naukeurig van het darm-fcheyl fcheyden, dat ’er ook niet een overblyfzel aanhangt, en eyndelyk in de lucht hangen om te droogen, als dan werden de Klap-vliefen klaarlyk gezien, dub- bel, halvemaans gewys, met die, welke in de wy-vaten gevonden werden, op een hayr overeenkomende. Ten eerften, ftaat waar te nemen dat de melk-aderen van de eerfte foort, niet foo veel Klap-vliefen hebben, als de tweede foort, gelyk men in de derde Fi- guur zien kan. Ten tweede, dat alle de Klap-vliefen der zelve met haar hollig- heid na de Klieren van het darm-fcheyl zien, zoo dat van de zelve niets na de darmen geftiert kan werden. Ziet hier af de derde Figuur letter b. b. b. Ten derde, dat deze Klap-vliefen in alles naukeurig opgemaakt, niet kunnen gezien werden als by helder weder, en zuyver licht, op dat ik echter niet fchyn onrede- iyke redenen voort te brengen, ik bewaar ten mynen Huyfe eenige gebalfemde nielk-vaten, die ik aan veele achtbare Heeren vertoont heb, in welke deze Klap- vliefen klaarlyk gezien werden : als ook eenige aderen met takken, voor welke deze Klap-vliefen meer in de lengte uitgerekt, geftelt zyn, waar van ik boven heb gefprooken, welke ik niet oneygentlyk by een halve vingerhoet geleken heb: ’t welk blykt aan Higmorus geheel verborgen geweeft te zyn, uit zyn Ontleed- onderzoek des menfchelyken lichaams in de tweede Figuur van de tiende tafel, alwaar alle de Klap-vliefen der aderen van een maakfel bevonden werden : ook heb ik tot noch toe naarftig zoekende, geen Ontleder gevonden, die dit heeft waargenomen. UYT- («) Pancreas Alfell/i. ONTDEKKING der KLAP-VLIESEN. UYTLEGGING van de 111. FIGUUR. *£)eze vertoont de meuz-aderen van een raart, van de eerjte en tweede zoort, de Klier van het darm-fcheyla en een gedeelte van den ontfang-p laats des gyls. A. ‘De darmfcheyls Klier van een ‘Paart, van . Afellius het klier-hed- de genaamt, in wiens i voorjte gedeelte de melk-aderen van de i eerjle zoort zich in- planten , maar van het acht erft e gedeelte ne- men de melk-aderen van de tweede zoort haar begin. 888. Melk-aderen van de> eerfte zoort. Bb b. Klap-vliefen die in dezelve gefien werden. C C C. De wortelen der zelver aderen van de dunne darmegefchyden. DD. Melk-aderen van de tweedeJoort, waar in de klap-vliefen meerder in getalzyn>zo dat zy ten \ opfigt van de gedaante \ van d'water-vaten niet ■ verfchillen, gelyk door den beruchtenHeer Sil- ‘vius in dijp. de Vaf: Lymp: th: iz, veel is aangemerkt. UT. 11 UYTLEGGING-vaft-deJV. FIGUUR. A. Een melk-adertje met de Klap-vlicfen, aaaa. Een geopent melk-adertje. uï t legging van de v. figuur, A. V'ertoont een gedeelte van de borjl-buys van een Taart, waar in de Klap- vliefen aa. gezien werden. B. Het gedeelte van den borji-buys met zyn heiligheid na den ontfang-plaats des gyls toeziende. Van Van de WATER-VATEN der MILT. Van de WATER-VATEN der MILT. HET 111. HOOFTSTUK. Maniere om de Water-vaten in de Milt te vertoonen. Daar zyn onder de nieuwelingen (Tchoon in de Ontleed-konft naukeurige) welke gemeent hebben dat de Milt gantfchelyk geen Water-vaten had. Onder welke JVharton dien uytmuntenden Ontleeder, om zyn verdienfte eer- waardig , in zyn Klier-befchryving des geheelen lichaams op het dertiende bladt zegt; Maar men kan qualyk ver fier en t&t welk gebruyk hy dit vocht tot zig trekt, als tot de fènuwen 3 want daar ontbreeken alle andere vaten door welke het zelve zou afgevoert werden, uyt genomen de fenuwen, IVant daar werden tot noch toe geen water-vaten door dit deel (hy fpreekt van de Milt) waargeno- men : Francifcus GliJJbnius bekent ook in zyn Ontleeding der lever, dat hy de zelve niet gezien heeft Fol. 516. met deze woorden : hy heeft vaten, (fprekende van de Milt) fag-aderen, aderen, veel fenuwen, en ontelbare fe- nu achtige vefelen, water-vaten zien wy geen, en laten de zelve, indien daar eenige zyn , voor andere naukeuriger oogen overig te ontdekken. Gualterus Charleton ftaat ook in zyn (a~) Befchryving van de dierlyke huyshouding , geen water-vaten de Milt toe. Fol. 178. Van de vinders der water-vaten werden twee foorten geftelt, waar van d'eene alle die welke in den buyk be- houden zyn, de andere de verdere welke uyt de ledematen of uyt erft e deelen des lichaams haar begin nemen. F)e eerfte Jpruyten van de lever , het net, en byna van alle de deelen der onderfte buyk , uytgenomen de Milt, waar in de zelve tot noch toe niet gevonden zyn. Ik zoude lichtelyk meer Schryyers die van dit gevoelen zyn, kunnen opnoemen, maar op dat ik niet te langwylig werd, zal ik de zelve daar laten 3 en alleen dat ontdekken, ’t welk ik oogen- fchynelyk omtrent de water-vaten van de Milt heb waargenomen 3 maar ik heb boven gezegt, dat de Milt overvloedig van Water-vaten verzien was* derhalven zal ik nu kortelyk verklaren 3 op welke wyze men de zelve moet nafpooren. Opent twee uuren na het eeten den buyk van eenig geworgt of gellacht- dier, en bint te gelyk alle de Milt-vaten 3 zoo bloet alswey-vafen af, want datelyk vloeyt het vocht uyt de vaten 3 dit gedaan zynde, moet de Milt boven {a) Oeconomia animalist Van de WA TE R-VAT E N der M I LT. de bant afgefneden (gelyk de fesde Figuur vertoont) en op een plank of tafel gel egt werden; op dat alles klaar gezien zou kunnen werden , drukt dan eyn- delyk met de vinger het water van het uyt-eynde na den bant , zoo komen de vaten overvloedig in ’t gezicht , door welke het water geenzins (ten zy met gewelt) wederom gebracht kan werden, echter Haat wel waar te nemen, eer- llelyk dat deze vaten niet alleen in het opperde gedeelte van de Milt gevon- den werden , maar ook in het binnenlle, en de (a) Milt-flag-ader en de fenu- vven vergezelfchappen. Ten tweede, dat zy in alle dieren van een zoort niet even overvloedig zyn. Ten derde, dat de Milt van een Menfch niet zooveel Water-vaten, als die van een Kalf heeft. Ten vierden, ftaatwel toe te zien in het binden van de Miltvaten > dat deze 3 ’t zy wey- of water-vaten niet o-e.. fchent werden. (a) Arteria Splenica, VERKLARING van de VI. FIGUUR. Deze vertoont de Milt met de afgebonden venter-en A. Een Kalfs Milt, B. ’De af gebonden bloei- en water-vaten. C. jCte Milt-ader. D. T)e Milt-Jlag-adei\ E. Milt-fenuwen wiens getal onz>eeker is. F. Water-vaten in het üyt* terfiegedeelte van de Milt haar begin nemende. ff ff. Klap vliefen in dezel- ve vaten. G. Debuut, ONTLEED-KONSTIGE AANMERKINGE, Ontleed-konftige AANMERKINGEN. HET IV. HOOFTSTUK. EERSTE AANMERKING. Ontleeding van een 'Dochtertjen , hebbende aan jyder zyde dertien ribben. JjgTfglJ n ’t Jaar 1664. heb ik het doode lichaam van zeeker Dochterken 3 lllx door een Qa) lang-uytteerende koorts geftorven, geopent in ’t by- WÊ |||| zyn van de Genees-heer van Santen y zich tot Haarlem gelukkelyk oefFenende , wy zagen dertien ribben in yder zyde 3 ook bevonden wy tweemaal aan een zyde twee ribben vereenigt. (a) Febris lento, heéïica. TWEEDE AANMERKING. lUytfchieting van het (d) bekken en (b) pis-leyder van het uyterlyke en bultige gedeelte van de Nier, Dat de natuur omtrent de Nieren verandering onderworpen is , bevinden die, welke in ’t openen van lichamen zich verluftigen. In ’t Jaar 1665. in Wiedemaant heb ik een Hont, om de melk en water-vaten te onderzoe- ken , geworgt, de linker nier wat flap zynde, had in zich twee wormen be- Ilooten , ten minften acht vingeren lang. Het bekken en den pis-leyder, fchooten uyt het uyterlyke en bultige gedeelte, Qgelyk als de zevende Fi- guur vertoont) en in het bekken was een fteentje , waar door het my zoo verdopt fcheen, dat ’er ook niets uyt die nier tot de blaas zou konnen ko- men. (*) Pelvts. (b) Ureter, ONTLEED-KONSTIGE aanmerkinge. VERKLARING van de VIL FIGUUR. Vertoonende de linker nier, uyt wiens bultige uyterlyke gedeelte het bekken en den pis-leyder voortkomen, . vu A. He 00 groote flag-ader. B. He (b') holle-ader. C. He linker nier. D. Het hekken van het uyterlyke en bultige ge- deelte van de nier voortkomende r 'werdende eenigzins buyten de nier gezien. E. acf. 22. eer groot gal-blaasjen, door verftopping in een Koe gevonden. In ’t Jaar 1665. *n Grasmaant, heb ik een doode Koe geopent, waar in, door verftopping van de gal-wegen , ik een gal-blaasjen gevonden heb, hebbende ten minften anderhalf pint gal in zich, waar door het zoodanig was uytgerekt, dat’er niet meer in zou gekonnen hebben. Want daar waren reets veel vefelen gebrooken 5 de reden van dit verftoppen onderzoekende , vond ik de gal-weg dooreen fteenachtige ftof (het douwen van de vinger wy kende) zodanig verftopt, dat ’er niet, ten zy met gewelt, een droppelken koude uytvloeyen. Welke ftof rontom de ronte van de hals der blaaze zodanig vaft zat, als de wyn-fteen aan de vaten is gewoon te bakken. ACHTIENDE aanmerking. Een (d) gal-pyp door een flèèriachtige Jiof vervult* In de gal-pyp van OfTen y Kalven, en Schapen 3 heb ik dikmaal zoo veel fteenachtige ftof gevonden 5 dat "er voor de gal 3 die in het bovenfte deel Vas j geen plaats 5 waar door zy in de darmen zou konnen komen 3 gevon- den wiert j waar door de gal-weg zoo uytgefpannen was 3 dat zy zomtyds tweemaal dikker dan de poort-ader was. In zoodanige gal-wegen heb ik dik- maals breede wormen fdie men botten noemt) geteelt gezien. (*) P°rus Bilarius. ONTLEED-KONSTIGE AANMERKINGE. NEGENTIENDE AANMERKING, Een geheele verteer'mg van bet darmfcheyl, door dien de Klieren van het darmfcheyl (a) hart geworden waren. Het verteeren van het net is niet doodelyk 5 want veele die dit hebben% leven noch lang daar na: ’t welk ik niet alleen in heeften 3 maar ook in menfchen, welke van een (E) worg-gefwel haaftelyk, als ook van een Beul ge worgt geftorven , heb waargenomen. Maar dat het verteeren van het darm- fcheyl doodelyk is, hout yder voor een beweeze zaak. In ’t Jaar 1664. in Sprokkelmaant, hebben wy het doode lichaam van zeker Mansperfoon 3 out omtrent 25 Jaar, vaneen (e) teering geftorven, geopent* in wiens buyk zich aan de maage-zyde , onder de milt, een hart gefwel vertoonde , zynde met een byzonder vlies omvangen, en grooter als een kints hooft: zoo dat het ten eerften aanzien, een tweede maag geleek. Het darmfcheyl geheel en al verteert zynde, zoo zag men al de darmen na de rechter zyde in een gekrinkelt. Al de darmfcheyl en lende-klieren waren ook ten deele vergaan, en verhardet. TWINTIGSTE AANMERKING. Ontleding van een verfyfde Koe. In ’t Jaar 1665. den negende van Bloeymaant5 heb ik een Melk-koe5 die aan een (d) teering ging 3 zoo verftyft gevonden 3 dat zy het hooft niet na de weyde konde buygen, of op haar beenen ftaan. Deze, doot zynde , heb ik geopent, waar in ik al de (ej vafte Klieren hard heb gevonden 3 zynde de (f) zamengezette gantfch niet gelyk. EEN-EN-T WINTIGSTE AANMERKING. Twee (g) quyl-buyfen van een on derf e kaak-klier voortkomende. In ’t Jaar 1664. met den Heer Regnerus de Graaf, naarftig Onderzoeker der Ontleed-konft 5 in een Honden-hooft bezig zynde } vonden wy twee (juyl-buyfen van een onderfle kinnebaks-klier haar begin nemen. (a) S irrhofus. (h) Angina, (c) Tahes. {d) Atrophia. (*) GJandnU Conghhat*, (ƒ) GUnduU Conglomeratie, {g) Duólus dakvales. ONTLEED-KONSTIGE AANMERKINGE. 2 7 TWEE-EN-TWINTIGSTE AANMERKING. De bloet-vaten in een Menfchen milt verfchillen van dte der Koeyen. In’tjaan66s. inHooymaant, bezig zynde met het nafpooren van de bloet- vaten in een Menfchen milt, heb ik bevonden dat de aderen by de ilag- aderen bleven byna tot de uyt-eynden van de milt , anders als in een Oden milt , waar in de ader , zoo dra zy door het vlies komt van de milt , ver- dwynt i gelyk by Higmorus trib; VII. fol. 62. te zien is. DRIÈ-È N-T WINTIGSTE AANMERKING Twee Pisleyders van een Nier. In ’t Jaar 1664. het doode lichaam van een Vrouw openende, hebben wy gezien dat de rechter nier twee Pis-leyders had, welke, eer zy aan de blaas quamen, vereenigt wierden: zoo dat zy te gelyk de blaas doorboorde. En my gedenkt, dat ik diergelyke maakfel van een nier onlangs by de Heer J. Stalp er t van der Wielen, Genees-heer en naukeurige Ontleder, gezien heb. VIE R-E N-T WINTIGSTE AANMERKING. Ren Jieentje in het wezen van een Lever gevonden. Daar is wel niet gemeender, als het groeijen van fteentjes in de gal-wegen van Oflen en Schapen j maar niets bevind men weyniger , als deze in het wezen van de lever zelfs: Zo dat ik durf voor vaft Hellen, dat ik (fchoon wel meer als hondert reyzen met het ontvledigen van levers bezig geweefl zynde) maar eenmaal het zelve heb gezien in ’t Jaar 1664. ten welken tyde my (nauwkeurig op alles lettende in het ontvleeligen van levers) een hard 1 eentje in ’t gezigte quam , zynde in het wezen zelf verborgen , geenzints aan de gal-weg gehegt, op een fchaal gelegt, woeg twee fcrupels. VYF-EN-TWINTIGSTE AANMERKING. Hat {d) 'water-hlaasjens in (W) ‘Pap, (V) Spek en (V) Honig-gefwellen zomtyds veranderen, bevefiigt de eygen ondervinding, Ik en vinde geen reden van twyffeling, dat Water-blaasjens in Pap , Spek , en Honig-gefwellen veranderen. Want ik heb van dit ]aar veel dusdanige (0) Hydat:des, (£) Atherorn.ita, ( Spek, en Honig-gejwellen zomtyds veranderen. ' 27 XXVI. De Monde kens van de onderfte quyUvaten kunnen in een levend men fch zelden gezien werden. * '2B HONDERT ANATOMISCHE en CHIRURGICAALE AANMERKINGEN Van FREDERXCUS ROYSCH, Med. T)oB, Hoog-Leer aar in de Ontleed en Kruidkunde : Medelit in de Keyferlyke Academie in Duytfchland, en van de Koninklyke der Geleerde in Engelandt. Waar by gevoegt is een CATALOGUS van RARITEYTEN, Dewelke in het Gabinet van den zelfden FREDERICK RUYSCH werden bewaart. Ofgeheldert met Kolere 'Platen. Vertoonende de declen, volgens haare natwirJyke grootheid. DEN WEL EDELEN, GROOT AGTBAREN HEEREN, DEN HEERE JOHANNES HUYDEKOOPER, Ridder, Heere van Maarfèveen en JSleerdyk, &c. JOHANNES HUDDE, Heere van Waveren, &c. MR. NICOLAUS WITSEN. JOAN de VRIES. Zeer waarden en wel geagten Borgermeefteren, en Raaden der Stad Amfterdam. Zjnen Heeren, hegunfligers, en altoos eerwaardigen befchermers, Word een langduurig Geluk en Heyl toe gewen fcht Van FREDERIK ruysch. Wel Edele, en Groot Agtbare Heeren. »e Vrugtcn en Arheyd, hoedanig ze ook zyn, van sfc Hoog Leeraar-ampt in de Ontleed- en Heel-kunde, het welk ik nu al over de twintig jaaren onder U Ed, Groot Agth. gunftig beftier en befcherming hebbe geoeffent, worden U Ed, Groot /igtb, wydt-beroemden naam toege-eygent. De (chuldigc pligt van dankbaarheyd voor de byzondere, dog onverdiende , zoo meenigmaal van U Ed, Groot sïgtb. genootene goedgunftig- heyd, eyfcht, ja gebied my zulks. Ik oordeel en betuygc, dat ik altyd myn uyterfte vlyt moet aanwenden, dat UEd. Groot /igtb. zoo ontallyke anderen , en geftadige weldaden omtrent my en myne vrienden , als ook voornamentlyk die, waar mede U Ed\ Groot my onlangs nog met een ander Hoogleeraar-ampt, namentlyk in de Kruyd-kmde, verwaardigt hebt, niet onder een ondankbaar ftilzwygen begraven worden. Wat zou ik dog een beter blyk van myne dankbaarheyd, die meer overeenkomft had met myn Ampt van de Ontleed- en Heel-kunde te onderwyzen, (hoewel ik geheel en al buyten ftaat ben, U Ed, Groot Agtb. uyt- fteekende dienften omtrent my bewezen, te vergelden) te voor- fchyn kunne brengen, als deze verzameling van niet min nauw- keurige , als nuttige aangemerkte zaaken niet alleen, UEd, Groot Agtb. voor’t gezigt te leggen, maar ook U Ed, GrootAgtb. wydt- beroemde naam op te dragen ,* voornamentlyk, na dat ik door U Ed, Groot Agtb, toelaatinge daar en boven de zoogewenfchte vryheyd verkregen hebbe van de doode lighaamen in ’t gemeene Gafthuys te openen, en derzelver binnenfte ingewanden te door- Ihuffelen. Derhalven , Wel Ed, Groot Agtb. Heeren, heb ik de ge- fchiedenis en ?t gedrukt verhaal van dat geene, ’t welk ik daar en elders heb mogen aan merken, UEA, Groot Agtb. ootmoediglyk op- gedraagen, en in de fchoot van UEd. Groot Agtb. befcherming en goedgunftigheyd nedergeworpen , met een vaft vertrouwen , dat deze myne blyk van myne fchuldige gedienftigheyd omtrent U Ed, Groot Agtb. met die vriendelykheyd en genegentheyd van UEd, Groot Agtb, zal werden aangenomen, waar mede UEd, Groot Agtb. altyd gewoon zyt my zelfs te ontmoeten. De gunftige goedkeuring my- ner pogingen, die UEd, Groot Agtb, ten allen tyden ongeveynsdelyk hebt gelieven te betuygen, doet my dit te meer hoopen. Ik bidde de groote goede God, IVel Edele Heeren, dat hy UEd. Groot Agtb% op ’t langduurigfte gezond bewaare, en UEd, Groot Agtb, allen, en icgelyk in ’t byzonder een gelukkige beftiering van dit gemeenebeft, zeer hcylzaame raadflaagen , en voorfpoedige gevolgen van alle onderhandelingen, flandvaftig verleene. Amfterdam den 2j. van Lentemaand, i6c>o. goedgunstige LEZ E R gat de Genees-konft niet alleen zyn oorfpronk, maar ook zyn aanwas J van de ondervinding genomen heeft, en dat ’er derhalven geen konft is y waar in de ondervinding, zoo om de zelve te onderfteunen , als te voltooyen, zoo zeer van nooden is, is al over lang van Htffocrates, en daar na van anderen zeer deftige Autheuren aangetoont. Nadien de onder- vinding , volgens het getuygenis van Galenus, een aamner king en gedagtenis ) Pfeudomola, XXIX. AANMERKING. Een klomp van geronne {c') bloedige ftoffe, zomtyds een zuyger verheelr* dende. XXVII aanmerking. (c) Critor. AANMERKING. Een afzetting van een kancreufe {dj roede, (d) Penis. XXXI. AANMERKING. Een (e) gal-blaas van binnen in celletjens verdeelt, en met een Jieenagtige korft bezet. (e) Veficula Jellca, XXXII. AANMERKING. Op ge ft op t e (f) maanftonden van een vlies dat de vrouwe lykheyd toeftoot, e/i door een fneede van de zelve ontlaft, (ƒ) Menfes. XXXIII. AANMERKING. Een (g) moerkoek in de waterblaasjens verandert. Cf) Placenta. XXXIV. AANMERKING. Een Lendene gezwel van een kindje met een in {h) tweegejpleten rugge- graat. (6) Spina hifida. xxxy. aanmerking. Het zelve ongemak m't onderjie gedeelte van V (i) heylig been gevonden. (O Os Sacruw. XXXVI. AANMERKING. {Oiergelyk doodelyk gezwel in de Lendene van een Meysje. XXXVII AANMERKING. Een (k) bederving der ribbens door een (/) ftag-ader gezwel, van de groot e ... „ m Jlag-ader. Kk) Cartes. (/. Aneurifma. (Rn) Arteria aorta. XXXVIII. AANMERKING. Een rnonjlreufe (/J jlag-ader gezwel. XXXIX. AANMERKING, Een doodelyk /n) hard gezwel van de maag. C») Scirrhfis, - i Een ‘veranderde (d) hoofdpyn, door een gezette [b etter-dragt in de nek ophon* den de, dezelve weggenomen zynde, quam wederom, en dat dikmaals. XL. AANMERKING. U) Cephalaa. (F) Setaceum.. 1 XLL AANMERKING. Een groote uytvloeying van (c) water door het openen van een (d) Lies-gezwel, door een particuliere konfi tegengehouden, (c\ Lymvha. Cd) bubo. XLII. AANMERKING. Een zeer groot e (e) bloedvloed uyt een zweer van de \f) roede, wel door een ligte, maar by zonder e konji tegengehouden. ie) Ha'mcrrhasia, (J) Penh. XLIII. AANMERKING. In een dood Üghaam van een Kraamvrouw, met een gapende mond van de Lijf- moeder en ’t (g) bekken met vogten vervult. (>) Felvis. XLIY. AANMERKING. Een barnfteene coraal lang in de neus gebleven, met een (h) fteenagtige flojfe omvangen. {h) Tovhus. XLV. AANMERKING. Verfcheyde aanmerkingen in 51 doode lighaam van een waterzugtige Vrouw\ waar onder de klieren van de Lever zeer opgezwollen waren, XLVI. AANMERKING. Een (i) waterzugt van de Btiyk, befiaande uyt waterblaasjes. (j) Afcites. XL VIL AANMERKING. Een (k) fcheur van ’t bekkeneel' door een (/) kneuzing , gaande zelfs door de {m) naaden, (t) Ftjfura, (/) Contujio. (m) Sutura. XL VIII. AANMERKING. (ji) Baf aart vleefch van ’t verhemelte met (o) bederving, door het mes en gloeyendeyzer gelukkig weggenomen. (;;} Fnnms. (o) C artes. XLIX. AANMERKING. Het zelve geval, maar van een verkeerde uytkomf door onwetenheyd van Ghiakzalvers. L. AANMERKING. 1 Een hardigheyd en ver zweer ing van de Lever gelukkig- genezen. LI. AANMERK I N G He (ƒ) Nier, (q) Lever en (r) byflaande Nieren &c. kunnen gevoeglyk gehou- den werden voor bloedagtige klieren. (p) tien. (7) tiepar. [r) Renes óuccenturati. 'Gezwellen aan V agt er hoofd der kinderen afhangende, zelfs groot er als hét hoofd. LUI. AANMERKING. Een doorgaande wonde in de bord , met uythanging van een Jiukje van de Long genezen. LIL AANMERKING LIV. AANMERKING. Een doodelyke wonde in *t (a) oog-rad of oog-hoL (<0 ürbita oculi, lv. aanmerking. Een deorgejlokte field, zyn uytgang zoekende door een zweer in de LVI. AANMERKING. Een (b) vogtige kortborjiigheyd, met een aanmerkenswMrdige fiemin de Nier. {b) Afihma ferofum. LVIL AANMERKING. Steenen van ongehoorde groot ein een Jongetje van drie jaar en. *&€ oorfpronk en natuur van de (r) Zuygers, of vleezige misdragten der vrouwen* LVIIL AANMERKING. (f) Mola, LIX. AANMERKING. Het (d) vuur en doorbooring van de {e) vrouwelykheyd en (f) endel-darm ge- lukkig genezen. (d) Gangrxna. (?) (ƒ) httejiinum rettum. LX. AANMERKING. Een (g) kneuzing van ’t hoofd gelukkig genezen , alleen door een {h) ftoovïng zonder Jhyding, ligtv aardig voorgejield van een onervaarene. (jf) Contufio. {h) Fomentum. LXI, AANMERKING. Een ontfeeking van de Lyfmoeder na de baaring, welke zomtyds voort- komt door de LojfJlgheyd der F7'roed‘vrouwen. Infiantmatio. LXII. AANMERKING. Een neder gezakte (E) milt tot in het bekken, werdende desze Ifs plaats van zeker 5 na de milt gekkende lighaamtje bekleed. {£) Lien. , • ' ... _ LXIII. AANMERKING. Een langagtig gezwel van de buyk veroorzaakt door toe krimpingvan' t Net. LXIV. AANMERKING. Hier en daar verborgene wormen in de ingewanden. LXV. AAN ME RKIN G. De Le ver voor een groot gedeelte in waterblaasjens verandert, en van een onwetende onvoorzigtig doorboort. LXVI. AANMERKING. , De milt uyt een levendige Hond gefneden, die, niet tegenjiaande een zwaare bloedvloed, genezen is. LXVH. AANMERKING. De (a) rugge-graat in een circul omgekromt. [a] Spina dorji, LXYIIL aanmerking. Een wonder lyke f zamentrekking van de maag en *t gedarmte door gebrek van Jpys en drank♦ LXIX. AANMERKING. Beenagtige en f zamengegr oey de (E) Klapvliezen van V Hert. (£) Ealvulce. LXX. AANMERKING. Eerbar ding e eniger deelen in een water zugtige vrouw. LXXL AANMERKING. Een doodelyk gebrek van de huyd of vel omtrent de navel, in een eerftge- boore Kind. LXXII. AANMERKING. Een uytjlorting der Ingewanden door gebrek van de huyd omtrent de navef in een eerjigeboore Kind. • LXXIIL AANMERKING. Een niet minder aanmerkenswaardig voorval, omtrent het gebrek van de huyd, en fpieren van de buyk. LXXIV. AANMERKING. Een (V) Honds honger van een verjlapping van de (d) Sluyter van de maag. (f) Fames Canïna. {d) Pykrus. Een gelukkige geneezing van een aanmerkenswaardige wonde in de blaas, en een daar op volgende breuk-gezwel. LXXV. AANMERKING. lxxyi. aanmerking. Een hardigheid van een ulcereufi Tong, door het mes engkeyendyzer weg- genomen. LXXVIL AA N MER.K I N G. Hangende (f) Jlym-proppen in ’t (ƒ) hol. van. Highmorus» (e) Polypi' (f) Anirurn High mor ian urn. LXXVIII.: AAN M E R K I N G. Inwendige O) fiburpe van de blaas, te geljik met vLeesagtige klterige uyt~ wajfingen. (a\ Scabies. 1; LXXIX. AA N M Eli I N G. Wonderbaar lyke fpeeling van de natuur > omtrent dè vaten van de meren. LXXX. AA N M E RKIN G. Een oneffene oppervlakte vnn de nier in een bedaagde. LXXXI. AANMERKI NG. Verwonderenswaardige zaaken in een (Jr) Zwam-gezwel of beenvreter. (£) Tumor 'kungofus, ./ivq '(tyfcvorus. LXXXII. AANMERKING. In V geheel (V) verbeet ene kappen der' tanden, vcrfcheyde oorzaken, door waggeüng en uytval der tanden. (f) Alveolt dentium. LXXXIII. AANMERKING. Onvrugtbaarheyd door toefiuyting van de trompetten van Fallopius, LXXXiy. AANMERKING. Waarfchynelyke uytbarfting van de kraamvloed door de trompetten van (d) Fallopius tot in de holte van de Buyk. (d) hochia. LXXXV. AANMERKING. Waarfchynelyke uytfiorting van de (e) maandftonden door de trompetten van Fallpms tot m V bekken. (e) Menjiru*. LXXXVI. AANMERKING. Een qualyk gtj elde Lever, en op hoe danige het van een water mgtïge. LXXXVII. A A N M E RK I N G. Een diergelyke qualyk gefielde Lever in een ander , met een fieen in de Cf) gal~weg. (f) Pu ff Ui Cyjiicus. u LXXXVIIL AANMERKING. Een aftrekking van de Lyfinoeder, na de een of de andere zyde. LXXXIX. AANMERKING. Een fieen van de blaas, bezet met etteragtige verdikking van een vinger dik. XC. aanmerking. Een galblaas dikmaals in tween verdeelt Qvoornamentlyk in kalveren') maar zeer zelden, zoo het ooyt, in'tgeheel dubbelt. XCI. AANMERKING. T>e waare oorzaak van V ongemak Miferere Mei of Ileos, door verfcheydene exempelen aangetoont. XCII. aanmerking. Een bovenmaate verwydering van de (a) Kronkeldarm. (O Cohn. „- , 1 ; XCIII aanmerking. £>« ingebeelde, en waare beweging van de Baarmoeder. xciv. aanmerking, Een wonderbaarlyke verwydering van een (JE) Bisleyder, in zig onthouden- de een pint etters. Ut) Ureter. - k' xcy. aanmerking. Een harde verdikking en wonderbaare vernauwing van den (V) endeldarm > na een Cd) moeyelykheyd in ’t watermaken. (c) Re cl urn intejlimm. {d) Dyfitna. XCVL aanmerking \'Diergeïyke verdikking van den endel-darm. XCVIL AANMERKING. Een ongemakkelyke uythaaling van de Moer koek, die veroorzaakt werd door een byzondere inplanting van de navel-ftreng in dezelve. XCVIII. AANMERKING. Een (e) waterblaas breuk in t balzakjejwaar bygevoegt is een (f) liefch-breuk. (?) Hernia Cyfiica. (f) Bubonoeele, XCIX. AANMERKING. Wonderbaar lyke uyt zetting van de nieren en pisleyders in Schapen. C AANMERKING. waare ge ft alt e van V hoofdje van de roede, nieuwlyks ontdekt 45 ANATOMISCHE en chirurgicaale AANMERKING EN Van FREDERICÜS RUYSC H. I. AANMERKIN G. JElen wonder baarLyke Steenfhydïng in een Vrouw Tan 8 o J'aaren* ®nder alle de gebreeken van ’t lighaam ~ die den rtienfch ellendig ge- woon zyn te plaagen, is geen van de minfte de fteen in de water- blaas. \yejica urinaria] Deze quaal , alhoewel in ons Nederland zeer gemeen , is nogtans zeer raar en ongehoort my nu onlangs voorgekomen in een 8 o Jaarige Vrouw , die door de pyn zeer vermagert., en al 20 Jaaren met een uythanging \ propendentia uteri ] van de lyfmoeder geplaagt was geweeft, met groote moeyte, en onlydelyke pynen in ’t water maaken, zoo dat de lyderffe tienmaal liever wildé dood wezen, als zulks lan- ger lyden, voornamentlyk in de twee laafte Jaaren. Eyndelyk in de Maand Mey 1681. heeft zy my laaten roepen, klagende over een uythanging van de lyfmoeder, verzelt met groote moeyte in ’t wa- teren. Ik verwonderde my over de klagten van deze oude Vrouw, cm dat noyt de Vrouwen zoo veel pyne hebben alleen van de uytzinking der baar- moeder, daar by voegende dat te yreezen flond , dat’er nog een ander qua ad moeite by zyn , als alleen de uytzinking van de lyfmoeder, ’t geen nog in ’C duyfter verborgen lag. Dit gehoort hebbende, heeft onze ellendige niet geweygert een nader on- derzoeking te laaten doen (zonder welke wy van dit verborgene ongemak niets konde zeggen) en heeft my vertoont een nederzinking [prolapfus■] van de baarmoeder, die een weynig grooter was als na gewoonte , van de zelve form en figuur, zoo als de Plaatfnyder die heeft uytgebeelt. Deze baarmoeder bevoelende, meende ik iteenen te voelen,.en het heeft my met bedroogen! alhoewel misleyd omtrent de form van de fteenen : het fcheenen dunne fteejiagtige fdiilfers (in ’t duyts- Leyen) [Lamina] die na de I. AANMERKING. fnyding bevonden wierden hoekig en grof, gelyk uyt de bygevoegde Figuur blykt. _ ' : Nogtans koude ik niets zekers daar van befluyten , of deeze gezeyde ftee- nen haar plaats hadden in de holligheyd van de baarmoeder zelfs, of tuflchen deszelfs vliezen , of in eenig gedeelte van de. blaas. ' Zy fcheenen wel plaats te hebben in de baarmoeder, die in ’t geheel, zoo als hy was, uyt het lighaam hing (als de Figuur ons aanwyft) zonder eenig gedeelte van de blaas in het minfte te kunne zien. Deze zaaken gezien en onderzogt hebbende, ftelde ik een fteenfnyding voor: de beroemde Hcèlmeefters Tiet er Adriaanz, en And. Boe' ebnan zyn daar by geroepen, die dezelve operatie mede aanprezen, om ze des anderen daags te volbrengen. Deze ellendige Vrouw hoorende, dat de operatie tot den anderen dag uyt- gefteld wierd, heeft beginnen te fmeeken, uytroepende, o! my ellendige, gyl. zult niet wederkeeren , gyl. zult my verlaaten &c. door welke klagten bewoogen zynde, hebben wy aanftonds de operatie in ’t werkgeftelt, alleen- lyk met een fnee na de lengte van de uythangende baarmoeder te geven, en in een ommezien tyds hebben wy 42 fteenen uytgehaald, ten deele alleen met vingers, ten decle met inftrumenten j welkers groote en form gy ziet in de 2. Fig. In deze operatie heeft de Zieke weynig pyn gehad, en dezelve ge- daan zynde, en ontlaft van dat pakje , zyn aanftonds deze fcharpe pynen verdweenen, U YTLEGGING van de I. FIGUUR. A. A. cDe Scharnelheyd. B. T)e Baarmoeder uyt het lighaam hangende te gelyk met een gedeelte Van de blaas uytgefchooten, die de baarmoeder inwendige [orificium uteri internum] mond van de lyfmoeder) omvattede. C. dJe inwendige mond van de lyfmoeder. welke pynen Zy zoo veel Jaaren geleden had, en heeft vry gemakkelyk be- ginnen te leven: in de fnyding zelfs, behalvende druppeltjensbloed, vloey- de nog eenig vogt uyt de wonde, waar door wy gedagten kreegen, dat de blaas ook naa by was * en niet te onregt: want des anderen daags ’t zelve na- der onderzoekende, en door het behulp van een fpuytje vogtigheyd door de water-weg infpuytende, vonden wy dezelve door de wonde uyt te gaan; en heeft de pis in de volgende dagen door de wonde druypende , ons doen blyken, dat de gezegde fteenen in een gedeelte van de blaas , te gelyk met de ’ baarmoeder uytgcvalle zynde, gehangen hadden, TT'V Taij> ■ ZYeerd ■ dof. & I. aanmerking. ' Deze druyping van de pis heeft ons geen kleyn beletzel gegeven in ’t ge- nezen van de wonde3 dieeyndelyk (door degoedertierentheydvandeGroote God} in ’t kort volbragt is geweeft op de volgende wyze. Eenige dagen daar na de wonde befmeert zynde met de balfem van Arcaus, zyn deszelfs lippen zeer fterk byeengebragt door een diapalm pleyfter met wat terpentyn vermengt, op dat het te beter zoude kleven 3 welke pleyfter ge- fnede was5 als in de bygevoegde 3. Figuur te zien is, overdekt zynde met een compres [< fplenid] en bequaame bandagie. Figuur 3. Maar als deze manier van doen onze verwagting niet voldeet, cm de ge- duurige druyping van de pis , en losmaking van de pleyfter , zoo heeft Mr. Andries Boekelman in plaats van de pleyfter uytgevonden een ring van lood , welkers omgekmlde uyteynden door een draad aan een gehaald wierden , ge- lyk uyt de bygevoegde 4. Fig. blykende is, waar door de lippen van de wonde zoo nauw beflooten wierden, dat ’er wyders geen druppel pis konde uytvloei- jen, en zoo is deze wonde geheelt of t’zamengeflooten binnen drie dagen. Figuur 4. In dit ongemak zyn eenige zaaken te confidereeren , ja die ons ook al wonderlyk voorkomen. I. Dat de uythangende lyfmoeder uyt ’t lighaam, met zig genomen heeft zoo een gedeelte van de blaas, ’t welk zeer raar (zoo ’t coyt) voor deze ge- zien is, alhoewel die partyen omtrent haar rhondekens of halzen vereenipt zyn. Ik zoude gelooven, dat dit in deze Oude Vrouw gefchied is door hethe- zwaarlyk wateren , veroorzaakt door de menigte van fteenen , waar door geduunge bewegingen of pcogingcn 48 I. AANMERKING. zyn ge weeft tot het wateren , dewelke zoo zwaar waaren , dat zulks door de gezegde vereeniging onverhindert heeft kunne gefchieden. 11. Dat de uyt het lighaam hangende zwaare klomp, en niet anders als de Baarmoeder verbeeldende, om de menigte endegroote van de fteenen, geen onefFentheyd , nog andere form aangedaan had : want de oppervlakte was zeer egaal, en de figuur van de Baarmoeder natuurlyk: ziet de i. Figuur 111. Het is te verwonderen , dat alle deze fteenen byna van dezeivc form waren, en zoo effen van oppervlakte, als of zy gepolyft waren • gelyk in de 2. Figuur vertoond werd. 6 J IV. Dat de wonde, fchoon dezelve door het vliezige gedeelte gedaan was tot de geneezing gekomen is , door welke het water of pis geftadig uyt- vloeyde. V. Men moet ook aanmerken, dat alle de fteenen niet in dat gedeelte van de blaas, het welke de baarmoeder bcfiaande, te gelyk uyt het lighaam hing, gehangen hebben: want het zelve was niet wyt genoeg om de groote en ft getal der fteenen te bevatten 5 maar dat ’er eenige in de operatie van een hoo- ger en dieper gedeelte van de blaas afgezakt zyn, is niet te twyfelen. VI. Dat het is een ongehoorde fteenfnyding, en dat met een goed fucces in zoo een oude Vrouw m ft werk geftelt * in de Vrouwen worden wel de fteenen atgehaalt door het verwyderen van depis-canaal [ urethra ], maar het is zeer raar, dat zulks gefchied door een fnyding in de blaas. 11. AANMERKING. Een fericuleufe flag-ader breuk of uytfpattïng [aneurifma] van de flag-ader aan de arm, gelukkig gejneden. Het geen in een verwyderde ader Varix genoemt werd, is m een tegen- natuurlyke uytzetting van de flag-ader Aneurifma: welk ongemak zoo bezwaarlyk is om te genezen, dat het met groot regt van alle gehouden werd in de groote vaten voor doodelyk. De Heer f?anhuyfen * Brouwer tot Dordregt (de naam heb ik buyten myn gewoonte hier by gevoegt om de zeldzaamheyd van ft ongemak} die wel in ft vleelch en m de fleur zyner Jaaren was, vervalt in de maandMey 1681. naa een a mg inde Lever-ader \vena bafilica\ op de regter arm, in die zyde in een uytlpattmg \aneurifma'\ van de flag-ader , een weynig onder het lid van de elleboog [cnbttus~\, de groote hebbende van een erwt. De Mr. Chirurgyn heeft het onderwonden te helpen, Volgens de konft niCt |dlj °ngemak te drukken > roaar vergeefs, ft gezwel dagelyks grooter -BcUjf. 2, ZVkerd. daf' g \ Naa eenige dagen begeeft hy zig na Amfterdam, en heeft eerft raadgepleegt met de zeer ervaare Hr. Dr. Le Blon, en my 3en Mr. Bieter Adrïaanfz, n’t genezen van die zaaken zeer geoeffent > uyt een mond hebben wy gerecom- mandeert een fnyding in de huyd , en t’zamenbinding van de flag-ader. Deze operatie is van anderen Aufteuren meer gerecommandeert en gepre- zen , als werkftellig gemaakt j met zulks te zeggen maak ik geen zwarigheyd, om dat ik in de tyd van twintig Jaaren en nog langer in deze groote Stad, alwaar nogtans veele gebrekkelyke om hulp te erlangen zig na toe begeven, nooyt iémand (voor zoo veel my bekent is} van de Chirurgyns deze operatie heb zien doen in zoo een groote flag-ader. De Zieke , anders kloekmoedig genoeg 5 heeft de opening uytgeftelt, be- ter goed keurende een ligte toeperfling van het zelve gezwel, tot dat na een dag of twee de verwyderde flag-ader van zig zelfs opborfle, alzoo dezelve naakt en zonder vel bedekt was. 11. aanmerking. Deze uytfpatting van zig zelfs opgeboifte zynde, fprong ’er met groot ge- weld het bloed uyt, tot dat de gezegde Chirurgyn met bovift en bandagies, de verdere drift des bloeds belettede. Dit gezien hebbende 3 zoo heeft de lyder met regt geoordeelt 3 dat hy zon- der verlies van kragten3 en het leven 3 dit ongemak niet langer kondc ver- dragen 3 derhalven heeft hy onze voorgeftelde operatie toegeftaan 3 om des an- deren daags te laten volbrengen 3 gelyk gefchicdis, in pretentie van Abraham Qyprianus Medicyn 3 en zeer ervaare ordinaris Stads Stecnfnyder alhier 3 die de voorgemelde Chirurgyn behulpzaam was. Eerft wierd ’er bygebragt een yzere ring3 (voorzien met dik en zagt leer 3 op dat de hüyd geen fchaade zoude lyden) die geappliceert moeit werden aan t bovenfte gedeelte van de arm-, of boven de uytfpatting van de Ilag-ader ten deele tot ftemping van ’t driftig bloed j welk inftrument nogtans in alle deelen onze verwagtmg niet voldaan heeft. Daarom namen wy onze toevlugt tot een ander 3 waar door de ilag-ader zeer wel gedrukt wierd. Dit geappli- ceert zynde 3 heeft Mr. Piet er zeer cordaat de Aneurifma ontbloot van alle compreilen en bandagie, ja zelfs van de bovift 3 met dit voornemen 3 dat3 in- dien de toevloed van ’t bloed zoo groot zoude geweeft zyn 3 dat ’t niet te ftillen was 5 en wy bang waren , datwe van ’t bloed voor de onderfchepping van de flag-ader overrompelt zoude worden 3 hy met ’er haaft de Aneurifma zelfs zoude openen 3 en met een weynig roede prcecipitaat, of diergelyke korft- makende [escaroticd] middelen 3 als mede met bovift de holte van de Aneu- rifma zoude vullen. Wat gefchied’er? de Aneurifma van al zyn banden cn compreilen ontblood zynde 3 heeft bykans geen bloed gelaten 3 om dat het bloed trombeus ofte geronne was geworden 3 niet alleen in de Aneurifma 3 maar ook bykans door de geheele arm 3 die met een gangnena al aan gegrepen was. TI AANMERKING. 5t Welk ziende , en het inftrument of yzere ring ook weggenomen zynde, heeft hy veel bloedige ftofte door de wonde van de Aneurifma uytgedrukt, en zoo verders in de arm na dc lengte een vry diepe fnee gedaan, op dat hy het geronne bloed met een ligte drukking weg zoude konnen nemen, en al- zoo de verftikking des te beter zoude te hulp komen. Deze fneede gedaan zynde, is het flagaderlyk bloed met groote kragt op twee plaatzen daar uyt geborften. De uyteyndens van de gequefte flag-aderen wierden onderfchept met een naald en draad, (maar hoe bezwaarlyk het is , de flag-aderen van de zenuwen, en onderleggende deelen in die operatie te ontblooten, kan nie- mand weten, als die geene die zomtyds diergelyke operatie heeft: bygewoont} en voorzien zynde met een kleyn ftukjedak leer, om de. doorfnyding van de flag-ader voor te komen , toegebonden. Dit alzoo gedaan zynde, is de wonde vervult met bovifl, en een t’zamen- trekkende poeder, en daar op een compres en band gelegt, die niet al te vaft toegetrokken was, uyt vrees voor verdere verftikking i daar en boven heeft de knegt alzoo by de i o uuren die partyen geduurig met zyn twee handen aan- gedmkt, op dat men een nieuwe bloedftorting zoude voorkomen. Dezelve avond zyn de windzels, compres, en een gedeelte van de bovift weggeno- men , om dat men de toeftand van het vuur zoude kunnen zien , het welk wy in geen erger geftalte vonden. Na de vernieuwing der bandagie heeft de knegt op nieuws gecontinucert , tot dat men op den dag daar aan volgende alles vernieuwde, uytgenomen een> kleyn ftukje bovift, \ welk in dat gedeelte van de wonde, is overgebleve, alwaar de vrees nog was voor een. nieuwe bloedvloed. Den derden dag alles weggenomen zynde, heeft de Mr. op dezelve plaats nieuwe bovift geappliceert, en de windzels een weynig fterker daar om ge- , daan , zoo dat de handen van de knegt niet meerder noodig waren: onder- tuflehen hebben wy na de verftikking gezien, en het vuur verzorgt met pluk- zel, nat gemaakt met theriaca in Brandewyn gefmolten. De vierde dag hebben wy de bovift naagekten, en met de punt van een fchaar de onderfte draad, waar mede het uyterfte gedeelte van de flag-ader toegebonden was, los gemaakt, latende tot den avond het voorzeyde ftukje leer, dat zeer vaft was aan de flag-ader, zitten. De vyfde dag hebben wy de andere draad los gemaakt, die het bovenfte van de flag-ader flopte, mede nalatende het ftukje leer, het geen de affeheu- .ring van de flag-ader belet had. Den zesden dag namen wy alle de zaaken, die tot het verband van de won- de. gedient hadden, weg, alleenlyk in de plaats ftellende wat plukzelbeftre- jkren met digeftief, een compres, en een daar toe behoorende windzcl. Deo zevenden dag is 'er een nieuwe ligte bloedvloed ontftaan, welke wy 11. AANMERKING. in ’t kort met doppende middelen 3 namentlyk bovift , en t’zamentrekkendc poeyer hebben geftüt. De volgende dag deze zaaken weggedaan zynde , quamen ons in ’t ge- zigt in de grond van de wonde de uyteyndens der flag-aderen, die voor deze gebonden waren geweeft 5 maar nu toegegroeyt 3 bruyn van couleur , als of zy van het vuur aangegrepen waren. Hier toe appliceerden wy plukzel , daar over heen leggende een ftukje dikagtiger leer , op dat het des te beter zoude drukken. De volgende dag, in plaats van ’t bovengezegde , hebben wy gebmykt een vierkant ftukje bovift van anderhalf duym groot , aan de eene kant met fpeegzel nat gemaakt, en gedoopt in een t’zamentrekkend poe- der : dit ftukje hebben wy in zyn plaats gehouden met een klevende pleyfter. Door deze geneesmiddelen fcheenen tot niet gebragt te wezen 3 en met nieuw vleefch verborgen te zyn de uyteyndens der ïlag-aderen 3 maar na eenige tyd quamenze beyden wederom te voorfchyn 3 in twee nieuwe aneurifmata veran- dert , door de weekheyd van ’t gezegde nieuwe vleefch 3 de fwaare pols-ftag en overvloed van bloed: de eene van deze twee aneurifmata (een groote erwt groot} en van zelfs geopent 3 maar niet veel bloeds uytftortende 5 om dat de Mr. haaftig dezelve toedrukte , • en weynig dagen na een aderlating en een fobere \dieeta tenuis~\ manier van leven voorgefchreven te hebben 3 en behoor- lyke comprimeering gedaan zynde, is genezen 3 maar de andere , fchoon die gedrukt wierd , heeft eenige dagen de genezing wederhouden. Dog eynde- lyk is die ook wederom verdweenen, en de Zieke geneezen , zynde tot dezer uuren nog fris en gezont. 111 AANMERKING. Een breuk van de Kniefchyf [Patella] door een aanwerkenswaardige oorzaak. Dat de Kniefchyf om haar hardigheyd niet breeken kan, word van zom- mige verkeerdelyk ftaande gehouden. Wy hebben ondervonden, dat dezelve niet alleen van een zwaare val op de knie kan breeken , maar ook zon- der val* wiens hiftorie ik hier zal verhaalen. Voor omtrent drie Jaaren geleden, heb ik met Mr. Tiet er Adriaanfz ge- vifiteert , een man welin’t vleefch, die van een brug gaande bynaopdegrond yiel 3 door het uytglibben van zyn eene voet, dog hem zoo veel tegenhou- dende als hy kon , niet ter aarde viel 3 maar door deze zeer vehemente tegen- houding breekt zyn kniefchyf overdwers , en dat wel zoo zigtbaar, dat tuf- Ichen die beyde gebrokene ftukken wel een hand konde geplaail werden; want het eene wierd boven 3 en het andere onder de knie geveeld. De breuk, zoo als de konft het vereyft, heeft de zeer ervarene Mr. verbonden. Wat gefchied 'er ? III. AANMERKING. de Patiënt, ik zoude beter zeggen onpatient, begeeft zig den tweede dag na Jifp. van waar hy na eenige wecken ongeneeslyk weder is gekomen , tot op deze dag nog mank gaande. Voor deze verwonderde ik my over de zagtigheyd van de Kniefchyf in een verfch geftorve lighaam , maar in een geraamte over deszelfs hardigheyd; en hoe veel deze kniefchy ven van elkander verfcheelen, hebben wy met de zeer ge- leerde Heer Mattbeiis Sladus, Medicyne Doctor , zeer naukeurig onderzogt, en bevonden dezelve in hardigheyd hemels hoogte van elkander te verfcheelen. Derhalven de oorzaak van deze dwaling , waar door zommige ontkennen dat de kniefchyf niet breeken kan , fchynt daar van daan gekomen te zyn, dat ze de kniefcliyven van geraamtens alleenlyk hebben nagezien. Want zy door de verdrooging zoo hart worden, dat gy ze qualyk kunt breeken, maar de verfche alzoo niet: want wie ze allebeyde naukeurig heeft nagezien, zal bevinden dat de verfche van buyten alleen met een harde korft bedekt zyn, maar inwendig met een fpongieus beenige zelfsllandigheyd, gelyk als het tafel-fcheydzel of diploë van het bekkeneel. IV. AANMERKING. Eeji breuk van de twee beenderen van de Voorhand [Carpus], na drie 'Jdaren nog niet vajigegroeyt. Dat de breuken van de groote beenderen, namentlyk van de arm, dye&c, altemets zoodanig zyn, datze noyt weder aan elkander groeyen , alhoe- wel zy na de konft worden gehandelt, is kenbaar genoeg. Maar het is te verwonderen , dat de beenderen van de voorhand , die zeer kleyn- zyn., door een hooge val gebrooken , niet weder aan een gegroeyt waren. Anno 1681. Een zeekere gaudief (in de wandeling Slagertje genaamt) die om zyne dieffbl tot de galg veroordeelt was , heb ik in de gevangenifle be~ zogt, en- ondervraagt, of hy voorheen met eenige ziektens gequelt was ge- weeil3 hy antwoorde my ,ik heb altyd gezont geleeft, en byna van geen ziekte geweeten, als alleen een koortze ? die ik voor eenige Jaaren gevoeld heb: daarenboven, zeyde hy, dat hy zyn regter hand noyt plat op de tafel had konnen leggen, na dat hy eenmaal daar op gevallen was van een hoogte, In ’t doode lighaam van deze gehangene heb ik gevonden,, het vlies , dat de milt omvangt, (’t geen in eennatuurlyke ftaat zeer dun is) in zyn midden, op twee verfcheyde plaatzen, zoo verdikt, dat het met een groote fehryfpen in dikte overeenquam. Pat deze verdikking vaneen voorgaande ontileking zyn oor- IV. AANMERKING fpronk heeft genomen, daar is niet aan te tvvyfelen 3 om dat men zeer dikmaals ondervind, dat de vliezen verdikt worden van die oorzaak 3 of nu deze ont- fteking van de voorgezegde koortze , dan of de koorts van de ontfteking ge- komen was, is my onbekent. Naderhand heb ik zyn hand door de ontleeding onderzogt, en bevonden, dat ’er uyt de voorfte beenderen van de voorhand twee gebroken waren 3 wel- kers breuken , het gewrigt des hands violerende , belettede , dat hy zyn hand niet plat op de tafel konde leggen 3 en dat nog meer te verwonderen is, deze beenderen waren al over de drie Jaaren gebrooken ge weeft , en tot nog toe niet t’zamen gegroeyt , ofte met weer \callus~\ bezet, gelyk nog in myn Cabinet te zien is. V. A A N MERKIN G. Een ontblooting van V hoofd-been , alhoewel van de lugt zwartagtig gewor- den, edog zonder zigtbaare fchejdmge van fchilfers herjielt. De beenderen van ’t hoofd ontbloot, en van de lugt zwart zynde gewor- den, fcheyden niet altyd zigtbaarlyk, of werpen van zig uyt eenbeeni- ge fchilfer, gelyk de Autheuren meynem. Zeker man van een Paard op ’t hoofd geftagen zynde, valt voor dood ccr aarde 3 met zoodanig een ontbloting van ’t andere opperhoofds [ fyncipvf been, dat men zulksbynamet geen ryksdaalder konde dekken : deze ontbloo- ting van ’t been was geheel zwart, behalven den omtrek of circul, dewelke digt by de huyd was, en beftoeg de breete van een ftroo (ziet de 5. Fig.) Deze witte cirkel van dag tot dag verminderende , is de Patiënt fris ge- worden zonder eenige zigtbaare fcheyding van ’t gebeente, of gebruyk van een rafpatorium, alleen met plukzel, ten deele droog, om op het ontblootc been te leggen, ten deele beft reken met digeftief en honing van roozen, env de lippen van de wonde te verzorgen. VI: AANMERKING, Een Slytnvleezige [Polypus Carnofus] prof van de Baarmoeder.n Gelyk, de neusgaaten gedeeltens zyn van ’t lighaam 5 door welke de over- tollige humeuren geduurig ontlaft werden ; alzoo blykt ook 3 dat deLyf— moeder van de menfch ook dient tot dit ampt. In de nèusgaaten groeyeiv zomtyds tegennatuurlyke gezwellen r polypi (flym of neus-prop} genaamt. Qpk is de Lyifnoeder menfch daar van niet vry. Alle po’ypi nyt de VI. AANMERKIN G. neus voortkomende, zyn van dezelve zoorte niet: eenige vertoonen een vlee- zige zelfs ftandigheyd , veele ter contrarie zyn met een vlies omvangen, en hebben een flymige en fnotterige fubftantie. Nu komt ons voor een quaadaardige en cancreufe polypus j dan hebben wy die gevonden vry van alle quaadaardigheyd. Anno 1673. hebben ze my tot een Vrouw geroepen , lange tyd met een witte vloet en nederzinking van de Lyfmoeder gequelt zyndc geweeft, uyt wiens binnenfte mond verfcheyden vleefch-vliesagtige uytwaflen hingen welke om de gelykheyd met de polypi van de neus, met de zelve naam zeer bequaam aldus konnen genoemt werden} gelyk de 6. Fig. vertoont. UYTLEGGING van de VI FIGUUR. A. De Lyfmoeder van een menfch. B. B. De afgefnedene Eyerwegen of trompetten. C. C. Vle ezïge polypi uyt de mond van de Lyfmoeder voortkomende. D. D. De afgefnedene ronde banden, E. Bloedvaten van de Lyfmoeder. F. F. Een gedeelte van de geopende fcheede. G. G. De afgefnedene breede banden. Deze polypi waren zoo pynelyk, en de Lyfmoeder ftorte dagelyks zoo veel wateragtig en fcharp vogt uyt, dat de ordinaire geneesmiddelen niets kondc helpen ; egter durfden wy geen geweldiger gebruyken , om de quaadaar- dige voorteekens; en wel te regt , gelyk ons de uytflag geleert heeft: Want een quaadaardige verzweering heeft haar dood verhaalt, en zy is kort daar na geftorven. Bykans diergelyke polypeufe gezwellen, die gy zien kont inde 7.Figuur, heeft de wel ervarene Mr. Gellius, Chirurgyn tot Wormerveer my ook toege- zonden } welke zekere Vrouw aldaar woonende, op verfcheyde reyzen is quyt geraakt. De 7. Figuur. Vertoont de vle e zige polypi uyt de Lyfmoeder ge lof. VIL AANMERKING. hen hardagtige [uterus fcirrhofus] en mismaakte Lyfmoeder, dewelke in groot e zeer toe genomen, uyt de Schamelheyd hing. Een Vrouw van omtrent 30 Jaaren oud, was gequelt met een zeer verdikte iiythangende Baarmoeder, die haar zoo veel moeyelykheyd toebragt, dat TagS Zfyeerd. daf. 10 . IZW .11 o ZVèerd .'Jaf- 22 VIL AANMERKING. 55 zy naulyks konde gaan. Daar wierd goetgekeurt , dat men onderftaan zoude deze weg te nemen of extirpeeren , naa dat men eerft een binding gedaan had Zeker Chirurgyn dan aanvaarde de operatie , en nam een naald met een drie- dubbelde draad voorzien , waar mede hy vry fterk de uythangende Baarmoeder toebond: maar ach! hadde hy met de naald en draad niet als de Baarmoeder toegenepen! De Patiënt lofte in een dag of twee geen water , ’t geen ons be- denken gaf, dat de pis weg te gelyk met de naald en draad was toegebonden, 7t welk ook ons de uytkomft geleert heeft. Het doode lighaam van deze clen- dige Vrouw, die kort daar na quam te fterven , heb ik geopent, en onder- vonden dat wy in onze meening niet bedrogen waren geweeft: namentlyk, dat de pisweg te gelyk met het lighaam van de Baarmoeder zoo vaft was toe- gebonden, dat zy ’t minfte water niet koude quyt raken. Hier is voor my gelegentheyd geweeft, om te onderzoeken, wat ’er te cor- deelen ftaat van de nederzinking des Baarmoeders. Het is bekent, dat ’er veele gevonden werden, die voorgeeven, dat de Lyf- inoeder zelfs noyt uyt het lighaam kan nederzinken: onder de geene die ’t zel- ve ter contrarie voorftaan, zynder eenige die zeggen dat in de uytzinking van de Baarmoeder dezelve ook omgekeert werd 3 andere ftellen vaft, dat de uyt- zinking van de Lyfinoeder niet anders is., als alleen een uythanging van de fcheede. Deze twift heeft het doode lighaam van die Vrouw geflift: want de buyk geopent zynde, vonden wy niets in ’t bekken, alwaar de plaats is van de Lyf- moeder, als alleen een der eyerftokjes, met de geannexeerde trompet en bree- de band. De geheele Lyfmoeder zoo als hy is , en niet omgekeert, hing uyt, en was zoo mismaakt en groot geworden, dat ik noyt voor de opening van ’t lighaam zoude gezegt hebben, dat het de Lyfinoeder was, indien ik niet in ’t uyterfte gedeelte van de cirkul een mondeke had gevonden; waar uyt ik door een Jigte drukking eenige bloedige droppels drukte 3 gelyk biykt in de 8. Figuur. V at ik verders ontrent de fcheede, en Lyfmoeders uythanging en omkee- ring 6tc. geobferveert had , zal ik in het vervolg bekent maken, VIII. aanmerking. Bén waterblaas van een Schaaf, gelyk als in twee deden gefcheyden. Een dubbelde waterblaas heb ik noyt in een menich gevonden : maar een verdubbelde of in twee deelen gefcheyde blaas is my altemets in viervoetige dieren voorgekomen, waar van ik ’er zomnaige t’huys bewaar. Indien men na de oorzaak .ziet. van deze verdubbeling 3 zal ligt tc begry pen IX. AANMERKING. zyn, dat zulks meer plaats heeft in de viervoetige dieren, als in de menfehen r Want het is kennelyk, dat de viervoetige dieren alleen voorzien zyn met een doorgaande watervat \urachns~\ , welk watervat , indien al te veel in of voor de Imring uytgeftrekt werd , blyft de grond van de blaas, waar uyt het wa- tervat zyn oorfpronk heeft , niet alleen open , maar de urachus groeyt tot die groote, wegens de toevloeyende pis, dat dezelve als een tweede blaas fchynt re gelyken: en dan vertoond zig ons de blaas als dubbelt, gelyk te zien is in de 9. Fig. Waar in vertoond werd een Schaapen blaas als in tweededen ver- deelt door de voorgezegde oorzaak , met tuflehenkoming van een dun en rond vlies , gelyk in de 10. Fig. te zien is, in wiens onderfte gedeelte een gaatje gezien word , waar door de pis toegang kreeg tot beyde de holligheden. IX. AANMERKIN G. Een waare Lyfmoeder dikmaals uyt het lighaam Jchietende. Een zeekere Vrouw voor eenige Jaaren gaande op de graft (die men ge- meen el yk noemt, de Nieuwezyds Agterburgwal) verviel in een geheele uytfchieting van de Baarmoeder , welkers figuur en groote ik hier heb byge- voegt, op dat niemand naderhand mogt twyfelen, of ontkennen , datdeLyf- moeder koude uytfchieten. Als deze ellendige niet verder konde gaan, ging zy zitten voor de deur van de Vader, van de zeer geleerde, en roemwaar- dige Heer Profeflbr Francius, tot dat het avond begon te worden. De dienft- maagd haar vragende , of haar eenig ongemak was overgekomen , en waarom zy Zoo lang voor ’t huys was gebleven, heeft zy haar ongemak aan dezelve gezegt ,en deze wederom aan haar J uffrouw, dewelke de moeder was van gemel- de Heer Profeiïbr, die , door barmhartigheyd bewoogen zynde , haar in huys heeft genomen, en een Vroedvrouw laten haaien , op dat- zy de uytzinking van de Lyfmoeder op haar plaats zoude brengen} maar te vergeefs, om dat zy zulks niet konde doen wegens de groote. Naderhand ben ik daar by geroepen , en heb dezelve op haar plaats weder gebragt 3 en alzoo is de Patiënt 5 alle de partyen wel voorzien zynde, haaftig na huys gegaan, zonder mèrkelyk ongemak. Maar dat men de Lyfmoeder niet altoos op haar plaats kan brengen 3 indien zy lang uyt het lighaam heeft gehangen buyten de baaring • en dat men zulks niet altyd moet onderwinden 3 weten die geene, dewelke dit werk verftaan : deze, eer ze zulks onderne- men 5 zullen altyd onderzoeken de verfcheyde gefteltheyd van de üytgezon- ke Lyrmoeder: want indien zy lange tyd uyt liet lighaam gehangen heeft, en zoo groot is geworden, datze niet ligt in haar voorgaande plaats kan ge- bragt werden > of de uythangende Lyfmoeder, de iyderfie lange tyd buyten . ditf ■ 2 2 tros. j.v 'JPaxj.li _A_. (dO7JJ /IS llts/rt. B. Os lite r/ t/itr/‘/iu//L c, We.ercl.7af. JJ IX. A ANMERKIN G 57 het lighaam gedraagen heeft, of de uytgefchoote lyfmoeder verhard is gewor- den , met een oneftene oppervlakte, of met een zweer bezet is geweeft , is ser geen moeyte aan te doen 5 want als de lyfmoeder weder ingebragt is , hebben de patiënten het zeer quaad. De XI. FIGUUR 5 behoorende tot de IX. AANMERKING. A. Het lighaam van de Baarmoeder. B. De binnenjie mond van de Lyfmoeder. C. De Schamelheid. X. AANMERKING. Een omkeering [inverfio] der Lyfmoeder door de baaring. Onder de beklaagelyke ongemakken , welke de Vrouwen onderworpen zyn 3 bekleed geen de minfte plaats de geheele omkeering, of overftolping van de Lyfmoeder, ’t welk noyt, als in of aanftonds na de baring gefchieden kan. , dit ongemak niet aanftonds geholpen werd , zal de dood fchielyk daar op voegen. My geheugt, dit tweemaal in een week gezien te hebben, en Qai er geen (Indien niet zonder vertoeven een Vroedvrouw haar geholpen had) ais de Huys vrouw van een zekere J oode, die dans ontfprongen heeft. Want gemeenelyk is ’er zoo een toevloed van ’t bloed tot de uythangende baarmoeder, dat zy aanftonds ontftoken , verhard, en door de verhindering van t circuleerende bloed, een verfterving aanneemt. In dit ongemak word de geheele baarmoeder overftolpt of omgekeerd van de baring. Het welk niet gefchied in een uytzinking van de baarmoeder buyten de baring want dan word zy niet omgekeert, maar zinkt alleenlyk neder , zoo dat de innerlyke mond van de baarmoeder in ’t uyterfte van deze uytzinking gezien of gevon- den word. In deze voelt of ziet men geen mond van de baarmoeder , gel} k gy ziet in de 12. Figuur. Dit ongemak ontftaat altemets uyt onkundige Vroedvrouwen, de navel- ftteng [fmiculus umbilicalis~\ meer als ’t behoort na haar trekkende, waar door de baarmoeder komt te volgen. Zorntyts neemt ’t ook zyn oorfpronk van de nagebleve naweenen van de baring. Jn die tyd, als ik nog de baarende Vrouwen bediende, is my eens gebeurt, dat my, als ik een dood kind en moerkoek gehaald had, de daar navolgende lyfhioeder in ’t gezigt quam, dewelke aanftonts in haar plaats her- ftelt, en de beenen, zoo als vereyft, gelegt hebbende, is de Zieke m korte tyd genezen. Dat veeltyts niet alleen de Vroedvrouwen, maar ook X. AANMERKING; Heelmeefters , ja zelfs Medicyns in deze zaake gedwaalt hebben, behoeft den goedgunftige Lezer niet te twyffelen. Nog onlangs heeft my een Heelmeefter laaten ontbieden, dewelke in dat geval niet konde raaden, welk gezwel het was, dat uyt het lighaam hing. ‘Zomtyts hebben de Vroedvrouwen my ook ontboden , verwondert zynde, dat zy zoodanige gezwellen uyt het lighaam zagen hangen na de baring. Als ik dan quam , zeyden zommige tegens my , hier ziet gy een groote klomp, \mold\ vleefch, vaft aan de lyfmoeder hangende: andere, hier hebben wy een monftreufe baaring &c. Daarom heb ik dit ongemak laten afbeelden, op dat yder Heelmeefter, die deze afbeelding gezien heeft, zulks beter in zyn gedagten zoude houden en dat niemand in zoodanige zwaare zaak, daar zoo veel aangelegen is, en irn een ongemak, dat zoo fchielyke herftelling vereyft , meerder zoude bedro- gen werden. UYT LEGGING van de XII. FIGUUR. A, Een gedeelte van de omgekeerde Lyfmoeder fchielyk na de haring uyt.* hangende. B, De Schamelheyd. C, De gapende mondekens van de vaten van de Lyfmoeder... XI. AANMERKING. Een kind door een wonderlyke ineendraying van de navel~freng gedood: Gelyk de menfch ter wereld gekomen zynde , ontelbaare oorzaaken des :doods boven het hoofd hangen, alzoo zynder ook niet weynige onge- zonde gefteltheden, die het kind in de lyfmoeder zynde, komen te dooden Onder deze is van ft grootfte gewigt, een ineendraying van de Navelftreng. Onlangs is een dood kind ter wereld gekomen met de geheele vliezen, Ghorion en Amnios genoemt, omvangen, welkers navelftreng ik wonderlyk ineengedrayt bevond te zyn: gelyk mendagelyks ziet aan een touw te gebeu- ren, wanneer na deszelfs uy trekking, en geduurige omwinding van het eenc eynde, beyde eyndens by malkandere fchieten. Ziet de 13. Figuur. Het is ook waarfchynelyk, dat dit ongemak van de geduurige omdrayingen zynoorfpronk genomen heeft, dat het kind in de lyfmoeder daar door geftor- ven is > nadien de omloop van de yogten door de navelftreng in ft geheel belemmert is geworden. 'Taf'. 14. XII. AANMERKING. UYTLEGGING van de XIII. FIGUUR. 59 A. A. Vertoont de Navel-fireng by zonder ïneengedrayt. B. B. 'De Moer koek. XII. AANMERKING. Ken quaadaardïge zweer van de Baarmoeder. Onder alle ongemakken van ’t lighaam 3 waar mede de vrouwelyke fexé geplaagc werd 3 hebben geen de minde plaats de quaadaardige ukeratiefi van de baarmoeder. A*. 1671. heb ik een Vrouw gevifiteert y dewelke voor eenige maanden een zweer in de lyfmoeder gekregen had 5 met zoo groote en geduurige uytftor- ting van bloed 5 dat ’er yder een van verwondert dond. Zy wende veelmaal om de dood 3 wegens onuytfprekelyke pynen 'van dfè partyen, tot dat zy eyndelyk 3de middelen om de ongemakkelykheyd en nat- tigheyd dier plaatze niets konnende helpen 5 van haar ellende door de dóód verlod is geworden. Het doode lighaam geopent zynde 3 heeft zig de hals van de Lyfmoeder bp het aanraken van ’t lighaam van een gefcheyden ? als zynde geheel verrot. Het gedarmte was van buyten door de voorgaande ontdeking en ontvelling aan een gegroeyt 3 de andere deelen heb ik gezond bevonden. Zoodanige zweereh vaè de Lyfm oeder, die waarlyk voor doodelyk moeten gehouden werden 3 heb ik naderhand dikmaals gezien 5 niet alleen met zulke zwaare pynen , maar ook met zoodanige zwaare pogingen of perzingen om haar te ontladen 3 dat de patiën- ten het gewelt daar van niet wederdaan konden 5 ja liever wilden derven., als alzoo te leven. XIIL AANMERKING. Ken Bisvloed [diabetes] van qualyk gefielde Nieren. Een zeker man in ft beft van zyn leven, lange tyd gequelt zynde gcwcclt met fcharpe [jiephntici dolores\ pynen en een abfces in de nieren 3 vervalt in een Pisvloed [diabetes^ Alle weeken was het hem geen werk een half vat bier uyt te drinken. Naa de dood hebben de vrinden my toegeftaan het lighaam te openen. De Inge- wanden beb ik wel gefteld gevonde, behalvende nieren , enpisleyders : want n y e de nieren waren byna vergaan, voornamentlyk de regter3 wiens zelfs- Itanaigheyd in ft geheel vergaan was, en deszelfs vliezen ten hoogfte verdikt Dk1 d Cen 3 in groote van \ bekken \jelvis~\ overeenkomende, ge- |yk de 14. FigUllr aantoont. Daar en boven zyn my de pisleyders zeer gekron- elt3 en op verfcheyde plaatzen verwydert 3 te voore gekomen. XIV. AANMERKING. U YTLEGGING van de XIV. FIGUUR A. He vliezen van de regter nier verdikt en in een getrokken, de klieracb~ tige fubftantie van de nier in V geheel vergaan zynde, B. tiet bekken groot er als ordinair. C. C. Hepis-ley der gekronkelt , en op verfcheyde plaat zen zeer uytgefpan~ nen, wegens de doortogt der fteenen. XIV. AANMERKING. Een exempel van een dubbelde of tweede bevrugting [fuperfoetatio.J De Huysvrouw van zeeker Chirurgyn tot Amfterdam A\ 1686 , bragt een lyvig en levendig kind ter wereld. Zes uuren daar na , bragt zy ook voort een menfchelyk [embryo] fchepzeltje , wiens figuur en groote gy zien kont in de onderftaande 15 . Figuur. In dit fchepzeltje zyn aanmerkenswaar- dige zaaken geweeft, namentlyk ten x. dat de navelftreng met zoo veel water- blaas] ens [' by dat i des] vervult was , dat zy geheel fcheen te zyn een t’zamen- fchakeling van blaasjes, die met een wateragtige ftoffe vervult was 3 waar dit van daan? ten 2. het moer-koekje [placentuld\ vond ik van zoo een groote en dikte, dat ik zelden grooter en dikker heb gevonden in een vrugtje van drie maanden. UYT LEGGING van de XV. FIGUUR. A. Het menfche fchepzeltje, wiens hoofdje ten opzigte van V lighaam zeer groot is. B. He navelftreng in waterblaasjens verandert. C. He Ledematen, waar in geen form van handje of voetje, maar vertoo- nen haar gelyk als aan een gevoegde ronde deeltjens, gelyk tot nog toe in myn Qabinet te zieit is. D. De Moer koek buyten gewoonte dikker en grooter. XV. AANMERKING. Een doodelyke opftopping [ifchuria] van V wateren veroorzaakt door fteenen, die in de pis-leyders zaten. Hoe bei E. Een groote fteen in de Eisley der z,ig oiïthoudende. F. F. F. Vtrfcheyde kleyne fteentjens. G Een gedeelte van de Nis ley der natuur lyk geftelt. XVI. AANMERKING. Een uytharfting [eruptioj van de Eyerftok [ovarium] na een ryp etter-gezwel [abfceftus] in de buyk al te diep geopent. Hoe noodzakelyk het is , niet alleen voor een Ontleeder [.Anatomlcus]? maar ook voor een Heelmeefter [Qhirurgus~\ ? een kigtige hand te heb- XVI. AANMERKING.. ben, is niemand onbekend. De Ontleeders fcheyden zeer voorzigtig de deelen van een * voor de Heelmeefters is ’t niet minder nodig, dat zy met alle op- merking in ’t onderftaan van iets te openen, te werk gaan. Ik heb een Heelmeefter gekent, doen hy leefde, zeer vermetel* deze heeft een. abices in ’t onderfte en aan de zyde van de buyk met een groot lancet geo- pent, en zyn inftrument zoo diep gebragt, dat het doorging tot in de hollig- heyd van de buyk: deze opening gemaakt zynde , zoo quam de etter aan- ftonds daar uyt te berften, benevens een van de Eyerftokken buyten het lig- haam: ’t welk van my gezien zynde , en met myn vingeren ter deege onder- zogt, bragt ik, zonder merkelyke fchaade van de patiënt, het zelve in de na- tuur! yke plaats* zoo dat ’er geen de minfte letzel daar door is nagebleven. XVII. AANMERKING. Een IVaterzugt van de Eyerflok van een Vrouw. De waterzugt van de Eyerftok, of (zoo ik alzoo fpreeken mag) van dc Eyeren, is een ongemak, van anderen genoeg gezien, was het maar ter deegen van haar geconfidereert. Een Waterblaas [Hydatis] word het by de Autheuren genoemt, met wiens naam ik wel te vreden ben, indien wy maar onder ons overeenquamen ontrent het fubjeft van dit quaad. Ik merk gemeenelyk aan, (zoo niet altyd) dat ’t de Eyeren zelfs zyn, zoo verandert, en in zoo groote toegenomen , dat ik ze een kinds hoofd niet zelden gezien hebbe te overtreffen. In de bygevoegde i / .Figuur, ziet men dit ongemak de Eyerftok zelfs in grootè overtreffen. Wat voor een wonder is ’t, dat deze verandering of t’zamenfmelting in de Eyeren van den menfeh gefchied, dewelke in haar natuurlyke ftaat zyn vervult met een zaad-vogt ? nademaal ik de herffene zelfs, en klieren gezien heb altemets in water verfmolten te worden, ’t welk ook getuygen de aanmerkin- gen van anderen. Hier dient ook bygebragt te werden een zeer groot hoen- der Ey, op deze manier uytgeftrekt , ’t welk ik t’huys bewaar, en aan de curieufe mildadigheyd van de uytnemende Hr. D. ALmeloveen verfchuldigt ben, die my dit gedierte om te ontleeden toegevoegt had. UYTLEGGING van de XVII. FIGUUR. A. Een menfche Eyerflok. B. Het Ey in een te gennat uur lyke vogt verandert, en zeer uytgeflrekt, C. Een Ey uyt de Eyerflok uytflekende. ZWeere fchamelheyd van een dogtertje monfireus ge conformeert. Ann^7°. Heb ik gevifiteert eenDogtertje dat 6 dagen gebooren was gc- weeita wiens fchamelheyd vereenigt wierd met de navel 5 oflievermetdat XXIIL AANMERKING. geene, ’t welk in plaats van de navel was * namentlyk , een t’zamengemeng- de klomp of chaos , beft,lande uyt ontvelde heuveltjens : gelyk gy ziet ia de 23. Figuur. v UYTLEGGING van de XXIII. FIGUUR. A. Een verwarde klomp, beftaande uyt ontvelde en vleesagtige heuveltjens\ B. Twee gaatjens gedtmrig pis uyt gevende. C. C. C. T)e vrouwlykheyd. D. Het halfmmnwys maagdevlies , gelyk gemeenelyk (zoo niet altoos) in eerflgehoor ene gevonden word. Maar in tegendeel, in ouderen maakt het een kring. E. T>e Nymphen of vleugels. F. E)e lippen van de vrouwlykheyd. In ’t onderfte gedeelte quamen ons in ’t gezigt twee gaatjens, waar uyt ge- duiirig de pis al druypende zypelde, voornamentlyk als het huylde. Dat dit kind zonder blaas is geweeft, daar hoeft men niet aan te twyfelen, voorna- mentlyk om dat ’er ook geen water-weg [meatus urinariusl was. ’t Welk ik ook meenigmial ondervonden hebbe in ’t openen der dooae lighaamen. Of zulks door fchrik is gekomen? Want de moeder was eenige wecken voor de baaring van een hoogte gevallen, XXIV. AANMERK IN G. Een gedeelte van de zyde des Lyfmoeders in de baaring uytfchietende. ♦ Byna onnoemelyk zyn de ongemakken van de Lyfmoeder, onder welke eeni- ge zoo zelden voorkomen, dat geen der Autheuren daar van gewag ge- maakt heeft. Onder deze ben ik van gevoelen, dat met regt geftelt mag worden , een waare uytzinking van de zyde des lighaams van de Lyfmoeder in baarendc Vrouwen, welk ik eenmaal gezien heb. Een zekere Vrouw op de Joode Breeftraat in de baaring zittende, verviel door al te zware wee-en of ney gingen in een hard gezwel, een kleyne vuyft groot, en dat alleen in de regter zyde van de fchamelheyd. Dit gezwel zien- de, heeft de Vroedvrouw bevoolen my te doen roepen , niet wetende wat het was. In de eerfte opflag fcheen het my toe, dat het een gedeelte van de moer- koek was, dewelke altemets uytgang zoekt voor het kind, 't welk my hier }*aaft zoude bedroogen hebben: maar de zaak nauwkeuriger onderzogt heb- bende , bevond ik dat het een gedeelte van de. waare Lyfmoeder was, het geen XXIV. AANMERKING. by de uytkomft bleek: want het kind ter wereld gekomen zynde 3 ging het weder na zyn oude en natuurlyke plaatze 5 en de patiënt wierd gezond zon- der eenige verdere ftooving, welke wy gebruykte in de baaring, op dat het uytgcfehootene deel des baarmoeders geen verderving zoude aannemen. XXV. AANMERKING. mond van de Lyfmoeder in de baaring uitvallende. Dat de moerkosk, ja de hals (de fcheede genaamt) in de baaring voor lier kind veeltyts uytfchiet ,is bekent. Maar men moet zig verwonderen, dat de inwendige mond van de Lyfmoeder zulks overkomt, 5t welk ik dik- maals heb ondervonden. Het is wonderlyk cm te zeggen , hoe groot een monftreusheyd van de ge- zegde baarmoeder zig op die tyd opdoet 3 en wat een omzigtigheyd van noo- den is in zoodanige baaring , weeten die geenen ~ die met ons deze gevallen hebben bygewoont, In deze ftaat van ’t kind, als het nog in leven is y oordeele ik , dat men de natuur moet laaten begaan, ende met beyde de handen de mond van de baar- moeder tegenhouden. Maar als het kind geftorven is, beftaathet geheele werk hier in, dat het kind met de eene hand, zoo veel als ’t mogelyk is ~ uytge- haalt werd, en dat met de andere hand de mond van de baarmoeder tegenge- houden werd: op dat de baarmoeder niet te gelyk met het kind zoude uvt- fchieten en omkeeren, die op die tyd zeer tot een omkeering hellende is. XX VI. A A N M E RK I NG. Een door de baaring omgekeerde Lyfmoeder, door een onbedrevene hand doodelyk ver me kt.. Hoe qualyk de menfchen by zig raadpleegen, die haar zieke lighaam zoo ligtvaardig toevertrouwen aan onkundigen en landloopers 3 getuygen dagelyics de droevige uytkomften 3 en 5t zelve blykt uyt de navolgende aan- Werking. Huysvrouw van zeekere Vleeshouwer 3 baarde onlangs een grof kind , aai? volgde daar op een omgekeerde Lyfmoeder nevens de moerkctk , W By ziet in de tiende voorgaande, aanmerking. VV at gefchied ’er ? daar word bygehaalt een onervaareLapzalven, (wiens naam het beter is te verzwygen) dewelke zonder twyfel zoodanig beklaagt vk ongemak noyt is voo/gekomen. Dezein plaats van de Lyfmoeder te brengen m haar XXVIA A A N. M E.R K, I N G.; naton rlyke plaats, heeft met de punt van een mesje het gezwel zagtjes aan- geraakt, om te onderzoeken, wat het was, of het tegennatuurlyk gezwel ver- vult was met vogten, dan of het de moerkoek was, &c. Deze ligtvaardigc en ongehoorde onderzoeking, heeft de dood in ’t kort toegebragt: wantaan- ftonts ontftond ’er zoodanige bloedvliet, dat het niet te verdragen was j al- hoewel ik, daar by geroepen zynde, die met floppende middelen zogt te hel- pen , maar alles was vrugteloos: want eenige uitren daar na is zy met opko- mende fiauwtens geflorven. XXVII. AANMERKING. Een Water zugt, beftaande uyt een hoop waterhlaasjens [hydatides J, die in een zak befiooten was. Wat een waterzugt \afcites] in de buyk is, die in vliezen befiooten is, is niemand, die de Geneeskonft oeffent, onbekend. Maar dit Exempel, dat ik hier in’t ligt breng, is veel raarder, namentlyk een blaas met beursjes vervult met een wateragtige (toffe 5 of een dikke vliezige zak, ontrent de groote van een maag (waar boven het ook gelegen heeft ) met waterblaasjes vervult, en dat in een dood lighaam van een aamborflige Vrouw, wiens ademhaling zoo zwaar was, datze zomtyts fcheen door een orthopnoea te zullen fterven * verzelt met een koortsje, en geduurige pyn [cardialgidl voor het hart. Veele van deze waterblaasjes waren als vloeibaar in de gezegde vliezige zak, andere heb ik ook gevonden valt te zitten aan ’t zelve vlies. Ziet de 24. Figuur. UYT LEGGING van de XXIV. FIGUUR. A. A. A. A. *\De vliezige zak kruyswyze opgejheden. B. B. B. B. Waterblaasjes van verfcheyde groote vervullende de gezegde zak. C. C. ‘l)e bloedvaatjens door de gezegde zak kopende. c. c. c. c. cDe dikte van de gezegde zak. XXVIII. AANMERKING. [Pfeudo-molas] uyt de nageblevene Moer koe kjens in de Baarmoeder, na de verlojjïng. Wat en hoe veel ongemakken de Kraamvrouwen overkómen, alwaar na het voorafgaande voldrage kind de moerkoek niet komt te volgen 5 is bezwaar- -ZS-\ ZA/eercZ, 2 o . XX VIII. AA-NMERKIN G: lyk te zeggen. Zommige vervallen om die oorzaak in een onmatige en irri- guliere vloed van de Lyfmoeder , by tuflchentyde wederkomende, en dat niet zonder pyne. In zommige fpant de buyk in een groote uytgeftrektheyd , met bezwaarlyke ademhaling , zugt aan de voeten , quaade [anorexia ] maag , bc- Eauwtheyd voor ’t hart, flauwtens, en bleekheyd vanaangezigt. Niet zel- den komen zy ook door deze ellende te llerven. Zoo dat het quaad al van groot gewigt en periculeus is, maar by zig zelfs niet doodelyke, gelyk zom- mige onervare Vroedvrouwen gewilt hebben. Niet zelden blyft de moerkoek in de Lyfmoeder tien maanden en nog lan- ger zitten, na dat het kind ter wereld is gekomen. Het is verwonderings- waardig, hoedanige verandering en herfchepping, op dat ik zoo fprcefc, de moerkoeken tegen de natuur ondergaan! dat dezelve zomtyds in waterblaas- jes, of blaasjes hangende aan fteeltjes, vervult met wateragtige doffe, veran- deren , zal ik naderhand vertoonen; nu laaten wy u voor oogen zien nage- blevene moerkoekjens, te vergeefs van andere voor zuygers [mol#] gehou- den : voor zuygers , zeg ik , eerftelyk om de hardigheyd, dikte, foirn, en vleesagtigheyd, waar mede zy met de befchryving van de zuygers conform zyn: zoo dat het niet te verwonderen is, dat dezelve van anderen gehouden zyn geweeft voor zuygers, welke de gelegentheyd zoo niet hebben gehad, om dagelyks met ons de gezegde overgeblevene moerkoekjens door de Ont- leedkonft te onderzoeken: want van die tyd af aan , dat ik in deze groote Stad de Vroedvrouwen heb onderwezen , als wat raars of zeldzaams in haai' handen vervalt, zenden zy zulks altyd aan my tot een vergelding. Wederkeerende op de weg , waar van ik afgeweeken was , zegge ik, dat de moerkoekjens van de kinderkens van 2 , 3 a 4, maanden dragts, zoo zy lan~ ter als na behooren in de Lyfmoeder haar verblyf houden, zoo veel zwaarig- eyd niet, als wel verandering by brengen. Maar zoo de moerkoek van een voldrage kind, of van 7a 8 maanden overblyft, brengt het meer gevaar by, en zeer dikmaals verandert de geheele moerkoek in waterblaasjes : welkers ge- tal zomtyds zoo groot is, dat de vrouwen fchynen bezwangert te zyn, cm de üytzetting van de buyk. My geheugd tweemaal een groote Schotel met diergelyke waterblaasjes vervult gezien te hebben in die geenen , dewelke eenige maanden na de baring de moerkoeken in de Lyfmoeder by liaargehou- en hadden. daarenboven heb ik gezegt, dat de moerkoekjens van een miskraam van z-> 3 H maanden, zoo verharden en zoodanige fbrm aannemen ,■ dat zy van de onkundige voor een zuyger gehouden werdén, zoo zy maar langer als ’t behoort, of eenige dagen in de Lyfmoeder blyven zitten : want de vogten met e vrugt uytgedreven zynde, zoo word de moerkoek door de baarmoeder in een getrokken, en,200 neemt zy deze of geene form aan, als van, ecu Mei, 72 XX VUI. AANMERKI N G. Kikvors, of diergelyke zoorte van zaaken : waarom de al te ligt geloovendc vrouwen, en die de beuzelagtige fabeltjens toegedaan zyn, verhalen dat zy levendige zuygers, ja zelfs vliegende ter wereld hebben gebragt; ja vermanen andere metgezellinnen , dat zy zig moeten wagten voor zoodanige zuygers, op dat die zuygers haar niet belpringen, en onder haar kleederen zig zoude onthouden. Deze oude wyve praatjes verworpen hebbende, oordeele ik aan- merkenswaardig te zyn, dat zoodanige moerkoekjens, indien zy een maand of langer in de baarmoeder onthouden werden, het kind ter wereld gekomen zyn- dc, zoodanig van de baarmoeder gedrukt werden, dat zy niet alleenlykhardt als fpieragtig vleefch werden, maar ook de overeenkomft hebben met de form en groote van een uyterlyke gedaante van de natuurlyke baarmoeder. Ziet de volgende Figuuren. Een Vrouw voor elf weeleen zwanger geworden zynde, (gelyk zy my zelfs verhaalde) kreeg een miskraam door een ontfteltenis, en het moerkoekje bleef eenige weken by haar 3 het welk door de drukking van de baarmoeder , als de baarmoeder byna tot haar voorgaande groote en form gekomen was, voor de verlofling zoodanig verhard, en mismaakt was geworden, dat ik, indien ik niet naukeurig onderzogt haddeszelfs zelfftandigheyd, zoude gelooft hebben, een züyger geweeft te zyn. Ziet de 25. Figuur. Een zekere andere vrouw in de vyfde maand zwanger zynde, verlofte een onvoldrage kindje, en na het zelve ook een geheele welgeftelde moerkoek. Dit ter wereld gekomen zynde , is 'er een vleesagtige klomp nagevolgt, in form en groote een natuurlyke Lyfmoeder verbeeldende. Ziet de 27. Figuur. Deze opgefhede en naukeurig nagezien, heb ik bevonden, dat het ook een moerkoekje was, mismaakt, en harder als na gewoonte. Van hoe lange tyd zy dit tweede moerkoekje by haar gedraagen heeft, is bezwaarlyk om te zeg- gen. Of zy bezwangert is geweeft met tweelingen , en ’t eene tot niets ge- worden, en onwetende zwaar zynde quyt geworden is, en deszelfs moerkoekje na is gebleven * dan of zy voor deze laafte bezwangering al bezwangert is ge- weeft, en het onvoldragene kindje quyt geworden zynde, het moerkoekje by haar gebleven was geweeft, (’t geen meermalen gebeurt) en op nieuws weder gedragen heeft, heb ik niet kunne navorfchen. De 25, 26, en 27. FIGUUR. ertoonen Moer koe kj en s, e enige wee ken na de verlojjing van7t kindy in de baarmoeder nageb leven, (waar door ze van de drukking der baarmoeder, als die tot haar voorige flaat quam, het buytenfte gedaante van de baarmoeder hebben aangenomen) Maar indien de gezegde moerkoekjens maar voor eenige dagen zyn nagebleven, worden zy harder, en nemen verfcheyde gedaantens aan, en worden ge zegt nu een Kikvors y dan een Mol &e. te verbeelden. PcW .2, ~. c’ V Z2 . o' ZWèerd. -2-2 n XXIX. AANMERKING. Een klomp van geronne bloedige floffe, zomtyds een zuyger verbeeldende. Niet alleen de moerkoekjens na het verloflen van een onvoldrage kindje voor een tyd in de baarmoeder verblyvende, verbeelden zuygers* maar ook geronne bloed in de lyfmoeder, welk my de V roedvrouwen veeltyds voor zuygers , zomtyds voor moerkoekjens hebben gebragt. Deze geronne bloedige ftoffe, is my dikmaals door het drukken van de Lyf- moeder zeer hard en als in een gepakt voorgekomen. Ziet de 28. Fig. Waar aan veeltyds iets gevonden werd, dat na een vlies gelykt, gelyk men ziet na delating op de voet in ’t water dry ven. Wanneer my deze en diergelyke zaa- ken voorkomen, zoo lette ik op twee dingen: ten 1. Of ’er een nablyfzel is van de afgebrooke navel-ftreng. Ten 2. Of diergelyke klompen voorzien zyn van bloedvaten , welken konnenze niet gehouden werden voor nage- blevene moerkoekjens} en daarenboven is aan te merken, dat fchoon ’er in de nageblevene moerkoekjens bloedvaten zyn,dezelve evenwel gemeenlyk gevonden worden ledig van bloed,.zoo dat zy eerder na vezelen als na bloedvaten gely ken. UYT LEGGING van de XXVIII. FIGLTUR. A. A. Geronne bloedige floffe, om de hardigheid en couleur verbeeldende een zuyger. B. B. lets dat na vliezen gelykt. UYT LEGGING van de XXIX. FI GaU UR. A. A. Harde bloedige floffe een zuiger verbeeldende. XXX. AANMERKING. Een afzetting [extirpatio] van een cancreufe roede [penis.] F\ at een uytgezakte en in een monftreufe groote vermeerderde Lyfmoeder, -s—' kan weggenomen werden , blykt uyt de voorgaande aanmerkingen: ’t welk nogtans niet te ondernemen is, zonder inbrengen van een catether in de pis- WCS \ Voor dat de Lyfmoeder gebonden werd , op dat zoo een fchrikkelyk quaad niet zoude volgen, als in de voorgaande 7. Aanmerking. Niet minder Kan ook een defperate verdorvene roede weggenomen werden, zoo alles maar mde komt gedaan werd. Een zekere Boer even buyten de Stad woonende. XXX. AANMERKING. vervalt over twee Jaarenin een hard [_fctrrhtts] gezwel, bezettende het uyter- fte gedeelte van de roede , eyndelyk in een verzwore \carcinoma exulceratutn\ kanker veranderende , en in groote zoo toegenomen zynde , dat het met een vuyft overeenquam. De welgeoefFende Heelmeefter Joachim Schrader, die het eerft hier by ge- haalt was, verzogt den zeer vermaarde Geneesheer Hiddingh,my,en Andries Boekelman nevens zyn Zoon Cornelis , om raad * gezamentlyk hebben wy de afzetting gerecommandeert, gelyk die ook des anderen daags gefchied is , en met (God zy lof} zoodanig een fucces, dat hy nu, hoewel berooft van de roede, wederom na zyn huys is gegaan, en gezond leeft. De gemelde operatie is op deze wyze gefchied: de catheter door de pisweg tot in de holte van de blaas gebragt zynde , hebben wy de roede, even agter ’t voorverhaalde quaad, gebonden met een dun touwetje, maar zeer taay, en dat vaft toegehaalt. De pynen heeft de Zieke zoo manhaftig verdragen (want weynig gekerm hebben wy gehoord) dat het tot verwondering van alle ge- weeft is. Deze band gelegt zynde, hebben wy de catheter zoodanig voorzien met een draad, datze uyt de pis-canaal niet konde fchieten. Des anderen daags hebben wy een nieuwe band daar over gedaan, op dat het beledigde deel zoo veel te eerder zoude verfterve. Ondertuffchen hebben wy de geheele roede met een natte blaas omwonden, om de flank te beletten, en de pis te ontfan- gen. Den vyfden dag, na myn geheugen, is met een mesje het doode lid weg genomen, zonder eenige bloedvlpet j want het was in ’t geheel verftorven. Ondertuffchen lieten wy nog een dag of twee de catheter in de blaas zitten , tot dat de binding van zig zelfs gefcheyden was, en de Patiënt die niet meer van nooden had. Nu herflclt zynde, lofl hy zyn water door een yvoor inflru- ment; want in ’t geheel is het overige gedeelte van de roede in de buyk ge- trokken, zoo dat hy dat inftrument aan de buyk moet vaft maaken, als hy 2yn water zal loifen, op dat zyn kleederen niet nat zoude werden. XXXI AANMERKING. Een Galblaas van binnen in celletjens verdeelt, en met een jleenagtige korft bezet. Dat het binnenfte bekleedzel van de gal-pyp [porus hiïarius~\ in een fteen- agtige ftoffe verandert 5 is niet raar in de lever van een Koe : want het is van my menigmaal gezien. Dat het zelve ook gefchied in de galblaas heb ik ook dikmaals ondervonden in de gezegde gediertens: maar ’t is zeer raar 3 dat de natuur ’t zelve voortbrengt in de. galblaas van een menfeh. J\uj ■ 3J XXXI. AANMERKING, 7% Voor eenige Jaaren heb ik publyk een dood lighaam ontleed, wiens gal- blaas als in veel celletjens verdeelt, en de inwendige rok voor een groot ge- deelte verfteent was. Wat quaad de Patiënt,. toen hy leefde, daar uyt ge- kregen had, heb ik niet konnen onderzoeken h want niemand van de byftaan- ders, voor zoo veel ik weet, was hem bekent. De gal was in die galblaas dikker als na gewoonte, miffchien van het ftil- ftaan in de gezegde celletjens, waar door dezelve zoo vry niet konde uytvloeyen: gelyk men veeltyds ziet te gefchieden in de galpyp van de lever van een Koe : nadien op deze of geene plaats de galpyp al te veel toegetrokken is, en een fteenagtige ftoffe dezelve nauwer gemaakt heeft 5 gelyk de 30. Fig. aanwyft. Of dat tot een beletzel zyn breede wormen, dewelke dikmaals op die plaat- sen gevonden werden, zoo dat de gal niet prompt genoeg kan uytvloeyen. Dan meen ik dat de gal dikker word, en dat aanmerkenswaardig is, de gal, dewelke in de galblaas onthouden werd, verfchild weynig van die, die in de galpyp gevonden werd: want zy is van dezelve dikte en fmaak, daarom kan ik geenzints die geenen toeftemmen, die haar zelve diets maken , dat beyde deze gallen niet de zelve zyn, ja veel van zig verfcheelen in dikte3 ’twelk zy qualyk geoordeelt hebben, als de galpyp en galblaas wel geftelt zyn. Maar indien de galpyp van een fteenagtige aangroeying in deze of geene plaats verftopt is, zoo moet de gal aldaar verdikt werden. Maar alles na be- boeren geftelt zynde, behout de gal dezelfde dikte, zoo wel in de galpyp als in de galblaas. Daarom oordeele ik niet te onregt, dat men de galblaas moet houden voor een vertrek van de gal, waar na toe de gal, als tot een bufeh, gevoert werd; niet alleen uyt de wortelen van de galblaas, (welke volgens het oordeel der Ontleeders haar oorfpronk nemen uyt de grond van de galblaas, alwaar nog- tans zeer weynige, zoo ’er eenige, uyt voortkomen, maar de meefte ontftaan uyt de galweg \T>uttus cyfticus~\, gelyk de 31, Figuur aanwyft) maar ook uyt de galpyp, door welke , als de grootfte wortel, de gal met alleen na ’t ge- darmte , maar ook na de galblaas toevloeyt. In deze opinie word ik te meer gefterkt, om dat de Paarden, Ezels, en veel andere gediertens niet voorzien zyn van een galblaas, dewyl de galpyp voor haar genoeg is. Doet hier by, dat in Menfchen en Koeyen altemets de gal- blaas van my is gevonden, in wyte de galpyp niet overtreffende. Ziet de 31. Figimr. UYT LEGGING van de XXX- FIGUUR. Vertoornende de galblaas in twee deelen 'verdeelt. A, Ue galblaas uan een rnenfeh. XXXII. A A N M E R K I N G. 8.8. Cellekens in de inwendige oppervlakte. c. c. c. 2)? Jieenagtige korjl. UYT LEGGING van de XXXI FIGUUR. A. De galblaas van een Os zeen in een getrokken en vernauwt. B. De galblaas-weg. C. De wortel van dezelve. D. De galpyp inwendig met een Jieenagtige korjl bezet. E. De gemeene [dudus communis] weg, waar door de gal na het gedarmte gevoert word. XXXII. A A NMERKIN G Maandjlonden door een vlies, dat de vrouwelykheyd toejloot, opgejiopt, en door een fneede van het zelve wederom ontlajl. Een maagd van 20 Jaaren oud, na veele maanden ziekelyk geweeft te heb- ben , klaagde zeer dikmaals van zwaarte in haar onderbuyk \JoypogaJirium\, en onlydelyke pynen 3 zoo dat deszelfs moeder noodig geoordeelt heeft, by de Medicyns hulp te zoeken. Om de oorzaak van ’t quaad te onderzoeken, word ’er nevens my, de zeer ervarene Heelmeefter Andries Boekelman geroe- pen , die uyt de klagten en pynen alle maanden wederkomende, nevens my oordeelde, dat de oorzaak van het geheele quaal de tegenhouding van de maand- ftonden was j gelyk ons ook de uytkomft getoont heeft: want zy is alleenlyk door het openen van een fneetje van zeker vlies agter het maagdevlies Haan-1 de, en perfeét de geheele vrouwelykheyd fluytende, genezen. Het is wonder om te zeggen , hoe het gezegde vlies door het aldaar ftil- ftaande bloed uytgefpannen was, de geheele vrouwelykheyduytzettende, en te vergeefs uyttogt zoekende. Het is ook te verwonderen,dat het bloed, het welk aanftonts ontrent vier pond met een zeer groot geweld quam uyt te barden, geenzintsgeronnen, veel min bedorven, maar zwartagtig was, gelyk nevens ons getuygen de zeer eerwaar- de Heer Johannes Dan kers, Medicyn van ’t Ga ft hu ys , en de zeer ervaare Heelmeefter Abel vander HorJI, dewelke by deze operatie, onlangs van ons- gedaan, gelykelyk zyn geweeft. XXXIIL AA N MER KING. Een Mo er koek in watcrbla isjens [hydatides] verandert. Hoe vcordeelig het dikmaals openen der doode lighaamen voor een Ont- leeder is, en de daar uyt ontftaandc ondervinding, blinkt in geen zaaken • 3J . Zfóf". 24 . J\uj. Z2 L' ZTleerd. ddf. zg XXXIII. AANMERKIN G. 77 meerder uyt , als in de tegennatuurlyke baaring: waar van veele fpaarzamer, en met minder nauwkeurigheyd, als ?t behoort , gefchreven hebben. Nu zal (ten opzigte van de moeder) onze reden zyn van de tegennatuur- lyke baring, in welke baring de moerkoek is nagebleven , en van zommige ver- keerdelyk gehouden voor een valfche bevrugting. Daar doen zig veele oor- zaken op , dewelke de uytgang van de moerkoek na de verlofllng van ’t kind beletten : ook ondergaat de moerkoek veele veranderingen , zoo zy na de ba- ring in de Lyfmoeder blyft zitten. Zomtyds Hebben wy gezien , dat de moerkoek-in groote zeer toenam ,na dat zy langer als na behooren in de Lyfmoeder was gebleven. Zomtyds word ze als het kind gebooren is, zoodanig van de Lyfmoeder, die haar zelfs we- derom toetrekt, gedrukt, datze verkeerdelyk van zommige, gelyk te vooren aangetoont is, gehouden is geweeft voor een harde zuyger. Niet zelden word zy met verrotting en flank uyt het lighaam op verfcheyde reyzen uytgedreven. Zomtyds verandert zy ook in heldere waterblaasjens , gelyk gy ziet in de 34. en 35. Figuur. Zoodanige veranderingen van de moerkoek in waterblaasjens, heb ik veel- maal gezien, en wat de oorzaak daar van was, heb ik lange tyd in twyffel getrokke, tot dat my gebeurde te zien een moerkoek ten deele gezond , ten deele in waterblaasjens verandert. Deze waterblaasjens fchynen my niet anders te zyn , als de allerkleenfte kliertjens in waterblaasjens verandert . welk ongemak in de Lever, Nie- ren , en andere klieragtige deelen genoegzaam gemeen is. Wie zoude zig können inbeelden , dat het zoude zyn uytzettingen der vaten ? want dan zouden ’er zeer groote waterblaasjens gevonden werden ontrent het mid- den van de moerkoek, maar nu zyn zy zonder ordre geile It, groote en kleyne. Daarenboven heb ik bevonden, dat die vaten tot niet worden , zoo dat ’cr nauwlyks een takje overblyft. Wat verders van myn gevoelen is, ontrent de klieren van de moerkoek, te- gens de meening van zommige hedendaagfe Anatomiflen, heb ijk voorgenomen naderhand te verklaren. UYT LEGGING van de XXXIV. FIGUUR, A’ A. A. Mg er koek voor een zeer groot gedeelte in waterblaasjens ver- andert. 8.8.8. Een gedeelte van de Mo er koek verandert in een zelfflandigheyd na? vleefch gelyk.ende. h. b; b. b. b. kEaterblaasjens. c, c. Bloedvaatjes door de Moer koek hopende. XXXIV. AANMERKING. De 35, FIGUUR. Vertoont een Moer koek geheel in waterblaas]ens verandert, £7/ ér;# druyven verbeeldende. XXXIV. AANMERKING. Een Lendtne gezwel van een kindje met een in twee gejpleete [fpina bifida] ruggegraat. Myn meerling is niet te wederleggen , dat andere Autheuren gevoelen van een in twee gefpleten rnggegraat, maar alleenlyk zal ik fpreeken , wat ik van die quaal, ’t welk wel tienmaal van my gezien is , aangemerkt hebbe. In de lendenen van de kinderen , als zy nog in de Lyfmoeder huysveften , komtser zomtyds voor een gezwel , ten deele zagt , voornamentlyk in ’t mid- den , en veeltyds helder als of het een waterblaasje was , zomtyds komt het duyfter veer.- De groote van ’t zelve is altoos niet even eens ,nu als een okkernoots groote, dan als een middelmatige raap. Wanneer wy dit gezwel regt onderzogt zullen hebben, zullen wy zonne- klaar zien , dat het zelve een waterzugt is van een gedeelte van ’t rugge- merg , en dat het bykans ’t zelve ongemak is, ’t welk in ’t hoofd van een eerftgeboore kindje een waterzugtig hooft [hydrocephalus] genaami werd. Want gelykerwys in ’t hoofd van een ongeboore, ja van een geboore kind, (eer dat de beenderen van ’t hoofd door middel der naaden vereenigt worden) de vliezen van de herftenen, als ook het vel van’t hoofd om de veelheyd van ’t water dikwyis zoo zeer uytgefpannen werden, en een zagt gezwel veroorzaa- ken: alzoo komt ons ook iets diergelyks dikwyis te voore op de rug, of len- denen , zeer zelden in de nek, (’t welk ik eenmaal gezien heb, en tot nog toe in myn Cabinet gezien kan werde) en nog zeldzamer in ’tonderfte en buytenfte gedeelte van ’t heylig [os Jacrum\ been gelyk ik na deze van meening ben te verhaalen. öat in de waterzugtige hoofden van kinderen die eerft gebooren zyn, de her (Tenen voor een groot gedeelte in water verandert zyn, is niet raar : zoo ook m het gezegde gezwel, ’t ruggemerg ontbrekende , geloove ik dat het in een wateragtige zelfftandigheyd verandert is 3 en dat te verwonderen ftaat, ondei xiet zelve gezwel, vind ik het ruggemerg dikmaal wel gefteld: waar- om zommige in de onderfte ledematen eenige beweging behouden, Andere zyn my vóórgekomen, welkers onderfte ledematen lam Waren, we- gens gebrek van ’t ruggemerg 3 ’t welk ik ook aangemerkt zie van den Wydbe- Pay.jz. IsVeenZ. 'Jr2c/r. zy XXXIV. AAN'MIRKIN (X 79 roemde Medicyn , de Heer Juftus Schrader, in zyne curieufe Ontleed en Geneeskundige Aanmerkingen , fol. 204. Nooyt heb ik aangemerkt, dat in dit ongemak de wervelbeenderen in tween zyn verdeelt, (gelyk zommige gewilt hebben) als of zy in’t geheel in tween waren gefcheyden , gelyk de Slagers gewoon zyn te doen, indien zy de ge- flagte heeften met de byl in tween hakken. De wervelbeenderen wyken alleen van elkander aan de agterfte zyde ontrent de doornagtige [procejjus JpittoJT\ uytfteekfels, maar het grootfte gedeelte, namentlyk het lighaam van de wer- velbeenderen, blyft in ’t geheel 3 gelyk zulks de 37. Figuur aanwyft. Wat nu de genezing van dit ongemak aangaat 3 alhoewel het nauwlyks of noyt verdreven kan werden : want niemand van die kinderen , die ik onder handen heb gehad, is het hoekje te boven gekomen3 ik heb noyt vernomen dat het zelve van anderen is genezen, moet men nogtans een pallieerende cure [curatio palliatïva\ in ’t werk ftellen, uyt t’zamentrekkende en verfterkende medicamenten, in de gedaante van een ftooving 3 ’t welk tweemaal des daags gedaan zynde, moet daar een pleyfter op gelegt worden, welke aan dat ten- gere gezwel niet al te vaft kleeft, op dat het zelve door zyn vafthoudentheyd geen opening zou veroorzaaken: want wy ondervinden , als het gezwel geo- pent, of geborften is, dat dan de dood verhaaft word 3 en om die oorzaak worden wy niet te onregt vermaant van myn Voorzaat, den Wel Edele en Groot Agtb. Heer Burgermeefter Nïcolaüs Tulpius, hoogloftelyker memorie: Wagt u dat gy ooyt onvoorzigtig opent, (hy fpreekt van ’t zelve ongemak), het welk de menfeh zoo ligt de dood aan doet; niet een van die geene, daar ik by ben geweeft, indien van zelfs of alleen door een naald het water, dat in ’t gezwel zig onthoud, is uytgeborften, is ’er opgekomen, maar alle byna gaven de geeft in weynig dagen. Ik heb dit ongemak doen afbeelden na zyne na- tuur lyke groote, om dat men des te meerder indagtig zoude zyn 5 als ons ’t zelve voorquam. Ziet de 36. Figuur. UYT LEGGING van de XXXVI. FIGUUR. A. Een kind van omtrent 8 maanden dragts, 14 dagen na de geboorte geflorven. B. Een zagt gezwel ten deele helder door de dunheyd van de huyd, (welk ons als een vlies voorkomt) ten deele duyjier om des huyds dikte. C. C. Rimpels van V vel ten deele onthlood van V opperhuydeke, en als met een ligte v erji erving bezet, V welk ik zeer dikmaals heb ondervonden, UYTLEGGING van de XXXVII. FIGUUR. A. veervelheenderen van de lendenen vaneen kind dat pas gehoeven vet# > en kort daar na van V zelve ongemak geftorven ? aan de agterjle kant alleen XXXV. AANMERKING. van elkander gcfcheyden, en berooft van ’t ruggemerg , des Zelfs vliezen nablyvende, te gelyk met het vel tegens de natuur uytgefpannen, maar nu vj egge nomen 9 om des te beter de kloof van de wervelbeenderen te konnen zien. B. Een kloof of van eenwyking van gezegde wervelbeenderen , met het welk ■ het kind gehoor en is geweeft. -XXXV. AANMERKING. Het zelve ongemak in ’t onderfle gedeelte van ’t heylig beeti [os facrum] gevonden. Onlangs heb ik by na diergelyk ongemak als het voorgaande aangemerkt met de H . DEgbcrt Veen, en Andries Boekelman, mannen in haar konft zeer crvaaren; niet in de lendenen van het kind, alwaar het zig gemeenlyk opdoet, maar in ’t onderfte gedeelte van ’t heylig been: alwaar ’t zelve ten deele door- ■fchynend, ten deele duyfter, en zeer zagt [om de ichoreufe doffe, waarme- de het bezet was) bevonden wierd. Hier hebben wy niet anders gebmykt dan een pleyfter, een verdroogende ftooving, en een band: als verzekert zynde, zoo ’t geopend wierd, dat de dood daar op des te eerder zoude volgen. Dikmaals ben ik verwondert geweeft, dat dit ongemak niet meeniger reys in ’t gezegde deel van ’t heylig been overkomt, om dat die plaats tot dit on- gemak voort te brengen, meer gefchikt is : want het onderfte gedeelte van ’c heylig been is altyd in een natuurlyke Haat aan ’t agterfte gedeelte gapende , en als in tween gefpleeten, welke natuurlyke kloof alleenlyk bezet is met vet, op dat het onderfte gedeelte van het ruggemerg zoude gedekt zyn. Onder alle die met dit ongemak behebt zyn geweeft, heb ik geen kind zoo lang in ’t leven zien blyven, als dit: want het leeft nog dezer uure, byna een Jaar oud zynde j mogelyk om dat dit ongemak zoo laag geplaatft is geweeft. XXXVI. AAN MER K I N G. ■Diergelyk doodelyk gezwel in de lendenen van een Meysje. Van het voorverhaalde ongemak in de voorgaande Aanmerking, nament! yk van een in twee gefpleeten ruggegraat, worden ’er altyd niet veele wer- velbeenderen ontrent de doornagtige uytfleekfels [procejfus JpinoJi] in twee gefpleeten: het is genoeg , dat ’er maar een wervelbeen is aangetaft , gelyk jk A°. 1684. in Wintermaand gezien heb in ’t dogterje van zeker Procureur tot Amfterdam, waar ineen lendene gezwel een kleyne vuyft groot, en met XXXVI. AANMERKING. rimpels bezet , na korte tyd het vuur kreeg} en alhoewel het zagtjens met ftovingen behandelt wierd, tot ftuyting van het vuur, evenwel op de vyf- tiende maand na de geboorte (maar zelden leven zy zoo lang) ontvloeyde de ftofte die daar in was , en de tweede of derde dag gaf het kindje de geeft • waar door ons occafle is gegeven om het zelve te openen , en te zien wat de oorzaak daar van was geweeft. Wy hebben dan geobferveert een opening in een der wervelbeenderen al- leen , en dezelve was zoo kleyn , dat ’er nauwlyks een erwt konde ingebragt werden. Een ftilet konde ik'ljgtelyk in de holte van de ruggegraat na onde- ren en na boven ft eken , waar door ik verzekerder geworden ben, dat dit ge- zwel niet anders is als een uytfpanning der vliezen, die het ruggemerg bekle- den 5 door een Jioope vogt opgevult. In ft begin hebben wy geen bewegingen bevonden in de onderfte ledematen , die zeer vermagert, en als lam waren : maar naderhand vetter geworden zynde , verkregen zy kragten om de bewe- ging des te beter te doen. In ft openen van dit lighaamtje , bevonden wy tot verwondering van allen die (Jaar by waren. dat onder het vel des buyks byna een vinger dik vet was. - XXXVII. AA N M ER K I N G. Een bederving [caries] der ribbons door een flag-ader breuk [aneuriftna] van de groot e flag-ader [artena aorta.] Gelyk het uytvloeyende zweet door zweetgaten van ’t vel in zommige zoo- danig fcherp is , dat de doeken, ja ook zelfs de hembden in ’t kort daar door een verrotting verkrygen ■ alzoo doen ook diergelyks de humeuren, wan- neer de waare nbbens een bederving aannemen van een enkele flag-ader breuk of flag-aders gezwel van de groote opgaande flag-ader. Voor .22 Jaaren heb ik een Man geopent, die van lange tyd in zyn borfl gedragen had een flag-aders gezwel, van die groote, dat het byna met het hoofd van een eerftgeboore kind overeenquam, met zoodanige klopping, dat men dezelve, als men de hand daar tegen hielde, konde voelen flaan. Het bghaam geopend zynde, vonden wy een flag-aders gezwel in de groote op- gaande flag-ader, een duym of twee breed van het herte 3 gelyk in de 38. by- gevoegde Figuur vertoont werd. An de aangroeying van dit,flag-aders gezwel, wierden de waareribbensge- dwongen van elkander te icheyden 3 ja wy vonden dezelven ook zoo bedorven, dat zy voor een groot gedeelte ontbraken, en dat’er van overbleef, kon men ligtelyk met de vingeren vryven als tot een papje. Wanneer ik voor veele J aaren deze hiftorie vertelde aan den geleerden Mecjicyn, de Hv. van der Sc hagen 82 XXXVII. AANMERKING. toen hy leefde een zeer vermaart man 3 zeyde hy tegens my3 ook gezien ge- had te'hebben een bederving van de ribbens van de borft door een flag-aders gezwel veroorzaakt. Het zoude waarlyk meer om te verwonderen, als om uyt te leggen zyn 3 hoe dat een beiloote flag-aders gezwel [dat alleen een verwyderde llag-ader genoemd werd) de ribbens zoo konde bederven 5 indien de navolgende hiftorie my niet onlangs was voorgekomen. UYT LEGGING van de XXXVIII. FIGUUR. A. Een menfche hert, van agteren vertoont. B. ‘De Jlag-ader van de Long [art. pulmonalis.] C. Een qedeelte van de nederdalende dam van de qrooie (lav-ader Tart. aorta defcendens.] D. Een gedeelte van de opgaande fiam van de groots Jlag-ader [art. aorta afcendens.] . E. Het Jlag-aders gezwel van gezegde Jlag-ader. F. De linker holte [ventriculus finiftef] *van het herte. G. Een gedeelte van de regter holte [ventriculus dexter] van het herte\ H. H. De bloedvaten die door het gezwel loop en. 3.1. De kroons vaten [vafa coronaria,] XXXVIIL AANMERKING. Een monjireufe Aneurifma De Autheuren3 dewelke vafl ftellen, dat een Aneurifma is een verwyder- de 5 of een tegen de natimre uytgefpanne flag-ader wegen» een fteek of doorknaging van een der flag-aders rokken uyt een fcharp vogt veroorzaakt, verzelt met een klaarblykelyke klopping 3 hebben de natuur van dit ongemak niet duydelyk genoeg befchreven. Want die befchryving of bepaling heeft wel plaats in veelen en kleyne flag-ader breuken 3 maar daar moet meerder by- gedaan werden, op dat niemand meer bedrogen werd ontrent deszelfs gene- zing. In alle Aneurifmata word niet altoos praecys een klopping gevoelt 5 fehoon de Autheuren dezelve houden voor een zeker teken. Indien het bloed in een Aneurifma geil remt word , word ’er geen klopping gevoelt. Dit heeft voor dezen een zeer ervaare Heelmeefter bedrogen 3 die5 toen hy leefde} een familiaar vriend van my was, dewelke ontrent de Koot \Talus\ of Enkel 3 een Aneurifma, de groote van een okkernoot 3 opende 3 nogtans niet wetende, dat dit gezegde gezwel een Aneurifma was 3 om dat ’er geen klopping by was. Het gezwel geopent zynde, en ’t geronne bloed daar uyt- ZWeerd . "Jaf ;> # XXXVIII. AANMERKING. «3 geperft, quam ’er zoodanig een bloedvloed , die nauwlyks te ftelpen was. In zommige allergrootfte Aneurifmata heb ik ook ondervonden , dat ’er geen klop- ping konde gevoelt worden. Onlangs heb ik met de ervaare Heelmeefler Willardgevifiteert een Soldaat, by de IS es, agter de Yleefch-hal, die in zyn borft droeg een Aneurifma van zelfs voortgekomen, van zoo een monftreufe groote, dat het met een middel- matig kuflen, die men op de ftoelen gebruykt, (de vierhoeken weggenomen zynde , want de gezegde Aneurifma was overeenquam. Veele dagen eer hy ftorf, barfte dezelve op verfcheyde plaatzen van zelfs open, zonder groote ftorting van bloed * en dat aan te merken is, de klopping, die van te vooren zeer ftcrk was, bleef eenige weeken voor de opening geheel weg, ’t welk gy goedgimftige Lezer zult gelooven , indien gy hoort, dat na zyn dood de Aneurifma (welke zyn oorfpronk had genomen uyt de groote flag- ader,omtrent drie dwarfe vingeren breet boven het hertelt van my bevonden is ge- weeft, als Leyen, die op elkander zitten (indien ik zoo fpreeken ge- plaaft5, of uyt ontallyke dikke , vleesagtige, en zeer taaye rokken op elkan- der leggende beftaande , tuffchen welke rokken het overvloedig en geftold bloed verholen bleef. Het buytenfte dezer rokken, welk eygentiyk de groote flag-ader was, had de breedte van een ftroo. Staat verders aan te merken, dat byna alle de ribbens van de borft, alsmede het borftbeen gelyk als tot niet waren gebragt, en byna de geheele borft daar van ontblood j gelyk men ook kezen kan in de voorgaande Aanmerking. Waar door zwaare ademhaling, flauwte, en geduurige koortze ontftonden, met al het welke de Patiënt veele weeken bezet was geweeft. Deze verhaalde zaaken fchynen eenig ligt toe te brengen, om de bederving van de ribbens uyt te leggen h namentlyk, dewyl het bloed tuffchen die fchub- bens of leyen ftilftaande, aldaar een fcherpigheyd aangenomen hebbende, allengs- kens doorvloeyt, en langzaam debeenen doorvreet. Het geen ik niet ligtelyk geloof, dat te vreezen ftaat in een fimple uytzetting van de flag-ader, waar van wy gelooven dat de Aneurifma zyn oorfpronk gemeenlyk neemt: alwaar door de geduurige toevloed van nieuw bloed , zoo wel een ftilftand, als des- zelfs fcherpte belet werd. XXXIX. AANMERKING. Een doodelyk hard [fcirrhus] gezwel van de Maag, Het itaat niet altoos in de handen der Medicyns3 dat de Zieken genezen worden, \ wejk Qns veele exempelen dagelyks doen beveiligen * onder welke geen de minlle plaats heeft een hard gezwel van de maag. Een zeker XXXIX AANMERKING. Man lang geklaagt hebbende over knaging en pyne in de maag , gevoeldë eyndelyk zyn quaal zoo toenemen, dat hy door de geduurige pyne haalt niet langer leven konde : daarenboven bleeven hem by een geduurig braaken , en ilauwtens, tot dat hy den geeft gaf. De vrienden door begeerte mede inge- nomen zynde, wat hem zoo lang gequelt had , hebben my toegeftaan het lic- haam te openen. In ’t openen van ’t lighaam, is- die booze vyand niet lang verborgen ge* bleven , maar aanftonds in ’t gczigt gekomen: want de grond van de maag was met een hard gezwel bezet, byna een vuyft groot, vervult met een taaye en zwarte Itoffe, welke ftofte hy ook door het braaken weynig uitren voor zyn dood is quyt geraakt. XL. AANMERKING. Een ingewortelde [Cephalsea] hoofdpyn opgehouden door een halsdragr [fetaceum j} maar weggenomen Zynde y quam de pyn wederom, en dat altemets. Een Jonge Dogter van zeker Amfterdams Koopman , ontrent 18 Jaaren oud, en bloedryk , had lange tyd een geduurige en onlydelyke pyne in 't hoofd gehad. Veele remedien zyn van my en Mr. ‘Pieter Adriaanfze aan- gewent om dat quaad weg te nemen , maar te vergeefs 5 gelykdaar zyn 5 pur- gerende hoofdmiddelen, altererende, aderlatingen , zoo op de voet als andere plaatzen , fpaanfe vliegen, fnuyvingen , koppen &c. Eyndelyk heeft zy toe<- gedaan een kruyswyze fnee op ’t opperhoofds-been [os bregmatis~\ van ons voorgeftelt 5 daar op volgde een aanmerkenswaardige bloedvloet y zonder dë minfte verligting. Wy hebben verfcheyde raadsplegingen gehouden met den zeer ervaaren Medicyn Mat thans Sladus. Eyndelyk geen middelen helpende , was ons voornemen om ’t bekkeneel met een boortje te doorbooren 3 maar eer wy dit uyterffe middel zoude volbrengen , (lelde ik voor een halsdragt in de nek, tot welkers operatie de voorfchreve Heeren haar ftem gaven : deze re- medie in ’t werk geftelt zynde, vergingen aanftonts de pynen 3 en dat aan te merken (laat ,na eenige dagen onze Patiënt deze remedie wat verdrietig val- lende , heeft zy de Seton uytgetrokken ,’t welk gedaan zynde harde aan- (lonts de quaal wederom op 3 zoo dat zy genoodzaakt wierd haar toevlugt te nemen tot een nieuwe Seton 3 ’t welk in ’t werk geftelt zynde, hielden de py- nen 3 die de Patiënt zeer quelden., aanftonts op, toen wierd zy wyzer: want ze heeft de vernieuwde Seton gedragen ? tot dat de natuur zelfs de zelve uyt- ftotede. Wat gebeurt ’er ? voor de derde reyze de Seton weggedaan zynde, vervielze weder in’t zelve ongemak3 en gedwongen zynde, hebben wy we- XLI. AANMERKING derom bevoolen, de voorgaande te vernieuwen, waar door zy wederom ver- loft is geweeft van deze quaal 3 en zy heeft naderhand liiftig envrolyk begin- nen te leven, gelyk ze tot dezer uuren gezond is; XLI. AANMERKING. Eengroote uytvloeying van Water [Lympha] , wegens het openen van een Lies-gez>wel [BuboJ , door een particuliere konji tegengehouden. Het is te beklagen,, dat zoo veel Jongelingen inde Chirurgie, luy, en on- trent beuzelingen geduurig bezig zyn. Onder alle konften die ’er ge- leert werden , is’er geen die de Heelkonft overtreft 3 liet voorwerp van an- dere konftenaars is yzer, hout, fteenen &c. Maar het voorwerp van de Heelkonft is het menfchelyk lighaam, zoo won- derlyk van God Almagtiggefchaapen, dat niemand ooyteenig gedeelte van51 zelve genoegzaam en ter deege bekent is geweeft. Om welke oorzaak alle, die voorgenomen hebben de Chirurgie te keren, zig geduurig moeten oeffe- nen, niet in ’t fpeelen op de fluyt, viool, of andere muikaale inftrumenten, gelyk nu onder haar zulks het gebruyk is, maar in Ontleedkundige zaaken 3 zoo zouden zy in duyzende gelegentheden, niet alleen ,de ellendigen veeltyds hulpe toebrengen, maar ook groote eer voor haar zelve verkrygen. Het ftaat ook te verwonderen , dat ’er zulke domme Heelmeefters gevonden werden 3 die zig niet fchaamen te zeggen, dat voor een Heelmeefter genoeg is een ruwe vvetenfchap van des menfchen lighaam te hebben maar dat het eurieuk voor de Doctoren moet worden overgelaten. Zeker Chirurgyn uyt deze rouwe bende, opende een venus hes-gezwel \bubo veneris], voor dat het zyn volkome rypheyd had, (in welke zaake hy niet te befchuldigen was, want zoo zyn wy ook gewoon te doen J maar heeft met zyn onbedreve regterhand een water-vat [yas Lymphatkum] doorgeftoken. Het is verwonder ings waardig om te zeggen, hoe veel water dat uyt die won- de vloeyde, alle windzels waren geduurig doornat. Eyndelyk heeft dezelve , kuyten raad zynde, my om raad verzogt, niet wetende, waarvandaan dat’er dagelyks zoo veel vogt quam. Hier bleek hoe noodzakelyk voor een Heel- meefter is, het menfchelyke lighaam met alle nauwkeurigheyd te onderzoe- *eiH en at rouwe wetenfchap daar van voor hem niet genoeg is. erhalven heb ik geoordeelt , dat men daar op compreften moeft leggen vantoegeyOUwen doeken, en dezelve vaft toedrukken met een gefpe, hoo- pende dat de water-vaten, waar door het wederkerende water van de onderfte ledematen continUeel na boven vloeyt, zoodanig zoude werden gedrukt, dat de doortogt van ’t water zoude wederhouden worden 3 ’t welk zoo zeer na XLII. AANMERKING. wen ft h gefchiede , dat des anderen daags de Patiënt bevryd was geworden van dat qiiaad: ondertuflchen kon de Heelmeefter voor het lies-gezwel zorg dragen , zonder eenig beletzel te hebben , of de gefp los te maken , tot zoo lange tyd dat’er geen vrees meerder overig was , van een nieuwe ftorting. XLII. AANMERKING. Een zeer groote bloedvloed [htemorrhagia] uyt een zweer van de roede f penis] , wel door een ligte, maar by zonder e konfi tegengehouden. By de voorgaande Aanmerking is myn voorneemen , nog een ander raar- der te voegen. Een zeker Heelmeefter die heel wel ervaaren was in ft ge- nezen van Venus ziektens , heeft my by nagt tot een Zieke doen komen, die in dien nagt door een geopend flag-adertje uyt een zweer van de roede, tuflchen deszelfs hoofdje [glans] en voorhuyd ypraputium], zoo veel bloed was quyt geworden , dat hy byna bloedeloos fchcen te zyn. Ja ik durf zeggen, dat ik gezien heb in zyn plaats, daar hy fliep, een halve tobbe vol met bebloed linnen, niet anders als of een vrouw in de baring was. Verfcheyde floppen- de zaaken had de Heelmeefter voor myn aankomft in ft werk geftelt, nogtans zonder verligtenis; want daar was nauwlyks plaats om te doen drukken, we- gens de geftalte van ft lid: derhalven was de Heelmeefter en Zieke in groote benauwtheyd > ik hebbe hem nogtans aanftonds door Gods goedheyd ge- holpen , en dat door een ligte zeer eenvoudige remedie 5 namentlyk , ik floot het hoofdje van de roede met de voorhuyd, en alzoo drukte ik met myn vingeren de voorhuyd vaft toe , waar door geen druppel bloeds meer heeft konnen uytloopen, en zoo is deze ellendige genezen. XLIII. AANMERKING. In V doods lighaam van een Kraamvrouw een gapende mond van de Lyfmoeder, en het bekken [pelvis] met vogten vervult. Hoe qiialyk de Kraamvrouwen in deze Landen zig beraaden, dewelke de tyd van haar znyvering niet al te veel gaade flaan, en te haaftig uyt den huyze gaan, zal blyken in de navolgende Aanmerking enbygevoegde39. Fft güur yan de Lyfmoeder. Anno 1676. In de maand van Maart, heb ik in ft openbaar ten dienfte van de Vroedvrouwen geopent het doode lighaam van zekere Vrouw van drie en een ha we week kraams, (in tegen woordigheyd van de zeer eerwaarde opzien- ders van het Collegium Medicunf) welkers Lyfmoeder die groote en figuur had, als de by gevoegde 39. Figuur aanwyft. Ende het fcheelde zoo veel, dat dc mond van de Lyfmoeder haare natuurlyke engte bekomen had, dat ik XLIII. AANMERKING. zeer ligtelyk, en zonder eenig geweld, met myn twee vingeren daar in koude komen. Mogelyk zal ymand zeggen, dat zulks raar, entegens de regul van de natuur is > waar op ik antwoorde, dat het genoeg is zulks plaats te hebben in zommigen i daarenboven, dat het by niemand bekent is, hoe dikmaals dat zulks wel gefchied 5 en hier van daan komen meenigmaai die droevige klag- ten van onlydelyke pynen en koude in de onderbuyk, verftoptheden, ja niet zelden geduurige lekkingen van de maandftonden. In 5t ontleeden van dit doode lighaam, heb ik ook aangemerkt, dat het bekken vervult was met een vergadering van vogten, ja die bykans twee pinten haalden, niet zonder groo- te ftank. Of deze humeuren uyt de Lyfmoeder door de trompetten \tuba fallopf] of eyerwegen [ovidudius] geperft waren geweeft tot in \ bekken ? ’t geen ik ligtelyk zoude gelooven, om dat ik meenigmaai in ’t bekken dier- gelyke vogten heb gevonden, dewelke ik in de Lyfinoeder ook vernam. Of zy elders anders van daan zyn gekomen, laat ik aan ’t oordeel van anderen 5 maar ik ben van gedagten, dat in een zwaare baaring het hoofd of billen van ’t kind zomtyds de fcheede van de Lyfmoeder zoo nauw kan toefluyten 5 dat ’er nauwlyks een druppel bloeds uyt de Lyfmoeder kan komen ; daarom kan ik in zoodanig geval niet zien, wat ’ef tot een hinderpaal zoude zyn, dat de vogten, in de Lyfmoeder geplaaft zynde, door het perflen, of een geweldi- gen arbeyd, niet door de trompetten tot in de holte van het bekken zoude kunnen gebragt werden 3 en te meer, om dat ’er in de gezegde trompetten geen klapvliezen [yalvula] gevonden werden: hier uyt ontftaan zwaare koortzen, pynen in de onderbuyk, flauwtens, en diergelyke quaalen, ja zelfs de dood. UYTLEGGING van de XXXIX. FIGUUR. A. *De Lyfmoeder van een Kraamvrouw van ontrent drie en een halve week kraams. B. De mvnd van de Lyfinoeder nog zeer gapende. XLIV. AANMERKING. Een barnfieene Coraal lang in de neus gebleven, met een fieenagtïge [tophus] ftojfe begroeyt. Een Dogtertje van 5 Jaaren had al fpeelende een groote barnfteeae Co raal (gelyk te zien is in de 40. Figuur} diep in de neus geftooken, waar door het verfcheyde ongemakken en pynen leed. Niemand konde maden., wat de oorzaak van deze quaal was j 14 Jaaren oud geworden zynde , is zy door ’t niezen het ingcftooke ftuk barnfteen uyt haar neus quyt geworden: waar van aan te merken is dat die gezegde Coraal niet fcheen te gelyken na XLi V. AA N M E R K I N G. barnfteen: want zy was zoo omvangen van een zekere fteenagtige fchorze % als deze met eenig geweld ten deele afgerafpt was, vondt men in ’t midden van de Coraal een gat: hoe dat deze fteenagtige ftoffe rondom de Coraal aan- gegroeyt is geweeft, is niet ligt om uyt te leggen: daar zyn wel veele exem- pelen befchreven van diergelyke fteenige korftagtige aangroeyingen in de blaas , welke wy leezen in Beverwyk, en andere Autheuren: maar dat zulks eveneens aangemerkt is geweeft in de neus , geheugt my niet , als alleen dat de voorge- melde Heelmeefter Bi et er Adriaanfz. my onlangs getoont heeft een fteentje van een kars ,’t welk lang in het bovenfte van de neus gezeten was geweeft , alwaar het ook met een fteenagtige ftoffe of korft omvangen was geworden , en eyndclyk quyt geraakt. UYTLEGGING van de XL. FIGUUR. A. Een barnfteene Coraal, ten deele met een fteenagtige korft omzet , ten deele blood. B. Af\erafyte brokjens van de fteenagtige korft van de barnfteen, XLV. AANMERKING. Verfcheyde zaaken in ’t doode Ughaam van een waterzugtige vrouw .aangemerkt, waar onder de klieren van de Lever zeer opgeblazen. Dat des meafchen Lever voor een groot gedeelte zyn beftaan heeft uyt kliertjens ,is van lange tyd ondervonden. Anno 1686. heb ik het doode lighaam vaneen besje tot nut van myne difcipulen geopent, dat geftorven was aan een waterzugt [hydrops afcites\ in de buyk. Voor cerft heb ik met de punt van een mesje , een opening gemaakt tot uyt- vloeying van een dunne wey of huy ,’t geen zig in de buyk onthield. Na- derhand de fneedè grooter gemaakt hebbende, quam ons in ’t gezigt een geel, taay, en lymagtig vogt, genoeg aanwyzende dat een opening \_faracentefis abdominis] in de buyk van zoo veel nut niet is in een afcites, en zoo ligtvaar- dig niet moet in ’t werk geftelt worden , gelyk zomtnige Autheuren gewilc hebben: want weynige komen daar van op , ten zy het vogt tuflchen de fpie- ren en buykvlies \_peritomeum\ (andere zeggen tuflchen de verdubbeling [du- plicatura peritone Milt [Lien} 3 Lever [Hepar]en hy nier en [renes fuccenturiati] &c. kénnen gevoeglyk gehouden werden voor bloedagtige klieren. NU word de Milt vooreen klier gehouden, en dat met regt: want zoo men de klieren die dikmaals aan de Milt ftaan, en ook de klieren [ glan- Ma thyroidea] yan ’t fchild-wyze kraakbeen; te regt onderzoekt, zal' men LI AANMERKING. ondervinden , dat dezelve weynig verfcheelen van die der Milt, maar zeer veel verfcheelt de Milt wel van ’t maagkuilen \j>ancreas\, en quyl-klieren \glandul£ falivales}, egter word zy te regt voor een klier gehouden: na- men tlyk voor een bloedige klier, dat is, tot het bloed dienende, of met het bloed overeenkomende, ten aanzien van couleur. Van ’t zelve geilagte van bloedige klieren zyn ook de byftaande [renes fuccenturiatt] Nieren, Lever, en eenige die gemeenelyk by de Milt gevonden werden. In allen dezen is ’er geen byzonder uytftortend \duMus excretorius~\ vat tot nog toe gevonden, als de ader. En het fchynt dat zulks hier niet meer van noden is, als in diergely- ke ronde klieren of zamengeftelde \gglandutk conglobat£ \ ,dewelke dienen om de Lympha tot het hert wederom te brengen; waar in gy nooyt buyten de water- vaten \yafa lymphatical eenig ontlaftend vat [vas excretoriurn\ zult vinden. N ogtans is ’er geen twyffel aan, of zy dienen tot bewerking en verdere vol- making van de Lympha, of bereyden by zig particulier een zap uyt het ilag- aderiyk bloed, welk aan de Lympha werd toegebragt. Het zelve is te gevoelen van de bloedige klieren, dewelke dienen tot exal- tatie en verdere volmaking van ’t bloed : hier door bevind men ook , als de Milt ver flopt, opgezwolle, verhart, of anderzints qualyk gefteitis, dat het bloed dikker en melancolyk, of zwaargeeftig word. Daarom moet menden Milt houden voor een bloedige klier, ’t geen ik mede gevoel nevens de zeer beroemde en oplettende Ontleder Malpighius. En dat te meer, om dat ik veeltyds klieren by de Milt gevonden heb, in alles zeer gelykende na de Milt. My geheugt , dat ik voor eenige Jaaren in’t Gafthuys dezer Stede (in welk de Wel Ed. Groot Agtb. Heeren Burgermcefteren, als mede de E. Heeren Regenten van ’t gezegde Gafthuys my toeftaan de doode lighaamen te mogen openen} getoont heb diergelyke Milt-klieren, of die by de Milt ftaan, in ’t doode lighaam van zekére Vrouw ontrent 40 Jaaren oud, die geftorven was aan een galagtige buykloop \_diarrhaa biliofa\, waar by een geelzugt [iffierus] was. Ik had ’er tegenwoordig by de Heeren B. van Dortmond, Joh. Dankers 3 Rogier Roonhuyfen, Adriaan Coenerding, zeer deftige mannen in de Medicyne en Heelkunde. Ik zeg, dat ik in dat lighaam vertoont heb, behalven een hard \_fcirrhus] gezwel de groote van een okker- noot in de Milt zelfs, twee klieren, die by de Milt ftonden, ja de Milt gely- hende: (uytgenomen alleenlyk de groote} want zy quamen overeen met de uyterlyke blauwe couleur van de Milt, en met de inwendige zwarte ofbruyn- agtige. De zelfsftandigheyd was ook in ’t geheel als de Milt. Des Milts vaten opgeblazen zynde, zettede haar ook de vaatjens van deze klieren uyt, voort- komende uyt de Milts vaten. Zoo dat ik niet ongerymt vind, deze klieren kleyne baftart-milten [pjeudo lienes exigui] te noemen 3 voorn amentlyk als zy zoo toe- nemen, (de Milt verhard zynde} datze met groote van een okkernoot overeenko- men, gelyk ik voor dezen gezien heb. ‘ LIL J>u3 -3° TTleerd. ZTajT. jj 95 LIL AANMERKING, Qe zwellen van het agterhoofd der kinderen afhangende , zelfs grooter als het hoofd. In Eerftgeboore kinderen heb ik veeltyds gezwellen gezien van’t hoofd af- hangende , die grooter waren als het hoofd zelfs , gelyk gy zien kond in de 45. Figuur. Het geheugd my eenmaal, het zelfde gezien te hebben van die grootc, dat het grooter was, als het kind zelfs: waar door de baaring zeer zwaar was 5 maar nadien het een wateragtig gezwel was, konde het zelve de baaring in ’t geheel niet tegenhouden. Deze gezwellen, alhoewel zy te onregt genaamt werden waterzugt van ’t hoofd, (zoo lang het hoofd wel geftelt is) hebben egter dikmaals zoo veel gemeenfchap met het zelve ongemak, dat de kinderen ook fchielyk daar van komen te fterven, indien de gezegde gezwellen geopend werden; gelyk men ziet in een waterzugtig [hydrocefhalus] hoofd. Want gemeenelyk hebben die vogtigheden, die in de gezwellen onthouden werden , gemeenfchap met dat wateragtige vogt, ’t welk in de groeven [ventricult] van de herffenen gevon- den werd. Diergelyke gezwellen heb ik zomtyds aangemerkt, dat zy niet ge- heel wateragtig, maar ook ten deele vleesagtig, ja ook ten deele kraakbeenig waren. De 45. FIGUUR. Wj/f het hoofd van een eerfgehoore kind aan , met des zelfs afhangent waterzugtig gezwel. UIL AANMERKING. Een doorgaande wonde in de borft, met uythanging van een flikje des Longs, genezen. Niet alleen de Lever, maar ook de Long, kan veel groote ongemakken altemets verdragen , zonder verlies van ’t leven, zoo zy maar na de konft gehandelt werden. Zeker Schippers knegt, gewond in ’t onderfte en voorfte gedeelte van de , tot in deszelfs holte, heeft een Heelmeefter by hem laten roepen, de- welke gezien hebbende een ftukje van de Long, datuyt de wonde hing, (’t welk hy hiel voor een gedeelte van ’t neL) \pmentnm\ heeft fchielyk met een band, t geen ser uything, geheel fterk toegebonden , en my aanflonds om raad geroepen; maar als hy van my hoorde, dat de wonde niet was doorge- LUI. AANMERKING. gaan in de buyk, maar in de borftj en dat het uythangcnde gedeelte , ’t Welk van hem afgebonden , een gedeelte van de Long was , ftond hy verftomt. De zaken zoo gefield zynde , heb ik geraden de wonde al zoo tel aatenftaan, en met digeiliet en een pleyftcr van defenfief alle dagen eens te voorzien , tot dat het afgebondene gedeelte van de Long zoude geftorven zyn, en van zelfs -zoude afvallen, metdiehoope, dat de Long , die onder het afgebondene was, in de wond zelfs zoude werden geheelt 3 ’t welk zoo wel gelukt is, dat de ■Lyder in ’t kort genezen is geworden. LIV. AANMERKING. Een doodelyke wonde in het Oog-rad [orbita oculi. ] Een zeker man wierd voor eenige Jaaren met het uyterfte van een Hok, die niet al te fcherp was, gewond in ’t linker oog-rad 3 alhoewel die gee- ne, dewelke tot de genezing geroepen waren , weynig zwarigheyd daar in fchcenen te maken, is den Lyder egter kort na de gekregene wonde overleden. De Wel Ed. Groot Agtb. Heeren Hooftofficier en Schepenen dezer Stede, hebben my, nevens de ordinaris gezwoore Stads Chirurgyns , bevolen het doode lighaam te openen, om de oorzaak van de fchielyke dood te onderzoe- ken. Van buyten hebben wy gevonden een blauwe vlek of een ligte uytflor- ting [ecchymo/is~] van bloed in’t opperfte van’t oog, maar het opperfte van ’t bekkeneel met een zaag weggenomen zynde, vonden wy, dat het quaad zig verborgen jiad gehouden: want de wonde was zeer diep in de herflenen ge- gaan , ’t welk op die plaats iigtelyk gefchieden kan, wegens de dunte van ’t opperfte van ’t oog-rad , want in veele overtreft het niet de dunte van een fchryf-papier j en daarenboven is het zoo zagt, dat ik het in veele met myn. vingeren heb doorgeboort. Daarom moet men de toegebragte wonden in de oog-raderen niet te ligt agten, voornamentlyk indien de Inftrumenten, door welke zy toegebragt werden, niet te ftomp zyn 5 of de gewonden llaperig worden, braagaktig, koortzig, of wanneerze draaying in’t hoofd, ftuypen krygen. LV. AANMERKING. Een doorgejlokte Speld, zyn uytgang zoekende door een ZWeer of abfces in de Liefche. N"" iet zonder reden word ’er gcmeenlyk gezegt 5 dat de natuur haar èyge behoudfter is: ’t geen my ligter, als de dag fchynt 3 voorgekomen is in LV. AANMERKING. een Dogtertje van zeker Heer, dewelke een fpeld doorgeflokt had buyten weeten van haar Ouders. Een hard gezwel en ontfteking in de Liefche op- gekomen zynde, met koortze en pyne, hebben de Ouders my ontboden. Na- dien ik verftond, dat dit gezwel niet fchielyk, maar allengskens zyn aanwafch gekregen had, en dat ’er geen braaking nog hardigheyd in de afgang by was, heb ik geoordeelt, dat dit gezwel een liefch-gezwel [ buho\ was, of een ge- zwel en ontfteking van de klieren der Liefche. En nadien het zoo pynelyk was, dogt my in deze zaake niets beter te zyn, dan het opleggen van een verzagtende pap. Deze remedie van de Heelmeefter daar op gelegt zynde, fcheen ons dit gezwel na rypheyd te hellen : derhalven rypmakende middelen daar by gedaan zynde , is het tot volkome rypheyd gebragt, en ’t gezwel met een lancet geopend. Wat gefchied’er ? aanftonts quamte gelykmet zeer veel etter, een ipeltmet fpaans groen bezet voor den dag, niet zonder vermenging van darras-vuyligheden of drek : deze dingen gezien hebbende, hadden wy geen hoope, als op de natuur, welke niet zelden wonderen werkt tot haar behoud: zoo dat wy ’t abfees met zuyverende en vleefchmakende middelen hebben behandelt, tot dat het geheel genezen was. In deze genezing is niet te twyfelen, of in den beginne is den darm, van de punt der fpelde gequeft zynde, door een opgekome ontfteking zeer vaftgegroeyt geweeft aan’t buyk- vlies: (gelyk men in andere ontftekingen dagelyks komt te zien} waar door de gelegentheyd verfchaft wierd, dat den drek vryelyk daar uyt kende loe- pen 5 daarenboven heeft zulks belet, tot dat de gezegde vuyligheden niet in de holte van de buyk konde zakken. L VI. AANMERKING. Een vogüge kort horfigheyd [afthma ferofum] met een aanmerken s~ waardige Jieen in de Nier. Onder alle doode lighaamen van menfchen 5 die ik tot nog toe geopent heb } geheugt my niet ooyt grooter fteenen in de IN leren gezien te heb- ben 5 als die geenen 9 dien gy in de volgende Figuüren ziet afgebeeld. Fig. 47> en 48. Anno 1684. heb ik (in tegenwoordigheyd van de zeer waarde enaanziene- lyke Heeren 5 B. \Dorniond en Johannes Verwout, Infpe£tores Collegii Me- dici :R Roonhuyzen en A. Co ener ding, zeer ervare Heelmeefters van Vt Goft- lmYsJ *n ’t Gaithnys geopent een Vrouw van ontrent 40 Jaaren oud, die geftoryen was aan een Afthma 5 in welkers vliezige cellekens der longe , als mede mde longepypen, ZOo veel fchuymagtig water te voore quam, dat het uyt een kleyn afgeiheede eedeelte met droppels uytvloeyde. In deonderbuyk L VI. AANMERKING. ondervond ik 5 dat de maag en darmen, haar natuurlyke plaats verlaten heb- bende 3 nedergedaalt waren in de onderbuyk. De Lyfmoeder was niet in ’t midden van ’t bekken 3 maar ik vondze in de linker zyde geplaatft te zyn 3 al- les was anderzints gezond. Het bekken van de nier, als mede de linker nier 3 was bezet met een zeer groote fteen ? in groote en form zeer net overeenko- mende met een groote klauw gember 3 gelyk in de 4,8. Fig. aangetoond werd. UYTLEGGING van de XLYL FIGUUR, A. De linker nier in V midden doorgefneden. B. "De pisleyder wyder als ordinair. C> De bloedvaten ten deele door de pisleyder , ten deele door V netvlies vm de nier verfpreyt. D. D. D. De verhevene gedeeltens van de fteen. UYTLEGGING van dc XLVIL en XLVUL FIGUUR, A. 'Dezelve fteen van de nier geftcheyden , zittende in ’t bekken. B. De pisleyder wyder uytgezet. C. Het bekken. D. Dezelve fteen in d geheet ontb lood, op dat des zelfs form en verwonder enf waardige groote konde gezien werden. L VIL AANMERKING. Steenen van een ongehoorde groote in een kind van drie J'aaren. Een kind van ontrent drie Jaaren oud 3 heeft meer als vyftig fteenen onder deze waren ’er veele die de groote hadden van een kleyne erwt 3 ge- lyk de Heer Bronkhorft , in .zyn leven zeer vermaard Medicyn alhier, ons verhaalt heeft. Hoe veel pynen deze ellendige gehad heeft, is ligt te den- ken 3 en hebben nogtans niet opgehouden. Eyndelyk het lighaam geopend zynde, heb ik het bekken van de linker nier, zeer verwydert gevonden, en met yen ongemeene groote fteen bezet: (Voornamentlyk voor die Jaaren, waarom dv deze hiftorie heb willen verhaaleA) Ziet de 49. Fig. UYTLEGGING van de XLIX. FIGUUR. A. Ds linker nier, B. Des Zelfs bekken vervult met een groote fteen... ?‘y-53 J/èerd. ■ 32 LVIII. AANMERKING. 99 C. T)e Tisleyder. D. D. Tweeftenen in V gezegde hekken gevonden. LVIII. AANMERKING. Z/£ oor ff ronk en natuur van de Zuygers [Mo lx], of door de deelen, die tot de ademhaling dienen, zoude gekomen zyn, fchynt niet bewysbaar 5 en veel min- der is het waarfchynelyk 5 dat derzelver eyertjens doorgang zoude gehad heb- ben door de mond, en zoo verders tot die deelen doorgedrongen; want ze zouden ook niet in de maag, waar in , om de chylificatie , een aanmerkens- waardige gilling [ferment at io~\ en verandering van ’t voedzel gelchied 3 in hun geheel konnen gebleven hebben. Ook zouden de eyeren niet door de gyl of melkvaten konnen doorgaan. Doet daar by, dat geen menfeh ter wereld ooyt diergelyke wormen, buyten het menfehelyk lighaam gezien heeft. Derhalven be- hoort men hier over in twyfFcl te liaan , tot dat het vernuft van die geenen, dewelke alles wiskonftig en van voore (zoo het God trachten aan te toonen 3 ons het waare en ontwyffelbare ligt, van deze zaak aan den dag zullen gebragt hebben. De volgende FigtHiren vertoonen de bovengemelde Wormen. A. Wormen gevonden inde ze Iffl dndigheyd van de Lever 3 in een Cabeljauw. B. Ren worrn, door de waterwegen ge lofi. C. Een worm, uyt een Bley genomen. D. Wormenjh eenAneurifina van degroote flagadergevondenen dat in een Paard. E. Wormen uyt de galweg en gal~fyf van een Schaaf genomen. LXY. AANMERKING. ’Re Lever voor een groot gedeelte in waterblaasjens verandert, en van een onwetende onvoorzigtig doorboort. Ik heb voor deze al in verfcheyde Aanmerkingen goedgekeurt, dat de zelf- ftandigheyd van de Lever klieragtig, of uyt klevne kljertiens beftaande was. Ik heb ook veelmalen aangetoont, dat de klieren verandert waren in water- blaasjens. Maar myn meening is, alhier te verhalen een zeer remarquable Hi- itorie van een Lever , welkers grootfte gedeelte in waterblaasjens verandert was. Een zeker roekeloos Heelmeefter, die buyten, digt by de Stad , woonde , zoude in de borft, wegens een waterzugt in de borft , (zoo hy meende) een opening of paracentefis in ’t werk ftellen , heeft hy my om raad geroepen , wan- neer iknogtanszoo verre wegens ziekte niet konde gaan. Wat gefchied ’er! op zyn eygen houtje, en dat alleen , doorboort hy de borft niet , maar het week van de buyk [hypochondrium dextrum\ aan de regter zyde 3 aanftonts borfte daar veele waterblaasjens na elkander uyt. Hy deze dingen ziende , ontftelde zig , en daar in een wiek gedaan hebbende , is by my gekomen , maar te vergeefs 3 want deze arme vrouw ftorf kort daar na: waar door ons gelegentheyt gegeven wierd 3 om de zaak nader te onderzoeken. De borft dan geopent zynde , vonden wy daar in geen de minfte tegennatuurlyke vogtigheyd. Ja wy zagen daar , alle de in- gewanden wel geftelt te zyn. Maar in de buyk quam ons de Lever aan ’t buyk- vlies vaftgegroeyt voor3 en in plaats van deszelfs fubftantie, waszy vooreen groot gedeelte in een t’zarhenftel van waterblaasjens verandert. Die vermetele, had dat gedeelte van de Lever doorboort , dat aan ’t buykvlies vaftgegroeyt was, als hy de opening in de borft zoude doen 3 en daar uyt vloeyden de wa- terblaasjens. Het welk zoo veel te ligter is gefchied , om dat de geheele fub- ftantie van de Lever op die plaats in waterblaasjens verandert was: zoo dat tuflchen die holte en ’t buykvlies, alleen het vlies, het welk de Lever om- vangt , en aan ’t buykvlies vaft zat , tuftchen beyde quam. LX V. AANMERKING. LX VI. aanmerking. *De Milt ttyt een levendige Hond gefneden, die 9 niel tegenfiaande een zwaare bloedjlorting, in V leven gebleven is. M y dunkt, dat de penetrerende wonden van de buyk met een matige bloed- vloeying in deszelfs holte, egter zonder quetzing van de inwendige edele deelen, zoo veel perykel niet toebrengen, gelyk zommige wel ge wilt hebben. Laat ons tot een voorbeeld zyn, een middelmatige groote Hond, wiens Milt, ik onlangs uytfnee tot nut der difcipulen, na dat de Miltsvaten gebonden uytgenomen het Nets llag-adertje [arteriold epiploica.] De Milt met zyn toebehooren afgefneden zynde, nevens degebondene vaten, vloeyde uyt t gezegde ongebonde flag-adertje, zoo veel bloed, dat het fcheen of de Hond aanftonds zoude geftorven hebben: maar het zelve zonder binding in de buyk gebragt zynde, alwaar zonder twyftel, het bloeden niet aanftonds opgehouden heeft y heb ik de wonde met een afgefnede futuur \_jutura abjcijjfa} voorzien 5 LXVI. AANMERKING. cn m korte tyd , dat is, in zes of zeven dagen de wonde genezen zynde, is de Hond gezond geworden- In de eerfte dagen van de fnyding , wilde hy nog eeten , nog drinken, altemets brakende 3 maar na deze dagen , vrat hy zeer gulzig, gelyk als nog op deeze dag: zoo dat de wonden, die doorgaan tot in de holte van de buyk’, met een matige uytvloeying van bloed in deszelfs hol- te , zonder quetzing van eenige edele deelen, by haar zelfs niet doodelyk moeten gehouden werden: alhoewel hier in zodanig geval een openin gof een paracenthe- fis byna geen plaats heeft: men hoeft niet nauw te onderzoeken,hce en door welke wegen het gezegde bloed van de natuur overwonnen werd; de ondervinding heeft dikmaals beveiligt, dat diergelyke uytfbortingen van bloed, zonder eenig ongemak herlleld zyn geworden : buyten deze zoo zeer berugte wegen, als daar zyn de aars, zweetgaten, nieren &c. geloof ik, datser ook andere we- gen zyn 3 ook meen ik dat de water- en bloed-vaten niet uytgeiloten moeten werden. Want het uytgeftorte bloed, buyten haar vaten , en in deze of geene holte bdloten zynde, of llremt te zamen, of blyft vloeybaar. Zoo het te za- men llremt, gelyk men ziet te gefchieden, na een aderlating in kommen, word het zonder twyllel na eenige tyd, zoo niet in ’t geheel, ten minlle voor een groot gedeelte gerefolveert of verandert in een wateragtig vogt, gelyk men ook ziet gefchieden in een aderlating: en word zoo bequaam gemaakt, dat het ten deele weder ontfaogen werd van de vaten. Maar indien de uytgevloeyde bloedige Holle niet t’zamen runt, geen minder reden is ’er, dat het van de va- ten , voornamentlyk van aderen, zoude konnen opgellurpt werden. Als maar de quantiteyt matig is, en van de lugt bewaard werd 3 maar indien ’er veel bloed, in de buyk onthouden werd, en de wonde groot is, en niet van de lugt bewaart werd, zoo bederft ’t bloed, daar komen koortzen by, en dan zyn de gewondene in groot gevaar. LXVII. AANMERKING. g[)e ruggegraat in een circul omgekromt. Onder de ongemakken van de beenderen, heugt my niet ooyt raarder ge- zien te hebben , als zoodanige vernietiging der lighamen, (zoo worden genaamt de voorfte deelen van de wervelbeenderen) waar in verfcheyde lig- haamen der wervelbeenderen aldus in malkander waren gedrongen , dat zy nauwlyks met het lighaam van een wervelbeen, in zyn geheelen omtrek overeen quamèn • en het geen bequaam is om allen, tot verwondering op te wekken. Wy bewaren in ons Cabinet zeven wervelbeenderen van de rug ge graat, door een beenige [anchylofis] zelfftandigheyd aan een.gegroeyt , en'zoodanig in de ronte omgekromt, dat het lighaam van de opperfte wervelbeen, met het hg- LXVII. AANMERKIN G. 108 haam van de onderfte vereenigt is. Ziet de 54. en 55. Figuur. Vier lighaa- men, dier gezegde wervelbeenderen , maken nauwlyks, het lighaam van een wer- velbeen uy t. Men ziet altyd, dat in de geboggeldé, de ruggegraat omkromt3 maar dat dezelve alzoo omgekromt word, dat het bovenfte deel, van het eene vereenigt is, met het onderfte van het andere , verdiend de grootfte verwonde- ring. F>aar is niet, aan te twyffelen, of dit menfch , waar uyt de wervelbeen- deren zyn genomen , heeft een boggel gehad. Maar ik kan my niet genoeg verwonderen, hoe dat, de lighaamen van de wervelbeenderen, 200 in een gebragt zynde, als of zy onder een pars gedrukt geweeft waren, (waar door de rugge- graat veel korter geworden was) het ruggemerg zulks konde verdragen, een zoo nobel deel, en zoodanig teder van gevoel, dat het nauwlyks of niet ge- queft kan worden, zonder een groot nadeel van ’t lighaam. Zoo het gezegde ongemak, een aangeboore ziekte was geweeft, 200 zoude het zoo wonderlyk niet zyn 3 maar het is gelooflyk 5 dat na de geboorte, de wervelbeenderen die kromheyd hebben aangenomen: want dat in de geboggelde zoodanige tot niets veranderde lighaamen der wervelbeenderen meermaals voorkomen, konnen ge- tuygen, verfcheyde diergelyke ftukkeiqdewelke in myn Cabinet bewaart worden. UYT LEGGING van de LIV. FIGUUR. A. Zeven ‘wervelbeenderen van de ruggegraat ter zy de te zien, welkers lig- haamen , door een beenagtige zelfftandigheyd, niet alleen aan elkander ge gr o eyt zyn, maar het lighaam van 't bovenfte Wervelbeen,is aan't lighaam van't onderfte vaftgegroeyt. B. Het lighaam van't bovenfte wervelbeen. C. Het Ughaam van het onderfte. D. D.D. D. ‘Doornagtige uytfteekzels.. * d. d. d. d. d. d. d. ‘Dwerjfe nytfteekzels. De 55. Figuur vertoont dezelve wervelbeenderen van vooren. A. Het Ughaam van het bovenfte. B, Het lighaam van't onderfte. LXVIIL AAN M E R KIN G. Een wonderlyke t'samentrekking of inkrimping van de maag en 't ge~ darmte, door gebrek van fpys en drank, Tk heb ondervonden, dat na een geduurige vatting en groote pynen, bet menfchelyke lighaam niet alleen vermagerd > maar ook zomtyds de maag 5 6s. 'eerd. Ha.f. 36" • pp. J y . LX VIII. AANMERKING. nevens het gedarmte > zoo in een getrokken worden 5 dat zy niets minder 3 a]s na maag en darmen gelyken. Een voorbeeld van dit quaad , heb ik getoont in een dood lighaam van een zeker Edelman 5 in tegenwoordigheyd van den Heer en de cDieu, zeer vermaarde Medicyns * alsmede den Chirurgyn Anthony *Paemburg: wiens maag gy zoudet gezegt hebben 3 dat in een darm verandert was. Ziet de y6. Figuur. UYT LEGGING van de LVI FIGUUR. Vertoonende de maag -van agteren. A. Een zeer feegenepene menfche maag, genomen uyt een bejaard lighaam. B. R>e linker mond van de maag. C. "De regter mond, of uyt gang [pylorus] van de maag. D. Een gedeelte van de twaalfvmgerige [duodenum] darm.. E. Een kleyn gedeelte van de keel [ccfophagus] of flokdarm. LXIX. AANMERKING. Steenagtige en f zamengegroeyde Klapvliezen van yt Hert* Dat in het hert ~ van een menfch beenderen gevonden werden , is niet onge- meen. Maar geen van dé Autheuren , dewelke ik tot nog toe gelezen heb, hebben mentic gemaakt r van mismaakte en beenagtige klapvliezen van ’t herte, en die t’eencmaal t’zamengegroeyt waren. Zeker Koopman van lange tyd af geklaagt hebbende 3 over een aambordigheyd \ajihmd\ , en moeyelyke \dyffn£a\ ademhaling, wiens pols eyndelyk3 zoo kleen was geworden, dat geen der omdanders eenige dagen na elkander dezelve konden voelen, en ah zoo in geduurige flauwtens vervallende, en de remedien geen verligting by- brengende, quam eyndelyk te derven. Ik kreeg gelegentheyd om het doode lighaam te openen, door de Heeren R. van L. Mahieu, van Tongeren en andere zeer waarde JVkdicyns, die by de genezing waren geweed. In de bord heb ik niet te vergeefs gezogt na de oorzaak van het quaad, want de geheele bord bevond ik bezet te zyn met een wateragcige vogt : het hert cm de flauwtens, (welke in ’t eynde van de ziekte hem dikmaals overquamen) en het defed van de pols doorzoekende, heb ik aangemerkt, dat de klapvliezen van ’t hert 5 halfmaanswyze \yalvula femilunares\ genoemt, mismaakt, in een zelfdandigheyd verandert, en zoo t’zamengegroeyt waren, daf ’er geen zigtbaare paflagie van ’t bloed uyt het hert, meer overig was 5 gc- lyk de 57. Figuur vertoont, en in ons Cabinet te zien is. Hier zal ymand vragen, hoe dat de Zieke heeft konnen leven, na dat de uytgang van ’t bloed 110 uyt het herte in ’t geheel verhindert was, wegens de beenmaking en t’zame-n- --groeying van de halfmaanswyze klapvliezen ? ik antwoorde, dat het zonder twyffel te gelooven is, dat de doorvloed van ’t bloed, zoolang geduurt heeft, voor zoo veel als het tot het leven abfoluyt nodig was, tot dat het overrom- pelt wierd wegens de geheele toefluyting en verftopping van die gezegde weg. Ik heb gezegt, geen natuurlyke opening gezien te hebben * alsmede, dat in de laafte dagen de pols niet konde gevoelt worden : maar uyt die zaaken blykt niet, dat de pols en doortogt van ’t bloed, toen ter tyd uyt het herte in ’t geheel waren verhindert: hy heeft zoo lang geleeft, tot dat ’er nog wat van de pols en doortogt van ’t bloed uyt ’t hert overig was. ’t Welk ontbreeken- de, moeft de Zieke kerven. LXIX. AANMERKING. VERKLARING van de LVII. FIGUUR. A. Een gedeelte van de groot e Jlag-ader ontrent den uyt gang van V hert. B. Klapvliezen in den uyt gang van V hert zittende, en van de beenagtigheyd en fzamengroeying zoodanig mismaakt, dat zy haar niet minder als half- maansgewyze klapvliezen vertoonen. C. Een gedeelte van de opgaande ftam van de groot e Jlag-ader. D. Een gedeelte van de nederdalende ftam van de groot e Jlag-ader. LXX. AANMERKING. Verharding eeniger deelen, in een waterzugtige vrouw. Dat eenige deelen door vermagering ['atrophia] en verdrooging [marcor] des lighaams komen te verharden, ja beenagtig te werden, is yder een bekent. Dat dit ook in waterzugtigen kan gefchieden, bewyft het volgende voorbeeld. Zeker zwanger gaande Vrouw, en te gelyk,met een waterzugt in de buyk bezet, had een groot getal ellenden in haar zwaar gaan uytgeftaan. Het vol- drage kind ter wereld gekomen zynde, hebben het water in de buyk, benaut- heden voor het hert, onlydelyke pynen, en meer andere quaalen, niet nage- laten haar te quellen, tot dat het God Almagtig gelieft heeft haar uyt dit traa- nendal weg te haaien. In ’t openen van ’t doode lighaam, heb ik plaats ge- maakt, tot uytvloeying van de vogtigbeyd : het welk gedaan zynde, heb ik bevonden , dat het buykvlles, op verfcheyde plaatzen met harde deeltjens, zandjes verbeeldende, bezaayt was, en de poort-ader [veua forta\ ten deele beenagtig geworden. Ziet de 58. Figuur. Dezelve ader bewaar ik t’huys. De ancere ingewanden waren wel geilek, behalven het Net, ’t welk in’t ge- heel verteert was. e buyk. D. T)e navel-Jireng ontrent de inplanting aan de buyk y dewelke LXXII. AANMERKING. E. E. E. Zoodanig uyt ge [pannen is, dat het zig vertoont , als een helder vliesje 5 en de darmen daar door [chynen. F. E)e navel-ftreng. LXXII. AANMERKING Een uytftorting der ingewanden, door gebrek van de huyd, ontrent de navel van een e erft gehoor e kind. Uyt het bovengemelde ongemak, heb ik , een veel beklaagelyker quaal ont- daan , gezien, nadien de haring, zwaarder was als na gewoonte 5 nament- iyk de darmen , maag en milt waren uyt het lighaam gevloeyt, het kind leef- de nog eenige uuren , fchoon alle de gezegde ingewanden. bloot waren , en van alle bekleetzels berooft; hier konden wy gemakkelyk de ingeboorne \mo- tus perijtalticus\ t’zamentrekkende beweging van ’t gedarmte zien. Het is ligt te begrypen, hoe qualyk ter naam en faam, de Vroedvrouwen ftaan , welke die in haar werk gebeurt, zoo ’er onwetende Medicyns in deze zaake bykomen die dit quaad nooyt gezien of geweten hebben. De oorzaak van de uytberfting der ingewanden , dewelke in de baaring , voornamentlyk, in een moeyelyke, uyttogt zoeken, is de Vroedvrouw, niet, maar ’t gebrek van de huyd en de onderleggende fpieren. LXXIII. AANMERKING. Een niet minder aanmerkenswaardig voorval, ontrent het gebrek van de huyd, en fpieren van de buyk. Het boven verhaalde ongeval, is my eenmaal voorgekomen, in een kind, dat eerft ter wereld was gekomen, waar in het grootfte gedeelte van de huyd, en de fpieren in ’t voorde van de buyk ontbraken. Maar hier zagen wy de in- gewanden alleen met het buykvlies bedekt, ’twelk zoo dun was, dat wy niet alleen onderfcheydentlyk de ingewanden konde zien, maar ook de ingeboorne t’ zamentrekkende beweging der darmen. Dit kind heeft een dag of twee gekeft. LXXTV. AANMERKING. Een honds honger [fames canina] van een verjlapping van de [uyter [pylorus] van de maag• ALioewcl veele oorzaaken van honds honger en fpys-loop [ienteria], in’t haar verfchuvlen, is my geen oogfchynelyker ooyt voorgeko- men , als onlangs in ’t dooefe lighaam van een vrouw gevonden is , in tegen- LX XIV. AANMERKIN G: 113 woordigheyd van den Heer Johan Smeedingh, zeer voornaam Medicyn. Ze- kere Vrouw van lange tyd met een honds honger gequclt zynde, moeft en wilde met een gediiurige greetigheyd fpyze gebruyken. De maag opgepropt van fpyze , konde dezelve niet lang by haar houden, om de verflapping van den uytgang van de maag: waar door het gedarmte al te fchielyk van fpys ont- laft wierd, welkers ampt wel is insgelyks te dienen tot verdere koking van de fpys, egter niet de rauwe fpys tot gyl te veranderen: derhalven heeftze byna altyd , kort na het eeten, geklaagt van pynen in de buyk ,en dat zoo lang, tot zy de geeft heeft gegeven. Het lighaam geopend zynde, vonden wy de ingewanden wel geftelt te zyn, behalven de maag, wiens fluyter, gelyk als aanftonds gezegt is, zoodanig was verflapt, dat men alle de vingeren te za- men daar door konde fteken. LXXV. AANMERKING. Een gelukkige genezing van een aanmerkenswaardige wonde in de blaas 5 daar op volgende een breuk-gezwel [herniofus tumor.] Van hoe groot een gewigt de geftooke wonden omtrent de grond of ter zyde van de blaas zyn , blykt daar uyt , dat veele dezelve voor doodelyk gehouden hebben. Dat zy bezwaarlyk om te genezen zyn ,en zwaare toe- vallen bybrengen , is niet aan te twyftelen : maar dat merkelyke wonden van diepartyen, tot genezing gebragt werden, zal zekerlyk niemand ontkennen y raar te zyn j nogtans is ’t zomtyds zoo aan gemerkt. Voorlede Jaar is een bur- ger alhier gewond geworden , in de onderbuyk, en heeft daar door zoo groot een wonde in de blaas gekregen , dat hy geen een druppel pis door de fehaft quyt raakte; maar ter contrarie vloeyde de pis geduurig zoo veel uyt de won- de , dat de Patiënt fcheen in ’t bed te zwemmen , en alles overvloedig nat wierd. Nadetoegebragte wonde , is hy , kort daar na het bal-zakje [ fcrotmn ] opgezwollen zynde, vervallen in een ligte gangraena van ’t bal-zakje, niet zonder flaauwtens. Deeze gangtama met bequaame pappen uyt phellan- drium, kruym van brood en wyn, te keer gaande , bevonden wy dezelve in ’t kort bedwongen, en de Patiënt verkreeg veel verligting van twee fpoi> gies aan de zyde van de wonde geappliceert, welke zeer veel pis opfbrptem -Na eenige dagen hebben wy in de wonde zelfs, die met vleesmakeiade medica- menten , op plukzel gelegt, voorzien wierd, een kleyne vleesmaking \jncar- natid] gezien, en door de roede, een gedeelte van geronne bloed met eenige druppels pis uytgeworpen, ’t welk ons, en de Zneke, moet gegeven heeft. De volgende dagen heeft die incarnatie zoodanig toegenomen, dat hy alle de pis door de roede quyt raakte, en is kort daar na genezen, • LXXV, AANMERKING. Na die tyd'heeft hy zig wel bevonden 3 maar nu onlangs, zonder voorgaaa- de merkelyke oorzaak , klaagde hy van een ligte pyn ontrent het litteeken [cicatrix]3 welke plaats zig begonnen heeft op te zetten in een gezwel , zon- der twyffel breukagtig: want ik heb dikmaals ondervonden , dat na de zene wonde , mde buyk doorgaande, een breök \hernia\ voortquam: om dat Jiet buykvlies zelden tot perfedte t’zamengroeying gewoon is te komen , om welke reden zy voorzigtig te werk gaan , die na diergelyke genezing een band voor eenige Jaaren dragen, tot voorkoming van een breuk. By de bovenge- melde genezing, hebben met my tegenwoordig geweeft, de Heer -van de?' Wen- den , een voornaam Medicyn 3 als mede de Ervare ticdm-icchcïj ohannes de JVal. LXXVI. AANMERKING. Een hardigheid van een ulcereufe Tong, door het mes en gloeiend jyzer weggenomen. Het zelfde opfchrift, ’t welk op de Hollandze munten word gevonden , dezelve, befchermer en vyand, (namentlyk de Zee) mag men ook wel aan onze tanden geven ■ dewelke wei geilek zynde, (behalven dat zy befcher- mers zyn van de tong en keel) de fpys kleyn maken, en in verfcheyde zaa- ken ons dienen: maar ter contrarie, qualyk geilek zynde, worden zy onze quaadfte vyanden. Wat is ’er dog voor een deel van ’t lighaam, dat aan ons zoo zwaare pynen veroorzaakt, als de tanden, wanneer zy bedorven [cariojl dentes] zyn geworden ? Ja zy verfchoonen de tong ook niet, dewelke van die bedorvene niet zelden zoodanig verhard en geëxulcereert werd, dat de menfchen daar van ilerven. Ik konde wel verfcheyde exempelen bybrengen, maar het zoude buyten ons bellek zyn: latenwe alleenlyk maar zien, hoe dat de tong van die oorzaak, niet alleen verhard, maar ook verzwoeren, genezen moeil worden. Deze cure moet men altoos eeril beginnen 3 met de bedorvene tanden uyt te halen, en de tong met honing van rcozen ? met een weynig olie van vitriool naar geileltenis van zaken vermengt, daar op leggen 3 en dat dikmaals op eenen dag, om dat het niet lang op ’t ongemak kan blyven leggen: zoo hier door, of diergelyk hulpmiddel, het quaad niet wilde wyken, en ’t gezwel grooter wierd, en’t aaiigekooke deel meeren meerquam te verzwoeren, enfpongieu- E'r voorquam, of de lippen omgekromt wierden, zoo moet men dat gedeelte van de tong, dat verhart en verzwooren is, tot de grond toe afzetten, en na net atzetten, branden ; want door ervarentheyd ben ik geleert, niets meerder bequaam te zyn, (als ’er reekenen van quaadaardigheyd verfchynen) dan een branding met gloeyende yzers , na dat het bedorve deel is afgezet. Andere houden het met een cauterium potentiale ,■ of inbytend middel, maar het is minder voorzigtig- Een zekere oude Vrouw, voor lange tyd met dit quaad bezet zynde, is na verfcheyde fnydingen wederom in het zelfde ongemak ver- vallen 3 waar door zy, byna mismoedig geworden zynde, van ons hulp vcr- zogt: derhalven heb ik met den meergemelde Hcelmeefter Tiet er Adriaanfz, die van te vooren ook eenmaal het quaad had weggenomen, maar te vergeefs, (alhoewel de fnyding diep genoeg was gemaakt) overlegt, door wat middel dit ongemak tot de grond toe moeft overwonnen werden 3 wy hebben met el- kander beflooten, de uytfnyding wederom te herhalen, en daar na een inbran- ding met daar toe bequame yzers , die vry groot waren , te maken. Na Zieke van ons verdaan had, dat de zaak nog niet defperaat was, en dat ’er nog middelen overig waren, namentlyk het atzetten, en daar na een inbranding 3 heeft zy dit alles gemakkelyk ingewilligt, en met zoo een kloek gemoed de operatie uytgeftaan, dat zy nauwlyks tranen of geluyt gaf. De algemeene zaken vooraf laten gaan hebbende, hebben wy de tong met een doekje aangevat, op dat zy te beter uyt de mond konde getrokken werden 3 nader- hand heeft de gezegde Heelmeefter, met een fcharp en krom mesje, het ge- heele quaad weggenomen: welk gedaan zynde, is in ft binnenfte van de mond een natte doek met koud water gelegt, op dat de mond van de gloeyende yzers niet te veel zoude gequeft werden. Dat gedaan zynde , hebben wy het ge- quefte deel ingebrand met gloeyende yzers, zeer fterk dezelve indrukkende, en zulks een en andermaal vernieuwende: naderhand heeft zy verzagtende mond- fpoelingen gebruykt, cm de pyne te ftillen, en het afvalien van de Efchara of korft te bevorderen, welke gelcheyden zynde, is de genezing in ft kort met de Tinctuur van Mirrhe en Alöe volbragt, vermengt met verdroogende af- ziedzels, en honing van roozen, chelidon, &cc. En de genezing volbragt zynde, is de oude vrouw in ft leven gebleven, en blyftnog fris tot op dezen diS' LX X VII. AANMERKING. LXXVI. AANMERKING. Slymproppen [Polypi) in V hol van Highmorus hangende. Wat ongemak een flytnprop is, is genoeg byeen ieder bekend : Maar zo niet deszelfs plaats, cn uyt welk deel het voortkomt. Daar zyn ’er, die gevoelen, dat de flymproppen de neus alleen bezitten , andere de keelt ja zommige verhaalen ook, dat dezelven in de ooren haar zitplaats heb- ben. Wy hebben tweemaal dezelve gevonden in de holligheyd van ’t vierde paar (’t welk by andere het derde paar genaamt word) der beenderen van de opperfte kaak, van Highmorus een hol of fpelonk genaamt. Eens is ’t my voor- gekomen in een openbaare ontleding van een flytnprop in de holte van dit been welkers gedaante gy ziet in de 60. Figuur. Voor de tweede reyze heb ik ze 116 LXXVIL A A N M. E R K I N G. gezien in dezelve holte van Highmorus, in den Jaare 1679. in tegenwoordig- heyd van de ervarene Heelmeefters Fieter Adriaanfz,, en van Dijen: namen t- lyk in een zekere vrouw 3 die zig van een gezwel aan de wang3 en een quaadaar- dige uytwafichmg van ’t tandvleefch, zeer (legt bevond: na het afzetten van de uytwafTching 5 en uyttrekken eeniger kiezen, hebben de bovengenoemde Heelmeefters, in myn tegenwoordigheyd, het aangeftooke deel tot in de holte van gezegde fpelonk,, met een brandend yzer gebrand 5 uyt het welke wy de navolgende ftymproppen met onze pink hebben uytgedrukt. Ziet dezelve af- geheeld inde 61. Figuur. UYT LEGGING van de LX. en LXI. FIGUUR. A. Het kaak-been [os molare.] B. Een jlymprop gevonden in de fpelonk van Highmorus. C. 'Dezelve fymprop uyt het hol ge haalt. D. D. Herfchey de fympr oppen uyt de fpelonk van Highmorus 3 met de vingers gedrukt, in een vrouw. LXXVIII. AANMERKING. Inwendige Jchurfte [fcabies] van de blaas, te gelyk met vleesagtigë klierige uytwajfchingen. Alhoewel de huyd 3 en wel niet qualyk gemeenelyk gehouden word voor het gemeene voorwerp van fchurfte 3 nogtans heb ik zomtyds dezelve ge- vonden in de binnenfte rok van de blaas 3 met zeer zwaare pynen3 nygingom geduurig te wateren 3 ontlafting van etteragtige pis 3 en zoodanige verdikking van de blaas3 dat zy byna waarlyk met de dikte van een vinger overeenquam. Uyt dit fchurftagtig ongemak 3 krygen ook haar oorfpronk 3 de gezwellen of klieragtige vleezige uytwaflchingen, uyt de binnenfte rok van de blaas uytpuy- lende 3 dewelke 3 indien zy Sy de krop van de blaas hangen, niet zelden zoo- danig een opftopping [ ifchuria ] van water toebrengen, dat :'er geen water kan werden gemaakt 3 zonder een ingeftokene Catheter. Ziet de 62. Figuur. UYT LEGGING van de LXII. FIGUUR. A. A. Een menfche pisblaas 3 wiens zelfftandigheyd B. B. Zeer verdikt is. C. C. C, De binnenfte rok van de blaas met een fchurftagtia ongemak bezet. D. D. De Tisleyders. . . * 3W. 73 . C/ r&cre onderJ)e kaak, welkers tanden Hlet aUeen UytgevaUeny maar k . kaf en tot met zyn gebragt; waar door dezelve zoo rank is dat b van zyn dieHe 'verlooren heeft. “ 9 ’ &fenvan de gezegde kaak, g tot uytgang van een tak va ft nende^aar zenuwen, hter m ’t hovenjie van ’t kaakbeen zig vertoo- ■ Vertoont, hoe veel ook de hovenjie kaak, na het uytvallen der tanden erntetiging der kajjen, van zyn hoogte verkoren heeft: want nau-Jlvt' er een breedte van een fchryfjen overig. ’ ~ UYTLEGGING van de LXVI. FIGUUR. heza ffntfl,welkers, kaIn m niet gehra& ZSn > maar twee nieren zyn overgebleven, dewelke LXXXIII. aanmerking. a. a. Alleen aan vliezen hangen, wegens gebrek van de koffen en tandvlees. B/B. *De heuvelwyze [procdTus condylofi] uytfleekzels , van my genomt (lompe [obtuii] uytfleekzels van dezelve kaak, Sc harp e [acuti] uytfleekzels. c. Het en hardigheyd des onder- kende hu) f "df, onlydelyJ« Pl™. Zy heeft gehruykt verzagtcnde en pyn- S m hulpmiddelen, maar zonder vrugt, en rs kort daar na Het £T® 8 GpefC zynde; Ymd lk 111 ’t bekken veel ftinkende iloffe, (ziet ook dorve Snyk T bloed,S water van afgefpoelt vleefch, of be- j '' - Aoed, weik ook van my gevonden is in de holte van de Baarmoe der. Dit heeft my Itoffe tot meerder vermoeden o-emwen d,i jDaarmoe- was gekomen door de Ey er wegen of Trompetten van Falfopiuf tofde°iftre van de buyk en bekken, en dat dn dikmaals de Kraamvrouwen overkomt * f de pogingen tot huren en de pynen zeer vehement zyn, en de mond van de Baarmoeder zoodanig toegeflooten is, darde kraamvloed haar uytgano- daar SS eTt nWtC bïinB wanne^hetlrooM andere ,“ d weg in C Se“e , LC|efluyt, en de vogten agter de vrugt geen nenin Jegen,VOor haar kon vinden ; en dat dikmaals die onlydelykAv oorf.n-.nu °nderb«yk, waar over de Kraamvrouwen raeenigmaalklagen Kar r pionk daar van nemen, is met aan te tvvyffelen. c ’ LXXXV- AANMERKING, ÏÏ^aarfchynelyke uytfiorüng van de maandftonden [fnenftnial door d Trompetten van Fallopius tot in ’t bekken. J * U Hvrcmdevrtb * ëf'T’ W, d«’er in barende Vrouwen J- 'mae v°gten in de Baarmoeder befloten, door de Ever wegen of Trom- LX XXV. AANMERKING. petten van Fallopius , konnen gebragt werden totin’t bekken en holte van de onderbuyk. Ik kan geenzints zien 5 waarom het bloed , buyten het baren nyt de holte van de Baarmoeder door de gezegde wegen , ook niet kan komen tot in de holte van het bekken , als de Baarmoeder geflooten is: Ja ik zal een bewysbaare zaak voor den dag brengen. De zeer handige Heelmeefter Rogier Roonhuyfen, heeft voor eenige tyd geopent het doode lighaam van een vrouw die de maandftonden had 3 (in tegenwoordigheyd van den zeer waarde Medicyn cDortmond, en vermaarden Heelmeefter Adriaan Coenerding) in welkers holte van de Lyfmoeder hy gevonden heeft geronne bloed, dat aan dezelve zagtjes vafthing 5 waar mede ook de trompet aan die zyde niet alleen befprengt was maar ook het eyerftokje , in wiens oppervlakte het geronne bloed overvloedig vaft hing. Deze Lyfinoeder te gelyk met de eyerftokken daar aangehegt ,en het geronne bloed , zoo als my de gemelde vrienden vertoond hadden , bewaar ik in myn Cabinet , zoodanig gebalfemt, dat alles zyn natuurlyke geftalte groote, en figuur behouden heeft, en dat zonder rimpels , dewelke na de droo- ging dikmaals gewoon zyn na te blyvcn. LXXXYI. AANMERKING. Een Lever in een dood lighaam van een waterzugtige qualyk gefleLt, cn hoedanig. Alhoewel dikmaals gebeurt , dat klieren van de Lever in waterzugtige ver- hard werden , nogtans bevind ik , dat diergelyke ongemakken niet net met elkander altyd overeenkomen. Zommige Levers van waterzugtige verhar- den in ’t geheel , de oppervlakte elfen blyvende en de klieren onzigtbaar. Zom- tyds worden die klieren zoo groot, dat zy door des geheele Levers opper- vlakte uytpuylen 3 zomtyds zynze zoo groot als een haazenoot. Onlangs heb ik geopent een dood lighaam van een zekere waterzugtige , (welkers voeten drie Jaaren lang zugtig zyn geweeft, waar door hy eyndelyk, in Zee fchip- breuk geleden, en veel koude verdragen hebbende, in een waare waterzugt [afdtes\ van de buyk vervallen was) in tegenwoordigheyd van den zeer geleer- en ervaaren Medicyn Tiet er Bernage, (die my gelegentheyd gegeven had orn\ lighaam te openen) als mede den ervarenen Heelmeefter Vogelefang. In ce borft 5 (alhoewel hy met Zwaare en geduurige benauwtheden gequelt was geweeft) hebben wy niets quaads gevonden; al het ingewand in de buyk was wel geftelt, uytgenomen de Lever alleen : want dezelve hebben wy geheel verhard gevonden, welkers oppervlakte overal oneffen was, wegens de ver* harde en in groote toegenomene klieren. Eenige van dezelve hadden de groo- te van een fpekieknop, andere als een linze [lens] of vitze zaad : In de holte LXXXVII. aanmerking. van de buyk, vonden wy een groote quantiteyt van water, zonder merk"- lyke flank. LXXXVII. AANMERKING. Een desgelyks qualykgefielde Lever een ander Heb aam, met een fleen in de gal-weg [diiftus cyfticus.'] Zeker Man, die lange tyd waterzugtig was geweeft, is evndelvk na het vergeefs gebruyk der hulpmiddelen, geftorven. Tot hetopeneb van des zelfi hghaam, heeft my gelegentheyd gegeven de ervarene Heelmeellcr Schrader, die ook by de ontleding tegenwoordig is geweeft. Geen van de Ingewanden waren qualyk geftelt, als alleen de Lever, die verhard was- de galblaas vonden wy zeer groot Mgelyk blykt in de 69. Figuur) met een wa- teragüg (maar geenzmts bitter of galagtig) vogt vervult te zyn, in wiens <«1 weg ons voorquam een fteen, de groote hebbende van een groote erwt' &die de weg in ’t geheel toeftopte. ', 3 UYTLEGGING van de LXIX. FIGUUR. A. Eensmenfche gal-blnas, door een wateragtige vogt zeer uytgefpannen B. Een fteentn de gal-weg zittende. r L X X X Vlll. AANMERKING. Een aftrekking van de Lyfmoeder na de een of de andere zyde. Dat de Lyfmoeder tegen de natuur, in deze of geene zyde getrokken word en van haar natuurlyke plaats verandert, heb ik zomtyds met myn vin- geren waargenomen in levendige vrouwen, klagende over pyne in de onder buyk, met geduurige luft tot het watermaken, en met zeer menigvuldige ney- guig ot perzmg, om het zelve te ontlatten. Het is my maar eenmaal voorge- komen in een dood lighaam, dat de mond van de baarmoeder in de linker zyde getrokken was , gelyk de 69. * Figuur aanwyft. Wat voor quaal zy daar door gekregen heeft, is my onbekent, om dat ik by haar genezing niet tegen tvoordig ben geweeft; nogtans weetik, dat zy van die quaal niet geftorven is geweeft. Maar het is gelooflyk, dat het haar eenige moeyelykheyd heeft toegebragt, om dat door die yerdraayde ftand van de Lyfmoeder, de pis p-J behooren niet kan ontlaft worden: want voor zoo veel de mond van de'u, moeder m deze of geene zyde getrokken word, zo volgt daar ook op de mond van de blaas , om dat zy zeer vaft aan een zitten, In deze Lyfinoeder, het welk zeer raar is,, word gevonden een derde ronde en lange band (gelyk ge- 126 L X X XIX. AANMERKING. racenel yk die banden genaamt werden) niet uyt dc grond van de Lyfmoeder haar oorfpronk nemende , maar aan de zyde van de hals van de Lyfmoeder. UYTLEGGING van de LXIX. FIGUUR, A. Ren menfche Lyfmoeder na de linker zyde getrokken. B. £De binnenfte mond van de Lyfmoeder. C. C. De lang-ronde banden. P- Ren tegenmtuurlyke derde lang-ronde band. LX XXIX. AANMERKING, Ren ft een in de blaas, met een etteragtige verdikking van de blaas 3 ter dikte van een vinger. Anno 1672. Een zeker Jongman van ontrent 25 Jaaren, gequelt zynde met een Heen in de blaas 3 heeft zig begeven in ons Gafthuys , om aldaar van de fteen gebieden te werden, maar tegen verwagting heeft de Steenfnyder dezelve niet konnen uythalen 5 alhoewel hy hem met de tang omvat had , en eenige (lukken daar uyt trok. De Patiënt geftorven zynde , heb ik deszelfs lighaam geopent, en daar in gevonden een fteen zoodanig van de blaas bezet en gedrukt 3 dar er maar plaats overig was voor eenige druppelen pis. Ziet de 70.'Figuur. De blaas bevond ik een overdwerze vinger dik, en fchybaar in onnoemelyke vliezen, tuffehen dewelke ik bevond een etteragtige ftoife op verfcheyde plaatzen zeer volmaakt met gefmolte vet overeenkomende: deze etteragtige (toffe vloeyde overvloedig uyt de wonde van my gemaakt 5 even- eens als men ziet het water vloeyen uyt de beenen van die geenen y die wa- terzugtig zyn, na gedaane opening inde doode lighaamen. Tuffehen de (leen en blaas , is ’er weynig of geen van diergelyke etteragtige doffe gevonden: al- hoewel ik dezelve ook tuffehen de vliezen van depisleyders, als mede tuffehen die vliezen die de nieren omvangen , gezien heb. UYTLEGGING van de LXX. FIGUUR A. A. Rens menfche blaas 3 door ’t vryven van de ft een zeer verdikt, B. Ren groot eft een. - G-C. Gedeeltens van de Tisleyders. XC. AANMERKING. Cl^e &al-blaas dikmaals in twcen verdeelt, (voornamentlyk in Kalveren) maar zeer zelden, of nooyt in V geheel dubbelt. Van een dubbelde gal-blaas , die in de Lever gevonden werd, zyn waarne- mingen in de gefchriften der Ontleders te zien. Maar ik geloof, dat nogtans Poef. 82 . ïfteenZ.. 3af. 83. XC. AANMERKING. diergeiyke fpeeling der natuur, zeer raar (zoo het ooyt gebeurt is) te Hou- den is, Veclmaai en is de gal-blaas my voorgekomen in tween verdeelt voornamentlyk in Koeyen en Kalveren , gelyk m de 71. en 72. Figuur ver- toont word. Waar van ik eenige hard gebalfemt in myn huys bewaar; maar ik heb nooyt een dubbelde gal-blaas gevonden. In een dubbelde oA-blaas moeit ook een dubbelde gal-weg gevonden werden, zonder dat, kan men ook geen gai-blaas voor dubbelt houden, en dat beken ik nooyt gevonden te heb- ben ; alle, welke ik tot nog toe gezien heb, waren wel in tween verdeelt al- leen maar voorzien zynde van een gal-weg. L J ' UYTLEGGING van de LXXL en LXXIL FIGUUR. A. A. De gal-hlaas uyt een Os genomen. B. Deszelfs verdeeltheyd in tween. C. De gal-weg. D. Kruyswyze opening , op dat de inwendige fteenagtig gewordene rok gezien konde werden. d. d. d. d. d. d. 'De Jieenagtige hinnenjie rok. F. Een in tween verdeelde gal-hlaas uyt een Schaap. XCL aanmerking. De waare oorzaak van V ongemak Miferere Mei ofte Ileos , door *ver/chejyde exempelen aangetoont. Wat ongemak , ’t welk gemeenelyk Ileos of ontfermt uw myner ge naamt word, eygentlyk is, als mede deszelfs eygen oorzaak, komende Medicyns met alle met elkander overeen. Eenige hebben gelooft dat d-ar w een krinkel, omwenteling of omdraying vaneen dunne darm gefchied £t hds toebercydlEg van de beulingen. Andere daarentegen ontkennen ’ 9. 1 gedarmte in een Knoop kan omgerolt werden , zoo lang het non; aan armicheyl vaft zit 3 maar het darmfcheyl verrot zynde , (’t welk ik een 01 meermaale na myne geheugenis gezien heb) gelooven zy het zelve ook te onnen overkómen: dog 3 indien men op de zaaken let , welke na de dood een voorSe^omen zyn, is het behoorlyk , dat men vaftftelt , dat dit gebrek oed-Ver7Wa^^ \ptcn'ta\ van de darmen is, en voornamentlyk van 51 dunne en yergezelfchapt zynde met gedunrige braakingen, hartlyvigheyd^ fchfelvk onYk nk met zeetme PYf n’ ude dood zelfs volg/ d/ar wel wen der /!,.m, CZe, verzwakking der darmen, komt eerft voort van de zenu- ftonr /vn ’ Ile’1le’ zoo niet gehee , ten mmften voor een gedeelte ver- iropt zyn 3 waar door de darmen ftil liaan , en het dunne gedarrnte voor- XCI. AANMERKING. namentlvk • ja werden ook berooft van de ingeboore \motus -perijialticus\ t za- mentrekkende beweging3 om dat de levensgeeften [.fprïtus animales \ daar Ten tweeden 5 De zelve heeft ook haar oorfpronk van verftopping der dar- m "’welke veroorzaakt kan worden, of door verharde darmsvuyligheden 3of door ingeilokte beenderen 3 en diergelyke andere harde zaken. Ten derden, Wort dit ongemak veroorzaakt door een infehieting {Jufteftio feu imreffusl van ’t eene in ’t andere gedeelte van de darm 5 deze infehieting neemt km oorfpronk van een verkeerde ingeboore t’zamentrekkende beweging der darmen, of ftuyptrekkingen, ja ook van al te groote uytzettmg van het ge- dTte'des darm™, of van deszelfs groote toetrekkmg : waar door het wyder gedeelte van ’t gedarmte bequaam is, het nauwer of toegetrokkene te ontran- p-en. in deze of geene beweging van ’t gedarmte. & Ten vierden, bevind ik de oorzaak van deze quaale te zyn een toenypmg en flovtin0' van de darm, welk ik dikmaals zoo toegenepen heb bevonden, cht’e auwlyks de kleynfte vinger, nog ingeflokte Ipyze nog winden, daar door gelaten konde worden. Ziet de 73. Figuur. ' Ten vyfden, komt dit ongemak zeer veel voor , door toedoen van een darmbreuk. • , , , , f T, . En evndelyk ten zesden, mag men ook wel daar byvoegen, een ontltekmg van v p-edafmte. Dat dit ongemak zyn oorfpronk gehad heeft van verhopte zenuwen van ’t gedarmte, in de Huysvrouw van zeker geleerd Man, (wel- te onlangs in een geheele verftopping van den afgang geduung braakte, nog- tans zonfer merkelyke pyne en koortze, vcrvaUcn was waar op de dood fchielvk is o-evolgt) daar is met aan te twyftclen. Hat ook het gedarmte van h ar bewegme. M iaat, na dat het, of door verharde darmsvuyligheden, of SigTteVbeSideren , of een andere diergelyke heusd my tweemaal in geftorvene lighaamen gevonden te hebben, len der- den dat dit quaad voortkomt van een infehieting van * eene in ’t andere o-eda’rmtê fteHk vaft: Ta ik heb het tweemaal publyk vertoont. Ziet de 74. Figuur Het eene in ’t gedarmte van de Zoon van een Bakker, en t andere fn dat van een Waard , beyde van my SSScI S. dit ongtm I,heb Ik «M liphaam in tecfenwoordigheyd van den vermaarde Heelraeefter ér. Ik’teb o°ok «zegt, dl oorzaak van dit quaad te wezen, een toenypmg T’t cedarmte. Ziet de 75. Figuur. Want in’t openen van doode lighaa- .*■„ heb ik dikmaals ondervonden, dat het gedarmte zoo nauw toegenepen was'' dat men ’er geen kleyne vinger door konde kiygen. Indien dan ** Bs. Zfyeertl. '2' af. 46". XCI. AANMERKING. 12$ de darmsvuylighedcn eenigzints verhard zyn 3 of de weg door winden be- floten blyft * wat wonder is ’t 3 dat de menfchen dan zoo fchielyk dooron- lydelyke pynen en ontftekingen 3 komen te fterven ? UYTLEGGING van de' LXXIIL en LXXIV. FIGUUR, A. A. Een gedeelte van de nugteren darm [jejunum intedinum] , wiens middelfte gedeelte a. Zeer ingetrokken of vernauwt is. B. Een gedeelte van dezelfde darm, in wiens middelfte b. b. Een infchieting van de darm ons voorkomt. XCII. AANMERKING. Een bovenmatige verwijdering van de kronkel-darm [colon.J Een Meysje van vyf Jaaren oud, had al van lange tyd af gcklaagtover pynen en krimpingen in de buyk * men gaf haar dikmaals pyndillende , windbreekende , en middelen , die de wormen dooden , in, dog alles te vergeefs : waar na zy eyndelyk, de pynen haar geduurig byblyvende, is gedorven. Het lighaamtje geopend zynde, heb ik nauwlyks (het geen te verwonderen is} eenig ingewand in de buyk konnen zien, als alleen dat ge- deelte van den kronkel-darm, welke begint de naam te krygen van endel- darm : en dat wegens de bovenmatige uytfpanning in ’t gezegde deel van de darm, waar onder de andere ingewanden verborgen lagen. CXIIL aanmerking. Een ingebeelde en waare beweging van de Ljfmoeder. Of de Lyfmoeder in de Vrouwen, die buy ten het kraambedde zyn, met een plaatzelyke beweging nu opwaarts, dan nederwaarts bewogen word, (gelyk veele Autheureno-ewilthebben) zou ’tbuyten myn pen zyn, zulks ter examen te brengen 3 dewyl ik niet alleen de kortheid be-yyere, maar ook, waarde Lezer, alleenlyk, het geen ik zelfs ondervonden heb, tragt bekent te maken. In paflant egter betuyge ik dit, dat ik my niet genoeg kan verwon- deren over die geenen, die zoodanig een beweging aan de Lyfmoeder toege- fchreven hebben, datze gelooven, dat het middelrilt j zelfs daar yan opgetrokken word • ja zelfs de Baarmoeder tot in de keel opklimt. An- dere hebben haar zelfs wys gemaakt 9 dat de Lyfmoeder, verdroogt zynde. XCIII. AANMERKING. opklom na boven, om daar bevogtigt te werden * zeggende, de lever te zyn een fonteyn van aangename dampen, en dat de Lyfmoeder daarom na de lever klom , op dat zy uyt die fonteyn zoude drinken. Deze beuzelingen overge- dagen zynde, als door haar eygeongerymtheyd vervallende, zeg ik, dat’er niets zekerder is, als dat de Lyfmoeder haar zeer fterk beweegt in de haring 9 en dat alle natuurlyke neyging om te baren, meelt van de Lyfmoeder af- hangt 3 welke neyging na het baren niet zelden zoo iterk byblyft, dat de Lyf- moeder haar zelfs omkeerende, uyt het lighaam zakt. In andere Kraamvrou- wen heb ik ondervonden, weynig uuren na de verlolling, dat de beweging van de Lyfmoeder zoo evident was, dat de Vroedvrouwen, ja ook zelfs de Kraamvrouwen, my dikmaals hebben gezegt, dat ’er nog een ander kind in de L yfmoeder nableef. In dit geval, heb ik myn eygen hand op de buyk gc- legt, cn bevond zoodanige merkelyke beweging, dat my fcheen als of myn hand van ’t kind voortgedreven wierd: Ja zomtyds verhief zig de Lyfmoeder zoo om hoog, in deze of geene zyde, dat zy buyten het lighaam uytpuylde , en dat met zoo een hardigheyd en gezwel, dat iemand, die niet zeer in deze zaken ervaren was, voor zeker zou gezegt hebben, het hoofd van ’t kind te voelen j welke bewegingen ik nogtans aanftonds ook in de andere zyde ge- voelde. Nu fcheen’t my toe, dat ik de knie, dan de wangen, gevoelde 3 gelyk als in de zwangere Vrouwen, als de barends tyd voor handen is: maar na dat ik de hand in de Baarmoeder gedoken had, ondervond ik, dat het o'een kind, maar wel de Baarmoeder zelfs was. ■ ' * • 4 XCIV. AANMERKING. Een wonderbaarlyke •uerwydering *v&n etn Pisleyder 9 in zig onthoudende een ge teek fmt etter. N~b’ets gcloove ik, dat meer verwonderenswaardig is, als dat de vliezige- _ vaten, hoe meer zy uytgezet werden, dikmaals des te meer door een vreemd vogt Verdikt werden, In de Hag-aderen heb ik dat klaar getoont, in de 37. en 38. Aanmerking : en dat het in de Pisleiders ook plaats heeft, kan men zien in de 75. Figuur. Dat de Pisleyders zomty ds 200 verwydert wor- den , dat ze een vinger daar in toelaten , is niet zeldzaam. Maar het is zeer raar en ongehoord, dat een Pisleyder een geheelepint etters bevatte 3 en’t geen nog meerder te verwonderen is, dezelve etter had uytgang gezogt door de geannexeerde vezels, zoo als ik nu zal verhaten. Anno 1673. heb ik in tegenwoordigheyd van den GeneesheervauTonw- feny enden Heelmeefter van Ülfen, geopent het doode lighaam van zekere Y rouw 5 welke van lange tyd af met zoodanige onlydelyke pynen en fmerten. J*aa. ja zekere vezels, (geen nieuwe, maar die, dewelke de vliezen maken, door welkers hulpe de Pisleyders aan de lendenen vadgemaakt werden) dewelke altyd, na myn gedagten, hol zyn. Zoo dat uyt deze en diergelyke aanmerkingen , miflehien gelegentheyd zal geboren worden, om netter te determineeren die wegen, waar van tot nog toe de Ont- leders, niet anders als by gidingen, zoo veel gerugt gemaakt hebben. UYT LEGGING van de LXXV. FIGUUR. A. A. Het middelfle gedeelte van de regter Pisleyder met etter vervult. B. Een fteen in ’t onderfte gedeelte van de verwyderde 'Pisleyder. C. Bloedvaten door de Pisleyder lopende. c. c. c.c.c. Vaatjes, wegens het ge ene daarin begrepen was y wit van co leur, cn langs de boven-buyks linker zyde loopeude. XCV. AANMERKING. Een harde verdikking [lchirrofa incraffatio] , en wonderbare vernauwing Van den endel-darm, na een moeylykheyd [dyfuria] in ’t water maken. Wat al groote dingen ondernemen wy geringe en ellendige fchepzels! die 1 met zooveel doodelyke ziektens onderworpen zyn, dat niemand dezelve • ligtelyk zoude konnen optellen. Maai nei geus worden wy met meer ziektens aangetad , als ontrent de wegen , die tot de ontlading dienen; alwaar dezelve , indien zy diepe wortelen gefchoten hebben, zeer bezwaarlyk konnen uytgeroeyt werden. R. z * Dage- XCV. AANMERKING. Dagdyks, om ons leven te onderhouden 3 moet men eeten en drinken 3 en ?£ geen overtollig is, ontlatten: maar indien deze wegen, die gefchikt zyn om dit werk te doen, qualyk geftelt zyn, zullen de lyders dikmaals de dood kie- zen voor het leven. Zeker Vriend in ’t bloejen van zyne Jaaren , melancholyk van humeur, voor drie Jaaren na lerland gereyft hebbende, om zyn zaken aldaar te verrigtcn * begon te klagen, dat hy niet wel wateren konde j ’t welk in ’t kort zoo heeft toegenomen, dat hy geduurig om een druppeltje pis quyt te raken geprikkeld wierd, en dat met zoo groote pynen en geduurige neyging tot het wateren, dat hy het niet konde verdragen. Wat gefchied ’er ? korte tyd daar na heeft ’er een andere quaal, van geen minder belang, ook bet hoofd opgettoken, na- mentlyk een onvermogen van een vryen afgang, zonder twyttel van die ge- duurige neyging om te wateren, waar door de regte darm niet alleen verdikt en zeer verhard was geworden, maar ook byna geheel toegegroeyd: want nauw- lyks of niet kon ’er een ftilet, hebbende de dikte van een ftroo, ingebragt werden 5 waar door deze ellendige nog pis, nog darmsvuyligheden quyt kon- de raken , ten zy drupswyze, en dat geduurig met een bloedagtige en etterige ttoffe vermengt, met zoo groote en gettadige fmerten, dat alle menfchen zyn tegenwoordigheyd fchuwden. Eyndelyk in ’t Vaderland gekomen zynde, heeft: hy zig na Amfterdam begeven-, en met my, nevens anderen, raadgepleegt, maar te vergeefs, dewyl deze gebreken ongeneeslyk geworden waren. Deze quaalen geduurig toenemende, heeft hy eyndelyk den geeft gegeven, en ons gclegentheyd nagelaten, om het quaad .nauwkeurig te onderzoeken. Het lighaam dan geopent zynde, vond ik in yder bekken van de Nier een fchrikkelyke groote fteen, en buyten deze, in ’t midden van de regter Nier, nog een andere groote fteen. De Pisleyders en Waterblaas waren wel geftelt. Den endel-darm heb ik in ’t geheel zoodanig verdikt gevonden , dat die by- kans.de dikte van een duym overtrof, en zoo verhard, dat ik in twyttel was, of het vleezig , dan of het krankbeenig genaamt moeft werden. De holte van de gezegde darm, overtrof ook pas de breedte van een ftroo • en dat aanmerkenswaardig was, dezelve was ook. zoo fterk aan t Heylig been vaft- gegroeyt, dat men het met de punt van een mesje geenzmts fepareren kon- de • maar ik ben gedwongen geweeft, zulks met een yzere bytel en houte har nier te v.errigten: Ja, dat te verwonderen is, ik heobe de fcheyding met groe- ten arbeyd moeten doen. Alle deze zaken heb ik met myn balfamatie toebe- reyd , en worden van ons bewaard , ter gedagtenis van den Lyder, en de zeld- zaarnheyd van de Hittorie. XCVL AANMERKING. ‘Diergelyke verdikking van den en del-darm* Van ’t zelve voorverhaalde ongemak , te weten een verdikking en verhar- ding van den endel-darm , is hier tot Amfterdam ook onlangs geitorven de Heer . . . , die lange tyd met dezelfde pynen en nygingen tot afgang. gequelt was geweefh In dezelve was nogtans den regten darm zoo niet toe- genepen., of men kon ’er een kleyne vinger, wat fterk aanperffende, inbren- gen. Dit ongemak, om dat ’t zelve zelden voorkomt, en by weynige be- kend is, hebben zy getragt dan eens op deze, dan eens op geene manier, te genezen. Onder anderen waren ’er eenigen, die geloofden , dat het Aam- beyen [hamorrhoides\ waren, en Helde voor, dat men die moeH wegnemen door fnydingen, ’t welk ook vergeefs getenteert is geweeft. Ik, die by deze Patiënt maar eens of tweemaal was geweeft, oordeelde, dat het een verhardheyd [ fchirrofitas~\ in de regten darm was, ’t geen ook de uytkomft geleert heeft: maar om dat de lyder nogtans zeer genegen was om te laten fnyden, enmetgrooten ernftdaar op aandrong, heb ik mede myn Hem daar toe gegeven, dog alles zonder vrugt 5 want hy ftorf eenige weeken daar na. In zoodanige ongemakken , behoort men nogtans hoog te agten deftreel- middelen [cura palhativa\, namentlyk verzagtende en pynftülende clyftee- ren: want groote hulpmiddelen brengen dikmaals groote fchaade toe, daar de zagte geen hinder veroorzaken 5 en ondertuffchen die de lyder verzagten, ea hem tot een aangenaame verquikking verilrekken. XC VII. AANMER K I N G. Een ongemakkelyke afhaling van de Moer koe k> die veroorzaakt werd door een by zonder e inplanting van de navel-Jlreng in dezelve. Dat de Vroedvrouwen zomtyds met een beangfte zorgvuldigheyd , in ’t uyt- halen van de Moerkoek, zig bezig houden, na dat het kind ter wereld is gekomen, komt die geenen, dewelke in deze zaken onbedreven zyn, wel vreemd voor 3 maar zoo de zaak nader onderzogt word, zal het niemand tot. 'verwondering ftrekken : want dikmaals is 5t in haar magt niet, de hloerkoek, hoewel dezelve na wenfch aangegrepen is , voor den dag te brengen 3 maar wat de oorzaak daar van is, heb ik tot neg toe niet bevonden, by iemand ge- noegzaam begrepen te zyn. Benige zeggen, dat de. Moerkoek al tevaft aan de Lyhnoeder gehegt is, wegens een vafte aangroeying der bloedvaten van de Baarmoeder met die van de Moerkoek; nogtaus zoude ik geloven, datzy XCVII. AANMERKING. daar in bedrogen zyn. Andere ftellen de oorzaak van deze moeyelyke afha- ling te beftaan, in een bederving van de Moerkoek, en flappigheyd der zeL ver zelfftandigheyd 3 ja ook in een al te vaft geflotene mond van de Lyfmoe- der. Maar niemand, dat ik weet, maakt mentie van dat geene, ’t welk alhier van het grootfte gewigte van allen is, namentlyk een middelpuntige inplan- ting van de navel-ftreng in de Moerkoek 3 te weten, als dezelve net in ’t mid- den van de Moerkoek ingepknt is, dan fcheyd gemeenelyk dezelve zeer bc- zwaarlyk van de Baarmoeder af: want niet zelden worden de Vroedvrouwen gedwongen, de zoodanig gefielde Moerkoeken met haar voorfte vinger té quetzen, op datze gemakkelyker zouden afvallen. Ziet de 1. Figuur van de volgende Catalogus. Maar mdien zy in deze of geene zyde ingeplant werd, volgtze ligt, ja wel van zelfs, als het kind geboren is. Dezelve reden daar van is, dewelke van een fluk rond gebieden leer, waar aan in ’t midden een tou wetje gedaan word 3 want het leertje nat gemaakt, en op een zwaarwigtigc fleen geplakt zynde, kan dezelve ligt uyt de aarde getrokken werden; maar zoo ’t touw aan de zyde geplaaft word, is ’t vergeefs werk. XCYIII. AANMERKING. Een blaas-hreuk [hernia cyftica] in ’t Bal-zakje , waar hy gevoegt was eene door fchrik ontjiaane Liesbreuk [Bubonocele.J Dat een breuk eerder een uytzetting of uytfpanning , als een breuk of fcheu- ring van het buykvKes is , zal ik geenzints in twyftel trekken sja het blykt ook genoegzaam onder de Geneesmecfters. Dit ongemak heeft zyn naam gekregen van ’t geen het in zig onthoud 3 aldus word een darm-breuk genaamd van de darm, die daar in gefloten is 3 en een netbreuk, van ’t net &c. Ook moet niet minder, als de waterblaas nederzinkt in het balzakje, een blaas-breuk genaamt werden 3 ’t welk my tweemaal is vóórgekomen, met de zeer vermaar- de en ervaare Heelmeefter Andries Boekelman. De zeer Agtb. Heer N. N. Koopman tot Aniüer^am 3 kreeg voor eenige Jaaren zoo groote moeyte om te wateren, dat hy het metkonde quyt raken, ten zy hy met zyn hand het balzakje opheffende drukte. Deze quaal heeft hY zoo lang verzwegen, tot dat hy te gelyk, dat wondcrlyk is om te zeg- Sen a alleen door fchrik een Liefch-breuk bequam. want daar barfle onvoor- ns ln zyn kelder een groot wynvat, waar van hy ? daar by zynde, zoo ver- ICiiriKLe , dat hy aan Honds verviel in een Liefch-breuk. Het welk my nog een- maal is voorgekomen in een ander, die alleen door ichrik fchielyk een breuk kreeg 3en de bovengezegde Heelmeefler fdie zeer ervaren is in’t genezen der breuken} heeft my verhaalt, dat hy het meermalen ondervonden beeft. Deze XCVIII. AANMERKING. Lies-breuk heeft de Zieke gedwongen, de behulpzaame hand van anderen te verzoeken. Ik wierd daarom geroepen met den vermaarde Medicyn BeLlan- gier, en de zeer bequaame Heelmeefters Andries Boe helman, Tiet er La Nou, en Tiet er Adriaanfz. Maar nademaal de Liefch-breuk zoo eng geilooten wierd van de omleggende peezen der fpieren, dat geen van ons alle den iyder hulpe konde toebrengen, is hy in ’t korte geftorven. De opening van deze veel- vuldige breuken, hebben ons de bloedverwanten toegeftaan * in welke wy, de Liefch-breuk doorgefneden hebbende, hebben aangemerkt, dat een gedeelte van de omgewonde [ileum] darm ontftoken, en met het vuur (gelyk dikmaals gebeurt) bezet, en de feheur, (gelyk gemeenelyk gezegt word) of liever dc verwydering zoo nauw was ontrent de peezen van de buyk-fpieren, dat ’er nauwlyks een vinger door konde gaan: waar door het gezegde deel van de bogtige darm, geenzints konde ingebragt werden. In ’t balzakje hebben wy naderhand de geheele waterblaas nedergezakt bevonden. XCIX. AANMERKING. Een 'wonderbaarlyke uitzetting van de Nieren en Eis leaders der Schapen. Het is niet te verwonderen , dat de waterblaas , door het gedimrig af- vloeyen van de pis , dikmaals in een groote uytgeftrektheyd komt te groeyen ,om dat de blaas, wegens de vliezige zelfsftandigheyd, de gedimrig toevloeyende vogt ligtelyk ontfangt , ende dezelve opgelioopt zynde , zeer verwydert en uytgeipannen word. AI aar dat de Nieren zelfs zigz oowyd in groote uytfpannen, door de belette uytgang van de pis, datze ons byna voor- komen als een waterblaas, overtreft aller verwagting, en verdiend een ieders verwondering. Ontrent twee Jaaren geleden , heeft my de zeer naarftige Heelrneefter en Liefhebber van de Qntleedkonft, Vogelezangh, mede gebragt twee Schaapen N ieren , die zoodanig uytgezet, en met een wateragtige vogt vervult waren, dat yder byna twee pinten water in zig onthield. De Pisleyders waren zeer gedraayt, en van die groote, dat men ’er een groote pinxternakel konde in- brengen. Yder uyterfte eynde van de gezwolle Nieren, had zyn natuurlyke klieragtige zelfftandigheyd niet verloeren, maar in ’t midden beftond het uyt een vlies. Inwendig vertoonden zig de pypjens [ttibidï] van ’t bekken als groote holletjens [cellula] van d*e wYttej dat men daar ineen okkernoot met zyne groene balt bezet konde inbrengen. De pis, die in de waterblaas beiloten was, konde ik ligtelyk voortdrukken na de Pisleyders en N ieren toe: maar van de Pisleyders en Nieren na de blaas , konde zulks niet, als met gewelt te ge- bruyken, gefchieden , en dan quam ’er nog zeer weynig door een kleyn gaatje XCIX. AANMERKING. in ’t midden van zekere vliezige üuyting , welke ik tuffchen de blaas en pis- leyders vond. Ik zegge , zoodanig waren deze gaatjens van geftake, dat dc doorgang van de pis uyt de waterblaas na de Pisleyders en Nieren vry genoeg was 5 maar de contrarie drukking van de Pisleyders en Nieren na de water- blaas , was voor ’t groot fte gedeelte vrugteloos , waar door zonder twyffel voortgekomen is de te rugkeering van de pis , en in vervolg van tyd zooda- nige uytzetting van de Nieren en Pisleyders. Deze Nieren en Pisleyders, met een gedeelte van de waterblaas, worden van my bewaart in myn Cabinet j zoo dat aan de waarheyd van deze zaak niet te twyffelen is, dewyl een yder by tyds gelegentheyd vryheyd gegeven werd , deze ongehoorde mismaakt- heyd van de water-wegen by my te mogen bezien. C. AANMERKING. fDe waare gefalte van ’t hoofdje van de roede, nieuw lyks ontdekt, Onder alle Autheurcn , die tot nog toe hebben gefchreven van de roede heeft geen de minfte plaats de zeer fcherpzinnige Ontleder , en in zyn leven myn tamiliaare vriend Regnerus de Graaf; die nogtans niet geheelyk deze doffe heeft afgedaan, maar eenige zaken aan anderen, om te onderzoe- ken, overgelaten. Ja wat aangaat het hoofdje, fchynt hy ’t zelve maar ter loops behandelt te hebben, en alleen in de meening van anderen geruft te zyn geweeft: gelyk blyktin zyn Tradaat van de ÏVerktuyg-deelen, tot voorttee- linge dienende in de mannen> alwaar by my fol. 139. deze woorden gevonden werden; ~ Aan de twee zenuwagtige Lighaamen en f isgang, nu befchreven 5, zyn de, word als in ’t voor fte gedeelte gevoegt zekere vlees- „ agtiger dan de andere deelen van de roede voorkomende, welke by de OntLee- „ ders zomtyds genaamt word een Rekel [Glans , Balanus, CerafumJ, en na 3, zyn gelykeniffe een Karjfe. Niet alleen deze Ontleder, maar ook alle, zoo oude als nieuwe, hebben dit gedeelte van de roede als droogsvoets voorby gegaan 5 alhoewel het in de Heelkonft van groot belang is., dat deel wel te kennen, gelyk naderhand blyken zal. Johannes van Home, zaliger gedagtenis, voor deze myn Promotor, in zyne befchryving van de Kleyne Wereld, by my Pag- 149. fpreekt aldaar Van ’t hoofd der roede op deze manier; Of deze (hy fpreekt van de zenuwag- üge lighaamen) is het hoofd of gezet, ’t welk na de gelykenijfe een Rekel ge- noemd word, beftaande uyt een zagt en week vleefth, zeer gevoelig, voorna- mentlyk als het oy zwelt. Vefingius zegt, dat het hoofdje van de roede beftaat uyt een zagte, vlees- agtige en ipongeufe zelfftandigheyd, en yorders zeyd hy daar niet meer van. Blaftus in Veftingium : ~ ''Deze Eekel word aan 't uyterfté geplaaft, als „ Jret hoofd op de nek; want zyn on derfte gedeelte, en als eenfondament, „ eenigzints in zyn omtrek over de roede heen, m’tbovenfic ~ eyndigt het allengskens in een ftompepunt. Dit zegt deze, Bartholomtens Cabrolius, bekent in zyne menfchelyke ontleding , dat het een vleefch is, verfchillende van klierigen fpierig vleefch. Thomas Bartholinus, in zyn ontleding , zegt opentlyk, dat de Eekel van de roede gelyk alp vleefch , niet zagt en flenterig, gelyk job. van Home, maar gevoeliger en vader , als in de reft van de roede is. Vefalius, van’t gefteldes menfehen lighaam, by my pag. 649. zegt: „Als „ jsy tot die plaats van de roede gekomen zyn, (hy Ipreekt van dezenuwag- „ tige lighaamen) /;/ welke ze nu de Eekel zullen maken, werden zy /pits., „ vleesagtige zelfftandigheyd van de Eekel groeyt daar aan vaft. De woorden van Adrianus Spigelius zyn : „ cDe Eekel is het laatfte ge- ,s deelt e van de roede, vaft ge groeyt aan de twee zenuw agtige lighaamen, 10,5 ,5 welken het ook eenigzints in zyn omtrek over fee kt, nadien het met een 35 cirkel als een kroon omringt werdy maar van vooren is het nogtans fcherp, 5, hebbende een uytnemend gevoel, en een Jpongieuze zelfftandigheyd gelyk als yy de roede, maar vaft er. In Realdus Qolumbus , een der befte Ontleeders , alwaar hy fpreekt van de Eekel der roede, is dit alleenlyk te vinden: Tiaar na worden zy op- waarts gebogen, (de banden ,of zenuwagtige lighaamen van de roede) en worden ingeplant aan ’t eynde van den Eekel, welke Eekel zoo hard niet ts, als de andere deelen der roede. Ziet hier verfcheyde gedagten van de voornaamfte Ontleeders, omtrent het geftel van den Eekel der roede ! Indien gy dezelven met de natuurlyke be- ichryving van dat deeltje 5 die daadelyk volgen zal , naarftiglyk wilt ver- gelyken, zult gy aanftonds bemerken , dat niemand van die Heiden in deze zaak de fpyker op ’t hoofd geflagen heeft. Want dat durf ik verze- keren, dat zelfs geen een (zoo ik weet) de Eekel van de roede zoodanig 9 als zy waarlyk is 5 voor dezen aangemerkt heeft: en geen wonder, om dat derzelver onderzoeking zoo ongemakkelyk is. Voorwaar, het Ontleed-mes is niet genoeg, ja is ook in ’c geheel onnut tot deze ontdekking: de fpuyt ge- bruykt men wel om vaten op te vullen , dog is ook byna niet bcquaam tot deze zaake: alhoewel die occafie aan my heeft gegeven , cm de waare tcc- ftand van dat deel te bezigtigen, het welke tot op huyden dezen dag nog in’t duyfter verborgen lag. Na dat ik derhalven de geheele roede 5 van alle bloe- dige ftoffe ontlaft hebbende, niet een wafchagtige ftoife vervult luidde, en naderhand den Eekel aan dwerffche mooten gefneden had, bevond ik dezelve met de gezegde ftoffe vervult te zyn 3 ’t welk my gelegentheyd gaf, om te C. AAN M E R K 1 N G. c. aanmerking. denken, dat den Eekel van de roede , geenzints van een vleesagtige zelfftah* digheyd was: daarom , op dat ik, wat van de regte waarheyd was , des te klaarder zoude onderrigt warden, nam ik myn toevlugt tot de experimenten, Namentlyk ten eerde, het bloed uyt de roede gedrukt, en met water, door hulpe van een fpuyt, uytgefpoelt zynde, heb ik met wind vervult de dikfte fpongieuze zenuwagtige iighaamen der roede, van andere zenuwagtige ligbaa- men, ja ook banden van de roede genaamt 3 en heb ze met een band zeer ftyf gebonden, hoopende, dat my na de drooging zoude blyken, wat van de waare gefteltheyd van dit hoofdje zoude zyn, maar te vergeefs 3 want door dit proef- ft uk, komt wel in ’t gezigt de waare gefteltheyd der gezegde lighaamen, als mede het inwendige van ’t hoofdje, maar geenzints het buytenfte. Want met deze opblaazing is het inwendige gedeelte van ’t hoofdje wel opgezwollen en verhard, maar nogtans bleef het buytenfte gedeelte van ’t hoofdje flap. Ziet de 75. Figuur. Dit gezien hebbende, ftak ik een blaaspypje ontrent de wor- tel van de roede, in ’t dunne zenuwagtig fpongieus lighaam van dewater-weg ofpiscanaal, van andere het fpongieus lighaam van de water-weg genaamt, en toen met wind aangezet zynde , zwol te gelyk met het zelfde ook Op het uyt- terfte gedeelte van ’t hoofdje, en geenzints het inwendige, maar behield zyn ftapheyd. Dit aangemerkt zynde, heb ik beginnen te gelooven, dat het groote en dikke zenuwagtig lighaam, (of, zoo andere willen, lighaamen 3 want de Ontleeders zeggen, dat ’er twee zyn) verfcheelende was van het dunne en kleynder zenuwagtig fpongieus lighaam: en dat denkende , heb ik het derde en laafte experiment in ’t werk geftelt, ’t welk in allen deelen myn verwag- ting voldaan heeft. Ik hebbe, namentlyk door een koper blaaspypje, ontrent de wortel van de roede, alwaarhy het digtfteby is aan de fchaam-beenderen, ingeftoken zynde, het groote en dikke zenuwagtig fpongieus lighaam met wind opgeblazen 3 en na de vervulling, heb ik met myn vingers de roede zoo lang toegehouden, tot dat ik met dezelve blaaspyp, uyt het gezegde lighaam gc- liaalt hebbende, en in ’t kleyne en dunne zenuwagtig fpongieus lighaam ge- bragt, het zelve lighaam mede met wind vervult had; welk gedaan zynde, heb ik de geheele roede gebonden en gedroogt: maar hoe bezwaarlyk het is, de wind in de gezegde lighaamen te houden, tot dat zy alle gedroogt zyn, zal die geen gewaar worden, die naderhand ’t zelve zal willen onderwinden en nadoen. Na de drooging, heb ik de roede en Eekel aan mooten gefnee- erE (ziet de 76, 77, 78, 79. en 80. Figuur) en bevonden , dat den Eekel met anders is, als een waare zamenhang, zoo wel van ’t grootfte en dikfte zenuwagtig fpongieus lighaam , voor het grootfte gedeelte de roede uytma- kmcie , als van het kleyne en dunne van de pisweg, oie het grootfte, en voor- namentiyk het onderfte gedeelte van ’t hoofflje omvat, en dat zonder eenige verandering van zelfsftandigheyd. G. AANMERKING,- Deze zenuwagtige fpongieuze lighaamen zyn dan zoodanig geconftitueert en geftelt, dat het dikfte en grootfte het binnenfte van den Eekel t’zamenftelt, en het kleenfte en dunfte het buytenfte allerwegen omringt. Ziet de Br. en 82. Figuur. Deze twee lighaamen, namentlyk het dikke en dunne, zyn van el- kander gefcheyden, door toedoen van een tuffchen-fcheydzel \Jefttum ivf er* medium\ 3 (ziet de 81. en 82. # Figuur} zoo dat de wind, door de blaaspyp toegebragt, uyt het eene in ’t andere zelden komt: zelden zeg ik, om dat het my zulks alleenlyk een of andermaal geheugd aan gemerkt te hebben. En, al- hoewel Regnerus de Graaf voorfteld, dat, als de zenuwagtige lighaamen (by my groote en dikke zenuwagtige fpongieuze genaamt) opgeblazen zyn, de fpongieuze zelfsfrandigheyd van de pisweg (by my kleyn en dun zenuw- agtig fpongieus lighaam gezegt) ook opzweld , en zoo viceverfa, (waar uyt hy ook afgeleyd heeft de aanmerkenswaardige gemeenfehap der zelver onder elkander) hebben wy nogtahs het tegendeel ondervonden : en een zeer mee- nigvuldige ontleding der roedens heeft my geleert, dat diergelyks zeer raar gebeurt, ten zy het bovengezegde tufichenlcheydzel is gequeft geweeft: of ook door gemeenfehap der bloedvaten, ’t geen aanmerkenswaardig is. Want zoo het grootfte en dikfte .zenuwagtig fpongieus lighaam opgeblazen werd, werden ook gemeenlyk opgeblazen de aderen, die over de rug van de roede hoen lóopen, (ziet de 75* Figuur, welke aanwyft de buytenfee gedaante van de roede met deszelfs bloedvaten, die over den rug van de roede loopen) wel- kers takjens ook dienft doen aan de zenuwagtige fpongieuze lighaamen, en zoo kan zulks altemets gebeuren, ’t geen onze zeer vernuftige Ontleeder vaft fteld. Verders heeft hy Regnerus de Graaf ook qualyk aangemerkt, dat het fpongieuze gedeelte van de water-weg, (by my ’t kleyn en dun zenuwagtig fpongieus lighaam) langzamer hand aan den Eekel komende, meer en meer verdunt en tenger werd, en eyndelyk in den Eekel verdwynt. Want liever is het gezegde lighaam in ’t uyterfte van den Eekel het dikfte en grootfte, ja maakt het geheele buytenfte gedeelte van den Eekel uyt. Ziet de 76,77,78, 79. en 80. Figuur. En in tegendeel, hoe nader het groote en dikke zenuwagtig fpongieus lighaam aan ’t eynde van des Eekels gedeelte komt, hoe tengerder het word, het komt ook niet tot het uyteynde van den Eekel. Ziet de Figuu- ren, die wy zoo aanftonds aangehaalt hebben. Deze zaken zeer wel aangemerkt hebbende, ftaat nu nader te onderzoe- ken, wat nut in deze aanmerking, ontrent de practyk der Medley n dewelke, op wat voor manier zy ook gequed mogen zyn \ een groote meenigte van bloed , niet zonder gevaar, gewoon zyn uyt te (forten. T?n tweeden , Indien het hoofdje met een quaadaardige zweer bezet is en afgezet moet werden, zoo vereyft de gefteltheyd, dat men, om de geweldige bloedvloet voor te komen, eerft een band daar om moet leggen. Ziet de 30, Aanmerking. Ten derden, Is aan te merken in het hoofdje, dat de zweeren aldaar in ’t hovende gedeelte van de pisweg gevaarlyker zyn, uyt vreeze voor grooter bloedvloet , dan die, welke het onderfte gedeelte van de pisweg bezetten. Om dat deze verder liaan van ’t groote en dikke zenuwagtig fpongieus hg- haam, door welke de flag-aderen veel grooter verfpreyt zyn, en om dat daar- om het bloed met grooter quantiteyt in het zelve lighaam mvloeyd, dan in’t kleyne en dunde zenuwagtig fpongieus lighaam. Het is ook te gelooven, dat iu zoo een ongeval, waar van gelezen word in de bovengemelde Regnerus de Graaf, by my pag. 149. het groote en dikke zenuwagtig fpongieus lighaam geqüeft is geweed, om dat 14 pond bloed in zoo korte tyd nauwlyks, uyt quetzing van de pisweg, of deszelfs kleyne zenuwagtig ipongieus lighaam, zoude konnen uytvloeyen, wegens de aldaar zynde kleyne bloedvaatjens. 'Jen -vierden, Blykt, dat zeer zelden in ’t geheel het hoofdje kan uytge- zet en opgeregt worden, ten zy alle beyde de zenuwagtige fpongieuze lig- haamen, als mede deszelfs dag-aderlyke vaten, vel geitelt zyn: want, in- dien in deze deelen eenige verltopping voorkomt, zal het hootdje in ’t gc- heel, en te gelyk zig zelfs niet opzetten, gelyk het noodzakelyk is in de by- eenkomft. Ik zeg ook , dat van de goede gefteltheyd van de flag-aderlyke vaten ook afhangt de opregting van het hoofdje * maar ontrent de aderlyke, zyn \vy zoo niet bekommert , om dat zeer zelden of nooyt in dezelve een ver- ftopping gevonden word. Want het bloed door de roede en Eekel wederom komende, loopt niet door zeer kleyne takjens , nog door het nctwyze lig- haam , gelyk Malfighius fpreekt 5 maar door opene en zigtbaare mondckens der aderen; want de aderen , die door de roede loopen , indien niet alle, ten minften zoo veele, als my ooyt zyn vóórgekomen, zyn doorboon met groote toptgaaten \_J>orf\y ja zigtbaare gaaten , als een zeef, gelyk men ook ziet in de& Milts-aderen der' Kalveren, (ziet de 83. en 84. Figuur) het geen ik geloof dat tot nog toe niet aangemerkt is geweeft. Diergelyke doorbooring van de aderen, is oorzaak, dat het te rugloopende bloed door de roede zoo veel te raher van de roede wederkeeren kan, wanneer dan de roede in een moment hap word. Voorwaar, indien de zenuwagtige fpongieuze lighaamen van de roe- de en Eekel, als mede deszelfsaderlyke vaten, terdeegen onderzogt worden, zal men ondervinden, dat dezelve veel zullen overeenkomen met de zelfftan- digheyd van de milt van een Kalf, en deszelfs aderlyke vaten, als de klieren van de milt wel zyn uytgefpoelt. Van deze uytfpoeiing en uytdryving der klieren door de aderen met water, zonder nogtans eenige quetzing van ’t be- kleedende vlies, durf ik my beroemen te zyn de eerfte uytvinder, voor welke my ook voor deze erkent heeft de zeer waarde Job. van Home, Hoogleeraar in de Ontleedkonh : te weeten, zoo ik my niet bedriege, in ’t Jaar 1664. wanneer toen ter tyd niemand der Anatomiften van zoodanige behandeling eeni- ge gedagten maakte. Ik had verfcheyde milten van Kalveren toebereyd, wel- ke aanhonds de gezegde hooggeagte Ontleeder aan zyne difcipulen, ja publyk vertoonde met groote toe] Maar dit zy in ’t voorbygaan. Laat ik weder keeren tot het voor gehelde. Het zal dan blyken, dat, na een ligte gedaane opblazing van de milt van een Kalf, de klieren daar eerh uytgedaan zynde, het inwendige zeer net overeenkomt met het inwendige van de roede ; want het geene dat in de roede, en deszelfs Eekel, van ons genoemt word het groote en kleyne zenuwagtig ipongieus lighaam, dat zelve word genoemt in de milt van een Kalf zenuw^S6 vezels : welke vezels in de milt van een* Schaap zoo veel niet werden gevonden, maar ik vind ’er geen van dezelve in de milt van een menfch: alhoewel Sylvius het in tegendeel geheld heeft, en getragt eenige hellinpen, hoewel die in allen deden niet aannemelyk waren, daar uyt vah te hellen. ?Ondertuhchen niet alleen om reden van de vezelag- tige of zenuwagtige fpongieuze zelf handig heyd , komen de roede van' een Menfch en de milt van een Kalf overeen > maar ook ten opzigte van de ade- ren , welke byna op dezelve manier doorboort zyn. Zoo men de Autheuren C. AANMERKING. doorbladert, dewelke de vaten van de roede verbeeld ,ja ook befchreven heb- ben 5 zal blyken, hoe zober zy zyn geweeft ontrent de inwendige aderen, die door gezegde lighaamen loopen • Ja gaan dezelve droogvoets voorby, en zom- mipe ontkennen dezelve in’t geheel daar te zyn> en wat wonder? want zy werden zeer bezwaarlyk te voorfchyn gebragt. Thanlas Bartholims * zegt, dat de roede flag-aderen, aderen en zenuwen heeftV en gétuygt ,* dat de aderen verfpreyd zyn over het uyterfte eh binnemle van de roede, en verders niet. Regnerus de Graaf, heeft ons niets medegedeelt van de gezegde inwendi- ge aderen, alwaar hy fchryft van de vaten der roede. Vefahus bekent vryelyk met deze woorden, dat hy de verfpreyding van de- ze aderen, door de inwendige zelfftandigheyd van de roede, nooyt gezien heeft5 en alhoewel, zegt hy, deze vaten (hy fpreekt van de aderen en ilag- aderen) tot de lighaamen van de roede reyken, nogtans kan ik nauwlyks met het htes nafpeuren, op wat voor weg zy in de holte van deze lighaamen in ge- plant werden. Indien men de oorzaak van deze zwaarigheyd onderzoekt, zal men ligtelyk dezelve vinden. Maar een manier, waar door deze inwen- dige aderen ontdekt werden, is by my bekent, en beilaat alleen maar in een opblaazmg en drooging van de roede, na de uytwafTching van ’t bloed. In deze opblazing worden niét alleen opgeblazen de aderen, die over de opper- vlakte van de roede loopen, maar ook de inwendigen, als een zeef doorboord zynde, dewelke na de drooging door het ontleed-mes konnen onderzogt wer- den. Ziet de 84. Fig. Let. C. En indien ymand op een andere manier wil te werk gaan, zal oly in ’t vuur werpen. De reden is, om dat de zelfftandig- lieyd van de inwendige ader, om deszelfs porofitey tof gaatjens, zeer ligt ver- wart werd met de inwendige zeer vol-gaatige zelfltandigheyd van de roede. C. AAN M E R K I N G. UYTLEGGING van de LXXV- FIGUUR, A. Een opgehlaaze, gedroogde, en in tween na de lengte opgefnede roede van een man, op dat het inwendige zoude gezien werden* a. a. a. He fiag-ader door de zenuwagtige fpongttnze z elf ftandigheyd ver- fpreyd. R Het uyterlyke gedeelte van het hoofdje niet opge&taazen , waarom het in de drooging alle zyn Jpongieusheyd heeft verloor en, waar door het een dik vlies vertoont. b. b. het inwendige opgehlaaze deel van het hoofdje, welk gedeelte een waare vervolging is van het "root een dikke zenuwagtig fgongieus hghaam. (j.HeThweg. * 6 ■ Jy’leer'd ■ J 33 *f & c. AANMERKING. UYTLEGGING van de LXXVI, LXXVII3 LXXVIII, LXXIX. en LXXX. FIGUUR. A. Een moot of gedeelte van het hoofdje van de roede 3 welk de kroon genaam t voord, en faat allernaaf op die plaat ze, alwaar de voorhuyd [prseputium] aan de roede vaf groeyd. a.a. Het buytenfte gedeelte van de gezegde moot, welk een vervolg is van V Zenuwagttg'fpongieus dunne Itghaam 3 dat ten deele de pzsweg omvat, voelk van zoo veel gewigt niet is, als wel in de volgende Figuur B. b. Het hinnenfle gedeelte van de gezegde moot, welk een vervolg is van V groote en dikke zenuwagtig fpongieus Ughaam: B. Het volgende gedeelte of moot van het hoofdje van de roede. a. a. Het hupt enft e gedeelte van gezegde moot, welke ten opzigt van V eerfe grooter is, > b. Heszelft inwendige gedeelte, welk ten opzigt van V eerfe kleynder is. C. D. E. Vertoont moot en van het hoofdje, dewelke allengs kens kleynder wor- den 3 en toonen aan de •ver/cheydentheyd van de inwendige zelfsfandigheydl VERKLARING van de LXXXI FIGUUR. A. Een opgehlaaze, gedroogde, en na de lengte opgefnede roede, op dat het inwendige gedaante zoude te voorfchyn komen. B. Het buytenfte zenuwagtig6 fkongEus gedeelte van het hoofdje, welke dun* der en fynder van weefzd °f zekfftandigheyd is. C. Het binnen ft e zenuwagtig Jfongieus gedeelte van het hoofdje, is dikker van weef zei of zelffandigheftd. IX Het zenuwagtig fpongieus geaeelte van de pisweg, E. 'He Eisweg. F. T)e verfp'eyding der Jlag-aderen > door het inwendige van de roede» 144 C. AANMERKING De 82. FIGUUR. Vertoont alleenlyk de inwendige gedaante van 't afgefnede hoofdje. UYTLEGGIN G van de LXXXIIL en LXXXIV. FIGUUR. A. Een gedeelte van de milts-ader van een Kalf in de lengte gefneden , op dat men zoude konnen zien des zelfs doorbooring * welke door boor de ader als een zeef verfpreyd word door de milt, en verdwynt niet fchielyk, al- waar hy in de milt gaat, gelyk Highmorus en andere ge wilt hebben, maar in zyn voortgang. B. B. E) es zelfs afgefnede takken. C. Een gedeelte van de ader verfpreyd door de zenuwagtige fpongieuze lig-- haamen van de roede, na de lengte op gefneden. E Y N D E. ANATOMISCH KABINET Van FREDERICUS RUYSCH, Of NAAMLYST der RARITEYTEN, Dewelke ten huyze van den Autheur bewaart worden $ Opgeftelt van den zelfden FREDERICUS RUYSCH, Med. TOoci. Hoog-Leeraar in de Ontleed en Kruidkunde : Me de Ut in de Keyferlyke Academie in'Duytfchland, en van de Koninklyke Maatfchappy* der Geleerde in Enge landt. Waar by verfcheyden Verklaringen en kopere Afbeeldingen gevoegt worden. AAN DEN WEL EDELEN EN ACHTBAREN HEER, DEN HEER JOANNES COMMELIN, Raad der Stad dmfterdam y Zyn Begunftiger sen zeer geachten Vrient y Wenfcht FREDERIK RUYSCH Heil en Welvaren. Wel Edele en Achtbare Heer. MMftfë'we byzondere ervarentheyt van alle natuurlyke Zaken, en °°k voornamentlyk uwe klaarblykelyke goetgun- v ftighey t xnywanrts , verfchaffen my met recht gelegent- heydt, om deze befchryving van myn Cabinet aan Uwe Achtbare en my zeer dierbare Naam op te dra- gen, op dat ser cenig gedenkteken van onze oude vrientfchap, nu al twintig Jaren en daar boven onderhouden , blyven, en dit opfchrift zelfs, met deze naam te voorfchyn komende, meer ingang vinden zou. Waarlyk , wanneer ik een wel verdiende Begunftiger zoeken moeft, wien deze bladeren zoude worden toe- geéygent, vonde ik niernan t, aan wien ik het meer fchuldig was • °f wanneer ik een Kenner verkiezen zou, die van deze en dierge- lyke, alleen het befte van allen zoude kunnen oordelen , kondeik’er geen vinden, aan wie dezelve met meer recht opgeoffert wier- den, als aan U , Wel Edele Heer, Waarom ze zich als van zelfs tot U uytftrekken en dat uyt een inncrlyk gevoelen van dank- baarheyt • ja om Uwe groote dienden aan my en (zo het gcoor- looft is daar by te voegen) ook myn zoon bewezen, word ik gc~ ftadig aangezet, om dezelven opentlyk met Loftchriften nyt te breiden: want het was U niet genoeg zo veel tekenen van gunft en van een oprechte genegentheyt mywaarts te betonen, of het behaagde U daar en boven Uwe goetheyt tot dezen mynen out- ften Zoon nyt te ftrekken ,• het welke hy nog onlangs in ft opftel- len van zyn Cabinetje (om geen andere weldaden op te halen) overvloedig beproeft heeft, dewyl gy het zelve met uytlantfche nyt beide de Indien gebragte Zaden rykelyk hebt verciert en ver- meerdert. Hyzal, met my, zyn beft doen, dat deze zeer aange- name giften niet te vergeefs van U uytgedeelt zullen zyn, maar zal liever trachten de bloemen en vrugten der dankbaarheyt U by alle gelegentheyt aan te bieden. Ondertuftchen hoop ik, datgy deze Naamlyft der Rariteyten met vriendelykheyt aannemen, en myne pogingen ten beften duydenzult,- fchat dezelve niet na zyn grootheyt en waarde, maar na myn begeerte om U myne hoog- achting te betnygen. De Groote en goede God, IVel Edele Heer , beware U lang gezont, en ftorte mildadiglyk over U en Uwe Vrienden uyt, aUerley geluk en voorfpoet. Amfterdam den 9* Maart 169 o. ANATOMISCH KABINET Van FREDERICUS RUYSCH* Of REGISTER van de RARIGHEDEN, Die ten huyze van den Autheur bewaart worden. EEN OPGEREGTE TOMBE VOORZIEN MET VERSCHEY- DE GERAAMTENS [SCELETA] &c. N°. I. In eenkisje van dez’e Tombe is geplaatfl een doodshoofd [cafut ojfeum] van een eerftgeboore kindje , met deze infcriptie: Geen hooft y hoejlerkheth, zal de wreede dood ontvlieden. In dit hoofd worden deze volgende merkwaardige dingen gevonden. Ten eerffe. De Opperhoofds [offa Jyncij>itzs~\, agterhoofds [os eccipUis] en voorhoofds [os front is] beenderen, alwaar zy haar beenagtige zelfftandig- beyd aannemen, namentlyk in haar midden, puylen na proportie meerder uyt als in bedaagden, en zyn aldaar veel vafter. 2. Uyt dit harde gedeelte, als een middelpunt van beenmaking, fchynenon. telbare beenagtige [Jiri# ojfeaJ ftreepen zig uyt te zetten, \ welk ik in 51 begin van de beenmaking bevind plaats te hebben. 3 - De beenagtige ring is tot nog toe gefepareert van ’t onderfte gedeelte van ’t fteen-been [ospetrofurn\ 5 maar m ’t bovenfte gedeelte is ’t t’zamenge voegt met het flaap-been [os temfonm~\ , door een vereeniging [fymfhyfis jfne medio] der beenderen, zonder tuflchenkomen. 4. De beenderkens van ’t gehoor in haare natuurlyke plaats, dewelke, van weerkanten het trommelvlies weggenomen zynde , zeer fraay te voorfchyn komen. Dat dezelve beenderkens in de eerftgeborene zoo groot zyn, als in de bejaarden, is alhier te zien. 5. Een notable fcheyding of verfcheydentheyd, tulïcheA het fchubwyze [os ANATOMISCH KABINET, of fquammofu7n\ en fteen-been [at lapidojum~\ , welke in eerftgeboorekinderen adeenlyk aan elkander gevoegt zyn dooreen vliesje. 6. De gcilalteniffc der tanden in die tedere jonge jaaren, dewelke, hoewel on- volmaakt, egter een beenagtige vaftigheyd hebben aangenomen. /• Met agterhooi:ds-been is zeer klaarblykelyk uyt vier dcelen t’zamengevoegt en dat het grootfte dezer deelen uyt drie groeven, tegen elkander overman- de, voorzien is, blykt hier zonneklaar. N°- II Onder dat hoofd, word een kleyn ander gevonden van een misge- boorte , van ontrent vier maanden dragts. Waar in aan te merken ftaat, dat men alhier beter de bovengezegde ilreepen zien kan. N°. 111. Volgt een geraamte van een Jongetje, ontrent 3 Jaaren oud, hou- dende in zyn regterhand het geraamte van een Papegaay. De onwederroepelyke iyd vliegt voorby, In dit geraamte van ’t Kind zyn aan te merken. Ten eerjïe. Dal het bekkeneel in ’t opperhoofds-been gefloten is , nadien de fontanel nu al is verdwenen. 2. De vierde kies of maal-tand aan wederzyde in ’t bovenfte kaakbeen zyn uytgang zoekende, doorboort voor de derde, het kaakebeen zelfs. * * 3. De doorn \ ffma o (fis Uit] van ’t darmbeen is kraakbeenig, ’t welk niet al- leen in dit geraamte, maar ook in alle jonge geboorene zoodanig gevonden word! indien dit niet wel geobferveert werd in ’t toemaken van een ge- raamte, word deze doorn, om dat hy kraakbeenig U, ligtelyk verboren. 4’ Het darm-been \os Uturn] aan weerzyde, is uyt drie deelen beflaande, ge- lyk altyd gefchied in jonge kinderen. f. De kniefchyven [patel/*] zyn in ’t geheel kraakbeenig. N°. IV. Aan de regter zyde van ’t voorverhaalde geraamte, word ’er een ander gevonden van een kind van zes wecken oud, 111 z regterhand een Vaandel dragende. O ITy zullen te vergeefs de doodflaande Oorlog meyden, ■dilzoo ons keven hier moet tot de dood toe Jiryden. Li t zelve worden de volgende aanmerkenswaardige zaken gezien. Ten ecrjfe. Het onderfte gedeelte van ’t fchaam-been \os puhis~\ is kraakbeenig:, maar het boyenfte al beenagtig-. NAAMLTST der RAIUTEYTEN. 2. Alle de aangroeyzels [epïphyfesJ, niet alleen de waare , (ik meyne , dat aldus alle de uytfteekzels [procejfus] der geledingen , dewelke aan ft waare deel des beens groeyen, genaamt moeten worden ) maar ook alle de beent- jes van de voorhand [carpus\ en voorvoet \tarfus] , zyn nog enkel kraak- beenxg j. uytgenomen beyde de hiel-beenderen [os cakis~\ , waar in eeni- ge beenagtigheyd gezien werd. 3. De fny-tanden [dentes inciforif[ 3 die voor de andere meeftentyd uytfchie- ten3 alhoewelze nog ineen dik vlies befloten leggen, fchynen daar door. 4. In de winkel-naad [futura lambdoidea] is een driekantig beentje, ft welk zommige Autheuren recommandeeren in een vallende ziekte [<*piLepjïa.] .5. Aan alle beyde zyde ontbreekt het mamwyze [procejfus mammïllaris[ uyt- fteekzel } derhal ven moet51 gehouden worden voor een waare [afophyfis vera\ uytfteckzel, want naderhand fchiet het uyt het flaap-been [os temporurnj é. De doornagtige [procejfus ‘vertebrarïïm fpinojl~\ uytfteekzels van de wer- velbeenderen, welke baftart [apophyfes Jpuri] uytfteekzels zyn, ("omdat zy aan ’t waare gedeelte van ’t been, of lighamen [corpora vertebrarum] der wervelbeenderen, in manier als kraakbeenige aanwaften vaftgroeyen, enin’t gebruyk met waare uytfteekzels overeenkomen) beftaan in dit, gelyk ook in diergelyke andere geraamtens, uyt kraakbeen. Daarom moet men voor- zigttg wezen in ’t toebcrcydén van geraamtens, anders vallen deze uytfteek- zels van elkander. 7. Dat de wervelbeenderen in die Jaaren uyt vierdeelen haar beftaan hebben, blykt in dit geraamte. Ta 5. De hoofdsbecnderen, anders als fri dë eerftgeboorac , hangen nu al aan el- kander, door middel van een naad. N°. V. Aan de linkerhand vertoont zig een geraamte van een kind, oud agt maanden, een Piek dragende. Het volgende is aan te merken. Ten eerfiè. Het beenige [cunalis ojjeusj canaal ontbreekt nog in ft ücen-hecn fat petrofnm\, gelyk gemeenlyk in die tedere jaaren gefchied. 2. In de linker zyde is het trommelvlies [mernbr. tympanï\ helder, zoo dat men de gehoorbeenderkens [ojjlcula audttus~], daar doorfchynende, in haare na- tuurlyke plaats kan zien. 3* De reft komt'overeen met ’t Voorgaande. N°- VI. Aan de linker zyde komt ons voor: het geraamte van een bedaagd Man, zyn regterhand op de borft hebbende. Ten eerfie.Dat de traanbeenderkens [ojjlcula lachrymaltd] geenzintsgequeft zyn. Aanmerkt. ANATOMISCH KABINET, of gelyk zeer dik wils gebeurt in ’t maken van een geraamte, wegens haar dunheyd. 2. De gemcene gaten, die in dezelve beenderkens gevonden worden, gedelti- ncert zynde tot doorgang van de traan-canaal \_duchts Lacbrymalis], zyn hier voel wyder als na gewoonte. In de ichubwyze p^uüTdTfioJhj naad, aan de linker zyde, worden verfcheyde beenderkens, van JVormms befchreven, gevonden. 4. De doorn [ ffina ojjïs Uii\ van ’t darm-been, {welke een baftart \apophyfis\ uytfteekzel is, om dat ’t in manier van een kraakbeenig [epiphyfi,ij aan- was , aan ’t darm-been aangroeyt} beenagtig geworden zynde, is gefchey- den met een merkelyke linie van ’t waare gedeelte van ’t been. 5. De fchaam-beenderen [o(fa ptibis~\ zyn zoo wyd niet van elkander gefchey- den in ’t onderfte gedeelte, als in de vrouwen > waar door het bekken in dc mannen nauwer word: dit heeft niet alleen plaats in dit geraamte, maar word ook in alle geraamtens der mannen zoo gevonden. 6- Het ftaart-been \_os caudatella\ zyn in ’t geheel kraakbeenig. 4. Alle de kraakbeenige [efifhyfisj aanwaden, zyn in dit geraamte kraakbeenig. 5. Het is zeker, dat het onderfte kaakbeen beftaat uyt twee deelen in een eerft- geboorne j maar haar vereeniging gefchied niet door tuflehenkomen van een kraakbeen , gelyk de Autheuren zeggen : ja zoo dikmaals als ik het onder- zogt heb , heb ik altoos bevonden, dat deze twee deelen, aan elkander t’ zamen , hingen, door hulp van een vlies , gelyk in dit voorwerp gezien kan werden. 6. Het naamloos been \os mnominatum\ van de linker zyde is wat lager ge- plaafb, als dat van de regterzyde: en dat geenzints door een wanfehapen- heyd, maar door het Hellen van ’t geraamte voor deszelfs drooging: ’t welk veele Ghirurgyns bedrogen heeft, oordeelende, dat het dye-been [j)s femo~ ris] ontleed was , om dat zy bevonden het eene been langer te zyn als het andere na de val, en onlydelyke pynen. Ik zeg, dat dit dikmaals afhangt van de plaatzing en uytrekking van ’t lighaam, waar door het een nederda- lende gehalte krygt 3 en het dye-been navolgende, fchynt het eene been [crus] langer te wezen. 7. In ’t borftbeen van agt maanden dragts, worden dikmaals 6of 7 ronde beenderkens, die na de lengte van ’t gezegde been Haan, gevonden, maar hier zyn ’er eenige die dubbelt zyn. B. De fontanel in ’t hoofd, is zeer kleyn. N IX. Aan de regter hand van ’t gezegde geraamte, word een ander geraamte gevonden van een voldrage kindje, tulfchen de kaaken een vergulde trompet houdende. Gedenkt aan de laafte tyd f N°. X. Een geraamte van een vierjaarig kind , verfcheyde fpeelgoet in de handen dragende. Het menfche leven is maat' een fpel. lïi dit geraamte zyn aan te merken deze volgende zaaken. Ten eerfie. Blykt hier, dat dc Ichaam-beenderen _pubis~\ in dien ouderdom dw beenagdge natuur hebben aangenomen. NAAMLYST der RAR.ITEYT.EN. 7 j)h geraamte vertoont msgciyks, dat de namelooze beenderen [op 'inno~ mmata] in drien zyn gefcheydèn. 3. De kuicfehyven zyn nog kraakbeenig. 4. De beenderen van de hiel [os calcis], koot [os tali\, en het taarlingswyze [os tepr#\ been, als mede het grootfte van de drie namelooze beenderen, zyn al in een beenagtige zeliftandigheyd verandert, dewyl de andere onbenaamde, of beytelwyze [o[la cunéiformia] , als mede het fchipwyze [os naukulare \ been, nog kraakbeenig zyn gebleven. 5. Byna alle aangrceyzels [epiphy/es) hebben de beenagtige hardigheyd aan- genomen , tuftchen welken 5 en ’t waare gedeelte van ’t been, zeer veel kraakbeen tuftchen komt. De beenderen van de dye [os femor/s] , fcheen [tïbla\ , kuyt [os Jura] , en fchouder [humerf], hebben een regter figuur, als in bejaarden. 7. Twee van de voorbands [carpus] beenderen, hebben een beenagtige zelf- ftandigheyd bekomen, en dat in alleby de zyde. 8. Het borft-been [os peßoris] uyt elf ronde beenderkens (’t welk zelden., zoo ’t ooyt, gezien is) beftaandc. N°. XI. Het Geraamte van een kind van ontrent vyf Jaaren oud, van wiens regterhand een menfche hartje, door liet balzemen bard gemaakt zynde, met een zyde draad afhangt. ’s Menfchen leven aan een zyde draad. In ’t zelve is aan te merken. Ten eerfte. Dat de voorvoets-beenderen [oj tarji) aan wederkanten (uytge- zondert de fchipwyze [op. mvïcularid] beenderen) een beenagtige har*. digheyd aangenomen hebben. 2. Dat het borft-been beftaatuyt vyf ronde beenderkens. 3. Dat tuftchen het ankerwyze uytfteekzel [proceps anchoriformisJy en het waare gedeelte van ’t fchouderblads-been [os fcapnla] , veel kraakbeen ge- legen is 3 ’t welk een teeken is , dat het gezegde uytftek een baftert [apo~ fhyfis fpuria] uytfteekzel is. 4. Dat twee van de voorhands-beenderen, waarlyk de beenagtige hardigheyd bekomen hebben, kan men klaar zien: de andere, gelyk in ’t voorgaande geraamte, zyn tot nog toe kraakbeenig. 5. Het opperfte van de fchouder [furamus humerus], welk een uytfteekzel [proceffus fiopuia] is van ’t fchouderbkd, is hier nog geheel kraakbeenig. 6. De doorn [fpma ojjis ilik\ van t darni-been, is nog geheel kraakbeenig. 7. Dat het onderfte aangroeyzel van de fchouderbeenderen een waar aangroey- ANATOMISCH KABINET, of ♦ f J zei is, blykt hier zonneklaar > want tuflchen deze, en ’t waare gedeelte van ’t been, komt kraakbeen. 8. Het zelfde word ook gevonden in ’t onderfte aangroeyzel van de kleyne [radii] elleboogs-pypen. 9. De bovenfte aangroeyzels van de elleboog-beenderen [cubitï\ , (nament- lyk de knoppen [okcrana] van den elleboog) zynnog kraakbeenig, en daar word niets beenig in gevonden. 10. Dat de bovenfte aanwaden ,of de hoofden van de arm-beenderen [bracbid] f uyt twee beenderen in die jaaren beftaan, blykt alhier. 11. De groote en kleyne drayers [trochanteres] van ’t dye-been groeyen vaft 3 op de manier als een aangroeyzel aan ’t waare gedeelte van ’t been j en daar- om moetenze ook gehouden worden voor baftert uytfteekzels [apophyfes fpuri ft welk voor ons eenteeken is, dat het niet oud van jaaren is geweeft * want door de tyd word het ge- tal der gezegde beenderen, zoo vermindert, datze m hooge jaaren niet zei- den te gelyk, met de punt uyt een been beftaan. Aanmerkt. NvXIII. De grond van de Tombe, is vervult met verfcheyde menfchebeen- deren , verbeeldende een begraaf-plaats. De Aard-godin doet elk regt: Ze opent zig voor Heer en knegt* NAAMLYST der RARITEYTEN. Ze geeft een onder aar elfche woning, Zoo aan den hoer, als aan den Koning. Letter A. Is een doodshoofd [paf ut ojj'eum] 5 waar in aan te merken is. J'en eerrie. Dat in de fchubwyze \_fatura fquammofa\ naad van de linker £yde5 ontrent de grond van het mamwyze Qprocejftu mamillarii\ uytfteekfel 3 een hppnfie van IVormius gevonden word. .. a Tdet andere paar der fchubwyze \men dofiefutara] naaden,(door wiens toe- doende zyden van’t by telwyze been [os fphoenoides] t’zamengevocgt wor- den met het voorhoofds [osfrontis] been) is voor een groot gedeelte yer- dweenen : vervolgens zyn deze beenderen vereenigt door een vereniging T fymphyfis /me medio] zonder tulïchenkomen. Letter B. Is een menfehe doodshoofd. Aanmerkt. Teneerfie. Dat het verhemelte [palatum] op een wonderlyke manier neerge* drukt is. • , . , . . 2. De pyl-naad [futura Jagittalis] is in t geheel vei dwenen yin wiens ag r fte gedeelte gezien word een ronde kuyl. *Of dit van het trepanceren zal 3 gDe°kroomnaad [/utara coronalis] ontrent het linker flaap-been [os tempo- ' rale], .is mede verdwenen. Letter C. Ben doodshoofd van een Menfch. Aanmerkt. Ten eer fte. Dat de pyl-naad tot aan de grond van de neus ] i*uyt- typftrekr en qbnn het voorhoofds-been in tween verdeelt. 2. In beydezyde van ’t voorlioofds-been worden lange oorfpronk nemende uyt de gaten,die boven de oog-raden\orbita (Jra/zlzyn, in dezelve worden gepW de zenuwen die door de fpieren van t voorhoofd loopen. I etter D. Een doodshoofd van een Besje. Waar in aan te merken zyn. Seö eerjle. Dat niet alleen beytlc de kaak-beenderen tandeloos 3 maar ook in ANATOMISCH KABINET, of haar hoogte zoo vermindert zyn, dateer muwlyks de helft van debreete overig is. Ziet de 82. Aanmerking, cn6?. Figuur. '2, Zeer groote, ja wonderbaar©gaten werden in dit doodshoofd gevonden, in ’t buytenfie van de oog-raderen zittende, welke by Spigeltus werden de vierde gaten van ’t bytclwyze been. Of dit Van de eerfte con> formatie, of door dc ouderdom is, kanmen niet ligt bepaalen. Letter E. Een doodshoofd , waar in aan te merken zyn. Ten eerfte. Dat de pyl-naad zig uytftrekt tot dc wortel van de neus. 2. De holte in’tonderfte gedeelte van’t voorhoofds-been, iszeerkleyn;’t welke dcAutheuren voorgeven, dat van de Joop van die naad tot de wortel van de neus zoude voorkomen; maar menigmaal heb ik het ook in tegendeel waargenomen'. , 3. In de winkel-naad [ futuralumbdoidea] zyn verfcheyde beenderkens van fVormius: waar onder twee driekantig, en dat aan de zyde, daar de py], naad met de winkcl-naad zig vereenigt. 4. De mamwyze uy tlleekzels van deflaap-beenderen, zyn vol van holletjes en huysjes. Letter F. Een doodshoofd, waar in aan te merken zyn. Ten eerfte. Depylnaad, als in’t voorgaande, uy tgeftrekt tot de wortel van de neus. 2, Een kleyn beentje van Wormius, in de tweede baftart-naad [men do fa fu~ turd], ’t welk zeer raar is. 3. In’t opperfte en buytenfte gedeelte van de juk-been deren \oJfa zsgomaticd\, word gevonden een groot beenig uy tfieekzel? Cl welk zeer zelden, of zoo > ’t ooy t, te vooren gezien is.) Letter G* Een doodshoofd van een bejaard Menfch. Aanmerkt* Ten eerfte. Aan de linker zyde een beentje van TVormtus in dc fchubwyzenaad. 2. Onder de beenderkens van fVormius, word ’er nauwlyks een grooter ge- vonden, als in de kroon naad van dit hoofd? het welk insgelyks zelden voorkomt. 3* ploeg \yomef] is vcreenigtdoor een beenagtige zelfitandigheyd, met het fcheydzel der neusgaten ,’t welk dikmaals ge^eurt in bedaagden 5 waar door oorzaak ontftaan is by sommige, om te twyftclen, of deze twee been- - derkens een , of twee zoude zyn. KAAMLYST der RAIITEYTEN.. 4. Een aanmerkelyk teeken of fpoor van de ilaap-fpieren 5 met een zigtbaare rand3 in ’t voorhoofd en opperhoofds-been. Letter H. Het doodshoofd van een kind 3 ontrent agt j aaren oud. Waar in aan te merken fhut. TV» eerfte. Dat hier is een notabele diftinftie en fepareering van ’t agterhoofds- been en juk-been , ’t geen alleen gezien word in de jonge kinderen : maar eyndelyk worden deze twee beenderen t’zamengevoegd 3 door een beenag- tige zelfftandigheyd. 2. Hier is fraay te zien , hoe dat in de vernieuwing der tanden, de tuffen-- fcheydzels [interftitia alveolorum] van de holtens, door de uytkomende tand uytgeftooten 3 ja ook in ’t geheel vernietigt werden. Letter I. Een doodshoofd van een bejaard Menfch. Aanmerkt hier. Ten eerfte. Verfcheyde beenderkens van JVormius in de winkei-naad [ Jut urn lambdoidea. J 2. Twee driekantige beentjes, tuflchen de kroon [futura coronalis] en win-» kel-naad. T Vérfcheyde beenderkens van Wormius y in de tweede [futura mendofa~\ baftaart-naad Letter K. Een doodshoofd. Aanmerkt. Ten eerfte. Dat de pyl-naad [futura fagittahsj tot de wortel van de neus ge- ftrekt is , ’t welk geenzints de verfcheydentheyd van de fexe betekent. 2- Verfcheyde kleyne beenderkens van fVormius in de kroon-naad, onder welke een zeer groot is; 3. Een beentje van IVormius in de kroon-naad. 4. Zooveele beenderkens van IVormiusin de winkel-naad 3 dat de helft van de gezegde naad ons dubbelt voorkomt. Letter L. Een doodshoofd van een bedaagd MenfeE Aanmerkt. Ten eerfte. De pyl-naad byna geheel vernietigt. 2. In ’t midden van ’t agterhoofds-been, komt te voorfchyn centcscnnatuur*- lyk beenig uytftck. d ANATOMISCH KABINET, of Letter M. Een doodshoofd van een Kind. Aanmerkt. Ten eerfte. De regter fchubwyze naad, is voor het grootfte gedeelte dubbelt. z. Het welk ook gevonden werd in de winkel-naad. Letter N. Een doodshoofd van een oud Man. Aanmerkt. Ten eerfte. Een driekantig been, tuflehen de pyl en winkel-naad. 2. Verïcheyde beenderkens van (Vormius in de pyl-naad. N°. XIV. Verfcheyde menfche beenderen tuffehen de gezegde doodshoofden verfpreyd, om een Kerkhof te verbeelden. Onder de gezegde beenderen, komt ons eerft voor het fchouder-been [os hu- men] van omtrent een zesjaarig kind, wiens opperlte aangroeyzel fis] of hoofd, als mede het onderfte, door de kooking in enkel water van een gefcheyden zyn. Ziet N,;. I. De twee elleboogs-beenderen [o(fa cubitt] van ’t zelve kind, door de kooking beroofd van haare aangroeyzels , zelfs de olecranon niet uytgezondert ’t welk een teeken is, dat dezelve olecranum, in manier van een aangroeyzel aan ’t waare been vaftgroeyt. Daarom moet men ook de olecranum houden voor een ballaart uytfteekzel [apophyfis fpuria.] Ziet N°. 11. Een krom dye-been van ’t zelve kind, wiens opperfteen onderfteaangroeyzel niet alleen door de kooking afgevallen zyn, maar °°k alle beyde de drayers \rotatores feu trochanteres] : waar uyt klaar blykt, dat deze gezegde drayers baftart uytfteekzels zyn, en aan ’t waare been, als een uytfteekzel, vaft- groeyen. Ziet N’. 111. In de eerfte Kaft, Letter A. worden deze navolgende zaken gevonden. In de eerfte en op ft er ft e plank, worden gezien en vertoont. N°. I. De deelcn tot de generatie of voortteeling behoorendé, en-dat in een voldrage meysje, met deszelfs waterblaas, en een gedeelte van de endel- darm daar aan * in de fcheede [vagina ut en] van de Lyfmoeder is te zien t halfrnaanwyze [femilunare hymen ] maagdevlies, Zoo als het ordinaris in .die tedere jaaren gewoon is ons voor te komen' want in de meysjes is het gewoon met er tyd te groeyen tot een cirkel 01 kring 5 in wiens middelfte, NAAMLYST der RARITE YTEN. in een natuurlyke ftaat altyd een opening blyft. Daar worden ook gezien aan beyde de zyden de flag-aderen \_arter'ue umhilicales] van de navel, met het ondoorboorde [urachus impervius~] watervat. N°. 11. Een gedeelte van dezaad-ader [yena fp er mat ka] uyt een Kraamvrouw van negen dagen, met wafchagtige ftoffe vervult, waar in een notabele wydte der zei ver 3 buyten de kraam, en in die geene, die niet zwanger zyn, zyn de zaad-aders geenzints zoo wydt. N°. 111. De krop-ader [’yenajugnlarts] uyt een Paard, in wienseeneuyteyn- de gezien word een oog-luykende {yalvuLa coitfii'uefts] klap\lies, of een half maanwys vliesje, een klapvlies vertoonende, en nogtans onnut om ’t werk van een klapvlies te doen. In het andere uyteynde, word den uytgang of mond van een tak, voortgekomen uyt de gezegde ader, door een waare klapvlies, gefloten. N°. IV. De maag en gedarmte van een misgeboorte van vier maanden dragts. Op de tweede plank worden gevonden. N°. I. Een waterblaas van een Kalf, zig dubbelt verbeeldende, om dat in des- zelfs agterfte gedeelte als een tweede blaas aanhangt, wyder als de voorfte en waare waterblaas: ik zoude gelooven, dat dit zyn oorfpronk genomen heeft van ’t watervat \tirachus~\ tegens de natuur verwydert, welk in dit gellagt van dieren, volgens de loop van de natuur, altyd open is. N°. 11. Het geraamte van een ongeboore kindje van vier maanden, met het opheffen der handjes gelyk als opfpringende. 0 wat ben ik gelukkig, terwyl myne beenderen nu zoo leggen te ruften. N°. 111. De Teeldeelen van een Vrouw, die vier maanden zwaar was ge wee ft. Aanmerkt. Ten eerfte. Deze partyen heb ik 20 Jaaren zoo net bewaart, datze fchynen eerft vars gedroogt te zyn. 2. In dezelve Lyfmoeder leyt ook een gebalfcmt kindje, als een Heen ver- hard, wiens devys is; ANATOMISCH KABINET, of Gefor meert, ge flor ven, begraven in de zelfde plaats. Zoo dat de Ly(moeder myn gr aft ts. 5. ’t'Blykt hier, dat de fcheede [vagina] in de zwangere Vrouwen lan- ger is. 4. Ook kan men hier aanmerken, dat de waterblaas deze uytgeftrektheyd van de fcheede niet altyd navolgt. 5. Ook komen ons hier voor de lange {ligament a uteri ter et ia] en ronde ban- den van de Lyfmoeder, die men hier zoude zeggen, dat aan ’t voorfte ge- deelte liever als aan ’t agterfte gedeelte van de Lyfmoeder vaft waren h en dat is, om dat de grond van de Lyfmoeder , in ’t zwanger gaan, in de hoogte zig verheft. 6. Het is ook aanmerkenswaardig, dat op de plaats, daar den endel-darm \jntejUnum reffurn] aan de fcheede t’zamengroeyt, die wand niet zoo dik is, gelyk men zig gemeenelyk verbeeld; en hoe hgtelyk, als deze partyen qualyk geftelt zyn, dat zy haar ongemakken elkander overzetten: zoo dat, als het vuur {gangrana] aldaar is gekomen, ’t zelve ligtelyk van de fchee na den endel-darm overgaat. 7. Hoe groot en wyd in zwangere Vrouwen, de bloetvaten van de Lyfmoeder Zyn , is hier ook te zien. 8. In de blaas, die maar een weynig opgeblazen is, is nog kreuk nog kuyl; maar zoo natuurlyk geftelt, als of zy met pis opgevalt was. N°. IV. Aan de zyde van de Lyfmoeder, daar het kindje inbeüotenis, ftaat een geraamte van een kindje van vier en een halve maand, met des- zelft linker handje de gezegde Lyflloe<^er aanrakende; Het kon in geen edelder gr ei ft bedekt worden. Aanmerkt. Ten eerfte. In deszelfs borftbeen is niets beenigs te zien. 2. Daar word een driekantig beentje, tuft'chcn de pylen winkelnaad, gevonden: El°. V. Geraamtens van Tweelingen van vier maanden. Het aan de regter zyde ftaande met opgeheve handen, als met vreugde inge- nomen zynde, ziet na den hemel. Dat aan de linker zyde, zyn regter handje aan zyn weenende oogen gebragt heb- bende , fchynt of hy wilde beweenen zyn vroege uytkomft des doods; zoo NAAMLYST der RAKITEYTEN. dat die Tweelingen fchynen te verbeelden 5 met twee verfchillende gemoeds- bewegingen 3 de eene als Democriet, de andere als Heracliet. Nü. VI Een gedeelte van een menfche Nier, in mooten gefneden. Aanmerkt. Ten eerjie. A. A. De bloedvaten door de Nier loopende 3 en vervult met een wasagtige ftofFe. 2. B. B. De canaaltjens, door welke de pis na het bekken gevoert werd. N°. VIL Een wönderbaarlyke groote menfche Nier} verbeeldende de figuur van een Fles. Aanmerkt. Ten eerjie. Dat door deszelfs vliezen notable bloedvaten verfpreyd worden, waar onder 5 alhoewel vervult, nogtans verfcheyde zoo kleyn zyn} dat zy byna het gezigt ontvlieden. 2. De Nier \arteria renalis3 feu emulgens] of uytzuygende flag-ader,, is ont- blood van alle vliezen en vet, waar door anders dezelve verduyftert word. 3. Heuveltjens ? liever klieren van de N ieren verhard, en dik geworden, uyt de zelfftandigheyd des Niers uytfpmytende > en met Letter a. a. getekent. Op de derde Plank. N°. I. Een gedeelte van de omgewonde \jntejiinum darm van een. menfch, op een voetje ftaande. Aanmerkt. Ten eerjie. Dat de vaten van t darmfcheyl \mefentermm~j, door wiens toe- doen de darmen by een gehouden worden, met quikzilver vervult zyn. 2. De gezegde darmen hebben haare natuurlyke plaatze behouden 5 welkers vaten ook met quikzilver vervult zyn. N°. 11. Het Geraamte van een onvoldrage kindje van zeven maanden 3 in Zyn linker handje houdende de darme en maag van een Henne. Het onderzoekt de vezelen en Ingewanden der Beeflen. Aanmerkt. Ten ftrfie. Verfcheyde naalden fteeken in de maag, dewelke de Hen opgc- ANATOMISCH KABINET, of flokt had, en zommige daar van hebben de maag doorboort. Ziet N°. r. a. a. 2. In ’t borilbeen worden vier ronde beenderkens gevonden. N°. 111. Een Bal 5 beftaande uyt Koe-hayren, welke gevonden is in de maag van een Kce. N°. IV. Een gedeelte van de bloedvaten des Longs, namentlyk, de flag- ader, ader, en longepyp [afpera ar ter ia] , dewelke zoodanig op elkan- der leggen, dat zy byna haar natuurlyke poftuur behouden. Aanmerkt. Alle deze vaten zyn vervult , en eyndigen in zeer fubtile vaatjens, verbeel- dende (’t geen fraay om te zien is} een boom. N°. V. Een glaaze kasje, voorzien met vier geraamtens van kleyne [embryo- nes] fchepzelkens, waar van het eerfte en grootfte van twee en een halve maand is, dragende in zyn regter handje de darmen van een Kikvors, de- welke netjes opgeblaazen en bewaart zyn. Aanmerkr. Ten eerfte. Dat het hoofd 5 volgens gewoonte, ten aanzien van ’t lighaam 3 zeer groot is, en voor een groot gedeelte vliesagtig. 2. De beenmaking vertoont zig’t eerit in’t voorhoofds-been [os fronty on- trent de oog-raderen [orbita ocnlorum\: als mede het agterhoofds-been [os occifïtïs~\ ontrent het grootfte gat,gedeftineert tot doorgang van’t rugge-merg. 3. Daar is nog geen beenmaking in de plaats van de opperhoofds-beenderen [offa hregmatis7\ 4.. De bovenfte kaak is in ’t geheel beenagtig > a‘s mede de onderfte 5 welke beyde in de langte uytgeftrekt, en fpits toelopende zyn , als in de honden. 5, De ileutel-beenderen [clavicula], als mede de ribbens [cofa.f], zyn been- agtig. 6. De naamlooze beenderen 3 ten deele beenig, ten deele kraakbeenig , wel- kers beenmaking in haar midden begint voor te komen y gelyk hier klaar blykt. 7- De beenderen van de voorhand zyn in ’t geheel kraakbeenig, maar de ag- terhands-beenderen beenagtig. 8. De beendertjes van de vingeren, beginnen een beenagtige zelfsftandigheyd aan te nemen 5 en ’t is als een zandje groot 3 ’t welk de natuur van been aanneemt. o. De agtervoets-beenderen zyn ai beenig, maar van de toonen nog kraakbeenig. N*. VI. Het ander aanvolgende geraamte, in 5t zelve kasje gepkaft, is van een fchepzeltje van ontrent twee maanden, in zyn linker handje dragende de Long van een Kikvors, opgeblazen en doorgefneden, op dat men het inwendige zoude konnen zien. NAAM LY ST dér RARITEYTER Aanmerkt. Ten eerjie. Het doodshoofd, is in ’t geheel vliezig , uytgenomen het hovende gedeelte van de oog-raderen. 2. Beyde de kaken hebben al een beenagtige zelfftandigheyd aangenomen, 3. In de namelooze beenderen word een ligte beginzel van beenmaking ge- zien , als een wit flipje. 4. De beenderkens van de agterhand vertoonen een kleyne beenmaking , in manier als een zandje. 5. De geheele rugge-graat \_fpna dorfi] is geheel kraakbeenig, ja fchynt ook bykans vliezig. N°. VIL Volgt nu in ordre het derde geraamte van een kleyn fchepzeltje van ontrent zeven wecken, mede in ’t zelve glaze kasje geftelt , in ’t lin- ker handje dragende een prop-gezwel \_polypus}, uyt de langagtiee f finus longitudinalis] groef gehaald. Aanmerkt. Ten eerjie. Dit prop-gezwel had zoodanig een taayheyd , dat men het daar uyt konde nemen, en droogen , een ader verbeeldende: waar door veele bedrogen zyn geweeft in de ongemakken van de borfl , als zy zoodanige prop-gezwellen al hoedende opgaven , gelovende dat haar uytgehoede ade- ren voorquamen. Ik oordeele, dat het klaarder blykt als het middagligt , dat deze prop-gezwellen niet anders zyn , als gedolde weye , en verdikt in de pypen \bronchta pulmonir] van de Long, of andere aderen. 2. Weynig of niets verfcheelt het in deszelfs beenmaking van ’t voorgaande. N°. VIII. Het vierde van dit glaze kasje, is een geraamte van een kleyn fchep- zeltje van ontrent twee maanden, in zyn linker handje houdende een men- fche Eytje, en in de regter een Overaas, of Haft. Terwyl wy geboren worden, (lerven zvy. Aanmerkt. ten eerfie. Het hoofd is in ’t geheel vliezig, uytgenomen de opperde geded- ANATOMISCH KABINET, of tens van de oog-raderen; ja het fchynt over een te komen met het bovenge» melde geraamte, getekent N°. 6. 2. Het hoofd is met Kattoen vervult , op dat het zyn rondheyd zoude be- houden. ,N°. IX. Aan de zyde van ’t gezegde glaaze kasje. Raat een geraamte van zes maanden: in de linker hand dragende een tros met uytgelofte fteenen van een menfch, welke fteenen met een lymagtige ftofte aan een hangen : maar in de regter hand toont het verfcheyde iteenen, uyt een galblaas van een menfch genomen, welke in figuur en gelykheyd of effenheyd, zeer met mal- kanderen overeen komen : Ja zy gelyken na het agterfte gedeelte van een fchoteltje. De Menfch van een Prauw gebeuren, en eenen kleynen tyd kevende 7 is vol van gebreeken. Aanmerkt. Ten eerjic. Drie bol-ronde beenderkens worden gevonden in ’t borft-been, de andere zyn nog kraakbeenig. 2. Het trommelvlies aan de linker zyde, is geheel en doorfchynend, waar door men de beenderkens van ’t gehoor in haare natuurlyke plaatze ziet. 3, In de voorhand en voorvoet ziet men niets beenigs, zynde de agterhand en agtervoet in allebeyde zyde beenagtig. N'. X. Een groote tak van des Longs Slag-ader, met wafch vervult: waar door de takjens, ja de allerminfte, ons klaarder voor oogen komen. Aanmerkt. Ten eerfte. De alleruyterße uyteyndens van de gevulde takjens, kan men nauw- lyks zonder ver groot glaazen zien. 2. Alle de vliezen, die het gezigt zoude benemen, zyn in ’t geheel weggenen men, zoo dat de bloote vaatjens in ’t gezigt komen, N°. XL Een bal van een man door ’t balfemen verhard, en ontbloot van ’t Jfchee-vlies [tunica vaginalis], en behouden hebbende zyn eygen [itunica frofria, feu albuginea\ of Wltagtig vlies. Lett, A. Vertoont de bal ['teftïcuhis.] h. De byftander [p ar aft ata, feu efididymis] •> over welkers oppervlakte ontejbaare bloedvaten veripreyt} en konftig vervult zyn. Aanmerkt. NAAMLYST der RARITEYTEN. C. De groote [t: onderfte gedeelte van beyde de doods-hoofden, zyn alle de beender- kens van alle haar vliezen, vet en fpieren, zoo net gezuyvert, dat’erniets ?t gezigt belet: en zoo komt ons voor het groote onderfchevd .tufichen de ANATOMISCH KABINET y of beenderkens van deze teedere Tweelingen, en de beenderen van oude lieden; het welk wonderbaarlyk, en vermaakelyk om te zien is. N°. VI- Een Moerkoek van een menfeh, met zyn navel-itreng. Aanmerkt. Ten eerjle. Alle de flag-aderen zyn vanmy vervult met een witte ftoffe maar in tegendeel de aderen met een roode ftoffe 3 welke verandering voor ’t ge- zigt aangenaam is. 2. Deze Moerkoek is zoo konftig bereyd 3 dat dezelve zyn natuurlyke groo- te, form 3 en dikte behouden heeft. N°. VII. Muylen van menfche leer gemaakt. N°. VIII. De huyd of het vel in vezels ontbonden 3 welke de draaden van zyde niet qnalyk vertoonen. N°. IXj X, XI. Navel-ftrengen van haar fibren 3 en omvattend vlies gefchey- den 3 welkers vaten zyn opgeblazen ; en zoo konftig gedroogt en gebalfemt dat zy haar natuurlyke wydte, zonder kreuken of holtens, behouden hebben! N°. XII. Het voorfte gedeelte van de herffenen van een menfch gebalfemt 3 en als een fteen verhard. Aanmerkt. Ten eerjle. Alle de kronkels en drayingen, worden hier zeer fraay gezien. 2. Alhoewel het gezegde deel van de bedienen verhard is , nogtans word ’er geen kreuk in gevonden. N°. XIII. Een gedeelte van een beenagtige poort-ader} uyt het lighaam van een waterzugtige Vrouw. Nf. XIV. Het geraamte van een vrugtje van vier maanden 3 wiens voetjens geftelt zyn om te loopen 3 in ’t regter handje houd het een kleyn gedeelte van ’t dye-been > met een bederving \caries\ aangedaan. De Ryhen zoo wel ah de Armen y kunnen de dood niet ontvlujten, Aanmerkt. Teiï eerfïe. Dit gedeelte van ’t dye-been is na de dood van zekere Vrouw geno die bezet was met een battart [tumor fungofus\ vleefch-gezwel. NAAMLYST der RARITEYTEN. z. Alhoewel het dye-bcen in de gezegde Vrouw, voor een groot gedeelte bcdur- ven, en in veel brokken , om het gemelde ongemak , verdeelt was, nogtans waren alle deze brokken fneeuw-wit, en met geen zwartigheyd beirnet -y ’t geen ik dikmaals ondervonden heb , wanneer diergelyke gezwellen voor de dood niet waren geopent , en als ’er de lugt niet by konde komen. N°. XV. Een gedeelte van den omgewonden darm van een Haas , waar in de klieren van 5t gedarmte zig klaar vertoonen. N°. XVI. Hetregter oor van’t herte van een Os, zoo verhard als fteen, van over de 25 Jaaren zeer net bewaart. N°. XVII. Een Vlies, door welkers verdubbeling de bloedvaten, met hun eygen bloed vervult, zoo fyn verfpreyd zyn, datze het gezigt ontvlieden 3 maar door toedoen van een vergroot-glas, komen ons in ’t gezigt de uyt- eyndens der takjens, ja ook zelfs het net-wyze [corpus retïculare Malj>ighif\ lighaam van Malfighius. N°. XVIII. Een tak van de Longs flag-ader met een wafchagtige doffe ver- vult ,en van alle vliezen gefcheyden, verbeeldende een boom. N°. XIX. De herffenen van een Schaap, heen hard gebalfemt. Aanmerkt. Ten eerfte. De herffenen zyn zoo nedergebogen, dat men de twee voorde herffen-groeven [yentriculi cerebri~\ y of holligheden , ja ook de derde groef, zien kan. .. 2. In dezelve zyn ook zonneklaar te zien , het pyn-appel kliertje [glandula pnealis], de ballen [tejies], billen [nates], het verlengde merg [medulla oblongata\, als mede deszelfs fchinkels [ crura medulla oblongata\ y &c. N°. XX. Een gebalfemt Hart van een kind, en zoo toebereyt, dat ons voor- komen het ovaal-wyze gat \_foramen ovale], twee holligheden [ yentriculi]} de wand \_partes}, beyde de oortjes [auricula\ 3 klapvliezen [yalvulaj, ja ook de uytgang der vaten. N°. XXL Een gebalfemt Schapen Hart, waar in de ooren haar natuurlyke wydte hebben behouden. Daarenboven word aldaar ook gezien de uytgang der vaten. Aanmerkt. De kroon-vaten [va fa coronartd] zyn met qiukzüyer vervult. ANATOMISCH KABINET, of N . XXII. Het Hart van een Schaap, al voor 26 Jaaren hard gebalfemt. No. XXIII. Het Hartje van een Konyn, zoo net gebalfemt, dat het tot nog toe natuurlyk gezwollen ons voorkomt. N°. XXIV. Een Hart uyt een Endvogel genomen. N®. XXV. De Baarmoeder van een Schaap. waar in verfcheyde beenderkens gevonden werden van de voorgaande bevrugting, nadien het fchepzeltje in de Baarmoeder geftorven, en by deelen uytgeworpen is. Aanmerkt. Ten eerfte. De vaten zyn met een wafchagtige iloffe zoo opgevalt , dat men deszdfs flangs-wyze loop toonen kan. a. a. De hoornen van de Baarmoeder * of liever, de fplyting van de Baarmoe- der in tween : want altyd is het agterfte gedeelte van dezelve in twee dee- len gefcheyden 5 welke zig vertoonende als hoornen, hoorns genaamt werden, B. B. De Eyerwegen. C. De Scheede. D. De Blaas. E. De Water- of Pis-weg. E. Dc linker Eyerftok. N°, XXVI Een gedeelte van de nugteren darm [inteflintm jeiununil van een Menfch. Aanmerkt. Ten eerfle. De oogluykende [yalvuU conniventes] klapvliezen zyn daar zeer fraay ontdekt. 2. Let. A. Toont aan een gezwel in dezelve darm , dat door wind voort- gekomen is, na dat de buytenfte rok een weynig gequeft is geweeft * dat diergelyke gezwellen ook in de flag-aderen ontftaan, door de aandrift van ’t bloed, welke uytfpattingen [aneunftnata] van de flag-aderen ge- noemt werden, na dat deze of geene rok gequeft is, weet yder een. De vierde Plank. N°. I. Een gedeelte van een menfche kronkel- en omgewonde-darm, met de daarbygeyoegde blinde darm en wormwyze aanhangzel. NAAMLYST der RARITEYTEN. Aanmerkt. Ten eerfle. Zeer vee^e klieren in ’t gezegde gedeelte van de omgewonde darm. Een hoop van klieren in ’t wormwyze uytfteekzel. 9. De klapvliezen van de omgewonde darm 3 (of zoo je liever wil’t kronkel- darm} in haar natuurlyke geftalte zoo net bewaart 3 dat ’er niets aan ont- breekt j en zoo kan men ligtelyk bedenken y dat de te rugkomft van de darms- vuyligheyd uyt de kronkel- en blinde-darm y na de omgewonden darm 3 in een natuurlyke Hand t’eenemaal belet is. N°. 11. Verfcheyde deelen van de omgewonde darm uyt een kind. Aanmerkt. Zy zyn alle omgekeert 3 op dat de klieren van ’t gedarmte des te beter in ’t gezigt zoude komen. N°. lIL De Maag van een tweejaarig kind. N°. IV- Een gedeelte van een ’s menfche nugteren darm y wiens oogluykende [yalvula conniventes~\ klapvliezen ik bevonden heb verdwenen of vernie- tigt te zyn 5 van welk ongemak geen der Autheuren 3 zoo als ik weet 5 tot nog toe gewag hebben gemaakt. Aanmerkt. In ’t gezegde gedeelte word gevonden een harde ftoffe als fteen, N°. V. De beenderen van de voet van een Lammetje zoodanig ontleed 3 dat het beeft genootzaakt is geweeft op de rug van de voet te loopen. N°. VI. De blinde-darm van een menfeh gefcheyden van de kronkel-darm 3v waar aan bet wormwyze uytfteekzel vaft is. Aanmerkt, Ten eerfle. In ’t gezegde wormwyze uytfteekzel 3 heb ik na de dood gevon- den y lighaamrjens zoo hard als fteen. Het gezegde uytfteekzel is vol van kliertjens. 3. Door de bhndc-darm zyn ook verfpreyd verfcheyde kliertjens. N VIL Een ftuk van den omgewonden darm uyt een Kalf, ANATOMISCH KABINET, of Aanmerkt. Ten eerjle. Het geheele gedarmte is rood, wegens het konftig opvullen der vaten, en fchynt als ontftoken 3 hier uyt kan men de reden en manier van een waare ontftekmg , afleyden. 2. Ontelbaare klieren zyn verfpreyd door de gezegde darm. NVUL Alle de darmen , nog vaft zittende aan ’t darm-fcheyl [mefenterium\, van een eerftgeboore kindje, haar natuurlyke plaats behoudende. Aanmerkt. Ten eer [ie. Wat een onderfcheyd ’er is tuflehen de blinde-darm van eeneerft- geboorene en bedaagde, is hier klaarblykelyk. 2. Zy zyn zagtjens opgeblazen, en zoodanig hard gebalfemt} dat ’er geen rimpel of deuk in gevonden werd. N°. IX. Een gedeelte van een Pisleyder in een menlek met fteenen gequelt geweeft zynde, zoodanig uytgefpannen, wegens de geduurige door- togt der fteenen, dat dezelve een kleyne vinger ligtelyk kan ontfangen. NJ. X. Een gedeelte van de omgewonde darm van een Menfch, Aanmerkt. Ten eerjle. De bloedvaten zyn vervult met een wafehagtige ftoffe. 2. De bloedvaatjens van de eene zyde, hebben gemeenfehap met dié van de andere zyde, en worden met malkanderen door intnondingen \jnoJculatio~ nes~\ vereenigt. 3. De bloedvaten van de oogluykende klapvliezen, zyn met dezelve ftoffe vervult. Ziet de Fig. N°. XI. De Hammen van de groote Slag-ader en Longs flag-ader, ontrent de grond [bafis cordts~\ van ’t hert afgefiieden, en dat uyt een Kalf dat eerft geworpen was. Aanmerkt. Ten eerjle. De gezegde ftammen zyn vervult, 2- De üag-aderiyke weg [duölus arteriofus], waar door het bloed in devrugt uyt des Longs flag-ader immediaat in de groote flag-ader overgeftort word, IS hier ock te zien. N°. XII. Het geraamte van een kindje van zes maanden. N°. XIII. Een Kalft Milt yan haar bloedige klieragtige zelfftandigheyd of klieren gefcheyden, en opgeblazen * alhoewel nergens het vlies is gequeft : welke manier van fcheyden van my is uytgevonden al over de 26 Jaaren. NAAMLYST der RARITEYTEN. N°. XIV. De Twaalf-vingeren darm van een Menfch , waar in weynige of geene oogluykcnde klapvliezen gemeenlyk gevonden werden. N°. XV. Een gedeelte van de Lever , waar in zeer fraay getoont werden deszelft klieren. N°. XVI. Een gebalfemt kinds hoofdje, als fteen verhard, en met een Lau- rier-kroon (met paarlen doorvrogtj) netjes verciert, en aldus op een Pedeftal gezet. N°. XVII. Een opgevulde tak van een hag-ader , wonderlyk haar takjens verfpreydende. De vyfde en onderjie Plank. N°. I. Het geraamte van een vrugt van agt en een halve maand, op zyn fchouders dragende de Snuyt van een Zwaart-vis gladius] , met zeer fcharpe tanden voorzien. Ach noodlot, ach bitter noodlot / N°. 11. Het geraamte van een kindje , oud vyf maanden 5 met zyn regter hand ophefFende een tak van een flag-ader, met een wafchagtige ftoffe vervult 5 r en met het linker handje fteunende op ’t gedarmte van een Kalf. Wy kleynen} wat onderneemen zvy al groote zaaien / Aanmerkt. Ten eerfie. In ’t borft-been zyn de beenderkens meer in ’t getal als na gewoon- te, ja zommige zyn dubbelt. 2. De voorfte tanden [dentes inciforti] liaan op het uytbreeken. 3. Verfcheyde beenderkens van Wormius worden ’er gevonden tuflchen het voorhoofts en bytelwys-been, voornamentlyk in de regter zyde. 4* agterhoofds-been een gaatje tegens de natuiu. . Bykans mets beenig in de voorhanden. 6. Maar in de voorvoet hebben zommige een kraakbeenige zelfftandigheyd aangenomen. ANATOMISCH KABINET, of NJ. 111. Het geraamte van een tweemaandig kind, in zyn regter hand hou- dende een bondelke van natuurlyke bloemen, welkers zeer aangename cou- leuren al voor veel Jaaren in wezen zyn gebleven; als daar zyn, de Ama- rant hordes Africana , Stoechas Citrina, Gnaphalium, &c. Van deszelfs linker hand hangt af een keeten, waar aan vaft is een fteen, uyt de gal-blaas van een menfch gehaalt, in groote als een Nootemufchaat • waar door ’t quanswys beduyd de bloem des jongheyds, en de doorn des ouderdoms. Aanmerkt. Ten eerfte. De langwerpige fleuf ffinus longitudinaÜs] fchynt zeer fraay door de fontanel. 2. Omtrent het borft-been word byna het zelve gevonden, als in ’t voor- gaande. 3. De gehoor-beenderkens worden in de linker zyde in haar natuurlyke plaats gezien. N°. IV. Het geraamte van een kind van zes maanden, van wiens regter hand afhangen een fnoer Eaarlen, als mede andere groote * in deszelfs linker hand houd het een Schulp-paarlemoer, als mede verfcheyde aaneengebondene Paarlen, wiens devys is : Met de dood moet men alles verhaten. Aanmerkt. Ten eerfte. Twee van de onderfte fnytanden in de opperfte kaak, zyn voor den dag gekomen 3 maar in tegendeel leggen de onderfte nog onder een dik vlies verborgen. 2. In de voorvoet [t ar fis], hebben de koot [talus], hiel [calx] , fchipwyze [os navïculare], en teerlingwyze [os tejftard] beenderen, ten deele een been- agtig wezen aangenomen. N°. V. De aderen van een menfehê arm zyn vervult met een wafchagtige ftof- fe, waar in eenige vérheventheden , klapvliezen beduydende, in ons gezigt komen. De Kas C, de eerfle PhnL N I- De roede met de geannexeerde waterblaas, genomen uyt een Schaap, Wiens water-weg [meatus urmarius] vooreen groot gedeelte ontbreekt, zoo dat de pis haar ontlaft heeft door een gat in ’t agterfte gedeelte van de roede: NAAMLYST der RARITEYTEN. welk ongemak ook wel in een Menfch voorkomt, en een onvrugtbaaraeyd toebrengt. N°. 11. Pe blinde-darm met een gedeelte van de kronkel-darm uyt een eerft- geboore kindje , waar in aanmerkenswaardig te zien is , dat de blinde-darm met het wormwyze uytfteekzel een canaal is , zonder eenige verheventheyd, gelyk als in bejaarde menfchen. Ziet de 2. Figuur. Ook is aanmerkens- waardig , dat den omgewonde- en kronkel-darm van dezelve wydte is. Uytlegging van de tweede Figuur. A. Een gedeelte van den omgewonde-darm, daar hy zig inplant in de kron- kel-darm. B. Een gedeelte van de kronkel-darm. C. Verwarring van de blinde-darm met het wormwyze uytfteekzel , en in een gedraayt als een Rams-hoorn. N . 111. Een gedeelte van de groote Slag-ader, even boven het hart afgefne- den 5 wiens Klapvliezen beenagtig, t’zamengegroeyt , en geheel mismaakt zyn geworden. Waar van mende gemaakt is mde 69. Aanmerking. Ziet ook de 57. Figuur en 69. Aanmerking. Nu. IV. Een gedeelte van ’t gedarmte van een Schaap 3 wiens vaten vervult zyn. De tweede Plank. N°. I. Een gedeelte van de kronkel-darm van een Haas , vol van klieren, N°. 11. Een gedeelte van de Pisleyder uyt een Paard, N°. 111. Het geraamte van een Menfche vrugtje van vier en een halve maand dragts, de regter hand om hoog opheftende, en in de linker hand dragen- de een Slang 3 wiens ftaart in de bek is omgekrult , verbeeldende een cirkel. Het eyrtfó hangt van zym oorfpronk af. N°. ly. en V. Wonderlyke groote Schaaps Nieren , opgeblazen en gebalfemt met deszelfs Pisleyders. Waar ontrent aan te merken ftaat, Ten eerjle. Onder alle Anatomifche Ontledingen 3 welke ik voor deze gedaan ANATOMISCH KABINET, of heb , is my nooyt raarder geval voorgekomen: want ik heb beyde de JSTie- ren zoodanig nytgefpannen gevonden , dat yder anderhalf pint vogt in zig onthield: welke uytzetting veroorzaakt isgcwccil, wegens de tegenge- houdene vrye ontlading van ’t water tot de blaas, waar door de Nieren zoodanig zyn uytgezet, en de fubdantie zoo dun is geworden, dat het fchee- nen waterblazen te zyn, uytgenomen derzelver uy terde, alwaar zy behouden hadden een klieragtige vleezige zelfdandigheyd. Dit ongemak (om dat het zelve bedaat in een groote uytrekking en venvydering, dooreen geduurige en vergeefze neyging en prikkeling om ’t water te ontladen} komt over een met een breuk, en mag daarom niet te onregt gezegt werden een Nier- breuk \hernia renaüs. \ 2. De natuurlyke loop der flag-aderen , gevult met een wafchagtige dode, kan men in deze nytgefpannen Nieren beter zien, als in welgedelde, 3. De Pisleyders waren zoo omgekruld, en omtrent haar uytgang zoo groot, dat zy een groote Pinxternakel konde omvatten. 4. Yder Nier heb ik met een kleyn gaatje geopent,, op dat men het binnen- de beter zoude kennen zien, alwaar verfcheyde vliezige kamerkens te voor- fchyn komen. N°. VI. De Water-blaas van ’t zelve Schaap, welke de waare oorzaak van de tegenhouding van ’t water openbaart: want zoo gy eens aanmerkt de in gano- van de Pisleyders in de blaas, met de Letters A. A. getekent, zult gy geen zigtbaare opening vinden; maar dat ’er nogtans eenige voor ’t droogen ge- wed i is, zal door het volgende experiment blyken. De wind met eenig gewelt door een blaas-pypje, inde Pisleyders gedooken, ingebragtzynde, ging eenigzints tot in de blaas door. Ik zeg, met eenig gewelt, om dat door een ïigte blazing geenzints de blaas zig uytzettede wegens een vliesje, het welk zulks verhinderde. Maar de pyp in de waterblaas gebragt zynde \ fpanden de Pisleyders, en zelfs ook de Nieten > baar aanftonds door de wind uyt. Aanmerkt. B. B. Vertoonen het uyterde van de Pisleyders, alwaar zy gewoon zyn in de blaas in te gaan : hier is aanmerkenswaardig ? aat dc gezegde uyteyndens zoo verwydert waren , dat zy twee bollen, hebbende de dikte van een ok- kernoot , vertoonden. C. C Betekenen de voetdappen van ronde en kleyne vliesjens, welke tot een oextzel zyn geweeft, dat de pis in de blaas niet vry konde zakken. D. De Sluycer [ Sphintler7] van de blaas. E. Een Watervat verfpreyd door het bekken en nier. F. F. Het uyterife der Nieren 3 welke haar klieragtig-vleezige zelfilandigheyd behouden hebben. NAAMLYST der RARITEYTEN. N°. VIL Het geraamte van een menfehelyk fchepzelt je van drie maanden, in zyn linker hand dragende doornen van de Meloendiftel \_Echinomeloca£fos~\ genomen, verbeeldende een flerre; maar met de regter hand na den hemel wyzende , heeft tot opfchrift: Door Werelds lyden Hemels verbidden. N°. VIII. Een doos, waar in een gulde ring, in de welke, in plaats van een diamant, of een andere koftelyke fteen, een agtkantige fteen van een menfeh gezet is * zynde in de blaas, toen de Vrouw nog in *t leven was, zoo net gepolyft, dat het wonderlyk is om te zien. Ziet de i. Aanmerking, al- waar gy deze ongehoorde zaak zult vinden. N°. IX. Een Menfche blaas, voorzien met drie Pisleyders, waar van yder zig byzonder in de holte van de blaas ontlaft. N°. X. De blinde-darm van een Africaanze Hen, waar door verfcheyde vlies- agtige ftreepen verfpreyd zyn. N°. XI. De Milt van een Kalf, van zyn bloedige klieragtige wezen en om- vattend vlies gefcheyden, welkers flag-ader is vervult met een wafchagti- ge ftoffe. N°. XII. Een Kalfs Milts vervulde Slag-ader, en van alle zyn vliezige om- vangende flbren gefcheyden, zoo dat de flag-ader bloot voorkomt. De derde Plank. N°. 1. De blinde-darm, met een gedeelte van de kronkel-en blinde-darm, van een eerft geworpe Vuile. Aanmerkt. Ten eerfte. De klap-ylieden van de kronkel-darm waren zoodanig toegegroey t ? dat de uytgang van de darms-yuyligheden daar door belet was., waardoor een fchielyke dood gevoigt is. 2. De driedubbelde band in de kronkel-darm, als in een menfch. 3. Waar door ook driedubbelde oogluykende klapvliezen in de kronkel-darm, verbeeldende cellekens of kamerkens, gezien worden. ANATOMISCH KABINET, of N°. 11. Een gedeelte van een menfche omgewonde-darm, waar in een groot en tegennatuurlyk vertrekje gevonden werd. Ziet de 3. Figuur. Uytlegging van de derde Figuur. A. A. Een gedeelte van de omgewonde darm. B. Het tegennatiiLirlyke verblyfplaatsje. N°. 111. De vaten van de Lever van haar klieragtige bloedige ftoffe gefchey» den, en zoo net toegemaakt , dat op verfcheyde plaatzen zelfs de allerfynfte vaatjens niet ontbreken. Aanmerkt. Ten eerfte. De Hol-ader door de Lever verfpreyt. 2. De Poort-ader. 3, De Navel-ader in een band verandert. 4. De aderlyke weg |~_du6ius mede in een band verandert. N°. IY. Zeer witte geraamtens van Tweelingen van zes en een halve maand oud , op haar fchouders dragende een Slag-ader met een roode wafchagtige ftoffe vervult. fj/y van dit zoele leven berooft, en van de horften afar rukt, zyn van de nare dood weggenomen, en in :i dujfiere grajt ge legt. Aanmerkt. Ten ecrfte. In ’t borft-been van ’t eene worden gevonden- drie ronde beender- kens , en in ’t andere vier. 2. De gehoor-beenderkens nog niet volmaakt zynde , kan men hier fraay in haar natuurlyke Haat zien. 3. Het is aanmerkenswaardig 5 dat ’er zoo groot een onderfcheyd is tuiïchen de breedte van yders fontanel. N°. V. De Longs Slag~ader van de Longs-blaaskens gefcheyden, en in zeer kleyne takjens verdeelt $ waar aan vaft is een gedeelte van de groote Slag-ader, van ’t herte afgereden. Aanmerkt, A. Toont aan de üag-aderlyke [dutfus arteriojtts] weg , leggende tulfchen de LongS flag-ader 3 en groote flag-ader. -Pay.tyó.Cat dVèerd. dof. NAAMLYST der RARITEYTEN. ]S«. VI. Aan de wand van deze Kas , hangt een gedeelte van de Longs ilag- ader zoo net van de Longs-cellekens gefcheyden , dat deszelfs uyteynden , dunder als hayr , zeer wel bewaart zyn. N°. VII* Het geraamte van een volwaflche menfche vrugt, dragende een tak van een flag-ader , welke voor op de borft fteunt. Nadien men in dit leven zoo veele wederwaardigheden moet uyt- fiaan: zoo is °t , dat ik daar van door de dood Vry gemaakt zynde , jiemmeloos triumpheer. N*. VIII* Een gedeelte van de nugteren darm van een Kalf, zeer vol van kliertjens 5 welkers vaten met een wafchagtige lloife zyn opgevult. N°. IX. Het doorfchynende fpiegel-vlies [feptum lucidum\ uyt de herflenen van een kind van agt Jaaren oud, met een water-hooft \Joydrocej>halus] gequelt geweeft zynde. Aanmerkt. Ten eerfte. Het onderfte gedeelte van dit fcheydzel of fpiegel-vlies, was on- der aan de herflenen vaftgegroeyt, en op verfcheyde plaatzen doorboort, zoo dat het wateragtige [humor lymphaticus~\ vogt, dat in de herflen-groe- ven \yentriculi cerebrt] was, konde voortvloeyen uyt de eene tot den an- deren groef. 2. De wateragtige [latexaquofus~\ vogtigheyd in de groeven, was van dag tot dag zoodanig aangegroeyt, dat ik daar in vonde meer dan een halve pint: waar door de zelfïtandigheyd van de herflenen vermindert bevonden wierd. 3. Het geheele hoofd was in grootheyd zeer uytgezet, zynde denaaden zoo- danig open, dat ik ’er gemakkelyk een vinger tuflehen konde fteeken 3 ge- lyk gy ziet N°. 10. N°. X. Een gedeelte van ’t bekkeneel uyt het voornoemde water-hoofd. N°. XI. Een Kalfs Milt van zyn klieragtige bloedige flcoiFe gefcheyden 3 waar in, de flag-ader vervult zynde, de uytwiflching van de ader zeer fraay ons in ’t gezigt komt. N°. XII. De Lyfmoeder van een Besje, met deszelfs Water-blaas, Eyerflvk- ken, Trompetten van Faiiopius, banden, endel-darm, 6cc. Daarenboven ANATOMISCH KABINET, of werden» ser ontelbaare bloedvaten , die door de Lyfmoeder loopén , en met een wafchagtige ftoffe vervult zyn , gezien. Aanmerkt. Ten eerfte. De Lyfmoeder is in de linker zyde getrokken, van welk ongemak gelezen word in de 88. Aanmerking; namentlyk, dat zulks my maar een- maal na de dood is voorgekomen; dog hier hebben wy een tweede exempel. 2. De Eyerftokken waren in dit Besje byna tot niet gebragt. 2. De Trompetten tegens de loop van de natuur aan de Eyerftokken vaft en toegegroeyt zynde, zyn een bewysvan een ongeneeslyke onvrugtbaarheyd. Ziet de 83. Aanmerking. 4. Een gedeelte van ’t Net was gegroeyt aan de Lyfmoeder. N°. XIII. Het geraamte van een menfche fchepzeltje van drie en een halve maand dragts, in deszelfs linker hand houdende de maag van een Kikvors, met deszelfs opgeblaze darmen. ff at groote zaaien ondernemen my kleynen ! N° XIV- Een Kalfs Milt gefcheyden van zyn klieragtige bloedige ftofFe, en opgeblazen , wiens flag-ader vervult is. N'3. XV. Een gebalfemde menfche Lyfmoeder, zeerkonftig bewaart, 200 dat alles haar natuurlyke groote en plaats behouden heeft. Daarenboven is de water-blaas met dlszeffs geannexeerde Pisleyders opgeblazen die ook zyn natuurlyke wydte, plaats, enrondheyd, zonder rimpels of kuyltjens, be- houden heeft. In dezelve blaas kan men ook net zien de cours der fibren. Aanmerkt a. Toont aan de blaas. b. b. Gedeeltens van de Pisleyders, c. ’t Water-canaal. d. De Schee. e. De mond van de Baarmoeder. f. De rimpels in ’t opperfte gedeelte van de Scnec* g. g- De Eyerftokken. h- h. De Eyeren. i. i, De breede banden. k. k. De ronde of liever rond en lange banden. 1 1. De Trompetten van Fallopius. NAAMLYST der RARITEYTEN. m. m. Deszelfs franje. n. n. Bloedvaten die door de Lyfmoeder zyn verfpreyd. N°. XVI. lle byftaanders \j>araftat£\ uyt een Haas, met quikzilver gevult, waar in aanmerkenswaardig te zien is, dat de qmk door de uytfchietendc vaten aangevoert, niet alleen de byftaanders, maar ook andere zeer kleyne vaatjens , na de buyk loopende, vervult heeft. N°. XVII. Het geraamte van een fchepzeltje van twee en een halve maand dragts, in zyn linker hand dragende de longe-pyp van een viermaandige vrugt. Waar mede wy om leven beginnen y daar eyndigen wy het ook mede. N°. XVIII. Eenßy-nier [ren fuccenturiatns] van een Paard, hebbende zyne natuurlyke groote en geftalte. N°. XIX. Een gedeelte van een Menfche maag , wiens onderfte [ pylorus ' mond of portier een Hng verbeeld s ’t welk ik byna altoos in de Menfche maagen ondervind plaats te hebben. N°. XX. De zaad-blaasjens [yejïcula feminales~\ van een Man met een witte wafchagtige ft ofte vervult 3 met deszelfs uytfchietende vaten [yafa ejaculatoria~\, en voorftaanders [proJiata7\ N°. XXL Een groote tak van een ilag-ader van alle deszelfs fibren ontblood , en vervult met een wafchagtige ftofte. De vierde Plank N°. 1. Een gebalfemde menfche Nier, wiens kronkelige Pisleyder zeer is ver- wydert door de doorgang der fteenen. N°. 11. Een opgefnede gedeelte van een menfche Maag, waar in men zeer fraay zien kan de loop der gevulde aderen. N°. 111. Een wit doodshoofd van een oud Man, en om de vernietiging der kallen tandeloos geworden , op een Fedeflal ftaande. N°. IV. Het linker opperhoofds-been van een Reus, wiens regter zyde bewaart werd in ’t Cabinet van den WclEd: Groot Agtb. Fleer, de Heer N. JVüfen* anatomisch KABINET, of der Wydberoemde Stad Amfteldam, en zeer gtoot emin-- naa/Van alle loffelyke Konden en Wetenschappen, Het gezegde been is zoo wonderbaarlyk groot, dat het een geheel hoofd van de menfch voor een helm zoude konnen dienen 5 t welk, aan zommige oorzaak heeft gegeven om te twyffelcn, of het een opperhoofds-been van een menfch, of van een groot viervoetig beeft is geweeft. Maar de zaken wel aangemerkt zynde, lal het klaar blyken, dat het van een menfch ls ge- weeft. De Doodgraver van de Nieuwe Kerk dezer Stede, ee ons ge- zeur, dat hy ’t onder andere beenderen had uytgegraven, welkers cuneus- heyd zoo groot nier was, dat hy de andere mede bewaarde. Daarenboven komt het in allen deelen overeen met ’t opperhoofds-been van een menfch, uytgezondert alleen de grootheyd, de fpooren of groeven er ag a eren ontbrecken ook niet in Se binnenfte oppervlakte Daarenboven is er geen doodshoofd van eenig viervoetig gedierte, ’t welk zoo wyde ho. ,ja zelfs geen Oliphant “wiens hoofd ik voor deze met de zaag geopent heb. Aanmerkt. N'’. Y. Een groot gedeelte van de kronkel-darm uyt een menfch genomen, in wiens uyterlle een wonderlyke omdraying te zien is. vIO Yl. Een Menfche Water-blaas 3 waar in zeer klaar ons voorkomen de fchuynze inplanting van de Pisleyders. Nr > VII Een gedeelte van de kronkel- en omgewonden-daim, waar in men ziet de halfmaans-wyze cirkels van de kronkel-darm of oogluykende klap- vliezen , driedubbele te zyn, uyt een dncdubbelde band oorfpronkelyk. NVIII. en IX. Kalfs Milten van haar klieragtige bloedige ftoffe gefchey- den, en opgeblazen, gelyk ik ook boven gezegt heb. Indien gy na de Milt N .7. toeziet, zal de vernietiging der ader, zoo draa hymde Milt komt, zeer fraay te voorfchyn komen. N”. X. Een menfche Nier byna in ’t geheel verteert, waar in het bekken in drien gefcheyden is, en de Pisleyd61’ zeer verwydert. N”. XI Een gedeelte van een menfche Longe-pyp d°ormidden gefneden op dat de gefteltheyd der ringen tegen het ligt beter zoudekonnen gezien werden. Aanmerkt. 'Tpu pet'fi?' Dat de ten deele kraakbeenig , ten deele vliezig is . NAAMLYST der RARITE YTEN. Xtaat by allen vaft: maar ontrent het kraakbeenig gedeelte ziet gy verfcheyde in tween /plytingen in haar beyde uyterile, ’t welk ik agt aanmerkenswaar- dig te zyn. 2. Hier kan men ook klaarder als het middagligt zien, dat het vliezige ge- deelte van de Longe-pyp aan de Slok-darm vaft zynde , voorzien is van fibren die na de lengte van ’t lighaam loopen, en tot verkorting dier par- tyen gedeftineert. Ziet de Figuur. ■N°. XII. Twee Nieren met haar Pisleyders, uyt het doode lighaam van een Jongehng genomen, en gebalfemt bewaart, in welkers bekkens, als mede in de nier-buyzen \tubult renalesj, zeer groote fteenen zitten. Ziet de 95. Aanmerking. N°. XIII. Een dubbelde Moerkoek van Tweelingen Aanmerkt. De vaten van de eene zyn vervult met een witte wafchagtige ftoffe, maar van de andere met roode, en zoo loopen zy door malkanderen 3 nogtans, zon- der t’zamenvoeging ofte inmonding, niet anders als de fibreuze wortels van verfcheyde kruyden 5 naaft malkanderen ftaande, aan elkander t’zamenhan- gen. En zoodanige geftel komt my zoo meenigmaal te voore, als ’er twee Moerkoeken aan elkander t’zamen zitten. N°. XIV. Een geraamte van een vnigt van zeven maanden dragts, dreygeq- gende met een pyl te werpen. 4 De Ligts fchaa, die de Maane leydy Her [lelt zy ras in korten tyd: Als wy van ’t levenslij berooft, Met veele Helden zyn verdooft 5 Wat is dan al ons glans en tof ? Een damp, een ydele fchim, en [lof Wie weet, of het heedens leven Zal tot morgen zyn gegeven, De Kas D, ds eerfle Plank, N°. I- Het opperfte gedeelte van liet fchouder-been van fcherpe vogten zoo- danig opgevreten 5 dat het voor de dood geheel en al van ’t onderdo gc- ANATOMISCH KABINET, of deelte gefcheyden was. Ziet de 81. Aanmerking, alwaar ik »-0 5-—i heb van een Beenvreeter {Tumor ojjtvorus. j !>ir de pyn zeer kleyn is geweeft in’t begin , gelyk ons de Patiënt zelfs ge- zegt heeft: maar eenige wecken voor zyn dood , was hy met onlydelyke pynen gequelt. N<*. 11. De Baarmoeder van een Kraamvrouw van agt dagen deszelfs aangehegte trompetten, eyerftokken, banden, fcnee , Aanmerkt. Aanmerkt. A. Het lighaam Van de Baarmoeder is tot nog toe dik en breed, B. De binne-mond van de Lyfmceder. C. C. De trompetten van Fallopms met haar rranje. D. De lange en ronde banden. E E De breede banden van de Lyfmoeder. F. De blaas zeer kleyn, gelyk ik hem gevonden heb, en t behaagdemy met met wind die meer uyt te zetten. , A- . i . r bloedvaten verfpreyd door de blaas, alwaar aanmerkenswaardig is , dat ■'zoo veel tltón ln oppervlakte, en wel in A onderfte gedeelte En worden en voornamentlyk ontrent deszelfs üuyter [ fthmßer\ > KtfKSÏi’ verwonderen ». datd.e geene, dre» de fan ge- Óucit zyn, zeer ligt vervallen in een bloedige waterloozmg, wegens dc vryving der fteenen. H. H. De Water-weg, I. \ De Eyerftokken. K. K. Gedeelten? van de Pisleyders zeer uytgezet. L. De Seheede. N°. 111. Op de gezegde Baarmoeder legt een geraamte van een vrugt van vier maanden dragis met uytgeftrekte armen, de to van e aas, en ontelbaar vaten als inziende, heeft voor een devys: Zcmiydï ts ter piaatze # Dctarve ’t rmnft gelooft c/atz N". IV. De blinde darm met het- wormwyze «ytfteekzel, als mede de klap vliezen van de kronkel-darm uyt een dnejaang Kind. N'. V. Het zelfde uyt een negenjaarig kind- NAAMLYST der RARITEYTEN. N°. VI. De kronkel-darm van een Haas , wiens binnenfte rok , in plaats van oogluykende klapvliezen , vertoont zig circulswys , of als een flak. N°. VTI. De kronkel-darm van ’t zelfde dier met de bygevoegde blinde-darm , krielende van klieren, waar door inwendig de geheele blinde-darm zig klieragtig vertoont. N°. VUL De nageboorte van een kindje van zeven maanden dragts , welkers vaten zoo net zyn vervult, dat deszelfs uyteynden op verfcheyde plaatzen alleen met een vergroot-glas , om haar dunte , in ons gezigt komen. Daar- enboven is ’t aanmerkenswaardig, dat het bloed in de navel-ftrengs [art er ia ■umbilicalei] flag-aderen onthouden , gelyk als in bollekens gefcheyden , zig hadden vertoont, gelyk nu ook de wafchagtige (toffe na de vervulling haar vertoont 3 zoo dat ik zoude gelooven, dat de flag-aderen in zoo veel cclle- kens gefcheyden waren 3 ’t welk my niet gcheugt van te vooren aangemerkt, nog ergens gelezen te hebbem N°. IX. Een gedeelte van de omgewonde-darm, wiens vaten vervult zyn: op verfcheyde plaatzen worden’er ook fteenen gevonden 3ik twyffel geen- zints, of het zyn fteengewordene klieren 5 om dat ik diergelyke meermaalcn gevonden heb in ’t gedarmte van Paarden , en dat omtrent een hoop van klie- ren , onder welke eenige welgeflelt waren, en zommige fteenagtig. N°. X. Een gedeelte van de kronkel-darm omtrent den regten-darm, alwaar geen c.ellekens ons voorkomen. De tweede Flank; N'°. I. Een opgeblaze en gebalfemde gal-blaas van een Os zoodanig geconfer- veert 3 dat het altyd zyn natuurlyke form behouden kan. N°. IE Een ftrotte-hoofd [larynx] van een Menfch , met het tonge-bcen [os hjyo'ldes.]- N°. 111. De rugge-graat van een Tarbot, welkersgraatenvoor een groot ge- deelte zyn gebrooken geweeft, en naderhand t’zamengegroeyt. N°. IV. Een doosje vervult met menfche fteenen. N°..V. De maag van een Haas5 waarin aanmerkenswaardig is3 dat de in- gang en uytgang zoo digt by elkander {taan : ’t welk men gemeen- lyk in de Hanzen ondervind. - T- T TT* ANATOMISCH KABINET, of N('. VI. Een gedeelte van het uyterfte van de kronkel-darm, welkers vaten zoo opgevult zyn, dat de geheele darm rood is. Aanmerkt. Ten eerfte. In dit uyterfte gedeelte van de kronkel-darm, komen ons geen ban- den , die na de lengte loopen , voor: en om die oorzaak, zulcge hier geen cellekens of oogluykende klapvliezen zien , en worden ook nooyt mde na- tuurlyke ftaat gevonden. 2. Lett. A. ftaande aan ’t eynde van ’t papiertje, wyft aan zakjes of cellekens van de vaten. Het fchynt dat hier de flag-aderen haar eynde maken, en ’t bloed in gezegde cellekens afleggen welk bloed, weder te rug keerende, uyt die zelfde cellekens vamde uyteyndens der aderkens , in gezegde celle- kens ook wortels makende , opgenomen word. De gezegde cellekens zyn in de vervulling van de flag-ader ook vol geraakt, waar door zy zoo rond als een zandje, en rood door een vergroot-glas, ons voorkomen. 3. B. wyft aan ontelbaare vaatjens der vaten. 4. Het papiertje Letter C. wyft aan de vliezige aanhangzels, welke in de vetten met veel vet voorzien zyn, en van ’t buytenfte vlies van gezegde darm af- hangende , hebben veelc bloedvaten, van niemand tot nog toe afgebeeld. Ziet de <. Figuur. Uytlegging van de vyfde Figuur. A. De ftag-ader \arteria mefenterica] van ’t darmfeheyl. a. a. De ftag-aderen der flag-aderen van ’t darmfeheyl. B. De vet-vliezen fop dat ik zoo fpreeke) van 51 buytenfte vlies van de kron- kel-darm afhangende, en overvloedig vol van bloedvaten, die vervult zyn met een wafchagtige ftofte. N°. VII. Een Eytje met harde fchil bedekt, en gevonden in de Eyerftok van een Hen. Dat zulks meermaals gebeurt, toonen ons aan de curieufe Aan- merkingen van Harveus, Bartholmus, Corn. Stdip er t vander Wie le, en andere in de konft der Anatomie en Medicyne beroemde Mannen. N°. VIII. Het geraamte van een menfehe vrugtje van vier maanden, in zyn linker hand houdende een bondel van water-vaten, over 25 Jaaren van my uyt het lighaam genomen, opgeblazen, en zoodanig bewaart, dat de klap- vliezen nog zeer klaar voorkomen. h'at hebben fraai je dingen een woeyte m / N \ IX. Ecu ledeftal, waar op ftaan : T^..i56. Ccct. Meerei. 'Ta/', NAAMLYST der RARITEYTEN. Ten eerfie. Een opgeblazene krop-ader \yena jugnlarïs\ van een kind, van de eene kant geopent, op dat de waare geftalte van de klapvliezen immedia- telyk zoude konnen getoont worden. 2. Een kleyn gedeelte van een opgeblazen, en aan wederzyde opgefnede ader * in welkers holte een enkele klapvlies gezien word, dewelke de wcderom- keering van ’t bloed in ’t geheel niet wederftaat. Daarenboven komt ons in ’fc gezigt in dezelve ader 3 een uytgang van zeker takje, met deszelfs klapvliesje. N°. X. Opgeblaaze en gedroogde Water-vaten ['yafa Lymphatica \, na de drooging aan een zyde opgefneden, op dat men immediatelyk de klapvliezen zoude konnen zien. N°. XI. Een houte bakje, waar in het binnenfte [amnios] vlies van de nage- boorte zeer net toebereyd legt. N°. XII. Een monftreus groot Hoender Ey. De derde Plank. N°. I. De waterblaas van een eerftgeboorne Kalfje , met deszelfs doorgaande of open water-vat \urachusl\ N°. IE Een gedeelte van een menfche omgewonde- en kronkel-darm3 met des- zelfs aangevoegde wormwyze uytfteekzel. In het zelve is aanmerkenswaardig, dat de kronkel-darm na een voorgaande lies-breuk [hernia inguïnalis~\ wonderbaarlyk is uytgezet geweeft , ’t welk my geheugt meermaals gezien te hebben. N°. 111. Een zeer groote menfche Milt, en van alle klieragtige bloedige fioffe gefcheyden , met een aangevoegd gedeelte van de maag. Aanmerkt. Ten eerfle. Hier kan men zien, dat de milt van de Menfch 5 voorzien is van geen dwerfche fibren of vezels , gelyk in de milt van Kalveren of Schapen. 2. Des. Milts ader [yena Jplenicd], Letter A. is wonderbaarlyk wyd5 ’t welk ik dikmaals heb gevonden in de Milt die tegen de natuur uytgeftrekt was. 3- De cours of voortgang van de Milts flag-ader \_arteria Jplenica] , Lett. B. is zeer omgedraayt. b. b. b. Wyzen aan de takjens der gemelde vaten, zoo fyn als hayr. ANATOMISCH KABINET, of 4, C De flag-ader verfpreyd door het net [omentum], en nets iiag-aaer ter ia epiploica \ gezegt. <. D. De fpeen üag-ader \arteria hamorrhotdalis.J 6 E Aderen en flag-aderen verfpreyd door de maag, korte vaten [va/a bre~ fvia] genaamt. 7. F. Het linker gedeelte van de maag. 8. G. Dc ingang van de maag, de linker mond genaamt. H. Een gedeelte van de keel-of flok-darm. N°. IV. Een Pedeftal, waar op verfcheyde menfche Nieren, en allerhande zoorten van fteenen op kkyne pedeftalletjens gevonden worden. Op dit erroote Pedeftal Letter A. word aangewezen een menfche Nier, zoo Eonftig door balfem bewaard, dat de zelve zyn natuurlykegroote, breete, en dikte behouden heeft. Aanmerkt. De Letter a. a. toonen aan de bloedvaatjens dk over de oppervlakte van ge- zegde Nier loopen , en opgevalt zyn. b. Des Niers flag-ader, of üytmelkende [arteria emulgens] flag-aaer, met een wafchagtige ftoffe gevult. c D pisleyder [ureter] ligtjens opgeblazen, op dat het zyne natuurlyke ’ \vydte zoude behouden> waarin geen mvalling, oftegennatuurlykekuyl, of rimpel gevonden werd: maar zoo konftig bewaart, dat het geenzmts voor een natuurlyke Pisleyder, nog in ’t menfche hghaam zynde, en met water opgevalt, behoeft te wyken. d. Bloedvaatjens door de gezegde Pisleyder loopende B. Een menfche Nier voor het grootfte gedeelte m t hghaamuytgeteert, met deszelfs Pisleyder. ~ C. Een menfche Pisleyder (door de doorgang varl fteenen) zeer uytgezet, in wiens bekken [felvis] een fteen gevonden word als een groote klauw Gem- ber. Ziet de 65. Aanmerking. D. Een gedeelte van een Pisleyder van een zekere Dogter, geftorven door een fteen daar in zittende, * 1 n . E. F, G, H, I, K, L, M, N. Vertoonen verfchey^e kleyne Pedeftalletjes, voor- zien van verfcheyde zoorten van fteenen. N°. V. Een Longe-pyp met haar takjens uyt een G meteenroode waich- agtige ft ofte opgevult, en zoo kondig berey 5 itze haar natuur- lyke ftand vertoonen. J \ n T/T NAAMLYST der RAR.ITEYTEN; N°. VI. Het geraamte van een misgeboorte [abortus] van vier maanden , in deszelfs regter hand houdende een gal-blaas(van een ander misgeboorte. TDe Baarmoeders fchoot haarde my de doot. N°. VU* Een gedeelte van de kronkel, blinde, en omgcwonde-darm van een Menfch. Aanmerkt. A. Een gedeelte van de kronkel-darm, welke ik geopent heb omtrent dc blinde-darm, op dat men de twee kronkel- of omgewonde-darms waare klapvliezen, als mede de driedubbelde oogluykende klapvliezen , voort- brengende de cellekens van de kronkel-darm, zoude konnen zien. B. De wormwyze uytfteekzel van den blinde-darm, is zeer kleyn. b. b. b. Byzondere klieren van de omgewonde-darm. N°. VIII. De maag van een Menfche vrugt van zes maanden , met alle deszelfs aanklevende opgeblazene darmen. N°. IX. Een zeernet Menfche Doodshoofd, op een Pedehal daande. N°.X.Een gedeelte van ’ t darmfcheyl van een Kalf, welkers vaten vervult zyn. N°. XI. Een gedeelte van den nugteren darm uyt een Menfch, waar in de oogluykende klapvliezen zeer net gezien worden. N°. XII. Een in tween gcfpleten gal-blaas van een Kalf, te onregt van anderen gehouden voor een dubbelde. Ziet de 90. Aanmerking. N°. XIII. Een gedeelte van een Kalfs darm , waar in ons voorkomen ontelbaare geerft-kliertjens \_glaudula miliaresd\ N°. XIV. Een Menfche gal-blaas , in wiens grond ik gevonden heb ver- fcheyde vertrekjens, en in dezelve een fteenagtige doffe. N°. XV. Een gedeelte van een Menfche nugteren darm, welkers cirkels of oogluykende klapvliezen niet alleen in ’t gezigt komen , maar ook deszelfs bloedvaten, vervult met een wafchagtige dofte. N°. XVI. Het geraamte van een Menfche vrugtje van vier en een halve maand, in de regter hand houdende een tros zvvaite Peper i alzoo ver- toonende, hoe dat de zwarte Peper aan trosjes groeyd j maar houd in de linker hand een zeer kleyn kaarsje. ANATOMISCH KABINET, of Uet Menfche leven., is een ligt onder den dag gejïelt, ]sjo. XVII. Een tak van de Longe-pyp met een witte wafchagtige ftoffe vervult, met een aanhangend takje van de longe-pyps flag-ader \_dTteria bronchialis] , en longs llag-ader [arteria pulmonahs] 3 welke flag-aders op verfcheycle plaatzen met inmondingen vereenigt zyn j ja als ik de gezegde longs flag-ader vervulde, zoo wierd ook te gelyk de longe-pyps flag-ader vervult. Aanmerkt. a. De Longe-pyps flag-ader. b. De Longs flag-ader. c. De Mondelinge vereeningen. N° XVIII. Een Menfche fleen , gefneden door Abraham Cyprianus> ■Medicyn, en zeer vermaard Steenfnyder, wiens oppervlakte oneffen is, verbeeldende een zeer groote Moerbeefie. N°. XIX. Een fleen van een Menfch, een vuyft groot. N° XX. Een tak van de Poort-ader uyt de Lever van een Menfcll* welkers takjens ten deele zyn vervult, ten deele leedig, en zeer net gefcheyden van haar klieragtige bloedige ftoffe. N°. XXL Een gedeelte van een Menfche maag, met deszelfs onderfle \jytorus] mond of poortier, die als een kring is. N°. XXII. Een Menfche fchepzeltje, zoo groot als een rogge-koom [embryo! , met deszelfs aangevoegde moerkoekje en navel-ftreng „ van over 25 Jaaren bewaart en verhard. o wat is haar dzvaasheyd groot, dewelke gelooven, datze uyt deze beginzelen tot hovaardy gehoor en zyn ! N°. XXIII. Een gedeelte van de kronkel-darm llyt een kind van omtrent drie J aaren oud , waar in de klapvliezen van de kronkel-darm met de aanhangende blinde-darm, en wormwyze nytfteekzeL Aanmerkt. Tett. A. Betekent de klapvliezen van de kronkel-darm, NAAMLYST der RARITEYTEN; B. De blinde-darm 3 welke zeer veel verfchee.lt van de blindedarm in bejaarde menfchen. C. ’t Wormwyze uytfteekzel, vol met kliertjens bezet. N°. XXIV. Het geraamte van een vrugtje van drie en een halve maand dragts , dragende op ’t hoofd, als mede m de regter hand de wondqf- baarlyke zanden van de Pajaneli. Van de Baarmoeder na het Gr aft. N°. XXV. Een zeer net geraamte van een voldrage kindje , wiens doodshoofd is opgezaagd , op dat het binnenfte zeer klaar in ’t gezigt zoude komen. Deze ts myne eerfie dag, deze is myne hoogfte geweejl. De vierde Plank. N°. I. Een zeer net geraamte van een kind van B Jaaren oud, welkers beenderen zoo wit als fneeuw zyn, leunende op een ftokje, en heeft voor devys; Tot hier toe is myn loop geweefl. Aanmerkt. Ten eerfte. De kniefchyven zyn alleen in haar midden beenagtig geworden, maar in haar omtrek kraakbeenig. 2. Alle de aangroeyzels zyn overal vaft aan de waare deelen van de beenderen, door hulp van 5t kraakbeen. 3. De voor-voet en voor-hand zyn beenagtig geworden. 4. Dat de namelooze beenderen uy t drie deelen beftaan, is hier klaar te zien. 5. Dat de aangroeyzels aan de lighaamen der wervel-beenderen vaft zyn , blykt hier klaar, voornamentlyk in t onderfte gedeelte van de rugge-graad. 6. In ’t borft-been zyn agt ronde beenderkens. 7. De gehoor-beenderkens bezitten nog haar eygen plaats. 8. De priemwyze f'procejfus ftyloïdes] uytfteekzels zyn kraakbeenig. 9. Beyde de Kaaken zyn voorzien van alle de tanden, dewelke fneeuw-wit zyn. N". Ecn net menfehelykgeraamte van een kind omtrent anderhalf Jaarcud, in zyn regeer hand houdende een ronde bol. anatomisc h KA BI net, of Den Hemel wilde my , ik hen daar heen gevoel t. Geen wetenjchaps oj levensmy ontvoert. Aanmerkt. Ten eetf e.De Voor-hand is kraakbeenig.. , 2. De Voor-voet voor het grootfte gedeelte beemg- 3. De kniefchyven in ’t geheel kraakbeenig- „pdeeke kraakbeen^ 4. De Epiphyfes van de Dyebeenderen voor een groot geueelte eemD. 5. Het borft-been heeft agt ronde beenderkens. _ . . f kraak. 6-, Ontrent debafxs van de fchouderbladeren, worden de Epiphyies kraak Hef welk ook gevonden word, ontrent de, doorn van ’t darm-been, die voor een groot gedeelte kraakbeenig xs. r rotatores'l valfche 8. Dat alle de Trochanters of Drayers J „vrfWWzels zvn daar is niet aan tetwyffelen-, om ditze in alt, gciyitouxt hx andere jongere geraamtens, door hulpe van kraakbeen, vaftgroeyen aan t waare gedeelte des beens. . 9. In het opperhoofes-been aan de linker zyde , zyn twee tegennatuurlyke ioS hS blykt ook, dat de dwerfche uytftcekzels van ’t Heylig been , door toedoen vin’t kraakbeen, aan elkander zyn gegroeyt in jonge kinderen. u Men kan,hier ook zien, dat de namcloczc beenderen uytdnedeelent za- men geilek zyn. 12. De Fontanel is.nog zeergroot. m. Ben zeer net geraamte Imker hand dragende een gxoote Aar van . „ , welkers greynen zoo groot zyn als een 0 onflerfeMe God/ hoe wenfihelyk is d'tt aan te vaarden, na 'dewelke geen zorg ofte enigezyn zal,. Aanmerkt. Ten eerfle Door de buytenftc oppervlakte van Bet voorlioofds-been, omtrent de midden, loopt eexi lange fleuf [/mus waar xn een aanmerkens- waardxg bloedvat verhoolen legt. Dit moet men m t opfnyden van thooft in agt nemen, op dat zulks niet geqxxeft word- vaan, altyd zult gy a d.i ' " vinden ,al ontbreekt die fleuf in het hooid. Vvanneer xn t.e eet.te aLa,ivU confor- NAAM LY ST der RARITEYTEN. , conformatie het zelve vat zoo een diepe plaats heeft 5 dat het zoodanig een fleuf kan formeeren in de teedere en nog week zynde hooftjens} dan kc. mt alieen- lyk die lange fleuf ons voor. In anderen loopt het gezegde vat wat hooger, geen fleuf m ft hoofd makende. 2. Het uytfteekzel y de opperfte fchotider \ftmmu r htnnerus] genaamt 3 is in beyde de fchouderbladeren geheel kraakbeenig 5 en een waare Epiphyfts. 3. De Fontanel is zeer kleyn in dit geraamte. N°. IV. Een zeer wit geraamte van een kind ontrent zeven Jaaren oud , op een ftok leunende. Ik heb geleeft yen hebhe de loop, welke rny de natuur gegeven had\ volhragt. De Kas E. en F, Onthouden in zig 34 Kruydboeken , byna in drie Jaaren van my toegemaakt * namentlyk van die tyd, als de WelEd: Groot Agtb: Heeren Burgeiweeüers dezer Stede het Hoogleeraarfchap der Kruydkunde my hadden opgedragen. In dezelve werden allerhande zoorten van planten, zoo inlandfche als uyt- heemfche , net van my gedroogt en bewaart , in een groot getal gevonden. Be Kas G. de eetjle Plank. Nn. I. De Lyfrnoeder van een Schaap, met de aanklevende blaas. De tweede Plank. N°. I. Een Menfche arm met zyn net gefcheyde {pieren , en nu al voor 25 Jaaren gebalfemt. N°. 11. Beyde de Scheen,[os tibid] met de Kuyt-bèendcren [fibula] van een Kerkhof my toegebragt 3 welkers- onderfte gedeeltens, boven \ junctuur dooreen Zaag, of ander inflrument, terwyl het menfeh nog leefde, door ongeval zyn afgenomen. Waar in ons aamnerkenswaardig voorkomt: Ten eerde. Dat in de ferruminatie beyde de, beenderen aan beyde zyde, om- trent de afzetting, aan een zyn gegroeyt. 2. In alle deze gezegde beenderen,, op die plaats daar het dikke vlies gevon- den word, (door wiens toedoen beyde de beenderen na de lengte x'zamen gevoegt worden) ziet men oütelbaare uytfpattingen [exojtofes] der been- C c 3 deren : ANATOMISCH KABINET, of deren: Of zulks gefchied is door overvloedige voeding, wanneer beyde de beenderen afgezet zyn geworden ? Nk 111. Een gedeelte van een menfche kronkel-darm, welkers cellekens (de banden door een mesje van een gefcheyden zynde) in ’t geheel verdwenen zyn. Waar uyt blykt, dat de t’zamcnftelling der cellekens van de banden, die na de lengte van de gezegde darm loopen, afhangt. N°. IV. Een menfche Arm, welkers fpieren, door het mes gefcheyden zynde, van veele Jaaren gebalfemt, bewaart zyn. Aanmerkt. De letters van de papiertjes, wyzen yder fpier aan. A. De palm-fpicr \mufculus palmaris.] B. De binnenfte buyger [ carpi interior ftexor\ van de Voor hand. C. De buytenfte buyger (carpi extérior jlexor } van de V oor-hand. X). De buyger van de 2. koot, of de doorboorde \_flexor 2. internodii, feu perforaties], welke zig in vier vleezige deelen verdeelt, en plant zig zoo verders in met vier peezen voor een groot gedeelte in de vier beenderen van de 2. koot, uytgenomen de duym, nadien die voorzien is van een byzon- dere fpier. E. De binnenfte uytfteker [exten/ör carpi interior] van de Voor-hand. F. De buytenfte uytfteker [extenfor carpi exterior] van de Voor-hand. G. De korte [prenator ter es] V ooroverwender. H. De vierkante [pronator quadratus] Vooroverwender. I. De lange of eerfte (Jupinator longïor feu primus~] Agteroverwender. K. De korte (fupinator brevis~\ Agteroverwender. L. De buyger van des duyms 3. koot. M. De buyger van de 3. koot der vingers, of doorboorende \perforans~\ N. De i. buyger van de duyms 1. koot. O. De 2. buyger van de duyms 1. koot. P. De 1. buyger van de duyms 2. koot. Q. De uytfteker van de duyms 3. koot. IV De uytfteker van de duyms 2. en 3. koot. S- De 1, uytfteker der vingeren, het 2. en 3. been (zoo als Spigelius wil) uytftekende. Maar ik vertrouw dat alle de vingeren, behalven de duym, van die uytgeftoken word5 ja ook de 2. uytfteker, met letterT.geteekent, is ook te teilen by deze fpier, en geenzints teicneyden van de 1. uytfteker van de vingers. T. De 3. uytfteker, (zooals Spigelius wil) die de beenderen vandckleynfte NAAMLYST der RARITEYTEN. vinger uytfteekt: maar my fchynt het een gedeelte te zyn van de r. uytfteker V. De i. kootbuygende of wormwyze fpieren \lumbrkales mufcvlll W. De tweehoofdige \biceps~\ fpier. J J X. De 2. buyger van de elleboog of arm-fpier [bracbialis.l N° Het middelrift [diafragma] van een kind, met het anuexe hcrtc- zakske [pericardïum^ Aanmerkt. Ten eerfte. Byna de helft van ’t herte-zakske, heeft zoodanige vaftiohevd am V tendmeufe gedeelte van ’t middelrift, dat het fchynt een ïighaam te wezen • ja men kan ze van elkander qualyk fcheyden, zonder fcheuren. Het tegen- deel ziet men mde Honden, Schaapen, en andere dieren, waar m zegde partyen van elkander gefcheyden ons voorkomen. b 2. Het gezegde herte-zakske heeft zyn natuurlyke form en wydte behouden in ’t balfemen. N°. VL Een gedeelte van de bovenfte kaak uyt een Schaap «enomen door welke de traan-weg [dulius loopt* ’ Aanmerkt. A. Een kleyn gedeelte van ’t oog-rad \orbita oculi.l B. Het begin van de traan-weg. C. Deszelfs eynde in ’t onderfte gedeelte van de neus N°. VIL Het zelve uyt een Os genomen. Aanmerkt. A. De twee traan-ftippen [/»& lachrymwelke mondekens zyn , door r> e wateragtige vogt van de o ogen gebragt werd tot de traan-weg. * esze s weg in tween gefcheyden 3op datze uyt beyde de traan-ilipneri de vogt zouden ontfangen. 1 J C. Het eynde van de gezegde weg in ’t onderfte gedeelte van de neus. N . VIII. Een Vies met vogt 5 waar in een gedeelte van een Lint-wnrm \}imbrïcus latus.] ~~ 'v m N . IX. Een groot waterblaasje [hydatis] uyt de Lever van een menieh N°. X. De ballen van een Man 5 welkers vaten vervult zyn ANATOMISCH KABINET, of N° XI. Een gedeelte van een menfche Nier, waar in zeer veel nier buysjens worden gezien. Na XII Het geraamte van een kindje van 8 maanden dragts, in zyn linkei ' hand houdende het dyebeen van een Endvogel, na een breuke wederom t’zamengegroeyt. Ter wereld gekomen zynde, ben ik zonder beweging gebleven. N°. XIII. Het geraamte van een kindje byna van dezelfde ouderdom drey-. gende door een touw te fpringen; maai heeft in plaat - touw, een poolze haarvlegt Ifhea De gemeene weg tot de dood. De derde Plank. N„ j Een menfche fchepzeltje in vogt bewaart van omtrent drie maanden, wiens navelftreng een dunne draad verbeeld, ’t welk my een teken is, dat het fchepzeltje ecnige dagen voor de haring geftorven is geweeft Het geen eenme onervarene niet geobferveert fchynen te hebben, die m alle voorval- len ?no zorgvuldig het uyttrekken van de moerkoekjens dezer fchepzeltjens beveelen, datze die geenen zeer veragten, dewelke zulks op alle tyden met kunnen te weeg brengen. N» II Een groot menfche Hert, van lange tyd zoo net bewaart, dat het als van daag fchynt uyt het lighaatn genomen te zyn. N°. 111. Een kindje van vier maanden dragts, omvangen van zyn vliezen, en zeer net bewaart. Me dag, alle mr neemt om leven af; ja alle oogenbhkken ioonen om aan , hoe nietig wy zyn- N». IV. Dekronkel-darm van een Haas, met de t’zarnengevoegde bhude-darra, en een gedeelte van de omgewonde darm, de °P een Pedc • Aanmerkt. Ten ttrfie. I„ >t eynde van de omgewonde-darm, alwaar de blinde-darm vaft- uemaakt word, word een tegennatuurlyke verblyfplaats gevonden, vervult met zeer veele klieren. Ziet de Lett. A. NAAMLYST der RARITEYTEN. 2. In ’t eynde van de blinde-darm is het aanhangzei 5 vol met kliertjes bezet. B. 3. Ónteibaare klieren in de kronkel-darm. C. 4. Op de zelfde Pedel tal word apart gevonden ’t klieragtig verblvfplaatsie, als boven vermeit. D. \ N". V. Het geheele rugge-merg van een Menfch. N°. VI. Een gedeelte van een Schaape Maag, wiens binnende oppervlakte verbeeld de binnende oppervlakte van een daap-bol \ca£ut £aj>avcris.~\ N°. VII. Een bevrugt menfche Ey, ’t welk eenige dagen in de Lyfmoeder heeft gezeten: ’t geen klaar blykt uyt de oppervlakte van de buytende rok van ’t gezegde Ey, ’t welk fibreus 3 en een beginzel van de Moerkoek is. Aanmerkt. Dat ik dit tot nog toe in een vogt zoodanig hebbe bewaart 3 dat het vogt in het binnende vlies, amnios genaamt, nog in zyn geheel is 3, in wiens mid- den my dunkt (by helder weer) te befpeuren een rond lighaamtje 3 zoo groot , als een kleyne fpëlde-knop. Alles komt voort uyt een Ey 7 N°. VIII. Een menfehelyk fchepzeltje 3 hebbende de groote van een groot poeonie zaad h wiens hoofd, na proportie van ’t lighaam, zeer groot is. De navel-dreng is een duym lang, en komt in dikte overeen met het ge- heele lighaam van het fchepzeltje. Daarenboven is aanmerkens waardig, dat het moerkoekje zoo groot cn dik is5 dat een vrugtje van dne maanden geen grooter heeft. N°. IX. De Schamelheyd van een menfchelyk fchepzeltje van vier maanden , zynde van de vrouwelyke fexe > in den eerften opflag vertoont het de fchamel- heyd van de mannelyke fexe, ’t welk ik voorheen dikmaals heb ondervonden. Na. X. Een gedeelte van de Moerkoek 5 in ónteibaare waterblaasjens veran- dert. Ziét de 33. Aanmerking. XI. Verfcheyde Longen van onvoldrage kinderen in een vogt op de grond gezonken 3 het welk ’t allerzekerfte teckenis, dat alle die kinderen voor baar verlofling zyn gellorven geweeft, en nooyt hebben geademt. N°. XII. Een Kuyke van een Hen , voorzien met twee bekken. N°. XIII. Een Maag van een kind, met alle de darmen, en’t eeheele darmfcheyk rv 1 O . xrTir ANATOMISCH KABINET, of N°. XIV. Het zelfde uyt een kind van omtrent drie Jaaren. Aanmerkt. In dezelve komt ons voor een diftin&e fcheyding, tuflchen de nugtere en om* gewonde darm3 want in de omgewonde darm zyn geen oogluykende klap- vliezen of circuls, waar van de nugtere darm zeer vol is. De vierde Plank. N° I Een Menfche Voet, ftaande op een Pedeftal, welkers fpieren van el- kander zyn gefcheyden: de natuurlyke nettigheyd van deze fpieren is door de konft van balfemen zoodanig voor het bederf bewaart, dat een yder een diftinfte notitie daar uyt voor zig zelve ligtelyk kan krygen. N° II Het Scheen-been3 uyt wiens bovenfte gedeelte, door een veiouderde Caries bedorven zynde, in de genezing door de kragt van de natuur, uyt- geftoten is een ftuk beens, dat langagtig, rond en hol was. Waar mede de vermaarde Mr. Joachim Schrader3 die by de genezing geweeft was, myn Cabinet verrykt heeft. Ziet de "j y Figuur. Uytlegging van de é, 7, en 8. Figuur. A. Het Scheen-been van verrotte humeuren verdikt. B. Het bederf [car/esl van 't been. , u C. Een ftuk beens, langagtig, rond en hol, overal van t Scheen-been ge- fcheyden. D. Vertoont het gezegde ftuk apart.. L rt . - K. Een Caries, dewelke met de bovenfte Caries gemeenfehap heeft. De Kas H. de eerfie Plank. N*. I. en 11. De vaten van de Lever, zynde niet opgevult. NMII, Twee blinde darmen van een Hen , (waar mede alle de Hennen voor- zien zyn) zeer net bereyd en opgeblazen. KT\ IV- Het geraamte van een kindje van zeven maanden dragts. .iyz .jQtt, NAAMLYST der RARITEYTEK. Gelyk een Schipper word geflmgert van de woefte baar en; alzoo y wan- neer ik uyt myns Moeders lighaam was gehoor en y wierd ik ook naakt ter neder gelegt y hebbende alle de levenshulpen van nooden. N°. V- Zeven wervelbeenderen van een geboggelt Menfch 3 zoo aan elkander gegroeyt y en in een gedraayt, dat het lighaam van het hovende wervelbeen aan ’t lighaam van de onderfte t’zamengevoegt is. Ziet de 6/. Aanmerking. N°. VI. Vertoont byna dezelve alzoo t’zamengegroeyde wervelbeenderen. N°. VII. Een Longe-pyp y al 26 Jaaren lang bewaart, De tweede Plank. N°. I. Een Longe-pyp van alle blaaskens van de Long afgefcheydeh. N°. 11. Een omgekeerde Longe-pyp 3 ftaande op een voetje, verbeeldende een Boom, waar by haat het geraamte van een Vogel. N°. 111. Een toebereyd gedeelte van een Menfche Huyd. N°. IV. Een hard gebalfemt kinder-hoofdje y op een Pedeftal ftaande. N°. V. Een gedeelte van de omgewonde darm uyt een Menfch, welkers vaat- jens met een wafchagtige ftoffe zoodanig zyn opgevult, dat de geheele darm rood is 3 als of dezelve ontftooken was: waar in de allerfynde vaatjens y die men met het gezigt niét na kan gaan 3 gevonden werden. N®. VI. Een kindje van zes maanden dragts, zoo hard als aen deen gebalfemt3 wiens hoofd verciert is met een kroontje van natuurlyke bloemen. Aanmerkt. Ten eerfte. Het aangezigt is zeer fraay 3 zonder rimpels. 2. In de afgefnedene navehlreng y kan men de vaten klaar zien, 3. Het heeft zyn natuurlyke Utuatie 3 zoo als het in de Lyfmoeder gehad heeft. N'. VII. De onderde Kaak van een bejaart Menfch, voor het grootfte deelte tandeloos 3 behalven twee bak-tanden of kiezen 3 die door een vlic? alleen aan de kaak vaftzitten 3 nadien de kaden Vernietigt zyn. N°. VUL Het geraamte van een menfehelyk vrugtje 3 dragende in zvn handen éenZeys. Dd 2 ' 5 'O El~ ANATOMISCH KABINET, of 0 Ellendige / ge duurïg vreefi gydat, ’/ geen gy eem moet dragen; dut vreefi gy , gsen in uw hand is; maar vreefi niet, Lipt N° IX. Een tak van een Slag-ader met een wafchagtige ftoffe opgevult , Wel- kers allerkleynfte takjens bewaart zyn. De derde Plank. N°. I. De beenderen van de twee voeten van een zekere zeer fameufe Hoer, die aan de Spaanfe Pokken gcftorven was , met koperdraad aaneengehegt. Aanmerkt. Van deze ziekte is zy zoo uytgeput geweeft, dat de gezegde beenderen zeer ügt zyn geworden * en in ft water gelegt, daar op dryven als een pluym. ISk. 11. De regter Nier van dezelve Hoerwiens Niers-aderen vervult, zeer net gezien worden. N°. 111. Deszelfs Lyfmoeder met zyn toebehooren. Aanmerkt. De Trompet van Fallopius, of de Eyerweg van de eene zyde is verblind-, zoo dat zy aan die zyde onvrugtbaar is geweeft. N° IV De beenderen van de Arm van dezelve, zyn van de Spaanfche Pok- ken zoo aangeftooken, dat niet alleen de beenderen van de elleboog [cu~ bitui], en kleyne elie-pyp [radius] y carieiis zyn geworden, maar ook wonderlyk omgekromt. V. Het Doodshoofd van dezelve Hoer, wel zeer ffaay en wit, maar door die ziekte zoo doorvreeten, dat het op verfcheyde plaatzen is doorboort 3 op andere plaatzen zoo dun, dat het, tegen t ligt van de kaars gehouden , doorfchynend is. Aanmerkt. De wyzer of voorfte vinger van de regter hand raakt dit quaad aan, als ot het zulks aan allen wilde toonen, en een yder vermanen met dit devys In zulke waters, vangt men zulke vijfen. ]Sjot yj. Het Scheen-been van dezelve op verfcheyde plaatzen doorvreeten, op andere verdikt 5 of dikker geworden , met dit devys : NAAMLYST der RARITEYTEN. De liefde zit in °t bimenfte merg ! De vierde Plank. N°. I* Drie ribbens van zeker Dier yna een breuke, wederom genezen N°. 11. Het Dye- en Scheen-been van een Menfch, door een beenige t’zamcn- groeying \ancylofis~\ aan een gewaden. Aanmerkt. In ’t Scheen-been heb ik geen holligheyd gevonden, maar heb aangemerkt 3 dat het zelve zoodanig compact en hard was, dat ik uyt curiofi- teyt eenige hefjens daar van heb laten maken. N°. 111. Het opperde gedeelte van ’t bekkeneel, welkers dikte verwonde- ringswaardig was. N°. IV. De beenderen van de Elleboog en Hand van een Menfche geraamte, waar in aanmerkenswaardig was , dat twee beenderkens van de voorhand waren gebrooken , en na de breuke nooyt t’zamengegroeyt > alhoewel hv in ’t leven gebleven is eenige Jaaren na de ontfangene breuke , door een zwaare val veroorzaakt. Ziet dc 4. Aanmerking. N°. V. Het Doodshoofd van een Kalf, waar in twee agterhoofds-beenderen boven elkander daande ? gevonden werden. Aanmerkt. Ten eerjle. In yder agterhoofds-been vind men een groot gat, tot doorgang van ’t rugge-merg. 2. In ’t opperde gat heeft de Ervaare Mr. yan Hartman , die my dit hooft vereert heeft , geen rugge-merg ~ maar een bloedige dode gevonden. N°. VI. Alle de darmen van een bejaard Menfch, aan ’t darmfcheyl in haar natuurlyke plaats nog vad zittende. Aanmerkt. TV# eerjte. Deze darmen zyn zagtjens opgeblazen 3 en zeer net gebalfemt. 2. In dezelve kan men de nette diftin£tie waarnemen 5 tuflehen de nugrere en omgewonde darmwant de nugtere darm is vervult met zeer veel oogluy- kende klapvliezen 3 maar de omgewonde heeftser geen. ANATOMISCH KABINET, of N®, VIL De Longe-pyp van een Paard , met deszelfs takken. De Kas /. de eerjle Plank. Verfcheyde deelen van Menfchen Hoofden De tweede Plank. Nl). I. Het geraamte van een Menfche vrugtje, xn zyn linker hand dragende een gedeelte van de groote ilag-ader uyt een Os, in verfcheyde rokken of plaaten gefcheyden. Niets valt ons moeyelyk, zoo wy willen j niets is 'er zwaar, zoo wy maar opletten. N°. 11. De Slag-ader die door de Milt van een Kalf loopt, en opgevult. N°. 111. Het geraamte van een voldragè kindje, wiens doodshoofd op ver- fcheyde phutzen doorboort is 3 voornamentlyk in de opperhoofds-beende- ren 3 ’t welk ik meermalen heb gevonden in eerftgeboorene, wegens de be- lette beenmaking. Alle mwoonders des aardryks, het zyarmofryky kunnen Charons Boot niet ontgaan. N°. IV. Het geraamte van een kindje van agt maanden dragts, in zyn linker hand houdende een Roos van Hiericho, Ah een Bloeme des Velds hen ik fchielyk opgegaan} en wederom weggerukt. K°. V. Het geraamte van een Misgeboorte van vier maanden , houdende in zyn regter hand een Zeyfe, daar mede een llag dreygendc aan een kindje van zes maanden, op onze manier gebalfemt. Wie zoude een boode willen zyn 7 van zoo een quaad, Aanmerkt. Op het hoofd is een kroon geilek van natuurlyke Bloemen, die nooyt kun' nen vergaan. • iyB. cair. . 'Ja/*. s 3 . NAAMLYST der RARITEYTEN. N°. 'VI. Het Verhemelte van een Menfch , uyt wiens middenfte een bak- tand of kies voortgekomen is. N°. VII- Verfcheyde driekantige beenderkens uyt een Doodshoofd, De derde Plank N°. I. Het Oppervelleke [epidermis] van de toonen en bal van de vopi- in twee of drie vliesjens gefcheydem 3 N°. 11. Een beenige opa, Jive ancylojls] vereeniging van denaamloozc beenderen > en Heylig been. Aanmerkt. Alhoewel de gezegde beenderen vereenigt zyn door een bèenagtige zelfftan- digheyd, nademaal het kraakbeen , dat tuflehen beyde komt , beenig ge- worden is i nogtans is het kraak-been 3 welk het fchaam-been vereenigt geenzints in been verandert 5 het geen zeer zelden (zoo het ooytl in eeii menfch komt te gebeuren. : J N°. 111. Het borft-been van een Menfch met derkraak-beenderen , waar in aan te merken is, dat de tuflehenribbige fpieren tendeelen bewaart zyn, opdat men de verdceling der bloedvaten, als mede de cours van de iibren der tuf- fehenribbige fpieren , zoude konnen befchouwen. Aanmerkt. Dat de uytcyndens van ’t kraak-been. der ribbens ook zeer valt t’zameno-evoeut zyn met het borft-been sen door toedoen van banden hier onder afSebeelr ; daarenboven zyn de flag-aderen vervult, op datze des te beter in ’t zoude komen5 omtrent dezelve komt ons aanmerkenswaardig voor, dat de gezegde flag-aderen verfchejde en notabele takken geven aan de tuflehen- ribbige fpieren, als mede aan t borft-been zelfs, geiyk blvkt in de bvge voegde 9. Figuur. " 5 ' Uytlegging van de 9. Figuur. A. Het borft-becn zig van vooren vertoonende. a. a. a. a. Banden 5 welkers fibren als Herren of ftreepswys imneftrek*- van niemand (voor zoo veel my bekent is) befchreVen 0f ondervonden, waarom ik te pynewaard oordeelde 3 dezelve te doen afbeelden b. b. b. b. Ontelbaare takjens uyt de mamvaten \yafa mammarrn] voortkomende. ANATOMISCH KABINET, of N°. IV. Een Scheen-been van een Schaap, uyt deszelfs nek gefneden* waar mede het nog, buyten de vier pooten, voorzien was: die voet, uyt de nek hangende, was onbeweegelyk, en van geen gebruyk. Aanmerkt. In dit tegennataiirlyk been, heb ik geen fubftantic gevonden ; maar derzelver geheele holte was vervult met een zagter merg j en in plaats van fpiercn in den omtrek van ’t been, heb ik niet anders, als vet vernomen. N®. V» Een doorgezaagd Doodshoofd van zeker bedaagt menfch, op dat men deszelfs wonderbaare dikte zoude konnen zien. N°. VI. Een rond en wonderbaarlyk waterzugtig Doodshoofd van een Kalf , en overal doorgebroken wegens defe£t van been, zoo dat het fchynt een Lantaarn te verbeelden. N°. VII. Het borft-been van een oud Man, uyt een enkel-been beftaande; als mede het zweert-gclykende kraak-been [camlago enfiformis], in ’t geheel beenagtig. N°. VIII. Het dye-en fcheembeen, en kniefchyf van een Menfch, dooreen beenige [aneylojis] vereeniging aan elkander gegroeyt. De vierde Plank N°. I. Een zeer witte Aape Kop. N°. 11. Een Rib van een Os, zeer fraay, na een breuk uyt de natuur, aan- elkander genezen. N°. 111. Een zeer net Menfche Doodshoofd. N°. IV. Een Pedeftal, waar op vyf kraak-been’deren Haan. Waar in ons aanmerkenswaardige zaaken voorkomen. Ten eerfle. Lett. A. Hier ziet men, in de verwifthhng der tanden, dat een nieuwe tand uytkomendc, de oude wegftoot 3 en uyt zyn plaats of kaft floot. 2, B- Hier komt ons voor, dat de kaden tot niet worden, indien de tanden uytvaUen voor de vernieuwing der tanden. Ja een nieuwe kas word ’er gemaakt van de volgende tand. 3. C. Indien de tand niet uytgevallen is voor de verwifleling, zal de tand, die ’er volgt, op de tyd van verwiffeling, dikmaals dikker en breeder zynde, het beenige tuffenfcheydzel der kallen, ’t welk tuffchen bsyde de tanden gevonden werd, tot niet brengen, gelyk hier gezien kan werden. 4. Dat de agterfte bak-tanden altyd het kaakebeen doorbooren in haar uytfchie- ten, kan men hier ook zien. NAAMLYST der R.ARITEYTEN. N°. V. Het bovenfte gedeelte van ’t bekkeneel met het harde herflen-vlies, op dat dcszelfs vafthegting konde vertoont werden. N®. VI. Het bovenfte gedeelte van’t bekkeneel, waar in het driekantig beent- je, namentlyk tuflchen de pyl-en winkel-naad, gezien word. De vyfJe Plank. N°. I. De huyd van de Voet van èen Menfch, behouden hebbende de na- tuurlyke figuur van de Voet. N°- II- Een krom Scheen-been van een Menfch , in wiens voorfte gedeelte een harde \tojphus~\ knobbel gevonden word. N°. 111. Het Scheen-been van een Menfch, na een breuk, zeer konftig aan elkander vaftgegroeyt. N°. IV. Het Scheen-been van een Menfch , na de breuk, wel konftig gene- zen , maar met een kleyne uytfteekzel van een ftukje van ’t gebrookene, en dat om de conditie van de breuk, die fchuyns zynde, zeer bezwaarlyk zoo wel (fchoon het wel gezet is) bewaart kan worden, of het zal nog al eenigzints van zyn poftuur verandert werden. N°. V. Het Dye-bcen van een Menfch van humeuren zeer uytgezet welk on- gemak genaamt werd een Beenzuyger, en verfcheelt van die quaal, welk men Beenvreeter noemt. Ziet de 81. Aanmerking. N°. VI. Een kasje, waarin vertoont werd, N°. I. een gedeelte van een men- fche darm, welkers fcheyl-vaten [yafamefaraied] vervult zyn. N°. 11. Ver- jont ’t zelve. N°. 111. en IV. De fcheyls-vaten van de darmen gefchey- den, met de geannexeerde zenuwen. N°. VIL Een gebalfemt menfche vrugtje van over 25 Jaaren bewaart, wel- kers fpieren gefcheyden zyn 5 in de linker hand houd het vaft het net van een Paard. ANATOMISCH KABINET, of Ik word gewond y op dat tk genezen zoude. N°. VIII. Een kindje van yyf maanden dragts, zynde vandemannelykefexe* met de navel-ftreng ,de vliezen amnios chorion, en moer koek daar aan. Aanmerkt. Dat alles zoo net in vogt bewaart is, dat niet anders als de geeft fchynt te ontbreeken. De Kas K. de eerfie Plank N°. I. De vaten van de Long zeer konftig met een witteftofte vervult, wel- kers uyteyndens zeer fubtiel zyn. N° II De Maao- van eenEerftgeboorene ,met een kleyn gedeelte van de twaalf- vmterite danS' zoo net geprxpareert , dat dezelve haar natuurlyke groote en Lm behouden heeft, zonder eenige rimpel. Daarenboven ziet men zeer fraay in haar uytgang, de onderfte \jyforus\ mond of poortier, gelyk als een circul zig vertoonende. ■\To ttt Xwee in been veranderde Papgezwellen [atheromata\ uyt de Long van een Os genomen. vio jy £)c zaatblaaskens van een man zoo toebereyd, dat de inwendige cel- ' Ekens zeer net gezien konnen werden. Deze cellekens vertoonen de hooningraad der Beyen. N. v Verfchcvde agtkantige fteenen uyt een oude Vrouw gefheden (waai Van men in de eerfte Aanmerking kan,} N°. YL De Darms klieren. De tweede Plank N°. I. Yerfcheyde gedeeltens van ’t opgefnede agter-breyn. N°. 11. Het Hart van een bedaagt Menfch , waar m het ovaalswyze [fora- men ovale] gat open gebleven is. JSp. 111. Het Hart van een Menfch net bewaait. IV- eïl V. Twee Harten door den zeer geleeiden Heer Steno na de koo- NAAMLYST der E.ARITEYTEN. king zoodanig toebereyd , dat men de cours der fibren zonneklaar zien kan. Deze Harten (dat aanmerkenswaardig is) heeft deze iiytmuntciide Ontiee- der voor my bereyd, eenige dagen voor zyn dood, zynde de kafte voor- werpen geween, dewelke zyn Ed: ge-anatomifeert heeft gelyk ons de Ed: en Cuncufen Heer Kerkring verhaalt heeft, die my dezelve gezon- den heeft. * N°. VI. Het Hart van een kind. N°. VIL Het begin van ’t rugge-merg. De derde Plank, N°* I; De Zeyfe [falx], als mode de Trechter ['mfundihulum] van een menfeh, zoo net gedroogt, dat derzelvcr figuur nog heel fraay ons voorkomen. N°. 11. De By-nier [ren Juccenturiatus] van een menfeh, zoo toebereyd, dat men de inwendige holte zien kan. N°. 111. Gedeeltcns van de herfleneu van een menfeh, door balfamatie verhard N°. IV. Een gedeelte van’t Net als zyde toebereyd. N°. V. Verfcheyde beenderkens van ’t gehoor. N°‘ VL ECn utak Van de/Id€rj Senomen uytde Lever van een Schelvis • waar aan valthangen verfcheyde wormen, in de zelfftandigheyd van de Lever gevonden. N°. VIL Verfcheyde gedeeltens van de kronkcl-darm van een menfeh wel- kers cellekens tot met zyn gebragt, wegens hst affnyden der banden, die na de lengte van de darm Hopen'. N°. VIII. Verfcheyde ongemakken der beenderen. N°. IX. Het hol \antrum Highmort] van Hhhmorus (of holte, welke mv von en weid in t derae paar beenderen van de opperde kaak) niet, een liym-prop bezet. Ziet de 77. Aanmerkino- -14 0* N». X. Schyven van de roede van een Man, waar in de fponeicushevd van de roeae zeer klaar gezien werd. 0 'v * N“- XL EC“ gedeelte van dcn nuStdm°eder overvloedige bloedvaten heeft, welke wel voor het grootfte gedeelte haar oorfpronk nemen uyt de onderbuyks aderen [yafa hyfogaftrtcdmaar ook ziet men, dat eenige haar oorfpronk hebben uyt de zaad-vaten \yafa J'permat ka.] 4. Dat de Eyerftokken zoo lang zyn, dat het te verwonderen is. f- Dat de opgeblazen Water-blaas zonder rimpels voor veele Jaaren van my bewaart is, zonder eenige invalling of kuyl. De volgende Létters vertoonen yder gedeelte. A. De Lyfmoeder. B. De Eyerftokken, door welkers oppervlaktens de eyertjensuytpuylen. C. C. De Trompetten van Fallopius door wint uytgefpannen. c. c. c, De Franje der gezegde Trompetten. D. D. Vliezige deelen tuJTchen de Trompetten en Eyerftokken 3 welke de bree- de banden genaamt worden, maar te onregt: door haar toedoen worden wel de Trompetten aan de Eyerftokken gebonden, maar niet de Lyfmoeder aan ’t buykvlies, ten zy in een tegennatuuriyke ftaat. E. E. De Zaadvaten ten deele lopende door de Eyerftokken, ten deele door de gezegde vliezen, breede banden genaamt, welke tot hetlighaam van de Lyfmoeder gaan. F. F. Beyde de Zaad-aderen-, waar van de regter uyt de ftam van de hol-ader maar de linker uyt de uytzuygende, of liever N iers-ader, haar oorfpronk neemt! f. f.f. Takskens der gezegde aderen, verfpreyd door de Pislcyders. x. x. x.x. Derzelver takskens door de vliezen van de Nieren, en voornament» lyk door 5t Vet-vlies verfpreyd. G. De Schee van de Lyfmoeder met de Kittelaar, en deszelfs Schinkels. H. Den Endel-darm. X. De plaats | tulleken de Schamelykheyd en den Aars. K. K. De lang-ronde banden, van andere ronde banden genaamt, L. De Water-blaas, met deszelfs opgeblaaze Pisleyders. I. 1. De infehietingen, der Pisleyders in de blaas. M. De Hol-ader. N. De Nier-aderen. O. O. De Nieren zeer konftig gebalfemt en verhard, behouden hebbende haar natuurlyke groote en figuur. P. P- De By-nieren. p. p. De aderen verfpreyd door de By-nieren, haar oorfpronk nemende uyt dc Nier-aderen. * yjet 224 anatomisch KABINET, of Het Kasje B. De Teel-deelen met haar toebehooren vaneen zekere Vrouw, die verveen was in een uythanging van de Lyfmoeder: waar in aanmerkenswaardig zyn. Ten eerfle. Dat de Lyfmoeder door voorgaande bezwangering grooter is als die, waar van ik hier boven gezegt heb. 2. DatdeScheede veel wyder is, om de uytfchieting van de Lyfmoeder. 3. Dat de Lyfmoeder, Blaas, en Pisleyders, haar natuurlyke groote en figuur behouden hebben. . 4. Dat de regter flag-ader van de Nier , of uytmelkende, dubbelt is. 5. Dat de figuur van beyde de By-nierén niet met elkander overeenkomt. De volgende Letteren wyzen yder deel aan. A. De Lyfmoeder vol van bloed-vaatjens. B. De lang-ronde Banden. C. De Schee. D. De inwendige mond van de Baarmoeder. E. De Fis-canaal. F. De Water-blaas. G. G. De afgefnedene deelen van de Pisleyders. H De groote Slag-ader vervult met een wafchagtige ftoffe. I I pe Slag-aderen der Nieren, welkers regter dubbelt is. K.k. De Zaad-flag-aders, voortkomende uyt de ftam van de groote flag-ader, onder de Niers-flag-aderen. L'. L. De Leden flag-aderen. M. De Darm-fcheyls flag-ader. N. N. De takken van de Heup flag-ader. O. O, Derzelver takjens verfpreyd door de Lyfin°e^er 3 Waterblaas, en Schsede, P. De linker Nier. Q. Q. De Slag-aderen door de Nier verfpreyd. Het Kasje C. Verfcheyde Longe-pypen- Het Kasje D. De Kolder uyt een bereyde huyd van een gehange Dief gemaakt 5 op welkers rug twee zigtbaare Brandmerken na de bereyding zyn overgebleven. Het Kasje E. Een Moerkoek,wiens behoorlyke form,groote en dikte, na de verharding en droo- ging, behouden gebleven zyn. In NAAMLYST der R ARITE YTE N. In dezelve zyn de vaten ook zoo vervult, dat men de allerminde zien kan. Het Kasje F. Alle de Ingewanden van een Kind van twee Jaaren , aan het geheele darmfcheyl vaft zittende h waar in aan te merken is, dat de nugtere darm van geen oogluykende klapvliezen voorzien is. Aanmerkt. Lett. A. Wyft den Endel-darm aan. B. De Kronkel-darm. C. De Blinde-darm. D. Het aanhangzel van de Blinde-darm. E. De Omgewonde-darm. F. De Nugteren-darm. G. De Twaalfvxngerige-darm. Het Kasje G Een monftreus veelvingerig Geraamte , welkers figuur gevonden werd in het Spicilegium van de Ed. Heer Kerkring. N adien het lighaamtje in ’t Y gevonden is , heeft het tot devys: Ach noodlot! ach fcherp noodlot! Aanmerkt. Ten eerfte. Het Doodshoofd is ten opzigte van ’t iighaam zeer groot. i. De beenderen van ’t hoofd zyn harder als na gewoonte. 3. De Fontanel is eens zoo groot. 4. De Tyd-of Slaap-beenderen zyn zeer kleyn. 5. In de fchubwyze j Jutura fquammofa] naad, aan de linker zyde, zyn twee beenderkens van Wormius. 6. De beenderen van de neus zyn breeder, en meer, als in andere eerdgeboo» rene, nedergedrukt. 7. De oog-raderen zyn eenigzints .mismaakt. 8. Een fpleet in ’t onderde gedeelte van de opperde kaak onder de neus. 9- De onderde kaak bedaat uyt een been, ’t welk zeer zelden (zoo ’t ooyt} gezien is in een eerdgeboorene; daarenboven heeft het een verheventheyd als een kam van een Haan in ’t midden van de onderde kaak, en dat niet alleen in ’t voorde gedeelte, maar ook in ’t agterde. 10. Onder de uytdeekzels van de onderde kaak worden gezien twee beenag- tige vleugels 5 of breede beenagtige uytdeekzels. 226 ANATOMISCH KABINET, enz. ïi. Hét fchynt dat verfcheyde tanden in ’t uytkomen zyn. 12, De ribbens zeer kort,en in langtc een dwcrze vinger nauwlyks overtreffende. 13 De fchouder-bladercn zyn zoo kleyn,dat een kind van zes maanden dragts die heeft 3de fleutelbecnderen daar en tegen,hebben hare natuurlyke grootc. Ï4. Hetborft-becn is geheel beenig, en als uyt drie beenderen beftaande, ge- lyk in een bedaagt menfeh, maar na proportie van ’t lighaam kleynder. 15. De beenderen van de fchouder, als mede van den arm en elleboog , zyn zeer kort. ï6. Inde Voorhanden komen ons voor verfcheyde kleyne bccndcrkcns. ij. Aan de regterhand zyn zeven vingeren. 18. Aan de linker zes, en boven dien een dubbelde duym. 19. Aan de duym [folk*] en pink [digitus auricularis] is een zeker rond aan- hangzel. 20. De Dye-bcendercn zeer kort. 21. De Scheen- en Kuyt-bccnderen, een dwerze vinger lang, 22. In de Voorvoet verfcheyde ronde beenderkens. ? 2 3 De regter voet is voorzien van zes toonen, de linker voet heeft er negCß. 24. In de regter Agtervoet worden zes beenderkens gevonden. 2 . De linker Agtervoet is voorzien van zeven beenderkens. Het Kasje H. De Teel-deelen van een Man, met deszelfs aanhang, gedroogt, en 200 net toebereyd, dat alles zyn natuurlyke geftalte behouden heeft. Deopgeblaze water-blaas heeft geen kloove of kuyl, maar daar is van my in gevonden een groote fteen, die ik in de blaas heb gelaten. Het Kasje I. Vier Geraamtens van kinderkens van negen maanden. Een menfche Schepzeltje van omtrent vyf maanden, met alle deszelfs beklect- zeis en moerkoek, in zyn vogt en natuurlyke ftaat zoo net bewaart, dat het fchynt als nog te leven. Het byzondere noodlot van deze misdragt, word met het volgende zeggen te kennen gegeven. Ontydig hen ik verworpen, maar tydtg heefl nny de hatjem aangegrepen, op dat de tydige bederving myn ontydige dood niet zeude vervangen. Buy ten alle deze zaaken, worden in myn Cabinet nog zeer veele andere be- waart , dewelke hier om redenen niet verhaalt werden. De Eerfte Ontleed-kundige voorgeflelde BRIEF Van JOHANNES GAUBIUS. Aan den zeer vermaarden Heer FREDERIK RUYSCH, Medicyne 'Dottor en Hoogleer aar in de Ontleed- en Kruyd-kunde, enz. Aangaande de Hayren, stVet, en ’t middellchot van ’t Bal-zakje* als mede aangaande het net-wys lic- haam , onder de opperhuyt gelegen, enz. Wel Edele en zeek vermaalde Heer. ■ Annecr ik eens overweege , en by my zelve gedenke , wat ik. Be- roemde Heer, gezien hebbe in de openbaare Anatomifche vertoo- ning, onlangs van uw gehouden -y en wat nuttigheyd ik al van uw zelfs getrokke, en ÏHlzwygend aangemerkt hebbe, hebt gy my niet alleen groote reden tot verwondering gegeven, maarmy ook ten hoogfte aangefpoort, om dat alles een weynig nauwkeuriger te onder- zoeken , en in deze zoo edele en uytnemende wetenfehap eenige voortgangen te maken. Gy hebt zoodanig ook de zin en het oog der aanfehouwers tot uw getrokken, dat, zoo niet allen, ten minfte zeer veelen , en dat wel zeer ge- leerden (want het zyn altyd geen koks, die lange meflen dragen} met de groot- ste toejuyging en goedkeuring zig over deze vertooning zullen verwondert hebben. En waarlyk, wie zoude door deze ongewoonebelchouwmgvaneen dood lighaam, niet als in verwondering werden opgenomen, waar in een zeer nette gedaante van \ aangezigt, als of het levendig ware, te zien was, het welke met een zeer levendige koleur begoten, gelyk als uyt den witte met F f 2 rood I. BRIEF van JOHANNES GAUBIUS rood vermengt zynde, en waarlyk een roos-koleur hebbende , zonder egter ccmg bedrog , fmeerzel of blanketzel, een icgeJyk fcheen toe te lachen. Derhalven 5 zoo iemand met my de zuyvere bewaring van dit voorwerp op ft nauwkeurigfte befpiegeit en overweegt, zal niet kunnen loochenen, dat ser nooyt iets diergelyks in een lig haam is bezogt of vertoont. Hoe net en kon- ftig zag men de aderen van ft geheele lighaam onbefchadigt , en in hun geheel , de ledematen, hoewel vallen verhart, buygzaam. Behal ven dit, hebt gy de ingewanden, dewelke anderzmts de bederving onderworpen zyn, en zeer ligt verrotten onbedurven, zuyver, en zeer aangenaam voor ’tgezigt, vertoont, ft welk byna ongelooflyk fthynr. Om veele andere zeldzaame en voorname zaaken van uw vertoont, niet te vermelden, als bekender zynde, dan ik of myns gelyke na waarde genoeg kan uytdrukken: en om deze mynen Brief met een geringe ftyl op geile It , met geen meer omwegen op te fchikken , en op dat ik niet fchyne , vermaarde Heer , uw met zoo groote lof, als gy wel verdien- de 3 op te willen heften, ft geen ik over iaat aan die geenen, dewelke geleer- der en welfprekender zyn, als ik 5 verzoek ik vriendelyk , dat gy myn pen verfthoont, indien ik zonder eenige befchaaftheyd alleenlyk dat gezegt zal hebben, ft geen de zaak zelfs is. OndertulTchen verwonder uw niet, zeer vermaarde Heer, dat ik met ongewaflche handen, gelyk men zegt, tot uw nadere, en dat ik onderneeme, uwe ontdekkingen na myn gering verfland ge- lyk als ter beproeving te brengen, en eenige zwaarigheden tegen te werpen. Nadien uwe byzondere beleeftheyd en goedgunftigheyd omtrent my, waar mede gy my den vryen toegang hebt gegeven tot het bezien van uwe ontlee- dingen, myaanmoedigt, en daartoe een ruyme deur opent, zoo dat ik ten allen deelen my verzekere, dat gy dit myn vertrouwen niet qualyk diiyden, maar met vriendelykheyd en goedgunftigheyd aanneemen zult. Derhalven verzoeke ik ernftig, dat gy my wat verft:hoone. Voor eer ft. Vermaarde Heer , hebt gy ons getoent, de gierft-kliertjens \_glanduhe mïl'iares] van de huyd, ten deele door de huyd verfpreyd, ten deele onder dezelve gelegen. Nu blyft de zwarigheyd , Of de hayrtjes [pili] uyt dezelve voortkomen ofte niet ? Ten tweeden. Hebt gy alle de aanfthouwers vertoont het bal-zakje \ftcro~ turn] van een Menfth, op een byzondere en gantfeh nieuwe wys verhard, zoo wel bereyd, dat ’er verftheyde zaken klaariyk meer in verftheenen in eenig ander gedeelte van ft lighaam , of in het zakje zelfs van een verfth geftorve lighaam. Indien het met uw gemak overeen quam, lytmun- tende Veer, was ik begerig van uw onderrigt te wezen, Of het gemelde zak- je y tft t openbaar vertoont zynde, is geweeft van een Gelubde [Eunuchus], (welke nogtans hier te lande zelden gevonden worden) dan of het was van een menfeh, nog niet van zyn ballen [telles] berooft zynde, Nadcmaal, als Aan FREDERIK RüYSCE ikmy wel bedenke, het zelve niet ten eenernaal van vet \j>inguedo\ ontbloot was5 en dat my zoo veel te meer verwonderde, het zakje fcheen my door een middelfchot [.feftum\ , behalven de naad, in twee deeien verdeelt. Hoe veel Autheuren ik doorbladert heb, zeggen wel, dat ’er onder de huyd van het zakje verborgen is zeker vlies Dart os genoemt, makende in ’t geheel geen ge- wag van ’t vette-vlies of membrana adtfofa: want alle fchynenze daarmover- eenkomftig te zyn, dat het zakje, wanneer de ballen in zyn geheel zyn, van aiie vet is verfteken. Gy zult my dcrhalven, zeer beroemde Heer , gemak- kelyk kunnen ontfchuldigen, dat ik niet zonder reden my verwondert hebbe, nademaal ik, wegens de bygebragte aanmerking nergens gewag gemaakt te zyn, bevond, namentlyk, dat ’er onder de huyd van ’t zakje verborgen legt het vette-vlies, gelyk als in de andere uyterlyke deden van hetlighaam, uyt- genomen alleen de roede maar dat ’er allecnlyk eenvoudig word in agt ge- nomen, het vleezige vlies Dart os, gefchikt om ’t zakje in te trekken, en te rimpelen. Onder die geenen, welke ik over deze doffe hebbe doorlezen, is de zeer vermaarde Vejlingius , welkers woorden deze zyn: Maar de natuur, zyn de tot de fekerheyt geneygt, heeft de zaatvaten, met de ballen uyt hangende, gelyk als in een vliezig zakje willen verbergen, het welke ze het balzalje noemen, in t midden met een Jireep, even of het een naad was, verdeelt. Edog, het zamengef el van dit zakje is niet eenvoudig : want het bejlaat en uyt de huyd [cutis], waar aan zyn offer huyd [cuticula] gevoegt word, en uyt een vleezig vlies [membrana carnofa] , het welke hier wel dunder zyn de y egter vafl aan de huyd gehegt is, of dat het zig daar mede zou kunnen of - trekken, en Ligt er rimfelen, &c. pag. Gelyk ook de zeer vermaarde Vefalius , die het volgende van het zakje zegt: De Ballen dan, zegt hy, worden bekleed met vee te rokken of bekleea- zeis, zommïge gemeen zynde aan beyde de ballen , andere wederom eygen aan ieder bal in V byzonder* kVant da huyd en het vleezige vlies omvan- gen beyde de ballen, even als het geheele lighaam, en deze worden vafgejfelt te zyn de twee gemeene bekleedzels : het eene is wel de huyd, het geen dun- der is als eenige andere huyd van ’t lighaam, en word gelyk als met zekere naad en rimfels onderfcheyden • van zommïge word het Scrotum, maar van anderen [die meer Latynvermynente ffreeken) Scortum gezegt y in ’t Grieks word het genaamt. Het andere bekleedzel is het vleezige vlies , dat insgelyks als de huyd veel dun der is, als in ’t geheele lighaam , maar met meenigvuldiger adertjes doorweven, pag. 639. Insgelyks de zeer vermaarde en naauwkeurige Ontleeder Sfigelius, wel- kers woorden deze zyn ; Het heeft in de benedenfte f laats een Jireep, ter lengte uyt loof en de, waar mede het in een regter en linker deel verdeeld word 3 en word de naad genoemt. cap. XVI. libr. 8. I. BRIEF van JOHANNES GAUBIUS Als ik nu geen klaare en duydelyke uytlcgging van deze zwaarigheyd in de fchriften der gemelde Autheuren genoeg konde bekomen, heb ik by my zelve bellooten , my by de hedendaagzen te begeven, en dezelve te doorbladeren j onder welke de eerfte plaats heeft de naarftigen Anatomift de Hr. CP. Blajius, dewelke het volgende over deze ftoffe ons nagelaten heeft in zyne Anatomi- fche Mengelwerken , aangaande de menfehen ,en heeften, &c. alwaar hy fpreckt van ’t getal van het klootzakjc, cap. x. Een is ’er, zegt hy, in V midden met een zekere ftreep onderfcheyden. Als mede de Hr. Thil: Eerheyen, Profeflbr tot Leuven, dewelke gy tny boven anderen gcrccommandccrt hebt te lezen. Deszelfs woorden, van het klootzakje fprekendc, zyn dezen; Het word verdeelt in een r egt er en een flinker deel, door een ftreep in ’t midden, welke zy de naad noemen , en die men in de opening van het zakje, om de vaten aldaar by malkander loopende, myden moeten, Scc. Hier heb ik ook bygevoegt de zeer nette en frayegefnede Platen van den Hr. G. Bidloo , Profeflbr tot Lcyden, dewelke in het derde deel, over de af- beelding van het balzakje , deze woorden gebruykt : Van buyteil worden de hallen, buyten de buyk hangende, bekleed met het balzakje, zyn de een week en buygzaam vlies, van buyten en van binnen met een naad, volgens deszelfs lengte uytloopende, verdeelt, en met zeer veel vaten doorweven, Maar by niemand heb ik al dat geene , het welke gy ons in ’t openbaar vertoont hebt, gevonden, zoo dat ik noodig gcoordeelt hebbe , my te vervoegen tot den Autheur zelfs , uyt dewelke zulks voortgekomen te zyn, ik zelfs hebbe aangehoort, op dat ik daar van een klaarder uytlcgging van deze zaak zoude bekomen, en zekerlyk weten, of ik miflehien zommige dingen tot een klaare en duydelyke bevatting nootzakelyk , in deze Autheuren hebbe voorby ge- gaan , of niet klaar genoeg verftaan. Weshalven, zeer beroemde Heer, heb ik van uw durven vorderen een uyt- kgging van alle deze zaken, gelyk ook de manier om het zakje te prcparce- ren, zoodanig, dat het middeifchot [ fèptum], als mede het vet, vertoont kan worden. Ik wil ook gaarne bekennen, dat ik voor lang nog daar en boven hebbe verlangt na de demonftratie van het net-wyzc [corpus reticulare\ lic- haam door Malpighius \_Malpighiï\ ontdekt , en van dc pyramidaals-wyzc pyramidales] tepeltjes , zynde het waare werktuyg van ’t gevoel. Ik hebbe zomtyds hier en daar wel iets dienaangaande gelezen, maar het heeft my tot nu toe niet mogen gebeuren, dezelve klaar en onderfcheydentlyk in eer*?VcjorwerP zelfs te aanfehouwen. Ik oen ook gedwonge te bekennen, dat ik nooyt duydelyker het rugge- merg jneduUa fpinalïs], namentlyk, dat het beilaat uyt enkele en ontally- ke vezeujes, door middel van zeer dunne v hesjes aan malkanderen valige- hegr, Aan FREDERIK RUYSCH. hcgt, gezien hebbe, als in de publike demonftratie op die tyd gehouden. Dit is het geen y zeer vermaarde Heer, het welke ik uw, om een klaarder uytlcgging daar van te erlangen, zonder my te fchaamen, heb voorgedragen 5 ernftig verzoekende, dat gy myn begeerte gelieft te voldoen, ondertuflehen heb ik reden van my te verheugen, dat ik de gelegentheyd hebbe, omme tot nog toe uwe Anatomifche demonftratien te kunnen bywoonen y ende daar van waarlyk geen kleyne vrugt en voordeel trekken. Maar veel meer zoude ik my gelukkig agten} indien het uw (hoewel door onnoemelyke bezigheden belem- mert} niet verveelde, deze zaken tot dienft en gebruyk der Leerlingen in de Medicyncn af te beelden op dat het geen, het welke nog in ’t duyfter ver- borgen legt 3 door uw hulp en icver met meer gemak kan bevat en geleert wor- den. Indien gy dit niet afflaat 5 zoo zultge zekerlyk uwe naam veel roem en luyftcr toebrengen y en grootelyks het herte en genegentheyd van alle be-yveraars tot uw trekken. Wat my betreft, beroemde Heer, ik zal met een geduurige geheugenis de weldaad van uw goedhartigheyd omtrent my hoog achten, en dezelve zal in myn gedagten diep ingeprent blyven, en ik zal nooyt nalaaten, uwen naam met ’er daad en altyd met een dankbaar herte na te jaagen. Ondertuflehen, zeer vermaarde Heer , wenfche ik uw gezondheyd , en den Hemel gunne uw nog lang het leven ! tot nuttigheyd van den menfeh., en deze wetenfehap. Vaar nogmaals wel, en houd my, uw zeer toegenege zynde, onder die geenen, dewelke uw van gantfeher herte eeren. V Ed: toegenege en Eerbiedige Vrient Amftcrdam den eerden van Herfltmaand, mdcxcv. JOH. GAUBIÜS. ANTWOORT van FREDERIK RUYSCH ANTWOORT Van FREDERIK RUYSCH Aan den Geleerden Heer JOHANNES GAIJBIUS, LieJhebber der Geneeskonjl 7 Op de eerde voorgedelde Brief, Zeer Wa kjc e r e EI ee r. ®e opregtigheyd en edelmoedigheyd van uw gemoet , my overvloe- dig bekent, fpreken voor my zelfs, en ontfchuldigen my, dat ik in deze eerfte Brief-wifleling, zonder omwegen , en een opfchik van woorden, op uw Brief den cerften September aan my gefchre- ven, wegens veelvuldige bezigheden later, als ik wel hadde gewilt, uw ant- woordde. In deze Brief, wakkere Heer, zie ik zommige dingen voorge- ftelt, dewelke, in de onlangs gehoudene Anatomie, publiek ten aanzien van veelen vertoont, en aangewezen zyn , waar af gy de nadere verklaring be- geert. Ondertuflchen doet het my leed, dat gy de voorwerpen, al te ver van % afgelegen, met uw gezigt nauwlyks of niet hebt kunnen bereyken: want m een publike demonilratie kunnen de kleyne deelen zoo nauwkeurig niet van zommige bezigtigt worden, daar is ook geen tyd overig om ieder in ’t byzon- der voor oogen te leggen, het geen men gewoon is in ’t publiek te verhande- len. Daarom ben ik van gedagten geweeft, de ontleding van dezelfde voor- werpen ten mynen huyze te continueren, fn adem aal in publike demonftratien een xegelyK ten eenemaal niet kan voldaan worden \ en dat wel tot voordeel Aan JOHANNES GAUBIUS. en gebruyk van myne Leerlingen, en insgelyks van die geenen, dewelke cens anders zaken, en die haar onbewuft zyn, met quaad fprekca niet zoeken te agter halen. Ondertuftchen, zoo ’er in ’t vervolg van tyd iets zeldzaams my mogtc voorkomen , zal haar miffchien ook gelegentheyd werden verfchaft, omme de private ontleding by te wonen. Maar , om uw verzoek te voldoen, Braave Heer, zal ik tot uwe voorge- ftelde vraagen my wenden. Derhalven, in de eerfte voordel, met een begeerte tot de nieuwe ontdek- kinge ingenomen zynde, tragt gy uyt my te hooren, of de hayr en uyt de kliertjes van het bal zakje voortkomen, ofte niet ? In de onlangs gedaane demonftratie, heb ik klaarder als het middagligt aan- gewezen , dat de zeer veele kokertjes van het hayr meer uytftaken , als de kliertjes zelfs; gelyk uyt de eerfte bygebragte Figuur, Letter A. aangetekent zynde, te zien is. Ook hebben Wy toen ter tyd gezien de gezegde hayr-kokertjes , zonder eenige kliertjes voorzien , gelyk uyt de eerfte Figuur Letter B. te zien is: het geen my doed verzekeren,. en tot een zeer vaft teeken is, dat de wortels van ’t hayr niet altyd uyt. de huyd-kliertjes voortkomen , of aldaar hun oorfpronk nemen; te meer, om dat wy gezien hebben, dat het hayr op andere plaat- zen zulke diepe wortelen fchoot, dat het uyt het vet zelfs zyn oorfpronk fchecn te nemen. Wat het tweede voordel betreft: het zakje, onlangs vertoont, was van een menfch, volkome gezond, en niet berooft van zyn ballen ; in welkers opperde gedeelte Vet gezien wierd, als uyt de eerde Figuur Letter C. en tweede Figuur Letter E. blykt* zulks komt ons in zwaarlyvige menfehen niet zelden te vooren 5 maar geenzints in het onderde gedeelte : nogtans is het binnende deel van ’t zakje, zoodanig gedelt, dat het bequaam is Vet te ont- fangen, en tc behouden: want onder deszelis huyd verbergt zig het vetre- vlies niet minder, als op andere plaatzenj fchoon het hier voor het grootde gedeelte van Vet ontbloot is, leggende de vet-celletjes zoodanig op malkan- deren, dat dit vlies niet minder, als celluleus zig vertoont. Maar byaldien dit vlies, door wind opgeblazen zynde, gedroogt, en na het droogen aan mootjes gebieden word, komen de gemelde celletjes, in de derde Figuur Let- ter H. namentlyk aangewezen, te voorfchyn. Het zelfde is ook in de Ge- lubden te zien, welkers zakjes dikwils van alle kanten met vet gevult zyn. Het gemelde Vet-vlies is daar en boven nog met vleezige vezels doorweven, gelyk het in de derde Figuur Letter G. G. blykt, door welkers hulp het zakje word opgetrokken en rimpels verkrygt 5 deze vezels hebben de Anatomiften gelegentheyd gegeven, datze het geheele vlies, een vleezig vlies hebben genoemt. ANTWOORT van RUYSCH aan GAUBIUS. Wat liet derde aangaat: wy hebben in de boven aangehaalde demonftratic ver- toont , dat het klootzakje , door hulp van een middelichot , in twee deelen ver- deeld word, waar van Vefallus, Bartholinus, Verheyen ,de Graaf , en andere vermaarde en loffelyke Anatomiften 3 niets hebben gefproken j en waarom zou dat wonder zyn ? nadien al het geen , wat het zakje aangaat, in een verfch ge- ftorve menfeh zoo Üibberig en beweeglyk is, dat de ware gefchapenheyd van het gemelde fchot zeer moeylyk in ’c gezigt komt. Waarom, als iemand het zelve poogt te vertoonen, het zakje opgeblazen, en na het droogen geopent moet wor- den ; het welk gedaan zynde, vertoont zig het middelfchot van ’t zakje, gelyk uyt de eerfte Figuur, met de Letter D. aangetekent, blykt. Het gezegde fchot is met ontallyke bloedvaten overgoten. Zie de tweede Figuur, Letter F. Wat de vierde voorftelling betreft : aangaande het net-wyze lichaam van Malpighms, gelegen onder de opperhuyd. Dit heeft zyn benaming gekregen van des zelfs uytvinder, den zeer vermaarden Malpighms, dewelke met regt de eerften ontdekker daar van gehouden mag worden j zynde een man in zyn leven geweeft, dewelke in de Anatomie zeer geoeffent was. Het gemelde lichaam komt nauwlyks ofte niet te voorfchyn, ten zy na het wecken in brandewyn : en kan ook door een gemeene behandeling, en manier van ontleden, nauwlyks wor- den vertoont 5 en nog veel minder depyramidaals- wyze tepeltjes, zynde deeltjes, dewelke de Hoogleeraaren in de Anatomie, als ter loops in haar ontledingen, gewoon zyn voorby te gaan j alhoewel dezelve de Studenten in de Medicyne om haar gebruyk, datze hebben, zoo noodzakelyk zyn om te weten en te befchou- wen, dat mèn haar nooyt in eenigc Anatomi fche demonftratie, (en voornament- lyk een private) moet verzuymen. De ware afbeelding van het net-wyze en onder-opperhuydig lichaam, zoo als het door een vergroot-glas is befchouwt, wyft de 4. Figuur ons aan. De 5. Figuur de pyramidaals-wyze tepeltjes. En de 6. Figuur toont aan het net-wyze lichaam, onder de'opperhuyd gelegen, om- trent tweemaal grooter als natuurlyk. En de 7. Figtmr de pyramidaals-wyze te- peltjes insgelyks tweemaal grooter. Oridertuflchen, 'wakkere Heery indien gy uw zelfs verwaardigen zult my te komen bezoeken, zoo zal uw ten allen tyden over- vloedige gelegentheyd gegeven worden, om deze en diergelyke zaken, op nieuws in dezelfde onlang# vertoonde voorwerpen, nu al van twee Jaaren af bewaart, te mógen aaofchouwen. Hier mede vermeyn ik, zeer brave Heer, uw nieuws- gierigheyd te hebben voldaan. Vaart ondertuffehen wel, en houd uw verzekert, dat ik uw het befte in uwe itudie wenfche. FRED: RU YSCHj M. T>r. Jnat: (3 Botanices Trofeffor, i"). * - VFD'. Amfterdap, oen 4. Oiïob. 160*. TTVèerd .Xaf. . VERKLARING der FIGUUREN Van dc EERSTE TAFEL. De I. FIGUUR. IVyft aan het bal zakje van een menfch, na des zelfs op bla z ing en droogmaking boven aan geopent. A. A. De kokertjes en wortels van de hayren, zig meer uytzettende als de huyd-kliertjes. B. De kokertjes en wortels van de hayren, van de huyd-kliertjes berooft. C. Het vet in ’t bovenfte gedeelte van het zakje. D. Het middelfchot, het zakje in twee deelen verdeelende. Vertoont het bovengemelde fchot, voorzien met ontallyh bloedvaten, en op ge droogt. E. Het vet in celletjes gefloten. F. De bloedvaten door het fchot verfpreyd. De 11. FIGUUR. De 111. FIGUUR. Betekent het inwendige gedaante van een moot van hef gezegde opgedroogde zakje. G. Vertoont de vleezige vezels. H. De vet-celletjes door wind uytgefpannen. De IV. FIGUUR Het net-wyze lichaam van Malpighius 5 onder de opperhuyd geplaatf* \ door het vergroot-glas ontdekt. De V. FIGUUR. Een hoop van tepels-wyze uytfteekzels aan de huyd zittende 9 door het vergroot-glas ontdekt. De VI. FIGUUR. Het gemelde net-wyze lichaam tweemaal groot er als natuurlyk. De VII FIGUUR. Een hoop van tepels~wyxe uytfteekzels 3 de natuur lyke groote tweemaal overtreffende; 11. BRIEF van JOHANNES GAUBIUS De Tweede Ontleed-kundige voorgeftelde BRIEF Van JOHANNES GAUBIUS, Aan den zeer vermaarden Heer FREDERIK RUYSCH, Medicyne hoftor en Hoogleer aar in de Ontleed- en Kruyd-kunde, enz. Aangaande de konftige hardmaking van het Bal-zakje van een Menfch, den loop en meenigte van deszelfs bloedvaten• midsgaders de flag-aderen verfpreyd door het beenvlies der Ribbens , door de tuflehen-kraakbeenige plaatzen der Ribbens, Harte-zakje, enz. Edele, Vermaarde, en zeer Geleerde Heer, HJI oo groot is uw goedhartigheyd en beleeftheyd omtrent my, dat ’tmy dunkt, geene bequaame woorden te zullen kunnen bedenken, waar 'È mede ik beginne , en myn fchuldige dankbaarheyd bewyzen zal. m Zekerlyk ,my konde niets aangenamer voorkomen, als dat gy , uwe meenigvuldige, en zwaarwigtige , ja abfoluut nootzakelyke bezigheden aan een zydc gezet hebbende, uw verwaardigt hebt myn eerfte Brief met zoo veel goedheyd en vriendelykheyd in tc zien. Ik heb waarlyk reden, om zulks aliyd met een dankbaar hcrte te erkennen. Buyten myn verwagting, hebtgy my ook zoo een klaarc en duydelyke uytleggmg der Anatomifche quaefticn , die ik U Ed; voor eenige dagen toegezonden hadde , gegeven niet alken * maar bet heeft U Ed; daarenboven behaagt de Figuuren daar by te voegen> dewelke zoo nauwkeurig zyn, dat niemand 5 wie ’t ook zyn mag , tenzymyne Aan FREDERIK RUYSCH. oogcn my bedriegen , over deze zaaken twyffelen , of eenige tegenwerping maken kan. Hierom fchaame ik my niet U Ed: ook deze volgende zaaken voor te {lellen, niet twyftelende, of zult dezelve, volgens uwe aangeboore gewoonte en goed- hartigheyd, ook met vriendelykheyd ontfangen. In de voorgaande Brief hebt gy ons klaar vertoont de manier, en weg, om het Bal-zakje van een menfeh te bereyden * namentlyk, op wat wyze ons in het gezigt komen de kliertjes en midaelfcbot van ’t Bal-zakje, als mede des- zelfs hayr-kokerij es. Indien het U Ed: behaagde, hier ook by te voegen dc bereyding van ’t Bal-zakje, door welkers hulp de bloed-vaten m’t gezigtko- men ,en dat zonder quetzingofte fchcuring van ’t zakje ,zoud gy ons, vermaarde Heer, voor altoos verpligten. Zoodanig een Bal-zakje van een menfeh, dat nog aan ’t lichaam vaft zat, en in mumie verandert was , hebt gy onlangs, niet zonder verwondering van allen, in een privaat Collegie aan uwe Difcipu- len vertoont. Dat zelfde Bal-zakje fcheen my met opgeblazen, egter verhard te zyn5 daarenboven had gyin’t zelve de natuurlyke rimpels j ruga]9 en de langwerpige ftreep \linea longitudinalis] , waar mede anderzints een gezond menfeh voorzien is, niet alleen vernietigt, op dat men de loop der vaten des te beter en klaarder zou befchouwen j maar het hadde ook geen tegennatuur- lyke rimpels of kreuken aangenomen. Wat de natuurlyke couleur aangaat, die was niet veel verandert, maar vertoonde zig met wit en rood vermengt. In dit zakje zynde als dat van een volmaakt gezond menfeh 5 en, gelyk ik gezegt hebbe, dat boven al te verwonderen is, te gelyk van zyn lang-werpige ftreep of linie, en natuurlyke rimpels door konft berooft, kan men alle des- zelfs bloed-vaten, de kleynfte niet uytgczondert, leggende nog m haar na- tuurlyke fttuatie, zeer klaar befchouwen. Verders hebt gy ons de gelcgent- heyd vergunt, om te zien den uytgang der grootfte {lammetjes, dat is, tak- jes van de bloed-vaten, en op wat wys dezelve in de oppervlakte van ’t Bal- zakje verfpreyd worden 5 hetwelk geenzints, volgens myn oordeel, gefchie- den kan in een zakje, dat na de gemeene methode opgefneden , en op een vlakte uytgeftrekt is. Daarom verwondere ik my met, dat tot nog toe nie- mand der Ontleders deze verdeeling en verfpreyding der bloedvaten volmaak- telyk beichreeven, veel min dezelve in Figuuren afgebeeld heeft. Ik wil ook gaarne bekennen, zeer beroemde Heer, dat ik lang verlangt hebbe eens te mogen zien dc dcmonftratic van het Been-vlies der Ribbens cojiarwmj , en van het Ribbe-vlies jmembrana pleur aj ; want ik heb lang in twyffel geftaan, of het buytenfte gedeelte van ’t ribbe-vlies, #ƒ des zelfs plaatje ziende na de ribbens, in plaats van ’t been-vlies ver~ Jirekte; dan of de ribbens voorzien waren met een vlies, ’t welk onmiddelyk de ribbens inwendig bekleed. 11. BRIEF van JOHANNES GAUBIUS Wanneer ik Spigelius ccns hier over las , fcheen hymy te kennen te geven 3 dat het ribbe-vlies de nbbens tot een been-vlies verftrekte* want in ’t derde Hooftduk van ’t negende Boek zyner Ontleding, gebruykt hy deze woor- den > Niet ongevoeglyk zult ge ’t noemen het beklcetzel der nbbens, (Ey fpreekt van ’c ribbe-vlies} zoo gy de Grtekze benaammg wilt uyt drukken: want het is een vlies, het welk de geheele holligheyd van de borft, en voor nam ent lyk ook de ribbens bekleed. Indien gy my niet bevoolen had den vermaarden Ve- fahus en den uytmuntenden Barthohnus te leezen, zonde ik ligtelyk in eene dwaling vervallen zyn : want de eerde zegt pag. 711. cap. 2. Voorts, be- halven dit vlies, het welk de ribbens en de borjt bekleed, is ’er nog een an- der byzonder vlies in yder ribbe, het welk ik oordeele, dat de Grieken het tweede vlies, dat de ribbens bekleedde, genoemt hebben, enz. De laatde be- veiligt het zelfde, in het 4. Hooftduk van ’t 2. Boeks Ondertufcbenhebben de Ribbens haar been-vlies: van zornmigen genoemt de derde rok van ’t ribbe- vlies, en van anderen het been-omringend vlies. Met deze woorden fcheenen my de gemelde Autheuren het tegendeel van dat geene te kennen te geven, het welke ik uyt de Ontleedmg van Spigelius getrokken had. In uwe laatde betooging, is ’t voor onze oogen gebleken, ‘Dat de ribbens, behalven het ribbe-vlies, voorzien waren met een by zonder been-vlies :en dit nog niet alleen, maar gy hebt ook aangetoont, Hoedanig de bloed-vaten door dat been-vlies zyn verfpreyd, en haar loop verder vol- voeren door ’t ribbe-vlies heen > het welk ik tot nog toe in geen Tafels van de Ontleeders afgebceld gezien hebbe. Wy zyn ook met groote verwondering gewaar geworden , T>at de ftam- metjes der tuffchen-ribbige bloed-vaten met door het ribbe-vlies , of door des- zelfs verdubbeling, maar daar onder lief en, en dat dezelve onmiddelyk van het beeii-vlies niet minder , als de ribbens, bekleed wier den j het welk iknooyt van anderen aangemerkt gezien hebbe. Alle Aiitheurcn, zoo veel ik ’er door- bladert hebbe, getuygen uyt een mond , "Dat deze bloed-vaten door de ge- melde verdubbeling verfpreyd worden: maar gy hebt ons aangetoont , ddat zeer veele takjes uyt de ftammetjes der tuffchen-ribbige bloed-vaatjes oorfpron- kelyk , voornamentlyk door de oppervlakte na de ribbens gelegen , als mede eenige weynige door de inwendige oppervlakte na de long gelegen , verfpreyd zyn $ maar geen zint s worden 'er jiammetjes tujfchen deze twee oppervlak- tens geplaatft. In uwe doode Lichamen, al van twee Jaaren af bewaart, heb ik verder aangemerkt, dat de bovengemelde tuflehen-ribbige ftammetjes, loopende door de onderfte en binnenfte groeven [cojfarum fulci] der ribbens, veel meer, ja onnoemclyke takken gaven aan de tuftehen-ribbige fpieren , als ik my had kunnen verbeelden, of iemand van de Autheuren te kennen heeft gegeven* Aan FREDERIK 11UYSCH, ik hebbe de wonderbaarlyke loop der zelver , niet zonder verwondering kun- nen befchouwen. het zelfde voorwerp waren daar en boven nog klaar genoeg te zien de bloed-vaten, loopende door de tuflchen-kraakbeemge plaatzen der nbbens, en voornamentlyk van de inwendige mam-vaten haar oorfpronk nemende: om nog met ftilzwygen voorby te gaan, op wat wys dezelve door het been-vlics van ’t borft-been [flernum], en ook door het harte-zakje verfpreyd worden. Waarlyk, ik verwondere my, dat geen Autheur tot nog toe deze vaten af- gebeeld heeft > maar wat mag ik fpreeken van afbeelden ? Veele , alwaar zy handelen van haar oorfpronk, verfcheeien zeer van malkanderen 5 en het geen nóg meer is, het harte-zakje ook zullende befchry ven , zoo denken zy &niet cens op de vaten. Onder de Ouden is Vefalius, die in zyn Boek van de Gefteltenis van een Menfch, in het 8. Hooftft: pag. 728. van ’t harte-zakje aldus fpreekt : Het heeft byna geen flag-aderen door zig verfpreyd, nog ook aderen , ten zy zeer fyne, en geringe, byna afkomftig van die y dewelke door de omringende vlie- zen als tot een net worden qefpreyd, enz. Andreas Spigehus de Hum. Corp. Fabr. pag. 348. cap. 5. het Harte-zakje befchryvende, ipreekt in ’t geheel geen woord van deze vaten , dewelke ik ook in de plaaten van de Profeffor Bidloo niet gewaar worde. Andreas Laurentius de Hum. Corp. Fabr. cap. 9. pag. 347. heeft dit van de vaten van ’t Harte-zakje gefchreven : Het heeft gemeene aderen van de middenrifts-aderen [venae phrenicx], en nog een byzondere ader van de onder- feut el-been-ader [vena fubclavia] 3 welke zy vena caprularis noemen Van de flag-aderen fpreekt hy in ’t geheel niet. De zeer vermaarden de Mare bette, pag. 113. zegt, Hat het harte-zakje fag-aderen heeft van de middel-fchots flag-aderen [arterite mediaftinae] , die wegens haar kleynheyd nauwlyks kunnen bemerkt worden. De zeer geleerden Blafius heeft het volgende van de vaten van ’t Harte- zakje, in zyn Anatomie pag. 124. het 2. Hooftdeel ; Het heeft vaten, zegt hy, van alderhande flag, middelfchots-vaten [vafa mediaftinaj genaamt, adde- ren van de hol-ader ,en flag-aderen van de groot e flag-ader. Veflingius in zyn Anatomie pag. 145. zegt, Hat het harte-zakje nauwlyks zigtbaare flag-aderen bezit: met deze fchynt Bartholinns over een te Hem- men, by my pag. 350. alwaar hy zegt, Hat het harte-zakje kleyne aderen heeft, onder van de middel-rifts-aderen, en boven van de o x el-ader [vena axillaris] • maar geen klaarblykelyke flag-aderen. Dog hoe verre dit van de waarheyd af is, heb ik dikwils in uwe voorgemelde doode Lichamen waarge- nomen , in dewelke de harte-zakjes opgepropt zyn met zeer klaarblykelyke en ontallyke flag-aderen, wonderlyk door malkanderen loopende. 11. BRIEF van GAUBIUS aan R.UYSCH. Gy hebt ons daar en boven in uwe Lichamen vertoont de borft-klier [thymus] ofzweferik, waar in gy klaar aantoonde, namentlyk, dat dezelve met alleen in hef buytenfte, maar ook in het binnenftc gedeelte voorzien was van bloed- vaten , in zo een groote meenigte, dat deze klier overal zeer rood voorquam. Zoo dat zekerlyk niemand zou durven ftaande houden, dat men nu in dc doode Lichamen, door uw konft bereyd, niet klaarder als voorheen, zoo wel de bloed-vaten als andere ontallyke zaken kan befchouwen. Daarom, zeer vermaarde Heer, ten zy ik U Ed: door myn herhaald ver- zoek te laftig viel, oordeele ik, dat het dienftig zoude zyn voor alle, die zig in deze ftudie bevlytigen, dat gy uw zelfs voor eenigen tyd ontrok van uwe andere bezigheden, en de opregte en duydelyke verdeeling van de gemelde vaatjes, door figuuren gemeen maakte; zoo zult gy zekerlyk alle verligten. Vaart wel, vermaarde Heer, en vaart voort my enmyne pogingen te begun- ftigen. %) Ed: toegenege en Eerbiedige Vrient Amftcrdam den tweeden van Hcrfitmaand, mdcxct. JOH. GAUBIUS. ANTWOORT Van FREDERIK RUYSCH Aan den Geleerden Heer ' JOHANNES GAUBIUS, Liefhebber der Geneeskonf, Op de tweede voorilellige Ontlced-kundige Brief. Eat myn antwoord, wakkere Heer, U Ed: niet onaangenaam is gc- weeft , heb ik uyt uwe laafte Brief op den tweeden der maand Sep- tember aan my gefchreven, verftaan, waar in ik wederom op nieuws andere, en van de voorgaande verre verfchillcnde zaaken voorge- ftelt zie; en ten eerfte fchynt gy my te verzoeken, dat ik UEd: wilde mede- deelen een tweede bereyding van ’t balzakjc, waar door ’t zakje gelyk als ftcen verhard word. Dit word, waarde Heer, verrigt door een zekere konft , de- welke zoo ongemeen is, dat ik ’er wel over de vier-en-dartig Jaaren over ge- arbeyd hebbe; want ik vermeyne, dat ’er niets zoo moeyelyk is, als de deelen des menfchen lichaams, en voornamentlyk het balzakje, de natuürlyke rimpels en de langwerpige ftreep van ’t zelve weggenomen zynde, zoodanig te berey- den, en de kouleur en natuurlyke wydte behouden zynde , zonder tegen-na- tuurlyke rimpels, als een fteen op deze wys te verharden, dat het beloop van de vaten veel klaarder verfchynt, als in een levendig, of verfch geftorve lichaam. Daarom zal myn Heer, zoo ik hoope, my ligtelyk verfchoonen , dat ik uwe begeerte niet kan toeftaan, en daar toe gebragt worden, dat ik de bovenge- melde bereyding zou gemeen maken; zulks zoud gy, gelyk ikmy verbeelde, niet van my vergen, wanneer gy met my overweegt, hoe veeledaar zyn, de- welke gelyk als de Kraay van iEfopus liever met eens anders veeren willen ANTWOORT van FREDERIK RUYSCH pronken: ik kan U Ed; niet weygeren de nauwkeurige afbeelding der flag- aderen van ’t voorde gedeelte van ’t balzakje , dewelke in de tweede figuur van de tweede Tafel aangetoont word. Deze zaaken afgehandelt zynde, gaa ik over tot uw tweede verzoek, na- mentlyk de afbeelding der vaten, verfpreyd door het beenvlies der ribbens en ’t ribbe-vlies 3 waarlyk, gy zegt wel, dat zulks tot nog toe van niemand is gedaan, voor zoo verre deze vaten zig vertoonen in onze doode lichaamen, over de twee Jaaren bewaart, en tot nog toe niet verhard zynde: het zou zeer moeyelyk zyn, alle de bloedvaten, loopende door het geheele ribbe-vlies, als mede de beenvliezen, de geheele bord door, met figuuren te verbeelden 3 om welke reden ik oordeel, een kleyn gedeelte genoeg te zyn , waar in alle de bloedvaten , een wonderbaarlyke loop hebbende , overvloedig genoeg te zien zyn. Het is nauwlyks of niet mogelyk, het gcheele ribbe-vlies, en ’t vlies , dat onmiddelyk alle de ribbens bekleed , in twee bladen of opperylaktens te ver- deden ; namentlyk zoodanig, dat alle de bloedvaten in ’t gezigt komen , zon- der ’t welk het beloop daar van door de binnenfte oppervlakte na de ribbens gelegen, niet duydelyk genoeg te voorfchyn komt. Byaldiendeze onzedoode JLyken, over de twee Jaaren bewaart, verhard, en tot een Mumie verandert waren, zou dit nauwkeuriger kunnen gefchieden. Daarom , waarde Heer, indien een kleyn gedeelte van deze vliezen, met flag-aderen voorzien,genoeg zyn kan, gelyk ik dezer dagen in een afgezondert Anatomifch Collegic ver- toont hebbe, zal de eerfte figuur van de tweede Tafel het zelve aanwyzen. Ik doe ’er geen aderen by, om datze, de flag-aderen overal vergezelfchap- pende, de zelfde loop houden, en aldus word het beloop der flag-aderen zoo zeer niet verduyftert. Wat aangaat de (lammetjes van de tufichen-ribbige vaten 5 ik hebbe onlangs niet alleen te kennen gegeven, dat dezelve geenzints valt zaten aan het ribbe- vlies, of dcszelfs verdubbeling, maar aan’t been-vlies ■ maar ik hebbe ook vertoont, dat de zoo evengemelde Hammetjes bekleed en befchermt worden van de pcezen der tufichen-ribbige fpieren. In hoedanig een Haat de (lammetjes oorfpronkelyk van de inwendige mam- vaten, door de tuflchen-kraakbeenige plaatzen der ribbens loopen, en hoeda- nig haar verdeeling is niet alleen door de fpieren, beflaande de tufichen-kraak- beenige plaatzen der ribbens, maar ook door het vlies bekleedende beyde de oppervlaktens van’t borft-been, voornamentlyk de inwendige, heb ik zeer duydelyk privaat vertoont in zeker voorwerp , dat in een Mumie verandert was: in ’t zelve was te zien, dat de inwendige marn-flagaderen , met een verwarde takmaking, (lammetjes mededeelden aan de randen van de kraak- beenderen der ribbens: want ik hebbe op verfcheydeplaatzenaangetoont,dat Aan JOHANNES GAUBIUS. de gemelde mam-flagaderen, met haare Hammetjes, niet alleen de onderfte rand der kraakbeenderen van de ribbens , maar ook de bovenfte belproeyden , ge- heel anders als in de tuflchen-beenige plaatzen , alwaar ik zeer zelden, zoo ooyt , heb aangemerkt, dat ydcr rib in ’t byzonder onder en boven met twee Hammetjes voorzien word: in andere voorwerpen heb ik ook vertoont, dat de gemelde tuflchen-beenige Hammetjes alleenlyk door de bovenfte, en op zom- mige plaatzen door de onderfte rand verfpreyd wierden. Hier uyt blykt, dat het overvloedige bloed, na de wonden in’t voorfte ge- deelte van de borft toegebragt , cn in deszelfs holligheyd doorgaande, niet minder vloeyen kan uyt zoodanige wond, voor zoo veel de zelve de bovenfte als onderfte rand aanraakt, anders als in de tuflchen-beenige plaatzen 5 nade- maal de ftammctjes der vaten, gelyk ik gezegt hebbe, met een onregelmatige loop dik wils door beyde de kraakbeenige randen verfpreyd worden. De Au- theuren bcveelen zeer voorzigtig in een opening [j>aracentej7s\ van de borft een mesje te gebruyken, dat aan de eene kant ftomp is, op dat de tuflchen- ribbige vaten, leggende in de onderfte rand, in de operatie minder gequeft zoude worden. Om dat ’er tot nu in de fchriften der Ontleeders geen figuren gezien worden, dewelke de waare loop der bloedvaten door de tuflchen-kraak- beenige plaatzen der ribbens aanwyzen, nog ook net genoeg de Autheuren te kennen hebben gegeven, wat plaatzing dezelve hebben, dewyl veelen zig ver- beelden, dat de vaten, dewelke de tuflehen-kraakbeenige plaatzen der ribbens voorzien, met gelyke fchreden en op de zelfde wys alleen door de onderfte rand heen loopen, het geen egter verre van de waarheyd af is 3 wyft zulks de derde figuur van de tweede Tafel aan. Wat aanbelangt de derde voorftellingj in de zelve zegt gy te regt, zeer braave Heer, dat de flag-aderen , door ’t harte-zakje verfpreyd , niet alleen van niemand tot nog toe afgebeeld , maar ook van verfcheyde vcrzuymt, of ten ruwe befchreven, dog geenzints afgemaaid zyn ; hier over behoeft men zig niet te verwonderen, nademaal dezelve zelden of nooyt door het gemeene Ontleed-mes te voorfchyn kunnen gebragt worden. Ik hebze in onze doode Lyken, over de twee Jaaren bewaart, zoo duydelykaangetoont dezer dagen in een privaat Collegie, dat ’er niets klaarder in ’t geheele lichaam vertoont kan worden. Om derhalven uw verzoek te voldoen, en tot gemak van de leergierige Jeugt, heb ik ze zelfs afgebeeld. Ziet de 4. Figuur van de 2. Tafel. Waar in de flag-aderen van ’t harte-zakje zoo talryk door het harte-zakje ver- fpreyd worden, dat ’cr weynige, of geene vliezige deeltjens gevonden wor- den , of ze zyn overvloedig vol van flag-aderen ■, en dat aan te merken is, de gezegde flag-aderen, door ’t harte-zakje verfpreyd, zyn veel talryker, en in fynder takjens verdeelt, als ik in de gemelde Figuur uytdrukken konde* de- ze flag-aderen komen zeer dikwils uyt vyf plaatzen, gelyk met de volgende letters in de 4. Figuur aangewezen word, alwaar A. A. aanwyd de hartezaks- middelrifts-flagaderen [arterie jpericardio-diaphragmatica~\ , van my al zoo genaamt, om dat dezelve niet alleen aan ’t harte-zakje, maar ook het middel- rift [diaphragma\ gemeen zyn: deze flag-aderen in beyde de zyden aan het harte-zakje vailgemaakt zynde, geven ’t zelve verfcheyde takjens, en zoo wor- denze verder verfpreyd door het middel-rift. Wat de oorfprong of uytgang aangaat, daar in kan ik my tot nog toe niet voldoen 5 derhalven ben ik ge- dwongen dit uyt te Hellen, tot dat my zulks klaarder zal gebleken zyn. B. B. Betekenen de flag-aderlyke takken, van de middelrifts-flagaderen af- komftig, en na boven gevoert, en door het harte-zakje uytloopende. C. Voordek een nederdalend takje, voortfpruytende van het hoogfte ge- deelte van de inwendige mam-dagader, en zig vereenigende op verfcheyde plaat- zen met takjens van de hartezaks-middelrifts-dagaderen, als ook met die, de- welke haar oorfpronk nemen uyt de middelrifts-flagader, die voortkomt van ’t hovende deel van de inwendige mam-dagader. D. Vertoont de afgefnedene dammetjes van de middelfchots dag-ader ge- fproten 5 welkers takjes met de voorgemelde , op verfcheyde plaatzen met mal- kanderen vereenigt worden. Merkt ondertudchen aan, dat het harte-zakje in alle voorwerpen wel met zoo veel dag-aderen voorzien is 5 maar in het eene zullen ’er meer van dit, en in ’t andere meer van dat dammetje van een dag-ader voortkomen. Ik wil hier daarenboven aangemerkt hebben, dat ik ’er de aderen niet by gedaan hebbe, op dat de loop der dag-aderen duydelyker konde gezien wor- den : want anders zou ’er tudchen de vlegting van beyde de loop, zoo der aderen als dag-aderen, ligtelykeen verwarde en duydere afbeelding ontdaan. Eyndelyk, zeer waarde Heer, vergt gy van my in uwe vierde voordelling een afbeelding der vaten, door de bord-klier verfpreyd ; myn tyd laat my niet toe hier inne uw verzoek te voldoen , daarom wilt ditmaal ontfchuldk. gen* ANTWOORT van RUYSCH aan GAUBIUS. Vwen Vriendt Amfterdam den tweeden van Slagt- maand, in ’t Jaar 1695. FRED: ruysch. VERKLARING der FIGUUREN Van de TWEEDE TAFEL. De I. FI G U U R. JVyft aan een gedeelte van ’t ribben-vlies y met ontallyke jlag-aderen voorzien y en met fpeltjes vlak gejpannen. A. A. A. A. De flag-aderlyke takjes uyt de tulfchen-ribbige flag-aderen oorfpron- kelyk, welkers uyteyndens met een wondere loop door de oppervlakte van ’t ribben-vlies 3 gelegen na de ribbens , als mede door ’t been-ylies der nbbens verfpreyd worden. Dc 11. F IG U UR. Vertoont de verfpreyding der Jlag-aderen 5 door ’t voorjle deel van ’t zakje van een Menfch; en op dat de loop daar van duydelyker in ons gezigt zou komeny zyn ’er alle die dingen af genomen y dove elke ons gezigt zou- den kunnen verduyjteren ; en aldus word dit deel y met fpelden uytge/preyt 3 vertoont. A. A. De flag-aderen door ’t voorite gedeelte van ’t bal-zakje verfpreyd y en op verfcheyde plaatzen met malkanderen vereenigt -y de oorfpronk der zel- ver, is uyt de onder-buyks en fchamelhcyds flag-aderen [arterie hypoga- ftrica & pudenda\ y en andere daar naait bygelegene ilag-aderen. De 111. F I G U U R. Brengt ons in ’t gezigt de ge de ekens der inwendige mam-Jlag-adercn y met haare takmaakingen y genomen uyt het lighaam van een Jongen. A. A. Gedeeltens der inwendige mam-flag-aderen. B. B. Slag-adertjens van ’t ribben- en been-ylies, het agterfte gedeelte van borft-been bezettende. CC. I'akjes der gezegde flag-aderen, door de tuflfchen-kraakbeenige plaat- sen der ribbens verfpreyd. D. D. Afgefnedcnc gedccltens der tuflchcn-ribbige flag-aderen. Derzelver inmondingen, met die, dewelke door de tuflehen-kraakbeenige plaaten loopen. E. E. Slag-aderlyke takken ? het bloed niet alleen door de onderfte, maar ook door de bovenfte rand leidende. De IV. FIGUUR. Behelfl het voorfle gedeelte van *t harte-zakje, door hulp van fpelden, vlak uytgefpannen. A. A. De harte-zaks middel-rifts flag-aderen. B. B. De flag-aderlyke takken uyt dè middel-rifts flag-aderen afkomftig. C. Een flag-aderlyk fcheutje van ’t bovenftc deel der inwendige mam-flag-ader komende. D. D. Slag-aderlyke takken van de middel-fchots flag-ader gefproten ; behal- yen deze takken , word het hartc-zakje ook met flag-aderen voorzien, loo- pende door ’t agterfte deel , uyt de tuflehen-ribbige voortkomende, dewel- ke wy hier niet hebben kunnen vertoonen , dewyl hier maar alleen het voor- fte deel van ’t harte-zakje word voorgehouden. E. E. Slag-aderlyke takken van de harte-zaks middel-rifts flag-aderen, door het middel-rift verfpreyd. ' > dVeerci. 'd'af. . De Derde Ontleed-kundige voorftellige BRIEF Van JOHANNES GAUBIUS, Aan den zeer vermaarden Heer FREDERIK RUYSCH, Medicyne ‘Dofifor en Hoogleer aar in de Ontleed- en Kruyd-kunde 3 enz. Aangaande de flag-aderen door de zelfftandigheyd van 9t liart, en deszelfs oortjes verfpreyd, als mede van den uytgang der groote flag-ader uyt de linker holligheyd van ’t hart. Zeer Vermaarde en Geleerde Heer. Ndien dit zeggen van Seneca ooyt waar is 5 die ge enen, dewelke 88GB figM voor ons geveeeft zyn, hebben veel veel uytgevoert, maar daar «BR ts no& ' voerks over sen zal nog veel overhlyven. Zal 't ze- kerlyk nergens klaarblykelyker zyn 3 als in de iludie der Ont- lecd-kunft. Hoe wydt zig dezelve uytftrekt ? kan niemand beter weten , als die zelfs daar in verkeert 5 en met een naarftige arbeyd zyn handen aan ’t werk flaat • voornamen!-yk gy, zeer vermaarde Heer 3 die met zoo veclvlyt deAnatomi- fche zaaken beyvert y die dag en nagt gewoon zyt de Ontleed-konft te ceffe- nen, die geen deeltje van ’s menfchen lichaam, hoe kleyn ’t ook is 3 onaange- raakt laat i maar alles zoo nauwkeurig voor ’t gezigt brengt 3 dat veele Ont- leeders fchynen zeer fpaarzaam, en als ter loops van verfcheyde deden des menfchen lichaams gehandelt te hebben: nooyt kome ik van uw te fcheyden, of ik heb uyt uwe betooging iets nieuws gezien 5 en ben altyd geleerder weder 111. BRIEF van JOHANNES GAUBIUS vertrokken, waar van zeer veele Ontleeders, of nog onder haar twiilcn ,of in ’t geheel ftilzwygen. Ik heb tot nog toe by my vailgeilelt, dat de oortjes [auricula cordis] van’t hart haar voedzel kregen van het bloed der groote vaaten, zeer overvloedig daar in vallende: Hoe veel Autheuren ik over deze ftoffe ook doorbladert hebbe , fchynen zy alle aan dit gevoelen haar zegel te hangen : Nadien nie- mand van haar gelchreven heeft van byzondere flag-aderen door de oortjes vedpreyd: wanneer gy ons in uwe onlangs gehoudene privaate demonilratic alleen geen enkel kleyn vaatje , maar zeer veele bloedvaten vertoonde , de- welke door dezelve met meenigvuldige takjes verfpreyd zynde, zeer fraay de takjes van een boom verbeelden , ben ik niet weynig verwondert ge- weeft: om welke reden ik, deze dingen gezien hebbende, raadzaam geoor- deelt hebbe3 op nieuws my te begeven tot de fchriften der Autheuren, hier op namentlyk kennende, dat ik by haar miffehien nog iets zou kunnen ont- dekken , waar mede de knoop van myne twyffeling zoude ontbonden worden : want ik meende, dat ik in ’t doorbladeren der Autheuren, of niet aandagtig genoeg daar op gelet, of in ’t geheel van haar gevoelen en meening gedwaalt hadden> maar na een geduiirige en lange onderzoeking, ben ik eyndelyk ge- waar geworden, dat al myn arbeyd te vergeefs is geweeil 3 nademaal geen der Autheuren, die ik gelezen heb, voor zoo veel ik weete, van deze zaak een woordtje gerept heeft. Daar is nog een zwaarigheyd, 'vermaarde Heer, die my tot nog toe heeft doen twyffelen, niet regt weetende, wiens zyde ik kiezen zou, dewelke gy my nogtans in de demonirratie in doode Lichamen, over de twee Jaaren zeer zin- delyk bewaart, duydelyk en fraay hebt opgeloft. Want gy vertoonde de ilam van de groote ilag-ader [ar ter ia magna, Jive aórta~], uyt de linker holligheyd van ’t hart voortkomende, en, eer zy de naam verkrygt van de nederdalende groote ilag-ader, verfcheyde takken uytzendende , dog geenzints zoodanig geilek, gelyk de hgiuiren van veele Autheuren leereiij maar gy toonde klaar aan, op wat wys deze opklimmende ilam, na het opklimmen van drie of vier dwerfche vingeren breed, gelyk als een halve kring makende, nederdaalt, en de naam van opklimmende nederleggende , zig na de onderile leden van ’t mcnfchelyke lichaam uytftort; daarom vermaande gy met regt, dat, by aldien er eeiiigc fpleyting in twee-en tuifchen de opgaande en nederdalende ilam bevonden wierd, zulks tegen de wetten der natuur was. Derhalven blykt het klaar genoeg, dat de oude en ook zeer veele nieuwe Autheuren in deze zaak met haare figuuren grove!yk misgetail hebben. De iiguuren van de zeer be- roemde Mannen , Vefallus , Cajferius , Bartholinus , en Lmrentius y kun- nen my over deze ftoffe geenzints voldoen: nadien zy rny ten eenemaal fchy- nen van de regte weg van afbeelding afgeweken te hebben : niet meer be- Aan FREDERIK RUYSCH. haagt my ook de afbeelding 5 dewelke ik bevinde in de drie-en-twintigfle Ta- fel van den Profeflbr Bïdloo, waar in de Hammen der groote Slag-ader met de onderfleutel-beenige \rami arteria j takken gelyk als een kruys uyc- maken: Zoodanig iets , bekenne ik 5 nooyt in uwe toebereyde Hukken, nog in eenige doode lichamen in myn tegenwoordigheyd ontleed , gezien te heb- ben 3 dat zulks aldus in zommige bedien kan gevonden worden, fpreek ik niet tegen. Daar en boven bekenne ik gaarne, dat ik nooyt in eenige Figuren der Au- theuren zoo een opregte en volmaakte afbeelding der flag-aderen, verfpreyd door de zelfHandigheyd van ’t hart [eor] , voor dezen gezien hebbe , als in uwe doode lichamen , drie weeleen omtrent geleden , als mede in harten van menfehen, al van zeer veel Jaaren af hard gebalfemt, de welken 5 dat zeker- lyk verwonderenswaardig is , behalven haar natuurlyke kouleurfraay hard gemaakt zynde, byna geen rimpels vertoonden , en van de Long niet berooft zynde, hadden haar plaats egter behouden , geheel anders als in de Tafelen van verfcheyde Autheuren, welkers Figuren de harten vertoonen, na de lengte van ’t lichaam geplaatH 3 maar de uwen hebben ten eenemaal haare fchuynze zitplaats, loopende namentlyk met de punt na de linker zyde , gehouden 3 waarom gy zeer wel daar by voegde, dat hier door de klopping van ’t hart niet in ’t midden van de borH , maar omtrent het linker gedeelte van de borH gevoelt werd. Derhalven oordeel ik , zeer vermaarde Heer, dat het niet ongevoeglyk , ja zeer nuttig , en geheel en al nootzakelyk zyn zou , indien gy by gelegent- heyd bezorgde, dat 'er niet alleen een duydelyke af bedding van de voorgemel- de vaten van de hart-oortjes, maar ook van ’t hart zelfs, als mede van de groote flag-ader, en deszelfs verdeeling door Figuuren , in ’t ligt quam: want op die manier zullen die geenen, dewelke zig in de Ontleed-kunde bevlytigen 5 tot de volmaakte kennis geraken 3 Ik zou niet durven twyffelen, beroemde Heer, of gy zult my, die uw zoo ernHig daar om fmeeke, dit billyk verzoek niet afflaan , nademaal ik verzekert ben, dat gy liever de wetenfehappen voortzet, cn in anderen aanqueekt , als dat gy alleen in uw zelfs uw wilt verwonderen. Vaart wel} zeer vermaarde Heer3 en bemind my na uw gewoonte, mdcxcv. JOH. GAUBIUS. ANTWOORT van FREDERIK RUYSCH ANTWOORT Van FREDERIK RUYSCH Aan den Geleerden Heer JOHANNES GAUBIUS, Liefhebber der Geneeskonf, Op de derde voorftellige Ontleed-kundige Brief, Zeer Wakkere Heer. N uwe laatfte en derde Brief zie ik dat gy myn lof boven myn S||S verdienften zoekt uyt te breyden 3 ik verzoeke ernftig, dat zulks pijl na dezen wat fpaarzamer mag gcfchieden: want uw is niet onbe- Splp kent , gelyk gy wel zegt, dat ik nergens meer voor zorge en ter m harte nceme} als dat ik tragt de wetenfehappen voort te zetten, en in die geenen , dewelke waardig geagt worden, liever aan tc queeken, als my by my zelfs daar over te verwonderen, en met zoo veelloftuyringen, daar ik waarlyk myne ooren niet toe verleene, opgeheven te worden. Ondertuflchen verfta ik, dat gy de oortjes van ’t hart, onlangs van my in een privaat Collegie vertoont, ter onderzoeking brengt; dewelke, op datze van haar levenskragten en voedzel niet zoude berooft worden, byzondere flag- aderen noodig hebben, waar door het flag-aderlyk bloed in een vereyfchte me- nigte tot voedzel tot haar zouden worden gebragt. Gy oordeelt wel, dat zoodanig iets tot nog toe van niemand der Ontlee- ders is vertoont ; ja het is te verwonderen , dat Profeflbr Bidloo deze zoo groote en klaarblykelyke llag-aderen niet gezien heeft, daar hy nogtans in ’t °penbaar ftoft, dat hem niet alleen deze onze uytvinding om de lichaamen tc bereyden en te bewaren bewuft is, maar dat hy dezelve al voor my geweeten heeft: waarlyk ? men moet zig verwonderen, dat hy de figuuren dezer flag- aderen , dewelke door onze konft ligtelyk voor ’t gezigt zig opdoen, niet ge- zien, nog belaft heeft dezelve in zyne Tafels in te voegen. Met regt matige ik my zelfs? en myn Zoon, de uytvinding van dit konftwerk aan * en indien Aan JOHANNES GAUBIUS. ft hem voor my is bekent ge wee ft , waarom heeft hy zulks niet openbaar, ge- lyk ik gedaan hebbe, in de Zomer, en wel in de honds-dagen vertoont? JBy deze konft word dit vereyfcht , niet alleen, dat alle de bloedvaten van ft ge- heele lichaam, en voornamentlyk de flag-aderlyke , geen uytgezondcrt, ja zelfs de bloedvaatjes, dewelke gefpreyd worden door de rok, of vlies, be- kleedende de gehoor-beentjes, als met bloed in een behoorlyke quantiteyt ver- vult , vertoont worden * maar ook dat zy zoo vaft en hard zyn, datze met haare takjens uyt het menfchelyke lichaam gehaalt konnen worden. Ik hebbe Uwlieden eenige reyzen in een privaat Collegie voorgehouden de bloedvaten, door de Milt, Long, Lever, en andere deden verlpreyt, zoo ftyf, en met een roode koleur doorverwt, dat niet alleen de takken, maar ook de aller- kleynfte takjes der takken, van de klieragtige zelfftandighcyd ontdaan en ge- droogt zynde, konde gezien worden} en deze gezegde takjens zyn zoo fyn, dat ik nooyt zoodanig iets gezien, of van anderen gehoort hebbe. Ten tweede, word ’er in deze konft vereyfcht, dat de doode lichamen in ver- volg van tyd een hooger rood van zig geven; dit blykt in onze doode Lyken, het voorgaande Jaar van my in ft openbaar vertoont, waar van het andere zonder verf,quaft,of eenige bedriegery nu veel mooyer en rooder geworden is, als voor die tyd. Ten derde, word ’er in deze konft vereyfcht, dat ’er door deszelfs hulp in de doode lichamen, aldus bereyd, en na de twee Jaaren bewaart, ook verfcheyde deeltjes, ja de kleynfte gezien worden, dewelke anderzints nog in een leven- dig , nog in een verfch geftorve lichaam gezien kunnen worden. Ten vierde, de doode lichamen, door deze konft bereyd en bewaart, moeten van tegennatuurlyke rimpels bevryd wezen. Ten vyfde, die deze gemelde konft bewuft is, zal ook de water-vaten [vafa Lymphatica] weten aan te toonen, en dat eenige J aaren na de dood, gelyk ik de- zelve in ft privaat Collegie gewoon ben te vertoonen: en dat te meer te verwon- deren is, de gezegde water-buysjes, met graauw water \Lympha\ opgevalt, hebben haar couleur over de twee Jaaren lang bewaart j ik heb nog geen reden van te twyffelen, of deze couleur zullen ze een eeuw lang behouden , zoo de doode lichamen maar zoodanig, als ik gewoon ben, bewaart- worden. Ten zesde, wien deze onze konft bekent is, zal hem ook een venftcr geo- pent worden om de uyteyndens der flag-aderen te openbaren, namentlyk,dat dezelve in alle de dcelen van ft lichaam niet van een en dezelve gefteltems zyn, nog ook overal in een net-wys lichaam’) corpus reticulare\ veranderen • en dat ’er bygevolg in de doortogt van ft bloed, uyt de flag-aderen in de aderen, eenige verfcheydenheyd of verandering moet ontftaan, na dat dezelve in dit of dat deel verrigt word. Ten zevende, hy zal niet onkundig zyn, wat de ronde f glandnU cong^ata] ANTWOOkT van FR.EDER.IK R.UYSCH, of ongemengde klieren zyn, en dat dezelve geenzints van zoodanige t’zamcn- ftel zyn, als ze van de hedendaagze genaamt worden. Ten agtfte, zal hy ook weten, of zal ten min ftenligtelyk tot die ken nis gera- ken , dat dc uyteyndens van zommige flag-aderen door vry ven in enkel water los te maken zyn, al zynze verfch uyt het lichaam gehaalt 3 indien iemand dezelve met haar aankleven wilde houden voor de bloedige [ parenchyma\ zelf Handig- heyd van de ingewanden der Ouden, zal ik ’er niets tegen hebben. Ten negende, hebbe ik door middel van deze uyt vinding ookaanmyn difci- pulen bekent gemaakt, dat het vogt, dienende tot het bevogtigen der oogen, en inde zeer kleyne vaatjes van de oogfcheelen \_palpebrte~\ begrepen, zoodanig verdikt worden, en precipiteren of nederzinken kan, dat het zelve na de dood zeer duydelyk in ’t gezigt komt. Indien zyn Cabinet voorzien, en verciert is met diergelyke doode lichamen van J ongelingen, over de twee J aaren bewaart, waarom legt hy ze dan niet ten toon, gelyk ik gedaan hebbe in de voorlede honds-dagen ? Het blykt klaarder als ’t middag-ligt, dat deze onze konft tot nog toe ver- borgen geweeft is, en zulks beveiligen ook de figuuren van verfcheyde Ont- Iceders, dewelke op verfcheyde plaatzen van haare boeken zober en fpaarzaam vertoont worden. Indien ’t de Groote en Goede God behaagt, my leven, gezondheyd, en tyd te vergunnen, hoope ik, dat ik door hulp van deze konft meer dingen, dewelke de Anatomiften nog onbekent zyn , aan den dag zal brengen. Maar om wederom op de weg, waar ik van afgeweken was, te komen: De Autheuren hebben de flag-aderen, door dc zdfihndigheyd van ’t hart loopende, kroon-ilagaderen [ar- iër ue coronaria\ genoemt, en dat met regt, nademaal zy met haare dammetjes, uyt de wortel van de groote flag-ader, boven de halfmaan-wyze \yalvul en geen zigtbaare hollïgheyd hebbende, bondelkens van draaden, looiende door t gebeele lichaam tot aan het gemeene bekleetzel der vaten, of de doos. Maar ik hebbe nooyt zoodanige vezels in de milt van een menfch gevende* fchoon ik alle naerftigheyd daar toe aanwende. Dog in een kalfsmik is die zaak wel zoo gelegen: want in de zelve komen behalven de Slag-aderen en Slag-aderlyke bondelkens (de aderlyke ontbreeken hier , anders als in een men- fche milt} ontelbaare vezels te voorfchyn, met een verfcheyde zamenhang en een ongeregelde plaatzing gefchikt , takagtig, en onder malkander gevlogten , in welkers tuftchen-plaatzen de uyteyndens der vaten, de zoo meenigmaal ver- haalde bondelkens of qualies verbeeldende, verborge leggen: de bovengemel- de vezels fcheynen in een kalfsmilt van groot gebruyk te wezen, namentlyk, om de groeven door de milt van een kalf, in plaats van aderlyke takken, verfpreyd te onderfchragen, op dat ze niet te zeer van ’t wederkeerende bloed uytgezet worden. Zoodanige vezels zyn in een menfche milt, met geen groeven maar aderen voorzien, niet van noode. Miflchien zal iemand zeg- gen, zoodanige vezelen in een menfche milt zomtyds gevonden te hebbe, wanneer het bloed en de alzoo genaamde klieren uytgefpoelt en weggedaan zyn. Ik antwoordt, dat my ook meermaalen zoodanig een verfcheynzel is te voore gekomen, na de ontvlyzing van de milt (gelyk men gewoon is te zeg- gen) want dan verbeelden de bloedvaten Vezels te zyn : maar als de ader en Slag-ader voor de zoo genaamde ontvleyziging vervult word , zullen wy be- vinden, dat de menfchelyke milt niets byzonders tot zyn gefteltenis ontfangt, als Slag-aderen en aderen, met gelyke fchreede loopende, nauwlyks zigtbaa- re water-vaten, als ook kleyne Zenuwen, en een vlies, de gezegde vaten in haar plaats houdende, en bekleedende. Aldus is de [placentauterina] moer- koek ook van geen Vezels voorzien, geenbyzondere klieren, nog Celleties, tuflehen de bloed-vaten geplaatft: want de [vena umbilicalis] navel ader en \_arteria umbilicales\ Slag-aderen ligtjes opgevult zynde, zullen wy gewaar worden, dat haar geheel maakzel niets anders is, als een vergadering van Slag-aderen en aderen, gelyk in myn fny-kamer klaar te zien is. Wat het vierde verzoek omtrent het wezen van de milt-Celletiesaangaat- hy is niet van myn gevoele, dewelke vaft wil Hellen, dat de zelve in de milt van een menfeh gevonde word: want noyt heb ik zoodanig iets in dit inge- wand van een menfeh, wel geftelt zynde, gevonde ; na de affeheuring of wegneming van ’t vlies , des menfehen milt bekleedende, worden de bondel- kens der vaten, van anderen klieren gezegt, op verfcheyde plaatzen ook wel te gelyk weggenomen, zoo dat ’er dan kleyne groefies gemaakt en nagelate Worden, gelyk wy zien te gefchieden in een dikke garftepap, waar uyt eeni- ge greyntjes garft genomen zyn j wie ziet niet, dat het met de reden niet over- eenkomt zoodanige door konft gemaakte groefies de naam van Celleties te ge- ven ? maar in de milt van een kalf moet men iets celluleus toeftaan: want de vlegting der bovengenoemde Vezelen vol gaatjes zynde, is de Celleties ge- lykformig. Derlialven worden ’er geen Celleties , ook geen zo zeer berugte dwerfchc vezelen in een welgemelde menfche milt vertoont. Prof. Bidlo vertoont in de 4. en 5. figuur van de 3 5 rtc tafel geen geheele milt, maar alleen een gedeelte van de zelve, opgeblazen, gedroogt, en over dwerfcliopen gefneden, waar in niet alleen de zoo meenigmaals verhaalde Celleties worden aangewezen, maar ook het weefzel der vezelen, en de lichaamen der kliertjes 3 daar en boven voegt hy ’er de manier van bereyden by, dewelke men gewoon is te gebruyken in de bereyding van een kalfs milt, namentlyk , een infpuyting van enkel water, en een uytfpoeling. Maar ik zie niet, dat het mogelyk is, op deze wys de geftekenis van een menfche milt na te fpeuren 3 want door het fpuyten met gemeen water door de milt-ader van een menfeh kan het bloed wel uytgefpoelt worden, maar niet de bloedvoerende bondelkens, kliertjes genaamt: de reden daar van is, dat de milt-ader in een menfeh met gaatjes zoo niet gelyk een Zeef doorboort is, als in een kalfsmik; en de milt-ader van een menfeh eyndigt ook zoo niet in fleufies, als een kalfsmik, door wel- ke gaaten en fleuven of groeven de gemelde bondeltjes uytgefpoelt en uytge- drukt kunne worden, wanneer het bckleedende Vlies ongefchonden is : Daar en boven hoe tcedcr', en breekbaar dit Vlies is, dat de milt van een menfeh omringt en bekleed, weten die geenen, dewelke zig meer toeleggen op het onderzoeken van menfchelyke lichaamen als van heeften : maar het vlies van een kalfsmik is zoo taay en dik, dat het lang ongefchonde gchandek enge- vreven worde kan. Het gaat nu in ’t 35fte of 36. jaar, dat ik het eerfte de- ze bereiding in een kalfsmik ondernomen heb, met de Slag-aderlyke boven- gemelde bondelkens door de gaaten van de kalfs-milt-ader, als mede de groe- ven, dewelke in plaats van takken van de ader zyn, zagtjes uyt te perften, en dat alleen in enkel water ; dit volbragt zynde, hebbe ik de mik, met ma- tige wind opgeblazen, na ’er een band omgedaan te hebben, gedroogt, het bekleedend vlies ongefchonde zynde: na de drooging nam ik met een zeer fcharp mefie het vlies af, en aldus vertoonden zig de vezels gelyk als een net doorvlogten, en haar natuurlyke ftand bezittende. Daar na hebbe ik in an- dere kalfsmiken voor k opblazen eerft de Slag-ader met een Wafch-agtige ftoffe opgevult, en aldus deszelfs takmakingen loopende als een boom of roo- de Coraal ontdekt; Na my waren ’er verfcheyde van myne Dicipulen, waar onder de Prof Bidlo, en de Hr. Sterchïus, en anderen, die het zelve na ge- bootft hebben. Uyt deze dingen meen ik genoegzaam te biyken , dat men, gelyk ik al dikmaals in ’tprivaateCollegiegezegthebbe,nietteveelvertrouwenmoet op de befpiegelingen in de ingewanden van heeften in ’t werk geftelt, nadcmaal ’cr een groot onderfcheyd is tuftchen de ingewanden dermenfehen, en die der heeften : ik moet nog daar en boven een voorbeeld bybrengen , waar door blykt, wat nadeel die geenen in’t tocëygencn van ’t gebruyk der deden aan- brengen, dewelke gewoon zyn de deden van de lichaamen der heeften te on t- leeden : De zeer beroemden Profeflbr Fr: dele Boè Sylvius 5 die niet alleen zeer ervaren in de pra£tyk der Medicynen was, maar ook zeer fchrander in de Ontleedkunft, heeft zig omtrent de gefteltenis van des menfehen Milt, in *t toeê'ygencn van deszelfs gebruyk niet wel bedagt, en dat om het befchouwen van Kalfs Milten: want als ik eertyds die voorfchreve vermaarde Heer eens toonde de Kalfs Milten op onze bovenverhaalde manier bereyd en gedroogt, en met vezels voorzien, verwonderde hy zig zeer , en maakte geen zwarig- heyd dit tot de Milt van een Menfch over te brengen , als blykt uyt het 43. hooftftuk van’t eerfte boek van zyne Pra&yk in de 4. paragraaph, alwaar hy aldus fpreekt. Het wonderbaarlyk weef zei van de zenuw agtïge vezels omtrent den ingang van alle de bloedvaten in de Milt, dezer eeuw van zeer fchrandere Ontle- ders ontdekt y bevejiigt niet weynig myn meening aangaande het fynder en gee- ft iger maken, en gevolgelyk verder voltooyen van ’t bloed, door behulp van de dierlyke geeft en , dewelke aldaar in overvloed na toe loop en. OndertufTchen is ’er, gclyk ik hebbe gezegt, zoodanig een weefzel van ze- nu wagtige Vezels in de Milt van een Menfch niet te zien. Hier mede , en de Figuur der Milts vaten daar by gevoegt zynde, oordeel ik, zeer naarftige Camfdomercus, dat ik uw verzoek voldaan hebbe. Uwe begunfliger van Uwe ftudiën. FREDERIK RUYSCH. Gefchrevcn in Amfterdam den 4. van Blocy-maand, in ’t jaar mscxctx. De VIERDE TAFEL JVyft Vier Figuren aan, Welkers EERSTE vertoont de Milt-ader vaneenMenfch , omtrent welkers takken 5 door de milt verfpreyd , aan te merken is ; dat dezelve veel meer in’t getal zyn, als ik hier, buyten verwarring, hebkonnenafbeelden ; ten tweede, moet men ook aanmerken, dat deze zeer kleyne uytbreydingen, de- welke ik hier enkel hebbe afgebeeld. zamengeftclt, en loutere bondeltjes als penceeltjes zyn , gely kde 4,. Figuur aanwyft. Ten derde, dat de uyteyndens dezer bondeltjes eenigzints berooft zyn van haare verdere zappige cn weeke uytbreydingen, dewelke in zuy ver water ligt verfmelten. De Tweede FIGU UR vertoont de ftam van de Milt-flag-ader van een Menfch, flangs-wys voortkruypende, welkers takken, uytgezondert een, afgefneden zyn, dewelke anderzmts met de milt-ader overal net overeenkomen. * De Teerde FIGUUR wyft een gedeelte van een Kalfs Milt, zoodanig openge- fneden, dat deszelfs tuflchen-plaatzen, celletjes of huysjes genoemt, als ook de dwerfche vezels in ’t gezigt komen. De Vierde f IGUUR vertoont twee takjes van de Milt-vaten, met de daar by behoorende bondeltjes, welkers eerfte met de Letter A geteykent, is een takje van de ader, en het tweede met de Letter B aangewezen, is een takje van de flag-ader > hier moet wederom aan gemerkt worden j dat yder bondcltje veel meer uy tgebreydc vaatjes in zig begrypt, of meer vermengt en zamengeftelt is, als hier, om de verwerring en verduyftering te meyden, is uytgedrukt. UYTLEGGING van.de I. FIGUUR. A. He ftam van de Milt-ader* B. Het korte aderlyke vat, [vas breve venofum] door de maag [ventriculusj ver- fpreyd. C. He kleynfte takjes van de zappige en weeke uytbreydingen eenigzints berooft. D. He fpeen-ader [vena htemorrhoidalisj afgefneden. E. E. Adertjes door het vlies aan de milt gelegen en vaftgegroeyt haar oorfpronk nemende uyt de milt-ader. \ F. Een adertje, of het andere korte vat, uyt het binnenfte van de milt voortko- mende , alwaar aan te merken ftaat, dat zomtyds meer korte vat en, de ader- lyke genoemt, zig vertoonen, als hier aangewezen word. G. Een uyt de wat er-v aatjes, de milt ader vergezelfc happende, UYT LEGGING van de II FIGUUR. A* He ftam van de milt-ftag-ader. 88. He afgefnedene takken. C. He kleynfte takjes van ’t zappiger en weeker uyteynde eenigzints berooft, al» waar ook aangemerkt moet worden y gelykvan de takjes der milt-ader ge zegt isy dat de kleynfte uytfpruytingen, dewelke ik hier maar enkel vertoone y za- lft enge fielt, en loutere bondeltjes ofpenceeltjes zyn. D. Het korte ftagaderlyk vat [vas breve arteriofum] door de maag verfpreyd, omtrent welkers uytgang aan te merken is voor eerft 3 dat het zomtyds in een getal van twee ofdt ie voortkomt: ten tweede, dat zulks ten aan zien van zyn uytgang verfchillende is: want het komt dikmaals voort op dieplaats} dewel- ke hier aangeteykent is; ook zend de milt-flagader dik wyls van yt binnenfte des milts een ofte meer takken na het Imker gedeelte van de maag y het welk ik in V aderlyke korte'vat met letter F.geteykent in de eerfte Figuur afgebeeldhebbe. E. Eenigeftagaderlyke takken door het al~vleefch [^pancreasJ of maag-kujfen ver** fpreyd3 dewelke veel meer in V getal zyn y als ik hier hebbe vertoont. UYTLEGGING van de 111. FIGUUR. A. Een gedeelte van de Milt van een Kalf-y na het uythaalen der bovenverhaalde bondeltjes, en daar na het openfnyden vertoont. B. He dwerfche vezels. CC. He tujfchen-plaat zen der vezels, die men celletjes noemt y en die men in de natuur lyke ftaat nooyt ondervind3 in de milt van een menfch. U YTLEGGING van de IV. FIGUUR A. Een takje van de milt-flagader. B. Een takje van de milt-ader. C 3 Bondeltjes als penseeltjes, omtrent welken aan te merken is, dat zy van mal- kander en uytgefpreyd zyn y op dat ze zig wat duydelyker zoude kunnen vertoe- nen : maar in een natuur lyke ftaat leggen ze op malkanderen, ’Z’Veerd ■ ZZaf.z-j . De Vyfde Ontleed-kimdige voorftellige BRIEF Door GERARDUS FRENTZ, M. D. Aan den zeer vermaarden Heer FREDERIK RUYSCH, Medicyne fDoölor en Hoogleeraar in de Ontleed- en Kruyd-kunde , enz. Aangaande de Bloed-vaten van ’t Been-vlies van ?t Scheen-been, als mede de wegen, door dewelke de Gal in de Galblaas gebragt werd. Wel Edele en zeer Eryare Heer, oe meenigmaal ik my tot ernftiger oeffeningen begeeve, zo dik- BtJSSw Ê maaE kome Uwe zeer zeldzaame en nooyt volprezene zaaken my IPÖ wte binnen: meene de zeer vreemde en geneugelyke zaaken , de- Eifc jy welke my voor dezen te Amllerdam, wanneer ik my daarecnige tyd ophield, met den zeer Eerwaardigen Heer Richardus * op uw fny-kaamer zyn vertoont. Deezer dagen is my van een vriend behandigt de eerfte ontleed-kundige voorftellige Brief, van den zeer braaven Heer Johan- nes Gaubius , en uw daar by gevoegt antwoord , met fraaye Figuren verciert, dewelke my ten hoogfte hebben aangedaan 5 en dezelve wel doorleezen zyndc , heeft my volkome genoegen gegeeven, want die vertoonde een nieuwe, en op dat ik zoo fpreeke, een ongehoorde balfamatie der lichaamen , door welkers kragt de doode lichaamen na twee Jaaren haare natuurlyke kouleurnog hadde behouden, cn wel zonder eenig bedrog of blanketzel bereyd. Door deze konft, zoo ik my niet bedriege, zal men ligter en veel nauwkeuriger de ingewanden, bloedvaten, en zeer veel andere deelen van ’t lichaam kunnen onderzoeken. Ik hebbe wel Spanien, Vrankryk, Holland, en andere landen bezogt, maar nergens, ja ook niet in myn vaderland zelfs, zoodanig iets gezien of bevon- den; de doode lichaamen twee Jaaren lang, zonder eenige verrotting met haar levendige kleur doordrongen, en alle de leden buygzaam, fchoon valt, en niet zeer hard, als snede tot de ontleeding bequaam ■, de ingewanden in hun geheel, onbedurvcn ,en zeer aangenaam voor ’t gezigt, te bewaaren, gaat waarlyk myn verftand en verwagting, als mede van onnoemelyke anderen meer, om openhar- tig te bekennen, verre te boven. Verders bekenne ik ook gaarne, zeer *vermaarde Heer , dat ik nooyt van zo- danig een tuflchcn-fcheydzelft gene het bal-zakje in twee deelen verdeelt,als ook van de vet-huysjes in ’t balzakje begrepen , gehoort, en veel minder gezien hebbc. Zekerlyk men mag zig wei verwonderen , dat door behulp van deze nieuwe vinding de pyramidaalswyze tepeltjes, als mede het net-wyze lichaam onder de opperhuyd te voorfchyn komen, en dat wel in doode lichaamen zedert twee Jaa- ren geftorven. Dit voorbeeld, zonder voorbeeld, heeft zeer veele tot een hooge verwondering gebragt. Met uw welneemen, uitmuntende Heer, onderneeme ik te vragen, nade- maal het een bekende zaak is, dat een ontfteeking \tnflammatid\ zyn oorfpronk neemt van een verftopping der bloedvaten, uyt wat oorzaak dan dit gebrek zoo meenigmaal ontftaat in bloedelooze deelen, namentlyk het pannevlies \pericrani~ urn] , de vliezige bekleedzels van de kniefchyven, [ futeLLa\ fcheenen , [tibia] en andere deelen ; ’twelk zomtyds de menfehen in gevaar van haar leven ftelt * egter befpeurt men in deze deelen zeer zelden een bloedvaatje in ’t ontleeden van doode lichaamen 3 ondertuflehen ben ik begeerig re weten, of door uwe nieuwe 11 ytvi 11 ding meer bloedvaten in de voorgemelde beenvliezen [periojiia] kunnen ontdekt worden, welkers verftopping een ontfteeking veroorzaaken kan. Niet minder tragt ik ook te weeten, of gy iets vafter door uwe konft ontrent de weg van de gal na de galblaas \yejiculafellea \ ontdekken kund ; namentlyk of dit gefchied door wortels van de gezegde galblaas, in dcszelfs bodem zynde 3 dan of’t komt door de klieragtige zelfftandigheyd van de galblaas ? of miflehien door de galblaasweg \dußus cyjdcus ] ? gelyk onze Arnïjaus, en anderen geoordeelt hebben. By myn tyd, doen ik te Leyden ftudeerde, is ’er over deze zaak hevig getwift, en tot nog toe hebben de voornaam ftc ontleeders my ook niet voldaan: maar by aldien gy, zeer vermaarde Heer, door uwe nieuwe konft ditkonde doen, zond gy my en ontelbaare anderen verpligten. Langer en met meer zaaken durve ik U Ed: voor ditmaal niet laftig vallen, maar na voorgaande gedienftige groctcnis, bevcele ik Uw, uytmuntende Heer, van ’s herten grond aan de Goddelyke bcfcherming, op dat gy tot groote nuttigheyd der geneeskonft, de ontleed-kunde verder mag voert zetten. Zyt hier mede ge- groet, en vaart wel, leeft lang en gelukkig, ten'befte van ’t gemeenebeft, tot fteunzel van uw huysgezin, en vreugde uwer vrienden. Ik ben, en blyve uwe vriend van ganfeher herte. GERARDUS FRENTZ, M. Dr. Luhsk den negcii-emwintigflc Van Wintermaand, 1695. ANTWOORT Van FREDERIK RUYSCH Aan den Edele en welgeoeffende Heer o gerardus frentz, Zeer ervaare Arts, Op deszelfs ontleed-kundige voorftellige Brief, dewelke onder onze brieven de vyfde in ordre is, aangaande de vaten van ’t been-vlies van \ fcheenbeen en kniefchyf, als mede de wegen van de Gal tot de Galblaas. Wel E*d el e Heer. S|, e Brief, welke ik onlangs van Uw ontfange hebbc , is my * zeer aangenaam geweeft : want ik konde my nooyt diets ma- I ken , dat ik geheel en ai, na uw vertrek van Amfterdam , uyt | uwe geheugenis zoude geraakt wezen, gelyk ik niet zonder de grootile verwondering tot nog toe uyt uwe al te lange ftilzwy- ging begon te vermoeden. Is ’er U nu, zo gy zegt, eyndelyk gelegentheyd voorgekomen ? zond gy zonder dezelve , ten waare gy dezen Brief ontfangen hadde , my nooyt gedagtig geweeft zyn ? in dezen uwen Brief zie ik cenige dingen van U aan my voorgeftelt, namentlyk, dewyl het een bekende zaak is , dat alle ontj! ec-king zyn o erfp ronk neemt uyt een verpopping der bloedvaten, uyt wat oorzaak dan dit gebrek zoo meenigmaal ontjladt in bloe- de looze deden , namentlyk het pannevlies ,de vliezige bekleedzels van de knie- fchyven , fchecn-l eender en, en andere deelen > &e. In der waarheyd bekenne ik , Edele lieer , dat de gemelde bloedvaten van de ontleeders tot nog toe met uytgebeeld zyn, en dat dezelve ook niet in de Anatomifche Demondra- tie, dewelke in ft openbaar gehouden word , van haar aangetoont worden, ANTWOORT van FREDERIK RUYSCH nadcmaal deze vaten zeer zelden , zoo ooyt, in een gemeene ontlecding tc voorfchyn komen: dog niemant van haar heeft getwyffelt, of daar zyn even- wel bloedvaten in ’t beenvlies van de fcheenbeenderen , en van andere deelen: men noemt alle de vliezige deelen wel bloedeloos , voor zoo veel ze in een natuurlyke ftaat witter zyn, maar ze hebben geen gebrek aan bloedvaten, wat mag ik van gebrek fprecken, ik hebbe door onze konft bevonden, dat dc been- vliezen van ’t geheele lichaam vol zyn van gemelde vaten. Zoo gy , Edels Heer , luit hebt te zien de loop van de flagaderen door ’t beenvlies van ’t fc{iecn- been loopende , als mede door ’t peesagtig bekleedzel van de kniefchyt geno- men uyt een jonge, wyft de eerfie Figuur van de vyfde tafel uw dezelve aan; de gezegde vaten van ’t beenvlies van ’t fcheen-been neemen haar oorfpronk uyt beyde de kanten van yder fcheenbeen, en voornamentlyk uyt de kuyt-va- ten, [vafa furalia\ en zyn zoo meenigvuldig, dat,alsze altemetmet bloed of een wafchagtige ftoftè opgevalt zyn, het geheele beenvlies zeer hoogroos zig vertoont. Niemand moet denken , dat de uytcyndens van deze flagaderen, dewelke wy hier vertoonen , vezels zyn, en geenzints de kleynfte takjes of fchcutcn der flagaderen ; want ik heb klaarder als ’t middag ligt aangetoont, dat de kleynfte takjes van deze flagaderen niet alleen dezelfde loop met de grooter Hammetjes houden, maar ook dezelve gedaante bewaaren, zoo dat ik oordeele, dat deze dingen buyten alle twylfel aldus geftelt zyn. Wat uw tweede verzoek , Edele Heer , aangaat , namentlyk de wegen, waar door de Gal tot de Galblaas gebragt word. Het is door zoo veele waar- nemingen van my niet alleen, maar ook van den zeer vermaarden Hoogleeraar Bohnius in ’c werk geilek , bevonden , dat dc Gal van de Galblaas voor ’t grootfte gedeelte door de Galblaas-weg komt, zoo dat ik niet langer hierover twyffelen kan 3 te meer, dewyl ’er geen wortelen uyt den bodem van de Gal- blaas voortkoomen, alhoewel dezelve in de figuuren van den welgeoeffenden Higmorus, en na hem, van den vermaarden Prof. B 'tdlo vertoont worden: ik zegge 3 dat 'er geen wortels zyn , voortkomende uyt den bodem van de Gal- blaas , gelyk ik ook aarigeteykent gezien hebbe by den wel Edelen Heer Joh. Chriftoph. Schroerus, in zeekere zeer net befclireeven ontleed- en natuurkun- dige oefFening, alwaar men deze woorden vind, op de 12 !e bladz. Zoo dat ik derhalven voor zeeker hefluyten kan, dat in diergelyke beeflen al degal door de galblaas-weg, en niets door de wortelen inde galblaas geftort word: gely- kerzzys in die gefchïed 3 alwaar de Galblaas met de le ver geenzints ver 'èenigt f; °f'er in een menfeh een by zonder maakzel hier van plaats heeft, om dat i>idlo dit beveftigt en afgebeeld heeft, heb ik wegens gebrek van eenmenfche- lyk voorwerp n~iei kunne beproeven : ik vreeze nogtans , dat hy liever dooi een vooroordeel, als ondervinding de opening van deze wortelen vaft ge feit heeft. Aan GEKARDUS FRENTZ. De alzoo genaamde, en afgebeelde wortelen in den bodem zynde , zynniet anders, als takjes van bloedvaten , uyt de galblaas-flagader [art er ia & vena cyftica\ en ader oorfpronkelyk , welke takken ik bevonden heb in een zeer talryke nieenigte, niet alleen door de rokken van de galblaas , maar ook door de verdubbeling van ’t vlies van de lever verder verfpreyd te worden , het geen ligtelyk imand misleyden kan 3 behalven de gemelde takjes der bloedva- ten , komen ook ontelbaare vezels te voorfchyn ,» hebbende een ongeregelde en verwarde loop, door welkers hulp de galblaas aan de lever vaftgrceyt , op datzc door haar gcwigt niet uyt haar plaats zou zakken, en tot dit ampt I'chy- nen deze vezels alleen te dienen, maar niet om de gal uyt de lever na zig te trekken j dit gevoelen word niet wcynig beveiligt door de proefllukken in ’t werk geilek van de welgeoefende Heeren Dan: deClercq, en facobusMan- getus, roemwaardige mannen wegens de iludie der ontleed-kunde, en dit niet alleen, om datze de anatomifche bibliotheek t’zamengeilelc hebben, zynde een werk dat noyt genoeg kan worde geprezen , maar ook om de fraayc ontleed- kundige waarneemingen, die zy daar by hebben gevoegt * derzelver woorden- heb ik hier in willen laden 3 Ik hebbe , zegt ’er , miHchien een van haar, de galblaas tot aan de hals gefcbeurt (hy fpreekt van de galblaas van een hond} zullende een proef neemejt , of ’er eenige gal door de hals na den gefcheur- den bodem vloeyde. Ue uytkomf quam met de uerwagting over' een , dat is, de gal wier d zeer overvloedig niet alleen ge Ijk als met een opzwelling uyt een naauwer galblaas-weg door een wjdere hals opgeworpen , maar die zelfde galblaas-weg door een band daar na toegebonde?i zynde, zwol zoo mer- kelyk op , dat ’er niets , of zeer 'weynig gals , door de gemelde hals meer voortvloeyde. Deze goedkeuring van de bovengemelde Helling, is ook niet van minder be- lang , namentlyk , dat ’er galblaazen van ons gevonden zyn , dewelke geen- zints met haar bodem aan de lever vallgegroeyt waren, hangende maaralleen met haar hals aan dc lever. Diergelyke galblaas met gal vervult heb ik al eeni- ge Jaaren in myn Cabinet bewaart 3 Daar en boven heeft den bovengemelde jProf Bohnius ook aangemerkt, dat’er verfcheyde dieren gevonden worden, welkers bodem van de galblaas ten cenemaal van de lever afgefeheyden is. Het mindere gedeelte van ’t vogt, in de galblaas begrepen, oordeel ik voort te komen, uyt de klieren leggende in de binnenlle rok van de galblaas en gal- blaas-weg. Van deze klieren hebben de Autheuren wel veelmaals gewag ge- maakt , maar, hoedanig die lichaamtjes zyn, dewelke onder de naam van kliert- jes van de galblaas .voorkomen , zyn tot nog toe niet zeer naauwkeung be- fchreven: want zy worden gezegt over een te komen met die, dewelke in de binnenlle oppervlakte van de water-blaas \yvefca , cn pis-leyders \ureteres] leggen 3 maar het heeft my nooyt mogen gebeuren zoodanige khe~ ANTWOORT van FREDERIK RUYSCH ren te zien in de binnenfte oppervlakte van de waterblaas, cn pislcyders als ik’ef in de binnenfte rok van de galblaas gevonden heb: alle de vliezen, de- welke in de hölligheyd van de borft en bnyk met wateragtig vogt befproeyt worden, worden van den weergaaloozen ontlecder J. Steno gezegt, met kliert- jes bezet te zyn ; dewelke het gemelde vogt tot het bevogtigen van deze dee- ien vóórtbrengen, van welk gevoelen ik wel nietvreemt ben, dog egter heeft de zelve niemand tot nog toe mogen zien, ten zy met de oogen des verftands- Deze kliertjes in de 3. Figuur van de 5. Tafel afgebecld, kunnen met de oo- gen gezien worden, fchoonze met vergrootglaazeo niet voorzien zyn- dezel- ve zyn zoo groot in de lever van een os, datzemetregtgierft-kliertjes \glan- du la miliares] gezegt konnen worden, voornamentlyk om datze de gedaante van gierftzaad ook gelykenen, en het geen aan te merken is , zy worden ge- vonden door de geheele galblaas kort by malkandercn verfpreyd: ik bevinde datze in de galblaas van een menfeh kleynder zyn, en minder in getal omtrent dcszelfs bodem voortkomen, maar meer in den hals, en eyndelyk in de gal- blaas-weg ,en de gemeene gal weg \duflus communis] zynze ontelbaar , ziet de derde Figuur van de vyfde Tafel. Wy twyftelen geenzints, of de gemel- de kliertjes brengen een nuttig vogt voort 5 maar hoedaanig het zelve is en van wat /maak en beftaanlykheyd, is de gal zelfs, te gelyk in de gaiblaasbe- grcpen, tot een beletzel, dat zulks niet kan nagevorft worden : maar het is niet te gelooven, dat al wat in de galblaas begrepen is, van deze klieren zyn oorfpronk neemt, veel minder van de rokken van de galblaas zelfs, gelyk van den zeer vermaarde en ervaaren Fr: de le Boe Sylvius is voorgegeven maar de gal word in de galblaas gebragt voor een gedeelte door de lever-weg, [ ducïus hefaticus,] voor een gedeelte door de byzondere wegen van GliJJont- us al zoo genaamt, dewelke in de galblaas-weg geplant worden; en eyndelyk voor een gedeelte door de mondekens in de binnenfte rok van de galblaas leg- gende, en uyt de klieren van de galblaas voortkomende. Aan deze gezegde beweging kan de klapvliezige geftcltenis van de galblaas-weg geen hinder toe gebragt worden , nademaal deze klapvliezen [yalvula] regels- of beurfs- gewys geplaatft zynde, gehouden moeten worden voor oogluykende klapvlie- zen [yalvula connïventes], gelykerwys in de nugteren darm; zoo dat de gai door de zelfde weg na de galblaas toegaat, en wederom door de zelfde uyt- gaat; dat dit ook in de blinde darm, ja zelfs in die van een haas, welkers blinde darm zeer lang is, gcfchicd, is een bekende zaak; uyt het geene hier nedcrgeftelt > is te zien, wat ik omtrent uwe voorftellingen gevoeie ; eer dat ik eyndi- ge, ben ik Van zints eenige zaaken omtrent de lever aangewerkt by te voegen: en wel ten eerftc de llagaderen, galblaas flagaderen genaamt, dewelke van den zeer vermaarden Vefallus, en den nauwkeurigen en in de ontleed-kunde wcl- ervaaren Heer , Th Barthollnus gezegt worden kleyne flagaderen, en door Aan GEiIARDUS FRE NT Z. de bovenfte plaats van de galblaas te loopen: ik heb dezelve vertoont zoo aanmerkelyk te zyn 3 datze niet alleen de galblaas ten dienfte ftaan, maar ook verder door de verdubbeling van ’t vlies, dat de lever bekleed , in een grootc meenigte verfpreyd worden, het welk ik tot nog toe in geen Figuuren van de ontieeders aangemerkt hebbe Ziet de 4. Figuur van de 5. Tafel. Lett, B. B. Zoo dat de gezegde galblaas-flagaderen met regt gerekent moeten worden onder de gemcene lever-vaten , en geenzints aan de cygenof byzon- dere vaten van de galblaas 3 het zelfde moet men oordcelen van de aderen en water-vaten dezer deelen. Ten tweede 3 dat de galblaas niet alleen voorzien word van flagaderen, de galblaas-flagaderen gemeenlyk genaamt, maar ook van zeer veele takies ko- mende van de uyteyndens der lever-flagaderen, door het vlies van de lever verfpreyd, dewelke eyndelyk in de galblaas eyndigen. Ziet de 4. Figuur Van de 5. Tafel Lett. C. C. & Ten derde, heb ik door onze nieuwe kond ontdekt, dat’er duyzenden van water-vaatjes door de verdubbeling van ’t vlies, ’t welke den rug van de lever bekleed, zig vertoonen* geheel anders als in de eerde Figuur van dc 33. Tafel van den Prof. Btdlo aangewezen word : want daar komen maar al- leen vyf uyteyndens van water-vaatjes voort 3 verre van malkanderen afgele- gen , het welk ik bevinde zeer gebrekkig te zyn: Deze vaten zyn in een andere ordre gelegen: want alsze alle opgevult zyn, zynze zeer talrykj ge- lyk de zesde Tatel aanwyd, en in myn cabinet te zien is. Ten vierde, hebbe ik ook door de gezegde kond ontdekt dat de \JLtga~ mentum hepatïs umbilicale ] navel-band in een vol wade hen menfeh , en ineen menfchelyke vrugt, de \Vena umbilicalis] navel-ader zoo vol vanflaga- dertjes is, dat, wanneerze alle vervult zyn, de gemelde deden zeer hoog- rood zig vertoonen. Ziet de 5. Fig. van de 5, Tafel Lett. F. Ten vyfde, blykt ook uyt de bygevoegde 5. Fig. van de 5. Tafel, dat de \JLigamentum fiifpenJorium\ opfehortende-band niet alleen met overvloe- dige flagaderen en aderen, maar ook met veele water-vaten voorzien is. Tenzcfde, heb ik nooyt zoo een talryke verfpreyding van de galblaas- flagaderen van anderen vertoont gezien 3 als ik door de gemelde konft gedaan hebbe. Ziet de 4. Fig, van de 5. Tafel. Meer zaaken, JVel Rdele IJeer , doe ik ’er nu voor deze reys niet by: Derhalven beveele ik uw in de Goddelyke befcherming, en my in uwegunft, die ben en blyve. Een Alder Eerhiedigfle Fierder van Uwe ff'ydthereemde Naam. FREDERIK RUYSCH. Gefchreven in Amfcerdam den tienden van Spiokkcl-nuand, 1696. De VYFDE TAFEL Vervat Zes Figuren3 Welkers Eerjie vertoont de flagaderen door een gedeelte van ’t beenvlies van ’t fcheenbeen loopende verfpreyd y en dat uyt het voorwerp van een Jon- ge genoomen. De Tweede FIGUUR, wyft aan het peesagtig beenvlies van dc kniefchyf, door fpeltjes uytgefpannen 3 met deszelfs flagaderen. De Tierde FIGUUR vertoont het inwendige gedaante van een door mid- den gefneden menfchelyke galblaas 3 met fpelden uytgefpannen y en met klieren vervult. De Vierde FIGUUR wyft aan een galblaas van een menfeh, voorzien met flagaderen en water-vaten. De Vyfde FIG UU R toond aan de opfehortende band 5 door fpelden uyt- geftrekt, met dc bygevoegde navel-band 3 als mede een gedeelte van de lever. Dc Zesde FIGUUR vertoont den hals van dc galblaas. YERKLAARING van de I. FIGUUR. A. A. Een Jlagaderlyke tak van de r egt er 5 en B. B. Van de linker zyde door ’t beenvlies van't fcheenbeen verfpreyd' YERKLAARING van de 11. FIGUUR. A. TDe bloed-vaten van de r egt er, en B. Van de linker zyde door ’t peesagtig beenvlees van dc kniefchyfverfpreyd\ YERKLAARING van de 111. FIGUUR. E. hïnnenfle ongelyke en net-wyze oppervlakte van de galblaas, dewelke niet onaardig vergeleken mag worden met de net-wyze oppervlakte van een meloen, welkers net-wys weef zei een on-effenheyd in de meloen v eroor- zaakt y dit welfde gefchied ook in de binnenjle gedaante van de galblaas. B ♦ Een gedeelte van de leverweg. O* Een gedeelte van de gemeene we?. ZAeerd. . D. *De galblaas-weg. E. E. Klieren door de galblaas verjpreyd, dewelke niet alleen zitten aan V onderfte deel, dat aan de lever vaftgegroeyt is, maar ook aan *t tegen over gefielde, als mede aan den hals van de galblaas, de galblaas-weg , en ook de lever-weg ; maar men moet aanmerken , dat de gezegde klieren eenig- zints grooter verbeeld zyn, op dat ze beter kunnen gezien worden, daar en boven wordenze in een men fche galblaas zoo klaar niet gezien , als wel in een verkens, of ofte galblaas, en dat wegens de gemelde net-wyze inwen- dige gedaante. F. R)e klapvliezige en ce Halen ft gefteltenis in de galblaas-weg. Staat aan te merken dat deze galblaas na de lengte opengefneden en met /pelden uytgeftrekt is, waar door dezelve grooter als natuurlyk zig vertoont' VERKLAARING van de IV. FIGUUR, A. Een men fche galblaas 3 eenigzints opgeblaazeny B. *De galblaas-fiagader. C. cUe gedraafde galblaas-weg. D. Stammetjes van de water-vaten. E. ‘Dé* verdere fcheuten van de galblaas-fiagader en door bet vlies van de le~» ver verfpreyd. F. liever der e uytbreyding van dewater-vaten door V vlies van de lever, G. cDe takjes vait de lever-flagaderen uyt de zelfsfiandigheyd van de lever afkomfiig, en na de galblaas toe gaande: om de verwarring te vermeydett hebbeik de aderen die dezelve loop houden 3 by deze fiagaderen nietgevoegt, VERKLAARING van de V. FIGUUR. A. Ren kleyn gedeelte van de lever, aan welkers bultig gedeelte de op ft hor- tende band vaft gegroept zynde met letter B. geteykent ,en met /pelden uytgefpannen is, en dat aan te merken ftaat, beyde de banden zyn met zigt na de linker bant terug getrokken, op dat men de verdeeling der va* ten des te klaarder zou kunnen zien. C. R)e Jlagaderlyke takken uyt de middel-rifts-Jlagaderen oor/pronkelyk, en door de gezegde band in een grooten overvloed verjpreyd, D. D. jDé» wat er-vat en. E. R)? navel-band. F. SUgadertjes door de gemelde band loopende. VERKLAARING van dc VI. FIGUUR. A. He hals Van de menfchelyke galblaas. B. Bet ey kent de fangs-wyze loop van den hals en galblaas-weg; dit heeft in zeer veele menfchelyke galblaazen plaats. DeZESDETAFEL. Betekent het vlies, den rug van de lever bekleedende, en met fpelden uytge- fpannen. A* Het gemelde vlies van de lever. B. Huy zenden van watervaten loopende door de verdubbeling van 9t vlies 3 de rug van de lever bekleedende. C. C. Slagadertjes 3 uyt de lever-Jlagader oorfpronkelyk, en door V gemelde vlies flangswys loopende. D. He navel-bnnd, met bloedvaten voorzien. E. Beteykent de plaats, alwaar de opfchortende hand is afgefneden. De Zesde Ontleed-kundigé voorftelligc BRIEF Door JOHANNES HENRICUS GRiETZ, Aan die na ons komen zal, wede ram wat anders ontdekken zal. Hoe groot moet dan de quaad- aardigbeyd van die geenen gefchat worden , dewelke zig daar maar alleen óp toeleggen, datze de fchriften der ouden in een geheele andere zin ver- draaycn, en dezelve ook tegen haar meenig Autheuren van die dingen maken, dewelke nog verborgen zynde, door de onvermoeyde vlyd van de ontleeders deezer onzer eeuw ontdekt zyn. Verfoeyelyk is deze gewoonte van die geenen, dewelke, als z y niets uyt haar ey gen koker voor den dag kunnen brengen, dan de goeden naam van andere Edele verftanden verdagt maken en befpotten, en haar den roem van de uytvindingen door een fchandelyke ontvreemding bene- men. Ik zal niet in’t byzonder alle de voorbeelden yan °nze eeuw doorloo- pen, nog verhaalen de rampen van ontelbaare uytvindingen, waar mede deze eeuw boven de anderen pronkt: want dezelve zyn de geleerden al te veel be- kent , als dat ik ze nu eerft befchry ven zou. Maar het voorbeeld van uw eygen zelfs, zeer vermaarde Heer verfchafr my de wydtloopigfte ftof tot fchry ven. Want gelykerwys uwe verdienftenen ervaarendheyd in ontleed-kundige zaa- ken waarlyk zonder voorbeeld zeer groot zyn, alzoo hebben dezelve ook zoo haar agtem, als meenigvuldige en zeer groote veragters. De drift ennydig- heyd van deze menfehen is zoo verwoed, datze die eer, (dewelke al van veele Jaaren de geleerdfte luyden. met regt uw hebben toegeftaan, nu twyftelagtig Aan FREDERIK RUYSCH zoeken te maaken. Namentlyk, ’t gaat nu in het een endertigfte Jaar, wan- neer gy het eerfte in ’t Traßaat van de ontdekking der klap vliezen in de wa- ter-en melk-vaten 3 begrypende eenige ontleed-kundige zeldzaams aanmer- kingen , de [art er ia bronchialis~\ longe-py ps-il agacLer uy t een Kalf genomen , befchreven, en de geleerden medegedeelt hebt 3 die dezelve met haar eygen oogen befchouwende haar toeftemming niet alleen , maar ook de roem van deszelfs ontdekking uw hebben gegeven. Dit niet tegenftaande verklaren eenige muggeftftende en neydige benfpers ftoutelyks, dar de gemelde flagadcr al overlang van Erafiftratus, andere wederom van Marchette is befchreven. Wanneer ik vernomen hebbe3 dat’erveele aan deze verklaring 3 als of het een Godfpraak van zdpollo was3 geloof geven als zynde van zoedanigen voortge- komen, dewelke geloof en gezag fchynen te verdienen, heb ik by my zelfs be- (looten, de fchriften der oude en nieuwe ontleeders over deze zaak handelende vleytigte doorbladeren, opdat my klaar blykenzou, wat’ereyndelykvan de waarheyd van dit gerugt was. En wat wei Eraflflratus aanbelangt , nadien deflclfs fchriften door de woeftheyd der tyden verlopen zyn, heb ik Galenus, de leerftukken van Eraflflratus getrouweiyk verhalende, met alle naarftig- heyd doorgelezen, en na lang zoeken hebbe ik eyndelyk in de verhandeling van de beledigde plaatzen op het derde Hooftftuk van ’t vyfde Boek zommige dingen gevonden, dewelke het gemelde gevoelen fchyncn te beveiligen. Galenns verhandelt alleen op de aangchaalde plaats dit, om te tconen, dat de ontftee- kingen van’tßibben-viiesendetulTchen-nbbige fpieren van de borft eyndelyk tot etter worden . en dat de etter in de holte van de borft uvtseftort in de lon- J w O geen longe-pyp zomtyts ontfange, en uytgefpogen word. ik bevinde hem eg- ter wydlopigm’t bepalen van de manieren de wegen, waar door de etter inde longe-pyp ingaat, en gelukkig genoeg zoo in ’t wederleggen van anderen haar gevoelen, als m’t vaft ftellen van zyn eygen gedagten. Het gevoelen van Erafi- Jiratus brengt hy voornamentlyk ter beproeving, en ten dien eynde haalt hy de eygene woorden van hem aan uyt zyn Traßaat de Sanguin. edutt. dewel- ke de volgende zyn: E)e weg dan, waar door die dingen gaan, dewelke van deze plaatzen worden ontlajf, is deze, Vdn diejlagader, dewelke aan der ug- gegraat legt, gaan zommige vaten nabeyde de kanten op gelyke wyze, zoo wel na de regt er, als de flinker: daar na in de nabuur igeplaatzen door een menig- vuldige ver deling ver fpreyd zynde wordenze zoo kleyn, dat ze ’tgezigt ont- vlieden, Wanneer der kalven het bloed gevallen is tn zodanige jlagader en , klimt het zomtydts op door een holle jlagader na de plaatzen , de- welke omtrent de lon ge zyn , en na die banden of hechtingen , Waar door de long by de ruggengraat aan de Jlagader vereenigt word. cDie dingen nu x de- welke hier ingejhrt zyn, zyn gewoon door deze weg na de long te gaan. Maar hoedanig zy daar na wederom uyt de long geworpen worden, heb ik te voor en VI. BRIEF van JOH. HENR. GRiETZ. aangetoont. Galenus zelfs klaagt naderhand over de duyfterheyd dezer woor- den van Erafiftratus, en ik zou met hem vragen aan deze navolgers en lief- hebbers van Erafiftratus, wat door die plaat zen moet verft aan worden, de- welke omtrent de Long zy. i, en wat die banden zyn, waar door de Long by de ruggegraat aan de jlagaderen vereenigt werd. Het behaagt my hier de woor- den van GaLenus aangaande die banden by te voegen: hy fpreekt ’er op deze wys van: Want zoo zy of door vliezen, of door zekere vezeLagtige Lichamen gemaakt worden , bevorderen zy niets tot het overbrengen van' t bloed, datin de groot e flagader begrepen is, na de Long: dewyL het noodzakeLyk is, dat 'er uyt de ftagader zommige vaten haar oorfgronk nemen, waar door het bloed o ver- gebragt word tot de Long, gelykerwys den aanhang van Erafiftratus, dat zelfs door een ftagader, gelegen onder de long meent te gefchieden. IVant de uytfter~ fte, en wel zeer kleyne delen van dezeflagader Jchynen over te gaan tot de lon- ge-pyp i en dezelve neemt zyn begin uyt de groote ftagader , eer die aan de ruggegraat komt. Dog dit is een duyfter raatzel, om welk op te lollen 3 ik onbedrevene waarlyk met in ftaat ben , maar hier toe moeten die uytmuntendc cn fcharpzinnige vernuften geroepen worden, dewelke ydelyk voorgeven, datzeuyt deze duyftere woorden een duydelyke en zeer volkome befchryving van de longe-pyps-flagader ontdekt hebben. Maar heeft Erafiftratus hier wel eenig gewag gemaakt van zekere longe-pyps-ftagader. Dewyl hy in ’t alge- meen fpreekt van zekere banden. Ey lieve waar is de befchryving van deze flagader naukeuriger van den aanhang van Erafiftratus gegeven.. Derhalven zouden zy de befchryving van de longe-pyps-ftagader met meer regt Galenus toe-eygenen, dieze Erafiftratus eyndelyk willen opdringen. Maar de woor- den van Galenus zyn ook zoo klaar niet, dat imand daar door eenig licht zou kunnen krygen, om zekere longe-pyps-flagader te vinden, Want waar uyt blykt de oorfpronk van de gemelde flagader duydelyk, en waar wort dezelve in’t byzonder aangetoont? ik bid u, waar is deffelfs voortgang onderfchey- dcntlyk aangewezen ? of eyndelyk, waar is deffelfs verdeeling der takken door de longs zelfsfbmdighcyd zigtbaarlyk verklaart ? of indien ymand ten laatfle uyt de boven aangehaalde woorden wilde befluyten, dat de longe-pyps-flag- ader Galenus zeer wel bekent is geweeft, verzoek ik, dat hy my zegge, waar- om hy in zyne andere ontleed-kundige fchriften, alwaar hy met opzet over de vaten van de long handelt, in’t geheel geen gewag van dezelve gemaakt heeft? deze onverftaanbaarheyd van Galenus betuygen verders alle de ontle- ers3 zoo veel’er na hem in aanzien geweeft zyn, dewyl zy in ’t geheel van deze flagader ftilzwygen 3 daar zy evenwel de andere vindingen der ouden niet verborgen hielden, maar liever met opene monden verkondigden. Derhal- ven fchynt de aangehaalde plaats van Galenus, zeer beroemde Heer, Uwe roem niet meer twyffel aan te brengen, als miffehien Hippocrates aangaande Aan FREDERIK RUYSCH het hert Steno enLower, de ordre enzamenhang der fpicrige vezelen van ’t hert het eerfte vertoonende , aangebragt heeft , iterwyl hy zegt, dat het herte is een zeer ftarke fpier, niet om de zenuwen van 9t v leef tb; en G alenu s zal ook den roem niet hebben, die Afellius en Fecquetus, als uytvinders van de [yafz lahlea\ melk-yaten, verdienen, terwyl hy admïniftraV. Anat. Libr, FI. Gap.VIL Spreekt van de \Glandula darm-fcheyl klie- ren j zeggende, tot dezelve ziet men zommige van die vaten, dewelke na de darmen gebragt worden, zich uytftrekken -y als mede wanneer hy op een andere plaats een zeer duyfter gewag maakt van darmfcheyls vaten zomtyds met melk opgevalt zynde, gelyk Adminiflr; Anat* Ltb. VII. Gap. XLII. de Vfu Tart. Ltb. IV. Gap. XVII. Niemant zal ook uyt Marchette wat beters haaien , wanneer hy in zyn ontleet-kunde op het tiende hooftftuk, by my op 't 129. Bladz. in ’t algemeen maar bybrengt twee of drie aanmerkelykeflagaderen, voortgekomen van degroote Jlag-ader; dewelke door de zelfiiandigheyd van de long ver/preyd worden. Na- demaal hier ook een dikke duyfterheyd zig opdoet, en Marchette verzuymt ten hoogfte datgeene, ’tweik de pligt van een nauwkeurig ontlcder is, en het is ’er verre van daar, dat daar door, om dat hy gezegc heeft takken uyt de groo- te-flagader na de long te gaan, de ontleeders van zyn en de volgende tyd door hare ontledingen naderhand de longe-pyps-flagader zoude hebben kunnen ver- tonen. Maar liever doen hare fchriften ons verzekeren, dat haar allen deze llagader zoo lang onbewuft is ge weeft, tot dat dezelve eyndelyk door uwe fchranderheyd, zeer beroemde Heer, klaarder als ’t middag-ligt is vertoont; het zelfde getuygt ook Sylvius, dien grooten Leydfche Alsctilaap, in’t 24. Hooftft. van ’t eerfte Boek zyns Praftyk. Nademaal deze dingen alzoo ge- ftelt zyn, en uytonfeylbare redenen blykt, dat de longe-pyps-jlagader u in weerwil van wangunftigen voor zyn enigften ontdekker erkent; fmeeke ik u zeer vuurig, dat het u behaage, by de naafte gelegentheyd “de laafte hand aan dat gene te flaan, ’tweik gy nog gebrekkelyk ontrent deszelfs verhaal overgelaten hebt, en aan te toonen de opregte cor [pronk, en deszelfs voort- gang door de long in een menfeh, en te gelyk , of'er geen [ ylnajiomofs} inmon- de lyke vereeniging tufehen deze en de long-jlagader gevonden word, gelyk aan te merken is in andere ingewanden, met tweederley (lag van flagaderen voor- zien, alsby voorbeeld, in de \ytterus\ baarmoeder tuflehen de [art er ia hy- pogaffrica et fpermatica ] onder-buyks en zaad-flagaderen , in de herflenen tuflehen de \carotic a\ krop en [yertebrales] werveibeen-iiagaderea , enz. Ik verzoeke, datgy, zeer vermoerde Heer, hier wik voegen aiw oordeel aan- gaande de gepaarde [ yena bronchialis] longe-pyps-ader 3 nante ndyk •of ’cr dezelve waarlykis, en waar eyndelvkzyn aiytgang is : OJwant rtiet weynige VI. BRIEF van JOH, HENR. GKJETZ, twy Helen over deszelfs beftaan, waar onder Galenus zelfs is, dewelke op dc aangehaalde plaats tegens het andere gedeelte van’t ge voelen van Erajiftratus , waar by deze de aderen te hulp neemt tot het overbrengen van de etter uyt de holte van deborft in de long, zint willende, deze volgende woorden voortbrengt, maar wy hebben nooyt ge zien, of-niemand der ontleedèrs heeft ooyt gefchreven duf er van de Krooteader 3 dewelke of den rug ader tot de over gaat, ja zelfs heeft Erajiftratus dit niet durveftaande houden: nademaal zy alle daar m over een komen, dat’er van de r egt er holte van 3t hart het bloed alleenlyk door een vat in de long ontfange word.Ox indien zommigen dezelve wat ligt aannemen, egter bly venze in twyffel in desfelfs oorfpronk en voortgang te bepaalen, en ver- fchelen zeer veel van gevoelen onder malkanderen. De naauwkeurigfte ontleder van onzen tyd Ehiliffus Verheyen in het derde traclaat vanzyn ontleed-konft , op’tlX. Hooftft. en’t 145-. Bladz. zegt dat de longe-fyfs-flagader gepaart gaat met een ader van de zelfde naam ; maar dat deszelfs oorfpronk hem nog niet genoeg bekent is, bekent hy opentlyk ;■ en hy fchryft , dat hy de oor- fpronk daar van in een fchaap bevonden heeft gemeen te zyn met den oor- fpronk van de \yena coronand\ kroon-ader van’t hert ; de zelfde verhaalt, dat de Hr. Bourdon die ader afbeeld, gelyk ofze onmiddelyk uyt de boven- fte hol-ader uytging. De geleerde wereld zalzig over ’t maak zei van dit zeer verwarde inge- wand , geheel en ten volle door uw beleyt ontdekt , verblyden, namentlyk voor zoo veel de naauwkeurige Malfighius zemmige dingen onaangeraakt o- ver gelaten heeft. Ik zegge van dit zeer verwarde ingewand ■, terwyl ik het wonderlykeen nets-wys wecfzel van deszelfs vaten aanfchoiiwe, fchynt het my, dat den Gordiaanfche knoop veel eer , als de vereeniging dezer vaten van/t overige wezen der longe los te maken is. Ja geheele Hacken van de long met de vaten zullen’er liever affeheyden, en dat dit dagelyks in die genen, de- welke de [ fhthifis ] teering hebben, gefchied , ondervinden de prafhzyns , en ik zelfs hebbeook zoodanige Hukken gezien by den zeer vermaarden Heer Limmerus, Hoogleer aar in de doorlugtigefchoole van Anhalt, die te Zer bjl is, voor deze mynen zeer getrouwen Leermeefier. Des niet tegenHaande verhaalt Tulfiusin ’t 12. €lll3. Hooftft. van’t 1. Boek zyner aanmerk; twee gefchie- denilfen, van de geheele zelfftandigheyd der longe afgefcheyden, en door ’t heeften uytgefpogen. Maar laat het my niet qualyk genomen worden , zoo ikgeloove, dat deze afgebeelde Hukken geen takken van aderen of Hagadercn gewetft2;yn3 maar ’tzamenmnnigen inde takken van de longe-pyp polypeus geworden zynde. Ik wil nogtans zoo hartnekkig niet aan dit gevoelen vaft bly- yen, ten waare gy , zeer vermaarde Heer, door uwe menigvuldige ondervin- ding aantoonde, dat deze dingen alzo waren» Aan FREDERIK RUYSCH. Voor’t overige, verzoek ik u met alle vriendelykheyt, datgy my ten beften neemt zo myne wytloopenheyt in ’t fchryven, als myn ftoutheyt in ’t verzoe- ken j waartoe uwe overgrote gunft en genegentheyt omtrent my, my aange- moedigt heeft, waar op ik ook fteunende, my zeer vaft verzeker} dat gy nog U zelfs, nog het verlangen der geleerden , nog myn belang nadeel doen zult. Ondertuflchen zyt gegroet, Doorlugtigfl luyfter der ont Leed-kunde, en vaar voort my verder te begunftigen, die ben Een geflaadige Hoog fcbaiter, en Aller-Eer. biedigfie Vierder van uwe verdienden. JOHANNES HENRICUS GRATZ. Gefchreren in myn bevlyd-kamcr tot Amftcrdam den negende van Oogft-maand, 1696. ANTWOORT van FREDERIK RUYSCH, ANTWOORT Van FREDERIK RUYSCH, Aan den zeer Ervaren Heer JOHANNES HENRICUS GRTTZ, Op Deszelfs ontleet-kundige voorgeftclde Brief, aangaande de longe-pyps-ader, en flag-ader, enz. Wel Ervar.e Heer, Galenus Amtom: adminijïrat: lib: IV. Cap. i. Al over lang van de Geneesheeren van zyn tydt gezegt heeft, dat die 'dik genen welke men meent zich veel bevlytigt te hebben in de ont- iLe dingen, het nuttiger deel daar van verzuymt hebbende, dat ge- deelte o effenen, het welk meer Zintwiftig is-. Zulks zou men °ok met regt mogen van de Geneesheeren van onze tegenwoordige Eeuw mo- gen uytfpreeken. Want de Betragting van tegenfpreeken, en Zintwiften is Zommigen meer gewoon , als de oefFening der ontleed-kond. In plaats dat Nadere al haar werk aanleggen tot het onderzoek van ’s Menfchen lichaams maakfel, doorfnuffelen fommige de fchriften der ouden, en dat maar alleen, om tegen te fpreeken. Wat my belangt, ik geve haar gaarne deze kond over, CEI ik zal haar deze roem niet benyden. Ik wenfchte maar, dat ze my ook myn vryheyd lieten genieten: want indien ik dit van de wangudigen verkry- ge, zal iic nooyt nalaaten myn arbeyt tc bededen tot het voort zetten van dc ontleed kunde, en ik zal ’t tot een hooge prys vanmynenaarftigheydachten, indien ik verdaan zal hebben, dat myne betragtingen van eenige nuttigheyd in de Gcnceskond, en de geleerden aangenaam zyn. Ik achtc die genen ook Aan JOHAN. HENR. GRAETZ. niet veel , dewelke my zoo verre ook tragten te hemdeden, dat zc my myn werk afhandig maken, en het anderen toe-cygenen: want dit doen zy met een geheele flegten uytkomft , en zeer ongegronde redenen ? gclykais gy zeer er vare Heer, wydlopig en zeer nadrukkelyk in uwen brief ,op den negende van Oogft-maant aan my gefchrevcn , aantoont. Waarlyk niets heb ik, dat ik aan uwe bewys-reedenen, aldaar aangehaalt, by voege , als dat ik toen ter tyd die Autheuren niet gelezen had, dewelke fommige de uyt vinding van de longe-pyps-flagader toe-eygenen, maar ik kan heyliglyk verkiaaren, dat ik de gemelde flagader door myn eyge zelfs gevonden hebbe. Wat het ook zyn mag, ik heb het dienftxger geoordeelt, u, onvermoeyde voortzetter deront- leed-kunde, en uw verzoek voor ’t tegenwoordige te voldoen, als het verhaal van deze myne ontdekking onzeeker en gebrekkelyk te laaten. Het fmert my waarlyk ten hoogfte, dat ik wegens de lugt in deze Zomer-tyd, op onze po- gingen wynig dienende, geen bequame gelegentheyd heb, om uyt een dood lichaam van een bejaard Menfch de longe-pyps-flagader af te beelden. Niet te min zeer ervare Heer, zullende uw verzoek opvolgen, ben ik genoot- zaakt geweefl: myne longe-pyps-flagader na het voorwerp van een kind, dat ik by der hand had, zyn de al eenige Jaarcn bewaart, aftebcelden, hoopen- de, dat de duydelyke en nette bereyding en af beelding de kleynheyd der dee- len goed maaken zal. Het gaat nu in bet een en dertigfte Jaar, wanneer ik dezen flagader, genomen zynde uit het lichaam van een Kalf, onder denaam van longe-pyps-flagader bekent maakte, nadien ik vernam, dat dezelve door de ['bronchïa jpulmonis~\ longe-pypen tot liet uyt-eynde toe liep: Maar de na- tuur fpeclt dikwyls omtrent de uytgang van deze flagader in een Menfch: want veele hebben gezien, dat dezelve zyn oorfpronk genomen heeft, zom- tyds onmiddelyk uyt de nederdalende ftam zelfs van de groote flagader, en dat ter zyde van de tuffehen-ribbige flagadcren 3 maar ik heb zeer dikmaal s dezel- ve bevonde uyt het onderfte deel van de bovenfte tuflehen-ribbige flagader, met een ftammetje voort tc komen, gelyk te zien is in de 3. fig: van de 7. Tafel fomtyds, zoo als de tweede fig: van de 7. Tafel aanwyft, te gelyk met de derde tuflehen-ribbige flag-ader van de regter zyde uyt de nederdaa- lende ftam van de groote flagader voortkomende, wykt deze flagader ter tuflchen-wydte van een halve duym, van de gemelde tuflehen-ribbige flagader af, en aan de longe-pypen gchegt zynde, vergezelfchapt dezelve tot het uyt-eynde toe. Zoo dat het minfle takie van de longe pyp door niemand ver- toont kan worden, of ’t zelve is van deze longe-pyps-flagader voorzien. Op verlcheyde plaatfen word deze longe-pyps-flagader door inmondingen vereenigt met de kleynfte takjes van de long-flagader, als blykt uyt de 5. fig : van de 7. Tafel: want indien de long-flagader door een wafchagtige floffe vervult is. ANTWOORT van FREDERIK RUYSCH worden aanftonds de takjes van dtknge-pyps-flagader vervult; en ik twyffel ’er geenzints aan , ol dit gefchied van weers kanten, fchoon ik nooyt zulks heb onderzogt. Omtrent de ader, deze longe-pyfls-jlagader vergezelfchappende, heb ik lange Jaaren in twyffel geftaan, en ’t is my nog niet gebeurt dezelve te zien; ook zoo oordeel ik , dat die hier niet meer noodzakelyk is , als in de lever , alwaar de lever-flagader ook geen byzondere gezellige ader voor zig ver- krygt. Wat aangaat de uytgehoefte longe vaten, afgefcheyden van alle zelfftan- digheyd der longe, ik heb wel vernome, dat zoodanige ook van anderen veel- maals gezien zyn, maar nooyt heb ik dezelve door hoellen zien uytfpuwen. Ik oordele met u, zeer ervare Heer, dat deze polypeufe ’t zamenrunnigen zullen geweeft zyn. En ik kan zoodanige Vleefch-proppen, Qpolypi) die wit zyn en takagtig gelyk als vaten, ja by na vaten zelfs naauwkeurig ver- beeldende, een igelyk ten mynen huyze vertonen, alwaar ider een ondervin- den zal, dat dezelve de waarnemers zeer ligt misleyden kunnen: want ner- gens in verfchillen zy van de aderen en flagaderen, als alleen in ’t miffehen van de holligheyd, dewyl zy overal hart en vaft zyn. Maar nadien ’t my , die met zoo veel bezigheden bezet ben, niet toegelaten is, alles wydlopiger te verhandelen, heb ik de figüuren van alle die zaken, daar ik in’t kort eenig gewag van gemaakt heb, hier by gevoegt. Ik heb deze figuuren wel zeer naauwkeurig na de voorwerpen afgerigt, maar ik beloove ook, dat ik de- zelve alle braave lieden en die begerig zyn om ze te zien, in myne bereydin- gen duydelyker als ’t middagligt vertoonen zal. Verders, zeer Ervaare Heer, indien gy oordeelt, dat ik nergens met my- ne hulp in diene kan, weeft verzeekert, dat dezelve geheel en al voor uwe ftudie gefchikt is. Ik zal altyd tragten met alderhande dienften te vergelden. Uwe zuyvere en byzondere genegentheyd omtrent my, daar gy my zoo een overvloedig bewys van hebt gegeven. Zyt gegroet, en vaart voort myte be- minnen , die gy kent van gantfeher herte te zyn. cl)vee Goede Vriend\ fredrik ruysgh OefcKrcvcn ;n Amfleldam den 14. van HerHlmaand. 1Ó96, De Z E V E N D E TAFEL. [Wyfi Vyf Figuur en aan 3 Welkers EERSTE betekent de lengefyps fagader uyt de long van een kind genomen. Tweede FIGUUR ver toont een gedeelte van de ftam van de grootc neder- dalende flagader met de afgefnedene takjes van de tuflchen-ribbige flaga- ders; als mede den uytgang van.de longe-pyps flagader 3 en een gedeelten van de ongepaarde ader [vena azygos.j TDerde FIGUUR vertoont een gedeelte van de onder-fleutel-beenige-flaga- der als ook de bovenfte tuflchen-ribbige-flagader metzyn afgefnedene takjes* insgelyks de longe-pyps flagader met de maag-pypsflagader [art er ia Oefb- phagaal\ Vierde FIGUUR wyfl geronne hiiy öf wey van bloed y gemeenlyk Tg* lypus genaamt, door ’t hoeflien ontlaft. Vyf de f IGUU R vertoont een takje van de longe-pyps-flagader met een tak- je van de longe-flagader daar aan vaft, met het welk op verfcheyde plaatzen deze flagader vereenigt word VERKLAARING van-de I. FIGUUR. A. A. Stammetyes van de lon^e-pyps-flagader genomen uyt het lichaam van een kind. v B, B. B. Takmakingen van de zelfde fagader. VERKLAARING vande 11. FIGUUR. A. Fen gedeelte van de nederdalende ftam van de grote fagader. B- B. B. Afgefnedene flammetjes van de tujjchen-ribbige fagaderen. C. T)e uytgang van de longe-pyps-flagader uyt de derde tujjchen~ribbige-fag- ader. D. Ren gedeelte van de ongepaarde ader. VERKLAAR ING van de 111. FIGUUR. A. Een gedeelte van de onder-fleut el-been-flagader i waar uyt komt♦ B. bovenfte tujfchen-ribbige-flagader. C. 73e maag-pyps-(lagader van de gemelde tuffchen-ribbige Jlagader afkom- ft'tgy en tot nogtoevan de ontleeders over't hooft gezien, D. 73e longe-pyp s-flagader af^efneden. E. E. Slagaderlyke takjes door de inwendige gedaante van de verdubbeling van ’t ribbe-vlies verfpreyd5 en voornamentlyk door de inwendige opper- vlakte , en dat uyt een kind. YERKLAARING van de VI. FIGUUR. A. 73e ftam van een polypus, uyt de longe-pyp ge lof, B. B. 73 es zelfs takjes. YERKLAARING van de V. FIGUUR. A. Een takje van de long-flagadsr. B. Een takje van de longe-pyps-f 'lagader, C. C. C. Inmondingen van de takjes der long-flagadtr met de takjes der Un~ ge-pyps-flagader. dl/eerd. da/', do De Zevende Ontleed-kundige voorftellige BRIEF Van JOHANNES HENRICUS GRJSTZ, Aan den zeer vermaarde Heer FREDERIK RUYSCH, Medicyne Hoftor en Hoogleer aar in de Ontleedden Kruyd-kunde, enz. Aangaande het Dunne HerfTen-Vlies, en deszelfs uytfteekzels. Wel Edele en zeer vermaarde Heer. jgfesyjet Gerucht) 1 welk my 5 toen ik noch in Duytfchland my op- vllS hieuw i uwen onvermoeyden yver in de ontleed-kunde, en de Sm B? voortrefFelykheyd uwer ontdekkingen te kcnne gaf, hadt myn Hg ipjjffl ly gemoet zodanig ingenomen 5 dat ik van die tyd af niets meer wenfchte, als dat ik eens zoo gelukkig wezen zou, dat ik zelfs by uwen geftadigen arbeyt , die gy tot het voorzetten der ontleed-kunde he- fteet, tegenwoordig wezen mogt. Ik bevin nu tot myn grootlle voor- deel, en ben ’er ook zeer over verheugt, dat myn begeerte nu naar wenfeh gelukt is. Want van die tyd af, dat ik in dit land gekome^ynde, voor de eerfte maal de zoo zeer gewenfchre gelegenthcyt hadde, om tny aan U aan te bieden, heb ik aanfbonts uwe gènegcntheyd omtrent my zoo groot oefpeurt, ik my gevoelde fchielyker met ontelbaare weldaden van u overladc en ópgehoopt te zyn, als dat ik cm ure gunft te verwerven (zoo myns gering vermoge ooyt in ftaat is om die te winnen) veel werk had gedaan Nadien gy niet alleen gewilt hebt, dat ik uwe fraye vertoningen zou by wone, en Jt U ge- fcheenen heeft, geen wcldaads en gunlt genoeg te zyn, my een overvloedig VIII. BRIEF van JOH. HENR. GR^ETZ. ge gclegentheyd te geven van zelfs de dode lichaamen te ontleden 5 maar 3 zoo groot is uwe genegenheyd omtrent het bevorderen van myne ftudie, gy hebt my ook een zeer ruyme toegang tot uw huys en Snykamer vergunt. Ende daar binnen gelate zynde, hoe dikwils ik myn oogen flaa op de y- voor-witheyt der geraamtens: of als ik de zeer levendige kouleur en mege- vende buygzaamheyt der dode lichamen, door de zeer gelukkige uytyinding van balfemen tegen ’t bederven bewaart, nauwkeurig befchouwe3 of zoo ik overwege de bloetvaten van yder ingewant tot de klynfte takjes toe, door een byzondere konft opgevult, en los gemaakt, die niet anders als door ver- grootglazen gezien kunne worden 3of terwyl ik aanzie de herten van men- ie hen , pronkende met de ontdekte loop der kroonvaten, en met een leven- dig afbeeldtzel van de takmaking der groote flagader aanwyzende de buytcn- fporige feylen, welken zommige Autheuren in dezelve af te beelden begaan hebben > of, eyndelyk met een woort, als ik het geheele menlchelyk lichaam, en deszelfs deelen door uwe wonderlyke konft en oneindigen arbeyd ontdekt, befpiegelc, zoo dikwils fraert het my ten hoogfte, dat myn gezigt niet bc- quaam genoeg is, om deze geheymeniften der natuure maar alleenlyk te bezig- tigen. Alle deze dingen geven geheel en al ongemeene behandelingen te ken- nen , die alle konften der ontleders verre te boven gaan, en een ernftigen aanfehouv/er tot de grootfte verwondering verwekken, tot fpyt van alle wan- gunftigen, dewelke, wanneer ze dezelve met haar verftant of konft niet na- volgen kunnen, zy dan lafteren, en ydele haat en nyt daar tegen fmeden. Ik zal my waarlyk niet onderwinde, alle deze dingen met wel verdiende- dc lofredenen op te halen: want ik zou my in een werk fteken, daar toe ik myn kragten niet fterk genoeg erkenne 5 ik ga des te meer deze loftuytingen voor nademaal ik wel weet, dat de zedigheid onder uwe zeldzame hoe- danigheden geen de minfte plaats heeft, en die loftuytingen U onaangenaam zyn. Ik zal my liever trachte te verontfchuldigen over myne ftoutigheyt in het herhaalde fchryven. Derhalven bid ik u, verfchoon myne brandende weet en nieuwsgiengheyd, waar mede ik, nog niet geheel en al met uwanr- woort op myn brief vol van beleeftheyt, gimft en geleertheyt te vreden zyn- de, wederom mwen arbeyd heb durven ftooren, en ü om een klaarder on- derrechting verzoeken. Want wanneer gy my onlangs onder uwe zeltzame bereytzelen vertoonde het dunne hsrjfenvlies Meninx~\, het welk door uw vlyt zoonaauwkeu- rig en omzigtig uyt alle de ployen of vouwen en kronkels van de grote [ce- rebrum) en°klyne herifenen ( cerebellum) afgehaalt engefcheydc was, dat de rimpels van deffelfs inwendige oppervlakte zeer fraay te voorfchyn quamen, heb ik my verwondert over de onachtzaamheyt der Autheuren in dezen tc Aan FREDERIK RU YSCH. onderzoeken. Indien Imant doorleeft Galenus , Vefallus , Riolanus yVcfin- gius, Bartholinus , Hiemerbroekius , ÏVillifius , Vieujfens, en met een woort alle zoo ouden als nieuwen , hy zal in ’t geheel by haar vinden een diep ftil- zwygen, aangaande de ware manier en gedaante van infehieting van ’t dunne hersenvlies in de zelfïlandigheyt van de herfTenen. Ik heb ook niets in de Anatomifchc tafelen van de Hr. Bidloy waar uyt egter zeer vele te vergeefs zich veel belooft hebben , kunne vinden, dat van anderen niet meermalen al gezegt was: want deze Autheur zelfs raakt die dingen niet eens aan , waar van andere omtrent deze ftoffe ftilzwygen, en die gy eyndelyk , zeer ver- maarde Heer y door u vlyt vertoont hebt. Deze diepe infehieting ofte in- dringing van ’t dunne herflcnvhes in alle dc ployen van de grote en klyne herfTenen verfchaft, zelfs de reden van dit gcheele ftilzwygen, dewyl dezel- ve zoo ingewortelt is, volgens het gevoelen van ÏVillifius , Die ujfens, en volgens ’t gezigt zelfs, dat het afhalen van dit herflen vlies uyt de gemelde ployen een icgelyk gefchcnen heeft te zyn een moeylyk, zo niet een onmo gelyk werk, ’t welk maar alleen volgens de gedachten van Willijius Anatom. Cerebri Gap. 7. in de herfTenen van een menfeh of beeft, dat door ’t water \hydrops~\ geftorven is, doenlyk was. Dcrhalven, Beroemde Heer, zult gy uwen naam geen klyne luyfter byzet- ten, en de nieuwsgierigheyt der geleerde grootelyks voldoen, zoo gy de wa- re inwendige oppervlakte van't dunne herffenv lies in de tujfchenp laat zen van de grote en klyne herjfenen indringende, en des zelfs gedaante en gefteltenis ver- klaart cn afbcelt. Ondcrtuflchcn Godt verlcncU, groot luifter der ontleet-kunde, met uwen wel geliefden en cenigften Zoon, dapper navolger van s’ Vaders deugden, en getrouw metgezel van uwen arbeyt, lange Jaren gezontheyt cn welvaart, op dat door u beyder belyt de verborgentheden van s’ Menfchcn lichaam verder ontdekt mogen worden. Dit wenfcht van Herten Uwen onderdanigfle Dienaar en getrouwe Dierder van uwe PUytberoemde Naam JOHANNES HENRICUS GRALTZ. Gefchrcvcn in myn bevljni-liamcr tot Amflcriua «cn telde van HerfUt-nuand , 1696. ANTWOORT van FREDERIK RUYSCH. ANTWOORT Van FREDERIK RUYSCH, Aan den zeer Ervaren Heer JOHANNES HENRICUS GRdSTZ, Op Deszelfs ontleet-kundige voorftellige Brief, aangaande het dunne herflenvlies , en deszelfs uytfteekzels. Wel E r ya r e Heeßj ■yt uwen Brief, den zefde van Herftsmaand aan my behandigt, hebbe ik, behalven uwe groote genegentheyt tot myne ftudien, insgelyks uwe byzonderc vaardigheyt in ’t brieven fchryven ver- daan. Want nauwlyks was myn Antwoort, op uwen eerden brief aan de geleerde werelt vertoont, of gy hebt my aandonts op nieuws door een nieuw en veel gewigtigcr verzoek tot het volbrengen van andere dienden willen aanfporen. Ik bekenne waarlyk, dat u laade be- geerte zoo billyk en beleeft is, dat ik gedwonge worde , dezelve te gehoor- zame, en u verzoek ten eenemaal toe te daan, en dat te meer, nademaal uw oprechtigheyt en yver my niet alleen tot dat flach van dienden, maar ook tot meer anderen te doen , verbinden. Ik vreeze, ervaare Heer, dat u nieuws- gierigheyt, als ik dit bekleetzel van de grote en klync herdenen zal vertoont hebbe, u zal trekken tot de herdenen zelfs, nadien gy daar omtrent zeer vele dingen van my vertoont gezien hebt, dewelke geheel en al verfchelen van dat geen, ’t welk de voornaamde Autheurcn daar af gezegt hebben. Dog ik zal dit aan uwe beleeftheyt overlaten, wien myne veelvuldige bezig- heden en onvermoeyde y ver om de geleerde diendtedoen, overvloedig genoeg bekent zyn. N iemant, fchoon die maar een nieuweling in de ontleet-kimde is , kan 011- bewuft zyn, dat de grote herdenen, voor zoo veel de figuur van de uytvven- Aan JOHAN. HENR. GRAETZ. digc oppervlakte aangaat, zeer veel van de klyne herbenen verfcbillen: want de grote herbenen worden met verfcheyde kronkels toegevouwen , waar mede gy waarlyk zeggen zoude datze de darmen aan ’t darmenfcheyl gebon- den ,ot de hom van een Cabeljaauw verbeelden. Dat de zelfftandigheyt van de klyne herbenen in ’t buytenfte gedeelte gelyk als uyt platen tegen mal- kanderen leggende ’t zamengeftelt is , is van anderen al over lang tot wal- gens toe gezegt. ’t Is ook bekent gelyk gy wel zegt, dat het dunne hers- icnvlies tuffehen de tuflchenplaatzen van de grote en klyne herbenen zig in- voegt ■, maar de manier, hoe zy geloven dat zulks gefchiet, en tot nog toe de autheuren gefchreven hebben, is geenbnrs voor ’t gezigt vertoont. Want men moet niet denken , dat zulks op zoodanig een wys gefchiet , als het net tubehen de kronkels van ’t gedarmte ingedompelt wort , of als een neusdoek , dewelke van ons in verlchcyde vouwen tot malkander gedrukt wort: Nademaal aldus haar lengte en breette vermindert wort, dat zulks egter geenzints in ’t dunne herflenvlies plaats heeft,zal eennaauwkeurigeop- letter duydelyk aanfehouwen. Het blykt zeer klaar hier uyt, omdatnades- zelfs voorzigtige affehyding van de grote en klyne herbenen zyn grote en breette niet vermeerdert wort, fchoon het zig in alle die ployen vervoegt heeft, ten ware die hegtingen door hulp van vezels en vaten gemaakt met een lugtige haat van alle kanten wierden weggenomen. Derhalven fchynt my het gemelde dunne herbenvlies in alle de ployen en voegen zekere uytfieekfels (proceffus ) uyt te zenden, by na op gelyke wys, als de zikkelwyze uytfteekzels (proeejfus falaformïs } leggende on- der de langwerpige groef f fïnus longitudinalis y uyt de verdubbeling van ’t dikke herbenvlies ( dura mater j voortkomt 3 zoo dat het dunne herben- vlies zoo veel uytfteekzels voortbrengt,als ’er ployen gevonde worden, zyn- de dezelve niet van een zikkelwyze figuur, maar lopende üangswys, gelyk de 4 figuur van de 8 tafel aantoont. Tubehen de tub'chenp laat zen van de klyne herbenen vervoegt zig het dun- ne herbenvlies met zoo veel zikkelwyze uytfteekzels, als ’er ployen of groe- ven gevonde worden 5 dit vlies weggenomen en afgeicheyde zyn de, verheelt het zeer fraay de celletics en hoiienes van een flaapboi, gelyk te zien is in de 1 en 2 fig. van de 8 tafel. Om meer hier voor dit maal by tc voegen, laat deze bofte en de fchaars- heyt van myn tydt niet toe. Ondcrtuflchen dat gy welvaart, z>eer Ervare Heer bid van ganfeher herten. ° osior en Hoogleraar in de ontleed-en Kruyt-kunde enz. Aangaande het Kraakbenig maakzel van den Neus, de Slag- aderen van \ Trommelvlies, en van de Holligheyt van den Trommel, als ook van de ge- hoorbeen tj es en haar beenvlies. Zeer Vermaarde en Ervare Heer, Eerwaarde Begunstiger Sic de wctenfchap der ontleed-kond dellen te bedaan in een enke- le kennifle der namen , menende , dat de zelve volmaakt te ver- krygen is, zoo men de benamingen der delen weet 3 en deuren daar van in ziet, bededen, en ïchikken maar een korten tyt tot bet leren van die wetenfchap. Deze zoeken ZV daarom l allc VIII. BRIEF van JOH. HENK. GRiETZ. ontledingen verworpen en overgeflage hebbende, uyt de Boeken te halen, en met een blint vertrouwen onderwerpen zy de vryheyt van haar oordeel aan ’t gezag der Autheuren. Ik oordeel met deze leer over een te komen die fraye en gemakkelyke weg, dewelke Blankaart in ’t begin van zyn ontleding op ’t eerlte hooftdeel ydelyk roemt gevonde te hebben, door welkers hulp hy voorgeeft, dat hy m korte dagen de geheele ontleed-konft aan zyne leer- lingen kan vertonen. Maar hoe zou hy anderen in ’t onleden konnen oeffe- nen, naderaaal hy zelfs nooyt enige ontleding gehouden heeft, en al’t goede, dat hy in zyn ontleetkundig gefchrift gelaft heeft, is hy niet aan zyn eygen ogen, maar aan de naarftigneit van anderen, ten eenemaal verfchuldigt. Maar andere, oordelende eyndelyk de ware en grondige wetenfehap der ontleed-kunde deze te zyn, dewelke niet uyt enkele boeken, maar uyt de dode lichamen der menlchen met een overmoeyden yver gehaalt wort , roe- pen dezelve uyt voor zo een oneyndig werk, en dat ook met van een enkel menfeh of eeuw is. Zo dat die gene, dewelke den oorfpronk en aanwafch van de ontleedkunde van vele eeuwen herwaarts ophaalt , zig verwonderen moet, dat des zelfs palen, die te vore al te naauw bepaalt waren, nu door een eeuwigdurende lofwaardige vlyt van verfcheydcn wel bedrevene Mannen, oneindig, evenwel niet tot het uytterfte toe, uytgcbreyt zyn * daarenboven die het voorwerp der ontleed -kunde befchouwt , zullen hem aldaar vele onbekende, duiftere en twyffelagtigc zaken ontmoeten , welkers onderzoek den nakomelingen ook wat werk kotten zal. Wat my betreft, van die tyt af, wanneer ik myne ftudien, en my zelfs geheel en al aan deze zeer deftige wetenfehap opgeoffert heb, heb ik dik- wils gelegentheyt gehad van my te verblyden, Indien my in ’t onderzoeken zommige dingen naar wenfeh gelukten , maar dikmaals heb ik my bedroeft, als ik cie diepe verborgentheden met myn mes en arbeyt niet konde nafpeu- ren 3 evenwel ben ik hier in altyt gelukkig geweeft, dat ik my bediene kon van de zoo zeer gewenfchte gelegentheyt om myne pogingen m de voorwer- pen dikmaals te herhalen , en dat ik U : beroemde Heer, toteenbegunftigcr gekregen heb, wien ’t my zoo in ’t openbaar als afzonderlyk toegelaten is in een twyffelagtig voorval raat te vragen. Nooyt heb ik van U myn af- fchevt genome, of een openbaar antwoort van Ü bekomen, of ik heb my over de zwarigheden van my weggenomen, en de onbekende dingen geopen- baart, en de tekenen van gunft en genegentheyt herhaalt zynde, kunnen ge- ruft ftellen en verblyden. Wanuoer ik dit herdenke, ‘ben ik gedwonge, Vermoerde Heer, zo veel hoop en vertrouwen op uw beleeftheyt te ftellen, dat ik geenzintskantwyf- felen, of deze myne ftoutigheyt van (J voor de derdemaal aan te fpreken, zal Ü aangenaam en welbehaaglyk zyn. "He Aan FREDRIK RUYSCH. "De Neus onlangs van U aan my vertoont , die gy bercydt hadt tot een nauw- keuriger opheldering der verdelingen van dezsclfs kraak benig gedeelte , en ge- il eltenis van ’t narium~\ Neusfehot, heeft my geiegentheyt gege- ven om te bemerken, dat ’er vele dingen onbekent zyn, die hier klaar ble- ken , en van anderen of niet gezien, of als te gering zyn overgeflagen. In welke zaak ik ten volle beveiligt wiert, wanneer ik de fchriften der autheu- ren met uwe aanmerkingen een weynig naauwkeuriger vergeleek: want tot tot nog toe heb niet anders uyt alle de fchryveren, dien my de tydt toeliet raat te plegen, kunne verftaan, als dat de kraakbenige Zefftandigheyt van de neus verdeelt wort in vyf delen. Aldus wort het volgende daar van by Bartholinus in zyn ontleet kunde op het 10. Cap. van ’t 3. beek, by my op 350. bladtz. gelezen: de kraakbenen maken de Zelfftandigheyt van ton der- ft e gedeelte der neus, en zyn vyf. ‘De bovenjie zyn de breetft befluit dat de Zenuwen door alle de delen van ’t lichaam verfpreyt worden. Myn mening is nogtans niet, als of ik zeggen wilde, dat alle die gemelde Heren dc flagaderen en aderen aan de delen van ’t inwendige oor niet toe- gekaan hebben want het koude anders blyken uyt haar fchriften, dewyl de Heer du Verny zeer nauwkeurig den oorfpronk en tak verdelingen dezer va- ten fchynt te befchry ven 5 hy zegt immers, de Holligheyt van dezen trom- mel is belde et met een -vlies, waar in zeer veel va! en verfpryt worden wel- kers takics zommige zyn van dien tak der flaap-jlag^ader, dewelke in het dik- ke hersenvlies verfpryt wort, maar de andere vaten zyn takies van die va- ten , dewelke verfpryt worden in de vliezen, welke de holligheden van ’t mam- wyze [ Apopbyjï Mafloidis ] uytfttekzelbekleden- J a zeirs vertoont hy dezelfde vaten afgebeek inde 1. hg. van de 9. tafel. Hy zegt verder, dat de Zelffiandig- heyt van den [ Malleus ] hamer en [ Incus ] aanheelt met zommige gaatjes door boort zyn, die toegang verlenen aan de vaatjes , welke het voetzel daar na toebrengen, en eyndelyk eygent hy het ilekkenhuys en de halfronde Oanalen of holligheden ook hunne kagaderen en aderen toe. Want volgens zyn gedachten, deelt die Jlagader, welke tot het Jlekkenhuys ///gaat, een aan- merkelyke tak mede aan het [ l7ejhbulum ] voorhuys, dewelke wederom in tween ver deelt voort, gaande na de regter en linker zyde; hyde deze takken worden wederom gemeenlyk verdeelt in twee anderen, welkers eene door dc Aan FREDRIK RUYSCH. poort van V Voorhuys , & we/ de halfronde Canalen gemeen is, ingaat, en wort verdeelt in twee takjes , welke in 9t binnenfte dezer Canalen verfpryt worden: E)e andere tak gaat door de bovenjie poort van ’t middelfte kanaal in, cn keert weder door de anderepoort van ’t zelfde Canaal in ’t Voorhuys. Op vele plaat zen van ’t binnenfe van ’t Voorhuys gefchied ’er etn [ Anajh- mofis ] inmondinge of vereniging. "De Aderen worden op gelykerwys ver- deelt. De zelfde beroemde Autheur voegt ’er de af beeldinge van deze vaten by in de 7. en 8. figuur van de 10. tafel. De zeer vermaarde Schelhamer voegt ’er wel geene byzondere befchry ving,van een verfpryding der bloetvaten na de inwendige delen van ’t oor by , maar nogtans zegt hy op de 1 o. Atdeeling van ’t 3 Hooftftuk van ’t eerlfe deel, dat het openbaar is, dat dezelve tot in het oor doordringen, nadien inverfch geftorve lichamen de vliesjes, bekledende de inwendige oppervlakte van de Schelp, door de bloetvaten geheel root zich vertonen, maar hy ftaat Vejalius niet toe, dat die vaten ontfange worden door dat gat, waar door uytgaat het harde gedeelte van de gehoor zenuw, het welke is tuffehen het mamwys, en [ apophyfïs ftyloides ] priemwys uytileekzel, en dat dit is de £ jlqu*e ducttts Fallopii ~j waterweg van Fallopius, toont hy §, 11. 12. Cap. 4. part 1. niet minder grondig aan, als hy klaar bewyfb Cap, 3. §. n. dat dien anderen gaande uyt het oor na ’t verhemelte, genaamt moet worden de [ ductus Euflachianus ] de weg van Euftachius. Maar niet te min, indien ik van de eene kant deze bcfchryvingen en Af- beeldingen van die Heren, en van de andere kant alle die vaten door uwe wonderbaarlyke konll: met root wafch opgevult nauwkeurig befchouwe, be- fpeur ik geen klyn onderfcheyt tuffehen het beloop van die, en deze vaten, zynde een klaar bewys, dat die ontleders de gemelde vaten liever met de o- gen des verftants gezien, en die zy met het gezigt niet gewaar kondc wor- den , door inbeelding ingevult hebben. Daar en boven, dat dit E) oor luchtige paar ontleders met Spigclius en an- deren vaftgeftelt, dat de beenderkens van ’t gehoor zonder [per/ofin/nj been- vlies zyn, fchynt my met de natuur en ’t gebruyk van dit vlies te ftryden. Nademaal het zelve volgens den zeer nauwkeurigen on'tleder, Hr. Clopton Havers, in zyn Ofteol: nov. discurj. 1. by my op ’t 18. en volgende bladz. 2o^nig van natuur is, dat het met een dubbelde loop van vezels voorzien is we kers onderfte ontftaan van ’t dikke herffenvlies, en lopen regt uyt, maar nemen haar oorfpronk van de pezen der fpicren, en houden geen geregelde pkatzing; nu zyn de beenderkens van ’t gehoor zo verre niet van deze dubbelde oorfpronk van ’t beenvlies afgelegen, of ze zyn der liever naaft by. Na het oordeel van dien zelfden Heer Havers, by my op 1 *9 en volgende blad, is het gebruyk van ’t beenvlies in de beenderen VIII. BRIEF van JOH. HENR. GR^TZ. zesderly; ten eerfte, op dat het de beenderen bedekt. Ten twede >op dat het de geeften met zich na de Zelfftandigheyt der beenderen voert, endezel- ven gevoelig maakt. Ten derde , op dat het de vergroting der beenderen tot een paal verftrekke; ten vierde , op dat het de verenigingen der beenderen en der zelver aangroeyzels bevordere, ten vyfde, dat het de hoofden en pezen der fpieren met de beenderen vafthegt, ten zesde , dat het wegens zyn ge- vocligheyt de beenderen bevryt van uytwendige ongemakken. Geen van alle deze gebrnykcn kunnen deze gehoor beenderkens boven de andere beenderen van ’t menfchelyke lichaam ontberen: want of fchoon de Hr. Schelhamer , hier uit beiluyt, part, 3. cap» 4, §. 13. om dat, als men het beenvlies aan de overige beenderen tceftaat , de natuur te gelyk haar het gevoele heeft wil- le geven ,op dat ’er niet iets fchielyk of onverhoets het zelve quetfe ,of zon- der onze bemerking bederve, dat derhalve deze beenderkens zodanig be- kleetzel niet van noden hebben, om dat ’er voor geen uytwendige ramp te vrezen is, dewylze in de binnenfte holligheyt der beenderen verborgen leg- gen en geen fcherp vogt op vallen kan, nadienze in de inwendige lucht ophan- gen. Dit niet tegengaande bevindeikin de gemelde redenering een onvolkome verhaal van de gebruyken van ’t beenvlies, en een ongegront bewys van de twede helling; waar op nogtans de zaak aankomt, namentlyk, dat de ge- hoor beenderkens zodanig in de binnenfte delen van ’t oor verborgen leggen, dat ze tegen alle rampen en ongemakken zo van de lacht, als fcherp vogt bevlytigt en bevryt zyn; nademaal het tegendeel my doen geloven de gefta- dige vernieuwing van de lucht in de fchelp begrepen door den weg van Eu- ftachïus, de aangemerkte veelhcyt van vogt in dezelfde holligheyt na mate overvloedig genoeg, en vele andere redenen, die ik om de kortheyt hier voorby ga. Maar om niet wytlopiger te zyn in ’t verhalen myner twyffelingen, dewel- ke bymy voortgekemen zynuyt het lezen der ontleetkundige boeken, en ’t befchouwen van uwe zeer nauwkeurige en zinnelyke berydingen, en op dat ik ’t gemeene welvaart, ’t welk U zo zeer ter herten gaat, geen nadeel doe met U van nootzakelyke dingen af te houden, betuyge ik, dat ik alleenlyk daar medevoer heb, om IJ, Vermaarde Heefs voor ogen te leggen die dingen, welke nog onzeker en onbekent zyn , van welke alle oprechte lief- hebbers der ontleetkunde met een eenparige wenfeh een nauwkeuriger be- fchryving verlangen; en om ü te verzoeken, dat gy ’t gene, ’t welk gy omtrent de verdelingen van de kraakbenige 2belf ftandtgheyt van de neus, de figuur van V middelftchot van de neus, de bloetvaten door alle de gedeeltens van 't inwendige oor, en trommelvlies verfftt'yt; als mede het beenvlies van de gehoor beenderkens, door uwe onvcrmocyden arbeyt, cn fchrander- Aan FREDRIK RUYSCH. heyt begrepen hebt, de geleerde werelt niet langer onttrekken, maar door uwe nauwkeurige afbeeldingen en uytleggingen bekent maken , en in ’t licht brengen wilt. Hier mede Wenfche ik zeer yieriglyk, dat gy welvaart 3 en ik verzoek dat gy my, die IJ zo grotelyks acht, volhert te begunftigen 3 en blyve. Zeer Vermaarde Hee r, U Onderdanigde Dienaar, JOH. HENR. GRiETZ. Amftcrdnm den eerden van Slacht maant in ’t Jaar 1696. ANTfOORT Van ERE DE RIK RUYSCH, Aan den zeer Ervaren Heer JOHANNES HENRICUS GRiETZ, Op Deszelfs ontleet-kundige voorftcüige Brief, aangaande het kiaakbenig maakzel van de Neus, de flagaderen van ’t trom- melvlies , van de holligheytvan den trommel, envandege- hoorbeentjes 5 mitsgaders aangaande der zelver beenvlies. Et is zo, de ware en oprechte kennis der ontleedtkunde is niet SI j| enkel uyt het lezen der boeken, en ook niet alleen uyt hetfny- llir IT dcn Cr dode lichamen te halen * maar daar wort een minzame M vereer»iging van beyde ftudien vereyfcht. Nadcmaal dit U zeer ter herte gaat, zo dat gy de fchriften der befte Autheuren by ANTWOORT van FREDIUK RUYSCH nagt cn dag doorleeft, en de ingewanden der geftorvenen vlytig doorfnuftelt* geeft gy reden om veel van U te hopen , en alle geluk tc voorfpellcn. Uwe verdienften bewegen my , dat ik het antwoort op uwen brief op den eerften van Slachtmaant des voorlcdene Jaars niet verder kan uytftellen, fchoon ik zeer bezet ben met mync openbare vertoningen, drukke practyk , en huys- lyke zaken. Gy brengt eerft ter onderzoeking de kraakbenige gefleltenis van de neus van de Anatormften niet genoeg gezien , of befchreven , veel minder afge- beelt: want zy alle gclyk'gy wel zegt. Zeer Ervaare Heer, ftellen maar vyf kraakbeenderen van den neus, namentlyk twe bovenfte en breetfte , han- gende aan de benige delen van den neus 5 een derde midden tuflehen deze twee en makende het kraakbenig gedeelte van ft neus-fchot uyt 3 en de twee onderfte , de vleugelen genaamt. Maar by aldien imant met een luchtige hant dit gehele onderzoek in ft werk ftölt, zal hy bevindc, dat de vleugels niet in ’t geheel;, maar voor ft minfte gedeelte van een kraakbenige Zelfftandigheyt zyn, en dat ’er van de- ze meer ftukken gevonden worden , als de Autheuren tot nog toe geleert heb- ben. Onder het benige gedeelte van den neus , (ft welke met alleen uyt twe langwerpige vierkante beentjes beftaat , maar ook uyt het zydelyke en boven- fte deel van ft derde paar der beenderen van de bovenfte kaak j) de bekleetzels afgenomen zynde, komt de j~ Naft globus j Neus-bol tc voorfchyn dewel- ke lichtelyk in twee delen fplyt, als dc banden maar weggenomen worden 3 gelyk te zien is in de 5. lig: van de 9. tafel, letter A. Tuflehen deze delen een wynig van malkanderen uytgebryt, komt het kraakbenig gedeelte van ’t middelfchot in ft gezigt, het welk Bartholinus voor ft derde in ordre hout 3 maar Spigelius noemt het cerfte, en ft zelve zal by my ook het Eerft t kraakbeen van de Neus wezen 3 om dat het onge- paart is 3 maar de andere zyn in byde de kanten dubbelt. Dit kraakbeen ver- deelt het onderfte gedeelte van den Neus in twe delen, en zit vaft aan ft benig gedeelte van ft Neus-fchot door tuflehenkomft van een vliezige bant, dewel- ke door een verzwering zeer licht losraakt, waar door dc neus een affehu- welyke cn platte gedaante aanneemt. Dit kraakbenig fchot is geenzints in zyn onderfte en uytterfte gedeelte fcharp, maar ront, gelyk blykt in de zes- de cn zevende fig. van de 9. tafel. Het is fomtyts omgekromt, en in ftok- ouden verandert het niet alleen in een benige Zelfftandigheyt, maar wort dikwüs ook onmiddelyk verenigt met het elfde been van dc bovenfte kaak, dat men de [ Zomer ] Ploeg noemt. Daarenboven oordeel ik ft aanmerkens- waardig te zyn 3 dat dit kraakbenig middelfchot der Neusgaten, niet alleen bekleet wort, met het [ Membrana Mucofa 1 Snot vlies, maar ook met een Aan JOH. HENR. GRAETZ. zéér dun vliesje onder dit onmiddclyk gelegen ; Dit dunne yliesje is een ver- volg van ’t beenvlies , dat het benig gedeelte van dc neus bekleet, cn ver- dient de naam te hebben van ’t [ Terichondrium ] kraak-beenvlies, en het wort met zyn ilag-adertjes voorzien, voornamcntlyk zo gy ’t voor het heldere ligt hout 3 en het voorwerp op myne nieuwe manier bereyt is, gelyjc ik onlangs in een afgezonderde byeenkomd vertoont heb, en dc 8. hg. van de 9. tafel aanwyd: dit dunne vliesje gefchcurt of afgebroke zyndc, komt ’er zeer be- zwaarlyk een nieuw in dc plaats, en baart een Heelmeefter veel mocy te. Maar het Snotvlies, het middell'chot bekledende pronkt met duyzenden van flag- aderlyke takjes, gelyk door een nauwkeurig onderzoek blykt in dc 6. hg, van de 9. rafel, hare uyceyndens heb ik onlangs zo fyn vertoont, dat men dezelven met vergroot glazen naauwlyks konde ontdekken, daarom is’t geen wonder, dat ’er zoo licht met het cynde van den vinger een [Hamo7''rhagia~\ bloctftorting verwekt wort. Dit Snotvlies heeft ook overvloedige kliertjes. Ziet de 7. hg. van d 9-9. tafel. Het twede en derde Kfaakbeeninde 4. fig. A.lett. aangewezen,zynde drie- hoekig, worden met de hovende kant gchegt aan ’t benig; gedeelte van de neus door middel vaneen handige hegting, en langzamer hant nederdalende eyndigen ze met het voorde gedeelte in een fcharpe hoek, en met het onder- de gedeelte ontfangen zy het Vierde en Vyfde Kraakbeen, of het twede paar ? dewelke van anderen wel verzuymt zynde, kort zyn, komende in breette over een met de breette van ’t tweede bovengemelde paar kraakbeenderen. Zietdc 4-fig. van de 9. tafel, letter B. Het zesde en zevende Kraakbeen, het derde paar uytmakende, hangen met de agterde zyde aan de zo cvenverhaalde kraakbeenderen, namentlyk het vierde ,en ’t vyfde, en zyn ten naaden by van een vierhoekige figuur. Ziet de 4* fig. van de 9. tafel, letter C. Aan deze kraakbenige brokken volgen het achtffe ennegende Kraakbeen of het vierde paar, eenigzints de bladeren van dc [ferifloca fcandensJ klim- mende omwinde verbeeldende, dewelke in de beyde uyteyndens' /pits zyn, cn eyndigende in een dun nederwaarts gebogen aanban gzefije, eenigzints her [pèdiculus fotiorum ] deeltje van de gezegde bladeren geiykendc, naderen omtrent het eynde ten laade wederom zeer na by malkanderen, en daan aan kanten van’t fchot, even als de deeltjes aan de ribbe ° 2enuw van de bladeren, en eindigen in de infnyding van de borende lip. Ziet de 4. fig. van dc 9. tafel, letter D. Het overige gedeelte makende het grootde deel van de vleugelen in de bei- de kanten , is niet kraakbenig, maar enkel vliezig, alhoewel’t dik genoeg is* Ziet de 4. fig* van de 9. tafel, letter E. ANTWOORT van FKEDKIK RUYSCH, Wat het twede deel van uwen brief aanbelangt, zeer Er vare Heer, na- ment! yk de Afbeelding van de bloetvaten lopende door ’t trommelvlies, ik beken dat gy dit moeyelyk werk zo dikmaals van my hebt verzogt, dat ik het U met fatzoen niet langer wygeren kan, echter is ’t my geheel en al moeie- lyk geweeft, niet alleen de gezegde vaten te voorfchyn te brengen, maar ook wegens haar fynheyt, derzelver afbeelding temaken- waarom gy niet denken moet, dat alle takjes in de bygevoegde negende figuur vertoont worden, de- wyl ik zulks ten eenemaal onmogelyk oordeel. Derhalven wil ik in de eerde plaats aangemerkt hebben, dat derzelver loop ten eenemaal verfchillendc is van die, dewelke gezien wort in ’t zeer dunne vlies de holligheyt van den trommel bekledende: in de twede plaats moet men weten, dat ik in de herfftmaant van ’tvoorledene Jaar, wanneer ik myne open- bare vertoogingen deed in dode lichamen van kinderen, nu al over de drie Ja- ren door myne balfamatiezeer net als levendig bewaart, aangetoont heb, dat het trommelvlies beftaat uyt twe platen of rokken, cn dat ik den derde in den vorige maant ontdekt heb, den welken ik nog in myn Snykamer een ygelyk vertone kan; de bloetvaten worden niet yerfpreyt door den uytwendigen rok, maar, voor zo veel ik tot nog toe heb moge ondervinden, door den middel- ffe, zoo dat men giffen moet, dat deze bloetvaten gefchiktzyn tot een byzon- dere bediening, en hebben zeiden, zoo ooyt, gemeenfehap met de vaten door den trommel lopende. Verders ftaat aan te merken3dat die flagaderlykc bloetvaten door ’t trommelvlies met een zeer zware takmaking verfpreyt, ookeeneygen en byzondere loop houden; want zy worden van ’t midden of middelpunt af- geleyt tot den omtrek; het dammetje van deze vaatjes na’t middelpunt of’t midden gaande neemt voor ’t grootfte gedeelte zyn oorfpronk van de takjes der uytwendige flaap-ilagaderen lopende ter zyde vandeuytwendigefpier van den hamer. Ziet de 9. fig. van de 9. tafel. Omtrent de bloetvaten van het zeer dunne vlies van den trommel, heb ik onlangs in een afgezondert collcgie der zelver wonderlyke loop vertoont, die ten eenemaal van de figuren der Autheuren verfcheeide, en zeer vermakelyk om te zien was, gelyk ik ook afgebeelt heb in de 10. fig. van de 9 tafel,al- waar dat vlies uyt de holte van den trommel genome en vlak gefpanne gezien wort, op dat dc vaten des tc naauwkeuriger te voorfchyn zoude komen. Het geene gy, zeer Er vare Heer, aangaande de nootzakelykheit van ’t beenvlies van de beenderkens van ’t gehoor met kragtige drangredenen bewyft, verdient myne toeilemming, en ’t wort met het oog zelfs zodanig beveiligt, dat ik verzekeren kan, dat ik die beenderkens over drie of vier Ja- ren al bevonden heb geenzints van een beenvlies berooft te zyn, en dat by ge- val : want de bloetvaatjcs door de gemelde beenderkens verfpreyt, en in de Aan JOH. HENR. GRiETZ ccrfte figuur uytgedrukt, verfchafte gelegentheyt tot deze ontdekking, ’t welk een van myne leerlingen toen ter tyt tot een byvoegfel agter zyn di- fpuyt plaatfte. Maar myn arbeyt en bezigheden trekken my van ’t fchryven af en roepen my elders , waar aan ik my des te meer onderwerpe , om dat ik my vaft ver- bek , dat ik uw verzoek na myn vermogen voldaan en uwe zwarigheden op- gelofi: heb, ’t welk myn enigfbe oogmerk van myn antwoort was, en gelyk gy daar van verzekert kunt zyn, zo zal ik ook geen gelegentheyt voorby la- te gaan, waar by ik bekent kan maken, hoe ik U beminne, en van gant- fchcr herte ben. Zeer Er vare Heer. V en Twe fudien toegenegene Vrient. FREDRIK RUYSCH. Scfchreven in Amflcrdam den Negentien- den van Louwmaant in ’t Jaar 1697. VERKLARING van de NEGENDE TAFEL. e Tweede FIGUUR. Her toont dezelfde beenderkens in haar natuur lyke grootte } en dat uyt het lichaam van een bejaart Menfch, Te Tierde FIGUUR. Wyfi dezelfde b eender hens aangenomen uyt het hooft van een menfchelyke vfugt} dewelke in grootheyt b\ na over een komen met die van een bei aart Menfib- en zyn veel meer in getal, als ik uytgedrukt heb. He Zevende FIGUUR. IVyft het gemelde fchot aan met zyn Snot-vlies voorzien van ontelbaare kliertjes y welkers gapende montjes zich voor ’t gezift vertonen, He Acht ft e FIGUUR. Vertoont het zeer dunne vlies leggende onder het fnot of [ membrana papil- lofa] tepelagtig vlies sen het Middelfchot van de Neus-gat en onmiddelyk bekledende 5 met bloetvatèn voorzien. He Negende FIGUUR. H?rtoont de ftag~ adertjes van ’t trommel-vlies, A. Een takje van de uytwendige ftaap-flagader en, B. Hes zelfs verdeling door ’t trommel-vlies. He Tiende FIGUUR. Vertoont den loop der Jlag-adertjes door hét vliesje 3 dat de holte van den trommel bekleef, Dc •yVeerd. Taf. £a De Negende Ontleed-kundige Voorftellige BRIEF Door ANDREAS OTTOMARUS GOELICKE, Medïcyne Doffor. Aan den zeer vermaarden Heer FREDRIK RTJYSCH. Medicyne 'Doffor en Hoogleer aar in de Ontleed~en Kruyd-kmde y enz. Aangaande den loop der flag-aderen door ’t dunne herflen-vlies, de bedienen bekledende; het derde hei ffen-vlies, de flag- aderen der vliezen , de holligheden van \ voorhooft- been boven de wortels der neus-gaten , en de hol- ligheden onder het reyzaal bekledende; als ook aangaande de nieuwe flag-aderen van de lever en ’t Middel-rifc. Zeek Beroemde Heer. dien uwe Edelmoedige inborft cn vierige begeerte om de we- ® tenfehappen der genees konft van dag tot dag met nieuwe ont- iËSs dekkingen te vermeerderen, my niet ten volle bekent was ge- weeft, ik zou nauwlyks dezen brief, met zo een geringe ftyl gefchreven, U hebbe durve toezenden j maar hier heeft my u- we vrjendclyke brief witteling toegebragt, waar mede gy anderen al voor de- zen vereert hebt, Ja daar toe ben ik eenigermate ook aangemoedigt door de byzondere vrientfehap en gun ft, dewelke de zeer vermaarde Heer J, f[% Grt fchryven volgens uwe aangebore belecftheyt vergeven, en te ge- lyk voldoen zult myne billyke nieuwsgierigheyt , waar mede ik omtrent zommige ontleet-kundigc gefchillen, die van geen wynig belang zyn, op- gehouden wort. Wanteen brief, zegt Cicero, vvort niet fchaamroc* ; na- /-V 1 IX. BRIEF van ANDR. OTTOM. GOELICKE, demaal wy daar in yryer onze gedachten aan anderen mogen uytdrukken , dat anderzints de eerbare fchaamte verbieden zou. ’t Is nu een igelyk bekent, Beroemde Heer, dat de [ Cerebrum J groote en [cerebellum~\ klyne herffenen befloten leggen in ons bekkeneel, en het verlengde merg door de geheele ruggegraat uytgeftrekt is. Dat de zelfftan- digheyt der herffenen ten dele [ Jübftantia corticalis ] korft-agtig en ten dele [,® tnedullaris ] mergagtig is volgens het getuygen van Malpghius, hebben al in haar tyt aangemerkt Biccolomineus , Lindenius , Batthinus, en na haar, voor zo veel my bekent is, alle de ontieders. Eyndelyk dat de herffenv liezen, zoo wel het pia mater S. meninx~\ dikke als het dunne gemeene dekzels van de her Henen zyn, en dat ze niet alleenlyk haar buytenllen omtrek omringen, maar zich voegen in de diepfte hoeken, ploien, en rimpels, is door de grote naarftighey t van JVillifius in zyn ontleding der herffenen ontdekt > waar aan uwe fchranderheyt onlangs ook als de laatfte hant gelegt heeft, wanneer gy in uw antwoort op den zevenden voorftelli- gen brief van den zeer Ervaren Heer Gr eet z het dunne herflenvHes, be- kledende de klyne herffenen, inde i. hg. en een van deszelfs zikkelwyze uytfteekzels met den wonderbaarlyken loop der Vaten in de 2. fig* zeer nauw- keurig afgebecit hebt. Maar dit alleen heeft my in twyffel gehouden, wat ik gevoelen zou van den loop der flag-aderen van ’t dunne herffen-vlies, de grote herffenen en het fme du lLa fpinalis] ruggemerg bekledende, den welke Bidloo in de 5. fig. van de 8. tafel, als mede in de 1. Hg. van de 10* tafel uytgedrukt heeft, Nademaal ik den zei ven geheel anders in uwe zeer nette berydingen van uw Cabinet gezien hebbe j en wat ik oordelen zou over het derde hers- fen-vlies, tuffehen het dikke en dunne herffen-vlies gelegen, waar van dc zelfde Hr. Bidloo handelt in zyn ontleetkonfbge tafelen, of het niet enkel denkbeeldig was, cn of het in der daat aldaar wel beftont, gelyk deontleet- kuodige gefchiedeniffen getuygen, dat andere het zelfde lot overgekomen is eerft konde ik my dit niet wys maken van een Man, die tot nog toe zo ver- maart is in de ontleet-kunde, en die zoo grootelyks roemt over zyn bequaam- heyt en voorfpoet in ’t ontleden der dode menfchelyke lichamen, voorna- mentlyk wanneer ik dat vlies in de openbare demon (braden onlangs door ’t opblazen van U vertoont, in tegenwoordigheyt van den Brofeffor Bidloo, gezien heb, en den Hr: Bohnius, Profeffor in de Medicyne rot Leipzjg ? bem den lof van de eerfte uytvinding niet duyfter fchynt toe te eygenen , in zyn Circul. Anat: Brogymuafm. XXI♦ pag. 333* alwaar hy op deze j wys (preekt $ Bidloo is de eerjle, voor zo veel my bekent is, dewelke in zynont~ kdïng des Menfchelyken lïchaams gew, ach gemaakt heeft van een zeker der- Aan F RED RIK 11UYSCH. de vlies , gelegen tujfcloen het dikke en dunne herjfen-vlics , bet welke ik on- langs in de openbare ontleding van een dood mannelyk lichaam, niet op het derde uur van zyn dood, gelyk het dezen ontleder gebeurt is, maar cp den vy{tienden dag bereit, myne aanfehouwers vertoont hebbe. Het zy hier van wat het wilj echter is het nootlot van deze Anatomitche vrugt te beklagen, om dat het zo een ongelukkige moeder heeft, nademaal deze door een ont- aarde liefde het zelve in zyn eyge vuyligheyt laat leggen, nog afwafcht of reynigt, op dat het aldus in een zindclyke gedaante te voorfchyn kome , en in ’t oog van anderen aangenaam zyn zou. Derhalven zult gy de gunft en eer van alle oprechte liefhebberen verdienen > zo gy de vaten van het dunne herffen-vlies ,de grote herbenen en ’t ruggemerg bekledende, als mede dit |~ membrana arachnoidea~\ fpinnewebs-vlies of derde herflen-vlies en deszelfs zamenhang door een naauwkeuriger figuur afgebeelt zult hebben, en in sgelyks aangetoont, van wat afkomft het vlies is, dat de holtens boven de [radices nafi'] wortels van den Neus in ’t voorhooft-been, en dat de holtens onder het \ fella equina ] reyzaal bekleet, en wat wonderbaare takmakingen van de bloct- vaten aldaar zyn. Omtrent het geflel, en gebruyk van de [ Hepar ] lever, als mede de bloetvaten door de zelve lopende , hebben de Geneesheren van al- le tyden af grote vooroordelen gehad. Zo dat ze zich niet gefchaamt hebben , dit ingewant voor het aanzienelykfic te achten , en het gehele werk van de bloetmaking aan ’t zelve toe te eygenen, alhoewel anderen dit omvergeworpen en de onbequaamheyt van dit ingewant tot het waarnemen van deze edele bediening klaarder als de Zon aangetoont hebben 3. tot dat eyn- delyk de zeer vernuftige Malpïghius deszelfs maakzel naauwkeuriger onder- zogt, en daarna het ware gebruyk aangetoont heeft. Wat dc bloetvatcn door de [parenchymaglandulof urn ] klierige Zelfflandigheyt van de lever kon- dig verfpreyt aangaat, deze worden met een algemene toeftemmingdcr ont- leders verdeelt in [vaja adduceni ia] [£s> abducentia\ bybrengende en afhalende vatenj van het eerde zoort zyn de[artena hepatica{ ie ver Jlag-ader uyt de regter tak van de [ coeliaca ] Maag-ilag-ader af kom (lig, de [ vena portarum ] Poort ader, dewelke van zommige gehouden wort de bediening van een dag-ader waar te nemen, en de [nervus hepaticus \ lever zenuw, maar van’t laatfte zyn deftammetjes van de [vena cava] hol ader> [va fa lymphatica ] watervaatj eshun oorfpronk uyt yder kliertje nemende, en de [pori bilarü ] Galpypjes, En deze zyn het maar, dewelke alle autheuren tot een toe in hare ontleet-kundi- ge beginzelen gewoon zyn te melden: want dit meet niemant wonder fchy- nen, nademaal zeer velen zoo niet allen de regte manier om deze verborgen- verfpryding der vaten te ontdekken, onbekent is. En nadien U, beroemde Heer y deze hyligdommen der natuur geopen baart zyn, dewylgy gehele dagen IX. BRIEF van ANDR. OTTOM. GOELTCKE, in ’t onderzoeken van diergelyke geheymen verflyt, en de manier weet, om de fynfte \_vafa capillaria] hairige vaatjes, dienaauwlyks met het ver- grootglas kunne befpeurt worden,met zekere wafchagtige ftoffè op te vullen, kan ik waarlyk niet zien, wat ’er uw edelmoedigheyt waardiger, en billyker wezen kan, als dat gy hier in het verlangen der weetgierigen voldoet, en zo gy eenige nieuwe ontdekkingen omtrent de lever bloetvaten behalven die hebt, welke gemeenlyk de ontleders gewoon zyn aan te halen, wilt dog dezelve tot groot voordeel der geneeskunde mededelen. Laten U, zeer beroemde Heer, de nyt en lafter van quaataardige men- fchen in ’t minfte niet doen wachten; want daar ze nier geiyk kunnen zyn, trachten zy ten minften, als de wangunftigen, den naam van anderen wel verdiende en geleerde Mannen te beknibbelen en aan anderen verdacht te ma- ken, gelykerwys ik my verwonderein deze Academie zelfs over den Hr.Bid- ko, dewelke in zyne, zo openbare, als afgezonderde, lellen op u fchelt, en zich niet fchaamt LJ voor den elendigften der ontleders uyt te roepen. Maar ik bid U, dat gy denkt, dat de konft niemant tot een hater heeft, als een onwetende, en dat het veel lichter is iemant te berispen, als na te volgen. Derhalven wcnlche ik haar beter gedachten, op dat ze eyndelyk haare las- tertaal leren fparen , en zo in ’t kort haar leven beteren, en U wenlch ik, dat gy ondertuffehen een ftil en geruft gemoet mogt hebben, en dat gy met die naarftigheyt, waar mede gy begonnen hebt, nog verder voortvaart op uwe ontleed-kundige ftudien te waken. Daar zouden waarlyk nog wel vele dingen zyn, beroemde Heer, waarin ik gaarne van U wilde onderwezen zyn , voornamen tlyk die het [ Hia- fbragma'] middelriften deszelfs bloetvaten aangaan * en of men hier met met regt konde denken, dat ’er behalven de al over lang van anderen befchreven flagaderen, nog anderen zyn , die na ’t middelrift gaan , waar af tot dezen tyt toe geen ontleder gedroomt heeft. Maar ik vrees, dat ik de palen van een briefte buyten gaan zal, en fchyne uwe belceftheyt al te veel temisbruyken* |v Voor het overige, Bidde ik den almogcnden goeden Godt, dat hy niet alleen U gezont, en lang doet leven, en beware, maar U ook in ’t midden van de lafteringen met een zoete en aangename ruft cn ftil te onderfteune, tot grote nuttigheyt en luyfter van onze konft. Zyt gegroet, beroemde Heer, «n vaart voort my verder te begunftige, die altoos zyn zal. Een Onderdanigfte vierder van uwen wydtberoemden naam' ANDR. OTTOMAR. GOELICJCE. Medicyne fDottor. .Oefchveven in myn tor Lcyden op den tienden van Grasmaant in ’t Jaar 1697. ANTWOORT Van FREDERIK RUYSCH, Aan den zeer Ervaren Heer DEN HEER ANDREAS OTTOMARUS GOELICKE, Medicyne Dotfor. Op deszelfs ontleet-kundige voorftellige Brief, aangaande den loop der flagaderen door ’c dunne herffenvlies, de herffenen be- kledende,* het derdeherffenvlies, de flagaderen der vliezen, de holligheden van ’t voorhooft been, boven de wortels der neusgaten, en die holligheden onder het Reyzaal be- kledende; als ook aangaande de nieuwe flagaderen van de Lever en Middelrift. Zier Ervare Heer. ■we Brief,, op den tienden van Grasmaant my had geen verlof 3 of een wydtlopige ontfchuldiging van noden * na- demaal het my zeer aangenaam is door een vrient XJ te kenne tot een en dat ik hier door gelegenthcyt heb- be, ornuw weetgierig verlangen te voldoen. Maar ik tvyf- f . \ ■ fel ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, fel 5 of ik ze in ’t geheel wel zal kunne voldoen: want ik moet bekenne, dat ik my hier in vele moeyelykheden ingewikkclt vinde, voornamentlyk omtrent de afbeelding van ’t fpmnewelsvlies , welke gy van my vordert: want het is zo fyn, en op zo vele plaatzen aan het dunne hersenvlies en deszelfs bloet- vaten zodanig met vezclagtigc hegtingen vaftgegroeyt , dat het door geen kond daar van in zyn geheel , en zo als het is, ohgeïchonde kan afge- fcheidai worden , voornamentlyk op die plaats, alwaar het de bcyde [ cerebri hemt fpJmria, ] halfronden of delen der herSenen van bovene onder het dikke hersenvlies beklect; het zelve wort wel op ontelbare plaatzen met wint door een pypie daar in gebragt opgeligt, maar aanftonts zinkt het we- derom neder, en verdwynt, waar van daaneen ygelyklichtelyk afnemen kan de mocyelykhcyt ja de onmogelykheyt van het ongcfchonden af te teykenen: maar ontrent het achterbrcyn, voornamentlyk ageer aan, als mede omtrent het Ruggemerg wykt het door wint zeer licht van de andere bekleetzels, zo dat het aldaar nauwkeuriger kan worden afgemaalt. Het gemelde fpinnewebsvlies heeft dit byzonder, ’t geen nog in ’t dikke nog in ’t dunne herSenvlies tot nu toe is aangemerkt, dat het namentlyk niet alleen is een zodanig dunvlies, dat er in ’t geheele lichaam geen fynder of dunder gevondc wort; (om welke reden de eer 11e ontdekkers, de zeer be- roemde Heren Blafius, Sladus, Quina, Swammerdam, Sec. de welke een byeenkomft onder haar hielden in ’t Jaar 1665. en 1666., dit vlies ook het Spmnewebsvlies genoemt hebben. } Maar ook dat het, door het opblazen op ontallyke plaatzen gefchydcn, het \membrana cellulofa ] Cellulcufe vlies verheelt (voornamentlyk als de herSenvliezen met een overvloedig vogt bezet zyn} daar ’t nogtans geenzints celluleus is. Het is ook met waarfchynelyk, dat het vet, *t welk ik onder het dikke herSenvlies gevonde heb, en in myn Cabinet bewaart wort, zyn zitplaats heeft in’t gemelde fpinnewebsvlies, dewylhet zelve van zeer wynige,ofgcen Sagaderties, in ’t opperfte gedeelte van de herSenen voorzien is3 Maar ik oordeel, dat dit vet zit in ’t dunne herSenvlies. Gy zult U, Ervare Heer, verwonderen, dat ik ftelle, dat ’er zeer wy- nig of geen bloetvaatics verfpryt zyn door het gemelde fpinnewebsvlies, al- waar het, het bovenfte gedeelte van de herSenen bckleet 3 Maar ook verwon- der ik my zeer, dat deze vaten nooy t voor myn gezicht gekome zyn, nadien ik nogtans de klynftevaatjcs van ’t geheel lichaam door onze nieuwe konfttot nog toe heb kunne ontdekken. Ik beken wel, dat my zomtyts vaten door’t zelve verfpryt, ‘alwaar het zelve het ruggemerg beklcet, zyn voorgekomen, waar van daan Imant wel zou kunne giSen, dat het zelfde vlies, alwaar ’t het bovenfte gedeelte van de herSenen beklect, ook van zyn bloetvaatics voor- Aan ANDR. OTTM. GOELICKE. zien is3 voornamentlyk zoo het hem behaagt dat kragtig bewys te hulp te nemen3 met het welke zy nu op doel de tegen woordighey t van bloetvaten uyc de voeding der delen aantonen. Maar ik oordele3dat het een groot onderfchey t is 3 zommige vaten by gilling aan te nemen 3 en geheel wat anders is, dezelve te vertonen3 Ja laten afbeelden 3 gelykerwys de Profeffor Bidloo gedaan heeft y want late alle de delen van ’t menfchelyke lichaam hare bloetvaten hebben, zal nogtans imant 3 die zich niet laat blinthokken, niet geloven3 dat de loop dezer vaten over al even eens is. Daarom zal ik geen gilling voor waar- heyt verkopen3 ik begeer ook geen vaten af te beelden3 die myne ogen nooit gezien hebben : want ik wil liever zomtyts een befchry ving gebrekkig laten , als met een fchandelyk bedrog mynen lezer misleyden. Het zoude een zeer gemakkelyk werk zyn3 en dat de ledige herffenen .wel paffen zou, indien de geleerden aan deze diergelyke gillingen zo veel geloof gaven 3 als aan ’ü gezicht zelfs : want dan zouden ’er in korten tyt zeer vele zwarigheden uyt den weg geruymt zyn3 welke de naau wkeurigfteontleders omtrent zommige delen van ’t lichaam nog in twyffel houden. Aldus zouden zy omtrent de [_fecundina humana] nageboorte van een menfch met hare gisfingen zeer licht kunne vertonen de bloetvaten over al doorliet [Chorionj buyteufte vlies der nageboorte verfpreyt3het welk nogtans geenzints met het gezicht over een komt 3 nademaal men haar alleenlyk door ’t middelfte gedeelte van ’t vlies verfpreyt ziet3 maar niet verder3 namentlyk alwaar de [placenta uterir/a] moerkoek va ft zit, aldaar pronkt het ook met duyzenden van vaten. Daarenboven zouden zy ook lichtelyk bloetvaten aan’t [amniosj binnenfte onderleggende vlies zelfs toeftaan, daar nogtans het vlies Chorion in zyn midden met zo vele vaten verrykt, het minde takje aan ’t zelve niet mededeelt 3 het geen niet al te wonder moet fchynen* nademaal deze twee vliezen Chorton en Amnios lichtjes aan malkanderen vaft bitten 3 maar dit zy in ’t voorbygaan gezegt. De bloedvaten door het dunne herffen-vlies verfpreyt doorboren wel op ontallyke plaatfenhet fpinnewebsr vlies, echter heb ik nooyfomtrent de voorftehalfronden derherffenen enig takje aan ’t zelfde medegedeelt 3 bevonden 3 de bloed vaten door het dunne herffen-vlies verfpreyt hebben my wel dikmaals bedrogen 3 dewelke verbeel- den te lopen door bet fpinnewebs-vlies 3 maar de zaak wat dieper ingezien zynde 3 hebbe ik myne dwaling ondekt. De 10. Tafel vertoont een kleyn3 door wint opgeblaze gedeelte van dit Jftmewebs-vlks y maat Bidloo brengt; in de 5. fig.-van de 8. tafel een groot en ongefchoixde deel vandt hooft afhangende te voorfchyn 3 het welke ik oordeei onmogdyk te zyn 3 en de ontleders zoude ook verloren arbey t doen, die dat volgens dezen Autheur zoude trachten na te bootzen,. Wilt ook niet ANÏWOORT van FR.EDER.IK RUYSCH, geloven , dat dezen rok zo dik is , als de aangehaalde tafel van Bidloo aantoont: want ik vinde geen fynder , gelyk ik gezegt hebbe , in’t ge- hele lichaam. Wat u twede verzoek aangaat , zeer Er vare Heer , namentlyk de Af- beelding van de flagaderen door het dunne herlTen vlies verfprey t, fchenk ik U wel berey twillig, maar gy zult geen kleyne onderfcheyt bevinde tuttellen der zei ver loop van my hier vertoont , en wel in ’t hooft zelfs van een ] on- getje al vele Jaren zeer net bewaart , zo als gy hebt gezien , en tuttehen de figuur van Bidloö, nademaal een ider, die’er maar een weynigacht op geeft , klaar bevinden zal , dat dezelve met de ondervinding niet overeen komt. Het is aanmerkens waardig , dat de flagaderen van ider kronkeling of plooy der herffenen door inmondinge verenigt worden met de naaft by- gelegene flagaderen, ’t welk Bidloo al te fpaarzaam in zyn figuur uy tgedrukt heeft. Daar en boven is ’er omtrent de ployen van de herffenen aan te merken , dat dezelven, zo lang zy nog met het dunne herffen-vlies bekleet zyn, nooy t zo diep gezien worden , als wanneer het dunne herffen-vlies weggenomen is, alwaar de kronkels en fleuven dieper bevonde worden, daarom is de opper- vlakte van de herffenen zelden, of nooy tzo ongelyk, als ’t wel voorkomt in de 2. fig. van de y. tafel van Bidloo. Ik moet my ook verwonderen 3 dat de kronkels en drayingen zo dun zyn afgebeelt, namentlyk in de 1. fig. van de 10. tafel. Om dat ik derzelver gedaante in een welgeftelt lichaam nooit zodanig gevonden heb. Ja liever bevinde ik dezelve meer te gelykenen na de herffenen van een kint, fchoon het overige , ’t welk in die figuur uy tge- drukt wort, met de herffenen van een bejaart menfeh overeen komt 3 laat ik niet fpreken van de ingebeelde en verdichte afbeelding van de kliertjes van de j_,corticalis cerebri fubfiantia] baftagtige Zelfffandigheyt der hers- fenen in de zelfde tafel vertoont met hare bloedvaten daar door lopende, welke nogtans met vergroot glazen , ik laat ftaan de blote ogen , nooyt te vinden zyn. Wat den oorfpronk van het vlies aanbelangt, ’t welk de holligheden in 7t voorhooft-been boven de wortels van den neus bekleet, nooyt heb ik een merkelyke t’zamenhang tuffehen dit en de vliezen der herffenen kunnen befpeure 3 maar ik bevinde alleenlyk, dat het zelve gemeenfehap heeft met het vlies, dat de fpongieufe beenderen van de neus bekleet, en wel door gaten in den gront van de gemelde holligheden. Maar dit vlies is by na even dun, als het fpnnewebs-vlies, en dat daar door vaten verfpreyt zyn, heeft de Hr. Vieufens, eerfl: aan de geleerde werelt bekent gemaakt, maar hy heeft’er haar ware loop niet by gevoegt, waarom ik deze flagaderen door een byzondere konfl; ontdekt zoude afgebeelt hebben, ten ware het gebrek van Aan ANDR. OTTOM. GOELICKE. plaats in deze tiende tafel zulks niet belet hadt. Het heeft de be- diening van een inwendig beenvlies, zynde van het dikke herilen-vlics ver- fchillende, en geheel anders j en om de menigte der bloetvaten zou men niet zonder reden mogen denken, dat deszelfs gebruyk alleen dit niet is , maar dat hetzelfde vlies onzichtbare kliertjes heeft, voortbrengende een lymig vogt 5 het welk zomtyts in die holligheden gevonden is 5 van welke mening ook niet vreemt is de zeer vermaarde Hr: Fhi lippus Ver hepen, zeer nauw- keurige Ontleder tot Leuven, in zyn ontleetkunde op het 2. hooftjf: van de 5. verhandeling, op het 218. blat. of het eerflelpk niet dient op dat de reuk- delen opgetrokken in het zelfde langer blyven zitten, en bewaart worden ? ten tweden op dat het bloet van het fnotterige en lymige vogt wort gezuy- vert? Wat aangaat de verdeling der llagaderen door het vliesje van de holte van het [Oj fphtenoides ] wiggebeen, dat ik insgelyks zeer dim bevindc, ik zal het U, ervare Heer, by gelcgentheyt vertone. In het voorledene Jaar heb ik zoramige nieuwe lever-ftagadcren ontdekt, en befpeurt, dat enige van haar hun oorfpronk namen van de [ vafa dia- phragmatica S. phrenica] middelnfüs vaten, dewelke, namentiyk alwaar ze het middelrift voorzien hebben, verder nederdalen, cn verder doorbet bul- tige gedeelte van de lever heen werden gefpreyt, en gemeenfchap hebben met de van outs bekende lever-flagader. Maar daar komen ook zeer vele anderen klyne van de llagaderen, welke door beyde de [ ligamenta fufpenforia ] op- fchortende banden verfpryt worden. Wat de middelrifts-flagaderen aanbelangt, behalven de bekenfte, heeft ’er de zeer beroemde Verheyen, in zyn ontleetkunde op het 3. hooftftuk van de 3.verhandeling.l24 nog twe nieuwe uytde [ar ter ia fubclavid] onderlleutel- benige llagaderen met de aderen afkomftig bekent gemaakt,en ook verfchei- de kleyne gevonden van de [ arterïa lumbares ] lenden of vet llagaderen [adi- P°f het welk de ontleders niet gewoon zyn te doen, die eerft de figuren op papie- ren late fchilderen tot dienft van den Plaatfnyder, die dan na deze, maar niet na het voorwerp zelfs, zyn figuren eindelyk maakt 3 en aldus wort ’er veel van de natuurlyke geftalte verloren. Wilt ook niet geloven, dat beyde de oortjes 20 kleyn zyn, als de Schryvers dezelve in haar uytgegevefiguren uytgedrukt hebben 3 tot een toe hebbenze alle de ooitjes afgebeelt, zo als zy dezelve na de doot hebben gevonden, namentlyk toegetrokken : Deze by- gebragte figuur vertoont de natuurlyke grootte van de oortjes. Het linker oortje is ook uytgeftrekter, het welk ik gemeenlyk bevinde flangswyze te lopen, en in een omgekromde punt te eyndigen. Ziet de I, en 2. fig. van de 11. tafel. Het gezegde linker oortje is in zyn omtrek gekamt 3 gelyk P, Rtolanus zeer wel aangemerkt heeft, in zyn menfch- ANTWOORDT van FREDRIK RUYSCH, befchryving op het 3. Boek en 23 7, blatz., alwaar deze woorden gevon- den worden : het r egt er oortje van rt hart is wyder en groter 5 leggende op de mont van de hol ader ; het linker is kleinder en nauwer, en in zyn omtrek gekamt. Tot nog toe hebik dezelve nergens nauwkeurig genoeg afgebeelt gezien, en daarom heb ik met U geoordeelt niet ondienilig te zyn , een nauwkeurige figuur daar van alhier te geven. Wat aangaat de afbeelding van het wonderbaarlyke maakzel van deuyt- wendige beweegvezels van het regter oortje, ’t welke gy van my afvordert, het zelve wort aangewezen in de 3 . en 4. lig. van de r 1. tafel. Het heeft ü ook behaagt , Ervare Heer, hst gebruyk der oortjes van my te verzoeken ; ik kome daar in , met de anderen ontleders over een, namentlyk , dat dezelve dienen om het wederkerende bloet na ’t hert , gelyk als verblyfplaatsjes, te ontfangen, en in de holligheden van’t hart uyt te Horten3 op datze dit te bequamer zoude kunnen doen, hadden zy niet alleen nodig de bekende vlezige bondelkens, of halfmaanwyze fpie* rigc pylaartjes , dewelke gevonde worden in’t inwendige gedaante van de oortjes , maar uyt dezelfde fpruyten ook van de zyden voort zeer korte vlezige fchuynze vezels, het welk de 5. fig. vertoont. Ik oordeele, dat men ook niet voorby moet gaan, dat’er in het regter oortje een zamenftel der bondelkens van beweegvezels , of vlezige pylaartjes gelegen in het inwendige gedeelte, op verfcheyde plaatzen van de oortjes enigzints afge- legen is , voornamentlyk in ’t uytpuylende deeltje van ’t oor, en dit wyzen de kopere priemen aan, de gemelde pylaartjes oplichtende, zietdes.fig; Hier mede méén ik Uw nieuwsgierigheyt te hebben voldaan, emU alles goets gewenfcht hebbende, ben ik Uw zeer genegene Vrient, U R U Y S C HL Gefchrevea in Amft'erdam den zes*cn-t wintigftè van Hooi maant, 1697. Ja.h: JJ CVèerd. <>4- ■ VERKLARING VAN De ELFDE TAFEL Vertoont vyf FIGUREN van hartoortjes uyt een menfch, waarvan twc linker, en de andere regtcr oortjes zyn. De Eerfte , Twede , "Derde en Vierde FIGUUR vertonen hartoortjes , die opgcvult zyn met bloet, fmeer, of een wafchagtigc-ftoffe, op dat der zelver FIGUREN duydclyk, zo als zy in de uy tfpanning van de oortjes in een levendig bloetryk menich zyn, kunnen bezien worden. VERKLARING van de I. FIGUUR. A. Een 9s menfche linker hart oortje 3ft aande op een voetje. B. De vliezige zak,zyn de gelyk als de gr ont ofuytbreiding van de long kende met het oortje een gemeene holligheyt , en met ftagaderen bezaayt zynde, zent niet alleen'uyt twe 3 gelyk de Autheuren willen , maar vier ftammen van de long ader; hier van is niets in de FIGUREN van Bidlo te vinden , het geen nogtans in zo een koftbaar werk vereyfchtr wiert. C. De plaats 3 alwaar het linker oortje aan de gemelde zakvaftgegroeyt is. IX D. De eerfte en twede ftam van de longader, uyt de gemelde zak , gelyk als uyt een g/ ont of bafis voortkomende, maar de derde en vierde ftam te- gen over de voorgaande ge legenten in het voorwerp zynde,zoo als het hier ver- fchynt yge fielt, onzichtbaar zynde , worden afzonder lyk met een fterret- je aangewezen. E. De gekamde omtrek van het oortje. VERKLARING van de 11. FIGUUR. Deze twede FIGUUR vertoont het linker oortje van31hert, uyt een an- der dood lichaam van een men fch genomen, op dat men het onder fcheit van t linker oortje in verfcheyde voorwerpen zien zou: want zeer zelden fzo opyt) zyn ze in Figuur zo gelyk, of daar wort nog al enige verandering in befpeurt. VERKLARING van de HL FIGUUR. A. Het r egt er hert oortje vaneen bloetryk menfch in zyn naiuurlyke erote en 3*4 gedaante, zo als het zich vertoont y wanne er het met b loet , ofeenwafch- agtige, offmerige Jioffe vervult is. B. C vliezige zak v and r egt er oortje, een gemene holligheyt met het'oortje uytmakende, en met ontelbare fiag-adertjes voorzien 3 uyt welke,gelyk als een gront of baf s , de o]?klimmende (lam van de holader met de letter C. getykent 3 en de nederdalende ftam D. voortkomen. E. De beweeg-vezeltjes en vlezige bondelkens , voor zo veel zy haar in het uyterlyke gedaante vertonen , en zyn wonder baar lyk 3en in alle voorwen- pen niet even eens gefichikt. VERKLARING van de IV. FIGUUR. 'Deze betykent het regter oortje van een menfchelyk hert, uyt een ander doot lichaam gefneden , op dat de aanfehouwers het onderfcheyt zouden zien: want zeer zelden fzo ooyt') komen ze zodanig over een yof men befpeurt nog al enig onder fcheyt omtrent haar figuur. Merkt wef dat ’er uyt den bodem van dit oortje een ader fpruyt , getykent met de letter A. dewelke verfpreyt is ten delen door het r egt er oortje , maar voor het groot ft e ge- deelte door de Zelfftandigheyt van ’t hert 3 en dat komt zeer dikwils voor5 zo dat de kroon-atkr al het bloet van ’1 hert weder kerende niet altyt' voert ’t welk ik tot nog toe van niemant aangemerkt gevonden heb. VERKLARING van de V. FIGUUR. A. Een r egt er hert-oortje van zyn vliezige zak berooft , en omge keert , op dat het binnenf e gedaante des te nauwkeuriger verft hynen zou. B. B. Kóp ere priemen , weU e de bondelkens of zeker vlezige touwtjes genig- zints van de oortjes afwy kende, op ligt en, op dat hst hlyke, dat dezelve niet overal aan den bodem vaft gegroept zyn; tujfchen deze touwtjes of vlezige bondeltjes ziet men ook vlezige vezels, op dat het oortje van al- le kanten in de uytftorting van ’t bloet na de r?g{er holligheyt van’thert des te nauwkeuriger geflote werde. C. Een gedeelte van de opklimmende ftam van de hol-ader. Omtrent deze oortjes , zo regter als linker ftaat wel aan te merken, ten eerfte. Dat dezelve in ider menfchelyk lichaam van zodanig een grootheyt niet zyn. i. Dat de punt van het linker oortje niet altyt na de aarde ziet: want ik bevinde, dat de gemelde punt in zommigen na boven opgeregt is. De Elfde Ontleet-kundige Voorilellige BRIEF Door JOH; CHRISTIAN: WOLF, Licentiaat in de Medicyne ~ Aan den zeer vermaaardcn Heer, FREDRIK RUYSCH, Medicyne Dotfor , Hoogleraar in de Ontleet en Kruyt-kunde , enz. Aangaande de bekleetzels, Klieren, enz. der Darmen. Zeer Beroemde, en Ervare Heer. A dat het bygelovig gevoelc der ouden omtrent het niet te ont- j| leden der dierlyke lichamen verdwenen is, en dat dezelve K niet enkel alleen gefchikt wierden , tot het gebruyk der offer- te handen, heeft de gences-konft veel gelukkiger voortgangen gehadt, en daar door heeft men een zekere [ Theoria ] befpie- geling der ziektens beginne te leren ; want ider geneesheer trachte dit te ken- n£j omtrent het welke hy zich bezig houden moeft , dit is van alle eeuwen het menfehelyk lichaam ge weeft, wel kers geheel wonderlyk’tzamengeftel te kennen,, geen zaak van een gering belang is; in zo ver heeft het openen van beeften den weg voor uytgebaant om de dode lichamen van menfehen in te zien. aar is wel veel tyts voorby gelopen j eer dat alle de delen van ’t lichaam onderzogt wierde,dewyl zommige delen,de onderzoekers wat te lang bezig hiel- den, en zonimige wegens het ingeflotene, den ontleder als afweerden. Hier van daan meene ik gekome te zyn, dat het maakzel der darmen yerzuymt, en den menigvuldigen toeftcl der nature tot de liytwerking en he- XL BRIEF van JOH. CHRISTIAN: WOLF, weging van dc gyl zo lang onbekcnt is gebleven. Dog eyndelyk in de volgende tydenmoeften dezelve niet alleen door het mes worden geopent,maar ooknaauw- keuriger bezichtigt, nademaal meer ingewanden inwendig met haar verenigt zyn • cn men heeft, behalven andere zaken , ontdekt, dat derzelver ’t za- mcnftcl niet enkel vleefch is , maar uyt vericheide F tunica; ] rokken of be- klectzels bedaar. Gemcenlyk worden haar drie rokken toegeëigent, alsblykt uyt den Menfrh-hefchryving van J. Rtolanus, op het 12. hooftftuk van ’t 2 bock, op de iyi bladtz. Een [ tunica communis J gemene komende van het \_peritonoenm~\ buyk-vlies, en twceygen, waar van de buytcnfte de [ tunica nervofa\ Zenmvagtige, en de binnenffe [ tunica carnofa J de Vleelchagrige gen aam t wort, maar het [ ?nucus ïnt ejimormn ] darm-flym hangende aan de darmen wiert voor dezen gezegt van. het dikfle deel des gyls zyn oorfpronk tc nemen. Daar na heeft de vermaarde Willis aangetoont, dat’er geen drie, maar vier rokken zyn ,en dat, dat gene , het welk zy darm-flym of het ovcrblyt- zel van de gyl gemeenlyk genoemt hebben , een ware rok is, cn de [ tunica vil- Lofa ] woiligcof liever kiierige genaamt moet worden. BibL: Anat:H: i. p: 104, en 107. en deze Helling is by alle ontleders aangenomen, waar onder ook gerekent moet worden de beroemdeVerheyen, op het 10. hooftftuk van de elfde verbande lm ge van zyne ontleet-kunde , op het 45. bladtz. Maar wanneer ik onlangs, zeer Ervare Heer, het geluk hadde met IJ te mogen fpre- ken aangaande zommige nieuwe ontdekkingen in de ontleet-kunde, betwide gy wel her getal der rokken niet, maar gy gaf tc kennen, dat gy grotelyks twyffclde, of die vierde rok van Wïilïfiüs wel genaamt moed worden de [ tunica glandtilofa ] klieragtige rok, nademaal gy door menigvuldige ontle- dingen anders ontdekt hadt. Maar de begeerte om U over mser andere za- ken tc horen , en de gelegcnthcyt des tydts lieten niet toe, dat ik U over- vloedig en net genoeg daar over kondc horen fpreken, nogtans is het ver- langc om uwe gedagten ten volle te verdaan my altydt bygebieven; maar ik koude gcenzints zien, op wat wys ik myn wenfeh magtig zoude worden, dcwyl door de afgelegenheydt van plaatzën onze onderlinge zamenfpraken belet wier- den heb ik beüotea U, beroemde Heer, een brief telchryven ; den zel- ve zendc ik U nu toe, ernftig verzoekende, dat het U behagc volgens uwe goetheyt, die gy omtrent meer anderen al over lang bewezen hebt, uw ge- voelen aangaande het maakzel der darmrokken ten nutte der ontleet-kunde te melden. Maar ik heb daarenboven ook gezien zommige \_glandula foltta- H#] cenz nu kliertjes der darmen, gelegen opeen gehele andere plaats, als de Authëuren haar gemeenlyk toegdchreven hebben. Derhalvcn laat my toe, beroemde Heer, dat ik met ü over dezelve in dezen brief te gclyk handele. Volgens myn Oordeel heffen die genen de ouden al te hoog op, welke haar pan FREDRIK RUYSCH. zo kundm in de ontlect-kunde h ouden , oat ze van al liet geene , lies. welk m deze eeuw vertoont wort, kennis zoude hebben gehadt, maar ik zou gelo- ven, dat onze voorgangeren der genecs-kunft van deze roem ten hoogiteaf- kerig zyn geweeft. (hoe opgeblazender zyn ’er nu zeer velen, welke zica niet alleen de uytvindtng der zaken toc-eygenen , maar ook dat gene , het welk door een ander af gebed r , of befchreven is, voor het hare uytgevcn) nadien zy openhertig bétujgt hebben, dat ’er meer zaken verborgen zyn, welke de tydt en naavftigheyt van een later eeuw aan den dag brengen zou -. Indien men ook de nagelatene fchrifrcft der ouden doorbladert, zal ’t bij- leen, dat haarenigfteoogmerk by na geweeft is, de praktyk der medtcyncn door waarnemingen van ziektens en genezingen voort te zetten. Yele der voornaamfte ontlcders oordelen, dat Hippocrates Cous kennis gehadt heeft van de klieren der darmen, als blykt uyt de plaats van het hoek der klieren, vol: i. §. 3. ƒ.416. edït: Lïnd. Maar wie ziet niet, dat hy niet de klieren der darmen, maar de klieren van de daar byleggende en aanhangende licha- men verftaan heeft, anders- zoo hy niet gezegt hebben, de klieren in de dar- men zyn groter als ergens in het lichaam, öok zo blykt dit uyt de gehele ’c zamenhang van deze plaats. Eyndelyk is ’er van niemant der ouden gewag gemaakt van haar by zonder gebruyk, tot dat het zelve van IVartljonus en Steno tegen de ouden is ftaande gehouden, en te gelyk dc klieren der darmen van eenigen der geleerde mannen van onzen tydt zyn aan den dag gebragt. Maar of ze ook gevonden worden in de [ 'valvulae conmuertes 1 oogluykende klapvliezen, ondervindc ik niet ? de zeer vermaarde (Villis befchryic in. ’t algemeen de klieren gezien te hebben in ’t bultig gedeelte van de wol lige rok, en noemt daarom den zelve den [ tunica ghndulofa] klierigen rok. Bibl. anat,P. i.pag, 104. De welfprekende en zeer geleerden Techlinus leert door de ontleding van verfchyde dieren , dat de klieren in de holligheyt der dar- men zelfs voorkomen. Bibl: Anat: P. 1. P. 150. Eyndelyk heeft peyerus van dezelve afzondcrlyk gcbandelt. dewelke niet minder'de uytvinder daar van als \Techlinus genaamr moet worden : Deze heeft zelfs vcrfcheide ont- ledingen in ’t werk geftelt > en daar by waarnemingen van dc zeer geleerde Wepferus en Harderus bekomen. Hy heeft namentlyk een groot getal van deze klieren gezien niet alleen onder verfcheide figuren, maar ook in ver fc hei de veclheit verzamelt en verfpreyt, zo dat hy ze daarom ook 011- derfchciden heeft in \_glandulze Jporadica feu fo Ut ar ia J verfpreide of eenza- me, cn [gr egaler feu foetsie ] t’zamen gehoopte of by malkanderen gevoegde klieren Tar erg, Anat. exerc. T. 1, Cr. / 5 & exerc. i, p. 86. Maar nergens heeft hy verhaalt aangem kt re hebben, dat zede oogluykende klap- vliezen zelfs bezetteden3dit alleen heeft hy met een figuur afgebeelt,dat de klap- XI. BRIEF van JOH. CHRISTIAN: WOLF, vliezen niet over de klieren heen gaan, maar omtrent dezelve eyndigen, C /. CP. 2./. 15. en hy fchryft dezelve gezien te hebben op den rant van de klap- vlies van Bauhinus, Dog verder fpreckt hy ’er niet van. Derhalven fchoo- ten ’er my zo vele dingen voor en tegen in den zin, aangaande de zitplaats van de andere darm-klicren, en wel voornamentlyk van die in de oogluykcn- de klapvliezen, dat ik, in myn oordeel nog heel verwart zou hebben geweeft, indien ik, beroemde Heer, door uwe belecftheyt in uw wel geftofheert Ca- binet niet gezien hadde, dat de klieren ook uyt de klap-vliczen zelfs haar oorfpronk namen Wilt derhalven dezelve in een figuur laten afbeelden, en de ontlcet-kundc met nieuwe vermeerderingen ophelderen, en zoo het U bc- haagt, maakt ons bekent, of ze ook gevondc worden, alwaar het darm-fchcil aan de dunne darmen gchegt-wort ? uyt welken rok de kliertjes voorkomen, en op wat wys de bloetvatcn in de klieren ingaan, is by na de zelfde zwang- heyt. De zeer vermaarde Beyerus geeft te kennen, dat de klieren met haar bodem of gront op de binnenften of zomtydts inwendigen rok van de darmen ftaan l. c. *P. \.p. 6. De zeer geleerden Verheden c. I. c. 9. p. 3 8.45. cn 46. zegt, dat de bloetvaten met een zeer zware takmaking lopen door de zenuwagtigen rok na de onderleggende klieren. Derhalven op dat men hier van meerzekerheyt mag hebben, wyft haar zitplaats aan, cn ontdekt, wat inderdaat een klier zy : Daar is geen twyffel aan, of zulks zal van een grote vrugt in de praktyk zyn,en men zal ook beter bevatting van de buyk lopen kunnen hebben. Dit is ’t, beroemde Heer, over het welk ik deze reys uw gevoelen voornament- lyk wenfche tc verftaam Ik zal dit lichtelyk verkrygen, nadien gy nooit toelaat, dat niet alleen uwe gemeenzame vrienden, maar ook andere te ver- geefs iets van U ciffchcn. Zyt gegroet. V. E. Onder danigJle Hienaar JOHANNES CHB.ISTIANUS WOLF. Lfydcn in Hol'ant, den vyfdcn van Wymr.aant, 1698, M. L. te Zerbft 'm Anhalt. ANTWOORT Van FREDRIK RUYSCH, Aan den zeer Ervaren Heer JOHANNESCHRISTI ANUS WOLF, M. L. Op deszelfs ontleet-kundige voorftellige Brief. .Aangaande de Rokken der 'Darmen , Klieren , enz. Zeer Ervare en Geleerde Heer. SOe meerredeneik hebbe,om uwe uytmuntende deugde te omhelzen, en hoog te fchatten, hoe fpoediger oordeel, ik U, op uwen brief, met liefde en goethertigheit omtrent my, als ook met een by- zondere geleertheyt vervult, te moeten antwoorden, en U myn gevoelen te verklaren van die dingen, dewelke gy my hebt wil- len voordellen. Gy toont geleerdelyk in uwen brief, dat het grondig kennen van ’t wonderbare maakzel van ’s menfchen lichaam geen geringe zaak is. Waarom ik my over de on- achtzaamheit van die genen,aan wien het bewint om deze dingen op ’t nauwkeu- rigft te onderzoeken, en te onderwyzen aanbevolen is, verwonderen moet, dat zezo wynig of niets in deze konft uytwerken, Ja liever gewoon zyn enkel te geven, als ware zaken voor te ftcllen, en door een naarftig on- derzoek dc waarheden uyt te pluizen, en voort te zetten maar alwaar zy van een andermans werk wat kunnen ontrekken, hoe vaardig zy nze daar dan by! Oy oordeelt ook zeer wel, dat het bezigtigen der dode lichamen van hee- ften den weg gebaant heeft tot het ontleden der menfchelyke lichamen 3 want onlangs een gedeelte van een [ mamma J mam van een walvis onderzoekende? kreeg ik gelegentheyt ,om iets nieuws in de borften of mammen der menfchen te ontdekken; dit niet tegenftaande oordeel ik , dat men zo veel niet ver- trouwen moet op de delen der lichamen van heeften, dat men ze aanftonts door een vcrgelyking over brengen mag tot de delen van menfchen , maar na- derhant moet men overgaan tot de menfchelyke, en ondei'zoeken , of’ereni- ge overeenkomft gevonde wort , op dat men die genen niet misleyt, dewel- ke alleen met de redenering, en niet met een gedurige aanfehouwing te vre- den fchynen te zyn. Daar en boven (leunt uwe derde ftelling op een vafte reden , namentlyk , dat het niet genoeg is alleen de ingewanden met het mes te openen, maar dat men die ook naauwkeurig moet befchouwen , nadien ’er meer dingen met haar diep verenigt zyn. Daarom oordeel ik, dat ’er ook veel aangelegen is, dat imant weet, op wat wys de voorwerpen ten toon geftelt worden 5 want zom- migen moeten na het drogen, andere verfch uyt het dode lichaam gehaalt, vertoont werden, maar zeer vele komen niet anders als in een balfemagtig vogt dryvende in ’t gezicht, voornamentlyk die, dewelke wegens haar week- heit niet kunne gehandelt worden, gelyk daar zyn de herflenen, enz. Wat het getal der rokken van ’tgedarmte aanbelangt,na een naarftig onderzoek heb ik myby die genen vervoegt, dewelke een viertal geftelt hebben, namentlyk den zeer vermaarden IVilLis JSerheyen, en andere zeer nauwkeurige ontleders. Ik hebbe geen twift over de drie uytwendige, namentlyk de gemene, vle- zige en zenuwagtige rok, voor zo veel haar beftaan aangaat 3 maar of de vier- de namentlyk de wollige rok gevonde wordt of met, hebben zommige en zeer geoeffende ontleders getwyffelt. Na dat ik de bloetvaten zelfs, daar door verlpreyt, heb ondervonden, heb ik niet langer over dezelve kunnen twyfFelen, Ziet de 4. fig. van de 12. tafel j het is echter een moeyelyk werk dezen vierden of wolligen rok van de zenuwagtige zodanig aftcfcheiden, dat een deel daar van, met bloet-vaten voorzien, van de zenuwagtige af hangt, zonder merkelyke quetzing* zon- der dit nogtans is het moeyelyker den loop der bloet-vaten door den zelven te vertonen. ANTWOOR.T van. FREDRIK RUYSCH, Die genaamt worden oogluykende klap-vliezen, namentlyk [ rugaefeu Jli- ga] rimpels , of latten, door den migreren darm verlpreyt, nemen voor het grootfte gedeelte haar oorfpronk van de verdubbeling van den wolligen, en niet van den zenuwagtigen rok ) fchoon verfchcide en niet van de minde ont- leders het tegendeel ftaande houden, zeggende, dat den zenuwagtigen rok ook breder is als de anderen, om de rimpels of de gemelde kiap-vliezen voort te brengen) maar wanneer de wollige rok van den zenuwagtigen afgefchei- den den is,verdwynen de gezegde klap-vliezen voor het grootfte gedeelte, ('zo niet in ’t geheel) blyvendeevcnweldedefporendaar van over. ziet de 3. fig. Deze rok is zeer dikmaals bezet met vee 1 [mueus] Ü ym, de welke dagelyks met den afgang ontlaft wort,voornamentlyk na het innemen van een [purgatiefuykzui- vering,of[diarrhéd] een buyk-loop; dit darm-üym is zeer nodigvoor deze inwendige wollige rok, op dat dezelve niet gequetft wort, ’t geen lichtelyk zou gebeuren van fcharpe dingen, gegeten, of ingeilokt, of in ’t lichaam voortgebragt, maar zo het zelve langer als ’t behoort biyft zitten, en in een groter menigte voortkomt, doet het ook de darmen hinder aan door zyn lang vertoeven, blyvende aan de wollige rok vaft zittten, en belettende, dat de gyl niet wel tot in de wortelen van de melk-vaten komen kan. Die genen, welke de vierde of wollige rok ontkent hebben, hebben te kennen gegeven, dat zommigen het darm-üym voor een byzonderen rok heb- ben gehouden 5 maar hoe ongerymt dit berigt is, biykt uyt het aangehaalde. Anderen houden dezen wolligen rok voor den klicrigen rok, den welken nogtans deze benaming niet paft, namentlyk ten aanzien van den oorfpronk der zo genaamde klieren: want ze komen niet voort uyt dezen rok 3 dit niet tegenftaande zou dezelve de kiierige rok gezegt kunne worden, voor ZO veel dezelve klieren in zich bevat 3 maar de gemelde klieren nemen haar oorfpronk van den zenuwagtigen rok, of zo gy liever wilt, van de bloetvaten , uyt welkers zappige en weeke uyteyndens zy voortko- Aan JOHANNES CHRISTIAN: WOLF, men. Ik bevinde, dat deze zo genaamde klieren, dewelke ik na dezen dulae fpuria ] haft aart klieren noemen zal ,om dat ze geen ware klieren zyn, wel enige overeenkomft hebben met die ronde lichaamtjes ,uy t welken de milt voor het grootftc gedeelte zamcngeftelt is, en waar van ik in het antwoort op den vierden brief gehandelt heb: want wanneer alle de üag-adertjes door de darmen verfpreit opgevalt zyn , wordt ook het geheele geitel van de ge- zegde kliertjes vervult, en wortbevonde te beftaan uytenkele zappigcen vveeke voortbrengingen van vaten, dewelke gelyk ze in de milt een andere natuur fchyoen aan te nemen, alzo zyn ze ook week en zappig, zo dat ze hchte- lyk tot niets kunne gebragt worden, fchoon ze met de uyteyndens der vaten zamenhangen: maar men moet haar niet houden voor lichamen op zich zelfs beftaande, alwaar vaatjes na toe lopen, zy worden ook niet met een eyge vlies beklect, het welk nogtans in een ware klier vereifcht wort. het gebmyk dezer baftaart klieren aanbelangt, ik erken wel geen an- der, als de ontleders dezer eeuw haar toegefchreven hebben, namentlyk, dat dezelven dienen tot bevogtiging en giatmaking van de holligheyt der darmen 5 maar ik oordeel, dat dit, }t welk zy in de klieren ftelkntege- fchiedcn, gemaakt wort in de uytgerekte uyteyndens der vaten, dewelke tot dien eynde zappiger en weker zyn. Mogclyk zal imant zeggen, wat is ’er aangelegen, of het zappigeren we- ker voortbrengingen der vaten, dan of het ware klieren zyn, zo wy maar omtrent het gebruyk eens zyn. Ik antwoordej zo onbedachtelyk fpreken wel die menfeben, dewelke niets als dat zy zelfs doen, gewoon zyn voor goet re maar hoe dwaaslyk zoude imant geacht worde, zo hy zeide5 wat kan het my fchelen, of ik weet, dat de vingeren van de hant langront dan of ze driehoekig zyn, zo het maar vaft geftclt wort, dat ze de werktuygen van ’t tallen, cn andere doeningen zyn ? of wat raakt my dat, of de opklimmende ftam van de grote llagader in beide de zyden drie grote takken uytzent (gelyk de Brofejfor Bid- loo verkeerdelyk, tot grote fchade der ftudenten heeft laten afbeelden of niet, zo ik maar weet, dat het bloet door de opklimmende ftam gebragt wort na de delen boven het hart gelegen. Evenwel zal ik ’t zeggen, van wat nuttigheit het is te weten, of het wa- re klieren zyn, of niet 3 nu kan men onderfchddcntlyker begrypen, van waar in de verzweringen der darmen zo een overgrote bloetftorting zomtyts voort- komt, dewyl namentlyk deze zweren gemeenlyk zo niet altyt, de baftaart klieren aantallen 3 en nadien deze klieren beftaan uyt enkel voortbrengingen van vaten, zyn ze gevolgelyk bequamer om bloet uyt te ftorten, als de wa- re klieren, tot dewelke alleealyk de bloetvaten tocfchieten. Wilt ook niet geloven, zeer Er vare Heer, het welk nogtans zommige geoordeelt hebben van alle de klieren , namentlyk, dat ze zyn uytemdens van omgewonde bloetvaten 3 ten raiofte van deze moet men het geenzints vaft ftelien, maar de gemelde voortbrengingen lopen liever by na regt uyt op de manier vanuytgediendeverfquasjesofpenceekjes, zondereen merkelykebogt. Ik oordeel her ookaanmerkens waardig te zyn, dat de wafchagtigc ftoffe wat ftark in de darmfehy i ftagadcren aangedronge, door deze lichaamtjes of baftaart kliertjes zich nedergezet hadt 111 de holligheyd der darmen, zomtyds zyn rode Couleur verlaten hebbende,’t geen vemiakeiykom te zien was. Waarom zou men ook met geloven, dat zulks by na even eens in een levendig menfeh gefchieden kan, namentlyk in een [ plet horovervloet van ’t bloet, ofm een zeer geweldige beweging van’t zelve, waar in de menfehen zomtydts zonder een voorgaande verzwering der darmen een groote menigte va 11 bloet, zonder pyn , quyt raken? Zodanige darmen bewaar ik in myn Cabinet,in de welken de baftartklie- ren een witte ftof in begrypen, fchoon de darmfehy 1 vaten zeer root van coleur zyn. van welke zaak ik geen andere oorzaak erkenne, als dat de ge- melde uyterfte voortbrengzels der vaten zo fyll dat de wafchagtigc ftoffe na behoren aangedronge zynde, de in gemengde menie, of iets dierge- ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, Aan TOANNES CHRISTIAN: WOLF. lyks 3 in haar voortgang verlaat, en alzo zonder enige coleur in de hollig- heit der darmen ingaat. Boven heb ik gezegt 3 dat deze baftaart klieren haar oorfpronk nemen van den zenuwagtigen rok 5 of zo gy liever wilt, van de bloedvaten 3 nademaal zy zo vaft zitten aan den zenuwagtigen rok3 datze, wanneer de wollige rok te gelyk met de baftaart klieren van de zenuwagtigen rok afgefcheide zynde , een klaarblykelyk indrukzel in den zenuwagtigen rok nalaten. Welk indrukzel ik houde als een bant, waar door de gemelde zappxge voortbrengzels der vaten gelyk als gebonde worden , op dat ze niet van malkander afwyken. Ziet de i. fig. Omtrent den zenuwagtigen rok ftaat verder aan te merken 3 dat de bloetvaten door den zei ven meer in getal verfpreit worden (gelyk de zeer vermaarde Willis en Verheyen wel aangemerkt als door de andere rokken 3 Ja de vlezige zelfs heeft veel minder bloedvaten 3 als dezenuw- agtige. Ziet de twede fig. het welk ik oordeel nodig te zyn 3 nademaal de baftaart darmklieren en de zenuwagtige rok 3 dezelve meer van noden hebben als den vlezigen rok 3 want de baftaart klieren hebben geftadig een nieuwe toevoer van noden om een deugdelyk vogt5 tot het bevogtigen der darmen gefchikt, voort te brengen. Geen ander gebruyk oordeel ik dat men deze klieren in een natuurlyke ftaat toefchryven moet. Maar denk niet 3 dat al het waterig vogt 5- het welk na een ingenome buykzuyvering , of in een loop, wanneer niets als een wateragtige ftoffe ontlaft wort 3 in ’t geheel uy t deze baftaart klieren en [fancreas] ’t maagkufte voortkomt , gelyk zommige geftelt hebben : want een groot gedeelte wort ook uytgedreven door de togt-gaten of Tori der darmen , waar mede de darmen in overvloet voorzien zyn 3 deze pori zyn van een verfcheide wydte5 waar van zommige zichtbaar, gelyk ik in myn Cabinet vertonen kan, andere gemeenlyk onzichtbaar 3 dewelke ook niet te voorfchyn komen als door een ftarke perflmg. Verder fpreekt gy 3 Ervare Heer, van de zitplaats der baftaart darm- klieren : zy worden gevonden door de gehele lengte der darmen 3 in de dunne darmen zyn ze niet alleen eenzamig3 maar ook by malkanderen lopende3 dog in de dikke darmen zyn ze eenzamig of verfpreit. In den nugteren darm bezetten de verfpreide baftaart klieren niet alleen de plaatzen tuflchen de oogiuykende klap-vliezen of rimpels geftelt 3 maar komen ook voort uy t die rimpels of oogiuykende klap-vliezen. Ziet de 6. hg* Maar die tot een koppel by een verzamelt zyn, lopen niet over de gemelde rimpels heen 3 gelyk de vermaarde Teyerus wel aangemerkt heeft, ANTWOORDT van FREDRIK RUYSGH, Wat het getal en zitplaats van de verfpreide klieren door den rant van de klap-vlies van Bauhinus verfpreit aangaat 5 ik bevind , dat ze niet alleen gelegen zyn op deszelfs rant 5 maar ook op de gehele vlakte, dog dit heb ik in de 12. tafel niet kunne uytdrukken 9 dewyl ’er geen plaats voor open was. Zy zyn zeer veranderlyk van getal 5 in deze zyn ze meer, in anderen minder 5 zo dat het een zwaar werk zou zyn hier een zeker getal daar van te willen dellen, zyt hier mede gegroet, en ik ben Geheel uwe Vrient, FREDRIK RÜYSCH VERKLARING VAN De TWAALFDE TAFEL, De Eerfte FIGUUR Vertoont een gedeelte van den endekdarm 3 genomen uyt een jonge 3 en in vier rokken gefcheiden. A. De buytenfte rok, de gemene gezegt, waar in zeer veel langwerpige vezels met inziet uyt gelat en zyn, op dat de ontelbare Jlag- adertjes door den zelve verfpreyt des te klaarder in *t gezicht zoude komen. B. De uitwendige oppervlakte van de twede of vlezige rok , waar van de gemene rok afgefcheyden afhangt , op dat de dwerfche en vlezige beweeg- vezelen zich vertonen zouden. Merkt 'aan, dateer maar zeer weynig in deze figuur aangewezen worden , alhoewel ze zo digt by malkanderen leggen 5 dat ze malkanderen aanraken ; het welk ik gedaan hebbe 3 om den loop van de fiag-ader en niet te verduyfteren. C. De tnwendige oppervlakte van den derden of zenuw-ag tigen rok 3 waar van een gedeelte van den vierden of wolligen rokgefcheyden af hangt 5 en aldus komt de uytwendtge oppervlakte van den wolligen rok tn Vgezicht. D. Defporen of indrukzels van de verfpreyde of gierft-klieren 5 in de inwendige opper-vlakte van den zenuwagtigen rok overblyvende E. De inwendige opper-vlakte van den vierden of wolligen rok 3 nog niet van den zenuw agtigen rok af gefcheiden. F Be gemelde klieren door de inwendige opper-vlakte van den woïligen rok verfipreyt * alwaar ze niet , gelyk in de uytwendige opper-vlakte, in de gedaante van gier ft uytpuylen , maar ficheynen als kuyltjes te verbeelden, het welk zeer dikmaals na de doot gevonde wort. Maar ik wil aangemerkt hebben, dat de boft aart kliertjes fomtyts buyten de gezegde oppervlakte uyt- Jteken 3 gelyk met de letter A en B. in de h.fig. vertoont wort5 en dat ze aldus de gedaante van gier ft verkrygen. G. Betekent de gemelde klieren buyten de uytwendige oppervlakte van den woïligen rok uytpuylende 3 de letter D. gelyk ik gezegt heb , vertoont Aerzelver indrukzels in de inwendige oppervlakte van den zenuwagtigen rok overblyvmde. H. Be uytwendige oppervlakte van den woïligen rok. I. De ftag-adertjes door den vlezigen rok verjpreit. Be Twede FIGUUR ÏVyft aan een omgekeert gedeelte van den endel darm, zo dat al het gene 5 het welk in Ae voorgaande figuur van voren gezien wort 5 nu van agteren zich vetoont. A. Be eerjte of gemene rok van den vlezigen rok. B. Afgefcheyden, en afhangende, met haar zeer fyne langwerpige vezels. B. De vlezige rok voorzien met dw er fiche vezels, welkers getal ik om de boven aangehaalde reden vermindert hebbe, C. Be zenuwagtige rok, van agteren vertoont9 van den vlezigen afgefichei- den cn afhangende. D. De flag-agderen door deze oppervlakte duydelyker verjpreit. Be Berde FIGUUR Verbeelt een gedeelte van den nngteren darm genomen uyt een hejaart menfch 3 in welkers inwendige oppervlakte de volgende zaken ons voorkomen. A. *ÏDe wolUge rok, B. Een gedeelte van den zelve door konfi afgefcheyden 5 en van den zenuw- agtigen rok afgenomen. C. £)e zenuwagtige rok, in den welke na de affcheyding van een kleyne gedeelte van den wolligen rok 5 by na niets anders als voetftappen of Jporen van de latten of rimpels (by andere oogluykende klapvliezenj over- gebleven z>yn. D. De rimpels of de gezegde latten. De Vierde FIGUUR Vertoont een kleyn gedeelte van den wolligen rok , door konft afgefcheyden; door den zelven ziet men de takjes der ftag~ ader en verfpreyt, waar door nu in ’ t geheel de verkeerde meening der gener verdwynt y die vaji ft ellen y dat dezen rok voor geen waren rok te houden is, maar alleen als een jlymige ZelJJtandigheit der darmen aangemerkt moet werden. De Vyfde FIGUUR Vertoont een kleyn gedeelte van den endel darm genomen uyt een kint, en dat van binnen te zien. Men ziet door het zelve verfcheyde eenzamige b aft aart kliertjes verfpreyt, als mede zigthare togtgaten. Deze klieren mylden met nyt in dit voorwerpy maar quamen my voor op de manier van groefjesy en dat (zo ik meynej wegens de flappigheyt door de doot ontftaan. De Zesde FIGUUR Vertoont een gedeelte van den mgteren darm van een jonge, zodanig om~ ge keert > dat de inwendige oppervlakte nu geworden is de uitwendige 5 en is door wint opgevalt, op dat men de klieren , en rimpels des te klaarder zou zien, A. De boft aart gier ft kliertjes, gelegen op de rimpels of latten. B. De gemelde kliertjes gelegen buyten de latten» Voorts is aan te merken 3 dat deze kliertjes in de gedaante van gierft huyten de inwendige gedaante van de rimpelige rok uytpuylen 3 het welk in dezen darm zeer gemeen is. Ten twede , alle deze zaken 5 die hier vertoont worden y worden in een groot getal in myn cabinet bewaart, en ik kan ze aan ider die ’t begeert, vertonen. Jïv/y, 22. JVèerd. Haf. ó's. De Twaalfde Ontleet-kundige, Voorfteiiige BRIEF Door MICH. ERNESTUS ETMULLERUS, Medicyne zal ik een andere weg inflaan, zullende geen figuren van anderen bybrengen , maar alleen ’t geene, daar ik ooggetuygen van ben geweeft, en ’t welk my het menigvul- dig bezien der herflenen verfchaft heeft , zal ik met zo een grote Zorgvul- digheit te kennen geven, dat ’er geen flipje of ftreepje zal gehaalt werden of het zal met de natuurlyke geftcltenis over een komen, op dat alzo , het onnatuurlyke of vreemde verworpe zynde, iets , dat op waarheit fteunt, vertoont werd, en een vafte gront gelcgt zynde, vele voordelen aan de leer over de [ Phy/ioUgta ] natuurlyke en[PathoUgia] tegen natuurlyke ofziekely- ke gefteltheyt van ’t lichaam toegebragt worden. Eer ik my tot het werk zelfs begeef, oordeel ik nodig te wezen, zommi- ge zaken aangaande de verfcheide manieren van ’t openen der herflenen voor af te zeggen. Daar na zal ik de manier van vertonen, ( waar in het voor- naamfte belang om tot de kennis van de herflenen te komen beftaat zo de myne als de gemene, verhalen. De ondervinding leert, dat zommige geflachten van houten dwerfch, fchuyns,of regt gek looft,- verfcheide foorten van afbceltzcls voor’t gezicht brengen. De marmerftenen op verfcheide manieren gefneden en geflepen vermaken ook de aanfehouwers door de verandering van figuren, en fchilde- ringen > en nadien de ontleders in ’t openen der herflenen niet alleen het zelfde aangemerkt hebben > maar dat daar en boven met de zelven m dunne linkjes of blaatjes van boven na beneden, of van de linker tot de regterzy- dc te fnyden , vele delen het gezicht ontvlieden, dewelke wegens de week- heyt der zelfftandigheyt mede afgefnede worden j op gelyke wyze wort ook een ontleder, den loop der zenuwen onderzoekende, de gelegcntheit beno- Aan MICH. ERNESTUS ETMULLERUS. men om daar na dezelven na te vorfchen, wanneer de fpicren, aderen, flag- aderen, en watervaten door ’t mes afgefneden zyn. Hierom hebben ze verfcheide behandelingen om de herflenen te openen bedagt: zommige zyn iverig in ’t uytvinden van de beginzelen der zenuwen, andere vertonen de delen der herflenen van malkandcren afgefcheidcn, zom- mige doen veel moeite om de vouwen en kronkels te ontknopen. Sfigelius in ’t lo* boek van zyn ontlcetkunde ftelt een twederlcy manier van de herflenen te openen voor, namentlyk de oude of gemene, dewelke by Galenus, en de andere Grieken, en na dezelve Vefalms, en Fallopius in gebruyk zyn geweefl: 5 en daar na de nieuwe manier van Conftantïus V rolius in ’t jaar 1570. in ’t licht gegeven, en van hem de V arolïaanjche genoemt; en nadcmaal op beyde deze wyzen van ontleden alle de delen der herflenen in die ordrc, waar mede zy in de zamenhang van de fny- ding zich vervangen, door een naauwkeurige vlyt worden vertoont, is het de moeite waardig, eer wy derzclver gefteltenis aantonen, deze ma- nieren gefchicdenis gewys te verhalen. De gemene fnyding of opening is derhalven de volgende. Wanneer de hairen of alle, of van ’t voorhooft tot den nek, en van ’t regter tot het linker oor ter breedte van twee dwcrlche vingeren, afge- fchoren zyn, wort de huyt kruysgewys open gefneden, van de neuswor- tel af begonne zynde, en gaande over de kruyn van ’t hooft na de nek, daar na van ’t eene tot het andere oor, dan de huyt, te gelyk met het \_pericra~ nium ] pannevlies afgefcheide en aan de zyden gelegt; en op dat het [ cal- rvaria feu cranium ] bekkeneel gelyk gezaagt kan worden, wort het hooft rontom gebonden met een ftarken draat over het voorhooft, ooren en de nek, en op dat het zagen des te gerufter gefchiede , moet de huyt van ’c hooft met een mes in ’t ront, en dat met kragt open gefneden worden , op dat de zaag volgens deze weg heen gevoert wort 3 het hooft, om zyn ront- heit zeer beweeglyk zynde , en daarom menigmaal het zagen belettende , wort met de handen der byftanders vafl; gehouden 3 of, die een toeftel ver- kiezen , deze gebmyken het werktuyg van Mich. Lyfèrus ten dien cynde bedagt, en in het Boek, het ;welk hy den naam van Culter Fbtatonticus of het ontleetmes gegeven heeft, afgebeelt, door welkers hulp het hooft vafl: en onbeweeglyk gehouden wort. In ’t begin van de operatie wort de zaag met gro- *e kragt aangedrongen, maar omtrent het einde met een zagte en lugtige “ant, daarom ondertaften zy met een \Specillum\ tentyzer de diepte van de mede , Cp dat het blyke, of beide de tafelen van ’t bekkeneel grelyk afgefcheidcn zyn. " ' Het bovenfte deel van ’t bekkeneel aldus door den gehelen omtrek afge- ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, zaagt, zit op zommige plaatzen door hulp van bloetvaten en vliezige vezelt- jes van ’t dikke hersenvlies , hier en daar door de [Sutura] naden heen gaande vaft, dog op den ecne plaats wat vafter, voornamentlyk en op de andere plaats hupten de naden is ’t wat loïTer verenigt ; nogtans nemen zy het door een middelmatige kragt der handen af. Zommige ontieders gebruiken in de fcheiding van ’t bekkeneel een zaag, welkers tanden 3 niet in een regte linie, maar fchuyns uytgeholt ftaan 3 dog egter gaat de zaak door geen van beide de zoorten van zagen wel, ten zy "er een welgeoeffende hant bykomt, ja het \_dura materJ dikke herüenvlies won ligtelyk gequeit. Als het bo ventte deel van het bekkeneel afgenomen is, komt het dikke herften vlies te voorfchyn, om zyn dikte en Harkte alzo genaamt. In ’t zelve vertonen ze verfcheide [Sinusj groeven,die het bloet,van de herflenen wederkeerende, na de \yena Jugularesf\ kropaderen en gevol- gelyk na het hert overbrengende. Na dit fnyden ze met een mesje boven een gedeelte van drie vin- geren dik , van de herflenen af, op dat de twe grote [Ventrïculi Ce- rebri~\ holligheden der herflenen , de regter en linker , in ’t gezicht komen , cn zo zy dieper verborgen leggen, fnyden zy de herflenen moots of blatsge- wys zo ver, dat ze te voorfchyn komen. Deze holligheden, zyndezeerwyc voornamentlyk van agteren, enfehuins, met haar figuur de voeten der paar- den gelykende, en in ’t midden bymalkanderen lopende , maken de [Rlma eblongaj langwerpige fpleet der herflenen gemeenlyk de derde hollig- heydt genaamt 3 digt hier by doen zich op zommige verheventheden 3 twee langagtige van dc zei ven , op de onderlle en voorfte plaats gelegen , worden de [corpora firiataj geftreepte lichamen, en de \jhalamtnervorum optie ornrnj vertrekken of kamers der gezichts zenuwen genaamt 3 twe klein- der, agter en onder gelegen, worden met een onkuiiche naam van [te//esj ballen, cn daar en boven twee , een weinig groter boven de ballen geplaatft 5 [nat es] Billen genaamt. De [glmdida Tinealisj Pynappel klier heeft al de werelt tot zich getrok- ken , nadat C'artejius de woonplaats van de ziel daar in gellelt heeft , dog in vorige eeuwen wiert dezelve maar alleen in ’t voor by gaan aange- merkt. Het \forntx] wclfzcl, een witagtig lichaam, ais een boog over de hol- ligheden der bedienen heen gefpanne 3 wort hier met een mesje aan ft uk ge- sneden . In ’t vervolg tonenze in ds voorfte holligheden de [plexus choroideus~\ net wyzevlegtmgshebbende (volgens de gedagten van zommigen) kleine kliert- fes hier en daar tuffclien in eezaait;onder het welfzel wort het[ Septim pelluci- Aan MICH* ERNESTUS ETMULLEïUJS. dum ] doorfchynende fchot van Galenus, het [ cerebri diaphragma J mid- delritt der herflenen gezegt , gezien. Daarna deken ze een priem zagtjes in de vierde holligheyt der herflenen of de [ calamus fcriptorius] fchryfpen, om de overeenkomfl van de figuur alzo genoemt. Deze dingen bezichtigt hebbende keren ze weder tot de voorde delen , en fcheiden de[nervi olfaftorn ] reuk-zenuwen van ’t \ofcrihrofum\ Zeef-been af, en na dezen de gezicht-zenuwen, en de takken van de krop-flagader na het bekkeneel overftekende 5 dan komt Ude [glandulapituitana J fnot offlym- klier in ’t gemoet3 leggende in de \_Sella tiircïca~\ turkfche zadel, ’t welk vervangen de [nervi oculorum motorii~\ beweeg-zenuwen der ogen, een an- der paar zenuwen gaande na de tong, daar na het [_par auditorium~\ gehoor paar, het [par vagum~] dwalende paar, enz. Dan keren zewedernahet [oce/put]agterhoofcyen nemen de kleine herflenen , met de vingeren voorzigtig van het dikke herflen-vlies gefcheide v en van het [ medulla JjpinalisJ ruggemerg afgefnede zynde, met den gehelen hoop van de grote herflenen daar uyt ; verfcheide uytwaflchen in de kleine herflenen, welkers eene Varolius de [pons brug genaamt heeft, merken zy aan, en doorzoeken de Zelfdandigheyt zelfs dieper. Ende dit is de oude, of gemene wyze om de herflenen te openen j nu volgt de nieuwer van Varolius den ontlederen medegedeelt, en in de tafe- len van cPlacentlnus hier en daar vertoont. Het hooft zelfs van de hals af- gefneden, alle deszelfs uytwendige bekleetzels, de fpieren van 51 voorhooft, den neek, de ooren, enz. afgefcheiden zynde, halenze de ogen met alle de rokken uyt haar oogbollen uyt. Daar na leggenze het hooft op de kruin, en vaarden de opening van de herflen-pan meteen zaag aan, dog niet op dezelfde plaats, als in de eerde methode gedaan is, maar veel dieper in de wortel van de neus, zo dat de zaag de bovenfte benige kring van de oog- bollen aanraakt; zy volherden in ’t zagen door den gehelen omtrek van ’t bekkeneel tot aan het grote gat van ’t agterhooft zo lang, tot dat het on- derfte gedeelte van ’t hooft waggelt, en de paren der zenuwen met de ade- ren en flag-aderen het hooft doorborende afgefneden zynde, het onderdo ge- deelte der herflenen te voorfchyn komt. Op deze wys komt eerfl: voor de [ftjfura magna ] grote kloof, de herffe- nen in twee delen verdelende; het \_pia mater ] dunne herflen-vlies, dege- 2icht zenuwen als een fpinnewebbe bekledende * verfcheide takken van de [art er ia carotides] Hop en [££ cervicales ] nek Üag-aderen, endedeflym- Nu vertonen Zich iii de kleine herflenen de Yprocejfns vermiformeslwormvoy- ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, uytfteekzels met de brug 5 vaii binnen gaat men na de vierde of edele holligheit i hier uy t gaat men voort tot de derde,alwaar het welfzel voor kom t,het doorfchy- nende fchot, de zydelyke grote holligheden, enz. hier hebt gy metwynig woorden de tweede manier van openen. De derde wort Sjylvius toege-eigent, en is uyt de twee voorgaande ’t za- mengeftelt, fnydende het eene halfront der herffenen ,op de gemene wys, en de andere op de Yaroliaanfche; namentlyk het linker gedeelte der hers- fenen, ongefchonde zynde neemt hy van ’t regter het dikke herffen-vlies, en fnyt de herffenen plaats-gewys tot de grote holligheit toe af, op dat, wat ’er in begrepen is, in ’t gezicht kome, daar na wort de bovenfte en onder- fte groef van de zikkel s met de regter grooter zydelyke gezogt: dat gedaan hebbende went hy zich na de regter zyde der herffenen, het welk in de plaats van de linker atgenomene zyde afgeweken, en de zenuwen met de flag- aderen en aderen afgefnede zynde, belchouwt hy het zelve,omgekeertzyn- de , op een tegengeftelde manier, gelyk ik een weinig te vooren heb aan- gewezen. De vierde wys noemt men die van TVillisj ik zal dezelve, in een kort begrip getrokke, hier voorffellen. De uytwendige dekzels van ’t hooft afgelegr, en het bekkeneel door de zaag gefcheide en afgenomen hebbende, verbreekt hy door tangen of een fny- mes van alle kanten, de beenderen tot den bodem van ’t hooft toe, dan komt ’er eerft in ’t gezicht, het dikke herffen-vlies ,zynde het algemene bekleetzcl van al dat in het hooft begrepen is > dit vlies met het bekkeneel in de naden vaft- gehegt zynde, en in den bodem van ’t hooft vaft zittende, trekt hy niet ais met gewelt af. Daar na vertoont Willis de bloetvaten van dit herffen-vlies door de bin- nenfte opper-vlakte van ’t dikke herffen-vlies verfpreit, en aan het dunne herffen- vlies gehegt. En op dat ze des te duydelyker gezien worden, fnyt hy het dikke herffen-vlies in ’t ront af van onderen ontrent de rant van het afgebrokene bekkeneel, en de bloetvaten van het dikke na het dunne hers- fen-vlies gaande afgefcheurt zynde, neemt hy het vlies met de groeven ge- heel weg, daar na zich wendende tot het binnenfte gedeelte der herffenen, onderzoekt hy twee grote \_proceJfus mamillares ] tepelwyze uytfteekzels, te gelyk uytfpruytende met de van binnen hol zynde (zo hy voor geeft) reuk zenuwen en tot de voorfte holligheden der herffenen zich uytftrekkende ; Willijius heeft ondervonden, dat het zamenftel der herffenen opzwelt, als ’er lugt, door een pypje inde holligheyt van de reuk-zenuwen geftoken zyn- de, ingeblazen wort. Dog de vraag is, of zulks ook in een menfeh gefchict ? Na de reukzenuwen, teykent de zelfde Autheur aan omtrent de \_crijfa galll ] hane kam twee kleine flag-aderen , lopende na de tuflchen-plaatzen. der herflenen: deze vaten verlatende komt hy tot de gezicht zenuwen, en deze afgefneden hebbende, tot de krop-flagaderen, een weinigonderdezy- den van den [ infundibulum ] tregterlopende j de herflenen daar na wat ver- der agter over gelegt zynde, gaat hy over na de beweeg-zenuwen der ogen, en na een ander klein paar, dat hy het \_parpatheticum ] lydendc paar noemt * van dit paar na het vyfde, gemeenlyk het derde genaamt, welkers gebruyk hy leert zeer uytgeftrekt te zyn, dewyl het takken ofwortelsmededeeltaan ’t verhemelte, mont, en de delen van ’t aangezicht, den neus en ogen, ja zelfs de [ nervus intercoftalis ] tuflehen-ribbige zenuw. Digt by het gemelde paar wyft hy aan, twee andere kleinder zenuwen, voorzien met een byzondere ftam, en uyt het zelfde gat, met debeweegze- nuwen der ogen uytgaande * dit noemt hy het zefde paar. Een weinig lager komt het [par vagum] dolende paar, gemeenlyk het zesde, maar van Willis het achtfte paar gezegt, vele takverdelingen uyt- zendende. Aan MICH. ERNESTUS ETMULLERüS. In ’t agterde gedeelte van ’t agterhooft, bezigtigt hy een ander paar % het laatfte van ’t bekkeneel of het eerde paar der wervel-beenderen, uyt de groeven of kuilen der beenderen onder het eerfte wervel-been uytfpruytende dit is zeer vezelagtig, en na dat het uyt het verlengde merg voortgekomen is 3 gaat het onder het dikke herffen-vlies , alwaar de [ arteria uertebralis ] wervel-been flag-ader in de herd'enen opklimt. Alle deze paren der zenuwen met de krop en wervel-been flagaderen etl aderen fnydt de voornoemde Willis af, of omtrent de gaten van ’t bekke- neel, op dat, de herflenen uytgehaalt zynde, de (lammen der vaten, in ’c gezicht komen; of omtrent den bodem der herflenen, op dat de verdelin- gen der vaten des te beter nagevorfcht kunne worden. Tot dus verre de opening volbragt zynde, onderzoekt hy de uytgeno- mene herflenen te gelyk met haar aanhangzel, op de volgende onriedings wys.- en wel voor eerd de uytwendige met rimpels, en kronkels gelyk als de omwenteling der darmen gcfpleten en ongelyke opper-vlakte der herfle- nen , daar na de baftagtige en merg-agtige Zelfdandigheit der herflenen. Daar na gaat hy over tot het weer-agtig lichaam, en ’t weifzel, uyt welkers middelde opper-vlakce het doorfchynent fchot opgeregt wort, en zo ver- vaardigt hy zich verder tot de vertoning van de holligheden. B innende fchuilhoeken der herflenen vertoont hy nog klaarder, ter- wyl hy den rant van ’t verlengde merg afgefcheiden, en te gelyk het weifzel omtrent dc wortels in dukken gefneden zynde, te gelyk met de herflenen ombuigt, dan ligt-hy derzelver ’t zamcndel geheel 00. bidzc ANTWOORT van FREDRIK RüYSCH, het voorwaarts, en fpryt het duidelyk vlak uyt behalven de zeer blanke merg-agtige Zelfftandigheyt merkt hy meer witte ftrepen of linien aan , de- welke paralel of evenwydig lopen van ’t eene tot het andere half-ront. De herflenen op gemelde wyze doorzichtigf hebbende , neemt hy beide de half-ronden der herflenen met het weer-agtige lichaam bedekt zyndc, van de toppen van ’t verlengde merg , waar aan ze vaft hangen , af, en maakt een einde van de ontleding. Verfcheide manieren om de herflenen te ontleden nu by gebragt zynde,zal men ook moeten handelen over de manieren van vertonen by zommige ontlc- ders gebruikclyk. Van alle eeuwen af hebben de geneesheren een vierige begeerte gehadt, om het ware en regte maakzel van de herflenen natevorfchen , waarom zy zulks ondernomen hebben met verfcheide middelen, als met weken en koken in terpentyn olie * maar deze olie heeft een fterke en hevige brandende kragt , waar door de zeer tedre aaneenfchakeling der vezelen omver gefmeten, en verdraait wort, zommige worden langer, zommige korter, ja dat meer is zy worde verfcheurt: want van een gedeelte koper in olie van terpentyn ge- worpen , wort dezelve groen, een klaar bcwys, dat ’er door de fcharpig- heit van de olie zommige deeltjes van’t koper ontbonden en gefcheidenzyn, dewelke die kouleur veroorzaken. Ik ontken niet, dat ’cr in zodanige hers- fenen brokkelige lichaamtjes, welke kliertjes verbeelden, kunnen gezien won den, maar dezelve zyn door de warmte veroorzaakt, en kunnen geenzints ware klieren genoemt worden. Laat’cr gekookt worden zaden, gerft, ryft, tarw, peper, insgclykshet vleefch van een menfeh of beeft, deze krygen een vreemde reuk, koleur, fmaak, hardigheyt en weekheyt 3 hier uyt worden wy door de zinnen en reden overtuygt, dat ’er een wonderbare verandering, en befchadiging dezer delen veroorzaakt is. Waarom zou zulks derhalven ook niet in de herffenen gefchicden,zynde een zo weke , en vloeibare Zelfftandigheyt ? maar anderen koken de herffenen in olyf, raap , en olie van zoete amandelen 3 des niet tc min bchalven dat deze heet gemaakte en brandende oliën de zo gemelde ongemakken veroorzaken, fluy- ten ze door haar lymigheydt en dikheyt de pypjcs der delen eveneens als ver- nis , maken daar korftcn en vellen op, en aldus wort ’er een nieuw maakzel den aanfchouderen vertoont. Deze zwarigheden hebben myn gemoet zo lang beziggehouden, tot dat ik dooreen gedurigen en on vermoeiden arbeydt de manier ontdekt heb, om de ware en opregte Zelfffandigheyt der herffenen volkome te kennen. De papagtige weekheit van dit in ee want belet, dat men tot dcszelfs in- Aan MICH. ERNESTUS ETMULLERUS. 349 wendige vertrekken niet diep genoeg kan indringen: Waarom ik eerft zyn bloetvaten met een harde wafchagtige ttoffe opvul,met deze omzichtigheit nog* tans datze zo veel van deze ftoiFe bevatten, als zy in een levendig menfeh bloet voeren en op deze wys behouden zy haar natuurlyke wydte, en dienen de herlTenen tot een fteunzel of vaftigheyt > daar na dryve ik zagtjes het water (lymf ha') in de herffen-pypjcs ttilftaande uyt, waardoor der zei ver Zeil- ftandigheyt valt wort, en verkrygt de hardigheydt van verfche kaas. Niemant heeft reden om my tegen te werpen , dat ik door deze bereiding de gedaante der herfienen fchende, en dat ik dezelve milllag bega, dewelke ik een weynig te vore zommige ontledcrs te latte gelegt hebbe. De OefFenaars der ontleetkunde weten, dat dewey(Jet urn) deingewan* den befproeyendc, uytgedreven kan worden, blyvende het maakzel der vaf- te delen ongefchonden. Menfcheyt de galvaten van de lever, blyvende de flagaderen en aderen in haar geheel over, waarom zouden dan de wateragtige vloeybaren en ligt volgende delen niet uytgedreven kunne worden zodanig, dat de vatte delen ongefchonde bleven. Daar en boven ftaat te letten, dat de klomp der herfienen door onze bereiding nog opzwelt, nog neerflinkt, blyvende dezelfde maat, groote en figuur, waardoor wy verzekert worden , dat ’er geen verandering van de inwendige delen gemaakt is: Derhalven de herfienen in een vogt (liquor ) gedaan zynde, kunnen zonder bederf zeer vele Jaren be- waart worden. Maar door de gemene manier van vertonen worden de herflenen altehaaf- tig ontleet en als ter loops befchouwt. Komt nu hier gy bejveraars der ontleetkunde! laten wy dit ingewant mét opgeflage ogen bezien, laten wy ons met fhyden niet verhaatten, maar langzaam en voorzigtig het werk aan- vaarden j geen verrotting dringt ons; laten wy geen uur, maar een dag, geen dag, maar een week, geen week, maar maanden. Ja jaren hefteden-, °P dat gyl. met my de kennis van het naauwkeurige maakzel der herflenen geniete. Ten dienfte der afwezenden en de vergankclyke geheugenis geve ik de figuren der herflenen in ’t licht, dewelke om deze reden de kroon fpannen boven zommigen tot nog toein’t licht gebragte figuren , om dat de fchilders voor dezen de herflenen, die haar voorgehouden wierden, zo fchielyk niet kon* en afmalen, of dezelve, namen, wegens weekheyt neder zinkende en flap orne^e» een ander figuur en groote aan. Maar de herflenen door onze K°lk Creyt geven wy aanftonts aan de plaatfoyder over, dewelke met een wakkeren yver,en aandagtige ogen, zonder affchrik van bederving of flank ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH. op kopei fnydende, de afbeeldingen, zeer nauwkeurig, het oorfpronkelykc verbeeldende, graveert. De eerfte ontleders zeiden, dat de herflenen waren van een byzondere zelfftandigheyt en aart, hoedanig ’er|geen ander in ’t gehele lichaam gevon- den wcrt. Maar dit zelfde kan men ook zeggen van het hert, long, lever, milt, en andere delen der dieren, bly vende nogtans derzelver maakzel onbe- kent, want hier wort niet geleert, watzezyn, maar alleenlyk, datze van andere ingewanden vericheien, het welk niemant onbekent is. Hippocrates, dat grote luifter der geneesheeren, in zyn 3, boek van de klieren op de derde afdeling, eigent de herflenen klieren toe, gelyk gy. Vermaarde Heer, geleerdelyk in uw brief aangemerkt hebt. Deze leer hebben de geneesheeren van onze eeuw vernieuwt, endoorver- fcheidc proefftukken belchaaft, en opgeheldert, Marcellus Malpighms, in de verhandeling van de baft der herflenen, fchryft, dat dezelve is, een vergadering of over vloet van zeer kleine klierties, dewelke in de kronkelige rimpels voortfpruitende 5 en verfchcidentlyk te- gen malkandercn gevoegt de uitwendige oppervlakte der herflenen uit- maken. Deze Aut beur verklaart verftandelyk,dat in de grote blote herflenen der vol- kome dieren zodanige klieren bezwaarlyk gezien worden, maar ligter in ge- kookte herflenen, om dat de zelfftandigheyt in ’t koken dik wort, (merkt wel, dat is, door de koking worden de nieuwe klonten, de klieren verbeel- dende, op malkanderen gepakt) en dc tulleken plaatzen wyder worden 3 en hy zegt, dat niet alleen in de oppervlakte de klieren gevonde worden, maar dat na de gedane koking, de zelfde gedaante van de baftagtige zelfs- Handigheit in ’t beginzel van ’t ruggemerg ook verfcheint. De zeer vermaarde Bohnius in Circ. anat. 'PhyfioLprogymnafm. xx. van de voortbrenging der dierlyke geeften* infgelyks grogymn. xxi. van de vervoering of verfpreiding der dierlyke geeften , noemt de baftige zelfsftandigheit klieragtig. Francifcus Stokhamerus in zyn Microcofmographia zegt, de baftagtige zelffiandigheit der herftenen isgrys,en enigzints hartyiyterlyk omringt dezel~ ve de herftenen gelyk als een haft ,en volgt hare kloven zelfs, en is ’t zamenge- fielt uyt zeer kleine klierties. Raymundus Vieujfens in het X. Hooftft, van dc befchryving der zenu- \ven, ftelt, dat de herflenen4beftaan uyt twee onderfcheidene zelfftandigheden een asgraauwe, namentlykjcn witte; dc asgraauwe, of ze in een natuurlyke ftaat, of na datze in water of olie opgekookt is geweeft, is weker als de witte of mergagtige zelffiandigheit, ca dezelve met het vergrootglas naaukcurig be- zichtigt zynde , fchynt (zo hy zegt) t’ zamen geftelt uit ontallyke by mal- kander vergaderde klierties, een eyronde figuur verbeeldende , zo dat het voor een conglobata.) eendaantige klier gehoude kan worden. Qaroltts Fracajfatus in zyn brief van antwoort aan Malpighius, befchryft de voortbrenging en natuur van de baft op de volgende wys} ik dagt zelfs, (zegt hy) dat de natuur de baft der herftenen als een voornaam en zeer noot- zakelyk deel opgeregt hadde , want het vertoont geen bediening van een ge- ringe bekleet zegmaar het dringt dieper door tot midden in de [ Ventrien li] of holligheden en de kleine herjfenen. (De baft is zeer ligt te breken , maar het merg is vafter, waar van de reden is, (Zo wy met de [Chymici] offeheitkundi- gen, die ftaande houden, dat de beenderen door een overvloedig zout vafl gemaakt worden, te raden gaan) dat ’er in de wey veel zouts begrepen is , het welk zyn beweging verliezende gaat daar van daan na het bekkeneel, en nademaal de aldaar verfpreide bloetvaten veel blo ets voeren , waar van niets is afgefcheiden , dewyl het van de op klimmen de ftam voortkomt, de- welke geen werktuigen heeft, waar door de waterige wey, gal en dieygely- ke vogten af genome worden, befproeyen de vaten zelfs den onderleggenden baft gelyk als door een druiping, daar van daan komt het, dat de baft van een waterige wey vloeit en een ligt breekbaren zamenftel heeft; de zouten zelfs verder in den baft zuyv er der gemaakt zynde, houden de wey op’t merg als door een ftremzel ( coagulum) vajf. De gevoelens der vermaarde ontleders aangaande den baft der herftenen bygebragt zynde, zal het nodig zyn myn mening daar by te voegen. Na dat ik dan met zo een grote naauwkeurigheyt de bloet vaten opgevult hebbe , dat de kleynfte takjes vervult zynde als dons ons voorkomen , zien wy duydelyk, dat de baftagtige zelfftandigheyt der herftenen uyt lou- tere verfcheidentlyk verenigde bloetvaten beftaat, en dat, gelyk ik in de verklaring der figuren van de agtfte tafel te kenne gegeven heb, de kleynfte flagaderen uyt de binnenfte gedaante van ’t dunne herftcnvlics voortkomen- de, een zoort van boommofch verbeelden. Aldus beveftige ik ook, ja ik toon aan, dat de baftagtige zelfftandigheyt der herftenen, de gedaante van rnofch en dons vertoont * en dat donzige (om zo te fpreeken) is niet an- ders , als uytgerekte uyteyndens van bloetvaten, maar deze, gelyk ik ook V£m de milt aangetekent hebbe, fchynen in haar uyteinde een andere natuur en gefteltenis aan te nemen: want ze zyn zo week en zappig, dar zy, ren zy ze in een vogt gelegt worden,naauwlyks ofwel niet zonder gevaar van breken gehan- de It kunne worden; Deze zappige uytgerekte uyteyndens van bloetvaten fchy- ften over een te komen met de vezels of mergagtige ftreken der herftenen (t radius Aan MICH. ERNESTUS ETMULLERUS, ANTWOORT vanFREDRIK RUYSCH. medullares') en ik oordeel dat ze dezelfde bediening hebben, dewelke de Au- theuren aan de klieren toegefchreven hebben. Ten dienfte der nieuwsgierigen heb ik zomtyts de gehele baftagtige zelf- ftandigheyt der herftenen van de mergagtige afgenomen, zonder een merke- lyke quetzing van de mergagtige zelfftandighcyt, gelyk te zien is in de 7. fig. van de 15. tafel Maar dit alles kan men niet vertonen, als wanneer een gedeelte der herf- fenen in een bequaam vogt hangt, gelyk ten mynen huyze te zien is. De Zelfftandigheyt van den baft der herftenen nu bekent zynde, ga ik over tot de kleine herftenen: alle, welke maar eerft begonnen hebben dc ontleet-kunde te oeftenen, weten wat door deze naam verftaan wort; der- halven om onzen arbeydt en tydt met deszclfs algemene befchryving niet on- nut door te brengen, zal ik Ü, ervare Heer, met wynig woorden, het geen ik omtrent de kleine herftenen waargenomen heb, te kenne geven. Het agterbrein of de kleine herftenen verbeelden twee in een gedrongc bol- len of globen, uyt verfcheidc ronde dwerfche plaatjes ft zamengcftelt, waar van de grootfte zyn in ft dikker deel of dc langer [diameter] middcl-lyn3 maar hoe verder zy daar van afwyken, hoe kleynder haar [_peripheria] om- trek wort 3 even eens als de grootfte [yequator'] evenaar in onze aart-watcr- kloot, hoé weyder deszelfs [p ar alle Li ] cvenwydigheden daar van afftaan, hoe ze allenskens kleinder worden. Nogtans ftaat te letten, dat ’er tuffchcn de ronde plaatjes hier en daar zommige afgebrokene zyn, en dat de Hukken op nieuws op malkanderen worden gelegt. Gelykerwys de grote herffenenuyttweeZelfftandighcden, te weten uyt een buytenftc,of baftagtige, en uyt een binnenfte of merg-agtige ft zamengcftelt worden, alzo beftaat ook de kleine herftenen uyt een graauwe korft en wit- agtig merg, en dezelve aan delen gefnede zynde van agteren na voren, wort de witte met de graauwe Zelfftandighcyt zo vcrfchcidentlyk gemengt, dat het de ftrepen of vlammen van een veelverwig marmer verheelt. Daar na zo het agterbrein gefneden wordt door de wormwyze uytfteek- zels, gelyk als door twee [poli ] afpunten, leyt de witte merg-agtige Zelf- ftandighey t zodanig tuffehen de baftagtige, dat het, (ft welk aangenaam is om te zien) uytgebreide takken van bomen verheelt. De zeer fchrandere ontleder fieujjens in ft 12* boek van de befchryving der zenuwen heeft het volgende van ft agterbreyn of de kleine herftenen: na dat bet agter-breyn door de worm-wyze nytfieekzels op gefn ede is, op dat des zelfs binnenfte delen in ’t ge zigt komen-, en men regt weten mag, boe des zelfs merg vezeltjes eefihikt zyn. fnyden wy dit beyde wederom mid~ Aan MICH. ERNESTÜS ETMULLERUS, door , en leggen ’t dikwils ten dele om hoog , en ten dele na beneden dit •'volbragt zynde , wort 'er zekere gr aanwe of klierige Zelfjiandigheydt in het tujfchen-Jcheytzef van des zelfs beide half? on den vernomen , V welk wy, dewyl’t zelve onderfcheiden is in delen de figuur van een [rhombusj ruyt hebbende , dan eens de ruytwyze Zelfjiandigheydt , dan eens de ruytwy- ze lichamen van ’t agter-breyn noemen. Alle deze dingen worden wel in de gemene Anatomifche demonftratie waargenomen, maar niet te min, zo wy de kleine her Henen door onze nieu- we manier onderzoeken, dan zien wy, dat derzelver opper vlakte onder- deelt wort in ontallyke deeltjes van verfcheide hoekige figuren, hebbende naauwelyks de grote van een fpelde-knop ,tuftchen welke het dunne hersen- vlies zig overal invoegt, en het geen daaren boven aanmerkens waardig en aan- genaam om te zien is, deze Subdiviflen of onderdeelingcn houden op in de na- buurfchap van de baft-agtige en merg-agtigeZelfftandigheit, welkers tegendeel men befpeurt in de grote herflenen : want derzelver kronkelige en donzige draaijingen worden niet alleen in de baft-agtige maar ook in de merg-agtige Zelfftandigheyt gevonden; dog of alle deze Subdiviilen in’t tuftchen-fcheit- zel der [ hemijph*eria ] halfronden Ruiten verbeelden, en of de natuur, op dat ik zo fpreke in de voortbrenging aan zekere geregelde hoekenen lynen voort te brengen ftiptelyk zig hout, dat is buyten myn beftek, en dit laat ik die genen beflechten, dewelke in de [ oeconomia ammalis~\ dierlyke huyshou- ding, en in den opkomft en aanwafch der delen van ’t rnenfchelyk lichaam zich bezig houden en oeffenen. De ontleders van dezen tydt noemen zeer vele delen van ’s menfehen li- chaam klieragtig, zommige dezer klieren ftellen ze te zyn ’t \_clonglomera- ta ] zamengeftelde, zommige [ conglobat# glandula ] eendaantige, enz. waar van daan deze de klierige ontleet-kundc van zommigen met regt ge- zegt wordt. . [plexus choroideus~\ netwyze vlegting volgens haar gedagten is ook *?iet zonder klieren • onder anderen vertoont Ridlo in zyn Anatomifche ta- felen het [ rete mirabile ] wonder net met vele klieren bezaait. Stokhamer fchryft in zyn kleine werelt befiehryvtng op het 13 hooftftuk van de herfenen en het ruggemerg * de fipruytjes van het net verder voortgaan- de slopen met een menigvuldige takmaking door het dunne herjfen-vlies, dat de herMenen bekleedt, endoor de Zelfiftandigheit van de herfenen zelfs •en immen op uyt de derde holltghe t der herfenen in beyde de voorfie hollig- heden met twee vlegtingen 1 welke de netwyze genaamt, voorzien zyn met kleine klieren , en adertjes in de gront van de gemelde groeven 5 ofihollighe- denby n& door der zelver eehele lengte lopende. ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, Willis in zyn ontleding der bedienen op het 3 hooftftuk zegt ook , dat de netwyze vlegting gelyk als bet agter-hreyn bejiaat uyt verfcheidentlyk gevlogte flag-adcren en aderen , waar tuffelsen een menigte van klieren ver* ffreitv zyn. Waarom ik, begerig zynde het regte maakzel van deze vlegting te ken- nen , dezelve door myn manier heb onderzogt, en iliet een wafchagtige ftoife gevult zynde in een vogt gedaan , maar met myn bloot gezicht of vergroot-glas ziende , bevond ik toen dezelve in ’t geheel van klieren berooft te zyn. Maar dit niet tegenftaande hebben zy nog iets in te brengen, na- mentlyk, dat de klieren van de net-wyze vlegting in een natuurlyke ftaat zodanig kleyn zyn, datze het gezicht ontwyken, maar zo gaauw in een ziek- te het bloet en vogten onderfchept worden , dan komen ze gezwollen klaar- blykelyk voor ogen. Dog niet te min indienze in een tegen-natuurlyke ftaat maar alleen te voorfchyn komen , houde ik dezelve liever voor een ziekte als natuur- lyke klieren 3 ten anderen zyn my menigmaal klieren verbeeldende delen in de net-wyze vlegting voorgekomen, dewelke ik wat naauwkeuriger be- fchouwt hebbende bevondt [ hydatides ] water-blaasjes te zyn 3 de water- blaasjes zyn niet anders als vaatjes voornamelyk bloetvaatjes met wey opge- vult, want ik ben niet van dat gevoelen van zommigen, dewelke menen , dat de water vaatjes alleen in water-blaasjes verandert worden, maar dat de bloet-vaten en voornamentlyk derzelver uyt eyndens aan deze quaal menig- maal onderhevig zyn, heeft my de dagelykze ontleding der dode lichamen verzekert3 uyt ontelbare voorbeelden een op te halen zal genoeg zyn. ’t Is omtrent twee jaren geleden, wanneer zeker water-zugtig menfeh aan zyn eynde quam 3 het dode lichaam geopent zynde, beftondt de gehele le- ver ( die voor het grootfte gedeelte uyt bloetvaten ’t zamengeftelt is } uyt waterblaasjes, en niet alleen de lever, maar ook het [ f eritoiuemn ] buyk- vlies was vol van waterblaasjes 3 dezelve geopent zynde, vloeiden ’er een taay, glasagtig, en helder [ lymf ha ] water uyt. De netwyze vlegting derhalven in een natuurlyke ftaat van klieren berooft, beftaat uyt enkel bloetvaten3 voornamentlyk ftag-aderlyke flangswys lopen- de , en wegens de kronkelige drajingen klieren verbeeldende, en met een gedeelte van ’t dunne herftenvlies vaft zittende. Ziet de 3, fig. van de 15 tafel. Derhalven het gebruyk, het welk de Autheuren gerneenlyk aan de zoge- naamde kliertjes van de netwyze vlegting toegefchreven hebben, komt al- leen de flag-adertjes toe, welke de gemelde vlegting uytmaken 3 welke ftag- adertjes ik te zyn zeer week, zappig> en helder, en zelden, 20 Aan MICH. ERNESTUS ETMULLERUS. 355 ooyt, met root bloet vervult, waar van daan hier niet ongevoeglyk in aan- merking komt de waarneming van den zeer Ervaren ontleder Vieujjeus, fchry- vende in het 17. hooftftuk van zyn ontleding, dat hy de netwyze vlegting in menfehen van hogen ouderdom of van een vogtige gematigtheydt niet uyt bloetvaten maar liever watervaten ’t zamengeftelt gezien heeft. Waar- om ik niet te onregt heb beginne te vermoeden, dat de gemelde vlegting tot uytwerking van een waterig vogt, het welk in de groeven der grote en kleine herffenen gevonde wort, niet minder gefchikt is, als enige uytem- dens van darm-flagadertjes, dewelke by my den naam dragen van baftaart- kliertjes, en gefchikt zyn tot bevogtiging der darmen 3 welk vogt in de herffen groeven begrepen, de mergagtige ftreeken, het ruggemerg, en des- zei fs vliezen op dezelfde wys bevogtigt en befproeyt. Niemant Zal hier over enige zwarigheydt maken, en inbrengen, dat de voortbrenging van dit vogt niet toegefchreven moet worden aan de ftagade- ren, als zynde alleenlyk gefchikt tot de verfpreiding van ’t bloet na de uy- terfte delen van ’t lichaam j want in de elfde antwoort-brief aan den zeer Er- varen Heer Joh. Chriftofh. PVolf , heb ik gcfchreven, en in myn Cabinet klaar aangetoont, en tone nog aan, dat de darmkiieren, welke ik baftaart klieren genaamt hebbe, niet anders zyn, als zappige uyfeyndens van bloet- vaten , geenzints in de rondte gedraayt, maar voornamentlyk flagaderen, waarin ik oordele een vogt bewerkt te worden, tot het flibberig maken dienftig, ja zelfs meen ik, dat de meefte vogten der ingewanden, welke de Autheuren vaft ftellen in de klieren gefcheiden te worden, gemaakt worden in de gemelde uyteynden der flagaderen. Waarlyk alwaar diergelyke bedie- ning volbragt wort, zyn de gezegde uyteyndens veel zappiger en weker, en fchynen als een andere natuur aan te nemen. Omtrent het gebruyk van dit vogt der herffen-groeven of holligheden zyn de Autheuren van een verfcheidentlyk gevoele, zommigc agten het niet een zier, en houden het voor onnut, en noemen het te onregt een [ excre- wentum] uytwerpzel, om dat zulks in overvloedt zynde vele fchadelyke ziektens voortbrengt,als een [hydrocephalus ] water-hooft, [oblïvió] vergetel- heyt,flaapziektensnamentlyk [ apoplexia] beroertheydt, [coma] Üaapzugt, [ pdralyjïs] lammigheyt, enz. nademaal het door het perften van de merg- vezelen der herffenen, de levendigmakende doorftraling der diergelyke gec- ften belet. komt met de reden zeer wel over een vaft te ftellen, dat den over- vloet van dit water voortkomt uyt een verftopping voornamentlykvan adert- jes door de netwyze vlegting verfpreit* want de aderen zyn niet alleen. ANTWOORT van FREDRIK RUYSCR, zoo als men gemeenlyk gelooft, gcfchikt om het wederom kerende bloet aan te nemen, maar florpen ook het waterige vogt in de berÜen-groeven en el- ders zittende, in. In welke gedagten my te meer verfterkt hetgebrek vanwatervaatjes alhier3want hoe veel moeyte iktot nog toe aangewent hebbe, heb ik dezelve nooytinde holligheden of in de gemelde netwyze vlegting befpeurt. De zeer fyne ilagaderlyke takjes van deze vlegting verbeelden wel watervaten, en daarom hebben ze vele ontleders van deze eeuw misleydt 3 maar ik. hebbe dezelve nooyt gevonden. Ik hebbe een man gekend van een edele ftam afkomflig, dewelke, fchoon hy alderhande goederen in overvloedt bezat, door een verkeerde inbeelding van armoede bedrogen zynde, egter onóphoudelyk klaagde, dat hy armer dan Irus was. Na dat hy geftorven was, heb ik in tegenwoordigheyt van verfcheide bloetvrienden, en myn zoon het hooft geopent, en bevonde, dat de netwyze vlegting vervult was met ontelbare water-blaasjes, gelyk de i...fig. van de 15. tafel aanwyft. Daar en boven hebbs ik zo een groten overvloet van dit vogt dikmaals gevonden in eerft geborenen, dat het in ’t nederzakken na het rugge-merg, tuüchen de doornige uytfteekzels van den rug, dewelke in dietydt nog kraak- henig zyn en ligtelyk van malkanderen wyken , uytbarftende aldaar een gezwel verwekt hadde ter grote van een vuyft, het welk \_fpina bifida ] een xn tween gcfplete ruggegraat gemeenlyk genaamt wert. Ik zal my hier niet ophouden met de tegenwerping van zommigen, me- nende , dat ’er geen gemeenfehap is tuflehem het waterige vogt de voorfle holligheden der herflenen bevogtigende, en dat, het welk gefchikt is ter bevogtiging van de vierde holligheydt en 't ruggemerg, dewyl zulks (op dat ik met den wel-geoeflènden F'ieuffens fpreke} door de grote klap-vlies der herflenen belet wort: want men moet weten, dat de flant der delen in een tegen natuurlyke ftaat zodanig omgekeert wert, dat de overloop van ’t vogt uyt de voorfle. na de agterfle holligheden geen zints af geknede kan word n. Laaftelyk hebbe ik nog waargenomen, dat die zieken, welkers herflen- grosven door een al te grote veelheydt van vogt opgehoopt waren, voor een gedeelte of in ’t geheel gek, traag, dom, en onbequaam om haar be- roep waar te nemen, geweeftzyn 3 nademaal de kragt der dierlyke geeften van dit ftilftaande vogt verzwakt wierdt. Uyt alle deze bygebragte aanmerkingen uyt de pracktyk der medicyne ge- nomen , blykt klaarder als het raiddag-ligt, dat het overtollige waterige Aan MICH. ERNESTUS ETMIJLLERUS. YOgt in de herflfenen niet alleen excrementitieus , maar ook ongezont is 5 het welk ik vrywillig toeftemme, Des niet te min zal een omzigtig onderzoeker der vogten en delen van ’t dierlyke lichaam , daar uyt niet inbrengen , dat een matige veelheyt van dit vogt het gebniyk van een uytwerpzel heeft : maar veel liever is het zelve ten hoogde nootzakelyk om het gedel der herflfenen te befproeyen : gelyker- wys deszelfs gebrek andere ziektens voortbrengt. Wy weten , dat de gezontheyt bedaat in een behoorlyke gedaante en fchikking der vafte, en in een vereifchte matigheyt der vloeybare delen , voor zo veel het getal, figuur, fchikking, en bewegingder kleine deeltjes aangaat, dat de mafla van ’t bloet wel gematig is , is in de gezontheyt van geen klein belang maar zo dezelve in veelheyt aangroeyt, is zy gewoon dikmaals dodelyke ziektens te baren j of zo iemant onder de nieuweren Helde, dat ’er niet al leen geen |~plethora] overtollighey t van ’t bloet gevonden, maar verdigt wierdt, werp ik hem tegen de overtolligheyt van ’t [lac] zog in de borden der Vrouwen, welke na ontdane verdoppingen hevige pynen , gezwellen 3 ontdekingen, en knoedgewellen veroorzaakt. JSTogtans zal niemant daar uyt kunne vermoeden , dat dit zog een uyt- werpzel is 5 wat qnalen de overvloedt van zaat in de mannen zomtydts ver- oorzaakt, is de oefFenaars van de pracktyk der medicyne bekent wie dog zal zo uytzinnig wezen , dewelke om die uytwetking het zaat als onnut en excrementitieus zal verbannen ? waarom ik beduyt , dat een matige veelheit van vogt in de herffen-groeven nuttig en nootzakelyk, maar te veel of te weinig ongezont, is. Verders, zeer er'vare Heer, nauw vertrek zyn my dc volgende aanmer- kingen omtrent de herbenen te voore gekomen 5 en wel eerftelyk omtrent de [caudex medulU oblongata] dam van ’t verlengde merg, dewelke gy in de hguren van den vermaarden Willis en Bidloo in ’t ligt gebragt , zodanig afgebeelt en gebieden zult vinden, als of de dam van ’t verlengde merg op de [protuberantia amularis] ringwyze uytbulting gezet zou zyn , het welk tegen de natuur van de zaak drydt : want in tegendeel (fk fpreke van omgekeerde herflfenen) is de ringwyze uytbulting altydt gcdelt boven op de dam van’t verlengde merg, gelyk de 2. en 6. hg. van de if tafel aan- Wyd, waar in de dam van ’t verlengde merg in. tween verdeelt zyfidc onder [corpus globofupi] het bol gel y kent lichaam loopt: dit vertoont ook5 hoewel al te duyder, de zeer beroemde Vtcufjens in de 4. tafel van de befchryving der zenuwen. 1, e herfienen omgekeert en van ’t voorhooft af befchouwt zynde, kun- nen een aanfehouwer wel Jigtelyk bedriegen, maar de zaak door onze kond ANTWOORT van FREDERIK RUYSCH. »vat nader onderzogt hebbende, neem ik het tegendeel waar. Ten twede , heb ik de uytwendige merg-ftreken van de ftam van ’t ruggemerg bevonde dwerfch geplaatft te zyn , (gelyk de zeer vermaarde Vieujjens in het bol gelykent lichaam te kenne gegeven heeft) maar onder deze lopen in een grote menigte regte ftreken , volgens de lengte van dezelfde uytgeftrekt, zo darde uytwendige merg-ftreken kruyslings over de ondergelegene merg-ftreken heen lopen. Ziet de 2. en 6. figuur van de 15. tafel. Deze vezels of dwerfche merg-ftreken zal niemant door de gemene ont- leding van de herflenen gewaar worden , en daarom zult gy dezelve in de fchriften der Autheuren niet vinden 5 maar ofze door het gehele ruggemerg geftant houden, heb ik nog niet genoeg onderzogt. Ten derde , ik oordeel ook aanmerkens waardig te zyn de onlangs voor- gevalle aanmerking in de netwyze viegting, dien ik met de andere ontle- ders oordeelde alleen in de herflen-groeven gevonden te worden 3 maar nu bevinde ik, dat deze vlegting buyten de groeven zodanig uytpuylt, dat zulks in omgewende herflenen zonder enige fnyding der herflenen zeer klaarlyk te voorfchyn komt , en tuffehen de kleine herflenen en het bol- gelykent lichaam uytfteekt. Ziet de 13. tafel letter O. Ten vierde, hebbe ik aangemerkt, dat de [pyramidaha~\ naaltswyze en \Olivaria corpora] Olyfs-wyze lichamen van den wel geoeflenden FieitJJens vertoont, niet alleen gevonden worden in ’t onderfte gedeelte, maar ook in ’t boven fte ter zyde van de \calamusfcriptorius~] fchryfpen 5 en deze lichamen zyn niet anders als uy tpuylingen van de ftam van ’t verlengde merg, dewelke doormiddel van groeven of fleuven enigzints van malkanderen fcheinen ge- fcheiden te zyn. Ziet de 5. figuur van de 14. tafel. Ten vyfde, omtrent het getal der zenuwen uyt het begin van ’t ruggemerg komende merk ik aan, dat het zelfde 011 gelyk en zeer onzeker is : want ik be- ware een beginzel van ’t rugge-merg, waar uyt zeer vele zenuwen voortko- men, en ik heb ’er nog een, waar uyt ’er wyniger uy tfchieten 5 daarenboven oordeel ik omtrent derzelver uy tgang aanmerkens waardig te zyn, dat deze alle op een andere wys uyt het gemelde beginzel van’t rugge-merg voortko- men als die, welke uyt het bolgelykent lichaam > of uyt de [thalami] hame- ren, en andere plaatzen van’t verlengde merg ontftaan; want deze komen voort met vaft by malkander gevoegde vezels, in haar begin en voortgang by na van dezelfde dikte 3 maar de anderen gelyk als worteltjes uyt verfchei- fte plaatzen met zeer fyne vezeltjes voortkomende , en in ’t vervolg dik- wordende, komen eyndelyk by malkanderen, en maken een Hammetje 3 dat Aan MICH. ERNESTUS ETMULLERUS, 359 zulks in de andere zenuwen uyt het rugge-merg voortkomende ook plaats heeft, hebben verfcheide Autheuren in ’t ruwe afgefchetft. Ten zesde, bemerke ik, dat den [nervus accejjorius] bykomftige zenu w niet aan te merken is, als een byzonder takje komende van zekere zenuw uyt het bovenfte gedeelte van ’t rugge-merg; want dezelve fpruyt op zich zelfs uyt met verfcheide wortelen ( op dat ik zo fpreke j en wel met zeer fyne. Ten zevende, dat de zenuwen van ’t rugge-merg een vezelagtige voort- brenging van ’t dunne herfien-vlies zyn, gelykerwys de leden van het Amfterdamfche Collcgie in de heeften zeer wel aan gemerkt hebben, en dat het zelfde ook plaats heeft in ’t menfehelyk lichaam, blykt door onze konft klaarder als het middag-ligt. Terwyl de figuren , by dezen Brief aangevoegt, bereydt , en dat gene verbetert wierdt, ’t welk van de plaatfnydcr niet naauwkeung genoeg uytgedrukt was, komt ’er zeker gefchnft in ’t ligt, het welk dit opfchritr heeft. Een Brief van Joannes 'Jacobus Rau, aangaande de uytvinderen van V middel-fchot -van V halzakje aan den zeer Rer maar den Heer Fredrik Ruyfch 3 Hoogleeraar in de ontlcet en kruyt-kunde. En nademaal dit boekje ook in uwe handen zoude kunne komen, heb ik raatzaam geoordeelt, een weynigje daar van hier by te voegen. Weet derhalven, dat deszelfs Autheur daar in een openbaar verhaal voor- ftelt, ’t welk tufichcn ons afzondcrlyk is geweeft, nogtans befchryft hy het zelve gebrek!yk en verdraayt. Zonder twyfFel zult gy U verwonde- ren , dat afgezonderde zamenfpraken met den druk gemeen werden gemaakt, cn gy zult mifichien met de voorzigtigen bekennen, dat alle, indien zulks doorgaat, zig zorgvuldiglyk hebben te wagten, dat ze na dezen met men- ie hen van zodanigen imborft geen gemeenfehap houden: want men zal al- tydt moeten vrezen, dat de zamenfpraken, dewelke gy daags tc vore niet haar gehouden zult hebben, den volgenden dag,in ’t openbaar te voorfchyn zulle komen, zo maar of haar eyge luft,of zeker menfeh van een quaataar- digen imborft haar daar toe aanzet, en op opftookt, Maar op dat gy de ge- fchicdcnis of liever het verdichtzel met weinig woorden verftaan mogt, zal ik U korte lyks'verhalen, wat van deze zaak zy. ïn den Brief, waar in ik de figuur van ’t balzakje vertoont hebbe, heb ik gezegr ? dat ’er niets aangaande deze zaak by zommige Autheuren, welkers namen ik daar by gevoegt heb, gevondc wierdt, enz. maar weet, dat myn voornaamfte oogmerk geweeft is, op die plaats te handelen over de manier van de ware geftclteni? van ’t voornoemde deel te vertonen, oordelende niet ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH. genoeg te zyn, dat zommige dingen alleen met woorden, en zomtydts verwarc genoeg, beichreven worden, namentlyk als men die dingen overüaat, wek kenootzakelyk zyn, om de ware gefteltenis, en afbeelding van dat deel tevoorfchyn te brengen, en te vertonen en wanneer men de manier \ erzuymt door welke de afgebeelde gefteltenis van dat deel naanwkeurig kan vertoont worden. Dit zal zekerlyk klaar blyken, zo gy maar vergelekt, het geen in den eerften Brief verhandelt wort. Ik heb waarlyk tot nog toe niemant vernomen behalven den Autheur van ?t gemelde boekje 5 dewelke met begrepen zal hebben, dat het verfchil zo zeer niet is, of de aangehaalde Autbeuren geweten en gefcbreven hebben 3 dat ser zodanig fchot gevonden wort > dan of ze de ware gefteltenis van dat fchot en de manier om dezelve naanwkeurig te vertonen en aftebeelden ge- len t en bcfchreven hebben. Dit alles zal U klaar blyken, indien gy U verwaardigt myne woorden te herhalen , alwaar ik fchryve, Nadien alle dingen omtrent het balzakje van een verfch gejforve menfeh zodanig glat, week, en buygzaam zyn, dat de ware geftalte van ’t fchot zeer moeyelyk te voorfchyn komt. Dcrhalven raakt het rny niet, dat hy zommige Autheuren van het mid- delfchot van ’t balzakje fprekende, aanhaalt; want dat was het verfchil niet; maar hy moeft aantonen, dat die Autheurenklaar3 gelyk hy zegt,en duydelyker , gelyk hy beloofde, de ware gehalte van ’t fchot vertoont had- den. Het zal buytcn twyffel en niet ten onregte wonder fchynen, dat ik eenig woort van deze dingen fpreke, nademaai dit verfchil van de vinders hatelyk, en tot walgens toe afgehandelt is ge weeft-; hier van is een blyk, het verfchil van den vinder van den omloop van ’t bloet: want die den roem van deze uytvmding aan Harvteus benydeo, fchryven dezelve toe aan Hip- pocratcs j onze Autheur fchynt hare voetftappen gevolgt te hebben , maar de wyzen dezer eeuw hebben hier op zeer wel aldus geantwoort* IVaar om hebben der huiven zo vele fc h erp zinnige Mannen voor Harvaus dit in Hippocrates niet befpeurt ? om dat andere den toeftel by de [ litho- thomi~\ fteenfnyders tot nog toe gebruykelyk, cn de manier van de operatie in ’t werk te ftellen verftaan, cn befchreven hebben, volgt hier uyt, dat de zeer bequame fteenfnyder Fr ere jacquet Beauheu, niet te agten cn te pryzen is als uytvinder van die nieuwe manier, en werktuygen geheel an- ders als op de gemene wyze gewrogt, het is ook bekent, dat ’erveel vereifcht Wort, eer dat imant met regt gezegt kan worden, de zaak klaar vertoont en befchreven te hebben , maar ik zal hier ter plaatze daar over niet hande- len ; miflehien elders anders. Dog gy moet dit zo niet opnemen, als of myn gedagten waren breedt Aan MICH. ERNESTUS ETMULLERUS. van deze uytvinding op te geven Indien ik daar in enige roem hadt willen zoe- ken , ik zou andere en uytmuntender zaken, die ik vertoont hebbe, kunne bybrengen , nadien het alle OefFenaars der ontleetkunde genoegzaam blykt , dat ik door myn manier zeer vele zaken hebbe gevonde en in ’t openbaar aangetoont, waar van de Ouden nooyt gedagt hebben , nog de Autheur van gemelden brief oo*yt gedroomt heeft, en om de waarheyt te bekehne, ik verheuge my, dat die fcfaryveruyt allemyne zaken, dewelke ik totnogtoe in druk gegeven hebbe, niets heeft kunnevinde,dathy beknibbele, als dit eene, en dat dit ook zyne tanden ontgaan zou hebben, zo hy geen kreupel en gebrekkelyk verhaal hadt voor af late gaan, ik doe daar en boven by, dat hy niets oppert tegen de zaak zelfs, maar dat hy zich ophoudt in ’t aanhalen van de plaatzen, waar mede hy tragt aan te tonen, dat andere Au- fheuren ook het zelfde fchot gezien hebben: want hy zegt, dat hy dat ïn verfcheide Autheur en klaar adngetekent, gelezen heeft. Maar laat het alzo wezen, dat deze beroemde Autheuren het fchot van yt balzakie en by na de ware gefteltcnis van ’t zelve gekent hebben j zal daar- om de Autheur ontkennen, dat ik een goede dienft gedaan heb, om dat ik zommige dingen daar bygevoegt, en afgebeelt hebbe, die haar onbekent waren, cn die zy niet afgebeelt hebben, dat ik daar en boven de manier van vertonen bygevoegt, en de bloetvaten vertoont hebbe. Wat my aanbelangt, altydt heeft my de les van Hippeer at es behaagt, die hy in ’t be- gin van zyn boek van de konft gegeven heeft, alwaar hy zegt; Het te 'vinden van die dingen, welke nog niet gevonden zyn, V welk beter ZOU wezen, dat het bekent was, dunkt my te zyn een wenfeh en werk van we~ tenfehap: gelyk ook de half afgedane dingen ten eynde te brengen en te vol- toyen. Maar met een kunjïe van oneerlyke woorden gereet te zyn, om het geen ft welk van anderen is uytgevonden, te verduyfleren met niets te ver- beteren,, maar met de uytgevondene zaken der gener, die wat weten, by onkundigen te laf eren, dat fchynt voorwaar geen wenfeh of werk van we- tenfehap te zyn maar veel eer een openbaring van hun aart, of 'onwetent- hepdt in de konft: want zulk doen voegt degenen die in de konft onbedreven zyn, die wel kr agtelyk begeren en pogen (dog kunnen geen zint s aan haar boosaar dig- heydt voldoen) de werken van anderen, die in der daat go et zyn, te berijpen. Eyndelyk breke ik af, U zeer ervare Heer, ernftig verzoekende, de- zen mynen nagt arbeydt, hoedanig die ook wezen mag, ten beften te hou- A? * nc*len ik in ftaat zal zyn Ü. eenige dienft te doen, ik zal ten allen tyde en plaatze bereydtwillig zyn. Zyt gegroet, en bemint, die ben Uwen Vrient van ganfeher herte FREDRJK R.UYSCH. Amfterdam den ij. van Oogftmaant 1699. ANTWOORT van FREDRIK RUYSCHy VERKLARING VAN DE DERTIENDE TAFEL. De zelve vertoont omgekeerde en uyt het bekkeneel genomene herflenen van een Jongen omtrent tien Jaren oudt, waar bygevoegtis de loop der flagaderen door het dunne herflenvlies verfpreyt, als mede* de uytgang der zenuwen uyt het verlengde merg af komftig. A. A. De oppervlakte van de omgewentelde herjfenen in vier quabben of loben verdeelt , met derzelver B. Kleyne herjfenen, C. De [nervi olfactorii. ] Reukzenuwen 3 met derzelver jlagadertjes en ve- zelt ies door 9t zeef been lopende. D. De [nervi zenuwen, met het dunne hersenvlies voorzien? door V welke zeer vele flagadertjes lopen. F. Het derde paar zenuwen. F. Het vierde, of het [par patheticum] leydende paar. G. Het vyfde paar. H. Het zefde paar. I. Het zevende paar , of het [par auditorium] gehoor paar. K. Het agtfle} of [par vagum] dolende paar jL. De [nervi acccftbrii] bykomjüge zenuwen. M. De Zenuwen van V negende paar, die op dezelfde wys voortkomen 7 als de andere Zenuwen uyt het ruggemergaf.'komftig 3 nament lyk met zeer fyne begin ze Is 3 gelyk als zeer fyne wortels y het welk ik tot nog toe m geen figuren van herjfenen by anderen afgebeelt gezien neb. N. Het tiende paar y op dezelfde manier voortkomende , onder het welke nog ver fitheide zenuwen uytfpruyten. O. Een gedeelte van de [plexus choroideus] netwyze vlegting, buyten de op- pervlakte der herjfenen uytpuylende. P. De [Protuberantia annularis] ringwyze uyt bult ing, waar onder het verlengde merg heen kruypt; deze voorzien zyude met het dunne herjfen- vli:s, is bezet met ontelbare jlagadertjes. Q. Het uyt eynde van V verlengde merg. De tr egt er met flagaderen voorzien, waar onder de S. uyt hult ingen van de fchenkels van T verlengde mergy dewelke: verkeer de lyk , klieren agter den tregter leggende, genaamt worden. T. Het C rete mirabile] wonder 7iet uyt de V. Slaapflagader in beyde de zyden afkomflig. W* De , jj ZVèerd. '3a/'- 00 ■dl/eerd. dóf. ó'y ZVkerd. da/-', f 8 Aan MICH. ERNESTUS ETMULLERUS. W. De afbreking van de flaat. X. De neckjlagader (arteria cervicalis) van de Heer Vieuflens alzo ge. naamt. Y. De wervelbeen of halsjlagaderen. (Arterix vertebrales.) Z. Dytfteekzels der kleine herff*enen, dewelke om haar gedaante niet min- der wormwyze uytfieekzels (Procefllis vermiformes} genaemt moeten worden, als de oprechte wormwyze uytfieekzels. a. De kleine herjfenen met het dunne herjfenvlies bekleet, waar in Ten eerftc aan te merken is , dat de uyteyndens der fagaderties veel over- vloediger in getal zyn , als ik hier heb kunne vertonen. z. ‘Dat de onder delingen of Subdivijien van de baftagtige zelfftandigheydt hier zo niet vertoont worden, als ik aangewezen heb in de 4. fig. van de 15. Tafel om dat de nodige toebereiding hier niet voor afgegaan is. b. De rugge Jlagader (arteria fpinalis) behoudende in alle voorwerpen den zelfden uytgang niet: want dezelve komt zelden ftiptelyk uyt de tak- verdeling van de nekflagader voort , maar zoekt zeer dikwyls zyn uyt- gang of uyt eene of uyt beide de zyden van de halsflgaderen. VERKLARING VAN DE XIY. TAFEL. De Eerfie FIGUUR. Vertoont een gedeelte van de baftagtige zelfftandigheydt der herflenen, in vogt befchouwt en na ’t leven afgebeelt zynde. In het zelve ftaat aan te merken Ten eerfte dat de uyterfte flagaderlyke takjes zo fijn zyn , datze iet als door ’t vergrootglas in het gezigt komen. en met een wafchagtige ftofte opge- valt zynde, fchynen de gedaante van dons te hebben. Ziet de Letter A. 2. Merkt , dat de deeltjes van een verfcheide gedaante getekent met de let- ter B. niets anders zyn, als zappige uyteyndens van flagadertjes, dewel- ke , fchoonze een vervolg der flagaderen zyn, wegens weekheydt zodanig by malkandcren gefchikt zyn, dat ze verbeelden iets byzonders te zyn. De Tweede FIGUUR. Vertoont een gedeelte derherftenen, insgelyks in vogt befchouwt, en om- gekeert, op dat de zyde draadt het voorwerp, aan de welke het hangt vaftcr zoude houden. A. Een tak van de kropjlagader. B. De baftagtige zelftandigheydt der herjfenen. C C. De mergagtige zeljiandigheydt der herjfenen. Zz z De A N T W OOR T van FREDRIK RUYSCH, T>e Tierde FIGUUR. Vertoont de baftagtige zelfftandigheydt der herflenen, in een vogt befchouwt zynde de Zappige uyteyndens afgefpóelt. De Vierde F I G U U R. Wyft aan een gedeelte van ’t verlengde merg, van agteren befchouwt en dat uyt een kindt. ? •A De uitbuitingen, olyffwyze lichamen (corpora olivaria) genaamt. B. De uyt bult in gen >g r afn aaltfwy z e lichamen (corpora pyramidal kV)gen aam t, C. De groef offeuf tujfchen de gemelde lichamen leggende, D. Het bolgelykende lichaam, (corpus globofum} E. Gedeeltens van de fchenkels van het verlengde merg. F. Het uyteynde van V verlengde merg. De Vyfde FIGUUR. Vertoont de uytbultingen , die by de fchryfpen gelegen zyn, dewelke niet minder als de voorgaande, genaamt konnen worden grafnaalts en olyfswyze lichamen 3 en dat uyt een kindt VERKLARING VAN DE XV. TAFEL. Deeerfte FIGUUR. Vertoont een gedeelte van de netwyze vlegting , vervult met waterblaas- jes (' Hydatides) De tweede FIGUUR. Vetoontj na het afnemen van ’t dunne herffenvlies, verfcheide zaken om- trent het verlengde merg en agterbrein 5 van agteren befchouwt. Egter ftaat te letten 3 dat het agterbrein in zyn omtrek op verfcheide plaat- zen is afgefneden. A. T)e ringwyze uytbulting met vezels of dwerfiche f reken voorzien, in welkers midden de langwerpige groef B. T>e byeenkomfl van de gewilde fireken. C. T)e langwerpige groef van het begin van * t welkers D. Vezels of uytwendige merg (Ir epen een dwerfthe loop houden , dog onder de ze Iv en leggen de andere verborgen, van my de langwerpige ge- naam t,enin de zefde figuur vertoont* E. *l)6 uitbuitingen, olyfswyze lichaam genaamt. F* Het agterbrein in den omtrek afgefneden. G. T)e uytbultingen, gr afnaait wyze lichamen genaamt. H. G e deelt en s dat ik in ’t lezen meer geoeffent ben, als gy- Wie der ftervelingen kan aan deze vertellingen geloof geven , zou hy Aan CHRISTIANUS WEDELIUS. niet met regt als krankzinnig gehouden worden, die zich niet fchroomdc zulke verwaande woorden voor den dag te brengen* Die my kennen , en wien J. Rau niet onbekent is y zullen ligtelyk geloven, dat deze din- gen, dewelke hy hier verhaalt, verzonnen, en regt tegen malkanderen flrydig zyn. Daar en boven wie zou de jaren verminderen, zo hy wilde roemen over de langdurighcydt des tydts: want ikhebdeontlcetkonftgeen drie en dertig jaren (zo hy zegt} geoeffent, maar langer, fchoon niet in ’t openbaar. Zo dat alles aan alle kanten gebrekkelyk is, ’t geen van dit menfeh, die my oordeelt zyns gelyk te zyn, wort voortgebragt: want het is niemant onbekent, met hoe groot een ophef en fnorkery hy over al roemt van zich zelfs, en zyn konft, en wetenfekap, zo in ’t openbaar alsafzon- derlyk. Op dat gy evenwel wete, zeer vermaarde Heer, wat van deze zaak is, zal ik u zulks met weynig woorden verklaren. Ik heb in dc twaalfde ontlcetkundigcn voorftelligen brief verhaalt het zamenfpraakje tuffehen J. Rau en my voorgevallen, en ik makegeenzwa- righeydt om het zelve nu wederom op nieuws te herhalen j in ’t zelve hadt hy aangenomen verfcheidè Autheuren aan te zullen tonen, dienaauwkeuri- ger het middelfchot van ’t balzakje befchreven zouden hebben, als ik; hier op heb ik geantwoort* als gy dit doet, zal ik U voor een groot man hou- de; maar ik heb hem de handt niet toegercykt, ’t welk ook onder ’t ver- digte moet gerekent worden. De agterfte woorden , namentlyk, naauw- keuriger, als ik, flaat hy volgens zync gewone manier in zyn verhaal 0.- ver, daar ’t ondertuffehen dc fpil is, op ’t welk het gehele radt draayt, en dc woorden, die hy op de 8. bladtz. bygevoegt heelt,.dat ik op zodanige manier, als hy aanhaalt, hem afgevordert heb, namentlyk dat hy onze zamenfpraak met den druk zou gemeen maaks.ii, zyn1 verre van de waar- heydt af. Ik heb maar verzogt, dat hy my de Autheuren bekent zou ma- ken, dewelke naauwkeuriger (gelyk hy zegt) als ik het middelfchot van ’t balzakje befchreven zoude hebben. Hierop heeft hy geantwoort, dat zal ik U zeggen in tegenwoordigheydt van tien Doctoren ; als of’er in zo een bclachelykc zaak twe niet genoeg waren: wat gcfchiedt ’er ? hy is na den drukker gegaan, en heeft ter perffe gebragt, een verminkte en na zyn zin opgefchikte brief. Of dat wel gedaan is, laat ik U zeer ervare Heer, oordelen, en niet die genen, die hem raaden en behulpzaam zyn. Een wynig daar na zegt hy, dafer vier Chirurgyns by dit discours tegenwoordig 'Waren geweeft (welkers namen hy niet melt') als mede myn zoon Hendrik, dewelke a gelyk hy zegt, vader getrouwelyk in deze zyne verdediging byftondt -9 even eens, als ’t van hem zomtydts gefchiet op V the- ANTWOORT van F RE* RIK RUYSCH, at rum anatomie um ,enin de Hortus Medicus, wanneer zyn vader ftamelende voorheeft: als ik my in ’t openbaar tegen deze onregtmatige woorden ver- dedigde, heb ik in tegenwoordigheyde van J. Rau gezege, dathy reden zou hebben , zich gelukkig te achten, Indien zyn zoon of dogter tot den ouderdom van myn zoon gekomen zal zyn, en dan zo veel hulps van hem of haar gehadt zal hebben; daar en boven heb ik alvorens gezegt, dat het die genen, dewelke de tong al te los hangt, zomtydts tot een ftnk en be- drog verft rekt heeft, ’c welk J. Rau beproeft hebbende bekenne moet fchoon hy op my zeer verhoort is. Op de 9. bladtz. /preekt hy van laftertaal en fcheldtwoorden van my inden 12. voorftelligen brief uytgebraakt, ’t geen waar lykbelac hens waar- dig is: want alle, die dezen brief gelezen hebben, betuygen, dat’er niets ingevonde kan worden, dat na fchelden gelykenf. Een weynig daar na oppert hy wederom op nieuws, dat ik zeer begerig was geweeft zynen brief te zien, daar ik nooyt zulks hebbe gedroomt - geen nootzakelykheydt van fchryven drong hem, maar alleen zyne gene- gentheydt en prikkeling tot fchryven, waar mede hy al over langen tydt gequelt geweeft is, hebben hem daar toe aange/poort. Op de 10. bladtz. haalt hy de eerfte oorzaak van ’t verfchil aan, dewel- ke zo gekkelyk is, dat ’t naauwlyks waardig is verhaalt te worden. Hy praat op nieuws van ’t iaftrument van Bartifch , van hem verbetert. 'Hat de woorden over ’t gtmelde inftrument de eerfte oorzaak van dit ontheet- kundig verfchil geweeft zyn, heb ik te vooregetrouwelyk verhaalt 3 ik heb 4ie in myn brieft aan hem gefcbreven, of dat ik niet fchynen \zou van de weg af te gaan, wille fmoren, nadernaal ze. ter' zaken niets deden waarlyk ik zou nooyt dien brief hebben laten drukken , ten zy ik gezien hadde, dat Ruyfch daar zeer begerig na was. is dit de eerfte oorzaak van ’c verfchil? namenrlyk dat ik gezegt hebbe, dat ik geen uytvinder ben van dit inftrument, maar meefter Riet er Verduyn, van wien ik ’t zelve verkre- gen hadde. Is ’t zo qualyk gezegt, ik ben den uytvinder niet, ik wilde naam niet hebben, dat ik met eens anders goet pronke ? want ik hadt het nooyt in dit geval te vore gebruykt, en zodanig inftrument was ook nooyt in handen van J. Rau gekomen: want dit is ten enemaal verfchillendc van dat, ’t welk hy aangewent hadde. Is deze de eerfte oorzaak van ’t gefchil! 6 ongehoorde en belachlyke oorzaak! Voorts wat aangaat, het geen hy aanhaalt, dat hy die woorden hadt wille fmoren, dewelke in zyn brief Haan f nade- tnaalze niets ter zaken deden, hy zou waarlyk beter gedaan hebben , zul- ke ongerymde dingen te fmoren, als ze de geleerde werelt op te dringen. Aan CHRI STI AIsTüS WEÖDKLTUS, -dewelke, gelyk hy wel zegt., ter zake niets deden., ft welk waaragtiger is , als dat ik zeer begerig ge weeft ben dien briefte zien, of dat ik hon- dertmaal het verharde balzakje in ’t openbaar vertoont heb. Eens hadde ik in een openbare ontleding het balzakje van een nienfch, door onze konft als een fteen, verhardt vertoont ~ in ’t welke de bioetvaten door ’t zelve ver- fpreit zynde 3 uytftekendc fraay gezien worden: hyjdit in zynbnefmy tot ecÉ miflag tragtende te rekenen, fchry ft, dat ik hondertmaalft zelve in ’t openbare theater vertoont hebbe ; wat zal ’er derhalven van zodanig een menfch te den- ken ftaan, wien eens hondertmaal is', miffchicn zal hondertmaal hem ook maar .eens zyn, zo ’t hem dunkt in zyn kraam te pas re komen •, en een weynig daar na wederom, heeft hy niet meer als hondertmaal op de zelf* de plaats gezegtin ’ t byzpn der cDo£ioren5 dewelke zyne woorden in haar ge* heugenis iktmne brengen ; wie der ont leders of oude of nieuwe heeft ooyt zodanig fchot gezien ? daar wan gefebreuen ? eenig gewach gemaakt? niemant beeft wan dit fchot te voren ge droomt. Te voren hadt hy gezegt, •dat ik hondertmaal het verharde balzakje ten toon hadt geftclt in ’t open* # hare theater, daar ik ’t maar eens hadt laten zien - nu werpt hyïhy tegen 9 dat ik meer als hondertmaal zodanige dingen gezegt hebbe s die nooyt nyt mjn mout voortgekomc zyn ?of die ik ooyt verhaalt hebbe. Die my ken- nen., laat ik oordele , of’er zodanig iets met enige fchyn van waarheydt van my gedagt kan die nooytmct vermetelheydt de openbare ont- Icetkuiidige vertoningen gehouden hek Zekerlyk deze dingen paften meer op J. Rau, die om deze reden zeer vermaart by alle gehouden wordt 5 welke hem kennen ; en die sc tot een gewoonte heeft zich zelfs met loftny- tingen tot den Hemel toe te verheffen;*dit zal zyn brief den Lezer overvloediggenoegte kenne geven, in de welke hy van zyne ontledingen en andere daden met zo grote fnorkery zwetft, dat het allemenfehen, wel- ke ik tot nog toe ontmoet heb, verdroten heeft. Hy fchynt in dien brief met Ajax te pocchen , zeggende wort een 'Ü lyjfes bymygefelt > als een flor* ke Ajax~ Hy werpt my tegen, dat ik hondertmaaldie woorden voortgebragtheb, cn ik zou geloven, dat ik in al die tydt, van welke J. Rau Farys heeft verlaten, en te Amfterdam aangekomen is, maar eens en andermaal van dc mannelyke teeldelen gehandelt hebben; dit alleen geheugt my eens te heb- ben gezegt, wanneer ik ’t balzakje vertoonde, niemant heeft tot nog toe deze wyze het menfchelyke balzakje bereydt, dat deszelfs fchot , met Dioetvaten voorzien, klaar te voorfchyn gekomen is: ziet gy niet, zeer er vare Heer 3 al wederom een onderfcheydt ? ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, Aanftonts heeft liy ’t wederom van de mifilag in myn tong 5 maar is ’t niet beter een mifilag in zyn tong te hebben, als zodanige feilen te begaan, die voor ’t menfehelyk ge/lagt veragtelyk zyn ? enz. ’t valt J. Rau niet alleen zeer moeylyk myne gezegde woorden zonder te verminken te herha- len, maar ook myne fchnften, ziet de 12. bladtz. alwaar deze woorden gevonde worden. Wel aan dan, zegt hy, laten die beroemde ontleders zodanig fchot, en bykans de ware ge fieltenis van ’t fchot geweten hebben, ik heb het echter op ge heldert ,en befc breven en afgebeelt, dat ’er vaten in zyn. Myne woorden luyden aldus. Zal daarom de Autheur ontkennen, dat ik veel dienft gedaan om dat ik zommige dingen, haar onbekent, bygevoegt hebbe, en die zy niet hebben afgebeelt, ik afgebeelt hebbe, dat ik daar en boven de namen van vertonen bygevoegt , en de bloedtvaten aan- gewezen hebbe3 hy maakt geen gewag van de manier van vertonen, zon- der welke niemant het fchot van ’t balzakje duydelyk zal kunnen aanwy- zcn. Laten wy nu eens zien,wat nieuws onze berifper, uy t zyn cyge koker voort- gekomen 9 de geleerde werelt mede gedeelt heeft. cDe menfeh heeft geen een balzakje, maar twee met een huydt bedekte halzakjes, ’t geen tk aanftonts door figuren, want dat bemint Ruyfch, verklaren, en y der een in dode lichamen over vier f aar en geftorven aan- tonen zaf in geeft van wyn, koorn, of zuyker bewaart, nogtans beter en •met de natuur overeenkomflïger in verfch geftorvene lichamen. Dat een menfeh met twee balzakjes voorzien is, zal niemant ontkennen, wat nieuws te zyn, maar niemant der ontleders zal deze ftelling en verze- kering, die kreupel en niet een hair waardig is, aannemen. Ik zou y, Rau raden, zo hy meermalen wat nieuws wil aan den dag brengen, dathy andere en met de waarheydt meer over eenkomende zaken de geleerde me- dedele, en wat beter paffende figuren by voege, welkers vaten een natuur- lykc loop behouden. Want ik bemin figuren, gelyk hy zegt, maar niet zodanige, dewelke tot opheldering der voorwerpen onbequaam zyn. Laat hy fpotsgewys zeggen, dat ik figuren bemin, ikantwoorde zonder fpotten, dat ik nooyt myn zegel zal hangen aan zyn figuren, aangaande het dubbel- de balzakje, als zynde niet overeenkomftig, dwalende, en dc waarheydt verduyfterende. Op dc 12. bladtz. hadthy gezegt, dat een menfeh twee balzakjes hadt met de huydt omringt * maar op de 13, bladtz. het balzakje beftaat uyt de Aan CHRISTIANUS WEDELIUS. opper huydt, huydt, en vlies y 't welk het \Memhrana carnofafeu dartos \ vlezige vlies, genaamt wort. Derhalven heeft een menfch (gelyk hy zegt) twee balzakjes , met een huyt bedekt, en een wynig daar na, het balzakje beftaat uyt een opper- huydt, huydt, enz. of deze dingen over een komen, zeer ervare Heery zal ik U laten oordelen. Want daar ’t balzakje voornamentlyk van gemaakt wort, is de huydt, en als die weggenomen is, wort ook het balzakje weggenomen, zegt- men niet dat de ballen en hare vliezen weggenomen zynde , het balzakje over- gebleven is? gelykerwys de {prteputium) voorhuydt, een verlenging van de huydt en ’t cel luleus vlies is, dienende tot een dekzel voor’t [glans Renis) hooftje van de roede, alzo is ook de huydt het voornaamfte maakzel van’t bal- zakje,van’t lichaam afhangendc,op dat het zy een beursjeof zakje van de ballen. Verder fpreekt hy van myne, dog hem onbekende manier van drogen, dewelke, hy zegt, dat ik hoog ophef, op dat ik des te zwaarder nederval- le. Dog die ft een valt op des werpers kop. Laat hy in zync gedagten brengen, wat hy voor dezen van die konft, die hem ten enemaal onbekent is, met.een bly gelaat gezegt heeft, en dat aan een menfch, die geloof- waardig en nt)g in ’t leven is. Nu heb ik de manier om de vaten van ’t hart op te vullen zo wel als Ruyfch gevonden , maar tk kan ze niet drogen! Moet racn J. Rau niet antwoorden, dat de konft geen hater heeft, als een onkundige -} het zodanig hartmaken en drogen der deelcn van ’t men- fchelykc lichaam, dat de gehele maat derzelver byna in zyn geheel blyft, en dat de couleur van ’t natuurlyke niet veel vcrfchilt, zou J. Rau niet nalaten Hcmelshoog tc pryzcn, (\vien hetdagelyks werk is, zich overzy- ne anatomifche en chirurgicale werken, en voornamentlyk over de Latyn- fche taal tc beroemen, of hy zulks met regt of niet, kan doen, laat ik aan ’t oordeel van anderen over) zo hem maar even zo wel, als Ruyfch bekent was, op wat wys die dingen gedaan moefte worden. Hy heeft aan ver- fcheide gezegt, en nu heeft hy niet gefchroomt waereltkundig te maken, dat onze konft bedrieglyk en opgefmukt is j ondertuflehen belooft hy dc ftudenten, dat hy haar in die konft onderwyzcn zal, en dat hem dezelve nictminder als Ruyfch bekent is, daar hy deze konft niet cens van verre gegroet heeft. iN iet zonder reden, zegt men, die nydig zyn, zyn verach- telyk van gemoet. Derhalven zo J♦ Eau onze konft, waar in hy tenene- AJÏTWCkOiaT wan WLUDDMSK RU Y S CH. maal onkundig is, nog voort vaart te verachten;, maghy wat in de lucht Schermen. lN ulp reek c hywederom, niet zonder walging van .den Lezer 9 van my- aae dwaling, gelyk hy zegt, in dc bereiding van ft balzakje begaan, door e harde rok. druyfrok, door den welke de regenboog door fchynt. E. T>e oogappel ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, In de Zevende FIGUUR, Wbrt dc tunica Ruyfchiana afgebeelt, uyt welkers midden een gedeelte van den net rok afhangt, zynde deszelfs zelfftandigheydt afgenomen. A. Een groot gedeelte van Ruyfchiana. B. Een gedeelte van den net rok, afhangende ,en uyt den bodem van ’t oog voortkomende. G. Een grote menigte van jlagadertjes door de tunica Ruyfchiana ver- fpreyt, uyt den bodem van V oog voortkomende, en in loop ver- fchillende van die, waar mede het adervlies voorzien is. Ondertujfchen flaat aan te merken, dat hier de gehele tunica Ruyfchiana niet verheelt wort, maar een uyt gefpanne gedeelte van den zelven , en dat uyt het lichaam van een Jonge. Laat J. Rau nu maar voortvaren my uyt te lachen, gelyk hy gedaan heeft,, wanneer ik de tunica Ruyfchiana in openbare vertoningen vertoonde-, dog ik, fchoon ik groter reden heb om hem uy tte lachen, zal my daar niet over foren. Maar ik daag J. Rau uyt, dat hy in de naafle openbare ont- leding, zo hy Pr na dezen een houden zal, het tegendeelaantone, cnmyne dwaling , zo hy zegt, ontdekke. Ik neeme aan , voornamsntlyk ten dien- fe van die genen , dewelke de gemelde vertoning niet bygewoont heb- ben , dat ik in de naafie openbare ontleding , niet alleen den gemelden rok , maar ook andere niet minder waardige zaken omtrent de werktuygen van V gezïgt vertonen zal, welke J. Rau nooyt gezien heeft: In de Achijle FIGUUR, Wort aangetoont het adervlies, zynde deaangewaiïche, pezige, en harde rokken afgenomen, en dat uyt het dode lichaam van een Jonge van zes of zeven Jaren oudt. Door dit adervlies is ook een menigte van flag- aderen verfpreydt, dewelke voortkomen uyt de oogilagaderen, den har- den rok op twee plaatzen doorborende: namentlyk voor eerfi omtrent het midden, alwaar dikwyls zes of zeve flagaderlyke takjes den haarden rok doorboren ten twede, in ’t agterfte deel, omtrent den bodem van ’t oog, en dat ook met verfcheide takjes. A. Qogflagaderen, welkers verjeheydene takken den bodem van den ader- rok voorzien-, verjeheydene takken lopen ook tot het tandden van den zei- Ziet de iett. B, Aan CHRIS TIAN US WEDELIUS. C. (De voorfte gedaante van den hayrigc kant. D, Ne kring of de voorfte gedaante van het hayrigc uytfteekzel, de re» gen boog genaamt. JL.C(De oogappel. Ne Negende F 1 G ü U R , V ertoont den loop der flagaderties van de tunica Ruyfchiana, en ’t ader- vlies 5 kruysgewys over malkanderen heen lopende. Mer kt ondertujj'chen aan, dat de p laatJny der met inzigt hier wyniger taktes vertoont heeft y om de verwarring te me yden. In de Tiende FIGUUR, Komt het adervlies te voorfchyn3zynde een gedeelte vanüag- aderties berooft, en ook ten dele daar mede voorzien. Weet dat dit ook met inzicht is gedaan, op dat het ftukje van ’t adervlies* van dc tu- nica Ruyfchiana afgetrokken, en agterwaarts omgebogen, des te klaarder gezien kan worden. A. Een gedeelte van V adervlies, met geen ftagaderen voorzien. B. Een gedeelte van V adervlies 5 van de tunica Ruyfchiana afgetrokken en omgebogen, op dat de onder leggende tunica Ruyfchiana met Je lett. C, betekent 5 in V gezigt komen zou. D. Ne Jlagaderties door V adervlies verfpreyt. E. Een gedeelte van den gezigt zenuw. In de Elfde FIGUUR. Wordt deaderrok, den harden rok afgenomen zynde, afgebeelt, alle de flagaderties zyn overgeflagen, op dat de zenuwen, van my de [nervi ciliares\ hayrige genaamt, des te duydclyker gezien kunnen worden. Omtrent dezelve ftaat aan te merken, ten eerde, dat ze in den omtrek meer in getal zyn, als ze bier verheelt worden , ten t wed en, dat deze zenuwen gaande tot den harden rok, en byna alle omtrent bet midde van V oog den zelfde doorborende, door de oppervlakte van V ader- ‘vkies l&pen, tot dat ze tot den hayrigen bant gekomen zyn, den welken zy voornamentlyk fchynen te dienen, nademaalze takagtig geworde zyn de, door dien bant verfpreyt worden, en aldus heb ik haar den naam van hayrigc Zenuwen gegeven, voorname ly kom dat ik aangemerkt hadde, dafernaauw^ ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, lyks enige zigtbare takies dezer zenuwen in haar voortgang bejieet wier- den aan 't ader vlies, of de tunica Ruyfchiana, als zynde beyde tot geen beweging gefchikt. De gemelde zenuwen komen duydelyk te voorfchyn , na dat de flagaderen van den aderrok met een rode wafchagtige flojfe of ge- valt zyn j want als dit verzuymt is, hebbenze gemeenlyk zo grote over» eenkomft met de gemelde fagaderties, dat ze in dode lichamen, waar in die jlagaderties zelden of gevalt zyn, hgtelyk van anderen verzuymt zyn geworden. 'De hayrige bant, en des zelfs uytfteekzel hebben het gebruyk dezer zenuwen tot de beweging ten hoogften van noden* In de Twaalfde FIGUUR, Wort vertoont een gedeelte van den harden rok, waar van de hayrige ze- nuwen afhangen, dewelke in zommige overvloediger, en in anderen, vvyniger zyn. De Dertiende FIGUUR, Betekent de inwendige gedaante van de uytgefpanne tunica Ruyfchiana met den liayrigen handt, als mede des zelfs uytfteekzel, en dat uyteen volwaffchen menfeh. A. A. Een gedeelte van de tunica Ruyfchiana van agteren bezien, zynde zo vol van fagaderties, dat ’er naauwlyks of niet wel meer in bevat kunne worden. B. De hayrige bant, met zeer vele golfswyze latten voorzien > door wel- ke bant de gemelde tunica Ruyfchiana ook uytgeffannen is. C. Het hayrige uytfieekzel, door yt welke de langwerpige vezels lopen , tot dat ze gekomen zyn aan den [circuf\ of kring, waar van hier onder verder zal ge ff roken worden. D. De kleynder Circal, naaf aan den oogaffel gelegen, zynde van tu- nica Ruyfchiana, nog van de fagaderties van dien berooft. In de Veertiende FIGü U Rj Worden afgebeek enige latten van den hayrigen bant, met het vergroot- glas befchouwt, en bygevolg veel groter als de natuurlyke grote, en zyn met ilagadertties van de tunica Ruyfchiana voorzien, dewelke niet alleen door de tu (Tc hen plaatzen der latten, maar ook door der zelver rug, dat vermakelyk ora te zien is, lopen. Aan CHRISTIANUS WEDELIUS. De Vyft lende FIGUUR, Vertoont een dwerfch opengefneden menfchelyk oog, welkers uytwendige gedaante den harden rok , maar de inwendige gedaante den mergagtigen nctrok verheelt , en dat uyt het dode lichaam van een Jonge. A, Het agterjle gedeelte van den harden rok. B. De netroky veel kers Jlagader'ties niet altemaal opgevalt zyn. T>e Zefiknde FIGUUR, Vertoont een gedeelte van den harden rok, van ’t welke het netvormige weefzel der flagaderties van den netrok afhangt, welkers mergagtige zelfftandigheydt ik in dit oog niet gevonde heb j of dezelve verlpilt is, dan of die om een andere oorzaak ontbroken heeft, kan ik niet zeggen ; echter heugt het my dit nog eens aangemerkt te hebben, en daarom zal ik de gemelde ogen ook bewaren, om de nieuwsgierige te voldoen. A. Het agterjle gedeelte van den harden rok achterwaarts omgebogen. B. Het netverraige weef zei der flagaderties, zo mauw by malkan der ew gelegen, en in een verwart, dat ze een zeer dun en by zonder vliesje verbeelden. De Zeventiende FIGUUR, Vertoont de flagaderties van den regenboog, met het vergrootglas be- fchouwt. Merk wel de regenboog 3 dewelke een vliesje is door ’t hoornvlies heen fchynende3 met bet voorftedeel vaft zittende aan ’t adervlies, en van agte- ren aan de tunica Ruyfchiana $ dezelve kan met regt in twee kringen of circuls verdeelt worden, waar van de grootfte eyndigt, alwaar de jlag- aderties agterwaarts ombuygen, of alwaar in zyn agterfe gedeelte de ve- zelen van den hayrwyzen bant eyndigen sge Ijk de \x, fig. aanwyfl. ‘De andere cirenf veel kljnder zynde 3 eyndigt aan den oogappel. De groot- fe cirktl des regenboogs is voorzien met ontelbare fagadertics, dewelke met een wonderbaar lyke loog 3 door den regenboog verfpreyt zyn 3 gelyk de i jfig, aanwyfl - maar ah dezelve gekomen zyn tot den kleynfien circuf bnyg€]Ize zich agterwaarts om , uyt welke ombuygingen wederom nieuwe takies te 'voorfcbyn komen , dewelke op de zelfde wys zig ook agte?- waüVts om buygen na den randt of V eynde van den f geen won- ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, der is om te zien, mogelyk om dat het bloedt in zyn groter drift wat ge* ftuyt zoude worden, of z Ligt niet buyten zyne vaten zou lopen. Indien nu ymunt overweegt, dat zodanige kleyne vliestes, als het ader- ügtige, het Ruyjjchen , en netvormige vlies enz. met zo een menigte van flagaderttes pronken, dewelke evenwel in een ge zont menfch met roodt bloet niet opgevalt zyn , zal hy niet moeten twyjfelen, dat deze fagaderties niet enkelen alleen tot verwarming en voeding van zo tedere en fyne vHesjes gefchikt zyn? wat my aan belangt, ik zal myn oordeel zo lang opfchor* ten , tot dat tk klaarder als het middagligt door middel van onze konjl zal aan ge toont hebben, dat de uyteyndens der flagaderen in verfchydene delen van ’t lichaam zeer verre van malkanderen verfchillen ; en gelykerwys ze verfchillen in hoedanigheydt, alzo oordeel ik ook 3 dat ze van een onder- fcheydentlyk gebruyk zyn. "Tde Achtiende FIGUUR, Vertoont de flagaderties van den regenboog in haar natuurlyke grootte. De Negentiende F I Gü U 11, Vertoont het agterfte gedeelte van den harden rok, in welkers hollighcydt de netrok golfsgewys te voorfchyn komt, deze golven heb ik menig- maal in den gemelden rok gevonden. A. Het agterfte gedeelte van den harden rok, B. De binnenfte golfs gewyze oppervlakte van den netrok. De Twmtigfte, en een en Twintigfte F I G U U R, Verbeelden de gcdeeltens der rokken van ’t glasagtige en’t cryftalline vogc in de gedaante van een vlakje; op een andere manier heb ik haar niet kunne uytdrukken, dewylze zeer dun en met geen bloetvaaties voorzien zyn. ZWeerd. J'af. ty. C'A ///''.js/sv/w Sf/tf De V eertiende Ontleet-kundige V oor ftellige BRI E F Door MAURITIUS van REV ERHORST, Medicyne HoElor, en Hoogleraar in de Ontleetkunde, Aan den zeer vermaarden Heer, FREDRIK RUYSCH, Medicyne cJO>o£lor , en Hoogleraar in de Ontleet- en Kruyt-kunde, enz. Aangaande de Nieuwe Manier van ?t afzetten der Ledematen, MAURITIUS van REVERHORST, Wenfcht aan FREDERICUS RUYSCH, &:c, 6cc. èzc. veel heyl en voorhoedt. nwe brief onlangs aan my gefchreven, is my zeer aangenaam ge- weeft, voornamentlyk om dat ik uyt het bygevoegde verhaal omtrent de manier van fayden van frere Jacq es de Reaulkux3 in’t gemeen den herremyt of kluyzenaar genaamt,heb mogen ver- ftaan , hoedanig een uy tflag in zyn lyderen dezelve in uwe ftadt gehadtheeft, dewyl’erzoverfcheydentlykby verlchcyden van hem gefpro- ken wort; Want deze pryzen zync behandeling in ’t fnyden, als de befte, behendigfte, en hem gelyk als van den hemel ingegeven, andere in tegen- deel verwerpen dezelve te gelyk met des mans goeden naam en {dienden. XIV. BRIEF van MAURITIUS van RE VERBORST, hem met vuylc iadertaal, daar wy evenwel,zo wel als die genen , wiende genezing dezer lyderen te Leyden aanbevolen was,in de genezing zeer gelukkig zyn geweed, nademaal ’er uyt dertien van verfcheide gedachte [ Sexus ]en ou- derdom , [at as] zo van de ftcen [calculus~\ als van verfcheide zoprten van breu- ken [herniZ\ gefnede zyndesmaar twee gellorven zyn,beyde boven de vyftig ja- ren oudt; waar van de eerde door een langdurige verzwering in de Blaas uy tge- teert,en de deen zelfs zeer groot,ruuw en ongclyk,nietals met een zware Bloed- dorting uytgetrokken zynde, binnen den tydt van negen weken, zo verre tot zyn vorige gezontheydt herdelt is geweed, dat hy, die te vore door zeer vele pynen, en gedadig waken en een verzwering van de Blaas ver- zwakt en byna uytgeteert was, nu veel vetter te voorfchyn quant, ja zelfs zyn water nu een tydt lang konde houden, door zyn kamer wandelen, en zyn \yerk in de winkel zelfs (want hy was een Yzcrfmit) eniger maten ver- rigten 3 gevolgelyk, zo ’er in een lyder enige hoop van behoudenis fcheen, was ’t in den onze, dewelke echter door zekere fchrik van brandt uyt zyn bedt fpringende, en verfcheyde mifllagen in zyn levcnswys \fDiata~\ be- gaan hebbende, gedort is eerd in een gedadige koors met een hoed, door welke geweldige Ichudding van ’t lichaam, de lippen van de wont, nu by- na toegegroeyt, wederom van malkanderen afgebroken zyn, en verfcheyde deenagtige fchorzen, wegens de doorvloeyendc Pis zich gedadig aan de kanten aanzettende , hebben onze genezing vertraagt , terwyl ondertus- fchen in de pisfehaft, [ Urethra ] op verfcheyde plaatzcn ontdane vlezige uytwaflchen, den vryen uytgang van de Pis beletteden3 20 dat, wanneer de verdere toevallen met de koorts vermeerderden, deze on- ze lyder het leven met de doodt heeft verwidelt; Maar wat ’er in zyn lic- haam verfchuylt heeft , wierdt ons niet toegelaten door de ontleding te ontdekken : dog wat wy aangemerkt hebben in onze andere lyder, insgelyks door hem van de deen gefneden, en wiens doode lichaam van ons onderzogt is, hebt gy zonder twyfel van Mr: Ti et er Adriaanze Verduyn, en zyn Zoon verdaan, zo wegens den ongezonden dant van zyn Lichaam, dewyl hy te voren beroert was geweed, en gequelt met bloedt piflen, ja zomtydts met een opdopping van ’t water, als ook van zyn darmbreuk, ten tyde van de operatie uytlchietende, en de ene nier door een verzwering verteert, en andere tegen natuurlyke zaken in ’t lichaam gevonden en aan- gemerkt , waar door dit ongelukkig voorteken genoeg voorzien is geweed; Ik twyfel niet, of gy zult deze en de meede andere zaken, die by dit ge- val behoren en de aanmerkenswaardigde zyn , verdaan hebben, daarom zal ik een wydtlopiger verhaal over die zaak hier voorbygaan, dewyl ’er nog uyt de gemelde dertien lyderen, Godt zy lof! elf in leven en gezontheydt AAN FREDRIK RUYSCH. zyn , die van deze manier van fnyden genoeg getuygen kunnen. Onder- tuffchen twyffel ik geenzints, of zeker Fransman of een ander, die zyn ma- nier van fnyde grondig kent, en van een beflepender pen is, als de gemelde heremyt, zal deszelfs manier tegen de boosaardige lafteraars van zyn goeden naam verdedigen, gelyk ik onlangs uyt een brief van Verfailles door hem aanons toegezonden,niet duyfter heb kunne befpeuren,alwaar hy tegelyk,dog watduy- fter, fpreekt van een nieuwe manier om de breuken (zonder verlies van een bal) te fnyden, dewelke hy zegt nu enige malen in ’t werk geftelt te hebben, en die om vele redenen boven de oude manier te achten zal zyn, gelyk de tydc leren zal. Dit zy dan gezegt van den heremyt, en zyne gefchülen, en ge- lyk ik dezelve niet voor hem opneme, alzo wil ikze ook nietbeflegten* ik ga over tot een andere en ook nieuwe, of onlangs in die konft ( namentlyk van afzette) voorgeftelde manier, dewelke B: A: Verduwonlangs voorge- ftelt, en met verfcheyde Proefftukken, by hem op die tydt voorgevallen, beveiligt heeft, over welke manier ik des te liever met u handde, om dat ik dezelve kortelings te Amfterdam in uwe tegenwoordigheydt van 'P .* A: Verduyne nzyn Zwager,en Zoon, die doorluchtige lichten in de heelkun- de , hebbe gezien in ’t werk Hellen, de zelfde afzetting is by ons ook een wynig daar na, niet in de hant, niet in een Jongman, niet op de nieuwe ma- nier , maar in de voet, in een vryfter, en dat op de oude manier te weeg gebragt door Stefhanus de Rouw, en Adolfhus Stukery, zynde Abraham van Kervel 3 en Ever ar dus van Ourik3 by ons zeer geoeffende mannen in haar konft, daar aan mede behulpzaam geweeft, en ‘Doctor Jacobus de Bye cn ik tot aanfehouwers of liever om den lyder te genezen. Ons voorval zal ik hier eerft verhalen, daar na zal ik byvoegen, ’tgeen ik van u m UL: voorval begere. Een vryfter van twe en dertig jaren oudt voor tien ofdfjaren van Ebran- den op de regter voet omtrent den [ talus ] enklaauw lang qualyk behandelt zynde, en dan eens deze cn gene hulpmiddelen gebruykt hebbende, is ’er van die tydt af, in dat deel gegreeyt een \_ulcus\ verzwering met een [ca- ries ] bederf zo van ’t [ afohyjis ] uy tfteekzel van ’t [ tïb'm ] fcheenbeen zelfs en [filmdag kuytbeen, als van de andere by leggende beenderen van degeheele [tar/üs'j voorvoet , ondertuflehen verfcheen ’er dan in dit , dan in dat deel, enige hoop van genezing, maar wat de verdere [ fmibhones ] be- dieningen van ’t lichaam aanbelangt, dezelve waren na en fchoon ZY bet gebruyk van deze qualyk geftelde voet (dewyl de meefte banden dewelke deze beenderen anderzints vafthouden, nu doorde verzwerino- ver- teert en de tenen ten enemaal na de aarde gebogen en tegen de natuufuyt- gerekt waren) miflen modi, echter beweegde zy zichwel ZOioe erdoor hulp XiV. BRIEF van MAURITIUS van RE VERMORST, van een kruk, zo datze zelfs ook vaardig de trappen opklom, en haar ver- der werk iverig waarnam > ondertukchen weet ik niet door wat ramp zy een val doedt, waar door die beenderen, voornamentlyk van den [calx ] hiel niet alleen gebroken, maar ook, het gehele lichaam daar op vallende , ten ene- maal vermorkelt zyn, met zo groote bloedtkorting, datze fcheen naau- lyks daar van op te zulle komen, welke nogtans weggenomen, endewont na gelegentheydc van tydt behandelt is, dog wanneer ’er geen hoop van hertelling en gebruyk van de voer zich opdeedt, zynze alle eenparig daarin overeengekomen, dat die voet een wynig onder de knie zou werden afge- fneden * fchoon deze operatie behendig en fpoedig in ’t werk geilek is gc- wceii, ja ook de genezing zelfs voor een tydt gelukkig genoeg volgde, en een gewenfchte uytkomft beloofde, echter hebben wy het tegendeel moe- ten zien. Want behalve de geftadige en byna onverdraaglyke pynen, 20 in ’t beledigde, als m’t nu afgenomene deel, waarover zy onophoudentlyk klaag- de, kreeg zy voor eerk de konden voor den behoorlyken tydt, met groote krimpingen in ’t gedarmte, en geduurige afgangen, en zo ras die gekilt en geftuyc wierden , klaagde zy aankonts over benaauwtheydt in de keel, en moeyelykheydc in ’t ademhalen, ’t welk in’t begin gehouden wierdt voor een \_paJJio hjft erica ] opkyging van de baarmoeder, zynde een gebrek, dat haar eygen was, maar uyt de pyn van den hals, en deszelfs lakige bewe- ging, en het kaauwen als kikken enigzints belet zynde met enige toefluy- ting van den Mondt, en verdraying van de fpieren van ’t gezicht, hebben zc op iets anders beginne te denken, voornamentlyk die gene, dewelke te gelyk met ons ondervonden hadden , dat dit in de lyderen , die door den heremyt van een darmbreuk gefoede waren, fchoonze byna behouden ichenen, gemeenlyk dodelyk is geweekt die gene, zegge ik* dewelke dit te vore met ons aangemerkt hadden, fchoon niet zonder reden alles in de wont naar wenfeh zich vertoonde, voorlpelde echter enig quaadt, voor- namentlyk als de gemelde toevallen nog door uiterlyke nog inwendige hulpmiddelen vermindert wierden, maar in tegendeel de koors meer ver- hefte, ja zelfs de lyder ook klaagden over moeylykheidt 20 in ’t wateren als in ’t afgaan ,welk gebrek nochtans door aangewende [cdyfteresj darmfpuy- tingen enigzints verligt fcheen te worden,dit niet tegenkaande, wanneer de py- Ben zo in de buyk, alsm ’t nu afgekorte deel ( voornamentlyk daar de ver- zwering was ge week ; want dat deel was haar gekadig in de gedagten, dewyl de zenuwen, en zenuwagtige delen haar eynde in de wont zelfs nu heb- bende , en de ongelegentheden van de lucht, en andere uytwendige onge- makken onderworpen, en nu qualyk gekelt zynde, dit denkbeelt aan de ziel toebragten ) vermeerdert wierden met de koors en [ delirium ] ylhoof- -1 • AAN FREDRIK RUYSCH digheydt, heeft een dikmaals gewenfchte doodt een eynde der pynen onzen lyder toegebragt. Wat zullen we dan zeggen van de behendigheydt in ‘t opereren ? van de genezing voor een tydt gelukkig genoeg ? zo zy zo een droevigen uytflag hebben; waarom we met Hippocr&tcs in zyn kortbondige fpreuken moeten aanmerken, dat de onderneming vol gevaar is ,en dat daarom andere mid- delen bedagt moet worden, waarmede wy zo een ongelukkigèn uytflag, en de andere verhaalde toevallen te keer gaan: want wie zal niet zeggen, dat alle deze voortkomen uyt de vereniging en ’t zamenhang der zenuwen, en zenuwagtige delen? die in deze afzetting of gewont of op een andere wys qualyk geftelt, verbroken, gefcheurt, of tegen de ongemakken des luchts minder bewaart worden; zoude niet die manier, dewelke fP: A: Verduynonlangs voorgedelt heeft, en dewelke ik zeer gelukkig in uwe te- genwoordigheydt van hem hebbe gezien in *t werk ftellen, te achten zyn boven de oude ? nademaal de genezing niet zo langdurig is, nog de pyn na de operatie zo groot, nog ook dan een vrees voor zodanig een bloetftorting, nog fcheyding van ’t been te wagten is, en de zenuwen, en zenuwagtige delen, pezen, en derzelver vezelen en de vaten zelfs nu gedekt en tegen de koude en verdere moeyelykheden en uytwendige ongemakken , door ’t op- leggen van een klomp van fpierigc delen, genoeg bewaart fchynen te zyn ; niet dat ik deze nieuwe manier, alleen om datze nieuw is>wil invoeren om datze in de genezing minder pynlyk, en met wymger toevallen verzelt is, zouze daarom niet te omhelzen, en boven de oude te achten fchynen ? Nu is ’er niets, daar wy meer na verlangen, als dat uwe aanmerking in’t licht kome, en wat ’er inde genezing zelfs voorgevallen is, en op welke en hoe veel wyzen deze nieuwe manier boven dc ouden te achten, of minder te achten is , zo ten aanzien van de pyn, en vertoeving in de operatie zelfs, als van de verdere toevallen na de gedane operatie, en ook van de opzwel- ling van die fpieren, waar mede de uyteyndens der beenderen en verdere delen gedekt moe te worden; wat het overige aangaat, ik twyffele niet, ot gy zult de afgezerte handt zelfs door uwe zeer behendige kond tegen alle bederf bewaren, en op koper, gelyk gy gewoon zyt, late fnyden, en dar, zo t wezen kan, in de natuurlyke gedaante, dewyl men anders daar van zo naauwkeurig niet oordeelen kan, gelyki n Severinus lïbr. de-nov. obfervat* abfc.*, byna diergelyke gevalyerhalende klaar blykt: gy zult biryten twyftel ons ook berichten van de hoedanigheydt dezer gezwellen, dewelke zich in dc handt openbaarden ,en ofze van een kraakbenige, of benige , dan ofze van een klierag- tigen aart geweeft zyn (gelyk Pechlinus ehf hb. 3. obf 46. heeft) als ook met welke delen zyvaft zitten,ofliever,waar van daan zy haar eerde corfpronk geno* ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH men hebben jen geboren zyn 5 ofzeuyteygene vaten van de eerftc beginzelen af, te gelyk met eene ftarke inbeelding ten tyde van de dragt, aan deze gezwellen van de natuur verleent, zyn voortgekomen ? of hebbenze uytdcpezen en derzelver bekleetzelen, of uyt het beenvlies , of uyt het been zelfs, gelyk als de bron, en eerfte oorfpronk haar begin genomen ? met een woort, wy vtrwagten met groot verlange van u, wat uwe gewone vernuftigheydt in ’t ontdekken der verborgenfte geheymemllen van de lichamen verder ontdekt zal hebben ondertuffehen, wenfeh ik van gantfeher herten, dat gy lang leven, en welvaren, en de ontleedtkonft met nieuwe en tot nog toe onge- hoorde vindingen verder verlieten moogt. ’s Gravcnhagc, den een-cn twintigftevan Lentemaandr in ’t Jaar 1701. ANTWOORT Yan FREDERIK RUYSCH Aan den zeer vermaarden Heer MAURITIUS VAN REVERHORST, Medtcyne Fdodtor, en Hoogleraar in de Gntleet-kunde, Nopens dc nieuwe manier van ’t afzetten der Ledematen. ■we Brief, zeer beroemde Heer, en lieve Vnendt, is my wel ter hant maar ’t zal my moeyclyk vallen, de zwarigheyd,daar in voorgeftclt, op te loden: Indien het oordeel ergens moeye- lyk in is, gelyk die grote HiJ?pocrates zegt, zekerlyk heb- ben deze dingen, van U aangehaalt, den geneesheren tot nog toe geen ge- ringe moeilykheydt gebaart. Wat het verhaal aanbelangt, aangaande het fleenfnyden, in 5s Graven- haee, door Fr ere lacaues Beaulieu in ’t werk geilek, ik heb al over Aan MAURITIUS van RE VERMORST, lang na het waaragtig verhaal van deze zaak verlangt. Ik verheuge my, dat ’er onder de dertien, die hy van de fteen in de blaas, en breuk verloft heeft, maar twe geweeft zyn, die geftorven zyn 5 hoe veel ’er hier te Amfterdam na ’t fteenfnyden opgekomen zyn, heeft men ook uyt het gedrukte verhaal mogen zien. Wat de nieuwe manier om de leden af te zetten aangaat, inde zelvezyn verfcheyde zaken aan te merken, en zo die vergeleken worden met de ou- de manier van afzetten, zal ’t klaar blyken, dat ze verre van malkandere vcrfche- len; welke van bcyde deze hoger te achten is, zal ik U, en andere in ’t ftuk van de ontleet en heelkunde zeer geoeftendc mannen, laten oordelen ;ik zal ondcr- tuffehen niet weigeren myn gevoelen te openbaren, na dat ik beknoptcly k ver- haalt zal hebben niet alleen de operatie, in den arm van een J ongman in tegen- woordigheydt van U , my, en van anderen, in ’t werk geftelt, "maar ook, wat ons in de genezing voorgekomen is, dien, gy niet hebt kunne bywonen. Zeker J ongman, wiens naam was CbrïJHanus Veldmet, omtrent zeftien jaren oudt, is onlangs ten mynen huyze gekomen, aangetaft zyndc niet alleen met grote gezwellen'in de regter, maar ook in de linkerhandt, als mede in beyde de voeten, en der zelvcr tenen, welke gezwellen zeer hardt zynde, van buyten naaukeurig jjcyclaminis radicesj de wortelen van vark- ens broot of aardtappelcn, of liever de wortel van [Chrjfanthemum Ameri- canum, radtee tuberqfd~\ de americaanfche vokclaar, met een knobblige wortel verbeeldden, gelyk ze in de bygevoegde figuren vertoont worden. De oorzaak van deze quaal onderzoekende, verhaalde ons de lyder, en zeker oude vrouw, die zyn moey gezegt wierdt, dat zyn moeder bevrugc zyndc, grote kift gekregen hadde tot de gemelde wortelen van Vokelaar uyt America, dewelke zy echter niet konde bekomen5 het kindt geboren zyndc, zyn’er, gelyk de oude vrouw zeide, klyne gezwellen in handen en voeten gevonden, dewelke in het vervolg van tydt zo groot geworden waren, voornamentlyk in de linker-handt, dat hy zyn arm naauwlyks draj gen konde , ja gedwonge was de linker met de regter-handt te onderdennen. Eyndelyk, wanneer een van die gezwellen verzworen zynde, menigmaal veel bloedts uytgeftort hadt, en de lyder de zwaarwigtigheydt van dehanr, en overgrote pynen niet langer verdragen konde, heeft hy ons de afzetting van de gehele handt voorgeftelf. Wy , overwegende, dat te overwegen ftonden zyn verzoek toe 3 dog niet zonder bewilliging van de overig- heydt, en toeftemming van verfcheyde ervarenfte' Doftoren en Chirurgyns, heeft Mr. ‘Pleter Verduyn, door medehulp van zyn zoon, en zyn zwager Gomarus van Bortel, de Operatic aangevaart. Den dag derhalven tot de afzetting van de handt vaft geftelt zynde, zyt ANTWOORT van F RED RIK RU Y SCH. gy ’er, zeer vermaarde Heer , tegenwoordig ge weeft, als mede de zeer crvare geneesheren Smedingh, Schyn, Valentyn, La Grue, Smit, insge!yks de wel geoeftendc heelmecfters Aurik > Deutelius , Pot- huyzen, enz. de lyder met [hrodium ] zop verftarkt zynde, was zeer moe- dig, en heeft de Operatic uytgeftaan by na zonder enig gekerm, zodat al- le die daar by geweeft zyn, zich verwondert hebben. Voor eerjt y wierdt het bovenfte deel van den [ brachïum ] arm rontom omwonden met een vierdubbcldt compres, daar boven op gelegt zyndeecn langwerpig compres, aan de binnenfte kant van den arm, en dat wel na de lengte, op dat door hulp van dit en van een touwtje of [cingulum conflric~ torum~\ fluytbantje, de vaten vyliger en met minder fchade onder de Ope- ratie konde worden gedrukt. Ten 2. dit gedaan hebbende trok de Heer Smïth van Koppenhage, het fluytbandtje zagties toe door middel van een ftokic, en in de Operatie zelfs draayde hy ftarker: ten dele om dc bloedtftorting te beletten, ten dele op dat’er voor een tydteen dovigheydt van gevoelen in den arm verwekt, en dc pyn afgeweert zou worden. Ten 3. De elleboog onder [Jun£fura~\ ’t gewrigt wierdt meteen dunne riem naauw toegetrokken. Deze dingen gedaan zynde, heeft meeftcr van Bortely de zwager van Mr, Pieter Verduin, het fpieragtigc deel met zyn linker-hant aangrypende, het zelve met zyn regter-handt met een twefny- dendt en puntig mesje doorgeftoken ,20 na, als ’t wezen konde, aan het [cubïtus] ellebecn, en de [radius~\ kleyne pyp. Deze dingen zyn inden aanvang gedaan in de binnenfte kant van den arm, in welke plaats de gemelte Operateur zich ook ftelde. Het fpieragtigc deel doorgeftoken hebbende,heeft hy ’er het mes verder ingedrongen, en zo lang aangehouden met fnyden, dat ’er voor een dekzel van de wont genoeg fcheen, en aldus fnydde hy verder het vleefch over dwerfch af. Voorts gaf Mr. EP- Herduin een fnc door ’t overige vlezige gedeelte in de rondte en zeer fchielyk meteen [cu/ter falcatus ] krom mes tot op ’t gebeente toe, en het beenvlies afgefchrapt hebbende, zaagde hy beyde de beenderen af. Ondcrtuffchcn droeg Mr. dnaan Her duin zorg, dat het overhangende vleefch door’t mes of zaag niet afgefneden zou worden. De handt algezet, en het zaagzel van ’t been met een natte fpons afge- nome zynde, wierden de wondt, en gevolgelyk de eyndens van de beyde beenderen door den gemelde meefter met het overhangende en ’t bewaarde vleefch wel bedekt, edog wegens de inkrimping van ’t vleefch, dewelke aanftondts na ’t infnyden gefchiet, is de gehele wondt na wenfeh niet kun- ne bedekt worden: derhalven, ’t geen ’er overig was van de wondt, als ookde Aan MAURITIUS van REVERHORST. ftomp van 't gehele afgezette lidt, wierdt meteen plat ftuk \_fungus orbicu~ laris] bovift bedekt , en een natte blaas, en op die nog een twede blaas, dog enigzints groter als de eerde, daar boven op gelegt; Deze twee blazen, op dat ze vafter aan de huyt kleven mogten, wierden toegedrukt, en in dc rondte vaftgemaakt door een ftuk hegrpleyfter, welkers breedte was vaneen duym, maar de lengte twee fpannen. Dit gedaan zynde, is ’er ook een derde blaas boven op gelegt, uytvree- ze voor een bloedtdoning. Deze mede langer zynde als de voorgaande, en op de zelfde wys vaftgemaakt , heeft den arm hoger bedekt. Deze dingen aldus bezorgt zynde, is 'er een holle plaat, met een vier- dubbelt compres van binnen bedekt, op’teynde van’t lidr gelegt, met dat oogmerk, dat , na het gedane verbant , de ftomp van ’t lidt door dc handt van de knegt met de plaat zoude gedrukt, de bloetdoning belet, en de banden wat lofler gelegt konde worden: op dat nu de gemelde plaat aan de [truncus] ftomp vaft bleef zitten , zyn 'er twee ftukken heelplyfter kruyslings opgelegt, byna van de zelfde natuur als boven gezegt is. Dit volbragt, en 't fluytkoort of draaybant (in’t Franfch tourneqnet} los ge- maakt zynde, is ’er op ’t eynde van ’t lidc een ander compres van linne ge- maakt gelegt, zynde dikker en groter als ’t voorgaande, cn dat is vaftge- maakt door een [fa/aa] wintzel met een enkelt hooft voorzien. Het verbant aldus gedaan zynde, heeft de Patiënt zich in ’t bedt toe ruften begeven j en om dit des te gemakkelyker te verkrygen , is ’cr een \Emulfio\ melkje uyt gaargekookte gepelde Garft, Komkommer zaad t, en Amandelen voorgefchreven, daar by gedaan zynde een loot Syr: ‘JJiacod: omtrent den nacht zich redelyk gevoelende, en voedtzel eyfehende, is hem een weynig zops gegeven, en heeft zich aldus tot de ruft begeven, en een geruftige nacht gehadt, zynde geen bloedtftorting daar op ontdaan. Den volgenden dag fcheen de arm wel geftelt te zyn , met geen zware pyn bezet, de lyder was ook van alle koors bevrydt. Dit gezien hebbende, hebben wy raadtzaam geoordeclt, den lyder uyt het huys van Mr. Verduyn over te brengen op een lliider plaats, alwaar Mr. van Bartel en Verduyn hem bezocht hebben, die het bu y ten werk van't verbant afgenomen, en de wont wat zagter verbonden hebben, ’twcJk den lyder verlichting bybragt. Den derden dag omtrent den middag, is het gehele verbant te gelyk met de blazen afgenomen, en wy hebben gevonden een fcheyding van de opperhuydt, of een [hydatis] waterblaasje met een VOgt, gely kende na dat van afgefpoelt vleefch, vervult, en dat in 't voor- fte deel van ’t gewrigt van den elleboog , cn ’t zelve geopent hebbende, bevonden wy de ondergelegene huydt ook enigzints en een verdere ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH [gangrana\ verdikking voorfpellende 5 op de zelfde tydt was de lyderook in ’t geheel niet vry van koors, en het eynde van ’t lidt meer als na behore gezwollen : echter vonden wy de wondt voor een groot gedeelte met vleefch , ft welke in de afzetting bewaart was, bedekt, zonder enige bloetftorting. Maar om dat ons de bekommering voor een nieuwe bloedtftorting nog niet ten enemaal ontnomen was, hebbenwe in ’t vernieuwen van ft verbande de bovift niet vergeten , voorzien met exempl: diapalm: dijfolut:, een vier- dubbele compres, en behoorlyke bandt. Den vierden dag hebben wy de pols rader bevonden, en de wondt niet minder uytgezwoilcn , derhalven de bovift afgenomen zynde, wierdt het vleefch in de afzetting bewaart, maar zagtjes daar bygebragt, en dat met een windtzeltje met een klevende pleyfter befmeert , gemeenlyk [Jutura ficca\ de droge naadt gezegt * voorts wierdt de gehele wondt bedekt met het exempl: diapalm: dijfolut:, zynde de plumefolenuyt \Jinteumcarptum] plukzel gemaakt, niet verzuymt. Den volgenden dag, zynde den vyfde van de afzetting, was de zaak by- na in den zelfden ftaat, de koors was ook niet minder ; derhalven is de wondt op de zelfde wy s zachter verbonden geworden; maar op die plaats, alwaar’er vrees voor een verftikking of’t vuur was, namentlyk omtrent het gewrigt van den elleboog, is ’er nu een lichte verftikking te voorfchyn ge- komen , waarom ’t raadtzaam fcheen dit toeval wat omzichtiger te ver- hoeden, als met een vlezig dekzel van de ftomp: derhalven het bewaarde vleefch maar zeer zacht bygebragt zynde, is ’er een pap om ft vuurteftuy- ten opgei egt. Den zesden dag hebben wy de wondt met digeftief voorzien, zynde de pap daar boven opgelegr. Den zevenden dag is de ftomp enigzints geflonken , en de wondt ook vogtiger verfchenen, onderruftchen is de plaats, daar t vuur was, meer en meer opgezwollen, en pynelyker geworden , de lyder was ook nog niet zonder koors, zo dat wy meer te vrezen hadden voor een [ab/ceffus~\ etter- gezwel, als een diep gelegene vuur, welk gezwel echter daar niet byquam. Den volgenden dag was ft in de zelfde ftaat, uytgenomen, dat het ge- zwollene deel ons enigzints weker voorquam. Maar den nege iden dag was ft niet erger, voor zo veel de ftomp aanbe- langt, dog het ftondt llegter met het vuur: derhalven na dat’er een batting, met warme brandewyn gedaan was, zyn ’cr pliumefolen , met mgx haJUtc: met digiftiv, vermengt, befmeert, als ook in brandewyn natgemaakt, opge- legt, en een pap, met brandewyn befproeyt, daar boven op. Den tienden dag is de koors zagter geworden, de wondt van de ftomp Aan MAURITIUS van REVERHORST. was met welgekookte etter bezet , en het gezwel van ’t vuur was ook zo hardt niet: op dezen tydt is ’er omtrent het verbandt mets verandert geworden, maar de lyder heeft voor de eerftemaal op den zelfden dag geklaagt over pyn in den duym van ’t afgefnoeyde lidt, en wel vocrnaraentlyk, als hy onvoorziens zyn duym trachtte of fcheen te willen uytfttken, maar niet als hy ’t in den zin hadde dien te buygen 3 over de andere vingeren klaagde hy niet: want dat hebben wy hem duydelyk ondervraagt. Den elfden dag quam ’er meer hoop, nademaai alles beter wierdt: want goede etter quam ’er uyt de wondt van de (lomp voort, het gezwel was vermindert, de omtrek van de \efcara\ korft vogtig met enige fcheyding: in ’t vernieuwen van dit verbant , is het opleggen van de pap boven de ftomp nagelaten ? maar niet boven het met het vuur befmette deel; dog het bewaarde vleelch, ’t welk om de bovengemelde toevallen niet genoeg tot malkander gebragt was, en om die oorzaak afgeweken, is nu wederom op nieuws met windtzeltjes, met een hegtplyfter befmeert, by malkanderen gebragt, en de wondt voor ’t grootfte gedeelte bedekt. Den twaalfden dag is de toeftant van de lyder wel niet Hechter ge weeft, maar wy zagen, dat het vuur dieper wortelen gefchoten hadt, dewyl ’er een fcheyding voor een gedeelte gemaakt was; ja de pezen der fpieren zelfs waren van ’t gemelde vuur niet vry geweeft:, zo dat ’er verfcheyden ook al gcfcheyden waren. Toen hebben wy, de'pap nagelaten hebbende, de ge- melde plaats voorzien met mg. digejiiv., en het bewaarde vlecfch met windt- zeltjes, gelyk te vore, by een gehaalt. Den dertiende, was de lyder in ’t geheel vry van koors , hadde geruft: geflapen, kreeg luft tot eten, de ftomp was voor ’t grootfte gedeelte mee vleefch bedekt, en ’t geen ’cr van de wont overig was , daar hebben wy het mg. factotum genaamt opgelegt, op dat de wondt verder met een \cicatrïx\ lidtteken zoude worden toegeheclt; dog al wat verftorven en met het vuur befmet was onder ’t gewngt van den elleboog , is ten deele met een fchaar uytgefneden, ten deele door de natuur gefcheiden, daar op gelegt hebbende plumefolen met ung. digejiiv. met Bafdicon vermengt, befmeert. De volgende dagen begon hy zich al beter en beter te gevoelen, ja wey~ nige dagen daar na zyn de gemelde fcheydingen ten enemaal genezen 5 dog dat te verwonderen is , hoe meer de genezing der zelver naderden , hoe groter klagten ’er waren over pyn van ’t afgezette lidt, en dan wel om- trent de palm van de handt, dan weder over pyn van de gehele handt, en hoe menigmaal iemant maar zachtjes tegen het lidtteken onder ’t gewrigt drukte, alwaar ’t vuur geweeft was , wierdt hy met grote pynen aange- ANTWOORT van FREDRTK RUYSCH Daan ; als men hem ondervroeg, in wat gedeelte? antwoorde hy in de vin- geren van de afgezette handt; maar gedrukt zynde in de nabuurfchap van het gezegde lidtteken, voelde hy in ft geheel geen pyn. Ten 2. Oordeel ik aanmerkenswaardig te zyn, dat wy geen merkelyke fcheyding van de eyndens der beenderen van de cllepyp en dc kleyne pyp in de genezing vernomen hebben, om dat de gemelde eyndens der beende- ren voor de ongemakken van de lucht minder blootgeftelt zyn gewceil. Ten 3. Door het drukken van ’t eynde van de ftomp, met het lidtteken toegeheclt, trok de pyn opwaarts na den arm. Ten 4. Door ’t buygen van de ftomp, heelde hy zich in, dat de vingers ook te gelyk gebogen wierden, en dat zonder enige pyn : maar de duym fchecn hem ftyf en zonder beweging. Ten 5. Als hy met zyn regterhandt boven het gewrigt van de ftomp, cn dat in ’t buytenfte gedeelte, vreef, zeyde hy ons , dat hy niet alleen het gevoel van deze vryving in de vingeren van ’t afgehoude lidt gewaar wierde, maar ook als hy zich vreef in de linker zyde van de borft; ft welk (fchoon dit ons niet duyfter fchynt te kcnne te geven de [confenfus] mede- lydentheydt der vliezen en zenuwen in ons lichaam) echter meer te verwon- deren als uyt te leggen is. Ten 6. Hy konde een byzondere trekking maken in ft lidtteken van de wondt, ft welk hy gelyk als in rimpels trok , zeggende , nu dunkt my, dat ik de vingeren buyg, dan wederom dat ik ze uytfteek. Deze dingen aangemerkt hebbende, zal na dezen te onderzoeken ftaan, of de gemelde pynen, dewelke hem fchenen in de afgezette handt te ge- voelen , en waar van die menfehen niet bevrydt zyn , welkers ledematen door de gemene manier zyn afgezet, altydt de lyderen overkomen,dewelke op die manier, als ik verhaalt hebbe , de handt afgezet is ; dan of daar toe gelegentheydt gegeven heeft het vuur, omtrent de bogt van den elleboog ontftaan, of ze uyt een andere oorzaak voortgekomen zyn , zou by voor- komende gelegentheydt te onderzoeken ftaan, nademaal Mr. F iet er V erduyn in zyn briefsgewyze verhandeling verklaart, dat hy deze operatie wel twe- malen in de voet gedaan heeft op de zelfde manier, en dat hy tot nog toe zodanige \_dolores Jympatheticij medenlydige pynen niet vernomen heeft. Zyne woorden zyn deze, eynde lyk kan ik met ftil&rwygen niet voorby gaan een zeker ander groot voordeel nament lyk, dat die , dewelke door deze manier herftelt zyn, niet klagen, als wd andere, over een medelydige yyn in de voet van ’t afgezette [crus] been of fchenke/, enz. Deze dingen zyn’t, zeer vermaarde Heer, dewelke wy in en na de af- zetting hebben kunnen aantekenen. Wat ik nu van deze manier vanafzet- Aan MAURITIUS van RE VERMORST. ting oordele, zyt gy begerig van my te weten, in de welke, gelyk gy wel aanmerkt, de genezing zo langdurig niet ïs, nog de pyn na de operatie zo groot9 nog zo een grote vrees voor bloedt flor ting, nog fcheyding van V been te wagten is ; en de zenuwen en zenuwagtige delen, pezen, en derzelver vezelen en vaten zelfs nu gedekt, tegen de koude , en verdere nweyelykhe- den en uitwendige ongemakken, door ’t opleggen van fpleragtige delen ge- noeg Lewaart fcbynen te zyn, enz. Dit alles toegeftaan zynde, gelyk het in der daadr toegeftaan moet wor- den , fchynt men deze nieuwe manier van afzetten te moeten omhelzen. Ik beken wel, dat we altydt in een afzetting van de handt of arm zorg dragen, dat ’er zo veel van t lidt bewaart wordt, als ’t wezen kan , om dat het zelve tot zommig werk te verrigten, dienen kan 3 en zo men dc ftomp van ’t afgefnoeyde lidt wil dekken met een vlezige klomp, dewelke echter aan ’t eynde van den elleboog al te kleyn is , als dat dezelve daar mede gedekt kan worden, zoude het nootzakelyk zyn het lidt op een ho- ger plaats af te zetten, gelykerwys in dezen lyder , om dc waarheydt te zeggen, gedaan is. Maar in ’t toekomende zou ik minder bezorgt wezen over de dekking van de Homp met de vlezige klomp; want ik oordeel ge- noeg te zyn, zo de ftomp alleen met de huydt van de handt bedekt wort, dewelke van de gehelen rug en palm van de handt zou kunnen afgefchei- den en bewaart worden 3 in tegendeel is in de afzetting van de voet nodig, dat het afgezette deel met vleefch van de kuyt gedekt wort, gelyk voor dezen gedaan is van de wel-geoeffende Heelmeefters ‘F iet er Ver duyfi, Wil- helmus van Vleuten, en Hdriaan Coenerdingh 3 ik zegge, dat het nodig is 9 namentlyk zo de menfehen door een t’zamengroeying of inenting genezen willen worde, en gaan en liaan willen op het afgezetre deel, en niet op de knie: want het overgehoude vleefch verllrekt het verminkte deel tot een kullen. Omtrent deze nieuwe en ongewone manier van afzetten , zyn ’er nog enige zaken te overwegen. Ten eerfte, of, wanneer de operatie gedaan is in de fchenkel, en de lyder van zints was verder door inenting genezen te worden, de [exoftofes] uytvvaf- fen of benige uytfpattingen, dewelke zomtydts in een welvarent menfeh aan- gemerkt worden voort te komen uit den llomp,niet tot een belerzel zullen zyn? Ten 2. Zo de operatie aan ’t eynde van den elleboog gedaan moet wor- den,, of de huydt, dewelke in de handt is, genoeg voor een dekzel van de wondt is ? Ten 3. Of ’er in deze nieuwe manier minder of meerder gelegentheydt voor ’t bykomende vuur gegeven wort ? ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH: Wat het eerfte aanbelangt, namentlyk een uytwafch vm 't been: ik antwoorden in de afzetting van den elleboog of handt, is ’er geen rede van bekommering voor: want op het afgezette lidt gaat de me ifch niet: dog in een afgezette fchenkel zouden diergelyke uytwaften zeer fchadelyk zyn: want deze zouden in ’t gaan het overgehoude vleefch geftaaig prikkelen, indien de lyder, namentlyk verder door een ’t zamengroey rig , of inen- ting genezen zynde, zou willen gaan. Zo Mr. Tiet er die onge- mak onder ’t genezen kan beletten (gelyk hy en dat door zyne nieuwe toeftel, is deze zwarigheydt uyt den weg geruymt. Hy heeft ons ook een jonge vertoont, die op de afgezette fchenkel, met een door konftgemaakte fchenkel gaat, loopt, zyn knie buygt, en uytfteekt na zyn welgevallen. Ziet deffelfs briefsgewyze < er bundeling aangaande de nieuwe manier om de leden af te zetten in ’c Jaar 1696. in ’t licht gegeven, waar in vertoont wort het ('inftrumentum retentvvum) wederhoudent of fluyt inftrument, als ook een [lamina excavata'] uyt- geholde plaat, waar mede na de gedane afzetting in de voet enige dagen daar na, als het gemelde uytwas te vrezen is, het eynde van de ftomp zodanig gedrukt wordt, dat dit ongemak afgekeert wordt. Wat het tweede aangaat, namentlyk of de huydt van de handt wel ge- noeg is tot een dekzel van de wondt, wegens de inkrimping van de huydt? ikantwoorde* zo dezelve ten enemaal niet genoeg is, zal ze vooreen groot gedeelte de ftomp bedekken, ’t welk van de gemene afzetting niet kan gezegt worden, en hoe meer de zenuwen en algefnedene pezen met haar eyge dekzel bedekt worden, hoe zachter toevallen men te verwagten heeft * daarenboven zal de genezing ook fpoediger gedaan zyn* Ja ik zou raden, dat men in dat geval het vlezige en ’t huydige van de palm van de handt aangreep, en te baat nam voor dekzel van de zenuwen en pezen van de ftomp. Daar en boven zyn de Chirurgyns gewoon, op ’t afgezette deel [pulveres adfiringentes'] t’zamc trekkende poeders te leggen, waaronder zy verfcheyde [efcarotica] bytende middelen mengen om de bloedtftor- ting tc ftuyten, ’t welk ik oordeel dat ten enemaal verworpen moet wor- den , om dat ze door hare fcharpigheydt de zenuwagtige delen befchadigen kunnen: in deze operatie worden zodanige dingen niet gebruykt, maar dc wondt wordt met zyn eyge bekleetzel gedekt. Wat het derde aanbelangt, namentlyk of in deze nieuwe manier meer of minder vrees is voor ’t vuur ? Ik antwoorde ■, zo deze nieuwe operatie niet minder het vuur bedreygt, zal 'er ten minfte geen groter vrees voor dit toeval wezen, als het verbandr maar wel gedaan wordt. Ik beken wel, dat het zelve iu de bovengemelde operatie ons voorgekomen is, dog zulkshad- Aart MAURITIUS van REVERHORST. de niet in ’t eynde van de dump, maar omtrent de bogt van den elleboog zyn plaats gegrepen3 mogelyk van den baadt, wat naamver als ’t behoort gebonden, ’t welk ons veel moeyte gemaakt heeft. Dit zal na dezen kunnen voorgekome worden, en ’t zal beter zyn een lollen bindt te leg- gen, en 12 of 14 uren lang de ftomp met de handt vaft te houden en te drukken, en op dat dit gelyker gelchieden kan, moet men, gelyk ik ge- zegt hebben, een uytgeholde plaat te baat nemen, dewelke voor de druk- king daar opgelegt moet worden. ik zal verder voortgaan tot het gene, ’cwelkgymy, zeer beroemde Heer, aanraadt, namentlyk de bewaring van ?t afgezette deel, als mede de afbeelding in de natuurlyke grootte, dewyl men anders daar van zo naauwkeurig niet oordelen kan, gelyk in Severimts hbr. de nov. obfervat. abjeeff:, byna diergelyke geval befihryvende, klaar blykt. Met regt voegt gy ’er by, dat de voorwerpen altydt in haar natuurlyke grootte afgebeeldt moete worden , indien imandtzyne voortellingen naauw- keurig tragt te vertonen, en dit heb ik ook in alle myne ontleetkundige voorftellige brieven in acht genomen. Ik ben van gedachten deze afgezette handt zodanig te bewaren, dat alles wat in de figuren uytgedrukt zal zyn, altydt zal kunnen vertoont worden. Verder heb ik een van deze gezwel- len in de handt zittende, gelyk gy my verzogt hebt, onderzogt, en heb- be bevonden, dat het zelve geenzints van een klieragtigen aardt was, maar van een kraakbenige, ja zelfs van een beenagdge, en was gelyk als uyt on- telbare kleynder gezwellen ten dele kraakbenig, ten dele beenagtig, t’za- mengeftelt, ider derzelver beltondt wederom uyt ontelbare kleynder ge- zwelleties, met een zappig en lymig vogt vervult, ziet de 2. figuur van de 18 tafel. Dog het is my onmbgelyk gewedl te onderzoeken, of ze uyt de beenderen van de handt, pezen, of beenvlies, gelyk als de bron en eerfte oorfpronk haar begin genomen hebben; want alles was zo verwart en in malkanderen gegroeyt, dat’cr geen gelcgenchcydt was om verder on- derzoek te doen 3 als ik dit doorfnuffdde, quamen de bloedtvaten onder de huydt my in ’t gezicht , en wanneer ik dezelve met een wafchagfige ftofte opgevult hadde, konde men haar loop en wydte duydelyk zien; de Aderen door den rug van de handt verfpreydt, hebben de wydte van een fchryfpen: derzelver kleynfte takies verfchillen ook van haar natuurlyke l°°p jja ook omtrent de huydt oordeel ik aanmerkens waardig fe zyn, na- mentlyk 3 dat de huydt in deze grote uytwas van gezwellen, dunder ge. worden zynde, iets voor ’t gezicht brengt,’t welk ineen gezonde huydt zo naiuwketing nlt> voorkomt: Ja de huydt verheft ook iets onderweeg van zyn geheelheydt m ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH. huydt niet navolgen kan. ’t Geen nu zich klaarder vertoont, zyn de tc- pelties van de huydt, buyten de huydt enigzints uytpuylende: Ziet de 2. en 3. figuur van de 17. tafel, lett. C. alwaar ze in haar natuurlyke plaat- zing gefchikt zyn: dog dat geene, ’t welk de huydt in ’t uytwaflen ver- heft , zyn de zelfde tepclties van de huydt, dewelke omtrent de grondt of bafis van de gezwellen , niet in haar top kunnen gezien worden. Ik zal nu niets meer hier by voegen, wegens de heldere lucht: want die nodigt my, dat ik in deze dagen, dat gene op koper laat fnyden, ’t welk in ’t maakzel van de maag van anderen nog met ontdekt is. Daar en boven heb- ben my op dees tyde veel moeyte gemaakt die dingen, welke in ’t oog nog te vertonen zyn, namentlyk de bloedtvaten door den rok van ’t Cryftalli- ne vogt verfpreydt, enz. want ik ben van mening dezelve in myn tweede Cabinet te voegen, Zyt hier mede gegroet, zeer beroemde Heer, en dat gy de ontleedtkonft meer en meer met ons voortzetten moogt, wenfchtvan herten, die een vierder is van Uwe zeer beroemde Naam FREDRIK RUYSCH. ArnfUrdam den tienden van Zomermaant 1701. VERKLARING VAN DE ZEVENTIENDE TAFEL. •JVèer’tl ■ s#/~. 71 Aan MAURITIUS van REVERHORST. TeTerde FIGUUR, Vertoont een vtnger, voor over leggende. A. [papilke cutanese] huydt-tegeltjes van de opper huydt berooft, en in een verwarde plaat zing V zamengeftelt. B. [poricutanei] togtgaatjes van de huydt zonder eenige fchikkinggeplaatft C. Huydt-tepeltjes iu een natuurlyke fchikking gelegen. Omtrent deze tepeltjes (laat aan te merken, namentlyk, dat dezelve door kond van de opperhuydt berooft zynde, enigzints buyten de huydt uyt- puylcn. VERKLARING VAN DE ACHTIENDE TAFEL. T)e Eerjie FIGUUR. Vertoont een gedeelte van den bovengemelden arm met de aanhangendc handt, van achteren. A. T)e duym. B. T>e middeljie vinger. C. T>e voorjie vinger. D Het grootjie gezwel. E. Een verzwering. * Te huydt-Jlagadertjes. Te Tweede FIGUUR. Vertoont een afgefnede gedeelte van *t grootfte gezwel, op dat de in- wendige gefteltenis te voorfchyn kome, dewelke ten dele kraakbenig, ten Aele na een kraakbemge zellftandigheyt gelykende, celliiletus en mucagme- us of fnotteng is. XV. BRIEF van ALBERTUS HENRICUS GRAETZ. DeVyftiende Ontleet-kundige Voorftellige BRIEF Door ALBERTUS HENRICUS GR&TZ. Aan den zeer vermaarden Heer, FREDRIK RUYSCH, Medicyne Hoftor, en Hoogleraar in de Ontleet- en Kruyt-kunde, enz. Aangaande de nyt-eyndens der bloedtvaten van de Moerkoek, en \ maakzel der Mammen, enz. Zeer Beroemde en Ervare Heer, Altoos Hooggeachte Begunftiger. Cboon Harvaus met regt de eerfte van allen gehouden moet wor<^en 3 welkc in de voorgaande eeuw die fraye vinding, den [circulatie sangmnis~\ omloop van51 bloedt, die de Ontleders ja zelfs de uytmuntenfte van alle eeuwen af, onbekent is gc- weeft, ontdekt heeft* en dewelke het gebruyk van’t hart, flag_ aderen ,en aderen voor een gedeelte in’t leven der dieren beproeft en aangetoont heeft, echter is het ware gebruyk der vaten, en voornamentlyk der zelver uyt- eyndens in de ingewanden zo wel als in andere delen van ’t lichaam van een menfeh , tot nog toe den geneesheren onbekent geweeft: want wynige ofgeen, worden ’er gevonden;, dewelke met Harvaus daar in niet alleen overeenkomen, dat door de geftadige beweging van ’t hart de levens-fchat van ’t hart af na alle de delen van ’t lichaam gevoert wordt, op datuyt dit oorfpronkelyk vogt ider vogt in ’t lichaam zyn oorfpronk nemen zou, maar zy hebben ook omtrent het werktuig, waar mede een verfcheide [Secretio hurnoris~\ fcheiding van ’t vogt uytge werkt wordt 5 dit voornaamfte gevoelen, dat men ’t aan ’t byzondere maakzel van de [pori] togtaatjes en \jglanduU~\ kliertjes, als figuur der te fchei- Aan FREDRIK RUYSCH. fcheidene delen toe moet fchryven, dat ’er in dc lever gal, inde nieren pis, en in de mammen zoch of melk gefcheiden wort. Dit is de ftellmg van alle autheuren eenparig, maar dat die eqhter,zeer beroemde Heer, U niet voldoet, befpeur ik dagelyks meer en meer, tot myn groote nuttigheide, en zulks worde ik gewaar zo uyt datonvergankelykc, en de menfchelyke naarftigheidt en volftandigheidt van arbeidt en iver byna te boven gaande werk, het anatomifche Labinet, als ook uyt uwe getrouwe onderwyzing. Want gy hebt ons genoeg doen zien, en met drangrede- nen beveiligt, dat het maakzel van alle ingewanden, in de welke de gewo- ne fcheidingen gefchieden, niet klieragtig maar vaatagtig is, endatdeuyt- cyndens der vaten ( die geenzints voor klieren gehoude moete worden ) in loop, Zelfftandigheydt en maakzel onder malkanderen verfchillende,aldat gene affeheiden, dat uyt den [ majja Sanguinta] hoop van ’t bloed te {'drif- ten en te fcheiden is. En waarlyk zo de bediening van aderen en flag-aderen daar in alleen be- flondt, gelyk het algemene gevoelen der Geneesheeren is, dat de aderen het bloedt door de flag-aderen toegevoert, van de ingewanden te rug halen, dan geloof ik was de voorzienige natuur niet genootzaakt geweeft, yder ingewant, een onderfcheidenclyke en van malkandereverfchxllendeloop en verfpreyding van aderen en flag-aderen te verlenen, ten ware*het gebruyk van de uyt-eyndens der flag-aderen voortreffelyker was, als wel van de Ge- neesheren tot dezen tydt toe is aangenomen. Dog fchoon ’t zeker en waarachtig is, dat deze dingen aldus gevonden wor- den in de lever, milt, en nieren, echter komt het wezen der klieren in ’t maak- zel der [mamma] mammen niet alleen door ’c uyterlyke gevoele, maar ook door’f gezicht, zo klaar voor onze oogen, dat dezelve niet meer in twyf- fel kunne getrokken worden Daar by komt ook het eenparig gevoelen van by na alle de vermaarfte Ontledercn aangaande het wezen der zelver. Deeerfte onder deze is VefaUns, die in ’tiB hooftft. van ’ts« boek van’t menfchelyke lichaam , de 676. bladtz het volgende van ’t maakzel der mammen fchryft 3 voorts, zegt hy, is de zelffiandtgheyt waar uyt ze be- ft aan, klieragt ig, van veel vet overvloeden de, en doorweven aan weers- kanten met menigvuldige aderen, en zeer wynige en ganjeh tongeren flag- aderen , en eyndelyk nog enige zenuwen. De zenuwen, welke in de maTjn- men indringen, zyn altydt even eens: maer de aderen zyn gewoon zeer veel te verfchillen omtrent de dikte en ’t ingefiote vogt, na dat de grootte van de mammen, en baer bediening is, die zy dan waernemen. By Adrian. Sfigeliusover ’tmaekzelvan’t menfchelyke lichaam , in ’t2, hooftfï: van ’t 20 boek, of de z6;. bladtz, Leeft men ’t volgende.* laten Ggg 2 Wy XV. BRIEF van ALBERTUS HENRICUS GRJETZ. wyeens zien, zegt hy opde aangehaalde plaats, wat een voor zichtigheydt de goedertierenfte Jchepper zelfs gebruikt heeft , en wat een tequaem ge ft el hy aan de mammen verleent heeft. IVant voor eerft heeft hy haer uyt een klieragtiger zelf [tan di gheydt V zamegef elf fe welke tot een geheel volmaekte koking bequa- mer is, als iets: nogtans heeft hy niet gewilt , dat 'er een enkele klier we- zen zou , maar meer, om zo veel volmaakter de [lac] melk of't zogh te bewerken, ja op dat ’er een [abfceflus] ettergezwel uyt de firemming van de melk ontftaan zynde , aanftonts geen noodt zou wezen van de dienft van die mam te verliezen, Tujfchen dezelve heeft hy vaten , aderen en fag-ade- ren ge voegt. En een wynig daar na zegt de gemelde fchryver, derhalven na dat de aderen met melk vervult zyn , wort de me Ik voltooyt in de klieren, door welke de aderen in een groot getal en met zeer vele vlegtingen verfpreyt zyn : voltooyt zynde wort ze nader handt tot de [canales la£bferi] melkvoerende huysjes ofpypjes overgebragt, waar in de melk als in een Jpyskamer tot het gebruyk bewaart wordt. Voorts eyndtgen deze pypjes in 't midden van de mammen, en in de [papilla] tepel, waer uyt dan het kindt de melk zuygt. Ik zoude, na myn oordeel, verloren arbeydt doen , indien ik een ande- re bevatting, als ik zo even gezegt hebbe, uyt de nagelatene fchriften der ouden en hedendaagfchen wilde halen. Hier om verzoek ik van Uop ’t crnftigfte, zeer vermaarde Heer, dat gy het ware maekzelder mammen van U nieuwlyks gevonden de gehele geleerde werelt bekent maakt. Ik heb van anderen gehoort, maar ook voornamentlyk uyt U zelfs verdaan, dat gy in de [placenta uterina] moerkoek iets nieuws gevonden hebt5 derhal- ven zult gy uwen naam niet wynig vermeerderen, en de nieuwsgierigheydc der geleerden ten hoogden voldoen, zo gy ’er dat nieuws, ’t welk gy om- trent dit en andere delen van ’t lichaam ontdekt hebt, verklaart, en afge~ beelt byvoegt. Zyt hier mede gegroet, ‘Prins der ontlederen-, en dat Godt uwe hoge jaren, en uwe onvermoeythcydt in ’t onderzoeken van dcverborgentheden in de natuur altydt met nieuwe kragten onderfteune, en nog lange jaren in ’t leven beware ,is myn weafch van gantfeher herten. Zyt andermaals ge- groet, en houdt my onder ’t getal uwer vrienden, die ben. Een gefïadige 'vierder van uwe wyéitberomden naam. ALBERTUS HENRICUS GR^TZ, 421 ANTWOORT Van FREDRIK RUYSCH, Aan den zeer Ervaren Heer ALBERTUS HENRICUS GRiETZ Op de ontleedt-kundige, voorfteliige Vyftiende Brief, Aangaande de uyt-eyndens der bloedt-vaten van de moerkoek 5 \ maakzel der mammen, enz. Daar by komen enige ontdekkingen omtrent de roede, met figuren opgehelderü. Zeer Ervare Heer. brief *s mY °P hehoorlyke tydt ter handt geftelt> M |l|y||iÉ g maar ik heb in twyffel geftaan, of ik op uwe vragen antwoor- S BJBiMK den zou ofte niet; want ik was verzekert, datik U metcefi bloodt antwoort zonder byvoeging van figuren niet voldoen zou-, en niemant kan lichtclyk geloven, hoe veel tydts ik moet hefteden in ’t volbrengen der figuren, dewyl ik geen figuren te voorfchya brenge, of de voorwerpen, waar na ze gemaakt worden, bewaar ik aan myn huys, en ze moeten zo naauwkeurig met de voorwerpen zelfs over een ko- men , dat ’er niéts fchynt te ontbreken: Daar en boven verfehaffen de be- fchryvingen myner cabinetten my werks genoeg, ten aanzien van de figu- ren , waar mede zy verciert worden; laat ik niet fpreken van rayne praktyk in de medicync, die my ook bezig genoeg houdt. Evenwel wanneer ik her- denke, met wat liefde en genegentheydt gy my na gejaagt hebt,toengy|J by ons ophielt, hebbe ik dit naauwlyks of niet kunnen ontgaan. Derhal- ven om U verzoek te voldoen ziet hier dan een beknopt antwoort op uwen brief. ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH. Die dingen, dewelke gy van my eyfchc, zeer Erv are Heer, zyn de vol- gende, namentlyk het ware maakzel der mammen, als mede ’t geen ik nieuwelings omtrent de moer koek, of andere delen van ’c iichaam ontdekt hebbe. Wat het eerde aanbelangt; wanneer ik in ’t voorledene jaareen openba- re ontleding hadde, hebbe ik in uwe tegenwoordigheydt, het opregtemaak- zel der mammen vertoont, veel yerfchillende van dat, ’t welk men voor- heen met de andere ontleders vaft (telde: want alle autheuren, die ik over deze zaak raadtgepleegt en doorbladert hebbe, hebben eenparig geoordcelt, dat het maakzel der mammen uyt klieren , of klieragtige lichamen ’t zamen- geftelt is, uytgenomen de bekleetzelen en vaten. Maar zo icmandt de mammen wel onderzogt zal hebben, zal hy be- vinden dat de gedeltenis der mammen geenzints uyt klieren maar uyt vaten beftaat. En deze vaatagtige zelfftandigheydt is nergens in byzondere klieren on- derdeelt , maar over al ’t zamegevoegt; dog zo de raam gebrekkelyk is ge- worden, en in dit of dat deel vaten verftopt zyn, dan komt ze ons Zom- tydts voor, als of ze in klieren verdeelt was. In de zelfde gedaante komt het [pnguedo] vet der mammen ook te voor- fchyn, als de mam opengefneden wordt: want het zelve in ronde [cellui#J huysjes ge plaat (l, fchynt klieren te verbeelden; dog de zelfftandigheyd, van de mam wordt nergens in deeltjes onderdeelt, die den naam van klieren kunnen dragen. Mogelyk zult gy vragen, zo de zelfftandigheydt der mammen (buyten de algemene bekleetzelen) uyt enkele bloedtvaten en melk-pypjes 5t zame- geflelt wordt, waar wordt dan de melk gemaakt, en waar uyt die (toffe gehaalt, die in melk verandert moet worden? Ik antwoorde, fchoon ik, wegens de taayheydt der zelfftandigheydt de \_anaftomofes Jive inofculatto- nes] inmondingen van de uyt-eyndens der flag-aderen met demelk-buysjes nog niet voor *t gezichte kan brengen, echter houde ik (taande, dat derzcl ver vere- nigingen zeer overeenkom (lig en aannemelykzyn,en dat het eerde beginzel van de melk inde uyt-eyndens der flag-aderen uyt de [ ferofitas] wyagtigheydt van *t bloedt gemaakt, en in de uyt-eyndens der melk-pypjes verder vol- der voltooyt, en eyndelyk in wyder takjes voor een tydt bewaardt wordt, tot dat het met zuygen, drukken, of van zelfs wegens den overvloedt, voor zich een uytgang zoekt. Het weerom vloeyendc bloedt wordt van de aderen ontfangen, en ik oordele dat dit door inmondingen gefchiedt , fchoon die ook met kunnen gezien worden: op de zelfde wys verkrygt het zaadt ook zyn eerft beginzel inde Aan ALBERTUS HENRICüS CR ALT Z. [teflicult] ballen, en wordt eyndelyk in de \_-parafiatZ\ voorftanders , '[yafd ejaculatoria] uytwerpende vaten , ais mede in de [ vejlcula femtnales J zaadt- blaasjes meer en meer volmaakt , eyndelyk krygt het in de byecnkomfl meer- der wittigheydt en dikte , en dat zonder tuiTchenkomende klieren ofte an- dere zichtbare lichamen. Ik zegge, dat het zelfde zaadt meer en meer volmaakt wordt in de zaadt- blaasjes, m dewelke het voor een tydt bewaart wordt: want gy zult geen byzonder, en van de gemelde ftofïè verfchillende vogt, inde zaadtblaasjes in gefloten vinden , fchoon de zeer vermaarde van Home, in zyn leven Hoogleraar te Leyden, en myne altoos zeer geachte Promotor, dit in zyn Microcofm. wilt: want zo gy de uytwerpende vaten opblaaft , gelyk ik ge- woon ben te doen, en in uwe tegenwoordigheydt en voor eenige dagen in 't openbare Theater vertoont hebbe, worden altydt de gezegde blaasjes ver- vult , zo dat het zaadt in de blaasjes of huysjes begrepen , het zelfde zaadt is, ’t welk zyn eerfte beginzel in de ballen gekregen heeft. Het af beeldtzel der mammen zal ik ’er deze reys niet by voegen; want ik zal meer proefftukken tragten te doen , dewelke tot een verder opheldering ftrekken zullen , zo my maar een overvloedt van voorwerpen verfchaft wordt. Over deze zaak zult gy zommige dingen vinden in de Befchryving van T 4. Cabinet, ’t welke ik U, zeer er vare Heer, nu toezende. Wat het tweede verzoek aangaat, namentlyk, dat ik bekent zou maken, al het nieuws dat ik omtrent de Moerkoek ontdekt hebbe, zulks zal ik in het vyfde Cabinet, ’t welk ik binnen korten tydt in ’t licht zal tragten te brengen, verklaren, met by voeging van zommige figuren. Ten laaftcn verzoekt gy van my , zo ik iets nieuws daarenboven in ’t menfchelyke lichaam gevonden hebbe , dat ik ’t by dit antwoordt zou voegen. Voor eenige Jaren wendde ik my tot het onderzoeken van ’t wonderbare maakzel der roede; ik zegge wonderbaar, dewyl ’er in dit deel verfebeyde zaken ons voorkomen, welke, 20 we ze wel inzien, wy bevinden zullen, dat Godts werken in geen deel van ’t lichaam meer uytblmken, als in dit. In de gemelde onderzoeking merkte ik zommige dingen aan, dewelke ik toen ter tydt in ’t licht gebragt hebbe, gelyk te zien is in myne Ontleedt- en Heelkundige Aanmerkingen: onder die was niet van ’t minften het maak— zei van’t hooftje der roede, ’t welk tot dien tydt toe in de duyfternis ver- borgen lag : want zo vele Aütheuren , als ’er over dat deel gefchreven heb- ben, oordeelden eenparig, dat het hooftje der roede een zagt vleefchwas* anderen dagten, dat het een vleefchagtig lichaam was , anderen noemden her ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH Hap en vleefchagtig, anderen fpongieus of voosagtig, echter vcrfchillendc van de andere delen der roede, enz De zeer vermaarde Rtgnerus de Graaf, met wien ik in zyn leven zeer gemeenzaam omging, en die alle anderen overtrof in’t befchryven van de roede, heeft nogtans mde befchry ving van’t hooft- je, de zaak alieenlyk maar in ’t voorbygaan afgehandelc, en m de mening van anderen geruft, als blykt uyt zyne verhandeling van de mannelyke teeldelen. Zyne woorden zyn deze; tegen deze nu bejehrevene twee ze- nuwagttge lichamen en j>i weg, wort ’er in ’t voorfe deel ge lyk als aange~ voegt zekere zelfftandigheydt, vleziger verjehynende als andere delen van de roede. Maar ik hebbe op dien tydt ontdekt , dat de zelfftandigheydt van ’t hcoftje geenzints vlezig en aan de roede gevoegt is, maar met de drie zenuwagtige en fpongieufe lichamen vafthoudende. Ziet myne gemelde Aanmerkingen, de loofte Aanmerking. Maar nu, dewyl de eene dag den anderen leert, bevinde ik , dat het hooftje van de roede overal voorzien is met zenuwagtige tepeltjes, buyten het hooft uytpuylende, niet alleen als de roede in ’t mmnefpelopgeregt is, maar ook na de doodt, indien de roede door windt of water zodanig ver- vult wordt, dat dezelve ftyf, en alzo toegebonden wordt: Op dat dit des te beter fe voorfchyn komt, moet de roede voor dc opblazing in enkel wa- ter geweekt, en na ’t opblazen en toebinden in de zon gezet worden, ea zo zal men niet alleen door ’t vergrootglas, maar ook met blote ogen de gemelde tepeltjes kunnen befchouwen, en wel voornamentlyk tuflehen de voorhuydt en ’t hooftje, of alwaar de voorhuydt vaft is aan het hooftje. ]k twyffel geenzints , of deze tepeltjes hebben een grote overeenkomft met de huydttepeltjes, en voornamentlyk met die, welke in de tepels van de mammen gevonden worden, en van my in het eerfte Cabinet befchreven zyn: want ze komen ten aanzien van de gedaante, ja gebruyk daar in over- een, dat, gelykerwys de huydttepeltjes , dewelke zyn in volkome ge- zonde tepels der mammen, eenig vermaak ten tyden van ’t zuygen in de vrouwen verwekken,alzo ook deze onze tepeltjes van ’t hooftjes welluftigheydt in de vleelchelyke vermenging bybrengen ; maar als ze met eenige quaal aangedaan worden, namentlyk ontvelling, verzwering, enz. verwekkenze een onlydelyke pyn, even als de tepeltjes , dewelke in de repels van de mammen gevonden worden; en deze onze gemelde tepels zyn dat gedeelte van ’t lichaam, ’t welk zeer dikwils met een verzwering ineen vuyle vlee- lchelyke vermenging wordt aangedaan : waar van daan ze menigmaals zo- danig uytwaflen , datze kammetjes verbeelden , waarom ze ook den naam van [enfta gallf] hanekammen krygen, na datze tot een groote klomp uyt- gewaden zyn. Aan ALBERTUS HENRICUS GRaETZ. Verders zal ik my begeven tot andere zaken, die in de mannelyke roede aan te merken zyn. De algemene bekleetzelen van de roede zyn de \epidermis~\ opperhuydt, het [corpus reticulare] netwyze lichaam, en de [cutis] huydt: maar men moet weten, dat de roede behalven deze nog bekleet wordt met een dik be- kleetzel of het uytwendige zenuw-agtige, en onder dat, met het \cellulofa tunica] celluleufc vlies, en met het inwendige zenuw-agtige bekleetzel. Wat het eerfte aangaat, namentlyk het uytwendige zenuw-agtige bc- kleetzel, niemant zal ontkennen, dat het zelve zeer ftark is, wien ’t maar geluft, zulks te onderzoeken j en dit was zeer nootzakelyk , op dat de roede in een geweldige opregting, niet al te dik en onbequaam zou wor- den. Het tweede bekleetzel of vlies, het welk ik noeme het celluleufe, leg- gende tuflchen de twee zenuw-agtige ,is dun, ten ware dc celletjes met windt opgevult worden , waar van daan het dan dikmaals, de dikte van een fchryfpen verre te boven gaat, gelyk uyt de bygevoegde 4. figuur blykt. Schoon de gemelde figuur een moot van de roede vertoont, welkers cel- luleus vlies door my opgeblazen is , en gedroogd op dat het klaar blyke, dat het gemelde vlies celluleus is-, echter moetgy weten, zeer ervare Heer dat het zelfde gefchiet in die genen, dewelke met een verzwering van dc roede , een [gonorrhued] druypert, een [phymofa~] al te lange en naauwe voor- huydt, en \_paraphymoJïs~\ fpaanfche kraag bevangen zyn: want het is niet zeldtzaams, dat de roede in zodanig een geval grotelyks verdikt wordt, de oorzaak van deze verdikking beftaat alleen in de opvulling van de gemelde celletjes, maar niet van de zenuw-agtige fpongieufe lichamen, de roede voor ’t grootfte deel uytmakendc. De celletjes worden in deze gebre- ken vervult met een windt, dewelke uyt de fcharpe etter voortkomt, die door geften , hete dampen opgeeft j hier om verftrekt het ook tot een hulp- middel ,zo de roede in deze quaal, in koudt water een uur lang gehouden wordt, waar door dezelve dikwyls aanftondts nederflmkt. Het gemelde celluleus vlies, ’t welk in dit gedeelte duoder is, als wel onder de huydt vandenbuyk, of de andere delen van ’t lichaam, is aan een zit- tende met het [membrana dar tos} vlezig vlies, en dat met het \membrana adipo~ fz ] vetvhes, onder de huydt van ’t lichaam gelegen j maar hier is ’t van alle vet verfteken, zo dat de celletjes ledig zyn ( gelyk men getneenlyk zodanig op malkanderen leggen 5 dat het gemelde vlies geenzints celluleus in ’t fnyden zich vertoont, en in ’t tegendeel met wint opgevult zynde, komen ’er ontelbare celletjes, gelyk als fchuym, te voorfchyn , en dat niet ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH. alleen in de roede, maar ook in ft hoofrje 3 wien dit vlies ook tot een dek- zel verftrekt. Ziet de derde figuur. Hier van daan komt het ook, dat in de gezegde gebreken de roede zom- tydts omgekromt wordt, en zich als een boog ombuygt. Ziet de 3. figuur. Het derde bekleetzel van de roede 3 namentlyk het inwendige zenuwag- tige, omringt onmiddelyk de zenuwagtige fpongieufe lichamen , en is niet minder fterk, als de uytwendige. Door hulp van deze dekzelen wordt de roede in zyne opregting wedcr- hoiiden , op dat dezelve niet al te veel en ongefchikt zich uytfpanne* wan- neer ons zomtydts zekere hardigheydt volgens de lengte van de roede ge- legen voorkomt , waar van daan dezelve ook dikmaals omgebogen wordt , (evenwel zonder een tegen natuurlyke verdikking ) en ook niet regt uyt kan opgeregt worden, dat heeft dan zyn plaats in deze twee zenuw-agtige dekzelen. De menfehen hebben my dikwyls geklaagt over een ['chorda duro] harde pees in ft onderfte gedeelte van de roede , maar dit is niet anders als een verharding van de zenuwagtige dekzelen , en dat alleenlyk in ft on- derfte gedeelte. In het hooftje van de roede, vindt men ook de gemelde drie bekleedtze- len: want het hooftje is een vervolg van de roede, en bygevolg heeft het de zelfde bekleetzelen, echter met dit onderfcheydt, dat deze fynder en teerder zyn: dog het buytenfte bekleetzel is in plaats van een opperhuydt , het tweede is het celluleufe, ’t welk mogelyk in plaats is van ’t netwyze li- chaam ; uyt het derde en ’t binnenfte komen de tepeltjes van ’t hoofrje voort. Hier mede wenfeh en bidde ik, dat gy wel vaart, en dat gy in ’t onderzoe- ken van Ontleedtkundige zaken, in de welke gy zeer veel gevordert zyt, vol- herden, endc voetftappen van uwen Broeder Zalr. navolgen mogt, Ik blyve. Zeer Er vare Heer , Een der voornaamfic vierden uwer goeds hoedanigheden. FREDRIK RUYSCH. Ctefch-reren in Amllerdam de» derden van Lentemaant 1704, ALBERTUS HENRICUS GRuETZ. VERKLARING 427 VAN DE NEGENTIENDE TAFEL, We zelve wyft verft hey de delen van de Roede aan, van de huydt in Vgeheel berooft , of ontbloot. We Eerfte FIGUUR. Vertoont een gedeelte van een ftyve roede , in vogt bewaart* A. Klynder tepeltjes, door de opper-v lakte van ’t hooftje verfpreydt. B. Groter tepeltjes, tujfchen de voor huydt en V hooftje gelegen. We Tweede FIGUUR. Vertoont een roede, van de huydt ontbloot; na een voorgaande balfa- matie gedroogt, en van vore te befchouwen 5 deszelfs zenuwagtige fpongieu- fe lichamen zyn niet alleen opgeblazen, maar ook de tunica cellulofa zelfs, tuflehen de twee dikke zenuwagtigebekleetzelengelegen. A. We oppervlakte van ’t celluleufe vlies, van het dikke uytwendige ze- nuwagtig bekleetzel , ontbloot. B. Het grote zenuwagtig fpongieus lichaam van de eene zyde. C. We pisweg. D. We binnenfte oppervlakte van ’t dikke en zenuwagtige lekleetzei, zyn* de ten eenemaal ontbloot van ’tgehele celluleufe vlies. E. Het hooftje, door welkers oppervlakte geen tepeltjes gezien worden, om dat ze in ’t drogen zyn verdwenen. F. We dikte van V celluleufe vlies na ’t opblazen. G. We randt van V binnenfte dikke bekleetzel. H- Overblyfzelen van ’t celluleufe vlies, dewelke na de fcLeiding nage- bleven zyn in de binnenfte oppervlakte van het dikke bekleetzel. I. Het middelfchot, tufte hen de twee zenuwagtige fpongieufe lichamen ge* legen. We Werde FIGUUR. Ver toont het voorlle omgekromde gedeelte van de roede, welkers celluleus ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, vlies alleen opgeblazen en gedroogt is , zynde de zenuwagtige fpongieufe lichamen onverandert gelaten. A. Het voor ft e gedeelte der roede, omge kromt, en ontbloot van het dikke huytenfte bekleetzel. B. Een gedeelte van 91 dikke huytenfie bekleetzel , 91 welk hier byge lat en is. C. C. He opgeblaze tunicacellulofa. D. Het hooftje. E. Een deeltje van 't buytenfte bekleetzel van V hooftje, afgefchyden, op dat het celluleu(e vlies hier zo wel te voorfchyn kome , als in 't groter deel van de roede. F. Het cellulenfe vlies van't hooftje, ontbloot van 91 buytenfte bekleetzel. In de Vierde FIGUUR. Wordt een moodt van de roede vertoont, welkers celluleus vlies alleen opgeblazen is, zynde de grote zenuwagtige fpongieufe lichamen onveran- dert gelaten, op dat des zelfs dikte na de opblazing, gezien kan worden. A. Het opgeblaz>e cdlnleufe vlies. B. T)e zenuwagtige fpongieufe lichamen, niet opgeblazen en by gevolg in- gekrompen. In de Vyfde FIGUUR. Wordt aangewezen een moodt van een roede van een Walvifch, kon- ftig bereydr, op dat het binnenfte in ’t gezicht zoude kome: merk onder- tuftchen, dat ik dat gedeelte hier vertone, ’t welk was in ’t midden van de roede: want dezelve was veel dikker omtrent het gedeelte, naaftaanden buyk gelegen. A. Het dikfie bekleetzel van de de roede y ik heb 'er hier geen twee 3 gelyk in een menfch y gevonden, ook geen celluleus vlies, of by zonder middelfchot. B. He zenuwagtige fnaartjes, het bmnenfte der roede uytmaksnde, tus~ fchen welke zeer veel hollen zyn, die het doorlopende bloedt in de opreg~ ting ontfangen. C. Het klynder zenuwagtig fongieus lichaam van denpisweg. D. He pisweg. * He Zesde FIGUUR. Vertoont een moodt yan een menfchelyke roede, opgeblazen en gedreogt* dog. hier is de tunica celluloja niet opgeblazen. AanALBERTUS HENRICUS GR JETS, 429 A. Byde de dikke bekleetzelen, zodanig tegen malkanderen zittende} dat ze ons als een enkel vlies voorkomen, om dat de j_tunica cellulofaj niet is ongeblazen. E. Het groot zenuwagtige fpongieus lichaam van de linker zyde. C. Het middelfchot tuffchen de twee zenuwagtige Jpongieufe lichamen ge- legen. D. Het klein zenuwagtig fpongieus lichaam y denpisweg omringende 3 uytge- nomen het bovenfte deel. E. *De zenuwagtige vezels uyt het fchot voortkomende en in V binnenfte dikke bekleetzel eyndigende, door welkers hulp de roede ook beteugelt wordt, dat dezelve door het minnefpel niet tot een ongefchikte groot e en dikte kan uytgefpannen worden. T)e Zevende FIGUUR. Vertoont een moodt van een mannelyke roede. A. Beyde de dikke zenuwagtige bekleet zelen y ge droogt. B. Het groote zenuwagtige fpongieus lichaam van de linker zyde. C. Het middelfchot van de roede. D. Het kleine zenuw agtig fpongieus lichaam den pis weg in V geheel om- ringende y anders als in de bovengemelde moodt. E. TDe bovenverhaalde zenuwagtige vezels 3fchuyns door de groote zenuw* agtige fongieufe lichamen van de roede verfreydt. 430 XVI. BRIEF door M. ABRAHAMUS VATERUS, De Zestiende Ontleet-kundige Voorftellige BRIEF Door M. ABRAHAMUS VATERUS, van Wittenberg , Suident in de Medicyne, Aan den zeer vermaarden Heer FREDRIK RUYSCH, Medicyne Hoftor , en Hoogleraar in de Ontleet- en Krayt-kunde , enz,. Aangaande de verborgene wegen van de Long, door welke de ingeademde lucht tot in het bloedt doordringt; als mede aangaande het tuygwerkelyke maakzel van de fchy- vaten, en de beginzelen der zenuwagtige ve- zelen in de bedienen. Aanzienelyke en zeer Beroemde H eer. ioflffllUyten twyffel zult gy U verwonderen, dat ik, dieUnieteensby is® naam bekent ben, tot die ftoutheydt kome, dat ik met dezen Brief il JSJI onder Uwe oogen durf verfchynen. En met recht zal ’t u wonder dunken, dewyl alle die geenen, dewelke ik tot voorgangers in dit doelwit hebbe, zeer er vare mannen, Do£toren en Candidaten in onze kond:, en door uwe afgezonderde onderwyzing al onderwezen zyn geweeft* ook is my zeer wel bewuft , dat ik geenzints in naam, verftandt en hoedanig- heydt met haar in vergelyking kome. Echter, zeer vermaarde Heer, ver- fchoon dit myn zo groot verlangen, waar door ik aangemoedigt zynde, niets meer wenfche, als dat ik afwezende , dewyl het my tegenwoordig zynde tot nog toe niet heeft moge gebeuren , Uwe zeer grondige onder- wyzing in ’t (luk der Ontleedtkunde genieten moge, der hal ven is myn be- geertc, om door deze briefwifleling dezelve tot myn gebruyk te verkrygen. ’t Is nu een Jaar rykclyk geleden, wanneer ik, om’t verftandt telcher- pen, voorgenomen hadde in een of twee \_difputationes\ vertogen de \_me~ chamjrnui\ tuygwerkmg der [ attiones vitalej] levensbewegingen uyt te leggen, volgens de belle, en voornaraentlyk met de reden overeenkomftige Hellingen der hedendaagfche Fhilofophen. Derhalven heb ik op dien tydt het eerfte dezer Vertogen in ’t licht gegeven, aangaande het \_principium vitale] levensbeginzel j ’t welk ik volgens fchuldige onderdanigheyde U hier aanbiede; ik heb daarin de voornaamfte leerftukken der Philolbphen over die zaak bygebragt, en na myn gering vermogen cpgeheldcrt. Het zoude al over lang van myn plicht geweeft hebben , dat ik myn beloften voldaan, en ’t [Jiru£ïura mechanica] tuygwerkelykemaakzel van de werk- tuygen, en de daarvan afhangende tuygwerking der levensbewegingen, voor zo veel, alle die dingen nu door de naarftigheydt der geleerde mannen ons bekent zyn gemaakt, met korte woorden verklaart hadde. Maar be- halven dat ik door verfcheyde zoorten van ftudien cn bezigheden belet ge- weeft zynde, myn gedagten tot nog toe daar niet heb kunnen op toeleg- gen, hebben my ook grotelyks zommigc zwarigheden verhindert, omtrent het maakzel zelfs der werktuygen, die tot het leven dienen, voorkomende, dewelke myn gemoedt tot nog toe in twyftel hebben gehouden. En wd de [ reffiratioJ ademhaling, fchoon die volbragt wordt door vol- gens den wil bewceglyke werktuygen, zal ik in de eerfte plaats onder dc levensbewegingen moeten noemen, nademaal dezelve de eerfte werking van een gebore menfeh is > ook kan die nooyt in hem zonder gevaar van een haaftige doodt ten eenemaal weggenomen worden ; en daarenboven doedt zyn welgefteltheydt zeer veel om ’t leven te onderhouden. Dog aangaan- de zyn gebruyk, gelykerwys ’er onder de Natuurkundige veel over is ge- zintwift geweeft, alzo is ’er voornamentlyk gefchil ontftaan, of’er een deeltje van de ingeademde lucht , binnen de Long ontfangen, overgaat door de [port] togtgaatjes van de [yenapulmonalis] longader, die Daarbinnen van deze ader leggen, en bygevolg, een onmiddelyke beweging en perlling op ’t aderlyke bloedt makende, de beweging van ’t zelfde voortzet; dan of de zelfde lucht door een enkele zydelyke perffing der bloedt vaten, de bewe- ging van ’t bloedt bevordert; en of dc levendiger kouleur van ’t bloedt dooi- de longader na ’t hart wederkerende, liever aan deszclfs verdeling en ver- bryzehng, ais aan een nieuwe inkomft van de lucht toe te fchryven is ? Maar ik oordeele, dat dit beyde op een zeer gevoegelyke wys kan by mal- kanderen gevoegt worden, dewyl twee gepaarde oorzaken, waar van ieder op zich zelfs bequaam is om die uytwerking voort te brengen, onder mal- kan de- Aan FREDRIK 11UYSCH. 431 XVI. BRIEF door M. ABRAHAMUS VATERUS, kandcren overeenkomende, en t’zamefpannende, des te fterker werken: zo dit maar met genoegzame proeflhikken klaar blykt, dat ’er zodanige togt- gevonden worden binnen de longader openftaande, welke in een natuudyke Haat , voornamen tiyk zonder een geweldige opfpanning door opblazingen ofte infpuytingen , eenige lucht uyt de longblaasjes in ’t bloedt aannemen kunnen. Wat 9er van zy, of dat de lucht middelyk of onmid- delyk, of op beyde de wyze de verdeling of kleynmaking van ’t bloedt be- vordert 3 echter Ichynt het hier mede niet alleen den omloop van ’t bloedt door de long, maar ook door ’t geheele lichaam te bellieren. Gelykerwys de welgefteltheydt van den omloop van’tlevensbloedt door de vaten en werktuygen van ’t geheele lichaam afhangt van een volkome gelykmange en geenzmts afgebrokene perding, alzo is ’t ten eenemaal ver- wonderenswaardig 3 dat ’er door behulp van ’t zelve, gelyk als van zeker algemeen beginzel, verfcheyde en geheel en al andere zappen in verfcheyde ingewanden afgefcheyden worden. De grondtllag van deze zaak, (dat geen overgeflagen hebbende,’twelk men gewoon is voort te brengen van de \_anim, en diergelyke lallertaal meer braakt hy uyt; en dit zo zynde, oordeelt hy, dat ik ben een fchandtvlek der ontleedt kunde, de ellendigfie ontleder, eenfyne flager, een fchandeleuze en eerlooze redenaar, en ver- der Hort hy meer andere woorden uyt, te fchandelyk om te verhalen. Laten we het geding toeftaan, zo hy zal nagekomen hebben, ’tgeenhy belooft. Maar by aldien ik zal aangewezen hebbe, dat alles in tegendeel waar is3 indien ik zal aangetoont hebbe, dat hy niet antwoort op het gc- fchil, maar liever myne fchriften verdraayt cn verminkt; indien ik zal aan- getoont hebbe, dat hy grover misdagen , als ik tot nog toe aangetekent hebbe, begaan heeft ; indien ik hem oveituygt zal hebben, van de alvo- rens aangehaalde misdagen; indien ik zal ontdekt hebbe , dat myne aanmer- kingen ter quader trouwe van hem verdraayt, en ongerymdelyk worden aan- gehaalt; en dat Bidloo opentlyk ydele herdenfehimmen , en bedrogredenen (ik zou niet qualyk zeggen leugens} fchryft, indien ik zal hebbe geopen- baart zyn oneerlyken imborft; zal men niet met regt den befcheydene Le- zer mogen vragen, zo ’t my ludte zyne woorden of liever lallertaal we- derom tegen te werpen, of hy zelfs dan niet, ook Bidloo zelfs regter zyn- de, indien men wedden zou, te houden is voor een zodanige, als hy my Aan COVERT BIDLOO. verklaart *en of men niet liever van hem moet zeggen , dat hy een menfeh is, die niet befchaamt kan worden, die onkuyfch is, jehandelyk en eerloos, onbe/chaamt en ondeugent, ligtvaardig, vuyl, ontuchtig, een kanker der zeden, een voljlagen vyandt van rufl en Jiudten. Dit zal ik nu ten volle en volkome aanvangen te bewyzen. Maar om den befcheydene Lezer niet te lang op te houden, verzoeke ik, dat hy, den hoon en lafter overgeflagen hebbende, eerft ernftig overweegt, ’t geen in de verdediging van Bidloo voorkomt. Op de 5. bladtz: fchynt hy over ’t (luk der Ontleedtkunde te handelen, namentlyk van de \_glanduld cutane maar geenzints die kliertjes. Dat deze tepeltjes naaltsgewys zyn, erken ik; en dat dezelve van my meteennaalrs- gewyze figuur zyn afgebeelt-, is my bewuft ; en datze aldus afgebeelt moe- ten worden, verzekere en beveftige ik nu ook ; daarenboven fteile ik nu ook, dat alle die geene dwalen, die deze tepeltjes anders afbeelden. Zo iemant antwoordt, waar over befchuldigt gy dan Bidloo ? zal ik zeggen ; ik befchuldige de man om die oorzaak niet, dat hy deze naaitsgewyze te- peltjes afgebeelt heeft, maar dat hy die naait sgewy ze kliertjes genaamt , en afgebeelt heeft, welke kliertjes ik verzekere, beveftige, en aantoone, geenzints naaltsgewys te zyn} dit heb ik alvorens duydelyk genoeg aange- toont, en met het gezicht zelfs beveiligt; en die zelfs was’t, dat ik in my- ne laatfte gedane openbare ontleedtkundige vertoning herhaalde , wanneer Bidloo van gramfehap opzwol. De onaerfcheyding van het wiskundig naaltsgewys zal hem niet baten, nogte hem uyt dit doolhof redden, omdat ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, ik zegge , en klaar aantoone, dat deze klieren geenzints van een naait sge- wyze figuur zyn3 waar over alleenlyk het verfchil verwekt wort. Zo de drangreden van Bidloo op vafte voeten ftondt, waar mede hymy zoekt te overtuygen van onbeftendigheydt , moeft hy eerftaangetoont heb- ben, dat ik gdc breven laadde, dat die kliertjes ook naaitsgewys waren, ge- lykerwys ik gezegt en vertoont hebbe, dat de tepeltjes naaitsgewys zyn • maar ik laat hem deze knoop over om te ontbinden, op dat hy na dezen leere, voorzigtigcr te handelen. Al wie de woorden van Bidloo aandagtigzal doorlezen hebben, zallich- telyk zien, dat den man , of uyt een voorbarigheydt, of ter quader trou- we , de huydtkliertjes met de naaltsgewyze tepeltjes vermengt : want in den aanvang van zyne verdediging fpreekt hy zelfs van de kliertjes: dewyl hy op de 5. bladfz: zegt, dat Ruyfch tot walgens toe uytgeroepen heeft, dat ik in de afbeelding van de klieren , onder het eerfte algemeene dekzel geplaatft, gedwaalt zoude hebben: Daar na gaat hy liftiglyk over tot de tepeltjes, zeggende , dat Ruyfch die tepeltjes niet naaitsgeazys , maar rondt, in V A.natomifche Theater ‘verklaart heeft 3 hier moet ik wederom herhalen, dat ’er over die tepeltjes onder ons geen verfchil is geweeft5 ik zegge nog eens, hy vermengt, gelyk blykt uyt de voorgemelde woorden, deze twee lichamen onder malkanderen, dewelke echter klaarblykelyk van malkanderen verfchillen. Ik hebbe derhalven in’t openbaar gezegt in zyne tegenwoordigheydt, en nu fchryve, en wille ik, dat het de geleerde wee- relt bekent zy, dat Bidloo verkeerdelyk en zotteiyk de huydt kliertjes naaits- gewys afgebeelt heeft. Ik Zwyge, dat ik in die ontleedtkundige openbare vertoning, daar B/V/00 tegenwoordig was, toen ter tydt niet van de naaltsgewyze tepeltjes, maar alleenlyk van dc huydt kliertjes gefproken hebbe 5 want niemant, die de ontleedtkunde maar van verre goeden dag gezegt heeft, kan onbewuft zyn, dat de huydt kliertjes onderfcheyden moeten worden van de gemelde naalts- gewyze tepeltjes, dewyl de Ondeders een vcrfchillendt gebruyk van deze onderfcheydene deelen leeren 3 maar die dingen, dewelke van Bartholinus en Malpighius aangemerkt worden, moeiten den onzen niet onbekent ge- weeft zyn, die geftadig Autheuren te berde brengt, aanhaalt, en gelyk als voor haar vegt. Wie lacht derhalven met my niet, als hy acht geeft op eenmenfeh, die 20 bezig is, in zich te regtvaardigen, dat hy de tepeltjes naaitsgewys ge- naamt heeft, als of hy daar in gezondigt hadde 3 want het is nu gezegt, dat de tepeltjes inderdaadt, maar niet de kliertjes zodanig zyn: hoe mooy maakt hy, wankelende, zich aan onwetenheyt fchuldig, met zich te ver- fchonen, die niet te verfchonen is. Zeer Aan COVERT BID L O O. Zeer ellendig brengt hy zyn onwetenheydt, onbefchaamtheydt, of zai ik zeggen , leugens aan den dag * dewyl hy zegt, de woorden van Mal- pighius en my * Malpighius en ik ! daar ’c nogtans bekent is uyt de ont- leedtkundige fchriften van dezen groten Man , dat hy Ten eerjiey de klieren: Ten tweede, deze tepeltjes zorgvuldiglyk cnderfcheyden, en klaarbly- kelyk onderfcheyden zynde , voorgeftelt heeft. Voorts , wie weet met, dat Malpighius en Steno deze kliertjes \glan~ dulte mthares~\ gierftgelykende of gierjikliertjes , maar de tepeltjes naaitx- gewys genaamt heeft? Waarlyk niemant, die gezonde herflenen heeft, zal toeftaan, dat naaltsgewys het zelfde , dat gierftgelykent betekent. Ziet hier, goedtgunjüge Lezer, het eerjle fiaaltje te gelyk van den toe- leg op de ware en oprechte vertoning der deelen * en te gelyk van Bidloos geleertheydt. Derhalven, verzoek ik, befcheydene Lezer, dat gy over het eerfte voor- komende ontlcedtkundige gefchil een regrmatig vonnis uytfpreekt 5 oor- deelt, zo ’t U behaagt, of dezeeyfch onbillyk is, namentlyk, dal Bidloo in de naafte openbare vertoning, in ’t Anatomilche Theater van’t Academie deii toezienderen aantoont , dat de huydtkliertjes naaltsgewys zyn, gelyk hy dezelve afgebeelt heeft in zyne Tafelen, en gelyk hy dezelve verklaart in zynë Verdediging* nog minder onbillyk zal ons verzoek fchynen, om dat ik zelfs geen zwarigheydt make deze voorwaarden te ondergaan; ik zal ook als nog niet wygeren, my aan deze wet te onderwerpen. Ik hebbe aangetoont, met hoe weynig oprechtigheydt, en hoe verwart Bidloo het eerfte verfchil behandelt heeft * volkome op de zelfde wys heeft hy ook alle de andere gefchillen voorgeftelt, ’t welk blyken zal uyt yder, die gy befchouwen wilt *by voorheek, vergelykt eens, zo’t U behaagt, het eerfte voorgeftelde verfchil met dat, ’t welk inde aantekeningen op on- ze kaften Brief aangehaalt wort, namentlyk aangaande het middeljle vlies, ’t welk de herjjenen omringt. Dit verfchil beftaat aldus; Bidloo heeft in zyn ontleding dat vlies, of een groot gedeelte van ’t vlies, gefcheyden, cn van ’t hooft al hangende, afgebeelt; hy heeft debloedtva- ten van ’t gezegde vlies niet alleen in een groot getal, maar ook klaarbly-* kelyk zichtbaar, daar by gevoegt. Ik hebbe gefchreven, gezegt, en ikfchryvenu ook, dat die afbeelding van Bidloo niet gemaakt is na de beeltenis van ’t zichtbare voorwerp maar liever voortgekomen is uyt een verdichte inbeelding ; hy antwoort, dat het hem zo wel geoorloft is een gedeelte van dit vlies, als my een ge- deelte van het [pleura] borjlvlies te vertoornt. Ik fta het toe, maar wie ANTWOOU van FREDRIK RUYSCH. fpreekt hem in deze zaak tegen ? dog hy verdraayt liftelyk onze woorden, als of ik hem befchuldigt hadde , dat hy dat geheele vlies niet vertoont heeft, 't welk zeer trouweloos isj dewyl zyne dwaling groter zoude zyn, indien hy dit geheele vlies met zyn bloedtvaten hadde afgebeelt 3 nademaai de geheele zaak hier op aankomt, dat dit vliesje al te dun, en al te vaft met het dunne hersenvlies op zeer veele plaatzen gehegt is, als dat Bidloo het. zelve, of zoo een groot gedeelte daar van, als hy afgebeelt heelt, gefchey- den, en afhangende met afgebeelde bloedtvaten, klaarblykelyk vertoo- nen kan. Maar men moet toczlcn, dat hy , dewyl hy pocht dit vlies alleen aan te wyzen, niet te gelyk het dunne herffenvlics met dit t’zamegevoegt vertoo- ne, en alzo door bedrog misleydej want ik zie, hoe veel lagen hy leydt, om die dingen waarfchynelyk te maken, dewelke hy hier over gelchreven heeft: hy onderftelt, dat d:t vlies zo dun niet is , als het \amnios mem- brana~\ binnenfe vlies in een vrtigt van drie of vier maanden , of als het vlies de zenuwen in V cog bekledende, maar dat deze ftelling valfch is, zal ik op zyn tydt voor ’t oog vertconen : nu is myn oogmerk niet, nieuwe ontleedtkundige verfchillen met Bidlco aan te vangen, eer dat hy , gelyk ’r betaamt, geantvvoort beeft op de reedrs verwekte verfchillen : want ik befpeure, dat hy deze konft bedenkt, om, met nieuwe dingen geftadig te- gen te werpen, uyt het naauw te geraken. Hoe dun dan dit [membrana arachnoidea~\ fpinnewebs vlies is, en hoe vaft het zit met het dunne herfTen- vlies, en hoe onmogelyk daarom zodanige fcheyding en vertoning der va- ten is, heb ik onlangs in een openbare vertoning, daar Bidloo tegenwoor- dig was, ook aan B idlco zelfs vertoont 3 maar, op dat dit alles duydelyker blyke, kat Bidloo in de naafte openbare ontleding in een menfehelyk voor- werp die dingen vertonen, dewelke hy aangaande deze zaak in zyn figuu- ren afgebeelt heeft 3 ik belove, dat ik aan myn kant niet alleen zo groot een gedeelte van ’t berft vlies, als ik afgebeelt hebbe, in een menfehelyk voorwerp openbaar vertonen zal, maar veel groter. SchyntU, goedtgun- JUge Lezer, dit beding niet billyk ? Doet by ’c voorgaande, zo ’t U behaagt, ’t geen hy in zyneaanmerkin- gen op onze derden Brief, aantekent 3 namentlyk, aangaande de verdeling van de \artena magna feu groote Jlag-ader , en gy zult wederom zien, dat den [fophifta] muggezifter, bedriegeryen t’zamenftelt3 hy weet, namentlyk, dat het niet altydt gevoegelyk, of de moeyte waardig is, den Lezer te herhalen, ’t geen over die zaak al gezegt is. Maar dit is ’t verfchil. Ik hebbe in den derden Brief gefchreven , dat de verdeling van de groot e Jlag-ader in een opkimmende en nederdalende Jlam ,in een natuurlyk gejielt menjch, niet gevonden voort, zodanig voortgaande, en zodanig een fchik- king hebbende , gelykerwys Bïdloo deszells fchikking en voortgang in de z3. Tafel van zyne Ontleding afmaalt: ik hebbe daarenboven by ge voegt, en ik herhale het nog, dat ik deze dingen niet eenmaal hebbe waargeno- men, (fchoon ik jdariyks zeer veele doede lichamen van menfehen openc, en naauwkeurig daar op acht geve} en ik voeg’er-cok by, dat alles,51 wel- ke van my door de konft bewaart wordt, op dat ditblykekan, het tegen- deel aanwyft. Maar laten wy eens zien, wat onze Ontlcder antwoort ? eer ft zegt hy, dat deze dingen te Amjierdam van iemant anders in ’t openbaar alzo ver- toont zyn gevoeeji; maar hoe veel geloof zal men aan Bïdloo geven, die’cr niet tegenwoordig is geweeftr nadien ik zelfs deze vertoning, waar van hy fpreekt, hebbe bygewoont, en ik nogtans zodanig een fchikking en voort- gang van gemelde flag-ader niet vertoont gezien hebbe 3 zal hy dan liever willen, dat ik zyne vertellingen beter, als myne oogen geloof geve ? laat dit klaar vertoont zyn geweeft, ’t is my evenveel 3 maar dit zelfs , waar over het verfchil is, wilde ik van Bidloo, of van een ieder, die 5t hem be- haagt , terwyl ik ’er tegenwoordig ben en t’aanfchouwe, vertoont zien, namentlyk, dat de fchikking en voortgang van de gemelde (lag-ader zoda- nig is, als Bidloo af bedt in zyne Tafelen, dewelke ik verklaart hebbe ge- brekkelyk te zyn, en nu zeg ik ook, datze vol misdagen zyn. Derhalven zal ’t de plicht van Bïdloo zyn, in de naaftkomende ontle- ding op de openbare vertoonplaats, dit ineen welgefchapcn menfeh te ver- tonen, gelyk ik wederom belove, dat ik niet alleen in een , maar in meer menfchelyke voorwerpen het tegendeel zal aanwyzen. Maar onze Man in de konft van bedriegen kundig zynde, is een ftnkdichteby gewaar geworden, dien hy niet heeft kunnen ontgaan, daarom heeft hy getragt den zelve door allerley konden te ontfnappen3 derhalven voegt hy 'er by, dat dit zelfde, namentlyk den ongeregelde loop van vaten, vanmy is aangetekent, te we- ten op die plaats, alwaar ik zegge, dat de [bronchiahs arteria] longepyps Jlag-ader, en mam-flag-ader en zomtydts een ongeregelde loop hebben. Waar- lyk wederom een fraye drangreden, zo een frayen bidloo waardig ! dog ziet het gevolg eens aan 3 om dat dit aangemerkt is geweeft in de longepyps Jlag-ader, en de mam-flag-aderen, derhalven moet men het zelfde befluy- ten van de groote Jlag-ader ? O hoe geeftig zou dat hooft zyn, indien ’t herftenen hadde! Wie, die gezonde herftenen heeft, ziet het onderfcheydt niet? Hoor eens hier, myn goede Govert, dat in de mam-flag-aderen of andere (’t reen buytcn alle Aan COVER T B I D L O O. ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, tegenfpraak is} menigmaal een fpeling van de natuur is, hebbe ik aangetc- kentj voorts, alwaar ik deze fpeling van de mam-flag-aderen aanmerke, Helle ik die ook als een fpeling, en nier ais een gewonenatuurlyke flaatter neder j maar gy vertoont dit van de groote flag-ader voor gewoon en na- tuurlyk. Maar wie is daarenboven zo dom, dtemetweete, dat de fpeling menigvuldiger is in de kleynder takjes, zeer zelden omtrent denoorfpronk zelfs, namentlyk in de groote flag-ader. Men za! op zyn plaats verklaren, dat deze onze aanmerking, aangaande de groote flag-ader, niet ondienftig is voor die genen, dewelke de Ontleedt- en Heelkunde oefFenen, fchoon onze haaftige blinde Btdloo die nutrigheydt niet gewaar wordt. Laat nu de befcheydene Lezer over het grondige antwoort van Tbidloo oordeelen: want hy durft op zyn eyge zaak niet betrouwen * daarom keert hy zich van’t voorwerp, en de ontleecttkundige vertoningen, en de reden na het gezag van anderen j en in bcnaauwtheyc zynde, zoekt hy een andere uytvlugt, gelyk een Vos, die na nieuwe ichuylhoeken omziet, indien hy van de Jagers wordt nagejaagt; want hy zegt, dat Vefallus, en andere, het .zelfde hebben j wat kan ’c hem baten? dwaalt hy van gelyken niet, die met Vefalimjtn andere dwaalt ? Hoe groot een befchermer is nu onze Bidko van dc oudtheydt, die re voren een geibdige vyant daar van was! hoe zeer is hy verandert van dien Rldloa! die enz. Ik laat U ook nog niet los , dwaze en floute aanhaalder der Autheuren , dewelke gy, geiyk ’t blykt , of in ’t geheel niet gelezen, of niet na beho- ren doorbladert hebt * wy ontkennen, dat die deftige mannen, en voorna- mentlyk Vefalius, dien gy niet fchroomt by te brengen, zo verregedwaalt hebben, alsgys de figuur van dezen verfchilt yeel van die van Qidlooy wie zich verwaardigt deze figuuren te geiyk in te zien, zal lichtelyk oor- deelen, dat gy een onbefchaamt menfeh zyt. En wat zal ’t baten , zo de figuur van l&idloo naby komt aan de figuuren der beroemde mannen, ’c welk echter valfch is j wat meent gy, myn goede drogredenaar , dat hier uyt volgt ? niets geloof ik, ten zy dat gy uyt quade, erger figuuren gemaakt hebt. ’t Is ook bekent, dat hidloo veele dmgen niet na de voorwerpen zelfs , maar na de figuuren van anderen heeft laten afbeelden, ’t welk ik op zya tydt verder zal openbaren. Het geen de befcheydene Lezer over de drie voorgaande verfchillen ge- oordeelt heeft, zal hy buyten alle twyffel ’t zelfde ook oordeelen over het aan- ftonts voor te ftellene verfchil, ’t welk in rang het vierde kan gehouden wor- den j waar in gehandelt wort over een 3s menfehen [lien] milt, en des zelfs gefie.ltenis. Ik hebbe aangetekent, dat Wtdloo het lichaam van de milt van een menfeh klieragtig, celluleus, en met dwerfebe vezels voorzien , en Aan COVERT BIDLOO. geenzints geïyk k betaamt, en in een natiuirlyke (laat in een menfcli gevon- den wordt, afgebeelt heeft 3 onze drogredenaar vcrdraayt dit ongerymdelyk, en verhaalt de zaak, als of hy van ons befchuldigt was geweeft, dat hy alleen een gedeelte van de milt afgebeelt heeft, maar geen geheele milt: daar nog- tans dit het enkele en eenige verfchil niet is 3 alhoewel ik ook ietsaangete- kent hebbe van het afgebeelde gedeelte. Ik hebbe aangemerkt, dat hy zonder onderfcheydt gefchreven heeft, de milt afgebeelt te hebberl, welke woorden alzo geilek zynde , fchynen te kennen te geven, dat ’er een geheele menfchelyke mik afgebeelt is in de 4. fig. van de 36. tafel, daar hy nogtans in die figuur maar een gedeelte van een Kalfs milt aanwyit. Deze myne berifping fcheen des te nootzakelyker, om dat in dat gedeelte van de milt van een Kalf, in zyne figuur vertoont, die dwerfche vezelen te voorfchyn komen, die nooyt m een menfchelyke, maar ineen Kalfs milt akydt gezien worden 3 k welk zeker van geen kleyn belang is: want zo’er geyraagt wordt, of ’er in de mik huysjes of cellet- jes , dwerfche vezelen en klieren gevonden worden , moet men op een ge- heel andere manier antwoorden, als van de mik van een menfeh 3 nament- lyk, indien ’cr van een Kalfs milt gevraagt worc3 maar onze Ontleder be- roemt zich, dat hy ook menfehen milten ontleedt heeft 3 men zou hem lichtelyk kunnen toeilaan, dat hy milten van menfehen opgefneden heeft, maar wat volgt hier uyt ? wanneer de Scherpregters de menfehen den hals affnyden, verftaanze echter daarom niet de naauwkeurige ontleding van ’c menfchelyke lichaam. Hier is onder ons alleen k verfchil, of hy de men- fchelyke milten wel afgebeelt en befchreven heeft 3 hoe gebrekkelyk zyne iaafte Tafel is, zal ook in zyne Verdediging zelfs, zo men daar maar een weynig op let, blyken3 derhalven herhale ik met regt, dat de ingewan- den, die Bidloo in zyne ontleding van k menfchelyke lichaam, voor inge- wanden van menfehen afgebeelt heeft, niet alle van menfehen zyn. Gely- kerwys ik ook herhale, dat kr in een menfehe milt verkeerdelyk klieren, dwerfche vezelen, en celletjes van Bidloo verzonne worden. Maar moge- lyk bedriegen ons de oogbcfchouwing, het ontleedtkimdig onderzoek van de milt, en konflige bereydingen 3 want de onze redeneert mooy [a prioreJ van vore, en hy zegt, derhalven fihynt het my te blyken, dat ’er nootza- kelyk kliertjes, enz. zyn. Het fihynt, zegt hy; ondertuflehen is k, laat de fchilder komen ! Hoor gy eens hier ! beek kliertjes af; wyk Philofo- phen, hier is een nieuwe Prior! ey lieve opent de oogen des verilandts, opdat gylieden ziet, ofhy minder het [prius] voorde, of het \j>oflerius~\ agterde begrypt ? waar twyffeit gylieden over ?ik meene dat het klaar blykt, dat hy zyne denkbeeldige figuuren van vors afgebeelt heeft, de- ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, welke daarom meer het agterfte waardig fchynen: want my geheugt voor' heen gelezen te hebben, Dat de Jchriften, of bekladde papieren van den baartJcheer der Licïnus, gefchikt zyn om den aars te vegen. Aldus fchenen hem buyten twyffel de huydtkliertjes naaltsgewys : wat dunkt U Lezer , heeft hy niet zeer klaarblykelyk van verdichtzels ge- droomt ?• heeft hy niet de gemelde kliertjes van vore laten afbeelden ? een figuur moet in der daadt een afbeelding van dat geen zyn, ’c welk in ’c voorwerp voor ’t gezicht zich vertoont; maar het was my byna ontgaan, dat Bïdloo verzekert heeft, dat hy daarenboven voor ’t gezicht vertoonen kan, dat ’er kliertjes in een menfche milt zyn> zo dit waar is, namentlyk, dat hy deze kliertjes voor ’t gezicht vertoone kan , zullen de bygebragte drangredenen vergeefs zyn, die hy haalt Vooreerft, Dyt de proefftukken van Malpighïus. Ten tweede, Dyt ecu ligte opblazing van dit ingewant, en een droog- making van ’t zelve. Ten derde, Dyt een voorzigtige in jlukken vryving der drooggemaakte deelen, en een konftige befchouwing der ze tv er 3 voorts uyt ingejpote wafch eer ft in de ftag-ader van de eene milt, vervolgens in de ader van den an- deren , en dan zo wel in de Jlag-ader als ader van den derden milt; en uyt quikzilver in de watervaten. Indien hy door deze of andere proeven klaarlyk aan ’t gezicht kan bren- gen de kliertjes, celletjes, en dvverfche vezelen, diehy aan de milt van een menfch toefchryft, zal ik ligtelyk daar in beruften. Derhalven verwagtc ik, dat hy in de naafte openbare ontleding in een menfchelyk voorwerp die dingen vertoont, dewelke hy aangaande de milt van een menfch aangete- kcnt heeft, namentlyk de celletjes, dwerfche vezelen, en kliertjes, of dat midden, waar van hy droomt, tuffchen de ader en fkg-ader. Maar ik belove, dat ik voor ’t gezicht vertonen zal, hoe grotelyks die geene bedrogen worden, dewelke zommige in de ontleding van de milt, voorkomende lichamen verkeerdelyk voor klieren, celletjes, en dwerfche vezelen houden, en ik zal doen zien, dat die lichamen werktuygen van een geheele andere natuur zyn. Maar verder heeft hy ’er bygevoegt , dat ik in myne aanmerkingen de milt een klier genaamt hebbe: Ik zal de manieren van Bidloo, voor welke ik altydt een affchnk heb gehadt, en nog hebbe, niet navolgen ; nog ik zal de Lezers meteen onbefchaamt voorhooftmisleyden; ikontkenneniet, dat dit ingewant my voor dezen, gelyk de andere Onclederen, misleydt heeft, en dat het my in deszelfs ontleding voorgekomen is, als of het klieragtig was. Dit dan te bekennen, en te verbeteren ? fchynt Bidloo een Aan COVERT BIDLOO. groote misflag te zyn •, zo het Bïdloo niet geoorloftzal zyn , heb ik geoovdeelt, dat het my ten minften geoorioft is, my zelfs te verbeteren. Ik zal’top- rechtelyk verhalen, wat my tot dat gevoelen gebragt heeft j het vooroor- deel heeft 'er niet weynig toe geholpen, dat ik dit gevoelen aannam -r dc~ wyl ik gewaar wierdt, dat alle de Ontlederen van deze eeuw dit eenpa- riglyk vaftfteldcn 5 maar van die tydt af, dat ik voorgenomen hadde een nieuwe onderzoeking van myne gevoelens, en andere zaken omtrent de ont- leedtkunde in ’t werk te ftellen, en niets voor waarheydt aan te nemen of aan te tekenen, ten zy dat ik op nieuws bevonden hadde, duydelyk waar te zyn, heb ik myne nieuwe (dog aan Bïdloo onbekende, gelyk uyt zyne verdediging blykt) manier by der handt genomen, en bevonden, dat dit ingewant, k welk voor dezen my, als ook aan anderen fcheen voorzien te wezen van dwerfche vezelen, celletjes en kliertjes, geenzints zodanig is ; ik blyve by myn voornemen deze manier te volgen, gelykerwys het voor- nemen van Bïdloo fchynt te zyn, altoos zyne oude met nieuwe dwalingen te befchermen, laat hy dit met de leugenaars gemeen hebben, dewelke de begane leugens altydt tragten met nieuwe leugens te bedekken * daar nog- tans iemandt, indien hy gedwaalt heeft, zorgvuldig moet letten, dat hy niet van quaadt tot erger vervalt5 maar zo hy dit van my niet wil horen, hy leeze het 13. Schimpdicht van Juvenalis, van’t begin tot het eynde. Ik zal niet antwoorden op die verwarde vragen van Bïdloo voorgeftelt, by voorheek, hoe de watervaten dan haar zap krygen ? hoe andere zaken verrigt werden ? want hy fchynt daar op toe te leggen, dat hyveeledin- gen leere zonder moeyte, als of ik altydt gehouden was, gelyk voorheen, voor niet, een ondankbaar leerling te onderwyzen* miffehien is’t den onzen uyt de geheugenis gegaan, dat hy een afgezondert Collegie in myn huys gehouden heeft, en dat ik 'er geen beloning voor ontfange hebbe. Gelyk het met het vierde verfchil gelegen is , alzoo is ook het vyfde; aldaar fchynt hy zommige dingen aan te roeren, aangaande [radices vefi- culx feller] de wortelen van de galblaas■, maar zo wie niet ergens anders van daan dat verfchil kende, zoude hy een radende Oedipus van noden hebben, dewelke het zelve uyt de woorden van Bïdloo na behoren zou kun- nen verftaan; zo zeer heeft de geftadige verdrayer van de ontleedtkunde en de waarheydt, dat verfchil verdraayt $ met opzet, gelyk ik mene, otn door zyne bedriegelyke konften den Lezer te verwarren > maar ’t verfchil is dit, Of de gal in de galblaas door die buyzen ingaat, welke Bïdloo zegt wortelen te zyn, uyt den bodem van de gemelde galblaas voortkomende ? en welke buyzen of pypen hy zodanig afgebeelt heeft. Deze zaken tragt ik duydelyk aldus voor te ftellen, om dat ik bevinde, dat den drogredenaar ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, verwarring zoekt* hy onderdek in zyn verdediging, dat ik geheel iets an- ders delle, als ik gedelt hebbe* en geheel iets anders ontkenne , als ik ont- kent hebbe. Derhaiven , Lezer , op dat het blyke, wat myn gevoelen is , erken ik verfcbeydene wortelen van de galblaas , alleenlyk verwerpenwc die, dewelke hy uyt den bodem voortkomende afgebeelt heeft , en hier over is alleen het verfchil. Deze ,is Bidloo gehouden aan te tonen en te bewy- zen in de naade openbare ontleding, namentlyk in een menfeh* maar we- derom wordt ik genootzaakt een waarfchouwing daar by te d^en, dat hy , die in bedriegeryen zo zeer geoeffent is , den aanfehouwer niet misleyde: want hy moet aantonen, dat de vaten van hemaangetekent,galvatenzyn> dog datze geenzints vezelen, of bloedtvaten, of van een anderen natuur zyn 5 maar ik hebbe aan myn kant getoont, en ik neme het aan te verto- nen , dat dezelve geen galvaten zyn, maar van een geheele andere natuur. Jk worde waarlyk befchaamt , dat ik gehouden ben zo menigmaal de quade handgrepen van een man, die in een openbare bediening gedelt is, te openbaren, en nogtans verder voortgaande, doen’er gedadig nieuwe be- driegeryen zich op -y Bidloo hadde gehandelt van ’t [CPericardiumj harte- zakje, en des zelfs bloedtvaten * ik hebbe gefchreven, dat hy daar van qua- lyk gehandelt hadde, wat antwoort hy ? De drogredenaar poogt met zyn antwoort den Lezer te misleyden, als of het genoeg ware, zo hy op zyn manier aantoonde, dat hy de vaten van V harte zakje afgebeelt heeft * ey lieve, is dit ons verfchil? daar wort niet zo zeer gevraagt, of hy ditafge- heelt heeft? als wel, of ze zich wel, en gelyk in den natuurlyken daar, vertonen ? en daarom heb ik ’er bygevoegt, dat die flag-aderen alleenlyk ten ruuwjje befchreven zyn, ’t welk de onze (hn alles bedriegelykj lidig- lyk overflaat, op dat hy niet fchyne zich met zyn eygezwaarttedooden. Maar op dat de Lezer zyne dwaling te minder gewaar worde, mengt ’er de lidige bedrieger gedadig nieuwe dingen by , en die niets tot de zaak doen ; by voorbeek , hy zegt, dat de [neurologia] befchryving der zenu- wen veel waardiger voor de Geneesheeren en Heelmeefiers cm te weten is} als de kennis van de bloedtvaten, enz. Ey lieve, op welke plaats hebbe ik gezegt, dat de befchryvingder zenuwen minder waardig is? gelykerwys de woorden ran hem fchynen te kennen te geven. Maar laat men toedaan, dat de befchryving der zenuwen waardiger is 5 is daarom de kennis van de bloedtvaten, en derzelver verdeling niet noorzakelyk ? want het blykt, dat de zenuwen voor het grootde gedeelte metgezellen der ilag-aderen zyn* zal dan de zenuwbefchryving niet onvolmaakter en onzekerder zyn, zolang de loop der bloedtvaten minder gekent wort ? ’t Geen hy zegt, dat'er uyt de wont van de kleynfte zenuwtjes, gevaar Aan COVERT B I D L O O. 'voor V leven te vrezen is j dat raakt nog ons, nog deze plaats; want dat liebbe ik niet ontkent , en ’t is ook niet in ons verfchil; alzo tracht hy overal door een verandering van reden de Lezers te vleyen 3 maar om dat de won- den der zenuwen gevaarlyk zyn, zyn daarom de wonden der bloedtvaten geenzmts gevaarlyk ? Zekerlyk behendig redeneert onze geoeffende [Logi- cus] Redekundige, aan wie miflchien onbekent is, hoe veel gevaars men te vrezen heeft in een quetzing van de llagaderlyke takjes in ’c hart, lever , milt, vliezen der herffenen, als mede in de darmen, en het hooftje van de roede3 maar om dat deze en diergelyke zaken alleenlyk fchyncn bygebragt te zyn, dat hy ons van den weg afleyde, zal ik ’er van afftappen. Op de zeilde wys handelt hy m de aantekeningen op den eerden Brief, aangaande de gaten in ’t [corpus reticularej nctwyze lichaam van Mal- -pighius. Laat iemant zeggen, waar toe dog deze dingen, dewyi Rttyfih over dezelve daar ter plaatze niets gcfchreven heeft, ’t geen Bidloo raakt ? ik zal ’t zeggen, op dat hy namentlyk volgens zyne gewone manier met die dingen in de plaats te ftellen, dewelke tot de voorgeHelde zaak niet dienen, des Lezers aandagt van t voorgeftelde verfchil afleyde. Ik zoude derhalven met regt hier op niets antwoorden, maar ik kan ’t niet nalaten de leerlingen te waarschouwen, datze zich in deze dingen door onzen Ont- leder ook niet laten misleyden 3 namentlyk, hy zegt, dat deze gaten ver- andert worden cm verfcheydene oorzaken , dit fta ik toe , nogtans volgt hier uyt niet, ’t geen hy daaruyt fchynt te trekken, namentlyk dar dezelve niet kunnen, nog moeren met die figuur afgebeelt worden, waar mede zy zich vertonen in een natuurlykcn flaat, alwaar geen ge welt by komt. In- dien de bewysreden van Bidloo doorgaan zoude, zouden nog de neusga- ten, nog mont, nog bloedtvaten zelfs, nogeenige montjes behoor!yk kun- nen werden afgebeelt, om dat alle deze dingen veelvuldig veranderen na de drukking of draying van die geene, dewelke met de handen, of op een an- dere wys, dezelve aanvaart re handelen of te veranderen ] des niet tegen- flaande nogtans, indièn iemandr deze zaken zoude ondernemen af te beel- den, zou men zekerlyk derzelver natuurlyke figuur, en geenzints volgens de verandering van de drukking aangebragt zynde, moeten aanwyzen. Verders neemt hy andere bednegeryen by der handt 3 indien iemant deze zesde figuur (dewelke hy in zyne verdediging heeft laren afbeelden) aan- dagtig inziet, zal hy ligtelyk bemerken, dat deze verre verfchilt van die, dé welke in zyne grooté ontleedtkimde aangewezen wordt, en die van ons is befchuldigt} of dit het werk van een eerlyk man is , laten dat andere oordeelen ? Zekerlyk worden ’er in zyn ontleetkundig Boek veel meer va- ten vertoont, onder de klieragtige en tepelagtige zelfftandigheydt verfpreydt, ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, als in deze veranderde figuur. Maar op dat ik hem niet te hardt fchyne te vallen , laat het zo wezen , dat deze figuur zodanig in zyn boek gevonden wordt, (’t geen grootelyks gelogen is} nogtans komt de van hem verbe- terde tafel geenzmts overeen met de gefleltenis van dat deel in een leven- dig, of een verfch gejiorve menfch 3 (over welke zaak hier alleenlyk ge- hande! t wert) want Bidloo zal nooyt klieren tufichen de tepeltjes zodanio- by malkanderen gelegen, als hy dezelve heeft laten afbeelden , kunnen aantonen 3 veel minder de haynge watervaatjes tufichen de klieren en te- peltjes gelegen, en van hem in de 6. figuur van de 4. tafel afgebeelt 5 hy zal ook niet kunnen aantonen, dat de bloedtvaten zodanigen loop onder de gemelde tepeltjes en huydtkliertjes houden, als hy haar toegefchreven heeft3 ik verlange zeer, dat hy dit alles op die manier, als het in zyne ontleedtkunde afgebeelt wordt, in de naafte openbare ontleding vertone. Het is ook buyten onze verfchillen, dat hy een opgedroogde [cuticulaj opper hnydt in de 1. figuur van de 2. tafel van zyne verdediging aanwyft; ey lieve Lezer, hoe fraay komt hy zyne beloften na; hy heeft namentlyk belooft, dat zyne dingen overeenkomen met de gejieltenis der deelen, die het levendige lichaa?n uytmaken 3 ondertufichen brengt hy een gedroogde en uytgefpanne opperhuydt te voorfchyn, die geheel en al verfchilt van een verfche en levendige, en evenwel heeft onze voorzigtige Wiskonftenaar daar een gevolg uyt getrokken, als of het zodanig in een levendig menfch was 3 met regt derhalven fielle ik dit ook onder de ydele herflenichimmen van een dromendt , ik zoude byna gezegt hebben, van een raaskallende menfch. Daarenboven bewyft hy geenzints, dat dc nedervallendc quik gevloeyt is door de gaten van de repels zelfs, gelykerwys ik toefta , dat dezelve door andere togtgaten uytvloeyt. Maar hy meent, dat hy een weg gevonden heeft, dewelke hy inllaande veylig oordeelt, en dat het hemvry ftaat allerhande verdichtzelen te fchry- ven3 want te bewyzen ’t geene ontkent wort, is moeyelyk3 ik hebbe ge- zegt , dat ik de vaten, van Bidloo afgebeelt, niet gevonden hebbe in V bo- ven (ie deel van V [membrana arachnoidea] fpinnewebs vlies; ziet eens hoe fraay hy wederom onze woorden verdraayt 3 onze mening daar ter plaatze is deze 3 Bidloo heeft de vaten afgebeelt, als of ze zich geftadig vertoon- den 3 maar ik hebbe, met opzet een naarftige onderzoeking gedaan hebben- de , meer en ook fynder vaten gezien; dog nooyt hebbe ik zodanige kun- nen gewaar worden; blyf1ser nu over ? Oordeelt gy niet met my, goedtgunftige Lezer, dat by gehouden is alle deze dingen duydelyk te be- wyzen en aan te tonen, voornamentlyk, wanneer ’tnu overvloedig blykt, dat hy meer andere verdichte af beddingen aangewezen heeft ? Aan COVERT B I D L O O. Eyndelyk verhaalt hy een gefchiedenis, dewelke gebeurt is, in onze voor- gaande openbare ontleding; maar hy verhaalt dien zodanig , gelykerwys hy andere dingen gewoon is te verhalen, namentlyk ten deele met te verber- gen, ten deele met te verminken 5 maar op dat de Lezer deze gefchiedenis ten volle begrype, zo als dezelve gebeurt is, zal ik dien van den beginne af verhalen, en oordeel daar uyt over de onbefchaamtheydt van Bidloo. Wanneer ft my toegelaten was een doodt lichaam openbaarlyk te ontle- den , is ’s namiddags ook tegenwoordig by de ontleding geweeft de Heer Bidloo de Apotheker , en uyt dien hoofde opziender van ft Collegium Me- dicum, broeder van den Hoogleeraar * onder anderen vertoonde ik ook zom- mige huydtkliertjes ; deze woorden daar by voegende * deze klieren , gelyk deaanfchouwers zien kunnen, zyn rondt, en worden geenzints naaltsgewys gevonden, gelykerwys de Trofejfor Bidloo dezelve verkeerdelyk in zyn Boek heeft afgebeelt. Den volgenden dag is de voornoemde Profeftbrvan Leyden zelfs in het Anatomifche Theater gekomen j met weynige woorden herhaalde ik dat geene, ’t welk ik den voorgaanden dag gezegt en aange- toont hadde, dit daar by voegende * gifteren heb ik den aanfchouweren de huydtkliertjes aangewezen, en getoont, dat dezelve van een ronde figuur waren, en geenzints naaltsgewys, fchoon ze in de figuuren van den Tro~ fejfor Bidloo verkeerdelyk m die gedaante afgebeelt befchouwt worden * een weynig daar na in de vertoning voortgaande, heb ik gefproken van de herflen vliezen, deze woorden daar by gevoegt hebbende 5 dit vlies is het fpinnewebsvlies genaamt, t’zedert veele Jaren ontdekt in een genootfehap van geleerde Mannen, waar van leden geweeft zyn de zeer vermaarde Hee- ren Blaflus, Sladus, Swammerdam, en de hier nog tegenwoordig zynde zeer beroemde Heer Dodtor Quina * van welke Heeren dit gemelde vlies zyn naam verkregen heeft. Daarom kan ik my niet genoeg verwonderen over de ftoutheydt van zommige menfehen, die zich durven beroemen Vinders van dit vlies te zyn * eylieve befchouwt eens deszelfs dunheydt, zeydeik, (ft zelve aan Bidloo, en die aan zyn zyde zat, voor ft gezicht tonende) ik oordeele dat het onmogelyk is, hoe veel moeyte ook iemant aanwendt, zodanig een gedeelte, als zekere vermetele in zyn figuuren voor dezen af- gebeelt heeft, te fcheyden, en aan de geleerde waerelt te vertonen, en dat met zichtbare bloedtvaten doorweven, dewelke tot nog toe niemant heeft kunnen vertonen door hulp van myn konft en werktuygen, zyn ser vaten in verfcheyde delen van ft lichaam ontdekt, in dewelke niemant dezelve tot nu toe gezien heeft maar ik oordeele met regt, dat het in dit deel, namentlyk van dat vlies, een onmogelyk werk is. De meefte van de aan- fchouwers waren niet onbewuft, dat Bidloo dit vlies zodanig in zyn Boek ANTWOORT van FREDRIK RUYSCFI, afgebeelt hadt, en daarom waren alle oogen op hem gevallen: op alle deze dingen zweeg Bidloo Uil > maar na ’t vertrek der aanfchouweren, uytgeno- men de eerfte kring , Bidloo weggaande , zyde hy dit in ’t Nederduytfch, myn Heer, Ik danke *0 voor uwe be leeft heydt, ik ben bereydt U een gelyken dtenft te doen, als gy eens te Leiden gekomen zult zyn. Waar op ik geantwoort hebbe, V zal licht elyk kunne gefchieden, dat ik daar eens by ge legent heydt kome j hier op zeide Bidloo, by aldien ik een vertoning hebben zal3 zal ik ’er u kennis van geven , waar op ik tot antwoort gegeven hebbe, zo 't u behaagt. Zodanig was het eynde van de zaak 3 maar de onze voegt’erby, dit ik met een bevende ftem geantwoort hebbe 3 iaat dit waar zyn, watwoi t hier uyt befloten ? nament! yk dat ik zo onbefchaamt niet ben, als Bidloo is. Ik fta ’c toe, en om die reden. Indien ik op de manier van Bidloo fchreef, zou ik hem niet qualyk noemen den Profeflbr in de onbefchaamt- heyt; want onze onverzaagde verfchrikt niet, wanneer hy een geding ver- heit 3 ik, gelykhyzegt, beve, wanneer ik aantone, dat Ibidloo dehuydr- kliertjes verkccrdelyk afgebeelt, en andere miftlagen begaan heeft, ’t welk ik zeer gemak kelyk kan goettnaken. Hier hebt gy. Lezer een getrouw verhaal van ’t voorval , ’t welk ik op alle uren van den dag met geloof- waardige getuigen bewyzen kan. Ik antwoorde niet op dat ydele verzet, waar mede hyzegt, dat hyniet geantwoort heeft, om dat men eerbiedigheydt voor de aanztenelyke plaats moe ft over hebben. De plaats heeft zeker niet belet, dat hy antwoordde, na het vertrek der toehoorderen 3 wanneer wy die reden t zamen hadden onder ons, zyn ’er maar weynige geleerde lieden by ge weeft, derhalvenwas het in dien opzigt een afgezonderde plaats, het voorwerp van de ontleding, en alle de bereyde zaken waren by der haat 3 bclettede het dan ook de plaats ? waarom hy myne opfmukkingen , zo hy ze noemt, niet ten toon fteide, en zync helthaftige bewysredenen voortbragt, en bewees. Wie ruykt, en voelt niet als met de handen her uytvlugt van Bidloo ?ik gelove dat ’er weynige zyn zullen, die geloven zullen, dat zyn onmagt niet liever, als zyne zedigheydt, hem wederhouden heeft, ten ware haar be- kent was, hoe zedig deze Govert van zyn kints gebeenten af geweeft is. Ik zoude h'er mede*kunne beruften, en myn antwoort op die befchuldi- gingen , dewelke bidloo tegen myne aanmerkingen, of andere fchnften ver- wekt heeft, uytftellen, tot dat hy, gelyk ’t betaamt, geantwoort zal heb- ben op de benipingen , dewelke ik over zync ontlcetkunde in ’t ligt gege- ven hebbe-, maar ik hebbe het boven dien van myn plicht geacht met Wey- nige woorden te vertonen, dat Bidloo zo weynig een oprechten befchuldiger. Aan COVERT BI 1) L O O. 455 als een voorzigtigen verdediger is: Derhalven vervoege ik my nu tot dat geen, ’t welk hy tegen myne fchriften ingebragt heeft. Hy berifpt de afbeelding van de \yafa Lymphatïca~\ watervaten in de lever, over dertig jaren, en langer van my uytgegevenj Ik weet, gunftige Lezer, dat die vaten groter uytgedrukt zyn, als na de evenredenheydt van de lever: want die lever is veel klynder, als een natuurlyke paardeie- ver, ’t welk zekerlyk met inzigt is gedaan ; nadien het onmogelyk is ge- weeft, een paarde lever in de natuurlyke grootte in zodaning een klyne vorm van dat boekje te vertonen > maar de waterbuyzen hebben een natuurlyke wydte, gelykerwys ze in een paerdt gevonden worden ; maar weet lezer, dat ik in de uytlegging van de aangehaalde figuur vermaant hebbe, dat de grootte van de afgebeelde paardelevcr met inzigt klynder gedrukt is, als ’t dog dit merkt onze haaftige en blinde berifper niet aan, of heeft het niet willen aanmerken. Indien hy wat berifpen wil, laat hy aantonen, dat de watervaten van my afgebeeit in ’t lichaam van een paardt viermaal groter zyn in de gemelde figuur, als in ’t voorgeftelde voorwerp, Indien iemandt over de waarheydt daar van twyffele, moet hy weten, dat die zelfde watervaten van een paardt door konft bewaart, ten dezen dage nog in myn cabinet gevonden worden, na welkers af bedding deze tafel uytge- drukte is. Dat deze watervaten en hare klapvliezen met de uytgedrukte figuren overeenkomende zyn, ben ik gereet aan te tonen , wat ook de van kmts been af ge wee ff zynde zotte klapper daar tegen fnappen mag. Maar ik bidde U, zeer befcheydene Lezer, houdt wat iülen vergelykt de watervaten van de milt in de derde figuur, onder lett. E, van.de ver- dediging van onzen wiskonflenaar, zo naauwkeurig de evenredenheydt (zo ’t de Goden behaagt) waarneemendc gy zult klaar bevinden, dat die water- vaten in een menfchemik van hem aangewezen, veel wyder zyn als de on- ze, daar hy evenwel de zynen voor die van een menfeh voorffelt, en ik de mynen voor die van een paardt. ó ellendige verdediger/ MifTchien zal ’t aan zommigen wonder voorkomen, die niet weten, hoe weynig beftendig, de onze altydt geweeft is, dat hy berifpe die dingen, dewel- ke in de gemelde verhandeling voorgeftek worden, nademaai diezelfde Govert evenwel voor dezen het vertalen van deze myne verhandeling aangaande de watervaten enz. van my in ’c Latyn befchreven, zich tot een grote roem gerekent heeft, ’c welk blykf uyt zyne opdragt, alwaar hy my op de wyze der pluymftrykers zo hoog verheft, als hy my nu tragt ter neder te werpen. Op de 40. bladtz. berifpt hyde afbeelding van de[vena cavcT\ holader, van my in ’c gemelde boekje aangewezen, en hywil dat die in de voorwer- pen ten mïnjie viermaal wyder is als de [port ar urn veria 1 poort ader, dog ANTWO.ORT van FREDRIK RUYSCH, dat deze evenredenheyt in onze figuur niet waargenomen is. Maar weet, dat ik daar ter plaatze niet ondernome hebbe de evenredenheydt tuflehen de gemelde vaten te vertonen, maar de watervaten af te beelden * ten an- deren ontkenne ik, ’t gene Bidloo van de evenredenheydt fnapt, maar dit zal ik op zyn plaats in de voorwerpe zelfs en figuren ten aantonen. Laten we evenwel dit onzen bekmbbelaar toeftaan, namentlyk dat ik de evenredenheydt niet naauvvkeurig genoeg hebbe waargenomen, maar zulks behoordde toen ter tydt niet tot ons oogmerk •, wat doet dat tot de dwa- lingen te verfchonen, die ik aangetoont hebbe, dat Bidloo begaan heeft ? zuilen daarom de dwalingen geen dwalingen blyven? fchoon ik de vereylch- te evenredenheydt niet waargenomen hadde op die plaats, alwaar zulks buyten ons voornemen was, wat zal ’t hem baten? indien ik daar en boven toefta, gelykerwys ik gaarne en openhartig bekenne, dat ’er zommige za- ken in die figuren al voor dertig jaren van my uytgegeven niet zo naauw- keurig en net gevonde worden, of ik zou ze nu netter kunne vertone, zo my de tydt en andere dingen dit toelieten. ik bekenne gaarne, dat ik toen ter tydt zo diep niet ingedrongen was in de binnenftc geheymen van de ontleedtkunde • ik fchame my ook niet te betuygen, dat ik in den tydt van dertig jaren veel geleert hebbe jlk ben Bidloo niet gelyk, die zelfs met den bloten degen of zyne gebreken of zy- ne dwalingen tracht te verdedigen. Ik zal altydt myn beft doen, dat ik myne misfiagen verbetere, op een zeer goede hoop fteunende, dat ik om die reden een grote dank behalen zal by die genen, dewelke de zuyve- re waarheydt van de ontleedtkunde ter herte nemen. Ondertuflchen, ge- loof ik, zal ’t Bidloo bezwaarlyk vallen, in de fchryvers van dien tydt een naaukeuriger figuur van een paardelever te vertonen met de watervaten en der zelver klapvliezen, als die van ons is, dewelke hy hier beftraft. Ik verzoeke ook den Lezer, dat hy lette op de gebrekkige en tegen de na- tuur ftrydende figuur van de lever, dewelke gevonden wordt in de 37. rafel van de anatomie van Bidloo. De beknibbelaar brengt daar en boven iets anders by j ik hebbe een fi- guur van een paardelever met de watervaten in ’t licht gegeven, Ik hebbe zelfs, zynde niet ten enemaal in de fchilderkonft onbedreve, getracht in de gemelde figuyr uyt te drukken de watervaten van de lever met de klap- vliezen , zynde toen ter tydt van niemandc zo duydelyk met platen afge- beelt, namentlyk op dat deze klapvliezen des te naauwkeuriger mee het voorwerp over een zoude komen, en gelykerwys men gewoon is in die konft* heb ik ’ermyn naam bygevoegt, maar dit beftraft onze Bidloo j derhalven de naam by die van my afgebeelde figuur bygevoegt te hebben, fchynt Aan COVERT BIDLOO. hem een grote fchande te zyn! Indien Bidloo nooyc fchandelyker boekjes gefchreven heeft, als deze figuur is , mag hy dit vroor een geluk rekenen, en hier door verzekert zyn, dat hy om die oorzaak niet voor eerloos ver- maart zal worden. 457 Ik mene , dat ik my tot nu toe verdedigt bebbe tegen de berisping , de- welke Bïdlo ondernomen hadde regens myne tot nog toe aangehaalde ont- leedtkundige werken laten we eens bezoeken, of ik ’t zelfde doen kan van de volgende. Op de 49 bladtz. berispt hy myne afbeelding van de [afpera arterla] logtpyp, en \_bronchia\ longepypen voor dertig jaren aangewezen in dat boekje, ’t welke ik te vore gezegt hebbe dat in de Nederduytfche taal door bïdlo overgebragt is, maar nu ftelc hy, dat die logtpyp van my aangewe- zen is, van agteren voorzien met kraakbenige ringen. Aan deze onze dwaling, gelyk hy zegt, vergunt die zeer goede Godefrooy vergiffenis en verlof. Maar wy hebben zodanig een verlof niet van noden : want de fi- guur zelfs vertoont genoeg, dat de kraakbenige ringen niet ren enemaal van agteren uitgedrukt worden, ’t welk uyt de figuur zelfs, die Bidlo in zyn verdediging voegt, blykt: daar en boven is de logtpyp van een kalf, dat wynige dagen gehorends, zeer teer, waar van daan de rmg-delen wanneerze een wynig t’zamegetrokken worden, byna den gehelen logtpyp fchynen te omringen, en uyt zodanig een kalf was deze logtpyp genomen3 ik hadde ook in ’t opfchrifc van ’t gemelde boekje niet belooft, dat ik de ontleding van ’t menfchelyk lichaam zou aanwyzen, gelyk de berisper in zyn boek belooft heeft 3 Derhalven is’tmy meer als B i dia, geoorlooft geweeft, zelfs zonder een uytdrukkelyke waarfchouwing, delen van heeften af te beelden j voeg daar by, dat ik duydelyk gewaarfchouwc hebbe, zulks uyt een kalf geno- men re zyn, namentlyk met de letter A. Maar laat het wezen, dat den plaat- fnyder (want ik hebbe deze figuur niet zelfs gefneden) een wynig gedwaalt, en de logtpyp niet naauwkeurig en niet genoeg afgezonden van agteren afgebeelt heeft, alwaar de Kraakbeenderen moeften uytgefcheydenhebben; wat volgt hier uyt? dat mene ik, dat het niet te veragten is. Indien een Qntleder zelfs de tekenkonft, en wanneer de tyde het toehet, de fchilderkonft by der handt neemt, ’t welk nogtans B idlo heeft willen belachen, of my te- genwerpen, gelyk hier vore gezegt is. Verders is myn oogmerk geenzints ge wee ft, gelyk uyt den inhoudt lier, telyk begrepen wordt", in déze figuur de logtpyp en longepypen naauw- keurig afgebeelt aan te wyzen, maar alleen om die nieuwe vondt van de \arteria bronchialis] longepypilagader aan te tonen, en op dat het ligrer be- grepen ?:ou worden, is ’er de logtpyp bygevoegt, fchooa ik beken, dat ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, ik een naauwkeuriger van dezelve heb kunne aanwyzen, en dat niet alleen nu, maar ook op die tydt, namentlyk voor dertig jaren 3 ik ben ook van gedagten, als ik met opzet daar over handelen zal, de logtpyp van een menfch naauwkeuriger af te beelden 3 ik zou nogtans Bïdlo met raden, dat hy op deze uytgave aandringt: want daar door zalmen te gelyk zien: hoe vele dwalingen hy in zyne ontleding in de afbeelding van dit deel begaan heeft. Maar wat de kraakbeenderen van de longepypen aanbelangt, de- welke hy aan tekent, dat van my overgeflagen zyn: moét hy weten, dat de longepypen toen aangewezen zyn, voor zo verre zy zich voor ’t blote gezicht opdeden, in welke haat die takjes zo klaar niet fchenen uyt kraak- benige deeltjes gemaakt te zyn, namentlyk zo ze genome worden uyt een kalf, dat voor wynige dagen geboren is, en dat ons voorwerp zodanig is geweeft, heb ik overvloedig verklaart3 maar ik gelove dit,’t welk wy van de kraakbeenderen van een kalf hebben aangetekent, bekent is aan die ge- nen , dewelke in de ontleedtkunde meer ervaren zyn, als Bidlo, Op de zelfde bladtz. oordeelt hy’t zyne berisping waardig, om datikge- zegt hebbe, dat de bovenfte tak van de logtpyp in koeyen en kalveren al- leen gevonden wordt, namentlyk op de zelfde wys, als ik die \Jobus\ verdeling hebbe aangewezen 3 ik hebbe over dertig jaren gefchreven, hoe die tak of ver- deling in koeyen en kalveren gevende wordt, maar laat Bidlo aantonen, dat die verdeeling ten enemaal op de zelfde wys ook in de fchapen geven- de wordt, ik neme aan in ’t openbaar het onderfcheydt tuflehen die ver- deling in koeyen en fchapen aan te tonen 3 maar ik bidde u lezer 3 laat hy u niet bedriegen: want hy heeft op ontelbare plaatzen getragt de meeile dingen te verminken, die hy voor de myne verhaalt, ’c geen ligtelyk hier uyt blykt, om dat hy in de uytlegging van de 4 hg. van zyn verdediging de lett. E geilek heeft, alwaar wy de F, en aldus worden alle zaken ver- wardt, ja komen tegen de natuur te voorfchynj want de lett. E. betekent in myn bock het agt er (ie gedeelte van de flagader nederdalende van ’/ hart, iuyt welke de tujj'chenribbige voort komen, gelyk wy in ’t Jaar 1665. In dat boekje aangetekent hebben, ey lieve ziet eens, wat Bidlo doet 3in zy- ne verdediging op de 19 bladtz. betekent hy met de lett. E. de bovenfte tak (namentlyk van de logtpyp') V oorts beftraft h y my, dat ik gefchreven hebbe, dat de uyt gang van de longe- pypflagader langwerpig kro?n />,dewyl die volgens zyn gevoelen lynregtge- zegt moeil werden 3 Ikantwoorde, dat ik in de gemelde verhandeling hebbe gezegt, dat de flagader fchuyns zyn voortgang maakt, dcwyl ik voorzeker be- vonden hebbe,dat dezelve zig dikmaals fchuyns vertoont 3 en ’t is te verwonde- ren , dat den onze niet gedenkt , dat hy, om zich over zyne dwaling omtrent de [ arteria magna ] grote flagader te verontfchuldigen, al gezegt heeft in deze verdediging, dat de grote flagader, op verfchyde wyzen zyn voortgang neemt, ik zal echter niet ontkennen, dat den gemeiden tak zomtydts voortkomt, meer na een lynregte figuur hellende ; want wien isonbekent, datdeklyn- der vaten lichtelyk zodanig een fpeling maken, ’t geen men vandegroot- fte vaten, en derzelver oorfprong niet Hellen moet. Ondertuflchen be- danke ik den zeer beroemden Hr: Bidlo, dat hy met zyne medehelpers die flagader voor dertig jaren van my ontdekt, zo wydt vervolgt. Het is Bidlo niet genoeg eens over die dingen gehandelt te hebben,de- welke in de openbare ontleding gebeurt zyn, op nieuws dringt hy ’er op aan, dat ik een bedriegery en verdichtzel gepieegt hebbe in het aanwyzen zo van de longflagader als van andere; wat dat aanbelangt, ’t geen ik in ’t openbaar vertoont hebbe, kan ik het zelfde ook ter dezen ure openbaar- lyk en afzonderlyk vertonen, zo aan Bidlo, als aan zyne oorblazers, die hem deze valfche befchuldiging hebben verfchaft: want weet. Lezer ,dxt Covert by deze vierde vertoning niet tegenwoordig is geweeft; wie zal derhalven met my zich niet verwonderen over deonbefchaamtheydt van dien fchryver; dewelke durft ftaande houden, dat ’er bedrog isg«pleegt?zou- de ik niet met recht hunne afvorderen, dat dit of van hem of van zyne me- dehelpers werde aangetoont ? is dit niet een regrvaardige reden om Bidlo in ’t openbaar te verklaren voor een leugenaar en lafteraar, tot dat hy aan- getoont heeft, dat ik dit fchelmftuk met leem of een ander hulpmiddel be- gaan, en de aanfehouwers bedrogen hebbe? zeker dat moet hy menigmaal doen, dewyl hy zonder enige fchyn van waarheydt en bewys dit verfpreydt} een fchelm denkt ligrelyk, dat ook anderen, die beter zyn als hy , fchelm- ftukken begaan 5 een leugenaar, dat andere liegen; een, die lift en bedrog oeffent, dat anderen ook lift en bedrog fmeden; de Hollanders hebben een gemene fpreckwys, zo de waart is, betrouwt hy zyn ga ff en. Waarom wier- de de opfmukking en bedriegery van uwe aanbrengers niet tegengeworpen, wanneer ik in ’t rondt gaande die zelfde bereyding in de openbare ontle- ding vertoont hebbe? Verder zal ik niet antwoorden op die lange redene- ring, waar mede hy aan de ervarene klaarlyk toont, dat hy niet begrype, wat deze verborgentheden zyn; Ondertuflchen neme ik met byde armen aan het beding in de verdediging van Bidlo voorgedragen.* want hy biedt aan op de 52. bladtz. dat hy met de vinger m de tegenwoordigheydt van imant zal aantoonen , dat dit takje Liever verzonnen, als met bet men/chelyke lichaam overeenkomende is. Aan COVERT BIDLOO. Het behaagt my niet hier op te antwoorden 3 dat ik ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, de ge(leltenïs van V bloedt in de longjlag-ader de zelfde is: als in de lange fiyf ijlag-ader: want dat doet niets tot de vertoning van dat vat, het ver- fchil raakt eygentlyk de ontleedtkunds: maar zyt gy zo bot, myn goede Covert, dat gy met weet, dat de zelfde geftekems van ’t bloedt dezelfde gezegt wordt, volgens zekere betrekkingen, daar het nogtans verfchilt volgens andere ? waar heb ik gezegt of gelchreven, dat het bloedt in die verfchyde vaten net en in alles het zelfde is, nog dat de vogten op enige wyze verfchillen in de gemelde vaten, het welk ik onderftelthebbeaan |an en alle man, ook Covert zelfs bekpnt re zyn ? maar ik bemerke, wat hy voor heeft 3 onze twikgierige tracht geftadig nieuwe twiften te verzinnen, om ’t te ontfnappen 3 derhalven zoekt nu onze volmaakte haayrklover cm die redenen in onze fchriften een woordt, dat hy zou kunne beknibbelen; hy poogt ook de woorden in de lellen uytgefproken door zyne befpieders uyt te vorfchen, dewelke, voor zo veel als ze dikmaals onervare en nydig zyn, verkeerdelyk begrypen, ’t geen ze gehoort hebben, of verhalen zulks ge- brekkelyk; hier onder is te rekenen ’t geen hy bybrengt3 want hy is ’er zelfs niet tegenwoordig geweeftj het fchynt ook de moeite niet waardig te zyn, hier over deze zaak een verdediging op te maken, en dat te herhalen, ’t geen ik gezegt hebbe, en in welken zin 3 eer dat Bïdlo> gel yk het een braaf min, en die m die waardigheydt, waar in hy geilek is, betaamt, op de dwalingen gcantwoort zal hebben, van de welke hy overtuygt is. Tot hier toe hebben we overwogen, ’t geen hy tegen zomenige aanmerkin- gen in dit ons klyne boekje, aangaande de ontdekking der klapvliezen in de watervaten, voor 30 Jaren gedrukt, ingebragt heeft: nu lleekt hy over tot myne aanmerkingen, en bdchuldigt ray, dat ik in dezelve zommigc dingen gevoegt hebbe, die van anderen ook aangemerkt zyn; wel laat het zo wezen! laten andere diergelyke aanmerkingen aangetekent hebben,zyn daarom myne aanmerkingen niet des te geloofwaardiger? ik heb zc evenwel niet uyt anderen uytgefcbreven 3 Ik verzekere, dat ze myne aanmerkingen zyn , en ik brenge dikmaals de getuygen by, die ’er tegenwoordig zyn geweeftj is ’t my zo wel niet geoorloft de myne aan te tekenen als andere de haren ? zou ik niet met regt van onzen bensper kunne eylfchen, zeer befchydene Lezer, dat hy bybrenge en aantone, dat deze van anderen alzo waarge- nomen en uytgegeven zyn geweelt, ook met de afbeeldingen en omftandig- heden daar by gevoegt, en dat ze dezelfde zeer nuttige berichten in de praktyk daar by geilek hebben, die men in de onze leeft? hy zoude nog wat fchyne te zegge, indien hy aangetoont hadde, dat alle die zaken van andere ook aangewezen waren; want het is niet genoeg te zeggen, Ru yfch keefc een voorbeeldt van een. ['aneurïfma] flag-aderbreuk, en de genees- ybn G O V E R T B 1 D L O Oi- 461 kundige Autheurea in re zien, of liever derzelver naamlyft, en bladtwy- zerSj en dan te fchryven, Hildanus heeft ook een voorbedde van een flag- ader breuk, insgelyk Tulp, enz. laat de onze aantoon c, dat die autheurea daar ook bygevoegt hebben een genezing door een ring, die ik ’er byge- ilek hebbe, enz. wie is ’er zo onrechtmatig, die hier den quaadtaardigen aart van Bidlo niet doeme ? onlangs heeft Mr. Pieter Adriaanze Ver duyn een nieuwe en zeer nuttige manier van de benen af te zetten in k licht ge- geven, wat dunkt U, Lezer, zo onze quaadtfprcker antwoordde, ande- re hebben ook van k afzetten gehandelt, enz. is daarom dit boek onnut? derhalven zegt hy ongerymdelyk. Op de 55, en volgendebladtz. TPat an~ dcre ook gevallen van een jlagaderbreuk, een [moto] valfche bevruchting, enz. befchreven hebben. Wat zal hy antwoorden, indien ik hem afvordere dat hy zulke geval- len, figuren, en andere zaken, dewelke ik omtrent een \Jpina bïfida\ in> tween gefpleten ruggegraadt aanmerken, vertone ? diergelyke verfchydent- heden in onze andere gevallen aan te tonen,zoude zyn,aanmerkingen herhalen, den lezer ophouden, en zyne goetgunftigheydt misbruyken sby voorbeelt3 aangaande een \_/cabies vejica] fchurft in de waterblaas, zen [tumorpilo* haayrig gezwel in k [omentum] net gevonden5 vaneen [uterinver-- fid\ omkering des baarmoeders uyt het baren > van een \uterus fchirro/us] verharde baarmoeder, zeer groot ge worde zynde, en buyten het lichaam uythangende, met deszeifs figuur; van \_polypofa excrefantïa] baftaart vlezige uytwalfen des baarmoeders 3 het ware maakzel van k [glans penis] hooftje der roede, op die tydt nog on bekent ; een [hernia cyftica] blaas- breuk, waar by een \bubonocele] liefchbieuk uyt fchrik bygevoegt; een verbazende verwydering van de [ut er er] pillyder een pinth etters bevat- tende j een [Jufceptio intefhnorum\ infchieting der darmen, een verdik- king van de waterblaas, een ruggegraadt tot een kring omgekromt; wan- fchapige flag-ader-breuken ; een verandering van de [_placenta uterina]' moerkock in [hydatides~\ waterblaasjes, enz. te gelyk met de omzichtig-' heden en berichten omtrent de practyk, die ik kr'op haar plaats hebbe’ bygevoegt. Maar waarheen voert de onbefchaamtheydc en gramfchapditmenfch ,dat hy andere, die inderdaat pryzenswaardig zyn, met zyne aanmerkingen by- brengt, en harer naarftigheydt pryll, dog my veragt; daar nogtans niet minder menigvuldige afbeeldingen in de onze voorkomen, als in die van haar ; daar en boven zyn onze aanmerkingen niet van anderen medegedeelr ~ tnaar van my zelfs waargenomen. In de derde aanmerking hadde ik gefchreven van een \patello\ kmefchyfs' 462 ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, breuk uyt een ongemene oorzaak: Hy zegt, ik hehbe ’er wel drie gezien: moet men derhalven zeggen , zulks zo gemeen te wezen, om dat het die grote en allemyt-uyt-uyt-uyt-uytnemenlfe Govert Bidlo in zyne woefte praktyk maar driemaal gezien heeft ? Maar hoor eens hier gy, haaftige Heer £idlo\ hoor eens, bedwing een wynigje uwe gewone fchielykheydt, en lees dat geval eens door, gy zult iets befpeuren, ’t geen gy zelden, zo ooyt, in uwe woefte praktyk gezien hebt, en by de autheuren niet dik- maals voorkomt, namentlyk dat een kniefchyf gebroken ts zonder of de grondt te vallen, terwyl hy van de brug afging, enz. en zo gy ’er drie gezien hebt, wien op zodanig een wys de kniefchyven gebroken zyn, be- geer ik hare namen, of de getuygen daar van te weten; zonder twyffel heeft onze Argus ook gezien een lleenfnyding in een vrouw van 80 Jaren, die gelukkig is genezen ? een uytbarfting van ’t [ovarium] eyerftokje naar een alte diepe doorgeftoke [ahjcejjus~\ ettergezwel van den [hypogafiriumJ onderbuyk ? een wonderbaariyke banng, waar in een ongemene toeifluyting van den weg, die echter gelukkig is geopent ? een zydelyk gedeelte van de baarmoeder in ’t baren uytfchietende. De mondt van de baarmoeder uytvallende ? een [hydrops] watcrzugtuyt een verzameling van waterblaas- jes, in een zak beftoten? een milt in ’t [ pelvis] bekken nedergeftort ? een dodelyke wont van ’t Ooghol ? een uytftorting van de ingewanden wegens gebrek van de huyt omtrent den navel? [_polypï] Vleefchproppen in ’t \antrum Highmorianum] hol van Highmorus zittende ? zo een overgrote verwydering van den [coloii| kronkeldarm? zo een wonderbare vernaau- wing en verdikking van den [inU-fiinum rectum] endeldarm, en andere zaken, die in myne aanmerkingen te vinden zyn, dewelke gy zo quaadt- aardig behandelt ?zo gy ftaande houdt, dat gy deze ook gezien hebt, doet ’er dan by, of de naam van de lyderen, of die met U zyn tegenwoordig geweeft: want op Bidlo maak ik gantfeh geen ftaat, die met andere zo me- nigmaal van hem bedrogen ben geweeft. Met een grote trotsheyde veracht onze trotze verfmader myne aanmer- merking van de moer koek in waterblaasjes verandert, om dat de Hr. Cos- fonius en Bidlo een voorbeeldt daar van hebben, is ’t my hier om verbo- den myne waarnemingen af te beelden en in ’t licht te geven ? doch Bidlo is op die tydt, wanneer ik myne aanmerkingen uytgegeven hebbe, nog niet te Leyden, beroepen geweeft; ten laatfte, iaat het zo zyn, dat ’er ergens in een byzonder Cabinet op die zelfde tydt ook een aanmerking,die mal- les gdyk was, gezeten heeft, waar door is my dat bekent geworden ? daar en boven hebbe ik myne waarnemingen niet gefchreven voor zulke geoef- fende, en zodanig in alle foort van leeroefteningen volmaakte en van de Aan GOVERT BIDLO O. wieg of daar in opgevoede mannen, als die edele Bedlauw is. Hy verfmaat my, om dat ik aangetekent hebbe, dat ik een houdts milt hebbe uytgejheden, en het dier behouden is gebleven. Zyne onwetenheydt in de ontleedtkunde genoegzaam te kenne gevende 5 Indien hy de gehele aanmerking doorgelezen hadde, zoude hymiflehien gevonden hebbe, waar- om ik dezelve aanmerkenswaardig geocrdeelt hebbe; nademaal in die aan- merking zommige zaken verhaalt worden, dewelke nergenslichtelyk voor- komen, maar nu is ’t oogmerk niet den ondankbaren drogredenaar te on- derwyzen. Hy zegt, dat de Vroedcvrouwen ontallyke malen aangemerkt hebben, dat'er deelen in [embryones] kleyne fchepzeltjes ontbreken, enz. Jk oor- deele, dat de gemelde twee aanmerkingen , bevattende een ontbreking van de huyt en onderleggende fpieren , zo dat de ingewanden en de [motus periftalticus] t’zamentrekkende bewegingder darmen duydelyk gezien kon- de worden, zeldtzaam zyn, en waardig, dat ik ze niet alleen aangetekent,, maar ook een figuur daar van hebbe gemaakt: ik geloof ook niet, dat on- zen plompen flager ooyt zodanig iets aangemerkt heeft. Om wat reden, Be/cheydene Lezer, meent gy , dat hy hier ook geen naamlyk van Autheuren ingelaft heeft, gelyk hy gedaan heeft, alwaar van een flagader-breuk, een valfche bevrugtmg, enz. gehandek wordt ? zoude gy niet geloven, dat hy wat zagtzinniger geworden zynde, my wil fparen ? ik geloof liever, en ik wete, dat dit uyt gebrek gefchiedt is, hy zou ’er ten minke een uyt zo een groot getal bygevoegt hebben ; maar laat het eens waar zyn, (]t welk nogtans gelogen is) dat de Vroed t vrouwen menigmaal zodanige aanmerkingen gehadt hebben; maar tot nog toe hadden de Genees* heeren dezelve niet aangetekent en afgemaalt; verdient dan derhalyen die gene in de geneeskunde niet liever lof, als verachting, die dezen arbeydt op zich genomen heeft, dewelke ik in dat ftuk hebbe aangewent ? eyndelyk fpreekt hy van gewin, dit weet Bidloo bek, die zelft voor Vroedtmeelïer heeft willen fpelen, en die konk heeft hy voor dezen aan zyn Vrouw ge- leert, (?t geen aan veele bekent is) namentlyk om daar zyn voordeel uyt rc* trekken. Hy zegt, dat ik een groot e gemeenfchap met de V'roedtvrouwen boude •. dat ka ik gaarne toe, dewyl ik wegens myn ampt gehouden ben, haar ia *c openbaar te onderwyzen, en by haar te zyn; maar niemant heeft my ooyt van een fchandelyk gewin hejchuldigt, als Bidloo, om die oorzaak al over lang vermaart, namentlyk dat hy uytftekende het kunsje verftaat 3. waar me- de men een fchandelyke wink zoekt. In de aanmerkingen hebbe ik ook gehandek van een \J er Uit as] onvrngr- 464 ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, baarheydt uyt een todluyting van de [tuba FaLloftianaj trompetten van Fallopius , en ik heb ’er daar natweewaarfchynelyke gevolgen bygevoegt , *t welk de onze bcrifpc: want hy zegt, derhalven is van deze niets waar- agtigs vaft te ft ellen-, de Lezer moet dit dusbegrypenj in’t algemeen heb- be ik gezegt, dat ’er meer zulke gevallen menigmaal voorkomen j twee aan- merkingen heb ik’er voornamentlyk van bcfcbreven 3 dog die aanmerkingen zyn van my niet ge zegt, of kunnen niet waarfchynelyk: gezegt worden: want zc zyn klaarblykelyk, duydelyk, en zeker 3 maar uyt die zekere aan- merkingen heb ik een gevolg getrokken , welk gevolg ik waarfchynelyk ver- klaart hebbe, ’t geen onze bekende drogredenaar liftiglyk verdraayt3 ik zou- de wel, volgens de manier van Bïdloo, kunnen gefchreven hebben,dat het wiskonftig zeker was 3 maar myn voornemen is geweeft, en blyft, zekere zaken aan te tekenen voor zekere, twyfïelagtige voor twyiFelagrige, waar- fchynelyke voor waarfchynelyke3 ik zie niet, wat daar mteberifpen valt, dat ik ’er maar twee uyt zo veele gevallen bygevoegt hebbe 3 maar aanziet de verkeerde gewoontens van een verkeert menlek, indien ’er over eenige ftoffe in ons boek meer aanmerkingen voorkomen, befchuldigt de geftadi- ge quaadtaardige befchuldiger de veelheydc 3 zo ik ’cr weynige uytkieze, befchuldigt hy de fchaarsheydt. Voorts werpt hy my tegen , dat ik zekere aanmerking befchryvende, na- men tl yk van de waterblaasjes in de naveljireng, vrage , waar uyt zulks dog komt ? ik hebbe de uytlegging agtergelaten om veele oorzaken, die ik op zyn plaats openbaren zal Voegt gy, Opperuytlegger, by die oorza- ken nog deze, namentlyk, op dat ik u niet affnyden zou de gelegentheydt om uwe wysheydt te vertonen: want gy gelooft bedreven ,en gereedt tc zyn om alle verborgen uyt te leggen 3 die zich beroemt, enmetydele trotsheydt opgeblazen, onder uwes gelyken pocht, dat gy de proefftukken. aangaande de lucht, luchtpompen, quikzilver, enz. behendiger in ’r werk kunt Hellen, als andere, die deze met zo veel goedtkeuring, en een weer- galozen uytkomft veele Jaren lang hebben uytgevoert. Waar die groote Covert fpreekt van 47. Autheuren enz., heb'ik my naaitwlyks van lachen kunnen bedwingen 3 ’t blykt ligtelyk, dat den onzen Merclinus en regillers van andere boeken over de fchriften der Geneeshee- ren of doorbladert, of bezorgt heeft, dat andere, die hem raadt geven , die het Latyn bezorgen, en helpe fchryven, dezelve ook zoude doorlezen 3 nade- maal die Autheureo verfcheyde namen der Schryvers, en over waf zaak zy gefchreven hebben, melden, waar uyt hy een geheele naamlyft bybrengt; ja hy fchynt de namen der Autheuren alleenlyk, dog niet de naauwkeuri- ge aanmerkingen zelfs, gelezen te hebben. Maar deze manier heeft Bïdloo Aan COVERT BIDLOO. behaagt, namentlyk hy heeft een naamlyft van Autheurcn daar by willen voegen, om by die gelegentheydt het gerucht wegens hem veripreydt, eenigzints te fuflen: want alle, die de levenswyze van Govert en zyne die- pe Leeroeffeningen kennen, bekennen rondt uyt, dat hy isongeleert, een zwetzer, en dc verachting en fchande van ’t Academie, en van deProfef- forale ordre. Maar, waar van daan zo een fcbiclyke omkering! de onze zegt, dat hy nu de kortbeydt wil betrachten * het komt hem niet meer gelegen, misda- gen in de ontleedtkunde aan te tekenen $ by aldien hy de laftenngen hadde overgellagen, en in die plaats waarheden in de ontleedtkunde ingevoegt hadde , zoude hy niet, zo hy de kortheydt in ’t uytbraken van lafteringen betracht hadde, beter gedaan hebben? maar de onze heeft al over lang ge- leert, door menigerhande konften den ftrik te ontvlieden. Die magtige Ontleder heeft ook zommige dingen berifpt, die in onze Brieven gevonden worden: want hy gelooft , dat het onmogelyk is, dat de jlag-aderen van V hart zodanig afgebeelt kunnen worden, als ik ze af- gebeelt hebbe: dat hem dit onmogelyk is, gelove ik ook, maar dat hef my mogelyk geweeft is , heb ik aangetoont; dog hoor eens, myn lieve Coridon l zyt gy in zo groote bezigheden ingewikkelt, dat Ude geheugen is nu ver- gankelyk wordt ? hebt gy zelfs de vaten van de herflenen, en andere ontel- bare dingen niet afgebeelt , die ik hier voorby ga ? by voorbeeldt, de ftam van de gehele grote flagader met zyne voornaamfte verfpreydingen, enz. daar ’t echter blykt, hoe vele zwarigheden ’er zich opdoen, die ik hier niet zal ophalen j indien iemant deze dingen na behoren wilde aanwyzen , hy zoude groter beletzel, als in ’t hart, vinden: maar ik zie dat ge uwe oude gewoontens nog niet wilt afleggen, namentlyk, dat gy een drogredenaar zyt: want gy voegt ’er by, als of ik gezegt hebbe, dat ik volkome en ten volle alle de voorgeftelde vaten aangewezen hebbe, ofte aan wy zen zal, de- wyl ik ’er zorgvuldiglyk bygevoegt hebbe, gclyk ge in den inhoudt kunt zien, byna-, want het was my genoeg bekent, dat het of zeermoeyelykof onmogelyk was, alle aan te wyzen; indien gyXJ van den lafter, waarvan ik U ook in deze plaats befchuldige, wilt ontdoen, vertoon de plaats, waar ik alle gefchreven hebbe j ’t geen gy op de gemelde plaats fchryft, ey lieve paft dat op Uwe figuur toe, waar in de grote flagader aangewezen wordt en waar in daarenboven vertoont worden de flagaderen door de herflenen verfpreydt, de vliezen en zelfftandigheydt der herflenen enz. af- genomen zynde, en dan zult gy my geenzints befchuldigen, dat ik zoda- nig een figuur van de vaten van ’t hart gemaakt hebbe. Maar op dat dc Lezer ziet, of Govert de vaten der herflenen beter afgebeelt heeft, als ik ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, de vaten van ’t hart ? verwagt ik, dat hy in de naafte openbare ontleding in een menfchelyk voorwerp de vaten der herflencn, en andere zaken met zyne figuren overeenkomende , duydelyk tc voorfchyn brenge, gelyker- wys ik aan myn kant belove , dat ik zulks omtrent de vaten van ’t hart doen zal. Nu onderzoeke ik ook niet, of myne figuur gebrekkelyk is , gelyk hy daar op aandringt, dat is , of ik volkome en ten volle alle de takjes, ja zelfs de kleynfte, hebbe aangewezen : want dat hebbe ik niet voorgege- ven , ik hebbe geoordeelt genoeg te zyn, dat ik ’er meer vertoont hebbe, als iemant voor my, ja meer, als Bidloo ook ter dezer ure, gelyk ik mene, zal kunnen vertonen 3 voorts hebbe ik gedagt, dat het genoeg was, een proef vertoont te hebben, waar uyt nogtans genoegzaam blykt, hoe ver- keerdelyk Covert deze vaten afgebeelt heeft; de gezegde figuur is echter niet minder re pryzen, om dat ’er in die afbeelding zommige takjes gebre- ken 3 dewyl ze met voorbedagtheydt afgefneden vertoont worden, op datze ontbreken, en den loop van de anderen niet zoude verduyftcren; welk ge- heym onze Berifper niet begrepen heeft. Buyten gewoonte vraagt die Bedaarde met bedaartheydt op de waarom ik in myne aanmerkingen en elders, de baarmoeders, galblazen, dar- meneert andere ingewanden zonder een voet ftap van bloetvaten vertoont hebbed Ik antwoorde, in ’t fchryven van myne aanmerkingen, hebbe ik menigmaal ge- zien op ’t oogmerk op die plaats voorgeftelt, ’t geen ik ook in deze aanmer- king hebbe voorgenomen, en zulks zal een Jonge van tien Jarenlichtelyk kunnen zien* myn voornemen is hier niet geweeft, nog heeft kunne zyn, de darmen ontleedtkundig af te beelden, maar alleen dat gene aan te wy- zen, ’t welk in ’t zelve voorwerp zich voornamentlyk buyten de gewone gefteltenis. vertoonde j derhalven hebbe ik om die reden geoordeelt, dat de vaten daar niet moeflen bygedaan worden, dewylze niets tot ons oogmerk deden: Zo gy dit in uwe tafelen waargenomen hadt, myn goede Man, zoudt gy zo een fchandelyke, en voor een eerlyk man on waardige, ja een ondeugende misflag niet begaan hebben, nog de [,genitalia'] teeldelen zo onbefchaamt en onkuyfch hebbe laten afbeelden 3 gelykerwysik hier onder wydtlopiger ook zal aantonen. Tot nog toe, Lezer, zyn de zaken, die wy overwogen hebben, ont- leedtkundig, of ten minfte ze fchynen zo 3 de andere dingen zal ik zo naau\y niet onderzoeken, dewylze een menigte van laffer en hoon bevatten, die de lafteraar, ik zou beter gezegt hebben, de uytzinnige, uytbraakt: want op de i. 2 . en 3. bladtz. valt hy op myaan, als een fchermer, en met mon- den .vol braakt hy al zyn gal van zyne grouwelyke gramfehap op my uyt, Aan COVERT BIDLOO. en hy toont wydtlopig aan, dat hy in ’t klieren een fchandaleuze mcefter cn autheur niet alleen voor dezen geweeft is, maar dat hy nu nog zyn wolfs- huydt niet uytgetrokken heeft; laat hy zich fchamen, zo hy nog eenigc fchaamte heeft, die aan anderen eerlyker, alshy, zulke dingen wil opdrin- gen, waar mede hy al voor vele Jaren zeer bel'met is geweeft* maar op dat ik my in ’t verhalen van de lafteringen , uyt zo een onreyne mont op my uytgeftort, niet langer ophoude, hebbe ik in den beginne eenige Haaltjes aangehaalt, waar over ik verzoeke, dat de befcheydene Lezer met een on- geveynften zuyver gemoet, wil oordelen. Wie houdt zich van lachen, wanneer hy zegt, dat hy my in laftermgen tegen te werpen, n iet gelyk is ? en ondertuflchen oordeelt die vredelievende Gever t, dat ik een zeer groot e vyant van de ruft ben, en klaagt over ’t ongelyk hem aangedaan* Zogy, Lezer, dit zult kunnen verdragen, zult gy van gelyke lyden, dat de Op- roermakers Gracchi van Oproer klagen; Mynzßidlooy ey lieve, brengtU eens te binnen, met wat een woede gy tegens my uytgevarenzyt, voor het uytgeven myner Brieven, zo in private Collegien, als op Stoel, en elders * maar waar heen voert zyn drift hem verder, dat hy fchryft, dat ik een lafte- raar ben, dat niemandt my voor eerlyk zal houden? enz. Wel Bidloo, wat wil dat zeggen,, is ’cr ooyt zodanig een fpraak van my gegaan, dat ik de jcugt verleyt hebbe ? zyn ’er ooyt klagten tegen my over deze zaak van de ouders gedaan? ben ik ooyt een aanrader geweeft, dat de jongelingen met veranderde klederen zich tot hoerdery zoude begeven? heb ik my ooyt late gebruyken tot een uytvoerder van een ongeoorlofde zaak ? heb ik ooyt zaat van onenigheydt tuflehen echtgenoten of bloetvrienden geftrooyt en aan- gequeekt? Waarlyk niemant heeft my daar ooyt op aangezien. Nooytben ik ook verdagt geweeft omtrent hoerekonften, fchoon hy op de 14. bladtz. zegt, dat ik een hoer enblanket zei gebruyke zeer gaarne zwigt ik voor den onze, die in hoerekonften bedreven is, nademaal hy op zyn duympje Co- rinna, van rok berooft, fprekende, weet, of hy brengt niet dog onbcfchaamt genoeg, haar fpreukje te voorfchyn, aldus: Al wil men de natuur met ge welt ver dry ven, ze zal echter gedurig wederkomen. Zult gy my met een zeer grote vyant van lettereeffeningen noemen ? gy dwaalt in de perfoon, dat raakt iemant anders, die een groot vyandt is van allerhande gelecrtheden, cn die zelfs de geeftelyke niet gewoon is te Ipa- ren, maar met zyne gebaartens, zo veel in zyn vermogen is, met die eer- waardige ordre de gek fcheert 3 laat hy derhalven zich fchamen, die niet verbleken kan ? ANTWOORT van FREDRIK RUYSGH, Hy voegt by het verhaalde, dat ik mannen, die deugtzamer en fchran- der der zyn als ik > met fchimf woorden lajiere3 Ozuyver, vreetzaam, ea onbevlekt gemoet l laten die van Amfterdam, van Leyden, en den Haag K die Uwe zeden en geleertheydt kennen, tuftchenUen my oordelen. Ik oordele, ’t geen antwoort waardig te zyn, dat hy my een Bralettor noemt 3 Hoe dan, indien ik U ook met den naam van Leöïor vereerde ? die ondertuftchen twyftelt , of ik den titul, die ik voor myne brieven en an- dere fchriften gezet hebbe, met recht of onrecht gebruyke , laat hy na ’t Stadthuys gaan, en zien, dat de Achtb: Heeren Borgermeefteren my tot ProfefTor hebben aangeftelt. Ik hebbe ook niet willen antwoorden op ’t geen, ’t welk hy op de 14. bladtz. van myn balfemen fnapr, alwaar hy onderftelt, dat myne gebalfem- de dode lichamen, zo ze in de lucht gezet worden, met een lelyke zwarte couleur zullen befmet worden: hebbe ik ooyt verzekert, dat alle zoorten van bereyde zaken eveneens de ongemakken van de lucht verdragen kun- nen? daar zyn ’er die de lucht verdragen, en die ze al 34. en meer Jaren verdragen hebben, en echter zynze met geen ielyk zwart bedekt; daar zyn ’er ook andere, die , zo ze niet door een andere konft bewaart wierden, ZO glanzig niet blyven zouden : maar is dit in verfchil? evenwel betuyge ik by ervarentheydt, en durve alle uren vertonen, dat onze zaken met geen zwarte couleur bedekt zyn geworden, tot fpyt van Bidlo, enzyneindeze kon ft onbedrevene aanbrengers. Maar nadien gy zo fch reeuwt van het zet- ten in de lucht, zoudt gy, die zo vermaart zyt, niet wenfchen, dat ie- mande uwe konften in ’t licht zettede ?. Voorts roept hy, dat myne dode lichamen door menie} lootwit ,en fchar- lakenrode verf vervalfcht worden :is ’t niet evenveel, door welke konft ik ze beware? en op wat wys zulks gdchiedt ? zo ze maar ongefchonde blyven i zekerlyk, als hy de zync wil bybrengen, toont hy klaar, dathy. in. die konft geheel en al onbedreven is 3 miftchien hcbbeik’tmiswantby pocht, dat onze konft grepen hem bekent zyn, en hy fpreekt, van zyn bal- Jemagtige geef 3 laat het zo zyn, dat die geeft hem bekent is , wat is ’er my aan. gelegen ? wie benydt hem dit ? wat my belangt , ik benyde het hem niet, maar ik verwondere my meer daar over 5 dog het tegendeel hebbe ik in de Brie- ven aangetoont, en ik zal ’t wydtlopiger aantonen , dat de zaak zo niet is, wanneer ’t my gelegen komt; Bidlo moet het my vergeven, dat ik aan deze fnorkeryen- geen geloof fla: want my is ten overvloede bekent, datdc mee- fte dingen , die in zyn armmoedig Cabinet gevonden worden, van hem zelfs niet bereydt zyn, maar ergens anders van daan gehaalt. Dog hy heeft zyn Studenten een geef geleert, dat geloof ik : want de olie van Aan COVERT B 1 D L O O. tcrpentyn is op zyn manier ook een balfemagtige geeft j is dit nu ons ver- fchil ? bcwyft dit, dat de geeft , van hem geleert , de zelfde is , die wy ge- bruyken ? ft welk vereyfcht wierdt, zo daar uyt blyken zou , dat onze konden aan hem bekent waren. Maar wie ziet met duydelyk genoeg, hoe bedrieglyk deze zyne voorftelling is. Hy heeft aa?t de Studenten een bal- femagtige geef geleert , maar hoedanige? die de voorwerpen niet bewaren- kan voor een vuyle zwarte couleur, maar onze konft kan dit doen, ziet gy derhalven het onderfcheyt niet ? maar fchoon de voorwerpen van my wel bewaart worden, mishagen hem echter de vercieringen van de doode licha- men. Evenwel heeft het hem behaagt , fpotsgewys daar by te voegen, Vi? nogtans niet onaangenaam voor ’/ oog > enz. Des niet tegenftaande heeft de Berifper in de openbare Promotie de Gchoor-plaats van ’t Academie zo der- lyk, gelyk als een toneel, laten opfehikken, dat het liever vooreen plaats* van Zangers en Schouwfpeeldcrs, alwaar men gewoon is Bidloos Fhae~ ton te fpelen, als een Academifchc Gehoor-plaats kan aangezien worden- maar dit, en meer andere dingen, paften miflehien voor Bidlo alleen.. Maar veel zwaarder is de befchuldiging , die hy by brengt, alwaar hy fchryft, dat ik onkuyfchelyk over de teeldelen gefproken hebbe, enz. Ze- kcrlyk, wie verwondert zich met my niet, dat Bidlo my van onkuysheydt befchuldigt; hy oordeelt miflehien, dat ik zyns gelyk ben. Maar die de daden van Bidlo en de myne kennen, laat ik oordelen, wie van ons beydé. Haaltjes van een fchadelyke onkuysheydt gegeven heeft ? Byaldien ik heim aantone, dat dit op hem zelfs met regt toegepaft moet worden j, met wat uytweegjes en drajingen zal hy zich zelven zoeken te zuy veren ? Maar zie,, ik zal ft bewyzen , dat gy zelfs, zeer onkuyfche Bidlo, ever dezemisdaat te befchuldigen zyt: ey lieve, zegt my ? wat willem die fchamelhcden, m uwe figuren zo geil afgebeelt, en wel op die plaats, alwaar gy geen een woordtje van die delen voortbrengt? isft niet, op dat gy, die zelfs door een venusdrift aangemoedigt zyt , uwe dartele kamcraats en boezemvrienden* zoudt aanfporen ? ziet de 3.1. 33. 41. 54. en andere tafelen in de ontleding, van Bidlo. Dog het zal weynig Baten dit van Bidlo gezegt te Hebben’, *t geen over lang alle menfchen gewetenliebben; ’t is beter, dat ik de misdaat van my. afwere, die déze vuylaardige befchuldiger met enige fchyn van waarheydc zoekt uyt te braken. Weet derhalven, Lezer,.dat my door ] aft van dè Ld. Groot Achth. Heer en Borgermeefleren dezer Stede 5 ( gelyk te vo- ren gezegt is) ook opgelegt is , dat ik tendienfte der V reedt vrouwen de ontledingen zoude waarnemen, en haar onderwyzen zou in dé kraamkunde'j. waar by geen.mannen toegelaten worden., ten zy de InfpeUores Collègfv ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, Medici, en Overlieden van ’t Chirurgyns Gilde, onder welke Infpeftorcs ook getek wordt de Broeder van Govert 3 in zodanige vertoningen moet ’er op een andere wys gehandelt worden, als in een ontleding, die ten dien- fte der Studenten in ’t werk geftelt wort: en wie twyffelt, dat ’er in deze byeenkomft van Vroedtvrouwen niet altydt zulke omfchry vingen gebruykt moeten worden, die men in andere ontledingen bybrengt? Wie zal ’tqua- lyk nemen, dat ik in die vergadering van bejaarde Vrouwen zomtydts, op datze de zaak duydeiyker bevatten, alwaar ’t vereyfcht wordt, een fchuyt een fchuyt noeme ? in myne andere ontledingen, die ik in ’t openbaar ver- rigt hebbe, geheugt het my niet, eenige woorden gebruykt te hebben, die, voor zo veel als de plaats en tyde zulks beveelde, oneerbaar zyn geweeftj ik hebbe ook niets gefproken, dat onze zedige en kuyfche, en nu zeer y ve- rige voorkander en befchermer van kuysheydt , zoude kunnen berifpen. Miflchien zal ik in ’t korte een nieuwe ontleding voor de Vroedtvrouwen aanregten, dan zal hy weder op nieuws kunnen fchryven, dat ik niet ze- dig genoeg te werk gegaan hebbe, zwygende namentlyk, dat het een ver- toning is geweeft voor de Vroedtvrouwen. Hy teykent aan, dat ik niet alleen onkuyfchelyk handde, maar ook beu- zelingen aan de leerlingen in de ontleedt kunde ofdringe 3 dat hy in tegen- deel grondige en weergaloze dingen verhandelt, getuygen zyne menigvuldige Collegien, het groot getal van Studenten, hem om zyne diepe wetenfehap en getrouwe onderwyzing fmekende 3 want alzo verhalen ons de Studenten, zo Duytfchers als andere, geleerder als haar leermeefter, die Leyden, de koel der wetenfehappen, wegens de achteloosheydt en onkunde van Govert ver- laten ; maar het komt onzen Aartsontleder niet gelegen, om zich met geringe oefleningen te bemoeyen. Ik hadde die gewigtige aanmerking byna over ’t hooft gezien, dewelke hy op de 18. bladtz. zynes verdedigings het blykt, zegthy, by ervarentheydt, dat de fagaderen uyt groter in kleynder takken verffreyt worden, maar in deze afbeelding lof en zommige takjes van kleynder tot groter uyt. Het blykt, dat Bidlo met zyne medehelpers nog verftaan, nog waargenomen hebben, wat’er gebeurt, alwaar een aanmerkelyke [anaftomo- Jïs~\ inmondiging van flagaderen met flagaderen gefchiedt, ’t geen ik voor ’t oog vertone kan. Maar waarom zou ik dit beftraffen in een menfeh, wien de geheugenis, gelyk ik te voren vermaant hebbe , nu zwak wordt, anders zoude hy gedagt hebben, dat het zelfde in zyne Anatomifche tafe- len op verfcheyde plaatzen te vinden was, namentlyk in de 1. figuur van de 36. tafel in de t’zamenftel van de grote flagader, als mede in de vaten , door het dikke herflenvlies verfpreydt. Ziet daar en boven de 4.5. en 13. fig. Aan G O V ERT BIDEOO. 471 van de 4. tafel, de 6. fig. van dc 5. tafel, de 1. %. van de 7. tafel, de 1. en 2. dg- van de 8. tafel, de 1. 3. 4. en 5. fig.vande tafel, de 2.ég. van de 10. rafel, de 2. fig. van de 45. tafel, enz. Maar waarom haal ik de figu- ren in zyne tafelen aangewezen aan ? latenwe maar gaan tot de eerfte figuur van de 3. tafel zynes verdedigings, alwaar gy het zelfde zult gewaar wor- den in de milt-flagader van een menfch niet alleen , maar ook in die van een kalf. Met een groot gefchreeuw beuzelt hy van de herjfenen in korten tydt neder zinkende 3 en derzelver kronkels 3 van het ontbreken der voetftappen van V dikke herJfenv lies, en meer andere beuzelingen: in alle deze toont hy > dat hy geen fyne, maar een zeer grove flager is, dewyl ik die dingen in ’t openbaar hebbe aangewezen, en noggereetben in de voorwerpen zelfs deze zelfde zaken te vertonen , die ik in myne figuren hebbe afgebeelt, fchoon Bidloo deze in de voorwerpen niet heeft kunnen vinden of vertonen, daar ik my niet over verwondere* nademaal de konften van een Pochende Thrafo hem gemeen zyn, maar ontleetkundige konften, die hem onbekent zyn, worden daar toe vereyfcht. Ik antwoorde niet eens op de achtcrhaling , die hy op myne woorden maakt, alwaar ik fchryf, dit is niemant bekent, enz. Want wie zal zich met my niet verwonderen over de ongematigtheydt van dien zeer groven flager Bidloo ? want wien kan ’t onbekent zyn, dat die manier van fpreken zo zeer niet bepaalt, of ’er ergens iemant zich onthoudt, die dat weet * want ik oordele het onmogelyk , dat het in ’s menfehen gedagten komt, dat wy daar uyt verzekert zyn 3 maar het gebruyk heeft het beveiligt, dat men zegt, het is onbekent, wanneer zulks niet is afgebeelt, of befchreven, of liever met den druk gemeen gemaakt 3 met die zelfde gedagten hebbe ik dit ook uytgedrukt. Daarom zal ’t van Bidloos pligt zyn, die genen te noemen , die zulks aangetekent hebben 3 ik oordele dat zulks hem, en die zyne raadtgevers zyn geweeft, niet moeyelyk vallen zal, indien dit zo be- kent is. Ziet eens, befcheydene Lezer, hoe een geringe misdaat ik we- derom begaan hebbe in de ogen van dien dwaze en belachelyke berilper. Ik hebbe in’t algemeen, zonder iemant te noemen , zommige dingen in myne Brieven gezegt van Profcflbren, die veel beloven en weynig uyt voe- ren 3 de onze in zyn geweten overtuygt zynde, begrypt dat de zaak op hem geduydt wordt 3 laat dit op Bidlo gepaft zyn ! Hoe antwoort hy ? hy zegt,, dat hy meer dode lichamen geopent heeft, enz. is ditin verfchil? daar wort gevraagt, hoe veel hy ’er openbaarlyk in ’t Anatomifche Theater heeft? laat hy ze, zo’themluft, in de naafté ontleding optellen fee vele openbare ontledingen hy gehouden heeft. Derhalycn raakt het my niet, alwaar.' hy zegt, dat hy *er meergeopent heeft,. Op 3 472 ANT WOORT van FREDRIK RUYSCH, Op de 42. bladtz. zegt hy, dat ik wederom het zwaart uyt de fchee ge* trokken hebbe, en den tienden zeer laf er lyken brief klaar make. 'tSchynt l&idlo een ligte zaak, het zwaart te trekken ? maar wie heeft U , zeer be- hendige vermaner, dit aangaande dezen brief verfchaft ? laat hy te voor- fchyn kome, ik zal hem, gelyk ik U al over lang befchuldigthebbe,over leugens befchuldigen 3 en ’c zal hem even moeyelyk vallen, als voor dezen U, dit merkteken van eerroving weg te nemen. Die allervoorzigtigfte, dewelke zyn gehele levensloop door, over al zulke fraye haaltjes van zyn leven gegeven heeft, noemt my fpotsgewys voor- zagtig. Ik ben by my zelve bewuft, dat ik my tot nog toe zo voorzigtig gedragen hebbe, dat ik de handen van guyteryen en fchelmftukken hebbe afgehouden 3 hier hebt gy myne openhartige belydenis, daar zult gy veylig op kunne vertrouwen 5 ik zal aan myne kant niet weygeren uwe belydenis aan te nemen, alwaar gy bekent niet onbeweeglyk te zyn3 ik zal daar niet ligt toe komen, dat ik U voor onbeweeglyk houde, byaldien gy zodanig geworden was, zoudt gy bovenmate verandert zyn, dewyl gy van alle al- tydt volgens alle kentekenen befchuldigt zytgeweeft van lichtvaardigheyde} op gelyke wyze worde ik overtuygt van Bidlo y alwaar hy fchryft, dat hy nydigheydt kan dragen : want wat reden van twyffelen is ’er overig ? na- dien ontelbare met my ondervonden hebben, dat hy dien vyant lang in zy- nen boezem gedragen , en dien aanklevenden metgezel by zich gevoert heeft. Ten kalle, wanneer hy voelt dat hy zyn gedrag in ontlcedtkundige za- ken verloren heeft, zoekt IVtdlo wederom een uytvlugje , en berifpt myne taalkunde3 die een uytmuntent taalkundige wil fchynen, befchuldigt my van een fchandelyke wantaal 5 laat onze Thaëton op deze plaats het lof- schrift herhalen, en volgens de konft opzingen ; T)e fchriften van den baartfeheerder Licinus zyn gefchikt, om den aars te vegen. Wie gelooft niet 3 die dit gelezen, en Govert niet ergens anders uyt gc- kent zal hebben , dat hy verre van wantaal afwykt, ja ook daar van een af- fchrik heeft: want hy /preekt zinfpreuken shy kent Jfranius ; Cato is hem gemeenzaam j laat hy derhalven uyt de regelgedigten van Cato herha- len , wanneer hy myn antwoort zal gelezen hebben, Het geen gy hebt verdient, verdraag dat met gedult. Verdoem u zelf, wanneer gy voelt uw eige fchult, Gy moet weten, Govert, dat de misdaden voor een tydt verborgen zyn, en door de tydt bekent worden. Maar om mcr ernft: over ernkige zaken re handelen, bekenne ik, Lezer> dat ik meer tydts bekeedt hebbe tot de ontleetkunde , als tot een deftige en Zuyvere latiniteit , nog dat ik zo bezorgt ben geweeft over de latynfche taal, als de zaken , die ik in ’t fchry ven van rnyne brieven en aanmerkingen voor- geftelt hadde. Niet dat ik my dit tot lof rekene, maar ik hope , dat alle, die weten, hoe weymg tydts wy overig hebben , my dar gun niglyk verge- ven, en liever wenlchen zullen , dat ik met minder befchaafde woorden de nuttigfte zaken voor Dofforen en Chirurgyns befchryve, als dat ik die we- gens dit gebrekin ’t geheel by my houde. Weet evenwel,dat Btdlo hierin,gelyk als in andere zaken, volgens zyne gewone manier ook quaadtaardigheydi- en bedrog aangewent heeft: om welke reden ik nalaten zal, op ieder in ’c byzonder te antwoorden j ik gelove, dat het genoeg zal zyn , zo ik hem met een of twee voorbeelden van valfcheydt en quaataardigheyt zal over- tuygen. Op dat dit blyke, eylieve overweeg eens, ’t geen hy iiyt onze 3. Brief lin. .20. by brengt, als of ik gefchreve zou hebben confervandi ca- davera, quarum &c: nademaal in den Brief, op de plaats van hem aan- gehaalt, op de 17. bladtz. lin. 20. gelezen wort, confervandi cadavera, gnarum enz. Namentlyk Bïdloo hadt zich beroemt, dat hy kundig was, enz. Op de 55. bladtz. lin. 25. haalt hy verkeerde!yk onze aanmerking aan: want hy fchrytt obfërv. 84. en ’t is de 33. obferv. pag. 43. enz. Hy verzekert dat ik occafione gefchreven hebbe , brutotum, factie, Brofefjor, enz. Wie ziet niet, hoe belachelyk deze dingen zyn, nadien het hgtelyk blykt, dat deze drukfeilen zyn , het geen zeer dikmaals gebeurt 3 zo’er in ’t eerde voorheek voor/een / gekek wort, dan zal ’t zyn occafione \ in ’c tweede voor r, dan zal ’t brutorum zyn jin ’t derde voor ƒ, ƒ, dan zal \ factie zyn ;in ’t vierde voor ƒ, ƒ, dan zal ’t Trofeffor zyn. Wat dunkt U, Lezer, is dar niet zemelknopen? gelyk hy zegt op de 29 bladtz. Indien ik op die manier wilde haayrkloven, wat zou Bïdloo antwoorden, ais ik zcydc, dat er zulke feylen ontelbaar en veel zwaarder in zyne Ver- dediging voorquamen, by voorheek, op de 3. bladtz. lin. 8. me trialle ah Ruyfcmo audire Keno, quant ab viro honefi o male diens -y in plaats van me malle audh e lenouem, quant a vit o honefio rnaledicum: Zommi ge zouden niet zeer ongerymt in onze taal zeggen , *Die Karei is mal. Op de 11. bladtz. lin, 2. pofieritati di^nifiima, in plaats van poft er date. Ik gelove, dat by IJ het Adjeftivum Dignus & Indignus regeert in Dativ. volgens uwe nieu- we Grammatica. Op de 3. bladtz. lin. 25. fed Met, nee heet, voor nee Inbet, nee heet. Op de 14. bladtz. lin, 15. Ramp ere ïha, voor JRnmpi Jha, rumpantur ut Iha Codro. Op de 15. bladtz. lin. 13. fecundurn me, is een oprechte wantaal, die Bïdloo wel pak. Op de 11. bladtz. lin. 19. Aan COVERT BÏDLOO. 473 ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, Credo quodfic, een fraye taal! Bidloo alleen voegende. Op de 3.'bladtz. lin. 10. Ganionem voor Ganeonem. Op de 10. bladtz. lin. 8. narraverïm quod fum pofejfüs, voor quod firn pofcfius. Op de 17. bladtz. lin. 8. iiondum cenforem demhto mcautum, voor Cenfirem incautum dimitto. Ik zoude hier by nog een grote lyft kunne voegen , maar laten deze vveynige voor een proef genoeg zyn. Op de, 31. bladtz. lm. 21, deejfmn voor de~ cepm. Op de 30, bladtz. lin. 12. ben ivo le voor benevole. Op de 49. bladtz. lin. 6. OE/öphagnum voor oefiophagum. Op de 49. bladtz. lin. 16. Brochia voor Bronchia. Op de 55. bladtz. lin, 6. hit voor hi. Op dess.bladtz. lin. 17. van de 720. tot de 336. bladtz. enz. toe, wie heeft ooyt zulk op- tellen gehoort ? Zyne inaugarale oratie, en andere fchriften, zoude meer mistellingen hebben, ten ware ze van voorzigtiger aan de Bennebroeker Laan waren verbetert. Maar ten laate is ’t nodig, verlof te verzoeken, ’c welk my, gelykik hope, de zeer goetaardige, en van kintsbeen af zacht- zinnige Goverfy niet weygeren zal, dat ik voor zyne keurige oren ook in dit gefchrifc geen Latyn genoeg gefchreve hebbe, en dat daarenboven de Drukker enige drukfeylen begaan heeft , die ik verzoeke volgens gewone befcheydenheydt te verbetere. BEKNOPTE HERHALING der ZAKEN, Die in dit Antwoort begrepen zyn. Ik hebbe in de voorgaande Verdediging tegen de ongerymde aanmerkin- gen, en belachelyke verdrayingen van Bidloo, zyne wangunftigheydt op my en myne fchriften, wytlopig genoeg verklaart en uytgelegt -} maar na- dien ik wete, dat ’er zommige zyn zullen, wien zo een wydtlopige nete- lige lezing ligtelyk kan walgen, heeft het my behaagt deze Tafel daar by te voegen, waar uyt de befcheydene Lezer in ’t kort, en als in eene op- flag, een lyft van ons verfchil kan zien. Op de 441* en volgende bladtz. wordt gehandelt van de huydtklie- ren , dewelke Bidloo gr afnaaitsgewys af beek, en verzekert dat Malpighius ’t zelfde geftelt heeft 5 maar ik tone klaar aan, Ten cerfle, dat Bidloo het gehele verfchil bedriegelyk verandert, liftig- ]yk of onacht zamel yfc, namentlyk van de klieren, waar over het verfchil alleen is ge weeft 5 afwykende na de tepeltjes , cn deze twee lichamen in zyne verdediging quaadraardiglyk mee malkandcre vermengende, als of ze een en ft zeilde waren * daar ft nogtans aan de Jongens zefts bekent is, dat de gemelde klieren en tepeltjes twee onderfcheydcntlyke wcrktuygen zyn. z. Dat ik in de openbare ontleding nog van de gr afnaait Sgewy ze te- peltjes , nog van die klieren in myne Brieven een woort gefproken hebber daarenboven hebbe ik aangetoont, dat Malpighius die klieren nooyt graf- naaltsgcwys genaamt heeft. Op de 443. bladtz. wort gehandelt van het middelde herjfenvlies, het fpïmevuebsvlies genaamt ; en daar wort aangetoont , dat Bidloo dit ver- fchil liftiglyk verandert heeft: want hy verhaalt het, als of hy van my be- rifpt is geweeft , om dat hy maar een gedeelte van dat vlies aangewezen heeft, maar duydelyk wort het tegendeel aangetoont ; want ik hebbe hem niet befchuldigt, om dat hy zo een kleyn, maar om dat hy zo een groot ge- deelte van dit vlies, en dat wel met zyne zichtbare bloctvaten afgebeelt heeft, ft welk ik ontkent hebbe te kunne gefchieden, om dat het al te dun, en te vaft met het dunne herftenvlies vaftzit, als dat ’er een zodanig groot gedeelte kan afgefcheyden worden, welkers dunte en vafthegting ik in te- genwoordigheyt van Bidlo zelfs in ft openbaar hebbe aangetoont. Ik hebbe daar na geantwoort op de tegenwerping , die hy bygebragt heeft, namentlyk dat het hem zo wel geoorloft was een gedeelte van ft fpinnewebsvlies, alsmy, een gedeelte van ft borftvlies, af te beelden. Maar ik hebbe het onderfcheyt aangewezen, nadien niemant, ten zy in de ont- Icetkunde onbedreven, onbewuft is, dat het borftvlies een dik, en ligt re fcheydene vlies is * het fpinnewebsvlies in tegendeel zeer dun, en aan ft dunne herflbnvlies vaftzittende, en bygevolg zodanig niet te fcheyden is, dat iemant zo een groot gedeelte kanaanwyzen met die gedaante, al sßidloo ft zelve afgebeelt heeft. Het heeft my niet gekift hier ter plaatze veel te antwoorden op datgene, ft welk hy fnapt van ft vlies amnios, enz. nadien Bidloos liftige vernuft om te bedriegen daar maar alleen op ingefpanne fch y nc, dat hy zonder kleerfcheu- ren door een opvverping van nieuwe verfchillen uyt het naauw geret worde. Op de 444. bladtz. is ’er daar na gehandelt van de verdeling der grote Jlagadtr. Bidloo klaagde, dat ik gezegt zou hebben, dat hy de grote ffag- ader verkeerdelyk afgebeelt hadde; hy heeft die befchuldiging op deze wyzc getragt te wederleggen, zeggende Voor eerff Dat dezelve te Amfterdam van iemant anders met zodanige verdeling, enz. als by Bidloo afgebeelt ftaat, is vertoont; dat deze verkla- ring zeer valfch en verdigt is, hebbe ik hier mede aangetoont > Aan G O V E II T BIDL Q O. 475 476 ANTWOOPvT van FREDRIK RUYSCH, Om dat andere, mee my by die ontleding, daar hyvan fpreekt, teAm- fterdam gehouden, tegenwoordig geweeft zynde, niet gezien hebben, dat dit vertoont is 3en om dat ik zelfs zulks ook niet gezien hebbe 3 alhoewel Bidloo afwezig ge weeft zynde, getuygt, dat dit vertoont is. Wie gelooft gy, befcheydene Lezer, dat geloof t moet worden ? meer ooggetuygcn , of een eenige afwezige oorgetuygen ? Maar laat hem dit eens toegeftaan worden 3 evenwel met die voor waarde, dat Bidloo van deze dwaling befchuldigt zvn- de, zelfs ook in een openbare ontleding aantoont, zodanige verdeling van de grote jlagader, zodanig voort gaande, en zodanig een Jchikking hebben- de , als hy in zyne figuren afgebcelt heeft. Op de uytvlugc, alwaar deze fch randerc Man de verdeling vandemam- •vaten, enz. aanmerkt onbehendig en ongelyk, als of ’t een Ipelmg van de natuur was, hebbe ikgeantwoort, dat Bidloo zulks, ’t gene hy van de grote flagader heeft, voor een natuurlyke haat geftelt heeft: ik hebbe daarenbo- ven nog bygevoegt, dat ’er menigmaal in de kleynder vaten, maar zeer zel- den in de wortelen, en voornamendyk van de grote flagader, een fpeling van de natuur voorkomt. Nog dat het hem baten kan, dat hy deze ontfchnldiging bybrengt, na- mcntïyk dat l^ejalius, en andere dit met hem betuygen: want fchoon men hem toeftondt, dat Vefallus, en andere dit zelfde hebben, echter zie ik niet, hoe hy zich uytclat doolhof zal redden, nadien ik’er bygevoegt heb- be , dat hy volgens myn gevoelen ook dwaalt , die met Vefalius, en die met.andere dwaalt. Evenwel hebbe ik ontkent, dar de zo even gemelde Aurheuren zo grof en plomp gedwaak hebben, a\s Bidloo ged waak heeft v cn ik hebbe gezegt, dit ook toegeftaan zynde, dat’er alleenlyk volgt, dar Bidloo uyt quade erger figuren gemaakt heeft3 nadcmaal het bekent is, dat hy vele zaken liever uyt de figuren van anderen, als uyt het menfchelyke voorwerp genomen en afgebeelt heeft. Op de 4|6en volgende bladtz. wort gehandek van een ’s menfehen milt en deszelfs gefleltenïs: Bidloo heeft hem celluleus, en met dwerfche veze- len voorzien afgebeelt, nemende de figuur uyt een kalfsmilt, en dringt aan de geleerde waerek een gedeelte daar van op, als of het een gehele menfche milt was. Voorts haalt hy zommige dingen aan uyt Malpighius, die we- derlege worden: Daarenboven berifpt de Wargeeft, dat ik voor dezen ook gefchreve hebbe, dat de milt klieragtig is, enz. Ik antwoorde, dat ik voorheen de voetftappen van anderen ook volgende, zommige lichamen verkeerdclyk voor klieren gehouden hebbe, die ik daar na, door een onderzoeking volgens myne nieuwe manier gedaan, bevonden hebbe, dat dezelve, geen klieren , dwerfche vezelen., en celletjes of huysjes moeten gezegt worden, ' Op Aan COVERT B 1 D l O O. Op de 449 en volgende bkdtz. ipreken wy dg wortelen van de gal- blaas-, en wy tonen aan , dat hy dit verfchil tot zyn voordeel verwardelyk voorgeftelt heeft , om den Lezer te blinthokken Op dat deze dingen klaar blyken , hebbe ik dit enige maar begeert , na- mcntlyk dat Bidlo m een openbare vertoning in een menfchelyk voorwerp aantone, dat die lichamen, dewelke hy afgebeelt heeft, als wortelenuyt den bodem van de galblaas fpruytende, ware wortelen van de galblaas zyn, maar geen vezelen bloetvaten, of iets van een andere natuur. Laat hy daarenboven aantonen, dat die vaten 'in der daat de ingeflote gal in de holligheydt van de galblaas uytftorten. Ik hebbe aangenome re tonen, dat dezelve geen galvatcn zyn, maar van een gehele andere natuur, het gene ik nu ook al over lang hebbe aangetoont. Op de 450 bladtz. hebbe ik van de val en van V harte zakte, van Bid- lo afgebeelt, gehandelt; Hy dringt daar op aan, dat hy deze vaten beeft afgebeelt. Waar op ik antwoorde, dat dit niet in ’t verfchil is: maar dat dit eygent- lyk het verfchil is, blykt uyt myne woorden, namentlyk of hy die wel, en gelykze in een natuurlyken ftaat zich vertonen, afgebeelt heeft, ’tgene wy ontkent hebben; en nu ook ontkennen. Daar en boven Vort ’er aangetoont, hoe lozelyk Bidkvan ’t voorge- melde gefchii afwykende, geftadig nieuwe verfchillen onderneemt en ver- wekt , waar van tuffehen ons geen twift is gewet ft. Op de 451 bladtz. wort het verfchil van de gaten in V tref wy ze lichaam van Malptghius aangehaaltj en daar wort aangetoont, dat dit buyten ons verfchil is, en dat Bidlo des niet te min evenwel groffelyk gedwaalt, al- waar hy meent, dat deze niet afgebeelt kunne worden, om dat haar figuur licht verandert door ’t drukken , drayen, of andere oorzaken : daarenboven wort ’er vermaant, by aldien de drangreden van Bidlo doorging, dat nog de raont, nog neus, ja nog de bloetvaten zelfs zoude kunnen afgebeelt wor- den , om datze ten enemaal op de zelfde wys verandert worden. Op de zelfde bladtz. 451. wort zyn bedrog vertoont, om dat hy de fi- guur tn zyne ontleding aangewezen, waar mede de tepeltjes afgebeelt wor- den , verandert heeft, enz. en daarenboven wort ’er aangetoont, dat deze figuur in zyne verdeding ook bedrieglyk, en ter quader trouw verzon- nen is. Op de 45 2 bladtz. wordt ’er aangetoont, dat het buyten onze verfchil* len is, ’t gene hy van de gedroogde opperhuyd fnapt, evenwel wort hy be- rispt, om dat hy te kennen geeft, dat de quïkzHver door de vaten van de naaitsgewyze tepeltjes heen vloeyt,. waar van het bewys begeert wort. A N T WOO R T van IF RED&IKRUYSC H, Op dc 45 i.cn volgende bladtz. wart ’er een getrouw verhaal van die dingen gedaan, die hier re Amfterdam in een openbare Anatomiiche vertoning in rcgenwoordigheydt van Bidlo gefchiet zyn. Opdc4ss. bladtz. wort ’er gehandelt van dc watervaten voor 30 jaren van my afgebeelt: alwaar hy my zottelyk berispt, dat ik die vaten meen paarddever groter afgebeelt hebbe, alsze volgens evenredcnheydt moeften afgebeelt worden. Waarop ikantwoorde, dat ik met uytdrukkelyke woorden de lezers gcwaarlchouwt hebbe, dat die lever een paardelever, en in een klynder ge- daante in deze figuur afgebeelt was, als de natuurlyke grote van die lever anderzints is; en dat om verfchyde redenen, om dat ik namendyk gezien hadde op de vorm van ’t klyne boekje, die de behoorlyke afbeelding van een natuurlyke paardelever niet fcheen toe te laten; maar dat ik evenwel de watervaten met de klapvliezen in haar natuurlyke (laat hebbe aangewe- zen, om dat de vorm van ’t boekje zulks niet belettede. Ten anderen dat myn oogmerk niet geweeft is, een afbeelding van de lever voor te Hellen, maar alleen dc watervaten van de lever; ik hebbe daar bygevoegt, dat ik ze nog in dezelfde Haat hebbe bewaart, en dat ikze aan ider een, die begerig is dezelve te zien, vertonen kan. Daarenboven wort ’er een grote dwaling van Bidlo in de nieuwe figuur van de verdediging begaan, aangetekent. Op de455.bladtz. wort ’er op de zelfde wys geantwoortop dat gene, ’t welk hy van de evenredenbeydt van de kolader van ons af ge bedt ,fnapt: te gelyk wort ’cr ook voorgeHelt de gebrekkelyke af beelding van de lever, dewelke in de grote anatomie van den groten Bidlo gevonden wort. Op de 45 7. bladtz, wort ’er gcantwoort op ’t fchenden tegen myne af- beelding van de luchtpyp; om dat ik namendyk dezelve ook van agteren ?net ringen hebbe afgebeelt. maar Voor eer ft, ontkenne ik, dat dezelve volkomen op die wys wort aange- wezen. Ten twede, tone ik aan, dat de plaatfnyder de luchtpyp enigzinrs bre- der, en niet genoeg afgezonden: heeft uytgedrukt. Ten derde. zegge ik, dat dezelve uyt een jong kalf is genomen geweeft; in welk voorwerp de ringetjes byna de gehele logt-pyp Ichynen te omrin- gen j en dat de ’tzamentrekldng de oorzaak is geweeft van die verkhy- ninge, en dat het my geoorlooft is geweeft dezelve zodanig af te beelden, nademaal ik ’er bygevoegt hebbe, dat die logtpyp niet genomen was uyt een menfehelyk lichaam5 maar ik hebbe aangetekent, dat Bidlo dingen, die van heeften zy n, voor menfchely ke hier en daar in figuren ter quader trou- we heeft afgebeelt. Op Aan COVERT BIDLO O. Op bladtz. antwoorde ik op ds berisping, die by nry tegcngc-- worpen heelt aangaande het g verft aan van de kraakbeenderen der longepy- pen 5f de jlsgte af beelding van de luchtpypverklarende namentlyk, dat myn oogmerk niet geweeft is in dat boekje een naauwkeunge ontleding van de luchtpyp en andere delen te befchryven; en daarenboven dat ’er in 't gemelde voorwerp de kraakbeenderen der longepypen in haar natuurlyken ftaat voor ’t blote gezicht niet verfchenen zyn. Op de zelfde bladtz. antwoorde ik op dat gene, daar hy zo afgryflelyk van fchreeuwt , om dat ik al te ligtvaardiglyk gezegt hebbe, dut de bo~ venfle tak van de luchtpyp alleen in koeyen en kalveren gevonden won 3 nadien hy in tegendeel verzekert dat dezelve ook in fchapen gevoede wort. Namentlyk Dat de [ lohus ] longefnede niet volkome in fchapen overeenkomt met anderen} ’t welke ik belove in de naafte ontleding te zullen aantonen. Op de4sB.bladtz. antwoorde ik op de verbetering, die hy met een be- ftraffing op my uytftort, om dat ik gezegt hebbe, dat den uytgang van ds longpypjlagader kromagtig Jehuyns is, dewelke die rechtzinnige Bidlo al- tydt lynrecht oordeelt; ik zegge namentlyk, dat ik menigmalen den ge- melden loop hebbe aangemerkt, en dat ik evenwel daarom niet verzeke- re, dat dezelve altydt op gelyke wyze voortgaande gevonden wort: want niemant zal ontkennen, dat men ligtelyk toeftaan kan,dat ’erdikmaalseen menigvuldiger fpeling van de natuur in deze klynder vaten gevonden wort, als in de grote flagader. Op de 459. bladtz. wort ’er geantwoort op de berisping , die hy maakt,: om dat ik in een openbare vertoning gezegt hebbe, datdegefteltenisvan't blo et in de longepypflagader en in de long flagader het zelfde is. Namentlyk dat het gelogen is, dat ik zulksvolkomentlykgezegthebbe} en dat dit hem, afwezig zynde, verminkt en verdraaytis aangebragc 3 daarea boven , dat ik die woorden, dewelke ik toen ter tydt hebbe voortge- bragt, niet herhalen zal, tot dat hy geantwoort zal hebben op de dwalin- gen, waarvan hy klaarblykelyk is overtuygt) want dat ik zie,dathyge- fbdig met zync nieuwe verzinningen het tracht te maken, zo dathyuytde benaauwtheden, waar in hy zit, ligter gerede kan worden. Hy oordeelt, dat het zyne beftraffing waardig is, om dat ik ook Van een flagaderbreuk en andere zaken gefchreven hebbe 3 dewyl ’er voor deze vele Autheuren voor my diergelyks hebben aangetekent. Welke beftraffing ik met het volgende antwoort wederlcgge, namentlyk op de 460. bladtz. Zo Bidlo de waarheyt fchryft, volgt hier uyt. Voor eer ft > dat onze aanmerkingen met die van anderen beveftigt worden. 479 AN T WOO KT van FREDR IK RUYSCH, Ten twede. tone ik aan , fchoon andere de zelfde zaken gehandelt hebben, datze die op de zelfde wys met hebben verrigt: want ik hebbe andere verma- ningen, hulpmiddelen, en werktuygen gebruykt j en niemant voor my heeft een jlagaderbreuk door een ring genezen. Ten derde. legge ik voor ogen, hoe Bidlo met een quaataardig gemoet anderen , die aanmerkingen, van anderen medegedeek, vergadert hebben, met lof verheft, maar my veragt, en oordeelt beftraffens waardig te zyn, alhoewel ik rnyne eygene en met meer figuren en vermaningen verrykte aan- merkingen hebbe uytgcgeven. Op de 462 bladrz. hebbe ik aangetekent, dat hy onze aanmerkingen al te fchielyk doorgelezen, en op de zaken geen acht geflagen heeft; ' Dat daarenboven Bidlo maar op weynig plaatzen aanmerkingen uyt de Autheuren bybrengt, maar op de meelde plaatzen zyn gebrek uytblinkt. Alwaar op de 46 3en 464 bladtz. van een onvruchtbaarheydt, en de va- ten in V hart gehandelt wort, wort ’er aangetekent, dat hy , volgens zyne gewone manier, lijflig cn bcdrieglyk onze woorden verdraayt heeft, ’t welk opiderbkdrz. moed aangemerkt worden. Voorts-wort der aangetekent, dat hy gehele naamlyften van Autheuren doorzogt heeft., of liever heeft laten doorbladeren, maar dat hy de aanmer- kingen zelfs niet doorgelezen heeft. Op de 4ÓÓ bladtz. wort ’er reden gegeven , waarom ik ’er geen bloedt- vaten bygevoegt hebbe, alwaar ik de aanmerking van de qualyk gefielde dar- men , baarmoeder, enz. aantekene ,namentlyk, dat ik alleenlyk in die de- len heb wille befchryven, ’t geen ’er in dc gemelde voorwerpen tegen dc natuur voorqaam. Op de 467 en volgende bladrz. worden de laflenngcn wederlydt, die tegen my uytftort; en daar wortte gelyk geantwoortop \ gene, }c welke hy tegen onze berydingen uytgebraakt heeft. Tegelyk worr 'er de buyrerrfporige onkuyfchheydc van B 'tdlo aangetoont. Op de 4,7obladrz. antwoorde ik op dat gene, ’t welk hy van de (!aga~ aderen aan merkt , dat ze namentlyk altydt van groter tot klynder takken uytgaan; dat het tegendeel blykt uyt de figuren van Bidio, en dat hy in deze verdediging met gedagt heeft, wat 'er gefchiet, alwaar een aanmer- kelyke iumondiging van fiagaderen met flagaderen te vore komt. Laat nu de Lezer oordelen of hy zyne beloften gehouden heeft. Want hy liadde belooft, dat hy zich verdedigen zou, waar over hy van my befchuldigt is geweeft} en daarenboven hadde hy belooft, dat hy de dwalingen in dc ondeedtkunde van my begaan zoude aantekenen 3 onder- tuffchen is ’t gebleken, befchydene lezer, hoe B idlo geftadig getragt heeft van ontleedtkundige verfchillen af te wyken, die met vrucht cndcr de ont- laders zoude kunne werden overwogen: Derhalven zult gy my gemakke- lyk verfchonen, dat ik na dezen onzen overwonnene haayrklover alle ge* legentheydt affnyde ~ om ons te beroven van de uren, tot het onderzoeken van ontleetkundige zaken gefchikt: evenwel zal ik niet nalaten wydtlopi- ger te antwoorden, zo gaauw hy in een openbareontledingineenmenfche- lyk voorwerp zal aangetoont hebben: Voor eerft. dat de huydtklieren grafimltsgewys zyn , gelyk hy die ver- klaart en afgebeelt heeft. 2. ’t Gene hy van het middelde hersenvlies of fpinnewebsvlies en des- zelfs bloetvaten in zyne figuren heeft laten afbeelden. 3. De verdeling en verfprvding van de groote flagader, met zyne figu- ren overeenkomende Aan GOVERT BID L O O. 4. Ineen menfchelyke milt celletjes, dwerfche vezelen 3 klieren 3of dat midden, daar hy van droomt, tuffchen de ader en flagader. 5. De wortelen van de galblaas uyt den bodem uytfpmytende 3gelykhy dezelve afgebeelt heeft * namentlyk dat die werktuygen, die hy voor wor- telen afgebeelt heeft, in der daat wortelen van de galblaas zyn, uyt den bodem fpruytende, en de ingeflote gal in de holligheydt van de galblaas uitftortende. 6. Dat de bloetvaten zodanige loop houden onder de naaltsgewyze te- pels , en huydtklieren , als hy tiaar toegefchreven heeft 3 en dat de klieren tuffehen de tepels zodanig bymalkanderen gelegen zyn ,gelyk hylïaar heeft laten afbeelden, tegel yk ook de haayrige water vaatjes tube hen de klieren gelegen. 7* Dat de quikzilvcr vloeyt door de gaten van de naaltsgewyze tepeltjes. 8, De flagaderen door de herbenen verfpreyt, de vliezen en de zelfilan- dighcydt der herbenen weggenome zynde3 als ook de overige zaken met zyne figuren overeenkomende, enz. Ik worde meer en meer in myne voorneme beveiligt , om Bidlo nadezen- niets te antwoorden, eer dat hy deze dingen, en dat gene, ’t welk ik daar cnboven met recht van hem gevordert hebbe , zal volbragt hebbe 3 cm dat ik meer en meer zie, dat dit overleyt wordt, om my van. myne bezig- heden tot haayrklovereyen en beuzelingen te trekken. Want nadat ik zo verre in dit antwoort gekomen was, dat ik begon te denken om een eynde daar van te maken > komt my op nieuws zekerfnap- per uyt een Ichuylhcek aantallen, en fchryft een zeker twede- bockic te* gensmyj ikbemerke,.\vat hy in ’t zelve onderneemt: Be fchydene Lezer» ANTWOORT van FREDRIK RUYSCH, ik verzoeke, zulk» niet qualyk te nemen, dat ik den authcur van ’tzelve onder het getal van de fnappers rekene: want het is haar eygen, de zaken die in zich zelfs ernftig en nuttig zyn, zonder enig acht daar op te liaan, in gekfehenngen en fpotternyen te veranderen. De onze komt op de zelf- de manier te voorfchyn en is ’er op uyt, om de zaak niet voor de vuyft te verdedigen: want hy weet, dat hy daar toe niet in ftaat is, maar om de oogen van de lezers te verduyfteren, geeft hy,nade wyzederguichelaars, wegens zyne bygebragte quackies gelcgentheydt tot lachen$ op dat men minder befpeuren zou, hoe fchandelyk Govert zyn geding verheft; echter zal ik dc zaak beknoptelyk in ordre voorftellen. Den befcheydene Lezer is niet onbewuft, dat ik voor dezen in een ag- tervolging van Jaren myae ontleet en heelkundige aanmerkingen gefchre- ven en daarna met den druk gemeen gemaakt hebbe j verfchyde brieven op verfchyde tyden en plaatzen zyn ’er ook aangaande ontleetkundige zaken aan my gefchreven, waar op ik myne antwoorden heb late volgen, en daarna late drukken, weynig lettende (nademaal ik zo zeer over de nettigheydt van ftyl niet bekommert was* als over het wezen van de zaak) of een en ’t Zelfde woort menigermalen voorquara, en van de fchry veren zomtydts meer als eens gebmykt wierden de woorden, wonder, wonderbaarlyk, verwonderens- waardig enz. by voorheek in de eerfte aanmerking ftaat, een wonderbaar- lyke ft eenfny ding in een vrouw van 8 o jaren. in de 15. aanmerk. ’t is te verwonder en,dat de b innen fte mout van de baarmoeder in een haring uyt zinkt * en een weynigje daar na, ’t is te wonder om te zeggen, met hoe groot een wanfcbapenheydt die gemelde mont van de baarmoeder zich vertoont heeft in de 28 aanmerk. de zieke beeft de pyn zo manhaftig uytgeftaan (nament- lyk in een afzetting van een verkankerde roede ) dat het een ider tot een verwondering ftrekte. in de 95. aanmerk. een verharde of fchirreufe ver- dikking en wonderlyke vernaauwing van den endel darm na een moeyelyk- heydt in ’t wat er maken, en diergelyke meer. Onze wonderbare, en verwonderenswaardige Snapper neemt dit qualyk, en veracht zulks met een grote trotsheydt, ja hy rekent het my tot een mis- flag- Maar eyliêve, wat quaats kan ’t in deze zaak? beledigen die woor- den zyne zuyvere oren ? Dog om zyn zin te doen, zal ik na dezen zorg dragen, dat een en ’t zelfde woort niet te dikwils in den tweeden druk voorkomt. Voor ’t overige begrype ik niet volkome , wat zulks zeggen wil aan- gaande de Mennomft , of geen Mennonïft en Tetrus. Dit verftoort hem mifTchien, om dat’er inmyne aanmerkingen de naam van Petrus voorkomt; na dezen zal ik, om hem alle gelegentheydt van haayrklovenafte fnyden. Aan COVERT B I D L O O. van Lamhertus {preken, of van Nicolausy en zo de Mennomft geen Pe- trus is , laat hy derhalven Lambertus , kat hy Nic&laus zyn ; maar byal- dien voor den kallen de titul van Mennoniil niet genoeg is , laat hy dan Ondankbaar zyn. Zo deze namen niet genoeg zyn , laat hy ’er beter , en die hoger te verheffen zyn, leren van die genen, over wiens wysheydt hy zich verwondert. Byaldien hy nog meer wonderbare dingen begeert, laat hy zorg dragen, dat ’er een gefchiedenis van ’t leven van den wonderbaar- lyken Govert gedrukt wort, waar in ontelbare wonderlyke zaken zullen voorkomeni namentlyk zyne wonderbare, en tot verwonderenstoe beken- de zedigheydt, zyn wonderlyke manier van leven, zyne wonderbaarlyke wetenfehap van geleertheyt en welfprekentheyt, zyne wonderlyke kennis in de Ontleet en Natuurkunde y ja zyne verwonderenswaardige en vol- maakte ervarentheydt in de Geneeskonll. Eenige misftcllingen in ’t drukken of in dc Latynfche taal, zyn ’er door haaft in dit antwoort ingeflopen, die de goetgunllige Lezer gemakkelyk zal verbeteren y nogtans moet ik Bidlo waarfchouwen, dat hy onderfchey- dentlykcr onderzoekt, eer hy een lyft van misdellingen opfchryft, op dat hy niet wederom zodanige, die lichtelyk uyt de Autheuren bewezen kun- nen worden, voor fylen rekene, welke misfiag hy in’t voorgaande begaan heeft y by voorbeelt, In de eerde Brief pag. 8. 1. 9. ultiraa. quod quartam propofittonem atti- net. lees Valer: Max. I. i. c. 1. de religione, exemplo 14. fed in bis qtt£ cujiodiam religionis attinent &x, Vifuntur voor videntur. Torent. Eunuch. aft. 3. fcen. 4. v. 7. Vifam> Ji domi Jït, In den 5. Brief pag. 20. lin* 15. glandulis ejje ohfita, ornnes membrana y daar is voorafgegaan, dicuntur; Maar laten wy ’t eens toeftaan , ik zal bewyzen , dat het beyde gezegt wort, gelyk in Corn. Nep. in vita PauJ. cap. uit. dicitur eo tempore ma- trem Paufan'ue -vixijfe. Sdebat verbetert hy fdebam, hy heeft niet gezien dat het woort animum voorafgegaan is, op welk woort fciebat ziet. In de 3. Brief lin. 8. op de 17. bladcz. admirari in me illam y dit begrype ik niet, gelyk de onze, pajfive, maar als een deponens. Honore confecuto. Zo hy V%rro gelezen hadde , zou hy verdaan heb- ben , dat het woort confequor ook paülve gebruykt wort y by voorbeelt, conjecuta anfa, Ziet VoJJlus de arte Grammat: 1. 5, cap. 6 toto, enz.